26 271
Wijziging van de regeling van het DNA-onderzoek in strafzaken

nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING

1. Inleiding

Er bestaan een aantal redenen om de regeling betreffende het DNA-onderzoek in strafzaken, die per 1 september 1994 in werking is getreden, te wijzigen. In de eerste plaats is de wijze van uitvoering van het DNA-onderzoek die de huidige wetgeving voorschrijft onnodig belastend. Het is niet langer noodzakelijk bloed af te nemen ten behoeve van een goed DNA-onderzoek. Een onderzoek van wangslijmvlies levert naar huidig wetenschappelijk inzicht vergelijkbaar betrouwbare resultaten op.

Een gevolg van deze ontwikkeling is, dat de inzet van deze onderzoeksmethode niet zo restrictief behoeft te zijn als thans in de wet is neergelegd. De inbreuk op de lichamelijke integriteit die bij DNA-onderzoek gemaakt moet worden is een geringere. Daarmee is een tweede reden gegeven om de wet te wijzigen. De inschakeling van de rechter-commissaris in gevallen waarin de verdachte wil meewerken aan het DNA-onderzoek, komt niet langer noodzakelijk voor. En de gedwongen medewerking behoeft niet langer te worden beperkt tot het geval waarin een DNA-onderzoek dringend noodzakelijk is voor het aan de dag brengen van de waarheid. Op deze wijze worden de mogelijkheden om het DNA-onderzoek in het voorbereidend onderzoek te gebruiken verruimd.

Ook het afnemen van wangslijmvlies blijft evenwel een inbreuk op de lichamelijke integriteit, die het DNA-onderzoek binnen het scala van onderzoeksvormen één van de meer ingrijpende maakt. Een verder gaande aanpassing van de vereisten voor toepassing van DNA-onderzoek komt mij daarom onjuist voor. Het wetsvoorstel behelst derhalve geen aanpassing van de misdrijven bij welker verdenking een DNA-onderzoek kan worden bevolen. Ook de eis dat tegen de verdachte «ernstige bezwaren» moeten zijn gerezen, blijft gehandhaafd.

Het afzwakken van de vereisten voor het mogen verrichten van DNA-onderzoek kan een belangrijk neveneffect hebben. Tot op heden vindt de registratie van DNA-profielen slechts op relatief beperkte schaal plaats. Dat komt onwenselijk voor, gelet op de grote bijdrage die een dergelijke registratie aan de opheldering van ernstige geweldsdelicten kan leveren. Die bijdrage kan bovendien niet alleen nationale, maar ook buitenlandse onderzoeken betreffen. Ik heb daar in een toespraak voor het symposium «Forensic intelligence», gehouden op 19 maart 1997, de aandacht voor gevraagd. De onderhavige wetswijziging zal bewerkstelligen dat meer DNA-profielen zullen worden opgeslagen.

2. De betrouwbaarheid van onderzoek van het wangslijmvlies

Met de voortgang van de DNA-techniek kan van steeds geringere hoeveelheden biologisch materiaal een DNA-profiel worden vervaardigd. Een correct afgenomen wangslijmvliesmonster bevat meer dan voldoende DNA voor het huidige DNA-onderzoek, waarbij tevens de garantie bestaat dat er voldoende celmateriaal overblijft voor een eventueel contraonderzoek.

Daarmee is gegeven dat de bestaande wettelijke regeling gelet op de huidige stand van de techniek onnodig bezwarend is voor de verdachte. Artikel 195d, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (WvSv) schrijft namelijk voor dat bloed wordt afgenomen. Het bevel hiertoe wordt slechts dan niet ten uitvoer gelegd, indien aannemelijk is dat zulks vanwege een bijzondere geneeskundige reden onwenselijk is (vijfde lid). Slechts in dat geval, en in het geval bloed geen geschikt materiaal voor DNA-onderzoek zal opleveren, kan de rechter-commissaris bevelen dat van de verdachte wangslijmvlies of haarwortels worden afgenomen (zevende lid).

