Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1998-1999 | 26200-XI nr. 3 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1998-1999 | 26200-XI nr. 3 |
| blz. | ||
| Bijlage 1 | Het overzicht inzake personeelsgegevens | 2 |
| Bijlage 2 | De wetgevingsbijlage | 3 |
| Bijlage 3 | Het overzicht van door de Staten-Generaal aanvaarde moties en door bewindslieden gedane toezeggingen | 5 |
| Bijlage 4 | De bijlage overzicht circulaires | 18 |
| Bijlage 5 | De bijlage inzake verzoekschriften Nationale Ombudsman | 20 |
| Bijlage 6 | De beleidsevaluatiebijlage (incl. subsidiebijlage) | 21 |
| Bijlage 7 | De bijlage inzake economische/functionele classificaties | 40 |
| Bijlage 8 | De bijlage inzake voorlichting | 43 |
| Bijlage 9 | De convenantenbijlage | 48 |
| Bijlage 10 | Overzicht prijsklassen en inkomensgroepen binnen het volkshuisvestingsbeleid | 49 |
| Bijlage 11 | Stadsvernieuwingsrapportage 1998 | 50 |
| Bijlage 12 | Publieke dienstverlening | 58 |
| Bijlage 13 | Het Kadaster / ZBO's | 61 |
| Bijlage 14 | Coördinatie Geo-informatie | 69 |
| Bijlage 15 | Grondslagen artikel(onderdel)en en overige achtergrondinformatie | 72 |
| A. Uitgaven en verplichtingen | 72 | |
| B. Ontvangsten | 99 | |
| Bijlage 16 | De conversietabel uitgaven en ontvangsten en de economische en functionele classificaties per artikel(onderdeel) | 103 |
| Bijlage 17 | VROM-raad: werkprogramma 1999 | 106 |
| Bijlage 18 | Werkprogramma Wadden-Adviesraad | 113 |
| Bijlage 19 | Actieplan schonere, stillere en zuiniger wegvoertuigen | 114 |
| Bijlage 20 | Handhaving en toezicht | 120 |
| Bijlage 21 | De decentralisatiebijlage | 126 |
| Bijlage 22 | Artikelsgewijze Toelichting Rijksgebouwendienst 1998 | 131 |
| Bijlage 23 | Afkortingen | 142 |
| Bijlage 24 | Trefwoordenregister | 148 |
De aantallen voor de periode 1998 t/m 2003 betreffen de verwachte gemiddelde bezetting voor het desbetreffende jaar. Voor de totstandkoming van deze aantallen wordt verwezen naar hetgeen is opgenomen in paragraaf 7.10 «Invulling doelmatigheidstaakstelling» van het Algemeen deel van de Memorie van Toelichting, alsmede naar de artikelen «Personeel en materieel», artikel 01.13 «VROM-raad» en de toelichting bij het agentschap Rijksgebouwendienst.
