Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201126234 nr. 116

26 234 Vergaderingen Interim Committee en Development Committee

Nr. 116 BRIEF VAN DE MINISTER VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 12 september 2011

Ten behoeve van ons algemeen overleg op woensdag 14 september a.s. zend ik u, mede namens de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, de geannoteerde agenda voor de vergaderingen van het International Monetary and Financial Committee (IMFC) en het Development Committee (DC) van 24 september 2011.

De minister van Financiën,

J. C. de Jager

Geannoteerde agenda voor het algemeen overleg in de Tweede Kamer over de opstelling van het Koninkrijk der Nederlanden tijdens de vergaderingen van het International Monetary and Financial Committee (IMFC) en het Development Committee (DC) op 24 september 2011.

1. Inleiding IMF

2

2. Internationale financieel-economische situatie

2

3. Hervorming van het Internationaal Monetair Systeem

4

4. IMF middelen

6

5. Inleiding Wereldbank

7

6. Uitdagingen

7

7. Rol Wereldbank in internationale hulparchitectuur

8

8. Resultaatgerichtheid

8

9. Financiële capaciteit

9

De jaarvergadering van het IMF en de Wereldbank zal dit jaar op 24 en 25 september plaatsvinden in Washington DC. Onderstaand komen eerst de voor het IMF relevante onderwerpen aan de orde. Daarna wordt ingegaan op de relevante zaken ten aanzien van de Wereldbank.

1. Inleiding IMF

De jaarvergadering staat voor het IMF in het teken van discussies over de internationale financieel-economische situatie en de hervorming van het internationaal monetair systeem, inclusief de rol van de SDR. Daarnaast zal ook aandacht zijn voor het surveillance raamwerk van het IMF tegen de achtergrond van de driejaarlijkse evaluatie die gaande is. Hieronder worden deze onderwerpen en de inzet van het Koninkrijk besproken. Tot slot wordt een overzicht gegeven van de financiële middelen van het IMF en ingegaan op de mogelijkheid voor het IMF om te lenen op de private kapitaalmarkt.

2. Internationale financieel-economische situatie

Economische vooruitzichten

Na een krachtig economisch herstel in 2010, met een mondiale bbp-groei van 5%, wijzen de meest recente ramingen erop dat het herstel in 2011 en 2012 afzwakt. In de update van de World Economic Outlook (juni 2011) wordt een mondiale bbp-groei van 4,3% in 2011 en 4,5% in 2012 voorspeld. De onzekerheid over deze voorspellingen is echter toegenomen, vooral door de toegenomen zorgen over de houdbaarheid van overheidsfinanciën in de eurozone en in andere landen. Het herstel blijft zich kenmerken door grote regionale verschillen, zowel binnen als tussen regio’s. Terwijl de meerderheid van de ontwikkelde landen nog steeds ver beneden hun bbp niveaus van voor de crisis opereert, zitten veel opkomende economieën al op of boven het groeiniveau van voor de crisis. In 2011/2012 zal de verwachte groei in opkomende markten met 6,5% fors boven de voorspelde groei van 2,5% in ontwikkelde landen liggen. Deze verschillen worden mede verklaard door de noodzakelijke balansherstructurering in ontwikkelde landen die het herstel afremmen, terwijl opkomende markten met een inhaalproces bezig zijn.

Naast verschillen in economische groei zijn er bovendien grote regionale verschillen in inflatie. Stijgingen in voedsel- en grondstofprijzen hebben vooral in opkomende economieën geleid tot een hogere inflatie, aangezien een groter deel van hun consumptie hieraan wordt besteed. Daarnaast speelt een opwaartse binnenlandse prijsdruk een rol in het hogere inflatiecijfer. Het IMF voorspelt dat in deze economieën de inflatie in 2011 zal oplopen tot 6,9%, en het daaropvolgende jaar enigszins daalt, mede dankzij de verwachte daling van grondstof- en voedselprijzen.