Dit wetsvoorstel stelt voor, het afnemen van wangslijmvlies in de plaats te stellen van het afnemen van bloed. De rechter-commissaris beveelt in beginsel dat wangslijmvlies wordt afgenomen. Op welke wijze de arts aan dit bevel gevolg zal dienen te geven wordt uitgewerkt in een op het achtste lid van genoemd artikel gebaseerde algemene maatregel van bestuur. Eerst indien er een medische reden is waarom deze wijze van uitvoering niet mogelijk is (de verdachte kan bijvoorbeeld eczeem in zijn mond hebben) ligt het afnemen van bloed voor de hand. De arts moet daarvoor, als hem zulks eerst tijdens het onderzoek duidelijk wordt, in beginsel terug naar de rechter-commissaris. Deze kan vervolgens een nieuw bevel uitvaardigen op grond van artikel 195d, zevende lid, WvSv. De aan het zevende lid van artikel 195d WvSv toe te voegen zin maakt het evenwel ook mogelijk, beide bevelen tegelijk te geven. Indien de arts vaststelt dat het afnemen van wangslijmvlies niet mogelijk is, kan hij in dat geval onmiddellijk bloed afnemen. Het belang van deze voorziening is, behalve in tijdwinst voor de rechter-commissaris, de arts en andere betrokkenen, gelegen in het feit dat niet twee keer op grond van artikel 195e WvSv een termijn voor hoger beroep gaat lopen.

De mogelijkheid tot onderzoek van haarwortels blijft bestaan voor gevallen waarin noch het onderzoek van bloed, noch het onderzoek van wangslijmvlies mogelijk is. De resultaten die bij onderzoek van haarwortels worden geboekt, zijn niet zodanig dat dit lichaamsmateriaal met de andere op één lijn kan worden gesteld.

In het kader van artikel 151a WvSv is geen regeling opgenomen van de «volgorde» waarin lichaamsmateriaal wordt afgenomen. Nu het hier gaat om een afname van lichaamsmateriaal met instemming en medewerking van de betrokkene, is regeling in de wet niet nodig. De in het geval van vrijwillige medewerking te volgen procedure zal worden neergelegd in de algemene maatregel van bestuur die op basis van artikel 151a, negende lid, WvSv zal worden vastgesteld.

3. Vrijwillige medewerking aan het onderzoek

Artikel 151a WvSv biedt naar geldend recht slechts beperkte mogelijkheden tot onderzoek. Het maakt het onderzoek van sporenmateriaal mogelijk in de situatie waarin de verdachte nog niet bekend is. Als de verdachte eenmaal bekend is, is een DNA-onderzoek slechts in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek mogelijk, op basis van artikel 195a WvSv. Dat geldt zelfs indien de verdachte wil meewerken aan een dergelijk onderzoek. Artikel 195a WvSv is in de huidige situatie bedoeld voor alle DNA-onderzoeken waarbij een verdachte betrokken is, onafhankelijk van de vraag of deze vrijwillig of gedwongen bloed heeft afgestaan.

Een zo restrictieve inzet van deze onderzoeksmethode komt, gelet op de minder ingrijpende wijze waarop dit onderzoek voortaan kan plaatsvinden en het streven het DNA-onderzoek ruimer toe te passen, niet wenselijk voor. Onderzoek aan sporenmateriaal moet, ook als de verdachte bekend is, plaats kunnen vinden op last van de officier van justitie. Zeer wel denkbaar is voorts, dat de verdachte graag wil meewerken aan een DNA-onderzoek teneinde van de verdenking gezuiverd te worden. In dat geval moet de officier van justitie een onderzoek van dit vrijwillig afgestane materiaal kunnen laten verrichten. Te dien einde zijn in artikel 151a, eerste lid, WvSv de woorden «indien de verdachte niet bekend is» vervallen. De gekozen formulering laat tevens ruimte voor een DNA-onderzoek aan lichaamsmateriaal, afgestaan door niet-verdachten. Dergelijk onderzoek op vrijwillige basis kan onder omstandigheden, met name als duidelijk is dat de dader van een ernstig delict in een beperkte kring van personen moet worden gezocht, van groot belang zijn.