Overzicht A: Samenvattend overzicht personeelssterkte
| Organisatie-eenheid | Werkelijkebezetting | Personeelsomvang | |||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 30-6-1998 | 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | |
| Ministerie | |||||||
| Centrale directies | 540,3 | 541,0 | 514,5 | 490,2 | 478,2 | 476,2 | 476,2 |
| Gemeenschappelijke diensten | 181,8 | 181,9 | 177,9 | 176,3 | 176,3 | 176,3 | 176,3 |
| VROM-raad | 23,4 | 19,8 | 19,5 | 19,8 | 19,8 | 19,8 | 19,8 |
| Directoraat-Generaal van de Volkshuisvesting | 1 121,4 | 1 158,6 | 1 113,6 | 1 117,4 | 1 113,5 | 1 113 ,5 | 1 113,5 |
| Rijksplanologische Dienst | 273,6 | 283,0 | 288,8 | 294,0 | 294,0 | 294,0 | 294,0 |
| Directoraat-Generaal Milieubeheer | 953,4 | 1 005,0 | 960,8 | 979,0 | 979,0 | 979,0 | 979,0 |
| Onverdeeld | 1,4 | 15,0 | 16,0 | 18.0 | 18,0 | ||
| Totaal | 3 093,9 | 3 189,3 | 3 076,5 | 3 091,7 | 3 076,8 | 3 076,8 | 3 076,8 |
Overzicht B: Samenvattend overzicht personeelssterkte van de agentschappen ressorterend onder het ministerie
| Werkelijkebezetting | Personeelsomvang | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 30-6-1998 | 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | |
| Agentschap Rijksgebouwendienst | |||||||
| Totaal | 888,4 | 900 | 915 | 915 | 915 | 915 | 915 |
A. TOT STAND GEKOMEN WETGEVING (PERIODE 1-6-1997 TOT 1-6-1998)
| Citeertitel | Kamerstuk nummer | Staatsblad jaar, nr. | Inwerkingtreding |
|---|---|---|---|
| Wijziging Wet Stads- en dorpsvernieuwing | 25 044 | 1997, 226 | |
| Wijziging Wet milieubeheer: aanvulling Wet milieubeheer en Wet bodembescherming (nazorg stortplaatsen) | 24 321 | 1997, 532 | |
| Wijziging Wet milieubeheer: wijziging hoofdstuk 8 + 10 | 24 875 | 1997, 533 | |
| Wijziging Wet balansverkorting geldelijke steun volkshuisvesting (aanvullende bijdrage) | 24 514 | 1998, 45 | |
| Wijziging van de Woningwet: tegengaan bouwen op verontreinigde grond | 24 809 | 1998, 132 | |
| Wet bescherming Antarctica | 25 211 | 1998, 220 | |
| Wijziging Wet milieubeheer en Wet inzake luchtverontreiniging | 25 686 | 1998, 221 | |
| Wijziging Wet balansverkorting geldelijke steun volkshuisvesting (minimale huursomstijging) | 25 841 | 1998, 231 | |
| Wijziging van de Woningwet: aanschrijving en energiebesparende voorzieningen | 24 820 | 1998, 232 | |
| Wijziging Huursubsidiewet | 25 817 | 1998, 289 |
B. BIJ DE STATEN-GENERAAL AANHANGIGE WETSVOORSTELLEN
| Wetsvoorstel | Kamerstuk nummer | Op 1-6-1998 gevorderd t/m | Verwachting omtrent eerstvolgende fase | Inwerkingtreding |
|---|---|---|---|---|
| Experimentenwet stad en milieu | 25 848 | Nota n.a.v. verslag TK 06-04-98 | Mondelinge behandeling TK juni 98 | |
| Wijziging Wet geluidhinder: technische wijzigingen en afronding sanerings operatie | 25 905 | Verslag TK 16-04-98 | Nota n.a.v. verslag | |
| Wijziging Huisvestingswet (ruimtelijk beleid) | 25 334 | Mondelinge behandeling TK 14-04-98 | Voorlopig verslag EK | |
| Wijziging Huisvestingswet (woonwagens en -schepen) | 25 333 | Voorlopig verslag EK 26-05-98 | Mondelinge behandeling EK juni 98 | |
| Herziening Wet op de Ruimtelijke Ordening | 25 311 | Nota n.a.v. verslag 18-03-98 | Mondelinge behandeling TK sept 98 | |
| Wijziging van de Huurprijzenwet woonruimte (creëren van een aparte onderhoudsprocedure) | 25 445 | Voorlopig verslag EK 03-04-98 | Memorie van antwoord EK juni 98 | |