Houdbaarheid overheidsfinanciën

De schuldenproblematiek in een aantal Europese landen blijft een risico vormen voor het economisch herstel. De zorgen omtrent een «double dip» zijn toegenomen, omdat naast financiële besmetting en impact op financiële instellingen en particulier vermogen de recente marktonrust ook impact kan hebben op de reële economie. Maar niet alleen Europa kampt met schuldproblemen. Ook de schuldhoudbaarheid in de Verenigde Staten en Japan op de middellange termijn vormt een grote uitdaging. In de Verenigde Staten heeft dit, in combinatie met de politieke perikelen rond de verhoging van het schuldenplafond, recent geleid tot een verlaging van de kredietbeoordeling door kredietbeoordelaar Standard & Poor’s (S&P). Door een gebrek aan betere alternatieven zoeken beleggers echter nog steeds toevlucht in Amerikaanse staatsobligaties, waardoor de verlaging van kredietwaardigheid voor de VS vooralsnog niet geleid heeft tot hogere leenrentes. Voor Japan lijkt de economische impact van de aardbeving en daaropvolgende tsunami en nucleaire ramp mee te vallen. Vanwege de reeds hoge overheidsschuld zijn de zorgen over de schuldhoudbaarheid van Japan wel verder toegenomen.

Opkomende markten hebben over het algemeen niet de schuldenproblematiek waar ontwikkelde economieën mee kampen. De schuldniveaus zijn relatief laag en de economische groei is krachtig, waardoor de overheidsfinanciën van de meeste landen houdbaar blijven. Wel is het begrotingsbeleid in veel opkomende landen nog erg ruim, vooral tegen de achtergrond van de snelle economische groei. In deze landen is verdere fiscale consolidatie daarom ook gewenst.

Mondiale (over)liquiditeit

In de aanloop naar de crisis steeg de mondiale liquiditeit1 aanzienlijk. Deze toename in liquiditeit ging gepaard met een sterke kredietgroei en heeft in sterke mate bijgedragen aan het creëren van onevenwichtigheden in het wereldwijde financiële stelsel. Ook na de crisis blijft de wereldwijde liquiditeit ruim en groeit snel verder, aangezien de onderliggende oorzaken van de liquiditeitsgolf nog niet zijn opgelost. Zo zijn de beleidsrentes in ontwikkelde landen nog steeds extreem laag en heeft de Fed aangekondigd de beleidsrente de komende twee jaar onveranderd op een historisch laagtepunt van 0%-0,25% te laten. Dit leidt ertoe dat investeerders risicovollere activa kopen en manieren zoeken om hogere rendementen te kunnen halen. Een groot gedeelte van de mondiale liquiditeit stroomt naar snelgroeiende opkomende economieën zoals Brazilië. Deze landen ondervinden derhalve een sterke kapitaalinstroom, voornamelijk portfolio-investeringen, die het risico op financiële instabiliteit vergroot en de concurrentiekracht kan aantasten door appreciatie van de munt (tot een niveau hoger dan gerechtvaardigd op basis van de onderliggende waarden). Stijgende kapitaalstromen zijn in het verleden gepaard gegaan met sterke toenamen in kredietgroei en activaprijzen. De recente stijgingen van vastgoedprijzen in een aantal snelgroeiende opkomende economieën onderstrepen dit risico. Een toename in kredietgroei kan ook een opwaarts effect hebben op de binnenlandse vraag en voor verdere inflatoire druk zorgen.

De groei- en inflatieverschillen tussen opkomende economieën en ontwikkelde landen markeren niet alleen het economisch herstel, maar brengen ook verschillende beleidsuitdagingen met zich mee.

