26 245
Wijziging van enkele belastingwetten c.a. (belastingplan 1999)

nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING

Inhoudsopgave

1.Algemeen2
   
2.Inkomensondersteuning (additionele verlaging tarief nieuwe eerste schijf)5
   
3.Verhoging energiebelastingen, algemeen btw-tarief op water en terugsluis (verschuiving en vergroening)6
3.1.Inleiding6
3.2.Regulerende energiebelasting7
3.3.Positieve prikkels10
3.4.Indexatie belastingen op milieugrondslag12
3.5.Omzetbelasting op water12
3.6.Milieueffecten13
3.7.Terugsluis en budgettaire effecten14
   
4.Voorkoming ongewenste renteaftrek16
   
5.Overige maatregelen17
 Aftrek buitengewone lasten chronisch zieke kinderen17
 Willekeurige afschrijving economisch zwakke regio's18
 Aanpassing aanslagcriteria aan de voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting18
 Verlaagd accijnstarief LPG voor autobussen in het openbaar vervoer18
 Teruggaaf eurovignet bij intermodaal vervoer19
 Verruiming aangiftetermijn voor alcoholvrije dranken en pruim- en snuiftabak20
 Aanpassing afschrijvingslijn bpm voor gebruikte personenauto's en motorrijwielen20
 Afschaffing accijnsvrijstelling proviandering binnenvaart21
   
6.Europese aspecten22
   
7.Budgettaire en personele effecten23
   
8.Toelichting op de artikelen24

1. Algemeen

«Het financieel-economische beleid zal in het bijzonder gericht zijn op:

– Meer mensen aan de slag en een evenwichtige inkomensontwikkeling;

– Investeren en reserveren voor de toekomst;

– Een dynamische en duurzame economie;

– Een betrouwbaar en voorspelbaar overheidsbeleid;

– Voldoende ruimte voor doelmatig uitgevoerde kerntaken.»

Dit zijn de hoekstenen van het financieel-sociaal-economische beleid zoals dit is verwoord in de Miljoenennota 1999 en in het Regeerakkoord1. De fiscaliteit is een niet meer weg te denken instrument om deze beleidsdoelstellingen dichterbij te brengen. De wijze waarop het fiscale instrument de komende periode wordt ingezet, is voor een belangrijk deel uiteengezet in het Regeerakkoord. Het zwaartepunt van het fiscale beleid in de komende periode ligt uiteraard bij de belastingherziening per 1 januari 2001. Echter ook voor 1999 wordt in het Regeerakkoord een aantal fiscale maatregelen aangekondigd. Daarnaast zijn er andere maatregelen, waarvan de voorbereiding reeds in de vorige kabinetsperiode in gang is gezet dan wel die in de vorige kabinetsperiode zijn toegezegd. Deze tezamen, en de gebruikelijke technische aanpassingen, vormen het zogenoemde belastingplan 1999 in brede zin.

Het belastingplan 1999 in brede zin bevat de volgende voorstellen:

Maatregel en belastingeffect1 (in mln op kasbasis)1999structureel
1.Verhoging milieubelastingen en terugsluis  
 verhoging energiebelastingen1 0201 110
 overbrengen water van verlaagd naar algemeen btw-tarief235255
 indexatie milieubelastingen8085
 btw over verhoogde milieubelastingen140155
 verhoging vermindering lage lonen met f 210, doorstroom- en jongerenspak met f 105– 85– 90
 verhoging zelfstandigenaftrek met f 285– 15– 25
 positieve prikkels bedrijfslevena) b)– 70**– 95
 positieve prikkels huishoudens per 1 juli 1999– 60– 70
 knip eerste schijf IB + verlaging tarief nieuwe eerste schijf met 0,9%-punt– 995– 1 085
 verhoging ouderenaftrek met 145– 20– 20
 verhoging aanvullende ouderenaftrek met 115– 10– 10
2.Additionele verlaging tarief nieuwe eerste schijf– 460– 500
3.Voorkoming ongewenste renteaftrek020
 schrappen aftrek van f 4 000 vooruitbetaalde rente  
 beperking renteaftrek effecten met vreemd vermogen gefinancierd  
4.Verruiming aftrek buitengewone lasten t.b.v. chronisch zieke kinderen– 2– 2
5.Willekeurige afschrijving zwakke economische regio'sa)– 200
6.Diverse maatregelen in de sfeer van de indirecte belastingen  
 verlaagd tarief LPG voor autobussen in het OV0– 5
 teruggaaf eurovignet bij gecombineerd vervoer– 1– 2
 afschaffing accijnsvrije bevoorrading binnenschepen2020
 aanpassing afschrijvingslijn bpm gebruikte personenauto's– 6– 6
7.Tijdelijke tegemoetkoming kosten invoering Euro (reservering)c)– 450
8.Invoering afdrachtvermindering scholingskosten voor non-profitsector– 100– 110
9.Aanpassingen bestaande afdrachtverminderingen  
 verhoging voltijdscriterium binnen WVA van 32 naar 36 uur1520
 verhoging percentage afdrachtvermindering kinderopvang– 25– 25
 wettelijke verankering beleidspublicatie kinderopvang– 2– 2
 oude inservice-opleiding met terugwerkende kracht onder regime afdrachtskorting onderwijs– 150

1De in het overzicht opgenomen financiële effecten betreffen alleen de belastingeffecten dus exclusief de premie-effecten. Zo bedraagt de totale budgettaire derving (belasting en premie volksverzekeringen) van de verhoging van de zelfstandigenaftrek 45 mln.

a) Deze maatregelen vergen geen wetswijziging maar worden uitgevoerd door aanpassingen van uitvoeringsregelingen.

b) De premiederving van de positieve prikkels bedrijven bedraagt 5 mln, tezamen met de belastingderving: 100 mln.

c) Voor zo'n tegemoetkoming is voor de jaren tot en met 2001 jaarlijks 60 mln op transactiebasis gereserveerd.

De hiervoor genoemde maatregelen zijn verschillend van aard. Om tegemoet te komen aan de wensen van de Raad van State en het Parlement met betrekking tot het onderbrengen van de maatregelen in verschillende wetsvoorstellen, zijn de maatregelen verdeeld over twee afzonderlijke wetsvoorstellen. Daarbij is rekening gehouden met de beleidsmatige en financiële samenhang van diverse maatregelen, de (formeel juridische) aard van de voorstellen, en wetgevingseconomie. Dit heeft geleid tot de volgende wetsvoorstellen met een beoogde inwerkingtredingsdatum van 1 januari 1999:

• het belastingplan 1999 (in enge zin) dat zich met name richt op de realisering van het voor 1999 aangekondigde verhoging van de milieubelastingen en het daarbij behorende terugsluispakket, op inkomensondersteuning voor met name mensen met lagere inkomens, en op de voorkoming anticipatie forfaitair rendement. Uit een oogpunt van wetgevingseconomie zijn in dit wetsvoorstel eveneens de kleinere voorstellen met name in de sfeer van de indirecte belastingen meegenomen; en

• het wetsvoorstel wijziging van de afdrachtverminderingen dat zich met name richt op verlaging van de kosten van arbeid, scholing en kinderopvang voor werkgevers.

Het onderhavige wetsvoorstel bevat de maatregelen 1 t/m 6 met uitzondering van de positieve prikkels voor huishoudens en de verhoging van de afdrachtvermindering lage lonen. De positieve prikkels voor huishoudens wordt op een later tijdstip in een afzonderlijk wetsvoorstel neergelegd. De verhoging van de afdrachtvermindering is opgenomen in het hiervoor genoemde wetsvoorstel tot wijziging van de afdrachtverminderingen.

Met dit wetsvoorstel zet het kabinet een eerste belangrijke stap in de richting van «verschuiving en vergroening binnen het belastingstelsel», zoals dat aangegeven is in het Regeerakkoord. In lijn met het Regeerakkoord stellen wij thans voor eenderde deel van de per 2001 beoogde verschuiving van directe naar indirecte belastingen en van de overige vergroeningsmaatregelen te realiseren. Het gaat hier om een lastenverzwaring van afgerond 1,6 mld, waarvan 1,2 mld neerslaat bij huishoudens en 0,4 mld bij bedrijven. Omdat het genereren van opbrengst op deze wijze geen doel op zich is, zal deze lastenverzwaring geheel worden teruggesluisd naar huishoudens en bedrijven.

De invoering van de eerste tranche vergroening, met name de verhoging van de energiebelastingen, vormt enerzijds een onmisbaar onderdeel van de Nederlandse bijdrage aan het halen van de in Kyoto overeengekomen reductie van broeikasgassen in de Europese Unie. Anderzijds draagt het bij tot een breder en robuuster belastingstelsel en schept het financiële ruimte voor verlaging van de belastingdruk op arbeid door verlaging van de tarieven in de loon- en inkomstenbelasting. De verlaging van de belastingdruk op arbeid voor huishoudens geschiedt in het onderhavige wetsvoorstel door het aanbrengen van een knip in de eerste schijf in combinatie met een verlaging van het tarief van de nieuwe eerste schijf. De voorgestelde knip die gelegd wordt op een belastbare som van f 15 000 na inflatiecorrectie draagt bij tot een verbetering van de koopkracht voor met name lagere inkomens en zal een positieve invloed hebben op de loonkostenmatiging. Door deze knip ontstaat een vierschijventarief. Het belastingtarief van de nieuwe eerste schijf respectievelijk nieuwe tweede schijf zal voor 1999 6,20% respectievelijk 7,50% bedragen. In het tarief van de nieuwe eerste schijf (6.20%) is tevens meegenomen de aanwending van de in het Regeerakkoord aangekondigde 500 mln voor inkomensondersteuning, in het bijzonder voor de lagere inkomensgroepen.

Het belastingtarief van de eerste en tweede schijf voor 1999 kunnen als volgt uit het belastingtarief eerste schijf voor 1998 worden herleid.

Belastingtarief eerste schijf 1998 7,10%
   
Mutaties: 0,40%
– nabetalingen sociale fondsen0,70% 
– vervallen rijksbijdrage AOW (inkomenspakket voorjaar '98)– 0,30% 
   
Belastingtarief nieuwe tweede schijf 1999 7,50%
   
Mutaties – 1,30%
– verlaging LB/IB tarief nieuwe eerste schijf i.v.m. verhoging milieubelastingen– 0,90% 
– extra verlaging LB/IB tarief nieuwe eerste schijf– 0,40% 
   
Belastingtarief nieuwe eerste schijf 1999 6,20%

Rekening houdend met de voorgestelde tariefmaatregelen, zal de nieuwe voorgestelde tariefstructuur er als volgt uit komen te zien:

belastbare somdochbelastingtariefpremie volksverzekeringentotaal tarief
meer danniet meer dan   
 – f  15 000 6,2%29,55%35,75%
f  15 000f  48 175 7,5%29,55%37,05%
f  48 175f 105 95450% 50%
f 105 954  – 60% 60%

Voorts worden de ouderenaftrek en de aanvullende ouderenaftrek verhoogd. Deze verhogingen behoren tot het zogenoemde terugsluispakket voor huishoudens. De hiervoor genoemde fiscale maatregelen maken deel uit van een breder pakket van beleidsmaatregelen, dat het kabinet met het oog op de bevordering van de werkgelegenheid en een evenwichtige inkomensontwikkeling voorstelt. De koopkrachteffecten van het totale pakket zijn opgenomen in de Sociale Nota 1999. De voorgestelde terugsluis voor bedrijven van hun aandeel in de heffingsopbrengst van de verhoging van de milieubelastingen vindt plaats via een verlaging van de Zfw-premie voor werkgevers, een verhoging van de vermindering (loonkosten) lage lonen e.d., en een verhoging van de zelfstandigenaftrek. Voor deze invulling is gekozen om naast het bewerkstelligen van een zo evenwichtig mogelijke terugsluis, ook de loonkostenstijging die als gevolg van de eveneens met ingang van 1 januari 1999 te realiseren afschaffing van de wachtgeldpremie-franchise voor werkgevers zou optreden, op Wettelijke Minimumloon-niveau (hierna; WML) geheel te compenseren. Hier snijdt het mes aan twee kanten.

Als onderdeel van de terugsluis stellen wij ook voor om in 1999 reeds een evenredig deel van de in het Regeerakkoord voorziene 0,5 mrd aan positieve fiscale prikkels te realiseren. Het kabinet hecht grote waarde aan het samengaan van «belasten» en «belonen» in een verdere vergroening van het belastingstelsel. Het vergroot het draagvlak voor vergroening en kan een belangrijke hefboomwerking hebben op energiebesparing en de reductie van de uitstoot van broeikasgassen.

In paragraaf 3 van deze memorie worden de voorgestelde verhogingen van de milieubelastingen, het terugsluispakket voor huishoudens en bedrijven, alsmede de invulling van de positieve prikkels nader toegelicht.

Voorts stellen wij voor om conform de afspraken in het Regeerakkoord per 1999 maatregelen te treffen ter voorkoming van het uithollen van de grondslag voor inkomsten uit vermogen. Een extra uitholling van deze grondslag dreigt als gevolg van ongewenst gedrag van belastingplichtigen die anticiperen op een heffing over forfaitair rendement. Met ingang van 1999 worden de criteria voor het in aftrek brengen van vooruitbetaalde rente aangescherpt en wordt de aftrekbaarheid van financieringsrenten ter zake van effecten aan banden gelegd. Deze voorstellen zullen daarom budgettaire derving voorkomen.

Naast de in het overzicht genoemde voorstellen is tevens een wetsvoorstel in voorbereiding inzake maatregelen tot het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik. Dit is de eerste tranche van een nog verder uit te werken pakket van voorstellen op dit terrein, zoals aangekondigd in het Regeerakkoord. Wij continueren daarmee het in de afgelopen kabinetsperiode ingezette beleid om misbruik en oneigenlijk gebruik van fiscale regelingen tegen te gaan. Omdat het wetsvoorstel inzake de eerste tranche reparatiewetgeving ook lopende het jaar kan worden ingevoerd, is de invoering daarvan niet noodzakelijk gebonden aan de datum van 1 januari 1999.

Met betrekking tot een mogelijke fiscale tegemoetkoming voor de kosten van de invoering van de euro merken wij het volgende op. In het algemene overleg met de vaste commissie voor Financiën uit de Tweede Kamer (kamerstukken II, 1997/98, nr. 25 107) over de fiscale implicatie van de invoering van de euro, hebben wij toegezegd ten behoeve van nadere besluitvorming nader onderzoek te laten plaatsvinden naar welke sectoren in de Nederlandse economie relatief de zwaarste lasten dragen bij de invoering van de euro. In april is een werkgroep onder leiding van het Ministerie van Financiën met dit onderzoek gestart. In deze werkgroep hebben zitting: VNO-NCW, MKB Nederland, de Raad voor de Nederlandse Detailhandel, De Nederlandsche Bank en het Ministerie van Economische Zaken. Het eindrapport van deze werkgroep zal in september aan de Minister van Financiën worden aangeboden. Mede op basis van deze rapportage zal verdere besluitvorming over een eventuele tijdelijke fiscale tegemoetkoming en de mogelijke wetgeving terzake volgen. Zoals in de Miljoenennota (bijlage 4, tabel 4.3.1) is aangegeven, is hiervoor tot en met het jaar 2001 jaarlijks een bedrag gereserveerd van 60 mln (45 mln op kasbasis in 1999).

Volledigheidshalve wijzen wij erop dat met ingang van 1 januari 1999 ook de accijns op sigaretten en rooktabak wordt verhoogd. Dit is de derde – en laatste – tranche van de reeds in het belastingplan 1997 vastgelegde verhoging van deze accijns. Evenals in 1997 en 1998 wordt de accijns op sigaretten en rooktabak met 15 cent per pakje van 25 stuks respectievelijk per pakje van 50 gram verhoogd.

2. Inkomensondersteuning (additionele verlaging tarief nieuwe eerste schijf)

Conform het Regeerakkoord wordt 500 mln ingezet voor verlaging van het tarief eerste schijf ter ondersteuning van de inkomens, in het bijzonder de lagere. Daarvoor wordt een verlaging van het eerste deel van de huidige eerste schijf voorgesteld tot een belastbaar inkomen dat globaal spoort met het referentieminimumloon (de zogenoemde knip eerste schijf). Het einde van de nieuwe eerste schijf wordt gelegd op een belastbare som van f 15 000. Aanwending van 500 mln voor een tariefverlaging van de nieuwe eerste schijf komt overeen met een verlaging van dat tarief van 0,4%-punt.

De knip kan uitvoeringstechnisch nog niet worden toegepast bij de voorlopige teruggaven en de automatische voorlopige-aanslagregeling (hierna: AVAR)aanslagen die in januari 1999 worden verzonden. Dit heeft tot gevolg dat bij de voorlopige teruggaaf en de voorlopige aanslag slechts met één tariefpercentage voor de gehele eerste schijf rekening kan worden gehouden. Dit tarief wordt zodanig gekozen dat de AVAR-aanslag voor belastingplichtigen met een inkomen van ten minste het maximum van de eerste schijf voor het juiste bedrag wordt opgelegd. Eerst vanaf medio april 1999 worden bij nieuwe voorlopige aanslagen en correcties op reeds opgelegde voorlopige aanslagen automatisch de juiste tariefpercentages gehanteerd.

3. Verhoging energiebelastingen, algemeen btw-tarief op water en terugsluis (verschuiving en vergroening)

3.1. Inleiding

Bij de in het Regeerakkoord voorziene herziening van het belastingstelsel speelt «verschuiving en vergroening» een belangrijke rol. Voor de maatregelen die in dat kader aan de orde zijn, zijn de voorstellen uit de Verkenning 21e eeuw op het gebied van de milieubelastingen uitgangspunt. In lijn met het Regeerakkoord wordt voorgesteld de verhoging van de milieubelastingen en de daarbij behorende compensatie vanaf 1 januari 1999 gefaseerd in te voeren. Wij hebben er daarbij voor gekozen om in drie stappen – per 1999, 2000 en 2001 – tot het uiteindelijke resultaat te komen. Verhoging van de energiebelastingen maakt deel uit van het beleid gericht op CO2-reductie en energiebesparing, zoals neergelegd in het NMP-3. De invoering van de eerste tranche van deze verhoging per 1 januari 1999 vormt een onmisbaar onderdeel van de Nederlandse bijdrage aan het halen van de in Kyoto overeengekomen reductie van broeikasgassen in de Europese Unie. Bij de keuze van de vormgeving van de eerste stap die het kabinet in 1999 wil zetten, is uitgangspunt geweest om eenderde deel van de beoogde verschuiving van directe naar indirecte belastingen en van de overige vergroeningsmaatregelen (zoals de positieve prikkels) te realiseren. Waar dat mogelijk was, mede gelet op de korte voorbereidingstijd, is dat vertaald in het voor eenderde deel realiseren van het uiteindelijk voorziene niveau van de maatregelen. Gezocht is naar een eerste stap die zo goed mogelijk aansluit op het uiteindelijk te bereiken eindbeeld. Wij hebben er daarbij voor gekozen om in drie stappen – per 1999, 2000 en 2001 – tot het uiteindelijke resultaat te komen.

