26 234
Vergaderingen Interim Committee en Development Committee

nr. 80
BRIEF VAN DE MINISTER VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 2 april 2008

Ten behoeve van ons algemeen overleg op woensdag 9 april a.s. zend ik u, mede namens de minister voor Ontwikkelingssamenwerking, de geannoteerde agenda voor de vergaderingen van het International Monetary and Financial Committee (IMFC) en het Development Committee (DC) van 12 en 13 april 2008.

De minister van Financiën

W. J. Bos

Geannoteerde agenda voor het algemeen overleg in de Tweede Kamer over de opstelling van het Koninkrijk der Nederlanden tijdens de vergaderingen van het «International Monetary and Financial Committee» (IMFC) en het «Development Committee» (DC) op 12 en 13 april 2008.

Tijdens de vergaderingen komen naar verwachting de volgende onderwerpen aan de orde:

1.Internationale economische situatie en onrust op financiële markten2
2.Surveillance van de financiële sector4
3.De begroting van het internationaal monetair fonds5
4.Staatsfondsen6
5.Quota en voice bij het internationaal monetair fonds en de wereldbank6
6.Wereldbank strategie7
7.Global monitoring report 20088
8.Klimaat10

1. INTERNATIONALE ECONOMISCHE SITUATIE EN ONRUST OP FINANCIËLE MARKTEN

De wereldeconomie verliest stoom. Tegen de achtergrond van een aanhoudende onrust op kredietmarkten, afkoelende huizenprijzen en opgelopen inflatie heeft het IMF haar jongste groeiraming voor 2008 neerwaarts bijgesteld van 4,8 naar 4,1 procent. Deze factoren komen ook tot uitdrukking in de beurskoersen, die sinds het laatste kwartaal van 2007 wereldwijd substantieel zijn gedaald.

Achter de lagere mondiale groeiprojecties schuilt vooral een sterker dan verwachte afkoeling van de Amerikaanse economie. Het IMF verwacht voor dit jaar een groei van 1,5 procent, 0,4 procentpunt lager dan in het najaar was voorspeld. Dit impliceert een aanzienlijke groeivertraging in de loop van het jaar. Bovendien zijn er neerwaartse risico’s verbonden aan deze voorspelling. De correctie op de Amerikaanse huizenmarkt zet onverminderd door, met een negatieve doorwerking naar de kredietmarkten, vooral voor de schuldtitels met hypotheken als onderpand. Tot nog toe manifesteert de huizenmarktcorrectie zich vooral in een forse krimp in de woningbouw. Maar naar verwachting zullen dalende woningprijzen dit jaar eveneens een rem zetten op de consumptie via onder meer negatieve vermogenseffecten. Dit komt op een moment dat ook vanuit andere hoeken de steun voor de consument afbrokkelt. Zo neemt de koopkracht van gezinnen af door stijgende voedselen energieprijzen, stijgt de werkloosheid en hapert de banengroei, tot voor kort één van de belangrijkste pijlers onder de bestedingsdrang van de afgelopen jaren. Om de groeivertraging tegenwicht te bieden, verlaagde de Federal Reserve de beleidsrente in het afgelopen halfjaar agressief met 2,25 procent. Daarnaast ging de Senaat akkoord met een belastingverlichting ter waarde van 150 miljard USD. Beide maatregelen zullen de besteedbare inkomens van huishoudens een impuls geven, al is het de vraag in hoeverre deze daadwerkelijk tot extra bestedingen leidt. Hoewel nieuwe monetaire en begrotingsimpulsen niet zijn uit te sluiten, oogt de ruimte hiervoor beperkter dan tijdens de vorige groeivertraging vanwege de hoge inflatie (4,4% in januari) en het relatief grote begrotingstekort (2,5% van het bbp). De hoge inflatie en de potentiële verankering hiervan in inflatieverwachtingen maakt de afruil tussen prijsstabiliteit en groei, zoals deze in het mandaat van de Fed tot uitdrukking komt, bijzonder lastig. Een positieve noot is dat het torenhoge lopende rekeningtekort snel daalt, nu de dollar daalt en de binnenlandse bestedingen afnemen.