Deze verruiming van de reikwijdte van artikel 151a WvSv is slechts aanvaardbaar, zo wordt benadrukt, omdat de betrokkene vrijwillig meewerkt. De wet stelt buiten twijfel dat de toestemming van de betrokkene schriftelijk moet worden verkregen. Teneinde te voorkomen dat twijfel rijst omtrent het vrijwillige karakter van de medewerking zal in de algemene maatregel van bestuur die op basis van dit artikel wordt uitgevaardigd, voorts worden uitgewerkt op welke wijze de medewerking moet worden gevraagd en vastgelegd. De verruiming van de reikwijdte van artikel 151a WvSv is voorts aanvaardbaar, omdat de waarborgen die thans in de regeling van de artikelen 195a tot en met 195e WvSv zijn opgenomen, ook in artikel 151a WvSv worden verwerkt. Een voorbeeld daarvan is het voorgestelde tweede lid van het gewijzigde artikel 151a WvSv, dat mutatis mutandis gelijk is aan artikel 195a, tweede lid, WvSv. Het schrijft voor dat de verdachte de deskundige mag aanwijzen die het onderzoek verricht indien onvoldoende celmateriaal voor een tegenonderzoek aanwezig is. Het gaat daarbij vanzelfsprekend niet om celmateriaal dat van de verdachte wordt afgenomen maar om materiaal dat bijvoorbeeld op de plaats van het delict is gevonden. Tot dusver kon dit voorschrift in artikel 151a WvSv ontbreken, omdat de rechter-commissaris moest worden ingeschakeld als er een verdachte was. Als de officier van justitie ook in het geval de verdachte bekend is een DNA-onderzoek mag laten plaatsvinden, wordt dit anders.

Van de verleende bevoegdheid dient, zoals van alle bevoegdheden, een behoorlijk gebruik te worden gemaakt. Daaruit vloeit voort, dat niet in de plaats van aan afgenomen lichaamsmateriaal DNA-onderzoek mag worden verricht aan lichaamsmateriaal dat de verdachte op koffiekopjes en dergelijke heeft achtergelaten. Daarmee zouden de waarborgen en beperkingen die de wet aan het afnemen van lichaamsmateriaal stelt, worden omzeild.

4. Het bewaren en vernietigen van celmateriaal

De plicht tot vernietiging van celmateriaal, die thans in artikel 195a, vierde lid, Wetboek van Strafvordering is opgenomen, is eveneens een waarborg voor de onderzochte persoon. Deze plicht wordt in dit wetsvoorstel evenwel niet overgenomen in artikel 151a WvSv; in beide artikelen wordt ingevolge dit wetsvoorstel een verplichting opgenomen om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, de Registratiekamer gehoord, regels te stellen voor het bewaren en vernietigen van lichaamsmateriaal. Voor deze aanpassing zijn een aantal redenen. In de eerste plaats zijn de ervaringen met de thans geldende vernietigingsplicht niet onverdeeld gunstig. Artikel 195a, vierde lid, WvSv maakt duidelijk, dat de rechter-commissaris het afgenomen celmateriaal thans moet doen vernietigen. In de praktijk gebeurt dit in veel gevallen niet. Dat is ook niet verwonderlijk: het celmateriaal ligt bij het Gerechtelijk Laboratorium, en kan gemakkelijk aan de aandacht van de rechter-commissaris ontsnappen. Wenselijk is deze situatie evenwel niet. Naar mijn mening verdient het aanbeveling, in een algemene maatregel van bestuur een zorgvuldige procedure uit te werken.