Als concrete invulling voor de eerste stap stellen wij de navolgende lastenverzwarende maatregelen voor:

– een verhoging van de regulerende energiebelasting, onder invoering van nieuwe verbruiksgrenzen voor het echte kleinverbruik en verhoging van de verbruiksgrenzen tot waar de belasting wordt geheven;

– overbrenging van water van het verlaagde naar het algemene btw-tarief en

– indexatie van de milieubelastingen.

Aan de andere kant wordt voorzien in verschillende lastenverlichtende maatregelen, waardoor per saldo zowel voor bedrijven als voor huishoudens in het macrobeeld geen lastenverzwaring optreedt.

Bij de invulling van de voor 1999 voorziene compenserende maatregelen voor het bedrijfsleven is, mede gelet op onze wens om de gevolgen van andere lastenverzwarende maatregelen te mitigeren/compenseren, gekozen voor drie maatregelen, te weten:

– een verlaging van de ziekenfondspremie die werkgevers betalen, gefinancierd door een rijksbijdrage in het ziekenfonds, waarbij het voordeel voor de gezinnen1 wordt afgeroomd door een verhoging van het werknemersdeel van de ziekenfondspremie;

– een verhoging van de afdrachtvermindering lage lonen, de zogenoemde SPAK;

– een verhoging van de zelfstandigenaftrek.

Voor de goede orde wijzen wij erop dat de verhoging van de SPAK en de verhoging van de zogenoemde doorstroom- en jongeren-SPAK in het wetsvoorstel houdende wijziging van de WVA is opgenomen. Een verlaging van de Zfw-premie voor werkgevers geschiedt bij premievaststelling en behoeft geen wetswijziging. Beide zijn daarom niet in het onderhavige wetsvoorstel opgenomen.

Met betrekking tot de compensatie voor zelfstandigen merken wij op dat bij de invulling van de compensatie voor zelfstandigen voor de volgende stappen ook de overgang van zelfstandigen naar de ziekenfondsverzekering wordt betrokken. Het voornemen van de regering is deze overgang per 1 januari 2000 te doen plaatsvinden.

Bij de vormgeving van de terugsluis naar de huishoudensis gekozen voor vier maatregelen, te weten:

– een verlaging van het belastingtarief over de eerste f 15 000 van de eerste schijf van de loon- en inkomstenbelasting (die op dat punt dus wordt «geknipt»);

– een verhoging van de ouderenaftrek;

– een verhoging van de aanvullende ouderenaftrek;

– een aanpassing van indexatiemethodiek voor de studiefinanciering zodat de verhoging milieubelastingen daarin wordt meegenomen.

Met betrekking tot de positieve prikkels voor het bedrijfsleven zal in 1999 worden voorzien in een verhoging van de budgetten van de energie-investeringsaftrek (EIA) en van groen beleggen. Over de vormgeving van de positieve prikkels voor huishoudens zal zo spoedig mogelijk een afzonderlijk wetsvoorstel worden ingediend, dat ertoe zal strekken om met ingang van 1 juli 1999 aan huishoudens via fiscale weg stimulansen te geven op het gebied van de aanschaf van energiezuinige apparaten en van het treffen van energiebesparende maatregelen aan de woning. Dit wetsvoorstel zal ruimte scheppen voor het toekennen van positieve prikkels aan huishoudens voor het volledige bedrag dat daarvoor in 1999 en 2000 (als onderdeel van de tweede tranche vergroening) is uitgetrokken.

Met betrekking tot andere in de Verkenning 21e eeuw genoemde mogelijkheden gericht op de vergroening van het belastingstelsel, zal in een volgende fase besluitvorming plaatsvinden. In dit verband zijn in de Verkenning 21e eeuw onder andere de volgende mogelijkheden aangeduid: een belasting van oppervlaktedelfstoffen en van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast worden onder meer de mogelijkheden bezien van een verhoging van de grondwaterbelasting en van de afvalstoffenbelasting.

3.2. Regulerende energiebelasting

Eerste stap per 1 januari 1999

Met ingang van 1 januari 1999 wordt voorzien in een verhoging van de regulerende energiebelasting (REB), onder invoering van nieuwe verbruiksgrenzen voor het echte kleinverbruik en verhoging van de verbruiksgrenzen tot waar de belasting wordt geheven.

Met de nieuwe verbruiksgrenzen van 5 000 m3 aardgas en 10 000 kWh elektriciteit is het mogelijk de tariefverhoging sterker te richten op het kleinverbruik. Deze grenzen, die ongeveer gelijk zijn aan driemaal het gemiddelde verbruik per huishouden, zijn gekozen om te bereiken dat (vrijwel) alle huishoudens eronder blijven en derhalve een gedragsprikkel ondervinden. Voor het verbruik tot aan deze nieuwe grenzen worden de tarieven van de REB met ingang van 1 januari 1999 als volgt verhoogd: voor aardgas is de verhoging 6,25 cent/m3 en voor elektriciteit 1,94 cent/kWh. De nieuwe tarieven worden voor deze verbruiken 15,98 cent/m3 voor aardgas en 4,95 cent/kWh voor elektriciteit. In deze nieuwe tarieven is tevens het effect verwerkt van de met ingang van 1 januari 1999 voor het eerst plaatsvindende indexatie van de tarieven. De huidige verbruiksgrenzen in de REB van 170 000 m3 aardgas en 50 000 kWh elektriciteit blijven gehandhaafd. Voor het verbruik tussen de nieuwe verbruiksgrenzen van 5 000 m3 respectievelijk 10 000 kWh en de nieuwe bovengrenzen van 1 mln m3 respectievelijk 10 mln kWh wordt een geringe tariefverhoging doorgevoerd. Deze bedraagt voor aardgas 0,71 cent/m3 en voor elektriciteit 0,22 cent/kWh. Daarmee wordt enerzijds bereikt dat ook de grotere verbruikers een bijdrage leveren, met de nieuwe bovengrenzen kunnen anderzijds de gevolgen van deze tariefsverhoging worden beperkt met het oog op onze internationale concurrentiepositie.

Gelet op de rol die de energiebedrijven spelen bij de uitvoering van de heffing van de REB is overleg gevoerd met vertegenwoordigers van EnergieNed over de uitvoeringstechnische aspecten van de invoering van de nieuwe verbruiksgrenzen voor aardgas en elektriciteit. Tijdens dit overleg is gebleken dat de introductie op 1 januari a.s. van de nieuwe verbruiksgrenzen voor de energiebedrijven geen probleem oplevert, mits voor enkele bedrijven in overleg met de Belastingdienst in de aangiftesfeer een praktische regeling kan worden getroffen voor de eerste maanden van 1999. Hierin zal worden voorzien.

In de hierna opgenomen tabel zijn de huidige en de nieuwe tarieven voor aardgas en elektriciteit per 1 januari 1999 weergegeven.

Tabel 1 Tarieven REB (excl. btw)

 Huidige tarievenIndexatieVerhogingTarieven 1-1-1999
Aardgas (m3)ct/m3   
tot 800  
800 – 5 0009,530,206,2515,98
5 000 – 170 0009,530,200,7110,44
170 000 – 1 mln 0,71 0,71
boven 1 mln  
     
Elektriciteit (kWh)ct/kWh   
tot 800  
800 – 10 0002,950,061,94 4,95
10 000 – 50 0002,950,060,22 3,23
50 000 – 10 mln 0,22 0,22
boven 10 mln  

De REB wordt eveneens geheven over halfzware olie, gasolie en vloeibaar gemaakt petroleumgas, voorzover deze worden gebruikt anders dan als motorbrandstof voor het wegverkeer (dit ziet op het gebruik – als alternatief voor aardgas – voor verwarmingsdoeleinden, alsmede op het gebruik in tractoren en mobiele werktuigen). Voor deze niet-leidinggebonden brandstoffen zou evenals voor aardgas een met 5 000 m3 onderscheidenlijk 1 mln m3 overeenkomende verbruiksgrens moeten worden bepaald, met de daarbij behorende tariefdifferentiatie op basis van de milieugrondslag voor de tariefstelling. Voor bijvoorbeeld gasolie is het equivalent van 5 000 m3 aardgas 4500 liter; het equivalent van 1 mln m3 aardgas is 900 000 liter gasolie. Aangezien afnemers van deze brandstoffen relatief gemakkelijk op meer dan één punt de brandstoffen kunnen aanschaffen, levert het hanteren van een dergelijke grens uitvoeringstechnische problemen op. Dat heeft ons ertoe geleid om voor de eerste stap voor de verhoging van de tarieven voor de niet-leidinggebonden brandstoffen geen differentiatie in de verbruiksgrenzen analoog aan die voor aardgas voor te stellen. Wanneer het met het tarief voor aardgas voor het verbruik tot 5 000 m3 corresponderende tarief voor niet-leidinggebonden brandstoffen zou gelden voor het volledige belaste verbruik – tot de huidige maximale hoeveelheden genoemd in artikel 36l van de Wet belastingen op milieugrondslag – zou dit tot gevolg hebben dat die verbruikers van bijvoorbeeld gasolie ook over het verbruik tussen 4500 en 153 000 liter het hogere tarief betalen dat eigenlijk alleen zou moeten gelden voor het verbruik tot 4500 liter. Voorgesteld wordt om de macrolastenverzwaring die daarvan het gevolg zou zijn te voorkomen door de tariefverhoging te beperken en de milieugrondslag enigszins los te laten. Dit leidt (na de voorziene indexatie begin 1999) tot de volgende tarieven: voor halfzware olie f 126,80 per 1 000 L, voor gasolie f 127,85 per 1 000 L en voor LPG f 151,25 per 1 000 kg. Vorenbedoelde oplossing geldt vooralsnog voor 1999. In de loop van 1999 zal worden bezien – mede op basis van dan ter beschikking staande verbruiksgegevens – of een andere oplossing wenselijk en mogelijk is.

De voorgestelde tarieven zijn door het Centraal Planbureau berekend op basis van de gekozen uitgangspunten ten aanzien van de budgettaire opbrengst.

Verhouding eerste stap tot eindbeeld Regeerakkoord

Met de in het onderhavige wetsvoorstel opgenomen wijzigingen wordt een eerste stap gezet in de richting van het in het Regeerakkoord voorziene eindbeeld. Dit eindbeeld voorziet in een totale verhoging van de energiebelastingen met 3,4 mld, verdeeld in 2,35 mld ten laste van huishoudens en 1,05 mld ten laste van bedrijven; dit betekent derhalve een verdeling van 69% ten laste van huishoudens en 31% ten laste van bedrijven.

In de bijlage bij het Regeerakkoord wordt voor de realisering van deze verdeling uitgegaan van een tariefstelling die getrapt afloopt met de hoogte van het verbruik. Het aandeel van 69% voor de huishoudens in de totale verhoging conform het Regeerakkoord is groter dan het aandeel van de huishoudens in de huidige regulerende energiebelasting, dat globaal 57% bedraagt. Hiervoor is gekozen om een relatief omvangrijke verlaging van de loon- en inkomstenbelasting te kunnen realiseren, terwijl tevens een zo groot mogelijk energiebesparingseffect is nagestreefd. De realisering van de gewenste verdeling vereist reeds thans de invoering van nieuwe verbruiksgrenzen in de energiebelastingen op de in de bijlage van het Regeerakkoord voorziene grenzen van 5 000 m3 gas en 10 000 kWh elektriciteit. Deze grenzen weerspiegelen, behoudens extremen, de bovengrenzen van het huishoudelijk energieverbruik. Invoering van deze grenzen is vereist om de juiste maatvoering voor huishoudens conform het Regeerakkoord gestalte te geven.

Het Regeerakkoord voorziet tevens in de invoering van bovengrenzen voor grootverbruik van gas en elektriciteit waarboven geen tariefsverhoging plaatsvindt. Een bovengrens voor elektriciteit is alleen gestalte te geven in de REB, waarin elektriciteit rechtstreeks wordt belast. De andere bestaande energiebelasting, de brandstoffenbelasting, gaat thans uit van een belasting op de brandstoffen die bij de elektriciteitsopwekking worden ingezet. De brandstoffenbelasting kent geen directe heffing op elektriciteit. Om conform het Regeerakkoord een bovengrens voor grootverbruik voor elektriciteit te kunnen hanteren, is er voor gekozen voor 1999 uitsluitend de REB te verhogen en deze belasting uit te breiden tot grotere verbruiken, in casu tot 1 mln m3 aardgas en tot 10 mln kWh elektriciteit. Thans worden maxima gehanteerd van 170 000 m3 en 50 000 kWh elektriciteit.

Voor het verbruik tussen de nieuwe verbruiksgrenzen – van 5 000 en 1 mln m3 voor aardgas en van 10 000 en 10 mln kWh voor elektriciteit – voorziet het Regeerakkoord in een beperkte tariefverhoging. Hierdoor wordt het aandeel van het bedrijfsleven wat evenwichtiger gespreid over het totale bedrijfsleven dan bij de huidige REB het geval is. Deze opzet is ook in het wetsvoorstel gevolgd.

Met betrekking tot de bestaande heffingsvrije voet in de REB, die is gekoppeld aan verbruiksgrenzen van 800 m3 aardgas en 800 kWh elektra, is in het Regeerakkoord aangegeven dat deze zal worden vervangen door een vaste aftrek in guldens, waarbij de waarde van de heffingsvrije voet wordt bevroren op de huidige waarde, te weten ongeveer f 100. Zonder bevriezing zou de waarde van de heffingsvrije voet bij de tariefsverhogingen die dan noodzakelijk zouden zijn om de gewenste budgettaire opbrengst te bereiken, ongeveer verdrievoudigen. Door de waarde te bevriezen op f 100 behoeven de tarieven op gas en elektra aanmerkelijk minder te worden verhoogd om dezelfde budgettaire opbrengst te bereiken. De tariefverhoging voor gas en elektra is relatief beperkt ten opzichte van de varianten die in de Verkenning 21e eeuw zijn beschreven. Aan de omzetting van de heffingsvrije voet en de bevriezing van de waarde daarvan zijn naast overgangsproblemen zowel inkomenseffecten als energiebesparingseffecten verbonden. Om deze aspecten voldoende te kunnen bezien is meer tijd nodig; derhalve zijn een dergelijke omzetting en bevriezing niet in dit wetsvoorstel opgenomen.

Uit het Regeerakkoord volgt voorts dat elektriciteit ten opzichte van gas zwaarder zou moeten worden belast dan thans het geval is. In de huidige REB is het tarief voor gas 9,53 cent per m3 en voor elektra 2,95 cent per kWh, dus ongeveer een verhouding van 3:1. Deze verhouding volgt uit de milieugrondslag voor de tariefstelling, die voor 50% is gebaseerd op de energie-inhoud en voor 50% op de koolstofinhoud van de energiedragers. In het Regeerakkoord is voor huishoudelijk verbruik een tarief van 8 cent per m3 gas en 6 cent per kWh (4:3) genoemd. In de voor 1999 voorgestelde eerste stap is de bestaande verhouding gehandhaafd. Daardoor ontstaat tijd om de consequenties van het loslaten van die verhouding goed in beeld te brengen. Hierbij kunnen ook de consequenties voor de tariefstelling voor olieproducten worden betrokken. Wij merken daarbij op dat de verschuiving van de lastendruk van gas naar elektriciteit door het Regeerakkoord niet definitief wordt vastgelegd, evenmin als de bevriezing van de waarde van de heffingsvrije voet. Het Regeerakkoord zegt immers dat nog een nadere verschuiving tussen de verhoging op gas, elektriciteit en de heffingsvrije voet kan worden aangebracht, mits de lastenverdeling tussen huishoudens en bedrijven blijft voldoen aan de verhouding die in het Regeerakkoord is vastgelegd. Voor de stap in 1999 wordt daaraan nagenoeg voldaan.

Naarmate meer gedetailleerde cijfers over het energieverbruik tussen bepaalde verbruiksgrenzen per bedrijfssector en voor huishoudens beschikbaar komen zal in volgende stappen nader worden bezien welk getrapt tarief voldoet aan de voorwaarden in het Regeerakkoord inzake de omvang van de budgettaire opbrengst, de verdeling daarvan over huishoudens en bedrijven, en de inkomenseffecten. De in het Regeerakkoord genoemde verbruiksgrenzen voor het getrapte tarief kunnen dus in het eindbeeld anders gestalte krijgen indien dit voor een evenwichtig resultaat nodig blijkt. Het niveau van de tarieven dat past bij de voorwaarden voor de budgettaire opbrengst en de verdeling daarvan over huishoudens en bedrijven zal in dat kader eveneens nader moeten worden vastgesteld.

3.3. Positieve prikkels

Het Regeerakkoord voorziet er in dat uit de opbrengst van de te verhogen energiebelastingen in de eindsituatie f 500 miljoen per jaar beschikbaar komt voor fiscale faciliteiten om activiteiten van burgers en bedrijven op het gebied van energiebesparing te bevorderen. Dergelijke positieve prikkels kunnen het milieueffect van de voorgenomen vergroening van het fiscale stelsel in belangrijke mate vergroten. Het kabinet hecht grote waarde aan het samengaan van «belasten» en «belonen» in de verdere vergroening van het fiscale stelsel.

Het kabinet beoogt, mede met het oog op de Kyoto-afspraken inzake broeikasgasreductie in de EU, om reeds in de eerste tranche van de verhoging van de energiebelastingen een evenredig deel van de positieve prikkels gestalte te geven. Voor de positieve prikkels die voor het bedrijfsleven van belang zijn is dit reeds per 1 januari 1999 mogelijk, omdat hiervoor bestaande fiscale faciliteiten als de energie-investeringsaftrek en de regeling groenbeleggen kunnen worden benut.