De economie van het eurogebied is in essentie gezond, al ligt de piek in de conjunctuur waarschijnlijk achter ons. Het IMF verwacht dat dit jaar de groei zal afvlakken tot 1,6 procent, terwijl deze in 2007 nog 2,6 procent bedroeg. Deze voorspelling op jaar basis impliceert een behoorlijke groeivertraging in de loop van 2008. Debet hieraan zijn een tragere groei in de VS, een afkoelende woningmarkt in tal van Europese landen en de verwachte doorwerking van de turbulentie op de kredietmarkten. Zoals gebruikelijk in een neergaande conjunctuur zal de investeringsgroei komend jaar afnemen. De consumptieve uitgaven ondervinden dit jaar waarschijnlijk nog steun vanuit de arbeidsmarkt. Zo groeit de werkgelegenheid robuust en is het werkloosheidspercentage voor Europa historisch gezien laag (eind 2007 kwam deze uit op 7,2 procent). De exportgroei van het eurogebied zal worden geraakt door de afnemende vraag vanuit de VS, die slechts deels wordt gecompenseerd door een toename van de vraag uit de opkomende economieën van Azië en Oost-Europa. De inflatie in het eurogebied blijft naar verwachting in 2008 boven de 2 procent liggen, waarbij het van belang is dat tweede orde effecten van hoge voedsel- en energieprijzen op de loonontwikkeling vermeden worden en inflatieverwachtingen goed verankerd blijven.

Ook in 2008 zullen de opkomende markten en lage inkomenslanden aanzienlijk groeien. Het IMF verwacht dat de groei van de niet-industrielanden in 2008 zal uitkomen op 6,9 procent, een afname van ongeveer één procentpunt ten opzichte van 2007. Veel opkomende markten profiteren van toenemende binnenlandse vraag en meer gedisciplineerd macro-economisch beleid, terwijl grondstofexporterende landen baat hebben bij de huidige hoge grondstofprijzen. Dit neemt niet weg dat deze landen gevoelig zijn voor de verwachte afname van de groei van wereldhandel, waarbij tevens een aantal van hen te maken heeft met hoge inflatiedruk. Voor niet grondstofexporterende ontwikkelingslanden brengen stijgende voedsel- en olieprijzen daarnaast juist economische risico’s met zich mee. Ook kunnen de hoge prijzen binnenlands de onderlinge inkomensverschillen vergroten, omdat mensen met lage inkomens het hardst worden geraakt door stijgende voedselprijzen.

Verder geldt dat opkomende markten die sterk afhankelijk zijn van inkomende kapitaalstromen uit industrielanden, hard kunnen worden geraakt door de verslechterende economische situatie in industrielanden. Al met al zijn de vooruitzichten voor de wereldeconomie verslechterd ten opzichte van de vorige projectie van het IMF waarbij de neerwaartse risico’s rondom de projecties zijn toegenomen en de inflatiedruk in zowel de industriële als de opkomende regio’s een extra complicerende factor vormt.

Onrust op financiële markten

De problemen op de Amerikaanse «subprime»-hypotheekmarkt leidden in de zomer van 2007 tot een abrupte omslag van een fase van grote risicotolerantie naar sterke risicoaversie op de financiële markten. Deze omslag is gepaard gegaan met een forse herprijzing van risico’s, meer risicodiscriminatie en een collectieve afbouw van (geconcentreerde) posities in complexe producten. Hoewel deze correcties een heilzame werking hebben na een lange periode van hoge risicobereidheid bij marktpartijen en lage risicopremies, baren de duur en onordelijkheid van de huidige crisis zorgen. De gevolgen ervan, waaronder een verminderde liquiditeit, een ogenschijnlijk doorschietende risicoaversie bij marktpartijen en verminderde liquiditeiten solvabiliteitsposities van sommige financiële instellingen, verslechteren immers de wereldwijde condities voor financiële stabiliteit. Inmiddels hebben banken wereldwijd circa 150 mld. USD afgeschreven op subprime gerelateerde activa. De G7 schat dat deze verliezen kunnen oplopen tot 400 mld. USD. Hoewel ontwikkelingslanden niet direct zijn getroffen door de kredietcrisis, worden ze indirect geraakt via de verslechterde economische situatie in industrielanden.

De mondiale economische vooruitzichten blijven onzeker.Behalve verdieping van de oorspronkelijke bron van de onrust (een verergerde huizenprijsdaling in de VS, toenemende defaultsop hypotheken en verder oplopende verliezen op gesecuritiseerde producten met hypotheken als onderpand), treedt ook een verbreding op. Zo is sinds medio januari sprake van oplopende kredietrisico’s in de markt voor consumentenkrediet, voor zakelijk onroerend goed en voor leveraged buy-outs. Dit duidt erop dat kredietproblemen zich niet meer beperken tot Amerikaanse hypotheken, maar nu ook zichtbaar worden in andere delen van de economie. De negatieve wisselwerking tussen een afkoelende economie en de kredietcrisis kan de druk op financiële instellingen verder versterken.