Er zijn echter ook andersoortige argumenten voor deze wetswijziging; argumenten om de vernietigingsplicht te clausuleren. Uit het advies van het Gerechtelijk Laboratorium, uitgebracht naar aanleiding van het concept voor het onderhavige wetsvoorstel, blijkt dat er goede redenen kunnen zijn om lichaamsmateriaal in bepaalde gevallen niet integraal te vernietigen. Zo is het mogelijk om, met behulp van bewaard lichaamsmateriaal, een nieuwe test uit te voeren als het in de DNA-registratie opgenomen profiel overeenkomt met opgestuurd sporenmateriaal. Op deze wijze kan worden voorkomen dat de betrokkene moet worden benaderd om voor de tweede keer lichaamsmateriaal af te geven. Voorts stelt het Gerechtelijk Laboratorium dat over een aantal jaren meer informatie ter identificatie uit nu afgenomen lichaamsmateriaal kan worden gehaald. Het openbaar ministerie wijst er in zijn advies op dat door veranderende analysetechnieken het risico bestaat dat de DNA-profielen in de toekomst niet meer vergelijkbaar zijn. Er zijn derhalve argumenten voor een beperkte, aan de opname van een DNA-profiel in de registratie gekoppelde uitzondering op de vernietigingsplicht.

Naar mijn mening wegen deze argumenten inderdaad op tegen andere, met name uit privacyoverwegingen voortvloeiende, contra-argumenten. De huidige wetgeving erkent reeds dat een registratie van DNA-profielen gerechtvaardigd is in het belang van de opsporing. Het belang van deze registratie voor de opsporing kan aanmerkelijk worden vergroot als het Gerechtelijk Laboratorium in staat wordt gesteld deze registratie bij de tijd te houden. Een additionele inbreuk op de lichamelijke integriteit van de betrokkene is daarvoor niet nodig. De algemene maatregel van bestuur zal echter adequate procedurele waarborgen moeten bieden. Ik hecht er dan ook aan, in deze het advies van de Registratiekamer in te winnen.

Adequate procedurele waarborgen zijn ook nodig om te voorkomen dat lichaamsmateriaal te spoedig wordt vernietigd. Zo kan het in ieder geval niet vernietigd worden zolang de verdachte nog het recht heeft om een tegenonderzoek te vragen. Thans kan dit uit artikel 195a, vierde lid, WvSv worden afgeleid, omdat daarin is opgenomen dat het belang van het onderzoek de vernietiging moet toelaten. De uit te vaardigen algemene maatregel van bestuur biedt evenwel – wenselijke – mogelijkheden om dit uitgangspunt nader te concretiseren.

5. De dringende noodzakelijkheid van het onderzoek

Ingevolge het derde lid van artikel 195d WvSv kan het bevel tot het afnemen van lichaamsmateriaal ten behoeve van een DNA-onderzoek slechts worden gegeven indien uit feiten en omstandigheden blijkt van ernstige bezwaren tegen de verdachte en indien het onderzoek dringend noodzakelijk is voor het aan de dag brengen van de waarheid. Deze laatste voorwaarde komt, nu het afnemen van wangslijmvlies kan volstaan, te restrictief voor. Het DNA-onderzoek kan een uiterst betrouwbaar bewijsmiddel opleveren; er is geen reden dit onderzoek, nu het minder bezwarend wordt dan thans het geval is, aan een zo zware subsidiariteitsnorm te binden. Ook in vergelijking met artikel 195 WvSv is deze verandering redelijk. Artikel 195 WvSv, zoals het thans luidt, verbindt de eis van dringende noodzakelijkheid slechts aan het onderzoek van een niet-verdachte (bijvoorbeeld het slachtoffer) die niet wil meewerken. Bij de verdachte volstaan «ernstige bezwaren». In dit opzicht wordt voorgesteld artikel 195 WvSv en artikel 195d WvSv min of meer gelijk te trekken, door een verplicht DNA-onderzoek toe te staan «in het belang van het onderzoek».