Bij de EIA kan worden gedacht aan investeringen in energiebesparing in het kader van de meerjarenafspraken met het bedrijfsleven, in doorbraaktechnologieën en in maatregelen om het energiegebruik in utiliteitsgebouwen terug te brengen. Op het gebied van de landbouw kunnen genoemd worden de groenlabelkassen met verzwaarde energie-investeringen en energiezuinige trekkers. De regeling groenbeleggen zal onder andere kunnen worden uitgebreid met investeringen in het kader van het duurzaam renoveren van woningen door woningbouwcorporaties, in energiezuinige kantoren en in de zogenoemde beheerslandbouw. Deze maatregelen behoeven niet te leiden tot wetswijziging, maar kunnen binnen de bestaande kaders bij ministeriële regeling worden geïmplementeerd.

Om het negatieve saldo van heffing en terugsluis van de eerste trancheverhoging milieubelastingen voor de landbouwsector te voorkomen wordt 32 mln van de fiscale positieve prikkels aangewend voor deze sector via de energie-investeringsaftrek, groen beleggen en een in de loop van 1999 in te voeren milieu-investeringsaftrek voor milieu- en welzijnsvriendelijke investeringen; dit alles binnen de voorwaarden van het Europees recht.

Met de invoering van positieve prikkels voor huishoudens wordt een belangrijke vernieuwende stap in de vergroening van het fiscale stelsel gezet. Nederland kan op dit terrein vanuit de voorhoedepositie die zij met vergroening reeds inneemt een nieuw fiscaal instrument gestalte geven dat het draagvlak voor vergroening kan vergroten. Het kabinet beoogt om de fiscale beloning voor energiebesparende maatregelen van huishoudens een structureel onderdeel te maken van de wetgeving die ook de heffing van de energiebelastingen regelt, zodat «belasten» en «belonen» op zo effectief en efficiënt mogelijke wijze op elkaar kunnen worden afgestemd. Overwogen wordt onder meer de mogelijkheid van een fiscale beloning die wordt toegekend voor de aanschaf van energiezuinige apparaten en voor de kosten van maatregelen om bestaande woningen even «zuinig» te maken als in 1985 was voorgeschreven voor nieuwe woningen. De energiedistributiebedrijven hebben in het kader van het zogenoemde Milieu Actie Programma (MAP) reeds veel ervaring opgedaan met programma's om burgers te belonen voor energiebesparing. Met deze bedrijven wordt thans overleg gevoerd over de mogelijkheden voor een systeem waarbij aan huishoudens toegekende beloningen o.a. voor de aanschaf van energiezuinige apparaten worden verrekend met de regulerende energiebelasting die de energiebedrijven als belastingplichtigen aan het rijk moeten afdragen (een zogenoemde afdrachtskorting, zoals onder meer reeds bestaat voor door de energiebedrijven aangekochte en geleverde duurzame energie). Gezocht wordt naar een – inpasbaar en controleerbaar – systeem dat zowel voor de burgers als de energiebedrijven administratief eenvoudig is.

Voor de opzet van het systeem is een nieuwe fiscale regeling noodzakelijk. Om voldoende tijd te laten voor overleg met de energiedistributiebedrijven over de mogelijke rol die zij zouden kunnen spelen in een dergelijke nieuwe regeling, en om de rol van de rijksbelastingdienst en eventuele andere uitvoeringsorganisaties verantwoord te kunnen afbakenen, is het helaas niet mogelijk deze regeling van positieve prikkels voor burgers al in de belastingvoorstellen te betrekken waarvan is voorgesteld dat zij per 1 januari a.s. in werking treden. De positieve prikkels voor burgers zullen, naar thans wordt voorzien, in een afzonderlijk wetsvoorstel worden neergelegd met een beoogde inwerkingtreding per 1 juli 1999. Dit wetsvoorstel zal, zoals hiervoor is aangegeven, ruimte scheppen voor het toekennen van positieve prikkels aan huishoudens voor het volledige bedrag dat daarvoor in 1999 en 2000 (onderdeel van de tweede tranche vergroening) is uitgetrokken. Op deze wijze wordt de tot 1 juli 1999 vertraagde inwerkingtreding gecompenseerd.

3.4. Indexatie belastingen op milieugrondslag

In het Regeerakkoord is het voornemen opgenomen om de belastingen op milieugrondslag reëel constant te houden door deze door middel van indexatie jaarlijks aan te passen aan de inflatie. Deze indexatie zal, net als onder andere bij de loon- en inkomstenbelasting en de accijns van benzine en dieselolie, jaarlijks geschieden door toepassing van de tabelcorrectiefactor, genoemd in artikel 66b, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.

Op grond van artikel 66b, eerste volzin, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, vindt de indexatie van in die wet omschreven bedragen plaats bij ministeriële regeling. Ingevolge het thans voorliggende wetsvoorstel zal die bepaling mede van toepassing zijn op de grondwaterbelasting, de afvalstoffenbelasting, de brandstoffenbelasting, de belasting op uranium-235 en de regulerende energiebelasting, zodat ook de wijzigingen van deze belastingen zullen kunnen geschieden bij ministeriële regeling. Deze belastingen zullen aldus elk jaar met ingang van 1 januari kunnen worden aangepast aan de ontwikkeling van het algemeen prijsniveau, zoals die plaatsvond over het op één na meest recente kalenderjaar. De indexatie zal voor de eerste maal plaatsvinden per 1 januari 1999. De bestaande tarieven zullen daartoe met 2,1% worden verhoogd.

3.5. Omzetbelasting op water

Momenteel is de levering van water belast naar het verlaagde tarief van de omzetbelasting van thans 6%. Het brengen van de levering van water onder het algemene tarief van 17,5% van de omzetbelasting, zoals thans voorgesteld, brengt de Wet op de omzetbelasting 1968 meer in lijn met de Wet belastingen op milieugrondslag waarin is voorzien in een belasting ter zake van het onttrekken van grondwater. Door de invoering van de grondwaterbelasting is het (drink)water in grote delen van het land duurder geworden. Daarmee wordt ook de door de regering wenselijk geachte waterbesparing bevorderd. Door nu ook de levering van water te brengen onder het algemene tarief van de omzetbelasting wordt een zuinig gebruik van water extra gestimuleerd. Naar de verwachting van de werkgroep vergroening van het fiscale stelsel in haar derde rapportage1 zou dit kunnen leiden tot een waterbesparing van 5 tot 10 mln m3 per jaar. Deze maatregel geldt niet met betrekking tot de levering van mineraalwater in de zin van de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere producten. De levering van dit water blijft als voedingsmiddel belast naar het verlaagde tarief van de omzetbelasting dat ook van toepassing is op de levering van onder meer vruchtensappen, limonades en warme dranken zoals koffie en thee.

Met deze maatregel wordt ruim eenderde van de f 0,7 mrd gerealiseerd die in het Regeerakkoord is voorzien voor andere vergroeningsmaatregelen dan in de sfeer van de energiebelastingen. De overbrenging van water naar het algemene btw-tarief is één van de mogelijkheden die in de Verkenning 21e eeuw is genoemd om de 0,7 mrd te realiseren.

De andere daar genoemde mogelijkheden vergen een langere voorbereidingstijd, waarbij ook – in tegenstelling tot bij de onderhavige btw-maatregel waarvan vaststaat dat die nagenoeg geheel op huishoudens rust – zorgvuldig in kaart moet worden gebracht welk deel drukt op het bedrijfsleven en welke compensatie daarvoor kan worden gegeven. Het Regeerakkoord gaat er immers van uit dat de 0,7 mrd geheel kan worden benut voor verlaging van de loonen inkomstenbelasting.

3.6. Milieueffecten

De regulerende energiebelasting maakt onderdeel uit van de samenhangende instrumentenmix ter bevordering van energiebesparing en duurzame energie. De REB wordt verhoogd om door een verhoging van de energieprijs een extra prikkel te geven tot energiebesparing. Deze extra prikkel is nodig om de Nederlandse bijdrage aan de in Kyoto overeengekomen EU-doelstelling te kunnen leveren. Financiële overwegingen zijn een belangrijk motief gebleken als het gaat om energiebesparing. Bij de afweging rondom het treffen van energiebesparende maatregelen blijkt de terugverdientijd van de maatregel een belangrijk criterium. De verhoging van de energiebelastingen sluit daarbijaan.

Behalve een rechtstreekse stimulans om tot energiebesparing over te gaan, vormt de REB een ondersteuning van andere instrumenten, zoals regelgeving, voorlichting, subsidies en het milieu-actieplan van de energiedistributiebedrijven. Omdat bij al deze instrumenten rentabiliteitsoverwegingen bij de eindgebruiker een rol spelen, is de eindverbruikersprijs van energie voor de effectiviteit van deze instrumenten medebepalend.

Berekeningen van het Centraal Planbureau geven inzicht in de besparingseffecten van een verhoging van energiebelastingen. In Werkdocument 96 heeft het CPB twee varianten van verhogingen met een opbrengst van f 3,4 miljard doorgerekend. Het betrof een verdubbeling van zowel de REB als de brandstoffenbelasting en een verdrievoudiging van het REB-tarief voor het verbruik tot 5 000 m3 gas en 10 000 kWh elektriciteit (waarbij de belastingvrije voet in beide varianten op 800 m3 en 800 kWh gehandhaafd bleef). Het CPB raamde het besparingseffect in 2010 voor beide varianten op ruim 2% van het totale binnenlandse verbruik. De grootste besparingen treden op bij de gezinnen: 4% (aardgas) tot 5% (elektriciteit) in de eerste variant, in de tweede variant respectievelijk rond de 7% en 10%. Het CO2-effect komt in 2010 uit op 3,6 tot 3,8 miljoen ton (Mton), oplopend tot 4,6 tot 5,1 Mton in 2020. Wij wijzen erop dat in het Regeerakkoord is gekozen voor een mengvorm van beide CPB-varianten, waarin voorts is uitgegaan van omzetting van de belastingvrije voet in een vast waardebedrag en van loslating van de huidige grondslag van de tariefstelling voor gas en elektriciteit. Zoals al eerder in deze memorie is aangegeven, is ervan afgezien om deze elementen in de eerste tranche reeds vorm te geven. Voor 1999 wordt thans een stap gezet die zozeer in lijn is met de CPB-varianten dat aangenomen mag worden dat voor deze stap de in Werkdocument 96 gepresenteerde effecten een goede indicatie zijn van de mogelijke effecten op de energievraag op langere termijn.

Naast de effecten op de energievraag heeft de verhoging ook positieve effecten in de sfeer van duurzame energie. De vergoeding voor opwekkers van duurzame energie gaat ten gevolge van de gestegen afdrachtskorting op basis van artikel 36o van de Wet belastingen op milieugrondslag licht omhoog. Door het nihiltarief voor groene stroom zorgt de verhoging van het elektriciteitstarief voor een substantiële daling van het prijsverschil tussen gewone en groene stroom. Nu bedraagt dat verschil nog 4 tot 5 cent, na de nu voorgenomen verhoging 2 tot 3 cent. Dit vergroot de aantrekkelijkheid van groene stroom, een product dat nu nog slechts beperkt aftrek vindt.

Met betrekking tot het milieueffect van de andere maatregelen die worden voorgesteld, te weten de indexatie van de milieubelastingen en de invoering van positieve prikkels, kan het volgende worden opgemerkt. In de tweede rapportage van de werkgroep vergroening van het fiscale stelsel is (op blz. 13) aangegeven dat aan de indexatie van de milieubelastingen op een termijn van 5 jaar een effect van circa 0,4 Mton CO2 kan worden toegerekend. Met betrekking tot de positieve prikkels is in de Verkenning 21e eeuw (blz. 93) een effect op middellange termijn aangegeven van 2 à 5 Mton CO2.

3.7. Terugsluis en budgettaire effecten

Financiële gevolgen voor huishoudens en bedrijven

In onderstaande tabel zijn de financiële effecten voor huishoudens en bedrijven (belasting- en premie-effecten) weergegeven.

Tabel 2. Financiële effecten voor huishoudens en bedrijven (mln gld in 1999 op transactiebasis)

MaatregelHuishoudens*BedrijvenTotaal
Energiebelastingen7803301 110
Overbrengen water van verlaagd naar algemeen btw-tarief2505255
Indexatie milieubelastingen404585
Btw over verhoogde milieubelastingen14510155
Totaal lastenverzwaring1 2153901 605
Compensatie bedrijfsleven energiebelastingen0– 315– 315
Positieve prikkels– 70– 100– 170
Verlaging loon- en inkomstenbelasting huishoudens (tariefverlaging 0,90% onder de knip; verhoging ouderenaftrek met f 145 en van de aanvullende ouderenaftrek met f 115)– 1 1550– 1 155
Totaal lastenverlichting– 1 225– 415– 1 640
Saldo (– is derving overheid en derhalve batig saldo voor belastingplichtigen)– 10– 25– 35

* Inclusief overheid.

De verhoging van de energiebelastingen leidt per huishouden tot een gemiddelde lastenverzwaring van ca f 120 exclusief btw en ca f 140 inclusief btw. Voor 2000 en 2001 zal, uitgaande van een even grote verhoging in die jaren, een zelfde gemiddelde lastenverzwaring gelden.Op basis van gegevens uit het CBS Budgetonderzoek 1996 wordt geschat dat de exta-last voor 1999 inclusief btw varieert van gemiddeld f 65 voor de 10% laagste inkomens tot ca f 235 voor de 10% hoogste inkomens. De post compensatie bedrijfsleven energiebelastingen bedraagt in totaal 315 mln op transactiebasis. Deze is zoals hiervoor reeds is aangegeven opgebouwd uit een drietal posten, te weten:

– een verlaging van de ziekenfondspremie die werkgevers betalen met 0,1%, gefinancierd door een rijksbijdrage in het ziekenfonds, waarbij het voordeel voor de gezinnen wordt afgeroomd door een verhoging van het werknemersdeel van de ziekenfondspremie met 0,05%; in totaal gaat het hier om een terugsluis naar bedrijven van 180 mln; budgettair om 60 mln belastingderving en 120 mln rijksbijdrage;

– een verhoging van de afdrachtvermindering lage lonen, de zogenoemde SPAK, met 210 gulden1; Hiermee is een bedrag gemoeid van 90 mln;

– een verhoging van de zelfstandigenaftrek met f 285; hiermee is een bedrag gemoeid van 45 mln, waarvan de helft premies volksverzekeringen.

Bij het ontwerpen van dit terugsluispakket voor het bedrijfsleven is de gelegenheid te baat genomen om, naast de randvoorwaarde van een evenwichtige terugsluis, ook zo veel als mogelijk – toegespitst op de onderkant – de loonkosteneffecten van de afschaffing van de franchise in de premie wachtgeldfonds (WGF) te verminderen. Bij het thans voorliggende terugsluispakket wordt op minimumloonniveau volledige compensatie van het genoemde loonkosteneffect bereikt. Tabel 3 geeft een overzicht van de effecten van afschaffing van de WGF-franchise en de terugsluis op de arbeidskosten.

Tabel 3. Effecten afschaffing WGF-franchise en terugsluis op arbeidskosten (in guldens)

 ArbeidskostenBudgettair
 
 WML120% WMLaModaal2x ModaalRijkFondsencTotaal
Afschaffen WGF-franchise+ f 240+ f 170– f 22– f 365
ZFW-wg –0,1%/ZFW-wn +0,05%– f 30– f 35– f 55f 0180b mln180 mln
SPAK + f 210 (jongeren en doorstroom SPAK + f 105)– f 210f 0 / – f 105f 0f 090 mln90 mln
Zelfstandigenaftrek + f 28523 mln23 mln45 mln
Totale terugsluis– f 240– f 35 / – f 145– f 55f 0293 mln23 mln315 mln

a Voor werknemers met een loon van 120% WML waarvoor het recht bestaat op de doorstroom-SPAK, dalen de arbeidskosten door de stijging van de doorstroom-SPAK. Voor de overige werknemers met 120% WML is er geen effect.

b Bestaat uit 120 mln rijksbijdrage ZFW-fonds plus 60 mln belastingderving (raming CPB).

c Omdat de premies volksverzekeringen voor 1999 zijn gefixeerd, is de premiederving meegeteld bij de budgettaire last (de derving gaat direct ten laste van de exploitatiesaldi van de sociale fondsen en leidt tot een hoger EMU-tekort).

Mede in verband met deze extra doelstelling is de groep bedrijven als geheel enigszins overgecompenseerd. Een overzicht van de sectorale lastenverdeling is weergegeven in tabel 4. In de kolom «netto-saldo» is ook rekening gehouden met de aftrekbaarheid van de heffing en het winstvergrotende effect van delen van de terugsluis. De kwartaire sector wordt in deze eerste tranche door de prijsbijstelling gecompenseerd.

Tabel 4. sectorale verdeling lasten (in mln)

 HeffingTerugsluisSaldoNetto saldo
 
  ZFW-premieSPAKZelfst.-aftrekOverig  
Totaal bedrijven*– 3301809045402550
w.v. Landbouw– 55501025– 150
w.v. mkb– 15065403015015
w.v. grootbedrijf– 9090300104030

* Inclusief kwartaire sector.

Voor de huishoudens wordt een knip in de eerste schijf gemaakt in combinatie met een tariefverlaging met 0,9%-punt van de nieuwe eerste schijf. Deze knip wordt gelegd op een belastbare som van f 15 000 (kosten 1 085 mln op transactiebasis). Voor ouderen worden voorts de ouderenaftrek en de aanvullende ouderenaftrek verhoogd met f 145 respectievelijk f 115; het betreft hier de ouderenaftrekken alleen voor ouderen met een inkomen in de eerste schijf; alleenstaande ouderen krijgen zo een extra aftrekpost van f 145 + f 115 = f 260. De verhoging van de ouderenaftrekken leidt tot een derving van in totaal 70 mln (30 mln belasting en 40 mln premies).

Tot slot wordt met het oog op de compensatie van studenten voor de verhogingen van de milieubelastingen de indexering methodiek voor de studiefinanciering aangepast zodanig dat deze verhogingen zullen worden meegewogen bij de indexering.

4. Voorkoming ongewenste renteaftrek

In het Regeerakkoord is afgesproken dat ter voorkoming van het uithollen van de grondslag voor inkomsten uit vermogen het noodzakelijk zal zijn om per 1999 maatregelen te treffen. Een extra uitholling van deze grondslag dreigt als gevolg van gedrag van belastingplichtigen, die anticiperen op de nieuwe fiscale behandeling van inkomsten uit vermogen, die is gebaseerd op een heffing over forfaitair bepaald rendement. Daarbij wordt gedoeld op situaties waarin op de valreep nog gebruik wordt gemaakt van de zwakheden in het fiscale systeem die juist door de voorgenomen wijzigingen worden geaccentueerd. Dergelijk gedrag kan tot een substantiële aantasting van de belastinggrondslag leiden.