| Wet milieubeheer: wijziging bepalingen inzake internationale zaken | 25 991 | Indiening bij TK 10-04-98 | Verslag TK juni 98 | |
| Wet milieubeheer, Wet rampen en zware ongevallen en Arbeidsomstandighedenwet | 25 972 | Indiening bij TK 07-04-98 | Verslag TK juli 98 | |
| Wijziging van de Woningwet: milieugrondslag Bouwbesluit | 25 823 | Nota n.a.v. verslag 31-03-98 | Mondelinge behandeling TK juni 98 | |
| Wijziging van de Woningwet: vergunningvrije bouwwerken in beschermde stads- en dorpsgezichten | 24 607 | Verslag TK 08-05-96 | Mondelinge behandeling TK juni 98 |
C. IN VOORBEREIDING ZIJNDE WETSVOORSTELLEN
| Wetsvoorstel inzake | Op 1-6-1998 gevorderd t/m | Verwachting omtrent eerstvolgende fase | Inwerkingtreding |
|---|---|---|---|
| Wet explosieven voor civiel gebruik | Interdepartementaal overleg | Behandeling in MR | |
| Wijziging Wet geluidhinder i.v.m. wijziging van de Tracéwet | Voordracht aan H.M. de Koningin 07-05-98 | Advies RvSt | |
| Wijziging Huurprijzenwet woonruimte verlenging huurliberalisatiebeperkingen | Interdep. overleg | Behandeling in MR juli 98 | |
| Integrale herziening huurwetgeving | Advies RvSt 16-03-98 | Indiening bij TK juni 98 | |
| Novelle Huisvestingswet (ruimtelijk beleid) | Interdepartementaal overleg | Behandeling in MR aug. 98 | |
| Wijziging Wet hygiëne en veiligheid zwemgelegenheden | Wetsvoorstel in voorbereiding | Aanbieding aan MR juni 98 | |
| Wijziging Interimwet ammoniak en veehouderij (reparatie) | Advies RvSt 15-05-98 | Indiening bij TK juli 98 | |
| Wijziging Interimwet ammoniak en veehouderij (verlenging; einde legalisering) | Interdepartementaal overleg | Behandeling in MR okt 98 | |
| Wijziging Interimwet ammoniak en veehouderij (experimentenregeling) | Interdepartementaal overleg | Voordracht aan H.M. de Koningin sept 98 | |
| Wet investeringen stedelijke vernieuwing | Interdepartementaal overleg | Behandeling in MR najaar 1998 | |
| Wet milieubeheer (aanpassing aan wijziging EG richtlijn m.e.r.) | Advies RvSt 16-03-98 | Indiening bij TK sept 98 | |
| Wijziging Wet milieubeheer en Wet economische delicten (milieutoezicht door de politie; handhaafbaarheid voorlopige voorziening) | Advies RvSt 17-09-97 | Indiening bij TK najaar 98 | |
| Wijziging Wet milieubeheer (milieu-audit) | Interdepartementaal overleg | Behandeling in MR najaar 98 | |
| Wijziging Wet milieubeheer (toekomstige afvalverwijderingsstructuur) | Brief aan TK n.a.v. rapport Cie-Epema 03-12-96 | Behandeling in MR aug./sept. 98 | |
| Wijziging Wet milieubeheer (meldingenregeling) | Voordracht aan H.M. de Koningin 31-03-98 | Indiening bij TK Najaar 98 | |
| Wijziging Wet milieubeheer, Wet milieugevaarlijke stoffen, Wet bodembescherming (verbetering handhavingsbevoegdheden) | Advies RvSt 24-04-98 | Indiening bij TK okt. 98 | |
| Wijziging Wet milieubeheer (retributies kennisgevingen) | Advies RvSt 16-04-98 | Indiening bij TK sept. 98 | |
| Wet rechtskracht diverse planologische kernbeslissingen | Advies RvSt 24-04-98 | Indiening bij TK sept 98 | |
| Wet Registratie van publiekrechtelijke beperkingen onroerend goed | Interdepartementaal overleg | Behandeling in MR eind 98 | |
| Wijziging Wet op de Ruimtelijke Ordening (grondexploitatieheffingen) | Wetsvoorstel in voorbereiding | Interdepartementaal overleg | |