Ook de afname van bloed is voortaan niet langer gebonden aan de voorwaarde van dringende noodzakelijkheid. Het ligt immers niet voor de hand de afname van wangslijmvlies aan andere normen te binden dan de afname van bloed. Afname van bloed is slechts een subsidiaire onderzoeksmethode en dient aan dezelfde voorwaarden gebonden te zijn als afname van wangslijmvlies.

6. De verplichting tot medewerking

Inschakeling van de rechter-commissaris is in de opzet van dit wetsvoorstel nog slechts nodig in gevallen waarin de verdachte niet wil meewerken aan het DNA-onderzoek. In dat geval is een bevel op grond van artikel 195d WvSv noodzakelijk. Niet ondenkbaar ware geweest, de officier van justitie de mogelijkheid te geven medewerking te bevelen. In het rapport van de Commissie Meijers (Onderzoek aan het lichaam, februari 1997) wordt aanbevolen artikel 56 WvSv zo te wijzigen dat de officier van justitie bij het bestaan van ernstige bezwaren tegen de verdachte kan bevelen dat deze in zijn lichaam wordt onderzocht. Er zijn evenwel redenen om bij DNA-onderzoek anders te oordelen. De bevoegdheid van artikel 56 WvSv is gekoppeld aan de voorgeleiding, en daarmee aan een situatie waarin een zekere tijdsdruk bestaat. De verdachte is net ingesloten, en het vermoeden bestaat dat hij in zijn lichaam zaken heeft die voor het onderzoek van belang zijn en/of die voor zijn gezondheid bedreigend zijn. In de situatie van het DNA-onderzoek ontbreekt de tijdsdruk. Het lichaamsmateriaal van de verdachte verandert niet; het is in beginsel niet van belang of dit nu vandaag of morgen wordt afgenomen. Hier is derhalve alle gelegenheid de rechter-commissaris in te schakelen. Van belang is voorts de aanwezigheid van een DNA-registratie. Wordt de verdachte door het DNA-onderzoek gekoppeld aan het onderzochte delict, dan komt zijn DNA-profiel in deze registratie. Het onderzoek in artikel 56 WvSv omschreven heeft niet zo'n belastend bijeffect.

De inschakeling van de rechter-commissaris blijft plaatsvinden in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek. Er is niet voor gekozen de rechter-commissaris slechts een machtiging te laten geven. De reden daarvoor is dat het hier gaat om een bevoegdheid waarbij de persoonlijke betrokkenheid van de rechter-commissaris vereist blijft. Hij moet de verdachte, zo stelt de wet reeds thans, in beginsel horen. Bij de bevoegdheden die geregeld worden in het wetsvoorstel betreffende de bijzondere opsporingsbevoegdheden ligt dit wezenlijk anders. De bevoegdheidstoepassing waar in dat kader een machtiging van de rechter-commissaris voor wordt voorgeschreven vindt in het geheim plaats; het daaraan voorafgaand horen van de verdachte zou de bevoegdheidstoepassing van alle zin beroven.

7. De misdrijven van artikel 195d, eerste en tweede lid, WvSv

In de adviezen die naar aanleiding van het onderhavige wetsvoorstel zijn uitgebracht wordt van verschillende kanten bepleit, de mogelijkheid om een bevel tot DNA-onderzoek te geven bij meer misdrijven te introduceren. Artikel 195d, eerste lid, WvSv legt de grens thans bij misdrijven waarop een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld. Het tweede lid voegt daar nog enkele misdrijven aan toe; zo zijn alle zedendelicten waarop zes jaar gevangenisstraf staat opgenomen. Gesuggereerd wordt met name, het bevel tot DNA-onderzoek mogelijk te maken bij alle misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is.