Vanuit de praktijk zijn verontrustende signalen ontvangen dat er belastingplichtigen zijn die op een ongewenste manier anticiperen op de voorziene introductie van een forfaitair rendement in het jaar 2001. Deze ongewenste anticipatie is niet alleen terug te voeren op het alsnog inspelen op de zwakheden van het huidige fiscale regime voor de inkomsten uit vermogen (zie onder andere de nota «Belastingen in de 21e eeuw; een verkenning»), maar ook en vooral op het feit dat het forfaitaire rendement conceptueel sterk verschilt van het huidige regime. Dit verschil heeft te maken met:

• de manier waarop de omvang van de vermogensinkomsten wordt bepaald (werkelijke inkomsten in het huidige stelsel versus forfaitaire inkomsten in het toekomstige stelsel);

• het tijdstip waarop deze inkomsten in de heffing worden betrokken (werkelijk genietingstijdstip in het huidige stelsel versus fictief genietingstijdstip in het toekomstige stelsel);

• de manier waarop rekening wordt gehouden met aftrekbare kosten, waaronder ook de financieringskosten (aftrek van werkelijke brongerelateerde kosten in het huidige stelsel versus een meer globale benadering van deze kosten in het toekomstige stelsel (enerzijds door de brongerelateerde kosten op globale wijze te verdisconteren in de hoogte van het percentage van het forfaitaire rendement, anderzijds door alleen het positieve saldo van bezittingen en schulden in de grondslag van het forfaitaire rendement te begrijpen, zodat voor een afzonderlijke aftrek van financieringskosten geen aanleiding meer bestaat; impliciet wordt betaalde rente daarmee teruggebracht naar het forfaitaire percentage van 4)).

Er komen in de praktijk thans situaties voor waarbij aftrekbare kosten op min of meer geforceerde wijze nog voor de inwerkingtreding van het forfaitaire rendement aan de fiscus worden gepresenteerd. Het gaat daarbij met name om het in aftrek brengen van vooruitbetaalde financieringsrenten (deze mogelijkheid brengt met zich mee dat belastingplichtigen over de jaargrenzen heen bewust een «mismatch» kunnen creëren tussen het – vroege – tijdstip van het in aftrek brengen van de financieringskosten en het – late(re) – tijdstip van het aanmerking nemen van de (veelal slechts partieel) belastbare inkomsten.

Dergelijke opzetjes worden vaak zodanig vormgegeven dat de (daarmee samenhangende) inkomsten een onbelast karakter hebben of worden uitgesteld tot na de inwerkingtreding van het forfaitaire rendement (waardoor zij als zodanig niet meer zouden kunnen worden belast). Indien hier niet tegen zou worden opgetreden, zouden dergelijke opzetjes en constructies uiteindelijk tot een substantiële uitholling van de belastinggrondslag kunnen (gaan) leiden. In verband daarmee is in het Regeerakkoord reeds aangekondigd dat als reactie op deze ongewenste anticipatie per 1999 wettelijke maatregelen zullen worden voorgesteld.

Gelet op het vorenstaande stellen wij voor om met ingang van 1999 de criteria voor het in aftrek brengen van vooruitbetaalde rente aan te scherpen en tevens de aftrekbaarheid van financieringsrenten die verband houden met rechten die niet op zaken betrekking hebben (aandelen, obligaties, etc.) nog slechts toe te staan voor zover daar belaste inkomsten uit dergelijke rechten tegenover staan. Het bedrag dat op grond van deze saldering niet als aftrekbare kosten in aftrek kan worden gebracht, wordt voortaan aangemerkt als persoonlijke verplichtingenrente waarvoor reeds een aftrekplafond geldt. Op grond van uitvoeringstechnische overwegingen stellen wij voor om rente op bepaalde oude leningen buiten de reikwijdte van de voorgestelde salderingsmaatregel te laten. Onze gedachten gaan in dat verband uit naar het doortrekken van de toezegging die in het kader van de beperking van de aftrekbaarheid van de persoonlijke verplichtingenrente is gedaan, namelijk dat schulden die per 31 december 1995 verzekerd waren door hypotheek op de eigen woning, geacht worden betrekking te hebben op die eigen woning. Met andere woorden; de rente op dergelijke hypothecaire leningen is en blijft onbeperkt aftrekbaar, zulks ongeacht de vraag of met een dergelijke hypotheek in het verleden wellicht ook aandelen, obligaties, schuldvorderingen, etc. zijn gefinancierd.

5. Overige maatregelen

a. Aftrek buitengewone lasten chronisch zieke kinderen

Met ingang van 1 januari 1998 is in het kader van het belastingplan 1998 een uitbreiding opgenomen van de arbeidsongeschiktheidsaftrek van artikel 46 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Voor deze aftrek komen met ingang van die datum behalve arbeidsongeschikten ook chronisch zieken in aanmerking. Tijdens de parlementaire behandeling van het belastingplan 1998 is in de nota naar aanleiding van het verslag aan de Eerste Kamer (kamerstukken I 1997/98, 25 691, nr. 152b, blz. 2) toegezegd dat ook voor belastingplichtigen met een of meer chronisch zieke kinderen met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 1998 een soortgelijke regeling zal worden getroffen. In het onderhavige voorstel wordt uitvoering gegeven aan deze toezegging.

Mede gelet op de omstandigheid dat het begrip «chronisch zieke» niet vastomlijnd is en om praktische redenen is bij de vormgeving van de regeling en de omschrijving van chronisch zieke kinderen zoveel mogelijk aangesloten bij de bestaande opzet voor chronisch zieken. Ingeval in de twee voorafgaande kalenderjaren bij de berekening van het inkomen van de belastingplichtige (of dat van zijn niet duurzaam gescheiden van hem levende echtgenoot) uitgaven wegens ziekte, invaliditeit e.d. in aanmerking zijn genomen die voor ten minste eenderde deel kunnen worden toegerekend aan een of meer kinderen die jonger dan 27 jaar zijn en in belangrijke mate door de belastingplichtige worden onderhouden, komt de belastingplichtige in aanmerking voor een extra forfaitaire aftrek van f 1 000 (cijfers 1998).

De regeling is zo opgezet dat ingeval er meer kinderen zijn, het niet terzake doet op welk kind de kosten betrekking hebben. De additionele aftrek van f 1 000 wordt namelijk verleend ten behoeve van de desbetreffende kinderen als geheel. Aldus wordt met name voorkomen dat belastingplichtige, gelet op de toerekeningsvoorwaarde (eenderde deel), over meer jaren exact moet bijhouden op welk kind de desbetreffende kosten betrekking hebben. Dit zou ook voor de rijksbelastingdienst bijzonder lastig te controleren zijn. Voorts wordt aldus bewerkstelligd dat de belastingplichtige toch in aanmerking komt voor de nieuwe aftrek als bijvoorbeeld in een jaar de meeste kosten zijn gemaakt voor het ene kind en in het daarop volgende jaar voor een ander kind.

In de gekozen opzet zullen ook bejaarden met een of meer zieke kinderen (die jonger zijn dan 27 jaar) in aanmerking komen voor de nieuwe forfaitaire aftrek.

b. Willekeurige afschrijving economisch zwakke regio's

Ter bevordering van bedrijfsvestigingen in regio's met een economisch zwakke structuur is in 1996 een tijdelijke regeling willekeurige afschrijving voor nieuwe gebouwen in aangewezen gemeenten geïntroduceerd. Het gaat hierbij om nieuwe bedrijfsgebouwen, waarvan de aanschaffings- of voortbrengingskosten ten minste 5 mln bedragen, waarvan de economische eigendom berust bij een lichaam dat is onderworpen aan de vennootschapsbelasting, niet zijnde een beleggingsinstelling.

Vanwege het experimentele karakter is de regeling beperkt tot investeringen gedaan voor 1 januari 1999. Het voornemen is de regeling willekeurige afschrijving voor nieuwe gebouwen in aangewezen gemeenten te continueren, mits de regeling positief wordt geëvalueerd. Bij deze evaluatie, die thans plaatsheeft, is onder andere het Samenwerkingsverband Noord-Nederland betrokken. Bij de evaluatie zal ook de wenselijkheid van een verlaging van de drempel van 5 mln worden betrokken. Resultaten van de evaluatie zullen naar verwachting aan het einde van het jaar 1998 beschikbaar zijn.

In verband hiermee dient opgemerkt te worden dat in het kader van het staatssteuntoezicht door de Europese Commissie voor de komende periode de zogenaamde regionale staatssteunkaart nog moet worden vastgesteld. De concretisering van het voornemen hangt daarmee samen en dient dan ook te worden aangemeld bij de Europese Commissie.

Verlenging van de regeling en eventuele aanpassingen naar aanleiding van de evaluatie of verenigbaarheid met Europese regelgeving zal gebeuren door aanpassing van de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving.

c. Aanpassing aanslagcriteria aan de voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting

Voorgesteld wordt een onevenwichtigheid weg te nemen in de regeling voor het vaststellen van aanslagen inkomstenbelasting (artikel 64 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964). Deze onevenwichtigheid houdt verband met de voorlopige teruggaven inkomstenbelasting die worden vastgesteld met het oog op de toepassing van tariefgroep 3 bij ongehuwd samenwonenden. Dergelijke voorlopige teruggaven zijn mogelijk geworden met de inwerkingtreding per 1 juli 1998 van de Wet van 12 juni 1997 tot aanpassing van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Wet op de loonbelasting 1964 en enkele andere wetten in verband met verruiming van de mogelijkheid tot het opleggen van voorlopige aanslagen tot een negatief bedrag (voorlopige teruggaaf) (Stb. 279).

d. Verlaagd accijnstarief LPG voor autobussen in het openbaar vervoer

Het gebruik van vloeibaar gemaakt petroleumgas (LPG) of aardgas als brandstof voor de aandrijving van autobussen in plaats van halfzware olie of gasolie (diesel) levert belangrijke emissiereducties op voor in het bijzonder Nox-deeltjes en geluid. De uitstoot van NOx is bij LPG- en aardgasbussen tot circa vijf keer lager. De uitstoot van deeltjes op massabasis is nagenoeg nihil terwijl de uitstoot bij een dieselbus circa 0,2 g/km bedraagt. Voor geluid leidt het gebruik van LPG of aardgas tot een reductie van circa 3 decibel (dB(A)).

LPG of aardgas als brandstof kan – vanwege onder meer de bijzondere eisen aan de opslag in het vervoermiddel en de enigszins beperkte actieradius – voor autobussen geen onbeperkte toepassing vinden. In de sector openbaar vervoer zijn deze beperkingen minder van belang. In die sector kan een overgang van diesel naar LPG of aardgas dan ook op een meer zinvolle wijze plaatsvinden. Ingevolge het NMP3 is het streven gericht op een grootschalige inzet van LPG of aardgas voor autobussen.

Teneinde een dergelijke overgang te bewerkstelligen is het kabinet voornemens om met de openbaar vervoer bedrijven een convenant af te sluiten. In dat convenant gaan de openbaar vervoer bedrijven een inspanningsverplichting aan die er toe moet leiden dat een aanzienlijk deel van de nieuw aan te schaffen autobussen (in de komende jaren oplopend tot zo'n 50%) is voorzien van een installatie die aandrijving door LPG of aardgas mogelijk maakt. Van het kabinet wordt verwacht dat het subsidie- of tarievenbeleid er niet toe leidt dat de kosten van LPG- of aardgasautobussen nadelig worden beïnvloed ten opzichte van autobussen die worden aangedreven door diesel. Dit wordt gerealiseerd door de toepassing van de zogenoemde VAMIL-regeling1 en in de continuering van de zogenoemde MIBU-regeling2. Deze regelingen voorzien respectievelijk in een (fiscaal) versnelde afschrijving van de investeringen ter zake van de LPG- of aardgasinstallaties en in de mogelijkheid tot het verkrijgen van een financiële bijdrage ter zake van die investeringen. De daarvoor noodzakelijke wijzigingen van de regelgeving zijn reeds gerealiseerd. In de sfeer van de indirecte belastingen bestaat bovendien reeds een nihiltarief van de motorrijtuigenbelasting voor autobussen die hoofdzakelijk worden gebruikt in het openbaar vervoer en rijden op LPG of aardgas.

Een volgende maatregel in dit kader is het in het onderhavige wetsvoorstel opgenomen verlaagde accijnstarief voor LPG voorzover het LPG betreft dat wordt gebruikt voor de aandrijving van autobussen die hoofdzakelijk worden gebruikt voor het openbaar vervoer. Voor aardgas behoeft geen bijzondere voorziening te worden getroffen, aangezien deze brandstof niet aan accijns is onderworpen. Voor LPG wordt een verlaging van het tarief met 5,5 cent per liter voorgesteld. Door deze verlaging wordt bereikt dat het gebruik van LPG – ondanks de meerkosten voor het geschikt maken van het motorrijtuig voor het rijden op LPG – enigszins voordeliger wordt dan het gebruik van diesel. Voor deze verlaging is op grond artikel 8, vierde lid, van Richtlijn 92/81/EEG3 machtiging nodig van de Raad van de Europese Unie. Deze machtiging is verkregen bij beschikking van 21 april 1998 (PbEG L 126).

e. Teruggaaf eurovignet bij intermodaal vervoer

Binnen het Nederlandse vervoersbeleid geldt als een van de hoofddoelen het handhaven en versterken van de logistieke functie van de Nederlandse economie. Een goed functionerende vervoerssector moet het blijvend mogelijk maken dat gestelde economische doelstellingen worden gehaald, onder optimale milieutechnische voorwaarden. Hierbij ligt het accent op de versterking van het marktaandeel van de milieuvriendelijke vervoerswijzen in het goederenvervoer en het verhogen van de efficiency en bereikbaarheid in het wegvervoer.

Ter stimulering van de bovengenoemde doelstellingen bestaat in Nederland reeds een (beperkte) vrijstelling voor de motorrijtuigenbelasting voorzover het betreft vrachtwagens (vrachtwagencombinaties) die voor een deel van het traject in hun geheel over het spoor worden vervoerd.

Op 9 februari 1994 is te Brussel het zogenoemde Eurovignetverdrag4 tot stand gekomen. Dit verdrag is in Nederland uitgewerkt in de Wet belasting zware motorrijtuigen. In september 1997 is te Brussel een Bijkomend Verdrag bij het Eurovignetverdrag ondertekend dat aan verdragspartijen de mogelijkheid biedt af te zien van de heffing van het eurovignet voor het gecombineerd vervoer.

Dit wetsvoorstel strekt tot een teruggaaf van belasting zware motorrijtuigen (hierna eurovignet) voor vrachtwagens die zijn betrokken bij het goederenvervoer tussen lidstaten van de Europese Unie waarbij het beginen/of eindvervoer over de weg wordt verricht en voor het overige gebruik wordt gemaakt van het spoor, de binnenwateren, of van een zeetraject. Het wetsvoorstel betreft expliciet het eurovignet en niet een uitbreiding van de bestaande vrijstelling van de motorrijtuigenbelasting, omdat de huidige Europese regelgeving hiertoe niet de mogelijkheid biedt.

Van belang voor de teruggaaf van het eurovignet is het feit dat er slechts sprake is van gecombineerd vervoer indien voor het traject dat per spoor of over water wordt afgelegd een vervoersalternatief over de weg aanwezig is. Het zogenoemde deep sea vervoer komt niet voor de teruggaaf in aanmerking, echter het short sea vervoer onder bepaalde voorwaarden wel. Tevens moet aan bepaalde administratieve eisen worden voldaan om de uitvoering door de rijksbelastingdienst optimaal te maken. De terminals (plaatsen van in- of uitlading bij het spoor) die betrokken zijn bij het begin- en/of het eindvervoer dienen aan deze eisen te voldoen anders kan geen teruggaaf van het eurovignet worden verleend. De terminals dienen voorts in Nederland te zijn gelegen.

De tweede ondergetekende heeft het voornemen voor dit wetsvoorstel aan de Tweede Kamer kenbaar gemaakt in een brief over de aanpak van de bereikbaarheid in Nederland van 19 december 1997 (kamerstukken II 1997/98, 25 022, nr. 14). Op dit moment ligt het Bijkomend Verdrag vergezeld van de toelichtende nota ter stilzwijgende goedkeuring bij de Eerste Kamer en de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

f. Verruiming aangiftetermijn voor alcoholvrije dranken en pruim- en snuiftabak

Ingevolge de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere producten bestaat de mogelijkheid om onder schorsing van de belasting, alcoholvrije dranken, pruim- of snuiftabak voorhanden te hebben indien de ondernemer beschikt over een zogenoemde inrichting. Een ondernemer die niet over een dergelijke inrichting beschikt dient, indien hij in het kader van zijn onderneming onbelaste alcoholvrije dranken, pruim- of snuiftabak voorhanden krijgt, uiterlijk op de dag volgende op die waarop het voorhanden hebben is aangevangen, de belasting op aangifte te voldoen. Deze regeling heeft vooral betrekking op (kleinere) ondernemers (veelal winkeliers) die hun alcoholvrije dranken, pruim- of snuiftabak betrekken uit een andere lidstaat.

Voorgesteld wordt om de termijn voor het doen van de aangifte en het voldoen van de belasting te verruimen. Een dergelijke verruiming past binnen het streven de administratieve lasten voor het bedrijfsleven – daar waar mogelijk – te verminderen. Het voorstel strekt ertoe de termijn waarbinnen aangifte moet worden gedaan en waarbinnen de belasting op aangifte moet zijn voldaan te verruimen tot uiterlijk de vrijdag van de week volgende op de week waarin het voorhanden hebben van de goederen is aangevangen. Hierdoor wordt feitelijk een uitstel van het vervullen van de formaliteiten bewerkstelligd van maximaal negen en minimaal vijf werkdagen. Bovendien kunnen alle zendingen die in een week zijn ontvangen in één keer worden aangegeven en kan de belasting daarvoor ook in één keer worden voldaan. De verruiming is afgestemd met de Europese Commissie.

g. Aanpassing afschrijvingslijn bpm voor gebruikte personenauto's en motorrijwielen

In de gevallen waarin de belasting van personenauto's en motorrijwielen (bpm) wordt geheven ten aanzien van gebruikte motorrijtuigen wordt zij berekend met inachtneming van een forfaitaire vermindering. Heffing van bpm van gebruikte motorrijtuigen doet zich vooral voor indien een elders gebruikte auto in ons land wordt geregistreerd in het kentekenregister te Veendam. De bedoelde vermindering bedraagt nu 1% per maand die is verstreken na de dag waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen (met een maximum van 90%).