De dynamiek van de kredietcrisis vormt een uitdagende omgeving voor banken en beleidsmakers om maatregelen door te voeren die gericht zijn op het beperken van de impact ervan en het voorkomen van vergelijkbare problemen in de toekomst, ook in landen waar de financiële sector en de economie als geheel goed blijven presteren. Immers, gelet op de toegenomen verwevenheden van financiële markten en economieën bestaat het risico dat ook deze landen geraakt zullen worden. Naast het zorgdragen dat de kern van het financiële stelsel (de geldmarkten en de betalingssystemen) goed blijft functioneren, is een andere taak van centrale bankiers en toezichthouders het bevorderen van vertrouwensherstel bij marktpartijen, door accurate en tijdige openbaring van verliezen door banken, gebaseerd op correcte waardering en vergezeld van adequate maatregelen om kapitaalbuffers waar nodig te versterken. Daarnaast dient er de komende tijd nagedacht te worden over hoe er adequaat vervolg gegeven kan worden aan de aandachtsgebieden uit de onlangs verschenen tussentijdse rapportage van de werkgroep van het Financial Stability Forum. Deze zijn onder meer gericht op (i) het versterken van het liquiditeitmanagement bij banken, (ii) het adresseren van belangrijke weeffouten in het «originate-to-distrubute» model van banken, (iii) het vergroten van het besef bij beleggers dat zij niet blind moeten varen op het oordeel van kredietbeoordelaars, (IV) het aanpakken van beloningsprikkels die disproportionele risiconeming uitlokken.

Het succes van hierop gerichte beleidsaanbevelingen hangt nauw samen met de intensiteit van de internationale samenwerking op het gebied van toezicht en financiële stabiliteit. De marktonrust kenmerkt zich door haar grensoverschrijdende oorzaken en gevolgen en vraagt daarom om een gecoördineerde aanpak.

2. SURVEILLANCE VAN DE FINANCIËLE SECTOR

Het Koninkrijk benadrukt dat de noodzakelijke bezuinigingen bij het IMF kunnen worden aangegrepen om de focus van het Fonds nog sterker te richten op het bewaken van de mondiale financiële stabiliteit. De turbulentie op de financiële markten heeft laten zien dat er behoefte bestaat aan een mondiale instelling die snel en accuraat kan reageren op de soms stormachtige financiële ontwikkelingen. Om mogelijke kwetsbaarheden voor het financiële systeem in een vroegtijdig stadium te kunnen signaleren is het van belang dat de macro-economische en financiële sector analyse door het Fonds verder geïntegreerd worden. Dit zou moeten gebeuren op de drie niveaus van surveillance.

Op bilateraal niveau helpt de aanscherping van het surveillance beleid in 2007 en de daarbij behorende nadruk op externe stabiliteit. De resultaten van de Financial Sector Assessment Programma (FSAP) kunnen echter nog directer worden gebruikt voor de jaarlijkse Artikel IV analyse en hierin verder worden geïntegreerd. Regelmatige updates van stresstesten, die een steeds belangrijkere rol spelen bij de vroegtijdige onderkenning van kwetsbaarheden, zouden hier deel van uit moeten maken. Op regionaal niveau kan het IMF zijn surveillance versterken, bijvoorbeeld door vaker regionale FSAP’s uit te voeren. Hierbij dient aandacht te zijn voor regionale spill-over effecten en onderlinge relaties tussen financiële centra. Op mondiaal niveau zou het IMF zijn pijlen in sterkere mate kunnen richten op actuele onderwerpen die voor de mondiale financiële stabiliteit van belang zijn, zoals de opkomst van staatsfondsen (zie paragraaf 4) als belangrijke spelers op de mondiale financiële markten. Ook onderwerpen zoals de rol van kredietbeoordelaars en de betrouwbaarheid van hun ratings en de waardering van complexe financiële producten behoren hiertoe. Ook is het belangrijk dat het IMF voldoende oog houdt voor de financiële sector in lage-inkomenslanden.

Tot slot benadrukt het Koninkrijk dat het IMF een grotere rol kan vervullen bij het bevorderen en de implementatie van goede standaarden voor de (internationale) financiële wereld. Dit kan het IMF mede vorm geven door zijn actieve participatie in fora als het FSF en de BIS. De rol van het IMF is hierbij niet gelegen bij het uitvoeren van toezichtstaken op de financiële sector, maar juist in het identificeren van best practices en het doen van richtinggevende aanbevelingen. Op basis van de door de surveillance verkregen expertise kan het IMF beoordelen of de toezichtstandaarden goed worden nageleefd.