Beleidsuitdagingen

De belangrijkste beleidsuitdaging voor de VS, Japan en een aantal Europese landen is het op korte termijn afkondigen en doorvoeren van geloofwaardige consolidatieplannen, zodat de houdbaarheid van de overheidsschuld op de middellange termijn gegarandeerd wordt. Voorkomen moet worden dat de onrust over de lange termijn houdbaarheid van de schuld op korte termijn al leidt tot een spiraal van oplopende rentes op de staatschuld. Omdat op de korte termijn het effect van additionele budgettaire consolidatie op de bpp-groei negatief kan zijn, is het belangrijk om de nadruk, waar mogelijk, te leggen op groeivriendelijke consolidatie en groei bevorderende structurele maatregelen.

Wij verwelkomen de constructieve rol van het IMF bij de vormgeving van de programma’s voor EU-landen. Door de strikte beleidsconditionaliteit, derde partij expertise en co-financiering met Europese landen heeft het IMF substantieel bijgedragen aan de aanpak van de crisis. Ook in de toekomst zien wij een nuttige rol voor het IMF.

De opkomende economieën die tekenen van oververhitting vertonen moeten in de eerste plaats hun macro-economisch beleid verkrappen, door budgettair te consolideren en / of beleidsrentes te verhogen zodat er ruimte wordt gecreëerd om toekomstige schokken op te vangen. Daarnaast is het belangrijk dat opkomende landen de risico’s van opbouwende financiële instabiliteit proberen te beperken door hun wisselkoersen te flexibiliseren en macroprudentiële maatregelen2 in te zetten.

3. Hervorming van het Internationaal Monetair Stelsel (IMS)

De sterke toename in mondiale liquiditeit in de aanloop van de crisis had verschillende, deels samenhangende oorzaken, waaronder ruim monetair en begrotingsbeleid in ontwikkelde en opkomende landen, mondiale onevenwichtigheden en ontoereikende regelgeving voor de financiële sector. Om het internationaal monetair stelsel (IMS)3 na de crisis duurzaam te versterken blijft het zaak om deze onderliggende factoren aan te pakken. Zowel in de G20 als in het IMF blijft de discussie over hervorming en versterking van het IMS in 2011/12 dan ook prominent op de agenda staan.

De focus van de discussie in het IMF en de G20 richt zich vooralsnog vooral op het versterken van een wereldwijd financieel vangnet («Global Financial Safety Nets» of GFSN) en uitbreiding van de rol van IMF Special Drawing Rights (SDR). Het Koninkrijk staat open voor beleid en instrumenten die bijdragen aan de stabiliteit en het functioneren van het IMS, maar in de discussie dient meer aandacht te worden gegeven aan preventie en het tegengaan van mondiale overliquiditeit. Dit dient ondermeer te worden bewerkstelligd door pro-actiever en effectiever monitoren van de opbouw van risico’s en beter geïntegreerde bilaterale en multilaterale surveillance door het IMF. Daarnaast steunt het Koninkrijk een grotere rol voor het Fonds op het terrein van kapitaalstromen en de nationale kapitaalrekening van lidstaten. Beter zicht op macro-financiële onevenwichtigheden en de risico’s die hiermee gepaard gaan in surveillance is ook cruciaal.

Surveillance

Om de onderliggende onevenwichtigheden aan te pakken is het belangrijk dat risico’s en kwetsbaarheden tijdig worden geïdentificeerd en gecommuniceerd. Het IMF heeft al belangrijke stappen gezet om het surveillance raamwerk te versterken. De meest recente stap is de eerste publicatie van spillover rapporten van de vijf grootste economieën; Verenigde Staten, China, Japan, eurogebied en het Verenigd Koninkrijk. Het Koninkrijk kijkt uit naar de bespreking van deze rapporten tijdens het IMFC, waarbij zowel inhoudelijk moet worden gesproken over de spillovers die deze rapporten identificeren en welke beleidsmaatregelen dat vergt als over de vraag of deze rapporten de eerder blootgelegde gaten in het surveillance raamwerk afdoende dekken. Deze gaten bevatten onder andere te weinig aandacht voor spillovers en besmettingsgevaar en voor de link tussen de financiële sector en de reële economie. Het gebrek aan een omgeving waarin afwijkende meningen worden gehoord en waar afdelingen binnen het IMF intensief samenwerken werd ook onderstreept.