Naar mijn oordeel gaat dit te ver. De in artikel 195d, eerste en tweede lid, WvSv besloten liggende afbakening komt mij nog steeds juist voor. Anders dan in naar aanleiding van het concept-wetsvoorstel uitgebrachte adviezen wel wordt gesteld, acht ik DNA-onderzoek niet vergelijkbaar met het afnemen van een vingerafdruk. Het gaat hier uiteindelijk nog steeds om een betrekkelijk ingrijpend, tegen de wil van de verdachte aan diens lichaam uitgevoerd onderzoek. Juridisch is er bovendien nog het verschil dat hier lichaamsmateriaal wordt afgenomen; bij vingerafdrukken niet. Ook als, zoals de Recherche Adviescommissie in haar advies stelt, het DNA-onderzoek bij vermogensdelicten in belangrijke mate aan de opsporing zou kunnen bijdragen, blijft het naar mijn mening een onderzoekstechniek die gelet op haar ingrijpendheid voor zwaardere delicten gereserveerd dient te blijven.

Ook het vereiste van de «ernstige bezwaren» dient naar mijn mening gelet op het voorgaande gehandhaafd te blijven. Een DNA-onderzoek blijft nog steeds betrekkelijk ingrijpend. Illustratief is een vergelijking met artikel 195 WvSv, en artikel 56 WvSv. Ook voor veel minder ingrijpend onderzoek, zoals het onderzoek aan de kleding, wordt daar de eis van ernstige bezwaren gesteld.

8. De DNA-registratie

Een adequaat functionerende DNA-registratie kan een belangrijke bijdrage leveren aan de opsporing van ernstige misdrijven. Die bijdrage geldt bovendien niet alleen de in Nederland gepleegde misdrijven. Strafzaken hebben steeds vaker internationale aspecten, ook op het terrein van de gewelds- en zedendelicten. Ik heb dan ook voorstellen gedaan om in Europees verband een uitwisseling van DNA-profielen mogelijk te maken. De mogelijkheid, in Europees verband een dergelijke gegevensuitwisseling te bevorderen, wordt groter als Nederland zelf over een adequaat functionerende DNA-registratie beschikt. Inmiddels is reeds totstandgekomen de Resolutie van de Raad van de Europese Unie van 9 juni 1997 (Publicatieblad 24 juni 1997, C 193/2) inzake de uitwisseling van DNA-analyseresultaten, waarin de lidstaten worden uitgenodigd te overwegen om nationale DNA-databanken in te stellen.

Het is mijn hoop dat de wetswijzigingen die in het voorgaande zijn toegelicht ervoor zullen zorgen dat het belang van de DNA-registratie voor de opsporing van ernstige delicten zal toenemen. Verwacht mag worden dat met name de ruimere reikwijdte van artikel 151a WvSv en artikel 195d WvSv ertoe zullen bijdragen dat de DNA-registratie een belangrijke rol zal kunnen gaan spelen bij het onderzoek naar ernstige gewelds- en zedendelicten. Ook ingeval de verdachte vrijwillig meewerkt krijgt de officier van justitie de beschikking over diens DNA-profiel. Hij kan dat, als het de verdenking bevestigt, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen beperkingen (vgl. artikel 151a, zesde lid, WvSv) in de DNA-registratie laten opnemen. Voorts zal de afzwakking van de eis, in artikel 195d, derde lid, WvSv gesteld, tot een ruimer gebruik van deze onderzoeksmethode leiden.

Met name de ruimere reikwijdte van artikel 151a WvSv kan met zich meebrengen dat ook profielen worden verkregen van personen ten aanzien waarvan geen aanleiding bestaat ze op te nemen in een DNA-profielenregistratie. De regel van artikel 195a Wetboek van Strafvordering (DNA-profielen worden opgenomen in een persoonsregistratie) behoeft derhalve aanpassing; in het voorgaande werd daar hier en daar reeds op vooruitgelopen. Deze regel behoeft zeker aanpassing in het licht van de omstandigheid dat wordt voorgesteld ook de vrijwillige medewerking van niet-verdachten mogelijk te maken. Voorgesteld wordt daarom in de eerste plaats, te bepalen dat DNA-profielen onder beperkingen, te stellen bij algemene maatregel van bestuur, worden opgenomen in een registratie. Verder wordt voorgesteld te bepalen dat bij algemene maatregel van bestuur, de Registratiekamer gehoord, regels worden gesteld voor de verwerking van DNA-profielen. «Verwerking» is daarbij datgene wat daar in het voorstel van wet, houdende regels inzake de bescherming van persoonsgegevens (Wet bescherming persoonsgegevens) (kamerstukken II 1997–1998, 25 892, nrs. 1–2) onder wordt verstaan: elke handeling of elk geheel van handelingen met betrekking tot persoonsgegevens, waaronder in ieder geval het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiding of enige andere vorm van terbeschikkingstelling, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van gegevens.

