nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING
Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt, omdat het
uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat (artikel 25a, vierde lid,
onderdeel b, van de Wet op de Raad van State).
ALGEMEEN
In de Bankwet 1998 zijn nieuwe bepalingen inzake De Nederlandsche Bank
N.V. (de Bank) vastgesteld in verband met het Verdrag tot oprichting van de
Europese Gemeenschap (EG-Verdrag) en de in dat Verdrag voorziene oprichting
van een Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB). Ingevolge het koninklijk
besluit van 20 april 1998 (Stb. 244) is de wet in werking getreden op 1 juni
1998, de datum waarop overeenkomstig artikel 109L, eerste lid van het EG-Verdrag
het ESCB is opgericht. Daarmee voldoet Nederland aan de in artikel 108 van
het EG-Verdrag neergelegde verplichting om de nationale centrale bankwetgeving
in overeenstemming te brengen met het EG-Verdrag en de ESCB-statuten.
Thans is gebleken dat het wenselijk is de wet op enkele punten aan te
vullen en te verduidelijken. Dat betreft in de eerste plaats de in artikel
19 van de wet neergelegde mogelijkheid omtrent het horen van de president
van de Bank door de Staten-Generaal. Voorts is het wenselijk, gelet op desbetreffende
aanbevelingen van het Europees Monetair Instituut (EMI), de tekst van de wet
op een enkel punt te verduidelijken.1
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
ARTIKEL I
A
Het EMI heeft in het op 25 maart 1998 vastgestelde convergentierapport
met betrekking tot Nederland opgemerkt dat de formulering van artikel 3, eerste
lid, van de Bankwet 1998, een onvolkomenheid bevat die aanpassing behoeft.2 Dat betreft de formulering volgens welke de Bank in het kader van
het EG-Verdrag het monetaire beleid «medebepaalt». Deze redactie
geeft de exacte situatie niet goed weer, aangezien het de president van de
Bank in zijn hoedanigheid van lid van de raad van bestuur van de ESCB is die
het monetaire beleid medebepaalt. Om elk misverstand daarover te vermijden
is thans in de aanhef van artikel 3, eerste lid, tot uitdrukking gebracht
dat de Bank in de hoedanigheid van1
nationale centrale bank «bijdraagt» aan de uitvoering van
de taken die overeenkomstig artikel 105, tweede lid, van het EG-Verdrag en
artikel 3.1 van de ESCB-statuten aan het ESCB zijn opgedragen. In artikel
3, eerste lid, onderdeel a, is de tekst van die artikelen gevolgd.
B
In samenhang met de in onderdeel A aangebrachte wijziging, is aan artikel
12 een lid toegevoegd waarin tot uitdrukking is gebracht dat de directie van
de Bank op gepaste wijze rekening dient te houden met de participatie van
de president van de Bank in de Raad van bestuur alsmede in de Algemene Raad
van de Europese Centrale Bank (ECB).
C
Een goede informatievoorziening omtrent het Europees monetair beleid aan
de Staten-Generaal is van groot belang. Voor het – onafhankelijk –
functioneren van dat beleid zijn vertrouwen en draagvlak in de deelnemende
lid-staten onontbeerlijk.
De informatievoorziening krijgt onder meer gestalte door middel van de
jaarverslagen van de ECB en de Bank, het regulier overleg tussen de Minister
van Financiën en de beide Kamers der Staten-Generaal en de mogelijkheid
voor beide Kamers de Minister van Financiën om informatie te verzoeken.
In aanvulling daarop is als gevolg van het amendement Hoogervorst c.s. (Kamerstukken
II 1997/98, 25 719, nr. 8) in de Bankwet 1998 bepaald dat de president
van de Bank ook zelf gehoord kan worden door de bevoegde commissies van de
Tweede Kamer der Staten-Generaal. Hierdoor wordt bijgedragen aan mogelijkheden
tot informatievoorziening omtrent het Europees monetair beleid aan de Staten-Generaal.
Tijdens de behandeling van het voorstel voor de Bankwet 1998 in de Eerste
Kamer heeft de Vaste Commissie voor Financiën van de Eerste Kamer aangegeven
het wenselijk te achten dat een vergelijkbaar recht ook voor de Eerste Kamer
in de wet wordt vastgelegd (Kamerstukken I 1997/98, 25 719, nr. 255b).
Een analoge regeling voor de Eerste Kamer ligt alleszins in de rede, gelet
op het belang en de aard van de materie. In de nota naar aanleiding van het
verslag is daarom de bereidheid uitgesproken om het horen van de president
van de Bank door de bevoegde commissies van de Eerste Kamer te bevorderen
(Kamerstukken I 1997/98, 25 719, nr. 255c). Hieraan wordt invulling gegeven
met het voorliggende voorstel van wet.
Aangezien het aanwijzingsrecht van de Minister is vervallen en er geen
ministeriële verantwoordelijkheid inzake het monetaire beleid meer bestaat,
ligt het in de rede dat beide Kamers van de Staten-Generaal de mogelijkheid
krijgen de president te horen. Nu de Tweede Kamer zich bij amendement het
recht de president te horen heeft toegekend, is er geen reden de Eerste Kamer
eenzelfde recht te onthouden. Naar mag worden aangenomen zal de Eerste Kamer
slechts in zeer uitzonderlijke gevallen van dit recht gebruik maken, aangezien
het politieke primaat bij de Tweede Kamer berust. Overigens onderkent de Eerste
Kamer dit reeds zelf in het verslag van de schriftelijke voorbereiding (Kamerstukken
I 1997/98, 25 719, nr. 255b).
Met betrekking tot de formulering is, ten opzichte van het amendement
Hoogervorst c.s. waaruit artikel 19 is ontstaan, een tweetal wijzigingen aangebracht.
Allereerst wordt het aan de Kamers zelf overgelaten op welke wijze zij de
president zullen horen (bijvoorbeeld door de Vaste Commissie voor Financiën).
Daarnaast is de bepaling dat de president op eigen initiatief kan worden gehoord
komen te vervallen, omdat het initiatief hiertoe bij de volksvertegenwoordiging
berust. Overigens staat het de president vrij aan de Kamers te
laten weten dat hij aanleiding ziet gehoord te worden, opdat één
der Kamers hem hiertoe kan uitnodigen.
D
Met deze wijziging wordt de nummering van hoofdstukken in de wet gecorrigeerd.
De Minister van Financiën,
G. Zalm