De voorgestelde bepaling strekt ertoe de huidige wijze van berekening van de belasting van gebruikte personenauto's en motorrijwielen te herzien. Van verschillende zijden is erop aangedrongen om de toegepaste vermindering voor de berekening van de bpm meer in overeenstemming te brengen met het verloop van de feitelijke waardedaling van de personenauto's en motorrijwielen. Anders dan bij de huidige vermindering wordt in het voorstel dan ook rekening gehouden met het feit dat in de regel de jaarlijkse waardedaling afneemt naarmate het motorrijtuig ouder wordt.

Het voorstel sluit beter aan bij het verloop van de gemiddelde werkelijke waardedaling. Het forfaitaire karakter van de vermindering wordt in het voorstel ongemoeid gelaten.

In lijn met de in de branche gehanteerde wijze van waardebepaling gaat het voorstel uit van vermindering per jaar. Het aanbrengen van een forse verhoging van de vermindering voor nauwelijks gebruikte voertuigen kan echter het niet bedoelde gevolg meebrengen dat om fiscale redenen een toename plaatsvindt van het in ons land binnenbrengen van vrijwel nieuwe auto's. Om aan zo'n tendens tegenwicht te bieden hebben wij in het voorstel de periodiciteit van de vermindering tijdens het eerste jaar «opgeknipt» in gedeelten van een jaar. Over de voorgestelde afschrijvingslijn is overleg gevoerd met de Europese Commissie.

h. Afschaffing accijnsvrijstelling proviandering binnenvaart

Voor alcoholhoudende producten en tabaksproducten, bestemd om te worden gebruikt aan boord van schepen (bevoorrading) in het verkeer naar een andere lidstaat, wordt vrijstelling van accijns verleend. In het Regeerakkoord is in het pakket ombuigingsmaatregelen als onderdeel van het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik van fiscale regelgeving voorzien in een afschaffing van deze vrijstelling voorzover het betreft de proviandering in de binnenvaart. De vrijstelling is per 1 januari 1993 geïntroduceerd bij de implementatie van de EU-richtlijnen in verband met de totstandkoming van de interne markt1. Voor die datum werd een dergelijke bevoorrading aangemerkt als uitvoer, hetgeen in een interne markt zonder binnengrenzen niet langer mogelijk was. Om die reden is aan deze faciliteit het karakter van een vrijstelling gegeven. Handhaving van deze faciliteit werd toentertijd – zeker waar het betreft de binnenvaart – wenselijk geacht omdat de indruk bestond dat verschillende andere lidstaten niet voornemens waren de vrijstelling ter zake van de proviandering in de binnenvaart af te schaffen2. Afschaffing zou er dan ook toe leiden dat de bevoorrading (deels) niet meer in Nederland zou plaatsvinden, maar in andere lidstaten die deze faciliteit wel zouden handhaven. Inmiddels is bekend dat geen enkele andere lidstaat thans nog vrijstelling verleent voor de bevoorrading van schepen in de binnenvaart. Het oorspronkelijke argument om deze faciliteit voor de binnenvaart te handhaven, is derhalve niet langer van toepassing.

De vrijstelling die in het kader van de binnenvaart wordt verleend, is gebleken zeer fraudegevoelig te zijn. De met accijnsvrijstelling aangeschafte alcoholhoudende producten en tabaksproducten kunnen zeer gemakkelijk van boord worden gehaald. Een effectieve controle daarop is zonder onevenredige inspanning niet mogelijk. Als gevolg hiervan wordt een belangrijk deel van deze producten verkocht en gebruikt buiten de beoogde vrijstellingssfeer. Bedroeg het financieel belang van deze vrijstelling in 1992 nog slechts enkele miljoenen, thans is dat belang opgelopen tot circa 20 mln. Ook dit is aanleiding geweest deze vrijstelling te heroverwegen. Daarnaast moet worden opgemerkt dat geen enkele vervoerstak op het vasteland van de EU van een dergelijke vrijstelling kan profiteren. De binnenvaart vormt in dezen een uitzondering en er is feitelijk geen enkele reden om het privé-gebruik van accijnsgoederen door de opvarenden van een binnenvaartschip accijnsvrij te doen zijn.

Op grond van het vorenstaande wordt voorgesteld deze feitelijk achterhaalde en fraudegevoelige vrijstelling af te schaffen. Het voorstel tot wijziging van artikel 66a van de Wet op de accijns strekt daartoe. Omdat eenzelfde vrijstelling bestaat ter zake van de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken en van enkele andere producten, wordt voorgesteld om die vrijstelling eveneens af te schaffen.

De heffing van omzetbelasting op aan accijns onderworpen tabaksproducten alsmede op pruim- en snuiftabak geschiedt met overeenkomstige toepassing van de voor de accijns of de verbruiksbelasting geldende regels. Dat wil zeggen dat, indien voor deze producten een vrijstelling voor de accijns of de verbruiksbelasting van toepassing is, deze mede gelding vindt voor de omzetbelasting. De afschaffing van deze vrijstellingen heeft voor deze producten derhalve gevolgen voor de vrijstelling van de omzetbelasting; deze vervalt eveneens.

6. Europese aspecten

In het onderhavige wetsvoorstel zijn verschillende Europeesrechtelijke aspecten aan de orde.

Het voorstel bevat een aantal maatregelen waarvan aannemelijk is dat het steunmaatregelen betreft, welke ingevolge artikel 93, derde lid, EG-Verdrag moeten worden aangemeld bij de Europese Commissie. Het betreft de verschillende maatregelen in de Wet belastingen op milieugrondslag (waarbij het ook kan gaan om de differentiatie van de tariefverhogingen naar verbruiksschijven), de verruiming van de EIA, het voornemen tot invoering van een MIA, alsmede – afhankelijk van de vormgeving – de maatregelen met betrekking tot groen beleggen. In dit verband wijzen wij er bovendien op dat de (bestaande) steunelementen in de regulerende energiebelasting vóór 1999 opnieuw zullen worden aangemeld bij de Europese Commissie.

In paragraaf 5, onder b, is reeds ingegaan op de willekeurige afschrijving economisch zwakke regio's, ter zake waarvan aanmelding op grond van artikel 93, derde lid, van het EG-Verdrag noodzakelijk is.

Bij maatregelen die als steunmaatregel moeten worden aangemerkt is van belang dat deze niet ten uitvoer mogen worden gebracht voordat zij zijn goedgekeurd. Mocht de goedkeuring voor de thans voorziene inwerkingtredingsdatum van 1 januari 1999 niet zijn verkregen, dan zal voor de steunmaatregelen worden bepaald dat deze op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip in werking zullen treden.

Met betrekking tot het verlaagde accijnstarief LPG voor autobussen in het openbaar vervoer, de teruggaaf eurovignet bij intermodaal vervoer, de verruiming van de aangiftetermijn voor alcoholvrije dranken en pruim- en snuiftabak heeft, zoals is aangegeven in de desbetreffende onderdelen in paragraaf 4, overleg en afstemming plaats gehad op Europees niveau.

Aangaande de invoering bij de omzetbelasting van het normale tarief op water, zij opgemerkt dat ingevolge bijlage H van de Zesde richtlijn de lidstaten op dit punt een keuzevrijheid hebben.

Tot slot zij opgemerkt dat de verschillende (wijzigingen van) uitvoeringsregelingen voor inwerkingtreding zullen worden bezien op de verschillende Europeesrechtelijke aspecten, in het bijzonder staatssteun en technische voorschriften.

7. Budgettaire en personele effecten

Budgettaire effecten

De belastingeffecten van de in dit wetsvoorstel opgenomen maatregelen zijn weergegeven in de onderstaande tabel (bedragen op kasbasis in miljoenen guldens).

Tabel 6

Maatregel1999structureel
Verhoging milieubelastingen en terugsluis  
– energiebelastingen1 0201 110
– overbrengen water van verlaagd naar algemeen btw-tarief235255
– indexatie milieubelastingen8085
– btw over verhoogde energiebelastingen140155
– verhoging zelfstandigenaftrek– 15– 25
– positieve prikkels bedrijfsleven– 70– 95
– knip eerste schijf LB/IB + verlaging tarief eerste deel met 0,9%-punt995– 1 085
– verhoging ouderenaftrek met 145– 20– 20
– verhoging aanvullende ouderenaftrek met 115– 10– 10
Additionele verlaging tarief eerste deel huidige eerste schijf– 460– 500
Voorkoming ongewenste renteaftrek020
– schrappen aftrek van f 4 000 vooruitbetaalde rente  
– beperking renteaftrek effecten met vreemd vermogen gefinancierd  
Aftrek buitengewone lasten chronisch zieke kinderen– 2– 2
Willekeurige afschrijving economisch zwakke regio's– 200
Diverse kleine maatregelen in de sfeer van de indirecte belastingen  
– verlaagd tarief LPG voor autobussen in het OV0– 5
– teruggaaf eurovignet bij gecombineerd vervoer – 1– 2
– afschaffing accijnsvrije bevoorrading binnenschepen2020
– aanpassing afschrijvingslijn bpm gebruikte personenauto's– 6– 6

De in de tabel genoemde maatregelen leiden daarnaast tot een derving aan premie volksverzekeringen van 70 mln.

In paragraaf 3.7 is een overzicht opgenomen van de maatregelen die worden ingevoerd in het kader van de eerste stap van de verhoging van de milieubelastingen en de terugsluis van de opbrengst daarvan. Een deel van deze maatregelen is niet in dit belastingplan opgenomen en is om die reden dan ook niet in de bovenstaande tabel opgenomen. Dit geldt in de eerste plaats voor de verhoging van de SPAK, waarvoor een bedrag van 90 mln is uitgetrokken. Deze verhoging wordt in een ander wetsvoorstel geregeld. Verder worden in dit kader de ZFW-premies aangepast. Aan deze ZFW-schuif is een rijksbijdrage aan het ZFW-fonds verbonden van 120 mln en een belastingderving van 60 mln op transactiebasis. Voor de zogenoemde positieve prikkels voor de gezinnen wordt 70 mln uitgetrokken.

Bij de indexatie van de milieubelasting zijn alleen de budgettaire effecten van de indexatie in 1999 vermeld.

De maatregelen inzake de voorkoming anticipatie forfaitair rendement strekt er in de eerste plaats toe om ongewenste anticipatie effecten en daarmee een budgettaire derving te voorkomen. Daarnaast genereren deze een bescheiden opbrengst van circa f 20 miljoen per jaar. Deze opbrengst is ingezet voor de dekking van extra tegemoetkoming aan het midden- en kleinbedrijf met het oog op een evenwichtige terugsluis van de verhoging van de energiebelastingen.

Personele effecten

De uitvoering van de maatregelen in dit belastingplan leiden tot extra uitvoeringskosten bij de rijksbelastingdienst van 8,6 mln incidenteel en 4,8 mln structureel. Deze kosten worden vooral veroorzaakt door de aanpassingen als gevolg van de knip in de eerste tariefschijf, de maatregelen in de sfeer van de regulerende energiebelasting en de maatregelen inzake de voorkoming anticipatie forfaitair rendement. De laatstgenoemde maatregelen zullen door middel van gerichte voorlichting aan de belastingplichtigen kenbaar worden gemaakt. Tevens zal de Belastingdienst bij de verwerking van de aangiftebiljetten extra aandacht besteden aan risicovolle posten. De uitvoeringskosten zullen worden gedekt uit de Aanvullende post.

8. Toelichting op de artikelen

Artikel I, onderdeel A (artikel 20h, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964; genietingstijdstip winst uit aanmerkelijk belang)

De wijziging van artikel 20h, tweede lid, is van technische aard en houdt verband met de toevoeging van een zevende lid aan artikel 38 dat geen toepassing vindt op winst uit aanmerkelijk belang.

Artikel I, onderdeel B (artikel 37 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964) en onderdeel F, vierde lid (artikel 46 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964) en artikel II, onderdeel B (artikel 17 van de Wet op de loonbelasting 1964) (het gelijkstellen met inkomsten uit tegenwoordige arbeid, dan wel met inkomsten ter zake van het verrichten van werkzaamheden buiten het huishouden, dan wel met loon uit tegenwoordige dienstbetrekking van uitkeringen ingevolge de Wet financiering loopbaanonderbreking en de aanvullingen van de werkgever daarop)

Uitkeringen ingevolge de Wet financiering loopbaanonderbreking worden verstrekt aan werknemers over perioden dat tijdelijk geen arbeid wordt verricht maar de dienstbetrekking wel in stand blijft. Met betrekking tot loon wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid, waar zich een vergelijkbare situatie voordoet, is in de loon- en inkomstenbelasting geregeld dat dit loon voor bepaalde toepassingen wordt gelijkgesteld met loon uit tegenwoordige dienstbetrekking c.q arbeid, dan wel met inkomsten ter zake van het verrichten van werkzaamheden buiten het huishouden. Deze gelijkstelling dient naar mijn mening ook te gelden voor de uitkeringen ingevolge de Wet financiering loopbaanonderbreking en voor de eventuele aanvullingen door de werkgever daarop. In de loon- en inkomstenbelasting wordt daarom geregeld dat deze uitkeringen en aanvullingen:

– voor de toepassing van het arbeidskostenforfait worden gelijkgesteld met loon uit tegenwoordige dienstbetrekking c.q. met inkomsten uit tegenwoordige arbeid;

– voor de toepassing van de aanvullende alleenstaande-ouderaftrek worden gelijkgesteld met loon uit tegenwoordige dienstbetrekking c.q. met inkomsten ter zake van het verrichten van werkzaamheden buiten het huishouden;

– voor de toepassing van de buitengewone lastenaftrek ter zake van kosten van kinderopvang worden gelijkgesteld met inkomsten ter zake van het verrichten van werkzaamheden buiten het huishouden.

Artikel I, onderdeel C (artikel 38, zesde en zevende lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964; schrappen aftrek van f 4 000 vooruit betaalde rente en beperking renteaftrek voor met vreemd vermogen gefinancierde effecten)

In het Algemeen deel van de toelichting is aangegeven dat er de laatste tijd op ongewenste wijze gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om vooruitbetaalde renten in aftrek te brengen. Hierdoor ontstaat een ongewenste «mismatch» tussen het moment van aftrek en het moment waarop de met dergelijke producten samenhangende inkomsten in de belastingheffing worden betrokken. In verband daarmee wordt het moment waarop betaalde renten in aftrek kunnen worden gebracht meer in overeenstemming gebracht met de periode waarop de betaalde renten feitelijk betrekking hebben. Concreet betekent dit dat de mogelijkheden om vooruitbetaalde renten ten laste van het inkomen te brengen, met ingang van 1 januari 1999 worden ingeperkt, zonder dat dit overigens – zie hierna – ten koste gaat van de aftrekbaarheid van afsluitprovisies ter zake van hypotheken.

Onder het huidige regime bewerkstelligt artikel 38, zesde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 dat betaalde renten die betrekking hebben op een volgend kalenderjaar binnen zekere grenzen toch reeds in aftrek kunnen worden gebracht op het inkomen van het lopende kalenderjaar. Deze aftrekmogelijkheid voor vooruitbetaalde renten bestaat thans uit twee componenten. Zo bewerkstelligt artikel 38, zesde lid, onderdeel a, dat renten die betrekking hebben op een tijdvak dat niet later eindigt dan 6 maanden na afloop van het kalenderjaar, volledig aftrekbaar zijn in het jaar van betaling. Artikel 38, zesde lid, onderdeel b, bewerkstelligt vervolgens dat alle overige vooruitbetaalde renten tot een maximum van f 4 000 aftrekbaar zijn in het jaar van betaling. Voor zover de vooruitbetaalde renten op grond van deze twee bepalingen niet aftrekbaar zijn in het jaar van betaling, mogen deze worden doorgeschoven naar – en in gelijke delen in aftrek worden gebracht in – de kalenderjaren waarop deze renten betrekking hebben. Om het ongewenste gebruik van de aftrek van vooruitbetaalde rente aan banden te leggen, wordt de aftrek van de rente welke valt onder de hiervoor aangeduide f 4 000-maatregel met ingang van 1 januari 1999 geschrapt. De aftrek van vooruitbetaalde renten die betrekking hebben op een tijdvak dat niet later eindigt dan maximaal 6 maanden na afloop van het kalenderjaar, kan in 1999 nog blijven bestaan. In het kader van de overgangswetgeving bij de invoering van het belastingstelsel voor de 21ste eeuw, wordt nog bezien op welke wijze in het jaar 2000 moet worden omgegaan met de aftrekbaarheid van vooruitbetaalde renten die betrekking hebben op de eerste zes maanden van 2001.

Vooruitbetaalde renten die betrekking hebben op tijdvakken welke later eindigen dan zes maanden na afloop van het kalenderjaar waarin zij zijn voldaan, zijn in beginsel niet aftrekbaar. Dit leidt slechts uitzondering voor het gedeelte van die renten dat betrekking heeft op het kalenderjaar waarin die renten zijn voldaan. Het gedeelte dat aldus voor aftrek in aanmerking komt, wordt als volgt berekend: hiertoe wordt het quotiënt van het aantal kalendermaanden in het jaar van betaling en het totaal aantal kalendermaanden van het tijdvak genomen en vermenigvuldigd met het bedrag aan vooruitbetaalde renten, daarbij worden gedeelten van kalendermaanden als kalendermaand in aanmerking genomen.

Voorbeeld 1

Stel op 1 mei 1999 wordt voor een periode van vijf jaar een bedrag van f 15 000 aan rente vooruit betaald; van deze f 15 000 heeft f 2 000 betrekking op de periode 1 mei 1999 – 31 december 1999 (8 maanden van de totale looptijd van 60 maanden). In 1999 is dus f 2 000 aan rente aftrekbaar. Het restant van f 13 000 wordt gelijkelijk over de jaren 2000 en volgende verdeeld, hetgeen in casu neer zou komen op f 2 600 per jaar.

Voor afsluitprovisies ter zake van hypotheken is thans in artikel 38, zesde lid, een bijzondere regeling getroffen (voor vooruitbetaalde hypotheekrenten gelden de normale regels zoals hiervoor vermeld). Dergelijke afsluitprovisies worden – voor zover deze niet meer dan 1,5% van de hoofdsom of f 4 000 bedragen – niet als vooruitbetaalde rente aangemerkt. Tot dat maximum zijn deze provisies dus volledig aftrekbaar in het jaar van betaling. Voor zover de provisie meer bedraagt dan dit maximum, wordt het excedent wel als vooruitbetaalde rente aangemerkt. Op deze provisies zijn dan de algemene begrenzingen voor het in aftrek brengen van vooruitbetaalde renten van toepassing (dat wil zeggen enerzijds onbeperkte aftrek in het jaar van betaling voor zover deze bedragen betrekking hebben op tijdvakken die niet later eindigen dan 6 maanden na afloop van het kalenderjaar en anderzijds maximaal f 4 000 aftrek in het jaar van betaling voor het restant). Bij afwezigheid van andere vooruitbetaalde renten komt de bestaande bijzondere regeling voor afsluitprovisies voor hypotheken er derhalve op neer dat er een bedrag van 1,5% van de hoofdsom met een maximum van f 8 000 aftrekbaar is, te weten de (maximaal) f 4 000 die niet als vooruitbetaalde rente wordt aangemerkt vermeerderd met eveneens (maximaal) f 4 000 die wel als vooruitbetaalde rente wordt aangemerkt.