Deze wijziging spoort met een opmerking, gemaakt door de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR). De NVvR is van oordeel dat moet worden vastgelegd dat het DNA-profiel van de getuige en het slachtoffer niet in de DNA-databank worden opgenomen. Opneming van deze beperking in de wet, zoals de NVvR voorstelt, ligt minder voor de hand. Het karakter van deze beperkingen is niet zozeer strafvorderlijk van aard; het betreft hier veeleer privacyregelgeving. Zo kan er op worden gewezen dat deze regels zullen moeten vastleggen dat profielen van veroordeelden opgeslagen worden of blijven; in de context van artikel 195a e.v. WvSv gaat het helemaal niet om personen die veroordeeld zijn. Verder hangt deze materie sterk samen met andere zaken die in de algemene maatregel van bestuur geregeld zullen moeten worden.

Een kleine aanpassing betreft de omschrijving van de registratie in de wet. Artikel 195a WvSv sprak tot dusverre van een persoonsregistratie; dit is gewijzigd in registratie, opdat de mogelijkheid ontstaat de registratie als een politieregister vorm te geven.

9. Het besluit

Naar aanleiding van deze wetswijziging zal ook de algemene maatregel van bestuur die het DNA-onderzoek regelt worden aangepast; dat is op enkele plaatsen in deze toelichting reeds aangekondigd. Bij die wijziging zal ook tegemoetgekomen worden aan enkele bezwaren die in de praktijk zijn gerezen tegen de geldende redactie van het besluit. Zo bestaat nog niet de mogelijkheid buitenlandse laboratoria in dit kader in te schakelen; een mogelijkheid waaraan wel behoefte bestaat. Verder kan de administratieve afhandeling van het onderzoek worden versimpeld. In de adviezen die naar aanleiding van het wetsvoorstel zijn uitgebracht zijn een aantal opmerkingen gemaakt waar bij de herziening van het besluit dankbaar gebruik van zal worden gemaakt.

10. Artikelsgewijze toelichting

In het voorgaande zijn de meeste van de voorgestelde wijzigingen reeds toegelicht. In aanvulling daarop wordt bij enkele wijzigingen nog een korte toelichting gegeven.

ARTIKEL I

Artikel 151a

In het eerste lid van artikel 151a wordt de basis gelegd voor het onderzoek van vrijwillig afgestaan celmateriaal, alsmede van sporenmateriaal. De wijze waarop het lichaamsmateriaal kan worden afgenomen is niet nader geregeld in de wet. Wel zullen daaromtrent regels worden gesteld in de op het negende lid te baseren algemene maatregel van bestuur. Uitgangspunt zal daarbij zijn dat betrokkenheid van een arts bij het afnemen van wangslijmvlies niet vereist is, maar dat de afname van bloed uitsluitend door of onder verantwoordelijkheid van een arts kan geschieden.

In het derde lid wordt de mededelingsplicht anders geformuleerd. Tot dusver hoefde slechts mededeling te worden gedaan aan de verdachte. Het onderhavige wetsvoorstel maakt het mogelijk dat ook van niet-verdachten lichaamsmateriaal wordt afgenomen ten behoeve van een DNA-onderzoek. In dat geval dient de mededeling van het resultaat aan hen gedaan te worden. Ingeval sporenmateriaal onderzocht wordt, dient mededeling te worden gedaan aan de verdachte: in dit opzicht verandert niets.