3. DE BEGROTING VAN HET INTERNATIONAAL MONETAIR FONDS

De teruggelopen inkomsten uit IMF-financiering vragen om maatregelen, zowel ter verbreding van de inkomensbasis als ter vermindering van de uitgaven. Ten aanzien van de inkomenskant heeft de commissie Crockett vorig jaar een aantal maatregelen voorgesteld. Het Koninkrijk kan zich in grote lijnen vinden in deze voorstellen en hanteert hierbij het uitgangspunt dat voldoende inkomsten dienen te worden gegenereerd. Dit impliceert dat niet per definitie alle voorgestelde maatregelen uitgevoerd hoeven worden, maar dat volstaan kan worden met een aantal maatregelen mits deze een voldoende robuuste inkomensbasis verschaffen.

De Managing Director heeft voorgesteld de jaarlijkse uitgaven met circa 10 procent te verminderen. Onderdeel hiervan is het inkrimpen van het budget van de Raad van Bewindvoerders met eenzelfde percentage. Om de besparingen te realiseren dient het Fonds zich vooral te richten op zaken waar het duidelijk een comparatief voordeel heeft ten opzichte van andere internationale financiële instellingen. Zo kan het Fonds de noodgedwongen besparingen gebruiken om zich beter te richten op de dingen waar het goed in is en waarin het een belangrijke rol vervult. Het Koninkrijk der Nederlanden steunt deze uitgangspunten. De komende periode zal het budgetcomité met meer concrete bezuinigingsplannen komen.

4. STAATSFONDSEN

Op de Jaarvergadering van 2007 heeft het IMFC aan het Fonds gevraagd de dialoog te starten met Staatsfondsen, om zodoende best practiceste identificeren. Tijdens de voorjaarsvergadering zullen de IMFC-leden een voortgangsrapportage bespreken. Het einddoel hiervan is het opstellen van een gedragscode voor deze fondsen, bijvoorbeeld ten aanzien van de openheid over de beleggingsstrategie en de governance (het op afstand plaatsen van de overheid). Het Koninkrijk steunt een dergelijke code en is van mening dat een adequate multilaterale dialoog gewenst is, om te voorkomen dat landen eenzijdig, schadelijke (protectionistische) maatregelen nemen. Daarnaast is het belangrijk dat ook via het verminderen van de mondiale betalingsbalansovenwichtigheden excessieve reserveopbouw voorkomen wordt.

5. QUOTA EN VOICE BIJ HET INTERNATIONAAL MONETAIR FONDS EN DE WERELDBANK

Op de Jaarvergadering 2006 in Singapore is, met instemming van het Koninkrijk der Nederlanden, een Resolutie aangenomen waarin wordt bepaald dat de relatieve positie van landen in de wereldeconomie beter tot uitdrukking dient te komen in het stemgewicht in het IMF. Daarom is er besloten tot het opstellen van een nieuwe en eenvoudigere quotaformule, het gericht verhogen van quota en het verhogen van de basisstemmen. Tijdens de Jaarvergadering 2007 hebben de leden een stap gezet in de richting van een akkoord over de vorm van de nieuwe quotaformule en de omvang van de quotaverhoging. Zo is vastgesteld dat zowel de waardering van BBP tegen koopkrachtpariteit als «compressie» een rol krijgen in de nieuwe formule. Compressie verkleint de verschillen tussen kleine en grote economieën. Ook is tijdens de Jaarvergadering 2007 overeenstemming bereikt over welke variabelen deel moeten uitmaken van de formule.

Het Koninkrijk heeft steeds aangegeven bereid te zijn om, in het kader van de veranderende verhoudingen in de wereldeconomie en het bestendigen van de legitimiteit van het Fonds, stemgewicht in te leveren bij de huidige quotaherziening. Daar moest dan wel tegenover staan dat de nieuwe formule consistent zou zijn met de IMF-principes. Het Koninkrijk pleitte daarom voor een voldoende groot gewicht voor de variabele «openheid». Tevens pleitte het Koninkrijk voor een aanzienlijke compressiefactor, een beperkte omvang van de komende ad hoc quotaverhoging en een verhoging van basisstemmen, waarvan vooral lage-inkomenslanden profiteren. Uitgangspunten hiervoor waren dat het stemaandeel van de Nederlandse kiesgroep niet te sterk zou verwateren, en dat het stemaandeel van opkomende markten en lage-inkomenslanden zou verbeteren. Verder was het Koninkrijk van mening dat de nieuwe quotaformule zoveel mogelijk leidend zou moeten zijn voor welke landen een quotaverhoging krijgen.