| Herziening Waterleidingwet | Algemeen overleg in TK 16-04-98 | Interdepartementaal overleg | |
| Wijziging Waterleidingwet (aanpassing aan EU-richtlijn drinkwater) | Wetsvoorstel in voorbereiding | Interdepartementaal overleg | |
| Wijziging Woningwet (toezicht) | Voordracht aan H.M. de Koningin 19-12-97 | Advies RvSt juni 98 |
OVERZICHT MOTIES EN TOEZEGGINGEN MILIEUBEHEER
| Omschrijving van de Motie | Vindplaats | Stand van zaken |
|---|---|---|
| Augusteijn-Esser en Dijksma | ||
| Verzoeken naast de implementatie van de EU richtlijn op zo kort mogelijke termijn te komen tot het afsluiten van een nieuw verpakkingsconvenant met het bedrijfsleven. | Kamerstukken II, 1995–1996, 23 562, nr. 10 | Op 15.01.1998 is het ondertekende convenant verpakkingen II aan de Kamer gezonden (brief kenmerk MBA 97 587 815), hiermee is aan deze motie voldaan. |
| Dijksma c.s. | ||
| Wensen dat alle relevante beleidsmaatregelen nader vorm dienen te krijgen binnen de kaders die het rapport van de tijdelijke cie. Klimaatverandering schetst, waarbij het voorzorgsbeginsel als leidraad geldt. | Kamerstukken II 1996–1997, 24 695, nr. 7 | De Kamer is per brief d.d. 17.10 1998 over de inzet en verwachtingen t.a.v. Kyoto geïnformeerd; zie Kamerstukken II 1997–1998, 24 785 nr. 4 en na Kyoto heeft de Kamer het delegatieverslag van het Protocol dat aldaar is vastgesteld ontvangen met brief MBL 98 012 985 d.d. 23.02 1998. |
| Augusteijn-Esser c.s. | ||
| Inzake het in het Beleidsplan Drink- en Industriewatervoorziening genoemde besparingspercentage dat voor huishoudens en kleinzakelijke sector is gesteld op 10% in 2000 en 20% in 2020, verzoeken zij deze doelstelling opnieuw te bezien en i.o.m. Vewin de Kamer voorstellen te doen tot aanscherping. | Kamerstukken II 1996–1997, 23 168, nr. 7 | Het waterbesparingsbeleid, zoals vastgelegd in het BDIV, komt in een nieuwe fase waarbij het zal worden geïntegreerd in een te ontwikkelen beleid gericht op duurzaam stedelijk watergebruik en -beheer: «water in de stad». De Kamer zal hierover, eind 1998, in een aparte brief worden geïnformeerd, waarbij tevens wordt ingegaan op de toegezegde evaluatie van het waterbesparingsbeleid. |
| Rosenmöller | ||
| Gezien in de Vervolgnota klimaatverandering wordt gekozen voor 1 a 2 procent CO2 emissiereductie per jaar als inzet in internationale onderhandelingen, verzoekt hij een jaarlijkse emissiereductie van 2% als inzet te kiezen. | Kamerstukken II 1996–1997, 24 695/24 785 nr. 9 | Zie motie Dijksma c.s. kamerstukken II 1996–1997, 24 695 nr. 7 |
| Rosenmöller | ||
| Is van mening dat het internationale klimaatbeleid ook na 2000 gericht dient te blijven op emissiereductie en een stijging van de nationale CO2-emissie uitgesloten moet worden ook in het geval andere landen hun doelstellingen niet of onvoldoende realiseren. | Kamerstukken II 1996–1997, 24 695/24 785 nr. 10 | In Kyoto is afgesproken dat de EU in de zgn. Budgetperiode van 2008–2012 haar broeikasgasemissies met 8% moet verminderen t.o.v. 1990. Naar verwachting wordt tijdens de Milieuraad van juni 1998 afgesproken hoe deze last over de lidstaten wordt verdeeld. Over de Nederlandse inzet voor deze onderhandelingen heeft de Kamer twee brieven toegestuurd gekregen (MBL 98 051 773 d.d. 04.06.1998 en MBL 98055788 d.d. 15.06.1998. (Zie ook motie Dijksma c.s. kamerstukken II 1996–1997, 24 695 nr. 7) |