Om te voorkomen dat het schrappen van de aftrekbaarheid van de f 4 000 vooruitbetaalde rente tot een beperking van de aftrekbaarheid van hypothecaire afsluitprovisies leidt, wordt het maximale bedrag aan afsluitprovisies dat niet als vooruitbetaalde rente wordt aangemerkt, verdubbeld tot f 8 000. Het tweede maximum waar de afsluitprovisie niet bovenuit mag gaan – te weten 1,5% van de hoofdsom – wordt niet gewijzigd.

In het verlengde van de per 1 januari 1997 aangescherpte bepalingen inzake de desaldering in de rentevrijstelling, is het voorstel om de hiervoor genoemde uitzondering voor afsluitprovisies te beperken tot hypotheken die worden aangegaan in verband met aanschaf, onderhoud of verbetering van de eigen woning.

Om de aftrekbare kosten ter zake van inkomsten uit aandelen, obligaties en dergelijke in overeenstemming te brengen met de inkomsten daaruit vindt met ingang van 1 januari 1999 een beperkte saldering in de sfeer van de renteaftrek plaats. Het huidige systeem houdt in dat betaalde rente die verband houdt met een (deels) met vreemd vermogen gefinancierde bron van inkomen in beginsel onbeperkt aftrekbaar is. Voor zover de betaalde rente geen verband houdt met zo'n bron van inkomen, wordt deze rente aangemerkt als persoonlijke verplichtingen rente. Voor dergelijke renten geldt sinds 1 januari 1997 een aftrekbeperking. Op grond van deze aftrekbeperking is met ingang van 1999 maximaal een bedrag van f 5 202 aftrekbaar (voor gehuwden wordt dit bedrag verdubbeld).

De onbeperkte aftrekbaarheid van bronrente blijft gehandhaafd voor die inkomensbronnen die als een roerende of onroerende zaak kunnen worden aangemerkt. Dit betekent derhalve dat de aftrek van hypotheekrente ter zake van de eigen woning volledig intact blijft, evenals de aftrek van rente die verband houdt met bij voorbeeld verhuurde onroerende zaken. Voor rechten die niet op zaken betrekking hebben – een fiscale term voor aandelen, obligaties, schuldvorderingen, etc. – worden daarentegen met ingang van 1999 de belastbare inkomsten enerzijds en de financieringsrenten anderzijds gesaldeerd. Aandelen die deel uitmaken van een aanmerkelijk belang worden overigens niet in de saldering betrokken.

Uitgangspunt van deze saldering is dat niet langer wordt toegestaan dat de (gezamenlijke) belastbare inkomsten uit aandelen, obligaties, schuldvorderingen, etc. door de aftrek van financieringsrenten op dergelijke inkomensbronnen per saldo negatief worden. Met andere woorden: de financieringsrenten voor rechten die niet op zaken betrekking hebben, zijn voortaan nog slechts aftrekbaar voor zover daar ook belaste inkomsten tegenover staan. Voor zover de in een kalenderjaar betaalde financieringsrente hoger is dan de belaste inkomsten, kan de rente niet langer in aftrek worden gebracht als bron-rente. Voor de zogenoemde meegekochte obligatierente wordt hierop een uitzondering gemaakt; de bijzondere regeling die thans ingevolge artikel 38, vijfde lid, voor dergelijke renten geldt – aftrek tot ten hoogste het bedrag dat in dat kalenderjaar als inkomsten uit obligaties wordt genoten; het bedrag aan rente dat op grond van deze saldering nog niet mag worden afgetrokken, wordt in het volgende jaar in aanmerking genomen – wordt gecontinueerd.

Mede op grond van uitvoeringstechnische overwegingen omvat de voorgestelde regeling twee nadere voorzieningen inzake deze generieke salderingsmaatregel. In de eerste plaats is voor bepaalde oude leningen – zie hierna – een eerbiedigende werking opgenomen (dit betekent dat de renten die betrekking hebben op die leningen niet in de saldering worden betrokken). In de tweede plaats is, met name voor de belastingplichtigen die per saldo slechts een relatief beperkt bedrag aan negatieve inkomsten uit aandelen, obligaties, schuldvorderingen, enz. genieten, de rente die op grond van de generiek saldering niet aftrekbaar is, bij wetsfictie als (beperkt aftrekbare) persoonlijke verplichtingenrente aangemerkt (zie hierna).

Gelet op enerzijds het feit dat de per saldo negatieve inkomsten uit rechten die niet op zaken betrekking hebben vrijwel uitsluitend betrekking heeft op situaties waarin belastingplichtigen bewust inspelen op de tekortkomingen van de huidige fiscale behandeling van inkomsten uit vermogen, en anderzijds het feit dat – met de introductie van het forfaitaire rendement reeds in het vooruitzicht – dit fenomeen, blijkens signalen die ons uit de praktijk hebben bereikt, in het laatste jaar aanzienlijk aan populariteit heeft gewonnen, is een eerbiedigende werking voor alle bestaande leningen niet aan de orde.

Nochtans wordt de rente op bepaalde oude leningen buiten de reikwijdte van de voorgestelde salderingsmaatregel gelaten. De toezegging die in het kader van de beperking van de aftrekbaarheid van de persoonlijke verplichtingenrente is gedaan, namelijk dat schulden die per 31 december 1995 verzekerd waren door hypotheek op de eigen woning, geacht worden betrekking te hebben op die eigen woning, blijft in stand. De rente op dergelijke hypothecaire leningen is en blijft dus onbeperkt aftrekbaar, zulks ongeacht het feit of die hypotheek in het verleden wellicht is aangewend voor de financiering van aandelen, obligaties, schuldvorderingen, etc. Ter versterking van de rechtszekerheid op dit punt, wordt deze regeling thans wettelijk vastgelegd. Tegelijkertijd wordt de reikwijdte van de regeling verbreed door deze niet alleen te laten gelden voor alle op 31 december 1995 bestaande hypothecaire leningen op de eigen woning, maar ook voor alle andere op die datum bestaande hypothecaire leningen op overige onroerende zaken. Vanzelfsprekend zullen zoals eerder is opgemerkt in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel herziening regime ter zake van winst uit aanmerkelijk belang, consumptieve rente en vermogensbelasting (Kamerstukken II, 1995/1996, 24 761, nr. 3, blz. 30) situaties waarin met het geleende geld beleggingen zijn gekocht waarbij bij voorbaat vaststaat dat zij geen of slechts geringe belaste inkomsten zullen genereren door de Belastingdienst, evenals thans reeds het geval is, worden bestreden.

Met inachtneming van de eerbiedigende werking voor de hiervoor genoemde hypothecaire leningen, komt de salderingsmaatregel er feitelijk op neer dat de saldering uitsluitend betrekking kan hebben op na 31 december 1995 aangegane hypothecaire geldleningen en op niet-hypothecaire leningen van voor en na die datum. Voor de goede orde wordt opgemerkt dat bij nieuwe hypothecaire leningen uiteraard wel moet worden nagegaan welk deel van de ter zake van die leningen betaalde renten betrekking heeft op de financiering van aandelen, obligaties, schuldvorderingen, etc. Vervolgens zal dan een feitelijke saldering plaatsvinden tussen enerzijds de op de hiervoor genoemde wijze bepaalde financieringsrenten voor aandelen, obligaties, schuldvorderingen, etc. en anderzijds de belastbare inkomsten die betrekking hebben op die aandelen, obligaties, schuldvorderingen, etc.

De rente die op grond van de saldering niet in aftrek kan worden gebracht, wordt via een wettelijke bepaling automatisch als zogenoemde persoonlijke verplichtingenrente aangemerkt. Zo'n automatische doorschuiving betekent dat een belastingplichtige de financieringsrenten die op grond van de saldering niet aftrekbaar zijn, de facto alsnog in het jaar van betaling in aftrek kan brengen. Dit geldt uiteraard slechts voor zover die belastingplichtige de maximale aftrek van de persoonlijke-verplichtingenrente nog niet voor andere doeleinden heeft benut. In de praktijk betekent dit dat een grote meerderheid van de belastingplichtigen feitelijk niet met de gevolgen van deze saldering wordt geconfronteerd; een maximale aftrek van f 5202 (voor 1999) persoonlijke-verplichtingenrente per persoon biedt een echtpaar bij de huidige rentestand de ruimte om fiscaal gefacilieerd een bedrag van circa f 150 000 te lenen. Voor deze grote groep belastingplichtigen heeft de saldering van de renteaftrek derhalve uitsluitend effect in situaties waarbij forse negatieve inkomsten uit aandelen, obligaties, schuldvorderingen, etc. zijn gecreëerd. Voor het beperkte aantal belastingplichtigen dat het maximum van de aftrek van persoonlijke verplichtingenrente al wel volledig heeft benut, heeft de automatische doorschuiving geen feitelijke betekenis; deze groep wordt met een daadwerkelijke aftrekbeperking geconfronteerd.

Voorbeeld 2

Belastingplichtige A (ongehuwd) heeft enige tijd geleden ter bekostiging van een personenauto een persoonlijke lening afgesloten van f 30 000 à 9% rente. Voorts beschikt hij over een effectenportefeuille van f 50 000 die jaarlijks een belast rendement van f 750 oplevert. De effectenportefeuille is voor f 20 000 gefinancierd met een (niet hypothecair) effectenkrediet à 6%. Welke gevolgen ondervindt deze belastingplichtige van de voorgestelde saldering.

In de eerste plaats kan worden vastgesteld dat A negatieve inkomsten uit aandelen geniet ten bedrage van f 450. Dit betekent dat een bedrag van f 450 aan rente op het effectenkrediet automatisch herkwalificeert tot persoonlijke verplichtingenrente. A betaalt in verband met zijn gefinancierde personenauto reeds een bedrag van f 2700 aan persoonlijke verplichtingenrenten. Er is dus nog voldoende ruimte voor hem om ook de f 450 doorgeschoven rente in aftrek te brengen. In totaal kan A derhalve al zijn betaalde renten in aftrek (blijven) brengen; f 750 renten in verband met zijn effectenkrediet en f 3 150 persoonlijke verplichtingenrenten.

Voorbeeld 3

Belastingplichtige B (gehuwd) heeft een persoonlijke lening afgesloten ten bedrage van f 65 000 à 10%. Van dit bedrag is f 20 000 gebruikt om de keuken in de eigen woning te moderniseren, f 10 000 om een vakantiereis te bekostigen en f 35 000 voor een nieuwe personenauto. Daarnaast heeft hij een effectenkrediet van f 150 000 à 6%. De effectenportefeuille heeft een waarde van f 250 000 en levert jaarlijks een belast rendement op van f 3 500. Voor B werkt de voorgestelde saldering aldus uit.

De inkomsten uit de effectenportefeuille bedragen f 3 500. Dit betekent dat van de f 9 000 rente op het effectenkrediet een bedrag van f 5 500 wordt geherkwalificeerd tot persoonlijke verplichtingenrenten. B heeft ter zake van de persoonlijke lening een bedrag van f 6 500 aan rente betaald. Van dit bedrag heeft f 2 000 betrekking op de eigen woning (in verband met het feit dat f 20 000 van de lening is aangewend ter verbetering van de keuken); dit bedrag is volledig aftrekbaar. Het restant van f 4 500 heeft persoonlijke verplichtingenkarakter. In combinatie met de f 5 500 doorgeschoven rente van het effectenkrediet heeft B derhalve een bedrag van f 10 000 aan persoonlijke verplichtingenrente. Dit bedrag is in 1999 volledig aftrekbaar (het aftrekplafond voor gehuwden bedraagt dan f 10 404).

Voorbeeld 4

Belastingplichtige C (gehuwd) heeft een persoonlijke lening van f 100 000 à 6%. Met dit bedrag heeft hij een pleziervaartuig gefinancierd. Daarnaast heeft hij een effectenportefeuille van f 500 000 die jaarlijks een belast rendement van f 4 000 oplevert. De effectenportefeuille is voor f 300 000 gefinancierd met een in 1997 afgesloten krediethypotheek op de eigen woning à 5%. Welke gevolgen heeft de voorgestelde saldering voor C.

De belaste inkomsten uit de effectenportefeuille bedragen f 4 000. Dit betekent dat van de f 15 000 rente die betrekking heeft op de gefinancierde effecten, een bedrag van f 11 000 herkwalificeert tot persoonlijke verplichtingenrenten. Omdat C ter zake van zijn gefinancierde pleziervaartuig reeds f 6 000 persoonlijke verplichtingenrente betaalt, kan hij de f 11 000 doorgeschoven rente niet meer volledig in aftrek brengen. Nu het aftrekplafond voor de persoonlijke verplichtingenrente in 1999 f 10 404 bedraagt, kan van deze f 11 000 feitelijk nog een bedrag van f 4 404 als persoonlijke verplichtingenrenten worden afgetrokken. Het restant ad. f 6 596 wordt dan niet als aftrekbare rente in aanmerking genomen.

Artikel I, onderdeel D (artikel 44m, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964; verhoging zelfstandigenaftrek)

De wijziging van artikel 44m, tweede lid, strekt ertoe de zelfstandigenaftrek te verhogen met f 285. Deze verhoging maakt onderdeel uit van de lastenverlichtende maatregelen, zoals is aangegeven in paragraaf 3 van het algemene deel van deze memorie. In artikel I, onderdeel C, is de tabel voor de zelfstandigenaftrek opgenomen zoals deze luidt na toepassing van de inflatiecorrectie per 1 januari 1999 en verhoging van de aftrekbedragen met f 285.

Artikel I, onderdeel E (artikel 45b, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964; tijdstip in aanmerking nemen van persoonlijke verplichtingen)

Artikel 45b, eerste lid, wordt in overeenstemming gebracht met de wijziging van artikel 38, zesde lid, op grond waarvan de mogelijkheid om maximaal f 4 000 vooruitbetaalde renten in aftrek te brengen met ingang van 1 januari 1999 komt te vervallen.

Artikel I, onderdeel F (artikel 46 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964; buitengewone-lastenaftrek voor chronisch zieke kinderen)

Zoals in paragraaf 5, onder a, van het algemene deel van deze memorie is uiteengezet zal de met ingang van 1 januari 1998 tot stand gekomen maatregel voor chronisch zieke belastingplichtigen (artikel 46, vierde lid) worden uitgebreid voor belastingplichtigen met een of meer chronisch zieke kinderen.

De wijziging van het eerste lid, onderdeel b, en het nieuwe zesde lid van artikel 46 strekken hiertoe. Deze aanpassing zal met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 1998 plaatsvinden. Het bedrag van de forfaitaire tegemoetkoming is gelijk aan de arbeidsongeschiktheidsaftrek (voor 1998: f 1 000) en zal met ingang van 1 januari 1999 worden bijgesteld met de op dat tijdstip toe te passen inflatiecorrectie.

Bij de vormgeving is zoveel mogelijk aangesloten bij de bestaande opzet voor chronisch zieken (artikel 46, vierde lid, Wet IB 1964). Ingeval in de twee voorafgaande kalenderjaren bij de berekening van het inkomen van de belastingplichtige (of dat van zijn niet duurzaam gescheiden van hem levende echtgenoot) uitgaven wegens ziekte, invaliditeit e.d. in aanmerking zijn genomen die voor ten minste eenderde deel kunnen worden toegerekend aan een of meer kinderen die bij het begin van het kalenderjaar jonger dan 27 jaar zijn en in belangrijke mate door de belastingplichtige worden onderhouden, komt de belastingplichtige in aanmerking voor een extra forfaitaire aftrek. Met de leeftijdsgrens van 27 jaar, de onderhoudseis (in belangrijke mate onderhouden) en de toerekening van eenderde deel van de ziektekosten wordt zoveel mogelijk voorkomen, dat cumulatie van de aftrek ontstaat (zowel bij de ouder als het kind). In de gekozen opzet (apart zesde lid) wordt tegengegaan dat er een ingewikkelde vermenging zou plaatsvinden tussen de bestaande chronisch ziekenaftrek voor de belastingplichtige (en zijn echtgenoot) en de nieuwe aftrek voor chronisch zieke kinderen. Bovendien kunnen in deze opzet bejaarden met een of meer chronisch zieke kinderen ook in aanmerking komen voor de nieuwe forfaitaire aftrek.

Wat betreft de onderhoudseis «in belangrijke mate» zij verwezen naar artikel 2 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990, dat is gebaseerd op de in artikel 2, derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 opgenomen delegatiebepaling.

De overige wijzigingen van artikel 46 zijn van technische aard en houden verband met een vernummering in artikel 46.

Artikel I, onderdeel G (artikel 47 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964), artikel II, onderdeel A (artikel 11, vijftiende lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, artikel III (artikel 6, dertiende lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering) en artikel XII artikel 16, vijfde lid, van de Wet afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen)

Deze wijzigingen zijn van technische aard en houden verband met een vernummering in artikel 46 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.

Artikel I, onderdeel H, en artikel II, onderdeel C (artikel 53 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en artikel 20 van de Wet op de loonbelasting1964; verhoging ouderenaftrek)

In deze artikelen is de verhoging vastgelegd van de ouderenaftrek en de aanvullende ouderenaftrek.

Artikel I, onderdeel I (artikel 53a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964), artikel II, onderdeel D (artikel 20a van de Wet op de loonbelasting 1964) en artikel VI (artikel 10 van de Wet financiering volksverzekeringen) (additionele verlaging tarief eerste deel huidige eerste schijf)

In artikel I, onderdeel I, is de knip in de eerste schijf van het tarief van artikel 53a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 vastgelegd.

De wijziging in artikel 20a van de Wet op de loonbelasting 1964 (artikel II, onderdeel D) komt overeen met de wijziging van artikel 53a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.