Op 28 maart jl. bereikte de Raad van Bewindvoerders overeenstemming over een nieuwe quotaformule, de wijze waarop deze wordt ingevoerd en over een verhoging van de basisstemmen1. Over de Resolutie waarmee dit pakket wordt voorgelegd aan de 185 IMF-Gouverneurs kan tot 28 april worden gestemd. Het pakket lijkt vrij brede steun te genieten onder zowel industrielanden, als opkomende economieën en lage-inkomenslanden. Hoewel Nederland zeker concessies heeft moeten doen, kunnen we ons vinden in het resultaat dat in hoge mate in lijn is met de bovengenoemde uitgangspunten. De regering is dan ook voornemens om in het belang van de IMF hervormingen voor de Resolutie te stemmen. Het stemgewicht van opkomende economieën en ontwikkelingslanden als groep gaat er inclusief de eerste ronde van verhogingen1 2,7 procentpunt op vooruit. Het quotumaandeel van Nederland daalt in totaal van 2,42 naar 2,17 procent en het Nederlands stemgewicht daalt in totaal van 2,34 naar 2,08 procent. Voor de Nederlandse kiesgroep als geheel, die ook uit lage- en middeninkomenslanden bestaat, daalt het stemgewicht in totaal van 4,82 naar 4,52 procent.

De discussie over de kapitaal- en stemverdeling bij de Wereldbank zal hoogstwaarschijnlijk pas gevoerd worden op het moment dat er bij het IMF overeenstemming over de quotadiscussie is bereikt, met andere woorden in ieder geval na de voorjaarsvergadering. Op dit moment zijn er voor de Wereldbank nog geen concrete, inhoudelijke voorstellen waar het Koninkrijk een oordeel over kan vellen.

6. WERELDBANK STRATEGIE

Tijdens de meest recente jaarvergadering van de Wereldbank kreeg President Zoellick steun van de leden van het Development Committee voor zijn voorstel om de strategie van de Wereldbank te concentreren op zes thema’s, te weten:

1. steun voor de allerarmsten, vooral in Sub-Sahara Afrika waar de Wereldbank Groep (WBG) streeft naar verbetering van de impact van haar programma’s;

2. een geïntegreerde en meer flexibele benadering t.a.v. fragiele en post-conflict staten;

3. een actieve rol voor de Wereldbank in het bevorderen van globale en regionale publieke goederen, te weten: milieu, internationale handel, internationale financiële architectuur en de bestrijding van overdraagbare ziekten;

4. een meer gedifferentieerd en innovatief productaanbod voor middeninkomenslanden;

5. bevordering van de ontwikkeling in de Arabische wereld: de WBG wil haar betrokkenheid bij deze landen vergroten; en

6. versterking van de Wereldbank als kennisinstituut.

Het Koninkrijk ondersteunt de keuze van deze zes thema’s op hoofdlijnen. De aanpak van WB President Zoellick is er daarbij opgericht om de thema’s te concretiseren via een doorlopend proces, met veel ruimte voor discussie. Zoals opgenomen in de verklaring van de laatste bijeenkomst van het Development Committee van oktober 2007, zal de voortgang met betrekking tot de uitwerking van de strategie aan bod komen tijdens de voorjaarsvergadering. Het Koninkrijk ondersteunt de benadering van Zoellick om veel ruimte in het proces in te bouwen voor consultatie, en moedigt de Wereldbank aan om tijdens de jaarvergadering van 2008 een uitgewerkt strategievoorstel te presenteren.

Het Koninkrijk is voornemens om de uitwerking van de strategie te ondersteunen door het organiseren van een conferentie dit jaar over de toekomst van de Wereldbank. Doel van de conferentie is om bij te dragen aan het voortgaande denkproces in Washington en in Europa, over zowel de strategie van de Wereldbank als over de organisatorische consequenties die een nieuwe strategie met zich mee zal brengen. De conferentie zal zich onder meer richten op een aantal van bovenstaande thema’s, waarbij er aandacht zal zijn voor de rol van de private sector in ontwikkelingslanden.