| Stellingwerf | ||
| Verzoekt de regering op korte termijn een samenhangend pakket maatregelen vast te stellen waarmee de 3% reductie, zoals beoogd voor 2000, kan worden bereikt. | Kamerstukken II 1996–1997, 24 695/24 785, nr. 15 | Vooruitlopend op de uitkomst van de discussie in de EU over de lastenverdeling en de invulling van het Nederlandse beleid om de Nederlandse bijdrage te realiseren, is in het NMP3 aangegeven welke maatregelen in ieder geval in de komende planperiode zullen worden genoemd. Na besluitvorming in de EU en de vierde conferentie van de partijen bij het Klimaatverdrag zal begin 1999 de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid verschijnen, waarin wordt aangegeven hoe – in termen van instrumenten en maatregelen – de Nederlandse reductiedoelstelling kan worden gerealiseerd. (Zie ook motie Rosenmöller Kamerstukken II 1996–1997, 24 695,/24 795 nr. 10). |
| Schutte | ||
| Omdat er diverse maatregelen zijn en worden getroffen om de nationale CO2-emissiereductiedoelstelling voor het jaar 2000 en daarna te bereiken, wordt verzocht om uiterlijk bij de indiening van de ontwerp-begroting 1998 inzicht te geven in de alsdan bereikte en geraamde effecten, zo nodig vergezeld van aanvullende maatregelen om de doelstellingen te bereiken. | Kamerstukken II 1996–1997, 24 695/24 785, nr. 17 | Zie motie Stellingwerf Kamerstukken II 1996–1997, 24 695/24 785 nr. 15. |
| Jorritsma -Van Oosten en Dijksma | ||
| Omdat zij van mening zijn dat het terugdringen van de CO2-emissie een bij uitstek internationale aangelegenheid is en dat de rol van Nederland een leidende en geen volgende moet zijn, verzoeken zij de regering zich tot het uiterste in te spannen in Europees verband, niet alleen een stabilisatie van de CO2-emissie in 2000 te bereiken, maar een vermindering met 1 a 2%. Zij dringen er dan ook op aan om, indien andere EU-landen onverhoopt kiezen voor een politiek van «ieder voor zich», de eigen doelstellingen van minimale stabilisatie niet los te laten. | Kamerstukken II 1996–1997, 24 695/24 785, nr. 18 | Zie motie Stellingwerf Kamerstukken II 1996–1997, 24 695,/24 785 nr. 15. |
| Dijksma en Jorritsma-Van Oosten | ||
| Gezien beleidsverkenningen worden voorbereid over de wijze waarop de CO2-reductie van 1 a 2% per jaar na 2000 kan worden ingevuld, verzoeken zij de onderdelen daarvan, die zonder concurrentienadelen kunnen worden uitgevoerd, ter besluitvorming voor Prinsjesdag 1997 aan de Kamer voor te leggen. | Kamerstukken II 1996–1997, 24 695/24 785 nr. 25 (was nr. 23) | Zie motie Stellingwerf Kamerstukken II 1996–1997, 24 695/24 785, nr. 15.. |
| Klein Molekamp c.s. | ||
| Verzoeken om een plan om de uitvoering van de Wet milieubeheer zodanig vorm te geven, o.a. door de uitvoerders van de wet meer en beter gebruik te laten maken van moderne vormen van informatieverwerking, opdat de administratieve lasten die voortvloeien uit de Wet milieubeheer zoveel mogelijk beperkt kunnen worden. | Kamerstukken II 1996–1997, 25 000 XI nr. 27 Handelingen II 1996–1997, nr. 8 | De Vaste Kamer Cie. VROM is bij brief van 7 mei 1997 over de stand van zaken geïnformeerd. In overleg met het Ministerie van BiZa zal met de andere overheden worden bezien welke mogelijkheden er zijn om gebruik te maken van de modernste vormen van informatieverwerking. De Kamer is bij brief d.d. 29.05.98 van de Staatssecretaris van EZ en de Minister van VROM op de hoogte gesteld dat er binnenkort apart op het in deze motie gestelde zal worden ingegaan. |