De net genoemde gaten onderstrepen de noodzaak van een macro-prudentiële benadering en meer interdisciplinaire samenwerking, en buffers om macro-financiële schokken op te vangen. In dit verband is het Koninkrijk voorstander van een expliciete rol voor het IMF op het gebied van het bewaken van mondiale financiële stabiliteit.

Verdere versterking van het surveillance raamwerk is een continu proces. In dit kader ziet het Koninkrijk dan ook uit, in navolging van de analyse van het Independent Evaluation Office, naar de uitkomsten van de driejaarlijkse evaluatie van de effectiviteit van het surveillance raamwerk, die in het najaar verschijnen.

Kapitaalstromen en kapitaalrekening

Het IMF dient zich te richten op het analyseren van kapitaalstromen en het ontwikkelen van richtsnoeren om problemen op dit terrein aan te pakken, onder andere ten aanzien van wisselkoersbeleid en andere kapitaalstroom beïnvloedende maatregelen zoals belastingen op financiële transacties en reserveverplichtingen. Het Koninkrijk acht het van groot belang dat hierop vooruitgang wordt geboekt en ziet een belangrijke toegevoegde waarde voor het IMF op dit terrein. De rol van gedegen macro-economisch en prudentieel beleid en een ontwikkelde, prudente financiële sector moet hierbij niet uit het oog worden verloren. Zij maken landen minder kwetsbaar voor volatiliteit in kapitaalstromen en vormen daarmee onverminderd de belangrijkste eerste beschermingslinie tegen neerwaartse risico’s die samenhangen met vrije kapitaalstromen. Het gebruik van kapitaalrestricties moet als ultimum remedium worden gezien. Wanneer deze worden ingezet, dienen zij gericht en tijdelijk van aard te zijn om negatieve consequenties op andere landen zoveel mogelijk te beperken.

Global Financial Safety Nets (GFSN)

Het Koninkrijk verwelkomt de discussie over GFSN, maar wil zich ervan vergewissen dat eventuele aanpassingen in het IMF leenraamwerk een verbetering behelzen en gericht zijn op een daadwerkelijke behoefte van landen.

Het Koninkrijk vindt dat de sinds de crisis opgetuigde Flexible Credit Line (FCL) en Precautionary Credit Line (PCL) al een duidelijke stap zijn in de richting van een verzekeringsinstrument. Vooruitkijkend achten wij het van belang dat de ervaring met en de effectiviteit van deze instrumenten uitgebreid worden geëvalueerd, alvorens over nieuwe faciliteiten wordt besproken. Hier dient nadrukkelijk aandacht te worden gegeven aan effectiviteit en prijsstelling van de faciliteit, alsmede het waarborgen van een tijdige beëindiging ervan.

Daarnaast wordt er gesproken over de introductie van een mechanisme dat het mogelijk maakt ten tijde van een systeemcrisis de bestaande faciliteiten flexibeler in te zetten om schokken te mitigeren. Het Koninkrijk staat open voor deze discussie mits deze gevoerd wordt op basis van gedegen analyse en in het kader van een herziening van de FCL en PCL. Het is met name belangrijk dat ongewenst gedrag van landen en marktpartijen in anticipatie op het activeren van een vangnet (moral hazard) zoveel mogelijk worden beperkt. In dit verband is het belangrijk dat er gerichte, beleidsrelevante voorwaarden (ex-post conditionaliteit) of effectieve kwalificatiecriteria (ex-ante conditionaliteit) verbonden zijn aan financiële IMF steun. Daarmee beschermen deze voorwaarden de middelen van het Fonds en daarmee de crediteuren (zoals het Koninkrijk).