Het Koninkrijk is van mening dat de invulling van de thema’s gebaseerd dient te zijn op een goed begrip van de veranderende, globaliserende wereld met vele nieuwe spelers, en de eisen die dit aan de Wereldbank stelt in termen van het adequaat inspelen op deze ontwikkelingen. Zo dient onder meer de governance van de Wereldbank dient mede aangepast te worden aan haar nieuwe rol. Ook dient de samenstelling en aanwending van het menselijke en financiële kapitaal van de Wereldbank toegesneden te worden op de nieuwe prioriteiten. Verder hecht het Koninkrijk er aan dat de Wereldbank doorgaat met het verbeteren van de resultaatgerichtheid en veel aandacht besteedt aan monitoring en evaluatie, zowel in de eigen organisatie als in de landen waar de Wereldbank actief is. De Wereldbank moet verder gaan op de ingeslagen weg naar decentralisatie en meer aandacht besteden aan lokale accountability en aan de versterking van de lokale politieke dialoog over de WB programma’s. De strategie moet bijdragen aan het formuleren van duidelijke en meetbare doelstellingen op ieder niveau van de organisatie. De Wereldbank dient voldoende aandacht te besteden aan de situatie van de niet-onafhankelijke landen en/of gebieden.

De strategie zal ook de plaats van de Wereldbank in de globale, multilaterale architectuur moeten verduidelijken. De strategie moet bijdragen aan een betere taakverdeling tussen de verschillende multilaterale instituties en moet helpen bij het duidelijk bepalen van toekomstige prioriteiten en posterioriteiten van de Wereldbank.

7. GLOBAL MONITORING REPORT 2008

Het Global Monitoring Report (GMR) 2008 besteedt uitvoerig aandacht aan het behalen van de millenniumontwikkelingsdoelstellingen (MDG’s) in 2015. Binnen het GMR is gekozen voor milieu en duurzaamheid als doorkruisend thema, met als doel een agenda voor een inclusieve en duurzame ontwikkeling.

Ook uit het GMR 2008 zal blijken dat het behalen van alle MDG’s in 2015 grote extra inspanningen blijft vragen van de internationale gemeenschap. Dit wordt onderstreept door de MDG Call to Action, aangekondigd tijdens de ontmoeting van wereldleiders in Davos. Het Koninkrijk spoort andere landen aan om concrete inspanningen te verrichten om te voldoen aan de 0,7% norm voor ODA en zal hiervoor aandacht vragen tijdens de Financing for Developmentconferentie in Doha in november. Extra inspanningen zijn vooral nodig waar het gaat om het behalen van de MDG’s in Afrika, in het bijzonder in fragiele staten. Het Koninkrijk is het eens met deze vaststelling, maar vindt dat positieve ontwikkelingen eveneens aandacht verdienen, waaronder het feit dat de economische groei in veel landen in Afrika gestegen is en naar verwachting in 2008 nog verder zal stijgen. Het neerwaartse risico voor de economische groei van ontwikkelingslanden als gevolg van de financiële crisis, via lagere exporten van deze landen naar de ontwikkelde landen en de hogere financieringskosten, wordt in de GMR als beperkt ingeschat. Wel is er tegelijkertijd sprake van een ongelijke groei in uiteenlopende Afrikaanse landen. Het GMR 2008 zou beschouwd moeten worden als een rapport dat niet uitgaat van gemiste kansen, maar juist van het grijpen van kansen om de MDG’s alsnog te behalen. Door de aanhoudende economische groei in met name Afrika is nu het momentum aanwezig om méér te doen aan de schrijnende armoede in de wereld en om bestaande knelpunten met versterkte inspanning aan te pakken.

Het GMR wijst op de gestegen inkomensongelijkheid in ontwikkelingslanden. Het is van belang om deze trend te keren. Daarbij dient bijzondere aandacht uit te gaan naar de gevolgen van de stijgende olie- en voedselprijzen, niet alleen voor de stedelijke armen, maar ook voor de arme plattelandsbevolking, die vaak netto kopers zijn van voedsel. De positieve effecten van handelsliberalisatie en gerelateerde maatregelen op de economische groei kunnen zeer substantieel zijn. Vooral landen die beschikken over rijke voorraden aan grondstoffen laten een sterke groei zien, maar het is wel van belang dat deze economische groei doordruppelt naar de bevolking en dat er ook voldoende aandacht is voor het verdelingsvraagstuk. Een voorzichtig begrotingsbeleid, goed bestuur en transparante processen, die inzichtelijk maken waar middelen aan besteed worden, kunnen daaraan bijdragen.