| Augusteijn-Esser c.s. | ||
| Verzoeken een notitie aan de Kamer te zenden waarin aangegeven wordt op welke wijze een adequate aanpak van de vermindering van de NOx-uitstoot kan worden bereikt en wel zodanig dat de doelstelling uit het NMP in zicht komt. | Kamerstukken II 1996–1997, 25 000 nr. 31 Handelingen II 1996–1997, nr. 8 | Deze notitie zal de Kamer zo spoedig mogelijk bereiken. |
| Schuurman c.s. | ||
| Verzoeken onderzoek te doen naar een adequaat toetsingskader, welk kader een verantwoorde introductie van genetisch gemodificeerde planten in het milieu waarborgt. | Handelingen I 1996–1997, nr. 21, blz. 998 Kamerstukken I 25 000 XI nr. 126b | Met brief d.d. 23 maart 1998 kenmerk DGM/SVS/98 007 816 is deze motie gestand gedaan. |
| Poppe | ||
| Verzoekt om maatregelen waardoor de opslag van verschillende categorieën gevaarlijke stoffen bij op- en overslagbedrijven uitsluitend kan plaatsvinden in afzonderlijke ruimten, die voorzien zijn van op de aard van de stoffen afgestemde veiligheidsvoorzieningen. | Kamerstukken II 1996–1997, 25 000 XI, nr. 36 | Met bevoegd gezag en bedrijfsleven wordt overleg gevoerd over de mogelijkheden voor uitvoering. Daarnaast wordt onderzoek gedaan naar effecten op het risico van de in de motie voorgestelde maatregel. Zowel overleg als onderzoek zijn nog niet afgerond. Over de resultaten hiervan zal de Kamer naar verwachting eind 1998 geïnformeerde kunnen worden i.v.m. de wens om tegelijk ook informatie te verschaffen over nieuwe inzichten m.b.t. de aan te houden afstanden tussen betrokken opslagen en kwetsbare bestemmingen. |
| Van Dijke | ||
| De Nederlandse inspanningen in derde landen (waaronder Oost-Europa) die tot doel hebben de CO2-uitstoot terug te dringen, mogen niet in mindering worden gebracht op de vastgestelde nationale doelstelling (3% in 2000). | Kamerstukken II 1996–1997, 25 000 nr. 22 | Zie moties Rosenmöller en Stellingwerf; kamerstukken II 1996–1997, 24 695/24 785 nrs. 10 en 15. |
| Verspaget c.s. | ||
| Verzoeken om bij de totstandkoming van het Bossenverdrag in te zetten voor en maximaal mogelijk behoud van de wereldbossen; tenminste 10% van het huidige areaal in een netwerk van beschermde gebieden, gekoppeld aan een duurzaam beheer van de rest van het areaal. | Kamerstukken II 1996–1997, 25 000 XI, nr. 41 (was nr. 22) | Bij brief van de Minister van OS, mede namens de Minister van VROM, d.d. 22.10 1997, kenmerk 97/JS/1636 is aan deze motie voldaan. |
| Noorman-den Uyl c.s. | ||
| Verzoeken om een nadere inventarisatie van kostenveroorzaking door rijksbeleid bij afvalverwerking, daar zij van mening zijn dat de lokale lastendruk en daarmee het gemeentelijk effect op de koopkracht verlicht kan worden door het verlagen van de lokale lasten met de kosten van de eindverwerking van afval en afvalwater. | Kamerstukken II 1996–1997, 25 011, nr. 3 | Bij brief van 21.11 1997 (Kamerstukken II 1997–1998, 25 011, nr. 17) is aan deze motie voldaan. |
| Lansink c.s. | ||