Special Drawing Rights (SDR)

In IMF en G20 verband vindt thans een discussie plaats over de wenselijkheid en mogelijkheden van een vergroting van de rol van de SDR in het IMS. Daarbij wordt bijvoorbeeld gedacht aan een eventuele uitbreiding van de SDR-allocatie, het creëren van in SDR gedenomineerd schuldpapier en het opnemen van de Chinese Renminbi in het onderliggende valuatamandje. Uitgangspunt van het Koninkrijk is dat de discussie moet worden gericht op het bereiken van een beter functionerend en stabieler internationaal monetair stelsel. De bezwaren tegen de uitbreiding van de huidige rol en allocatie van de SDR omvatten onder andere het onzekere effect van een grotere allocatie op inflatie en de vraag of dit daadwerkelijk tot minder excessieve reserveposities zal leiden. Tevens kan de vraag gesteld worden of het IMS op deze wijze werkelijk minder afhankelijk zou worden van de US dollar en als dat zo is, of een beleidsgestuurde lagere afhankelijkheid van de US dollar vervolgens de stabiliteit zou vergroten. De gevolgen voor de balansen van centrale banken van grotere SDR allocaties en trekkingen moeten ten slotte ook niet worden onderschat.

Het Koninkrijk ziet in principe toegevoegde waarde in het opnemen van de Chinese Renminbi (RMB) in het SDR valutamandje mits het aan een aantal voorwaarden voldoet. De munt moet vrij verhandelbaar zijn om te garanderen dat de SDR bruikbaar als reservemunt blijft. Daarnaast vind het Koninkrijk het belangrijk dat de RMB – en alle kandidaatsvaluta’s – zichzelf eerst bewijst door het opbouwen van een solide track record. Beide voorwaarden geven ook een prikkel aan landen om de handel in en prijsvorming van kandidaat-munten te flexibiliseren.

4. IMF middelen

Het beroep op de financiële middelen van het IMF blijft groot met de programma’s voor Europese landen en de uitstaande Flexible Credit Lines (FCLs) aan Mexico, Polen en Colombia. In maart 2011 hebben de leden de New Arrangements to Borrow (NAB) geactiveerd, in aanvulling op de reguliere quota-middelen. Hieronder is een overzicht van het Nederlandse aandeel in de financiële middelen van het IMF weergegeven.

Totaal

Nederlandse bijdragen

 

SDR mld.

wisselkoers 12 augustus

EURO mld.

quota-middelen (SDR 238 mld)

5,16

5,80

extra quota-middelen na verhoging (naar verwachting in 2012) (SDR 238 mld)

3,57

4,01

Totale NAB/bilaterale lening (SDR 367 mld)

9,04

10,15

PRGT-lening

0,50

0,56

PRGT subsidie

0,0095

0,01

In het Algemeen Overleg ten behoeve van de voorjaarsvergadering 2011 werd verzocht de Tweede Kamer op de hoogte te houden van de discussie over de mogelijkheid voor het IMF om te lenen op de private kapitaalmarkt. Lenen op de kapitaalmarkt om extra middelen te vergaren is echter niet aan de orde. Wel wordt in de discussie over het internationaal monetair systeem geopperd SDR gedenomineerd schuldpapier uit te geven, maar het doel hiervan is het vergroten van de rol van de SDR in het internationaal monetair systeem en niet het uitbreiden van de middelen van het IMF. Zoals bovenstaand aangegeven is het Koninkrijk echter niet overtuigd dat dit substantieel bijdraagt aan een effectiever en stabieler monetair systeem.

5. Inleiding Wereldbank

Tijdens de Voorjaarsvergadering in april 2011 benadrukte het Development Committee (DC) het belang van voedselzekerheid en het terugdringen van de volatiliteit van voedselprijzen. De recente ontwikkelingen in de Hoorn van Afrika laten opnieuw zien dat dit onderwerp blijvende prioriteit behoeft. Het Koninkrijk steunt een actieve rol van de Wereldbank, onder andere, om de productiviteit van boeren en hun toegang tot markten te verbeteren.