Een tweede wijziging van de mededelingsplicht betreft de inhoud van de mededelingen. In het advies van de NVvR wordt er terecht op gewezen dat de geldende inlichtingenplicht ver strekt: de rechter-commissaris moet «steeds» schriftelijk kennis geven van een aantal zaken. Voldoende lijkt inderdaad, dat de verdachte schriftelijk van de uitslag op de hoogte wordt gesteld. Daarnaast dient, vanzelfsprekend, in het procesdossier (waarvan de verdachte eveneens kennis kan nemen) een adequate verslaglegging van het verrichte onderzoek te worden opgenomen.

Artikel 195a

De mededelingsplicht van het derde lid is anders geformuleerd; een toelichting op de gekozen formulering is gegeven in de toelichting bij artikel 151a WvSv.

Artikel 195d

In artikel 195d WvSv wordt thans bepaald dat de afname van bloed op bevel van de rechter-commissaris «door een arts» plaatsvindt. Nu de afname van wangslijmvlies minder medische kwalificaties vereist, is in het concept voorgesteld deze passage te veranderen in «door of onder verantwoordelijkheid» van een arts. Daarmee is tot uitdrukking gebracht dat de arts niet zelf wangslijmvlies behoeft af te nemen. Ook het afnemen van bloed of haarwortels behoeft, bij een bevel daartoe, niet door de arts zelf te gebeuren, zo volgt uit artikel 195d, zevende lid, WvSv, waarin het zesde lid op het afnemen van dit lichaamsmateriaal van overeenkomstige toepassing wordt verklaard. Wel is het oordeel over de vraag of het wangslijmvlies van de verdachte geschikt materiaal oplevert met uitsluiting van anderen aan de arts toevertrouwd. De arts hoeft zijn verantwoordelijkheid niet waar te maken door zelf bij het afnemen van lichaamsmateriaal aanwezig te zijn. Hij dient zich er echter wel van te vergewissen dat degene die onder zijn verantwoordelijkheid handelt de vereiste kwaliteiten heeft. In de algemene maatregel van bestuur zal meer in het algemeen worden neergelegd, welke personen onder verantwoordelijkheid van een arts wangslijmvlies mogen afnemen.

De aan het zevende lid toe te voegen zin is in paragraaf 2 reeds toegelicht.

Artikel 552o

De voorgestelde wijziging van artikel 552o bewerkstelligt dat de rechter-commissaris een DNA-onderzoek ook in het kader van een rechtshulpverzoek kan laten verrichten. De voorgestelde formulering stelt zeker dat het bevel van artikel 195d WvSv in deze context ook kan worden gegeven. Voorts is voorzien in de mogelijkheid, in het kader van een rechtshulpverzoek maatregelen in het belang van het onderzoek te bevelen. De rechter-commissaris kan deze maatregelen tijdens het gerechtelijk vooronderzoek nemen op basis van de artikelen 222 en 225 Invoeringswet Wetboek van Strafvordering. Artikel 6 Besluit Inverzekeringstelling verduidelijkt dat tot deze maatregelen onder meer het nemen van vingerafdrukken behoort. Ook dat is een bevoegdheid die, net als die tot het laten verrichten van DNA-onderzoek, tot identificatie van de betrokkene strekt. Zeker in het licht van de omstandigheid dat toepassing van deze bevoegdheid een beperktere inbreuk op de lichamelijke integriteit maakt dan DNA-onderzoek, wordt voorgesteld ook deze bevoegdheid in het kader van rechtshulpverzoeken toepasbaar te maken.

Artikel II

Het tijdstip van inwerkingtreding wordt bij koninklijk besluit vastgesteld. Voorafgaande aan de inwerkingtreding zal de rechtspraktijk met de inhoud van de wet en haar datum van inwerkingtreding bekend worden gemaakt.

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

Naar boven