In artikel VI is geregeld dat de belastbare som van de premieheffing voor de volksverzekeringen tot geen hoger bedrag in aanmerking wordt genomen dan het als tweede vermelde bedrag in kolom II van de tarieftabel van het schijventarief van artikel 53a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 onderscheidenlijk artikel 20a van de Wet op de loonbelasting 1964. Deze wijziging houdt verband met de knip die is aangebracht in de eerste schijf van het tarief van de inkomstenbelasting en de loonbelasting.

Artikel I, onderdeel J (artikel 64 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964; aanpassing aanslagcriteria aan de voorlopige teruggaaf)

In artikel 64, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 is sinds 1 juli 1998 als hoofdregel opgenomen dat steeds een aanslag inkomstenbelasting wordt opgelegd indien een voorlopige aanslag tot een negatief bedrag (voorlopige teruggaaf) is vastgesteld. Daarbij is een uitzondering gemaakt voor een voorlopige teruggaaf die is vastgesteld uitsluitend met het oog op de toepassing van artikel 56 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Een dergelijke voorlopige teruggaaf ziet op de toepassing van tariefgroep 3 bij ongehuwd samenwonenden. Deze voorlopige teruggaaf heeft de beschikking op grond van artikel 23 van de Wet op de loonbelasting 1964 vervangen. Een dergelijke beschikking leidde niet tot een verplichte aanslag inkomstenbelasting. Om verzwaring van administratieve lasten voor deze groep van belastingplichtigen te voorkomen, is de genoemde uitzondering gemaakt.

Indien een voorlopige teruggaaf is vastgesteld uitsluitend met het oog op de toepassing van artikel 56 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 wordt bij de heffing van loonbelasting geen rekening gehouden met toepassing van tariefgroep 3. Het bedrag dat daardoor in materiële zin te veel aan loonbelasting wordt ingehouden, wordt gecompenseerd door het bedrag van de voorlopige teruggaaf. Het bedrag van een dergelijke voorlopige teruggaaf wordt bij de toepassing van artikel 64, eerste en tweede lid, thans echter niet als correctie op de voorheffingen in aanmerking genomen. Hierdoor wordt, zonder nadere voorziening, de aanslaggrens van f 410 verhoogd met een bedrag dat is gerelateerd aan de overgedragen basisaftrek. Een vergelijkbaar effect treedt op met betrekking tot de teruggaafgrens van f 26.

De voorgestelde wijziging voorziet in de benodigde nadere voorzieningen, zodanig dat het bij de toepassing van de aanslaggrens en de teruggaafgrens van artikel 64 niet langer van belang is of tariefgroep 3 wordt toegepast bij de inhouding van loonbelasting dan wel via een voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting. Daartoe worden voor de toepassing van artikel 64, eerste en tweede lid, de voorlopige aanslagen die uitsluitend met het oog op toepassing van artikel 56 zijn vastgesteld, gesaldeerd met de gezamenlijke voorheffingen. Doorgaans zal het gaan om één voorlopige aanslag tot een negatief bedrag (een voorlopige teruggaaf als bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen). Een dergelijke voorlopige aanslag kan echter zijn aangevuld met een nadere voorlopige aanslag tot een positief of negatief bedrag, bijvoorbeeld in verband met een wijziging in het van toepassing zijnde marginale tarief. Vandaar dat wordt gesproken van voorlopige aanslagen.

Voorts wordt in het voorgestelde artikel 64, tweede lid, bepaald dat bij het vaststellen van een zogenoemde nihilaanslag verrekening van de voorlopige aanslagen die uitsluitend met het oog op toepassing van artikel 56 zijn vastgesteld, evenals de voorheffingen, achterwege blijft. Op deze wijze wordt voorkomen dat de belastingplichtige bij het vaststellen van een nihilaanslag het (negatieve) saldo van deze voorlopige aanslagen moet terugbetalen.

Artikel I, onderdeel K (artikel 66b van de Wet op de inkomstenbelasting 1964)

Artikel 66b van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 bevat een bepaling die de jaarlijkse aanpassing van een aantal bedragen in die wet met een prijsindexcijfer regelt. Met de wijziging van deze bepaling wordt ook het in artikel 46, zesde lid, opgenomen bedrag jaarlijks aangepast.

Artikel IV, onderdeel A (artikel 8 van de Wet op de omzetbelasting 1968)

Dit onderdeel houdt verband met het herstel van een omissie. Ten onrechte was in de Wet op de omzetbelasting 1968 voor de berekening van de ten tijde van de verkoop nog op een motorrijtuig drukkende belasting van personenauto's en motorrijwielen (bpm) waarover geen omzetbelasting wordt berekend, geen rekening gehouden met de daadwerkelijk teruggegeven bpm, doch werd steeds de algemene afschrijvingslijn gevolgd van artikel 10 van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. De voorgestelde wijziging maakt het mogelijk wel rekening te houden met eventueel teruggegeven bpm, zoals bijvoorbeeld bij taxi's vaak het geval is.

Artikel IV, onderdeel B (tabel I, onderdeel a, bij de Wet op de omzetbelasting 1968; algemeen btw-tarief op water)

Dit onderdeel bewerkstelligt, door het vervallen van post 28 van de bij de Wet op de omzetbelasting 1968 behorende tabel I, onderdeel a, dat de levering van water wordt belast naar het algemene tarief van de omzetbelasting. Hierdoor is voortaan de levering van alle andere water dan mineraalwater in de zin van de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere producten, belast naar het algemene tarief van de omzetbelasting. Teneinde in dit verband geen onduidelijkheid te laten bestaan met betrekking tot water dat als voedingsmiddel wordt gebruikt, wordt expliciet in post 1 van onderdeel a van die tabel bepaald dat ander water dan bedoeld mineraalwater niet wordt gerekend tot de voedingsmiddelen waarvoor het verlaagde tarief van de omzetbelasting geldt. Het verlaagde tarief van de omzetbelasting blijft met betrekking tot de levering van water derhalve alleen van toepassing voor dat water dat is onderworpen aan de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken en van enkele andere producten. Artikel 8 van de wet verstaat onder mineraalwater: natuurlijk en kunstmatig mineraalwater, spuitwater alsmede water dat kennelijk is bestemd voor inwendig gebruik door de mens, in kleinhandelsverpakking of in een verpakking die is bestemd voor afnemers die daaruit water voor gebruik ter plaatse afleveren.

Tot slot zij er nog op gewezen dat in de praktijk thans ook het verlaagde tarief van de omzetbelasting wordt toegepast op een beperkt aantal prestaties die nauw verband houden met de levering van water door waterleidingbedrijven. Het gaat daarbij om bijvoorbeeld de meterhuur en de vergoedingen voor het plaatsen of verplaatsen alsook het onderhouden en herstellen van watermeters en om de vergoedingen wegens het sluiten en openen van een dienstkraan bij het begin of het einde van de waterlevering. Nu de levering van water onder het algemene tarief van de omzetbelasting komt te vallen, zullen ook de hiervoor bedoelde prestaties die met die levering nauw verband houden onder het algemene tarief komen te vallen.

Artikel V (artikel 51, zesde lid, van de Wet op de studiefinanciering)

• De terugsluis van het voorgestelde vergroeningspakket loopt via de directe belastingen.

Om te zorgen dat de effecten van de verschuiving en vergroening ook voor studerenden met studiefinanciering worden opgevangen dan wel gecompenseerd, is besloten met ingang van 1999 de indexatiemethodiek voor de studiefinanciering zodanig aan te passen dat ook de verhoging van de milieubelastingen wordt meegenomen.

Hiertoe dient artikel 51, zesde lid, van de Wet op de studiefinanciering te worden gewijzigd. Dit artikel bepaalt nu dat het te hanteren prijsindexcijfer door de Minister van Sociale Zaken en werkgelegenheid wordt bepaald. Het artikel wordt in het onderhavige voorstel zodanig gewijzigd dat voortaan het te hanteren prijsindexcijfer zal worden geregeld bij algemene maatregel van bestuur. Hierin kan dan door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen de te hanteren prijsindex worden vastgesteld.

Artikel VII, onderdeel A, en artikel VII, onderdeel B (artikel 66a, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de accijns en artikel 30, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere producten; afschaffing vrijstelling proviandering binnenvaart)

Deze wijzigingen betreffen de afschaffing van de provianderingsvrijstelling voor de binnenvaart in de sfeer van de accijns en de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere producten. Zij hebben geen invloed op de bevoorrading van schepen die zich over zee naar een andere lidstaat begeven. Deze bevoorrading kan vrijgesteld van accijns en verbruiksbelasting blijven geschieden.

Artikel VII, onderdeel B (artikel 71b van de Wet op de accijns; verlaagd tarief LPG-bussen OV)

Dit onderdeel voorziet in een nieuw artikel 71b van de Wet op de accijns. Hierin wordt de verlaging van de accijns op vloeibaar gemaakt petroleumgas (LPG) geregeld voorzover het betreft LPG dat wordt gebruikt voor de aandrijving van autobussen die hoofdzakelijk worden gebruikt voor het openbaar vervoer. In het eerste lid is aangegeven wat in dit kader onder openbaar vervoer wordt verstaan, namelijk het vervoer dat ingevolge artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de Wet personenvervoer als zodanig wordt aangemerkt, zijnde het voor een ieder openstaand personenvervoer per trein, metro, tram, bus of auto volgens een dienstregeling. In het eerste lid van artikel 71b is eveneens aangegeven wat onder een autobus dient te worden verstaan. Hiervoor is aansluiting gezocht bij artikel 2, onderdeel e, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. Deze verstaat onder een autobus een motorrijtuig op drie of meer wielen dat is ingericht voor personenvervoer en wel voor het vervoer van meer dan acht personen, de bestuurder daaronder niet begrepen.

De verlaging van de accijns wordt gerealiseerd door middel van een teruggaaf (eerste lid) aan de vervoerder (derde lid). Voor het begrip vervoerder wordt eveneens aangesloten bij de Wet personenvervoer. Deze wet verstaat onder vervoerder degene die openbaar vervoer, besloten busvervoer of taxivervoer verricht, niet in de hoedanigheid van bestuurder van een trein, metro, tram, bus of auto. Voor de teruggaaf komen ingevolge het derde lid in aanmerking die vervoerders aan wie overeenkomstig de artikelen 11 en 16 van de Wet personenvervoer vergunning is verleend tot het verrichten van openbaar vervoer. De teruggaaf wordt verleend over de hoeveelheden LPG die zijn afgeleverd in de autobussen die op naam zijn gesteld van de vervoerder als hiervoor bedoeld. Doordat het om de autobussen moet gaan die op naam zijn gesteld van de vervoerder (degene die de teruggaaf vraagt) kan op relatief eenvoudige wijze worden gecontroleerd of de betreffende bussen ook daadwerkelijk hoofdzakelijk worden ingezet voor het openbaar vervoer.

De hoogte van de teruggaaf is opgenomen in het tweede lid en bedraagt f 103,10 per 1 000 kg LPG, hetgeen overeenkomt met 5,5 cent per liter.

Het vierde lid biedt de mogelijkheid om bij ministeriële regeling nadere voorwaarden en beperkingen met betrekking tot de uitvoering van de teruggaaf te stellen. Deze zullen in overleg met de branche worden opgesteld en zullen in eerste instantie betrekking hebben op de te stellen eisen van administratieve aard (welke gegevens dienen te worden geadministreerd en welke bescheiden dienen te worden bewaard of te worden overgelegd). Daarnaast zal in de ministeriële regeling ook worden vastgelegd over welke periode teruggaaf kan worden gevraagd (eens per drie maanden).

Artikel VIII, onderdeel A (artikel 21 van de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere producten; verruiming aangiftetermijn)

Aan dit artikel wordt een nieuw tweede lid toegevoegd, houdende de mogelijkheid om de aangifte voor de alcoholvrije dranken, pruim- of snuiftabak die een ondernemer gedurende een week voorhanden krijgt, te doen aan het einde van de week daaropvolgend. Tegelijkertijd met die aangifte dient ook de betaling van die belasting plaats te vinden. Deze mogelijkheid wordt gecreëerd in afwijking van en naast de in het eerste lid opgenomen «normale» regel dat de aangifte en de betaling dienen plaats te vinden uiterlijk op de dag nadat het voorhanden hebben is aangevangen. Met het oog op de registratie van de belanghebbenden die van de ruimere aangifte- en betalingstermijn gebruik willen maken is deze mogelijkheid gekoppeld aan toestemming van de inspecteur, die zal worden verleend op (schriftelijk) verzoek.

Artikel IX (artikelen 10 en 16 van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992; wijziging bpm-afschrijvingslijn)

Het tweede lid van het nieuwe artikel 10 van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (Wet bpm) bevat de herziene vermindering van het belastingbedrag. Het overeenkomstig artikel 9 van de Wet bpm berekende bedrag aan belasting wordt verminderd met de in de tabel opgenomen percentages. Bij toenemende leeftijd van het motorrijtuig verloopt de stijging van de percentages degressief; in de latere jaren is de vermindering lager dan in de eerste jaren. In het tiende jaar na de eerste ingebruikneming van het motorrijtuig wordt het reeds nu na 90 maanden geldende maximum (van 90%) bereikt.

Het derde lid van artikel 10 strekt ertoe om de huidige volle vermindering voor motorrijtuigen van 25 jaar en ouder te handhaven.

Met het vierde lid van artikel 10 wordt een bestaande situatie gehandhaafd, te weten de vaststelling van het tijdstip van het begin van de termijn voor vermindering in de gevallen waarin het tijdstip van de eerste ingebruikneming van het motorrijtuig niet bekend is. In die gevallen blijft als zodanig gelden de laatste dag van het jaar waarin het motorrijtuig is vervaardigd.

Het vijfde lid komt overeen met het huidige tweede lid van artikel 10.

Hiervoor is reeds aangegeven dat de vermindering is gebonden aan een maximum van 90%. Hierdoor is in beginsel in alle gevallen een (bodem-) tarief van 10% van de bpm van toepassing. Uitzondering op deze regel vormen – afgezien van de motorrijtuigen van 25 jaar en ouder waarvoor een vrijstelling geldt – de motorrijtuigen waarvoor ingevolge de artikelen 15 en 16 teruggaaf van bpm kan worden gegeven. Het betreft hier motorrijtuigen voor politie en brandweer, motorrijtuigen voor het vervoer van rolstoelgebruikers in groepsverband, ambulances, motorrijtuigen voor vervoer van stoffelijke overschotten, motorrijtuigen voor het vervoer van gevangenen, dierenambulances en motorrijtuigen voor geldtransport (artikel 15) alsmede taxi's (artikel 16). Ingevolge het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 geldt voor de eerste categorie motorrijtuigen dat, indien zij na een bepaalde termijn worden afgestoten of voor een ander gebruik worden aangewend dan dat waarvoor de teruggaaf is verleend, geen belasting is verschuldigd. Voor taxi's, waarvoor de teruggaaf in drie jaarlijkse termijnen wordt gegeven, geldt dat zij daarna zonder belastinggevolgen kunnen worden afgestoten of voor andere doeleinden worden gebruikt. Wij zijn voornemens om een aanpassing van het besluit te bevorderen, zodat ook voor deze motorrijtuigen bij afstoting of aansluitende aanwending voor ander gebruik, in ieder geval het bodemtarief van 10% van de bpm verschuldigd wordt, ongeacht het tijdstip waarop dit gebeurt.

De wijziging van artikel 16, derde lid, is van redactionele aard en houdt verband met de gewijzigde nummering van de leden in artikel 10.

Artikel X (Wet belastingen op milieugrondslag)

Artikel X, onderdeel A (artikel 18 van de Wet belastingen op milieugrondslag)

Met ingang van 1 januari 1998 is voor het storten van brandbare afvalstoffen een verhoogd tarief afvalstoffenbelasting van toepassing. Voor de definitie van brandbare afvalstoffen is aangesloten bij het Besluit stortverbod afvalstoffen. Bij de herplaatsing van het Besluit stortverbod afvalstoffen in verband met het Securitel-arrest (Stb. 1997, 665), is bepaald dat het stortverbod voor een aantal categorieën afval (nog) niet in werking treedt. In de uitvoeringspraktijk is goedgekeurd dat het verhoogde tarief niet van toepassing is op die categorieën, waarvoor het stortverbod nog niet in werking is getreden; aangekondigd is dat de wet op dit punt bij de eerstvolgende wijziging zal worden aangepast. De onderhavige wijziging strekt daartoe. De wijziging werkt terug tot en met 1 januari 1998.

Artikel X (verschuiving en vergroening)

Artikel X, onderdeel B (artikel 36c van de Wet belastingen op milieugrondslag)

Ingevolge dit onderdeel worden de in artikel 36c, tweede en derde lid, opgenomen bovengrenzen vervangen door nieuwe bovengrenzen. De regulerende energiebelasting wordt met ingang van 1 januari 1999 geheven over een hoeveelheid van maximaal 1 miljoen m3 aardgas en 10 miljoen kWh elektriciteit per verbruiksperiode van 12 maanden per aansluiting. De tot 1 januari 1999 geldende verbruiksgrenzen – 170 000 m3 aardgas en 50 000 kWh elektriciteit – blijven gehandhaafd in verband met het in artikel 36i, eerste lid, opgenomen tariefonderscheid.

Artikel X, onderdeel C (artikel 36i van de Wet belastingen op milieugrondslag)

In het algemene deel van deze memorie is aangegeven dat zowel voor aardgas als voor elektriciteit twee nieuwe verbruiksgrenzen worden ingevoerd: voor aardgas 5 000 en 1 miljoen m3 en voor elektriciteit 10 000 en 10 miljoen kWh. Deze nieuwe grenzen maken het in combinatie met de bestaande verbruiksgrenzen mogelijk het tot nu toe geldende uniforme tarief voor aardgas en elektriciteit te vervangen door een schijventarief voor beide energieproducten. Dit schijventarief is opgenomen in artikel 36i, eerste lid, onderdelen d en e.

Bij een verbruik van bijvoorbeeld 185 000 m3 per verbruiksperiode van 12 maanden is de verschuldigde belasting als volgt:

5 000 x f 0,1598 =f 799,00
(170 000 – 5 000) x f 0,1044 =f 17 226,00
(185 000 – 170 000) x f 0,0071 =f 106,50
Totaalf 18 131,50
Af: belastingvrije voet 800 x f 0,1598 =f 127,85
Verschuldigde belastingf 18 003,65

De in artikel 36i, eerste lid, onderdelen a, b en c opgenomen tarieven zijn eveneens verhoogd (zie hiervoor paragraaf 3.2 van het algemene deel van de toelichting).

Bij de bepaling van de hoogte van de nieuwe tarieven is rekening gehouden met de verhoging die voortvloeit uit de met ingang van 1 januari 1999 voor het eerst plaatsvindende indexatie. Zie de toelichting op onderdeel G.