De Jaarvergadering zal in het teken staan van gender gelijkheid. Daarnaast zal er worden gesproken over de rol van werkgelegenheid in het ontwikkelingsproces. In het kader van versterking en verbetering van de governance van de Wereldbank zal de Corporate Scorecard op de agenda staan.

In onderstaande paragrafen wordt allereerst een kort overzicht gegeven van het standpunt van het Koninkrijk ten aanzien van gender gelijkheid en werkgelegenheid in het ontwikkelingsproces. Verder wordt ingegaan op de inzet van het Koninkrijk ten aanzien van effectiviteit van de Wereldbank. Tenslotte komt de financiële capaciteit van de Wereldbank kort aan de orde.

6. Uitdagingen

Het DC staat in het teken van gender gelijkheid en ontwikkeling enerzijds en de rol van werkgelegenheid in het ontwikkelingsproces anderzijds. Het Koninkrijk zal het belang van een geïntegreerde benadering van beide onderwerpen benadrukken.

Gender gelijkheid en ontwikkeling

Voor het Koninkrijk betekent gender gelijkheid de volwaardige deelname van mannen en vrouwen in de politieke en bestuurlijke besluitvorming binnen hun maatschappij. Die volwaardige deelname verhoogt de efficiëntie en effectiviteit van beleid en is een voorwaarde voor economische ontwikkeling, democratisering, goed bestuur, vrede, veiligheid en stabiliteit.

Het Koninkrijk verwelkomt het World Development Report (WDR) 2012 on Gender Equality and Development. Publicatie van het WDR komt op een goed moment: in de huidige economisch moeilijke tijden hangt de economische ontwikkeling van landen nog meer af van de inzet van een zo breed mogelijk potentieel van een land. Het Koninkrijk steunt in dat kader de centrale boodschap van het WDR dat gender gelijkheid niet alleen een zelfstandige ontwikkelingsdoelstelling is, maar ook de economische ontwikkeling van een land bevordert. Het is nu van belang dat de Wereldbank de aanbevelingen in het WDR omzet in actie, met name waar het gaat om het grondig analyseren van gender problematiek op landenniveau. Vervolgens moet de Wereldbank de informatie en best practices die daaruit voortvloeien, verzamelen en vastleggen, om meer steun te kunnen gaan geven aan programma’s die op succesvolle wijze gender ongelijkheid verminderen.

Het Koninkrijk is altijd een groot voorstander geweest van de activiteiten van de Wereldbank op het gebied van gender. Er is financiële steun gegeven aan het Gender Action Plan (GAP), dat van 2007–2010 dit thema beter op de kaart heeft gezet. Ervaringen met het GAP hebben tekortkomingen aan het licht gebracht die de Wereldbank nu zou moeten oppakken: voldoende interne kennis en capaciteit om gender te integreren in de vormgeving van Wereldbank activiteiten. Een incentive systeem dat verzekert dat het bevorderen van gender gelijkheid niet alleen bij de aanvang van activiteiten wordt benoemd maar dat resultaten op dit vlak kunnen worden aangetoond. Een verbreding van de discussie over de voordelen van gender gelijkheid naar de ministeries van Economische Zaken en Financiën in de klantlanden.

Werkgelegenheid

In het kader van het World Development Report (WDR) 2013 nodigt de Wereldbank uit tot een discussie over de rol die het creëren van banen moet hebben in het ontwikkelingsproces. De Wereldbank sluit daarmee aan bij recente ontwikkelingen op het wereldtoneel en bij initiatieven van andere relevante internationale organisaties zoals de ILO, de EU en de G20. Economische groei is van groot belang voor landen. Het is echter ook van belang dat de voordelen van groei neerslaan bij de brede bevolking. Werkgelegenheid is hierbij een belangrijk kanaal.