Een toenemende ongelijkheid kan mogelijk ook optreden waar het gaat om de toegang tot gezondheidszorg, waarbij de rijkeren toegang hebben tot (vaak kostbare, maar goede) gezondheidszorg en de armere bevolking afhankelijk is van kwalitatief vaak minder goede, publieke systemen. De verschillende bestaande interventies om dit probleem aan te pakken, blijken tot nu toe niet erg succesvol. Het Koninkrijk is van mening dat deze ongelijkheid niet alleen met technische instrumenten aangepakt moet worden, maar ook bezien moet worden als een onderdeel van een bredere sociaal-politieke agenda. Daarnaast is extra aandacht en een brede aanpak nodig voor het probleem van ondervoeding, dat een belangrijke belemmering vormt om de MDG’s te bereiken op de terreinen van o.a. kindersterfte. De sterk gestegen voedselprijzen vormen in dat verband een extra risicofactor. De ongelijkheid in ontwikkelingslanden wijst erop dat er extra inspanningen nodig zijn – en focus – om de interne welvaartsverdeling in ontwikkelingslanden gestructureerd te stimuleren.

De beleidsplannen voor Afrikaanse landen lopen weliswaar sterk uiteen, maar gemeenschappelijk is wel het belang van de institutionele verbeteringen in al deze landen (governance en anticorruptie), de milieu- en klimaatagenda, met bijzondere aandacht voor natuurlijke hulpbronnen, energie en infrastructuur.

Het belang van het leveren van een extra inspanning waar het gaat om de ophoging van ODA is evident. Tegelijkertijd vindt het Koninkrijk het wenselijk om de scaling-up agenda te plaatsen in de context van het vergroten van de potentiële begrotingsruimte (fiscal space) ten behoeve van uitgaven die duurzame groei bevorderen en armoede bestrijden. Het Koninkrijk vindt dat daarbij rekening dient te worden gehouden wordt met de effecten van schuldverlichting en met de inkomsten-genererende mogelijkheden van regeringen, waaronder een betere belastinginning, en een efficiënter en effectiever uitgavenbeleid. Het GMR zou niet alleen verbonden moeten worden met ontwikkelingshulp, maar ook oog moeten hebben voor de mogelijkheden die Afrika heeft om groei te versterken via andere bronnen dan ODA. Daarnaast moet er, gelet op de veranderde hulparchitectuur met vele nieuwe spelers, bijzondere aandacht uitgaan naar nieuwe uitdagingen op het terrein van effectiviteit en coherentie. Het welslagen van het Accra High Level Forum in september dit jaar is daarom essentieel.

De internationale financiële instellingen zullen, ondanks een verminderde financiële rol, ook in de toekomst een belangrijke rol blijven spelen, maar zij kunnen hun rol niet als bij voorbaat verzekerd zien. De effectiviteit en efficiëntie van de verschillende instellingen speelt daarbij een cruciale rol. Het Koninkrijk acht het daarbij van belang voldoende aandacht te hebben voor de onderscheiden rollen die de internationale financiële instellingen (IFI’s) spelen en de multilaterale architectuur opnieuw te bezien in het licht van de Global Public Goods discussie. Regionale en wereldwijde publieke goederen worden terecht gezien als nieuwe prioriteiten, maar het is nog niet volledig helder welke rol de multilaterale instellingen en in het bijzonder de Wereldbank op zich zouden moeten nemen. Dit zou verduidelijkt moeten worden en tot uiting moeten komen in daartoe te ontwikkelen strategieën.

8. KLIMAAT

Tijdens de jaarvergadering in september 2007 kreeg de Wereldbank Groep (WBG) het mandaat om een overkoepelend strategisch raamwerk te ontwikkelen op het gebied van klimaat, het Strategic Framework on Climate Change (SFCC). Het raamwerk rust op 6 pijlers:

• het klimaat – adaptatie en mitigatie – als kerntaak voor ontwikkelingssamenwerking;

• het aanpakken van het tekort aan financiering middels bestaande en nieuwe instrumenten;

• het faciliteren van nieuwe marktmechanismen;

• het stimuleren van private financiering (hefboom functie);

• het versnellen van de ontwikkeling en toepassing van lage emissie technologieën en

• het intensiveren van onderzoek op het snijvlak van klimaat en ontwikkeling.

De WBG stelt voor om hieraan een nieuwe portfolio van klimaat investeringsfondsen (Climate Investment Funds, CIF) te koppelen, dat eerdere initiatieven van het VK, de VS en Japan bundelt. De voorgestelde portfolio zou bestaan uit drie multi-donor trust funds:

• een clean technology fund ten behoeve van de financiering van schone technologieën in middeninkomenslanden;

• een forest investment fund ten behoeve van bosbeheer;

• een climate resilience pilot program ten behoeve van het klimaatbestendig maken van ontwikkelingslanden die kwetsbaar zijn voor klimaatverandering;

Het SFCC zal voor de Jaarvergadering in 2008 ter goedkeuring aan de gouverneurs worden voorgelegd.