Aan artikel 36i worden voorts twee nieuwe leden toegevoegd.

In het nieuwe zevende lid wordt bepaald dat voor de totale hoeveelheid aardgas die wordt geleverd aan een installatie voor blokverwarming het tarief van toepassing is dat geldt voor het verbruik van aardgas tot 5 000 m3. Bij blokverwarming is sprake van warmtelevering aan woningen of vergelijkbare verbruikers. Het gaat hierbij om verbruikers met een zodanig verbruik dat ze bij gebruik van een eigen cv-ketel, het tarief zouden moeten betalen dat geldt voor het verbruik van aardgas tot een hoeveelheid van 5 000 m3.

Voor de verbruikers die grotere hoeveelheden warmte afnemen is voorzien in een teruggaafregeling. Zie de toelichting op onderdeel D.

In artikel 36i, eerste lid, onderdelen d en e, zijn de voor aardgas en elektriciteit gehanteerde verbruiksgrenzen genoemd. Deze grenzen gelden per verbruiksperiode van 12 maanden. Conform de huidige praktijk wordt in het nieuwe achtste lid bepaald dat deze hoeveelheidsgrenzen naar evenredigheid worden verlaagd, onderscheidenlijk verhoogd, bij een verbruiksperiode korter dan wel langer dan 12 maanden. Een vergelijkbare bepaling is opgenomen in artikel 36c, vierde lid en artikel 36j, derde lid.

Artikel X, onderdeel D (artikel 36l van de Wet belastingen op milieugrondslag)

In de toelichting op onderdeel C, derde lid, is aangegeven dat voor het aardgas dat wordt geleverd aan een installatie voor blokverwarming een bijzondere regeling nodig is. Voor de wat grotere verbruikers van warmte zou de toepassing van het tarief dat geldt voor het verbruik tot 5 000 m3 meebrengen dat zij een nadeel ondervinden vergeleken met de situatie waarin zij zouden beschikken over een eigen cv-ketel. Om die reden is voorzien in een teruggaafregeling. Aangezien deze verbruikers geen aardgas verbruiken maar warmte, is het noodzakelijk de hoeveelheid van 5 000 m3 te vertalen in een hoeveelheid megajoules. Dit is de gebruikelijke eenheid voor warmtelevering. Daarbij is uitgegaan van een rendementsverlies van 10% en een energiewaarde van 35,17 megajoule per m3 aardgas. Resultaat is een hoeveelheidsgrens van 158 000 megajoules ((5 000 x 35,17 mj) * 90%). Indien een verbruiker in een verbruiksperiode van 12 maanden meer warmte afneemt dan vorenbedoelde hoeveelheid kan hij om teruggaaf verzoeken. Het verbruik van warmte boven deze hoeveelheid wordt omgerekend naar m3 aardgas; teruggaaf wordt verleend naar het verschil tussen het tarief van 15,98 cent en 10,44 cent per m3.

Artikel X, onderdeel E (artikel 36o van de Wet belastingen op milieugrondslag)

Artikel 36o bevat een regeling die gericht is op de bevordering van duurzame energie met behulp van de energiebelasting. De stimulans is gelijk aan het thans geldende tarief van de energiebelasting: 2,95 cent per kWh voor op duurzame wijze opgewekte elektriciteit en 9,53 cent per m3 voor gas dat afkomstig is uit de omzetting van biomassa en dat wordt opgewerkt tot gas van aardgaskwaliteit. Aangezien met ingang van 1 januari 1999 zowel voor aardgas als voor elektriciteit drie tarieven gelden is het noodzakelijk in artikel 36o te bepalen welk tarief van toepassing is. Het is overigens niet strikt noodzakelijk de stimulans te koppelen aan een tarief. Het noemen van een ander bedrag is eveneens mogelijk. In dit kader merk ik het volgende op. In het onderhavige voorstel is ervoor gekozen de omvang van de stimulans vooralsnog te koppelen aan het tarief dat geldt voor het verbruik tussen 5 000 en 170 000m3 onderscheidenlijk tussen 10 000 en 50 000 kWh elektriciteit.

Zoals bekend is de onderhavige regeling mede bedoeld als gedeeltelijke compensatie voor als gevolg van bezuiniging wegvallende subsidiebudgetten voor duurzame energiebronnen. Evenals voor subsidiëring geldt ook voor fiscale stimulering dat deze alleen nodig is zolang en voorzover de kosten van de productie van duurzame energie hoger zijn dan die van conventionele energie. Met het oog op de volgende stappen van de verhoging van de energiebelastingen zal de stand van zaken op dit gebied worden bezien. Daarbij zullen ook bestaande subsidieregelingen worden betrokken.

Artikel X, onderdeel F (artikel 36r van de Wet belastingen op milieugrondslag)

Artikel 36r bevat een bijzondere regeling in de energiebelasting voor afvalverbrandingsinstallaties (AVI's). Aan de AVI's wordt een vermindering van de REB toegekend die in beginsel is gerelateerd aan het deel van de door AVI's opgewekte elektriciteit dat kan worden aangemerkt als met biomassa opgewekte elektriciteit. Voor een nadere toelichting zij verwezen naar kamerstukken II 1997/98, 25 689, nr. 3.

Artikel 36r is nog niet in werking getreden. Inwerkingtreding is afhankelijk van de totstandkoming van een convenant met de AVI's en van goedkeuring door de Europese Commissie in het kader van de zogenoemde staatssteunprocedure. De Commissie heeft inmiddels op 29 juli 1998 de in artikel 36r neergelegde regeling goedgekeurd. De besprekingen met de sector over het convenant zijn echter nog niet afgerond.

De bijzondere regeling is in beginsel van toepassing op 50% van de door de AVI opgewekte elektriciteit. De vorenbedoelde vermindering van REB is gekoppeld aan het thans geldende tarief van de energiebelasting: 2,95 cent per kWh. Aangezien met ingang van 1 januari 1999 voor elektriciteit drie tarieven gelden is het noodzakelijk in artikel 36r te bepalen welk tarief van toepassing is. In het onderhavige voorstel is ervoor gekozen de omvang van de stimulans vooralsnog te koppelen aan het tarief dat geldt voor het verbruik tussen 10 000 en 50 000 kWh elektriciteit. Zie voorts de toelichting op onderdeel E.

Artikel X, onderdeel G (artikel 37a van de Wet belastingen op milieugrondslag)

Ingevolge dit onderdeel is artikel 66b van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 van overeenkomstige toepassing op de in de Wet belastingen op milieugrondslag opgenomen bedragen. Op grond van artikel 66b worden die bedragen bij het begin van het kalenderjaar bij ministeriële regeling vervangen door nieuwe bedragen die zijn verkregen door vermenigvuldiging met de tabelcorrectiefactor. De omschrijving van de tabelcorrectiefactor sluit aan bij de door het Centraal bureau voor de statistiek (CBS) gebruikte methode voor het berekenen van het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie, waarbij de tabelcorrectiefactor wordt berekend op basis van de prijsindexcijfers volgens de «Consumentenprijsindex Alle Huishoudens, afgeleid». Deze prijsindexcijfers worden gepubliceerd in het Statistisch Bulletin van het CBS.

De tabelcorrectiefactor geeft de verhouding weer tussen het gemiddelde van de prijsindexcijfers, betrekking hebbende op de achttiende tot en met de zevende aan het relevante kalenderjaar voorafgaande maand, en het gemiddelde van die prijsindexcijfers, betrekking hebbende op de dertigste tot en met de negentiende aan dat kalenderjaar voorafgaande maand. De indexatie zal voor het eerst worden toegepast per 1 januari 1999. Als globale ijkpunten voor de per die datum aan te brengen inflatiecorrectie gelden de data 1 januari 1997 en 1 januari 1998; de inflatiecorrectie per 1 januari 1999 zal betrekking hebben op enerzijds het gemiddelde van de prijsindexcijfers in de periode juli 1996 tot en met juni 1997 (bij benadering het prijspeil van 1 januari 1997) en anderzijds het gemiddelde van de prijsindexcijfers in de periode juli 1997 tot en met juni 1998 (bij benadering het prijspeil van 1 januari 1998). Voor een meer uitvoerige beschouwing over de tabelcorrectiefactor en de methode voor het berekenen van het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie zij verwezen naar de behandeling van het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (technische wijziging index voor berekening tabelcorrectiefactor), kamerstukken II 1993/94, 23 865.

Met ingang van 1 januari 1999 zullen de tarieven van de regulerende energiebelasting zowel wijzigen als gevolg van de indexatie als in verband met de hiervoor genoemde verhoging. De indexatie zal worden toegepast op de tarieven zoals die luiden vóór de verhoging daarvan.

Artikel XI (artikelen 14a en 20, tweede lid, van de Wet belasting zware motorrijtuigen; teruggaaf eurovignet intermodaal vervoer)

Onderdeel A van dit artikel voorziet in een nieuw artikel 14a van de Wet belasting zware motorrijtuigen. Ingevolge het eerste lid daarvan kan teruggaaf worden verkregen van belasting zware motorrijtuigen of van een gedeelte daarvan voor motorrijtuigen die worden gebruikt voor gecombineerd vervoer. De teruggaaf wordt op verzoek verleend aan de houder van het voertuig dat bij het gecombineerd vervoer betrokken is geweest.

In het tweede lid is de definitie opgenomen van het gecombineerd vervoer zoals die in de Richtlijn 92/106/EEG1 is weergegeven. Ingevolge de richtlijn gaat het bij gecombineerd vervoer om een uit gedeelten samengesteld traject waarover de goederen worden vervoerd. Het voor- of navervoer van de goederen gaat over de weg, de rest per spoor of water. Is het traject over water een traject over zee, dan geldt ingevolge de richtlijn voor de definitie een beperkende ondergrens: het moet gaan om meer dan 100 km over zee (hemelsbreed). Los daarvan bevat het tweede lid nog enkele beperkende voorwaarden met betrekking tot het begin- of eindvervoer van het traject.

Het derde lid strekt ertoe de faciliteit te beperken tot gecombineerd vervoer waarvoor een alternatief in de vorm van vervoer over de weg voorhanden is. De achtergrond van deze beperking is dat het verrichten van gecombineerd vervoer in het geheel niet zou worden gestimuleerd door het verlenen van teruggave voor gecombineerd vervoer over een traject dat niet over de weg kan worden afgelegd. Daarbij valt in het bijzonder te denken aan het vervoer over zee of per spoor tussen een plaats van in- of uitlading bij het spoor (terminal in Nederland en een terminal in het Verenigd Koninkrijk (dus over het Kanaal of door de Kanaaltunnel).

Ingevolge het vierde lid wordt de mogelijkheid van teruggaaf verleend voor iedere dag waarop het motorrijtuig is gebruikt voor een begin- of eindtraject over de weg dat deel uitmaakt van een traject van gecombineerd vervoer. Om recht op teruggaaf te krijgen voor op een dag met een motorrijtuig verricht gecombineerd vervoer, is niet nodig dat met het motorrijtuig die dag alleen maar gecombineerd vervoer is verricht. Als tijdens die dag maar op enig moment gecombineerd vervoer is verricht, bestaat voor die dag recht op teruggaaf. Deze bepaling beperkt voorts de teruggaaf tot die gevallen waarin de terminal in Nederland is gelegen.

Ingevolge het vijfde lid kan de teruggaaf slechts per periode van ten minste drie maanden worden teruggevraagd. Voor houders van dag-, week- en maandkaarten brengt deze bepaling mee dat de belastingplichtige de «claims» gedurende drie maanden moet opsparen, vervolgens het verzoek over de drie maanden doet en dat daarop ineens wordt terugbetaald over die maanden. Een houder van een jaarkaart zal zijn verzoek kunnen doen na afloop van het jaar in verband met de uit het tiende lid voortvloeiende verplichting om het bewijs van betaling van het gemeenschappelijk gebruiksrecht in te leveren.

Met het zevende lid wordt voor de uitvoering door de belastingdienst aangegrepen bij de beheerder van de plaats van in- en uitlading van de goederen (de terminal).

Uit het achtste lid vloeien twee gevolgen voort.

In de eerste plaats dat bij het verzoek om teruggaaf door de houder van het voertuig het certificaat wordt ingeleverd. Dit dient ter voorkoming van misbruik. Dit brengt, zoals eerder aangegeven, mee dat houders van een jaarcertificaat de teruggaaf over ritten gedurende het jaar pas na afloop van het jaar kunnen vragen.

In de tweede plaats dat het verzoek om teruggaaf wordt gedaan bij de inspecteur die daarop beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking.

Het negende lid biedt de mogelijkheid nadere regels te stellen ten behoeve van de uitvoering van dit artikel en met betrekking tot de administratieve eisen waaraan moet worden voldaan. Deze zullen in overleg met de betreffende branche worden opgesteld en zullen in eerste instantie betrekking hebben op de gegevens die door de terminalbeheerder ter zake van een overslag in het kader van het gecombineerd vervoer dienen te worden geadministreerd (kenteken en dergelijke, alsmede de plaats van lading en lossing en het traject dat per spoor of water wordt afgelegd).

Onderdeel B van artikel XI voorziet in een nieuw artikel 20, tweede lid, van de Wet belasting zware motorrijtuigen.

De teruggaaf heeft ingevolge artikel 1 van het Bijkomend Verdrag bij het verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens betrekking op het gemeenschappelijke gebruiksrecht, bedoeld in het verdrag. Dat brengt mee dat de teruggaaf ook wordt verleend voor een gebruiksrecht dat elders dan in Nederland is betaald door zowel de Nederlandse houder van een motorrijtuig als de buitenlandse houder van een motorrijtuig mits aan de voorwaarden van artikel 14a is voldaan (o.m. terminal in Nederland). De berekening van de teruggaaf van het gemeenschappelijke gebruiksrecht wordt gedaan in de Nederlandse munteenheid en wordt gebaseerd op het tarief in Nederland zoals dat gold voor het tijdvak waarvoor het gemeenschappelijke gebruiksrecht is betaald.

Artikel XIII (artikel II van de Wet van 31 oktober 1996, houdende goedkeuring van de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving voor zover daarin beperkingen van de mogelijkheid tot willekeurige afschrijving zijn opgenomen (Stb. 547); willekeurige afschrijving economisch zwakke regio's)

De faciliteit voor de willekeurige afschrijving is gebaseerd op artikel 10 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en uitgewerkt in een ministeriële regeling. Voor de willekeurige afschrijving op nieuwe gebouwen in regio's met een economisch zwakke structuur is dat hoofdstuk VI van de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving. Voordeel van deze systematiek is dat op een snelle en eenvoudige wijze eventuele aanpassingen, bijvoorbeeld naar aanleiding van de aangekondigde evaluatie, kunnen plaatsvinden. De gemeente Landgraaf is na amendement (kamerstukken II 1996/97, 24 643, nr. 8) wettelijk begrepen onder de aangewezen gemeenten voor willekeurig afschrijving op nieuwe gebouwen. Dit onderdeel strekt ertoe de gemeente Landgraaf niet meer bij wet, doch net als alle andere gemeenten bij de continuering van de willekeurige afschrijving op nieuwe gebouwen bij ministeriële regeling daarvoor in aanmerking te laten komen.

Artikel XIV (inwerkingtredingsartikel)

Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1999, met uitzondering van de volgende bepalingen.

De bepalingen betreffende het gelijkstellen van uitkeringen ingevolge de Wet financiering loopbaanonderbreking en aanvullingen daarop met loon uit tegenwoordige dienstbetrekking, met inkomsten uit tegenwoordige arbeid of met inkomsten ter zake van het verrichten van werkzaamheden buiten het huishouden, treden met terugwerkende kracht tot en met 1 oktober 1998 in werking.

De buitengewone-lastenaftrek voor chronisch zieke kinderen treedt met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 1998 in werking. Het bedrag van de forfaitaire tegemoetkoming is voor het kalenderjaar 1998 f 1 000, en zal met ingang van 1 januari 1999 worden bijgesteld met de op dat tijdstip toe te passen inflatiecorrectie.

De wijziging van de Wet belastingen op milieugrondslag, op grond waarvan het verhoogde tarief van de afvalstoffenbelasting niet geldt voor die afvalstoffen waarvoor het Besluit stortverbod afvalstoffen niet in werking is getreden, werkt eveneens terug tot en met 1 januari 1998. Voorts is met betrekking tot de tarieven van de regulerende energiebelasting bepaald dat de indexatie plaatsvindt op de tarieven zoals deze luiden voor de verhoging ervan.

Voor de vrijstelling eurovignet bij intermodaal vervoer (artikel XI) zal de inwerkingtreding geschieden op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Dit tijdstip is afhankelijk van overleg met het bedrijfsleven over de implementatie.

De Minister van Financiën,

G. Zalm

De Staatssecretaris van Financiën,

W. A. F. G. Vermeend


XNoot
1

Kabinetsformatie 1998, kamerstukken II 1997/98, 26 024, nr. 10.

XNoot
1

De werkgeverspremie voor de ZFW is een bijtelling voor werknemers. Een verlaging van de werkgeverspremie zou derhalve zonder nadere maatregelen leiden tot een voordeel voor gezinnen.

XNoot
1

Brief van de tweede ondergetekende aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 12 december 1997, AFP 97/471 M; op 13 januari 1998 op voorstel van de Voorzitter doorgezonden aan de vaste commissie.

XNoot
1

Daarnaast vindt aanpassing plaats van de jongerenSPAK en van de doorstroomSPAK met f 105.

XNoot
1

Aanwijzingsregeling willekeurige afschrijving milieu-investeringen van 22 juli 1991, nr. MBB 08791018, Stcrt. 166.

XNoot
2

Bijdrageregeling milieuvriendelijke vervoertechnieken, regeling van 8 oktober 1992, Stcrt. 202.

XNoot
3

Richtlijn 92/81/EEG van 19 oktober 1992 van de Raad van de Europese gemeenschappen betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns op minerale oliën (PbEG L 316).

XNoot
4

Het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens (Trb. 1994, 69).

XNoot
1

Wet van 24 december 1992 tot wijziging van de Wet op de accijns in verband met de afschaffing van de fiscale grenzen (Stb. 711).

XNoot
2

Kamerstukken II, 1991/92, 22 697, nr. 3, blz. 16–17.

XNoot
1

Richtlijn 92/106/EEG van 7 december 1992 van de Raad van de Europese Gemeenschappen houdende vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor bepaalde vormen van gecombineerd vervoer van goederen tussen Lid-Staten (PbEG L 368).

Naar boven