Werk is niet alleen een inkomstenbron, maar ook de basis voor persoonlijke en maatschappelijke zingeving, persoonlijke ontwikkeling, het opdoen van nieuwe vaardigheden en sociale integratie. Sociale integratie – het actief betrekken van individuen en groepen in het economische, sociale en culturele leven van een samenleving – is essentieel voor de interne kracht en stabiliteit van landen. Grootschalige en langdurige werkloosheid vergroten het risico van maatschappelijke onrust en instabiliteit, zoals is aangetoond bij de recente onrust in het Midden-Oosten. Het Koninkrijk ondersteunt derhalve een activerende benadering van sociale zekerheid: «The best form of social security remains a decent job» 4.

Kortom, het Koninkrijk ziet duidelijke relaties tussen werkgelegenheid, economische groei, levensstandaard, productiviteitsverhoging, sociale verandering en sociale cohesie. Welke banen goed zijn voor een samenleving verschilt echter van land tot land. Het werkgelegenheidsvraagstuk is anders in Sub-Sahara Afrika dan in China, en ook weer anders dan in Europese landen of de VS. In elke werkgelegenheidsstrategie zal er daarom ruimte moeten zijn voor maatwerk en pragmatisme. Het Koninkrijk is van mening dat de private sector een centrale rol moet spelen in alle werkgelegenheidsstrategieën. Deze is onmisbaar voor duurzame werkgelegenheidscreatie en economische groei.

7. Rol Wereldbank in internationale hulparchitectuur

De Wereldbank kan als systeemorganisatie voor ontwikkelingssamenwerking worden aangeduid. Door haar omvang, kennis, convening power, brede betrokkenheid en coördinerende rol vormt zij een fundament van de internationale ontwikkelingsinspanning. Het Koninkrijk is daarom van mening dat de Wereldbank een sleutelpositie inneemt in de internationale hulparchitectuur. Op alle beleidsrelevante Nederlandse OS-thema’s speelt de Bank een leidende rol, die in de meeste gevallen ook resulteert in intensieve samenwerking. Die samenwerking is vooral terug te zien bij de thema’s private sector ontwikkeling en voedselzekerheid (met IFC); en klimaat, water en fragiele staten (met IDA).

8. Resultaatgerichtheid

Het Koninkrijk steunt de stappen die de Wereldbank zet om de resultaatgerichtheid van de organisatie en het instrumentarium te verbeteren.

Effectiviteit en efficiëntie van de organisatie

De Wereldbank heeft een jaar geleden een intern hervormingsproces in gang gezet om de effectiviteit van de organisatie en haar operaties te verbeteren. Het Koninkrijk verwelkomt de stappen die inmiddels zijn gezet om te komen tot een geïntegreerd resultatenraamwerk. De Corporate Scorecard die de Wereldbank binnenkort zal introduceren, vormt hiervan een onderdeel. De Corporate Scorecard rapporteert over operationele en organisatorische effectiviteit en de implementatie van interne hervormingen. De Corporate Scorecard is een belangrijke stap naar een strategische dialoog tussen aandeelhouders onderling en met senior management van de Wereldbank. Het moet ook een belangrijk instrument worden voor de Raad van Bewindvoerders en de aandeelhouders om de resultaten van de Bank te monitoren. Het Koninkrijk hecht er belang aan dat de Corporate Scorecard een goede balans hanteert tussen kwantitatieve- en kwalitatieve indicatoren, omdat niet alle doelstellingen in voldoende mate in kwantitatieve maatstaven kunnen worden gevat.