Het Koninkrijk onderschrijft het belang van een samenhangende strategie van de WBG teneinde zo effectief en efficiënt mogelijk bij te dragen aan het afremmen van de uitstoot van broeikasgassen en aan de nodige aanpassingen aan de onvermijdelijke gevolgen van klimaatverandering. Het Koninkrijk kan zich inhoudelijk vinden in de zes pijlers van het nieuwe raamwerk, waarbij voldoende aandacht moet zijn voor zowel mitigatie als adaptatie.

Het Koninkrijk verwelkomt de ontwikkeling van nieuwe en innovatieve financiële instrumenten, mits deze voldoen aan een duidelijke vraag, niet door de markt worden geleverd en toegevoegde waarde hebben ten opzichte van al bestaande instrumenten. Echter, het Koninkrijk signaleert ook risico’s die vooralsnog onvoldoende worden geadresseerd. Zo dreigt er ten eerste een proliferatie te ontstaan van fondsen die qua profiel met elkaar concurreren. Dit leidt zowel in de ontwikkelde als in de ontwikkelingslanden tot verwarring en administratieve drukte. Nog geen twee jaar geleden ontwikkelde de Wereldbank op verzoek van de G8 het Clean Energy Investment Framework, waarin alle pijlers uit dit strategische raamwerk aan bod komen en waaraan ook een financieringsstructuur werd gekoppeld. Onduidelijk is in hoeverre de voorgestelde financiële structuur de oude vervangt en hoe de Global Environmental Facility (GEF),zonodig bijgesteld aan de eisen van deze tijd, een rol zou kunnen vervullen in het verkleinen van het financieringsgat.

Ten tweede heeft het Koninkrijk, in het licht van de dreigende proliferatie, behoefte aan meer inzicht in de samenhang met de VN-instellingen en de andere IFI’s (met name de AfDB, de AsDB en de EBRD). Hoewel wordt verwezen naar samenwerking in de ontwikkeling van een «UN system coordinated approach to climate change», is de praktische invulling van deze samenwerking niet duidelijk. Tevens komen klimaatinitiatieven van de andere IFI’s en eventuele samenwerking daarmee niet aan bod. Het Koninkrijk vindt dat de IFI’s en de VN onderling beter moeten samenwerken en hun klimaatbeleid op elkaar dienen af te stemmen om duplicatie te voorkomen. Op deze manier wordt een efficiënt en effectief internationaal beleid ten aanzien van klimaat en schone energie bevorderd.

Wat betreft de financiering van adaptatie stelt het Koninkrijk zich op het standpunt dat het – volgens het principe «de vervuiler betaalt» – in de rede ligt dat industrielanden bijdragen aan de adaptatiekosten van de arme landen. Naast het principe «de vervuiler betaalt», zijn verantwoordelijkheid en solidariteit daarbij het uitgangspunt.

Meer inzicht is nodig in de verdeling van de hoge bijdragendie een aantal landen heeft toegezegd: hoe wordt het over de verschillende pijlers verdeeld en aan welke landen komt het ten goede.

Het Koninkrijk heeft samen met Denemarken en het VK het initiatief genomen om actief met andere gelijkgezinde donoren te praten over de architectuur van klimaatfinanciering inclusief adaptatie en de hiervoor genoemde zorgen verder te bespreken.


XNoot
1

De nieuwe formule bevat vier variabelen: BBP, openheid, variabiliteit van de exportopbrengsten en reserves met gewichten van respectievelijk 50%, 30%, 15% en 5%. De BBP variabele is voor 60% opgebouwd uit BBP vergelijking tussen landen tegen marktwisselkoersen en voor 40% uit vergelijking volgens koopkrachtpariteit (ook wel Purchasing Power Parity of PPP genoemd). De berekende quotumaandelen worden genivelleerd met een compressiefactor door de uitkomsten uit de boven beschreven formule te verheffen tot de macht 0,95. Landen die volgens deze formule zijn ondervertegenwoordigd krijgen een quotaverhoging, afgezien van vrijwillige onthoudingen. Daarnaast krijgen naar PPP gemeten zwaar ondervertegenwoordigde opkomende economieën een minimale verhoging van 40%. De basisstemmen worden verdrievoudigd.

XNoot
1

Tijdens de Jaarvergadering 2006 ontvingen China, Korea, Mexico en Turkije al een quotaverhoging.

Naar boven