Resultaatgericht leeninstrument

Het Koninkrijk steunt de stappen die de Wereldbank zet om een nieuw leeninstrument te ontwikkelen. Sinds de voorjaarsvergadering heeft een uitgebreide ronde van consultaties van belanghebbenden plaatsgevonden. De verwachting is dat het nieuwe leeninstrument dit najaar wordt geïntroduceerd. Het Koninkrijk beschouwt het nieuwe leeninstrument als een nuttige aanvulling op het bestaande instrumentarium, omdat het zowel management van de Bank als klantlanden verder in staat stelt te sturen op resultaat. Het instrument keert een lening ten behoeve van een bepaald programma pas uit als de vooraf vastgestelde, resultaten zijn bereikt. Een dergelijke benadering is volgens het Koninkrijk in lijn met een aantal doelstellingen van de Paris Declaration en de Accra Agenda for Action: focus op resultaten, versterking van ownership (en daarmee zelfredzaamheid), harmonisatie van internationale hulpstromen en verbetering van accountability dragen bij aan de effectiviteit van hulp. De behoeften van klantlanden spelen daarin een belangrijke rol. Daarnaast zijn «value for money», focus op resultaten en de koppeling tussen financiering en resultaten onderwerpen waar ook het beleid van het Koninkrijk op het gebied van ontwikkelingssamenwerking nadruk op legt.

Het Koninkrijk zal bij de ontwikkeling en implementatie van het instrument inzetten op eerlijke en transparante procedures voor aanbestedingen die voortkomen uit het resultaatgerichte leeninstrument, omdat het Koninkrijk groot belang hecht aan een level playing field voor het bedrijfsleven bij aanbestedingen in ontwikkelingslanden via de Wereldbank.

Resultaatgerichtheid zal in november ook worden besproken in de context van de conferentie in Busan (Zuid-Korea), die geheel gewijd zal zijn aan het vraagstuk van effectiviteit van ontwikkelingssamenwerking.

9. Financiële capaciteit

De gehele Wereldbank Groep heeft in FY11 (1 juli 2010 tot 30 juni 2011) voor USD 57,4 miljard aan giften, leningen en garanties verstrekt aan ontwikkelingslanden. In FY10 werd er nog USD 72,8 miljard verstrekt (zie tabel). De Bank keert volgens afspraak geleidelijk terug richting pre-crisis leenvolumes.

Door Wereldbank groep verstrekte middelen (in miljarden USD)
 

FY11

FY10

Totaal Wereldbank groep

57,4

72,8

IBRD

26,7

44,2

IDA

16,3

14,5

IFC

12,3

12,6

MIGA

2,1

1,5

Dankzij behoedzaam financieel management en de in 2010 overeengekomen kapitaalverhoging voor IBRD (verhoging met USD 86,2 miljard) en IFC (verhoging van USD 200 miljoen) en de middelenaanvulling van IDA-16 (USD 49,3 miljard voor de periode 1 juli 2011 – 30 juni 2014) is de financiële capaciteit van de Wereldbank groep solide en was het mogelijk om leenvolumes tijdens de crisis aanzienlijk te verhogen. De Nederlandse bijdragen hieraan zijn inmiddels budgettair verwerkt middels de eerste suppletoire begroting 2011.


X Noot
1

Mondiale liquiditeit is de hoeveelheid liquide middelen in het mondiale financiële stelsel. Hoewel er een debat over deze definitie en indicatoren is, kan dit onder andere worden gemeten aan de geldhoeveelheid (M2/M3), de hoogte van de kapitaalmarktrente of binnenlandse kredietverlening in de grootste economieën.

X Noot
2

Dit zijn maatregelen ten behoeve van het voorkomen of mitigeren van systeemrisico’s zoals anticyclische kapitaaleisen.

X Noot
3

Het IMS is het systeem van internationale instituties, regels en conventies dat internationale handel, internationale investeringen en kapitaalstromen in het algemeen tussen landen faciliteert.

X Noot
4

Onder een «decent job» verstaat het Koninkrijk: geen slavenarbeid, geen kinderarbeid, recht op vakvereniging, fatsoenlijke beloning, veilige arbeidsomstandigheden en sociale bescherming.