| V.w.b. het klimaatvraagstuk verzoeken zij om via het beleid met instrumenten de Nederlandse Taakstelling tenminste te handhaven op 10% CO2-reductie in 2010 t.o.v. 1990 en te bewerkstelligen dat de Europese lidstaten vasthouden aan de overeengekomen taakstelling van tenminste 15% t.o.v. 1990. | Kamerstukken II 1997–1998, 25 600XI, nr. 18 | Zie moties Dijksma c.s. en Rosenmöller kamerstukken II 1996–1997, 24 695 nrs, 7, 9 en 10. |
| Lansink | ||
| Inzake hergebruik van uit afval winbare grondstoffen verzoeken zij om op korte termijn te onderzoeken op welke wijze een wijziging van het afvalbegrip kan worden bewerkstelligd. | Kamerstukken II 1997–1998, 25 600XI, nr. 20 | De huidige Europese regelgeving geeft geen ruimte tot wijziging van het afvalbegrip; uitspraak Europese Hof in de Tombesi-zaak. Er wordt nu in OESO kader gewerkt aan een nadere afbakening van het begrip afvalstoffen. De Kamer zal worden geïnformeerd indien er een overeenstemming wordt bereikt. |
| Klein Molekamp c.s. | ||
| Verzoeken om een studie te verrichten om te komen tot een systeem van verhandelbare afvalrechten, waarbij aangegeven wordt op welke wijze concreet invulling kan worden gegeven aan een dergelijk systeem, rekening houdend met de voor- en nadelen. | Kamerstukken II 1997–1998, 25 600XI, nr. 25 | De uitvoering van deze motie maakt onderdeel uit van het voornemen tot het opnieuw structureren van de stortsector. Een daartoe op te zetten plan is naar verwachting eind 1998 gereed. |
| Augusteijn-Esser c.s. | ||
| Verzoeken de onderhandelingen over verkoop VAM-aandelen op te schorten en eerst overleg te plegen met de STIVAM-partners over de meest gewenste constructie en de Kamer de resultaten te melden. | Kamerstukken II 1997–1998, 25 600 XI, nr. 27 | De Minister van LNV heeft de Kamer bij brief van 16.04.98 kenm.FEZ98/695 over deze kwestie ingelicht en daarmee aan de motie voldaan. |
| Crone c.s. | ||
| Zijn van mening dat het systeem van benchmarking de Nederlandse verplichtingen in internationaal verband niet mag aantasten. | Kamerstukken II 1997–1998, 25 405, nr. 4 | Het systeem van benchmarking is nog in ontwikkeling. De BM-overeenkomst zal niet kunnen leiden tot inperking overheidshandelen in internationaal verband. |
| Klein Molekamp c.s. | ||
| Verzoeken om binnen een half jaar met een knelpuntenanalyse te komen inzake hergebruiksactiviteiten (grondstoffen) en daarin tevens aan te geven hoe deze knelpunten opgeheven kunnen worden. | Kamerstukken II 1997–1998, 25 405, nr. 7 | Najaar 1998 zal een onderzoek m.b.t. deze problematiek zijn afgerond, waarna de Kamer geïnformeerd zal worden. |
| Augusteijn-Esser c.s. | ||
| Verzoeken om op korte termijn drie voorbeeldprojecten in de voorlichtingssfeer te starten gericht op de consument op het gebied van energiebesparing, milieuvriendelijke producten en alternatieve vervoerswijzen. | Kamerstukken II 1997–1998, 25 405, nr. 8 | Er is een voorbeeldproject m.b.t. energiebesparing en milieuvriendelijke producten in voorbereiding. De Kamer zal hierover zo spoedig mogelijk worden geïnformeerd. |
| Augusteijn-Esser en Feenstra | ||
| De Nota Milieu en Economie richt zich duidelijk op gedragsverandering bij burgers en bedrijven en niet tot het onderwijs. Verzocht wordt dan ook om het onderwijs nauw bij deze omslag te betrekken en daartoe in samenwerking met het Ministerie van Onderwijs initiatieven te ontwikkelen. | Kamerstukken II 1997–1998, 25 405, nr. 10 | Overleg met Onderwijs hierover is gaande. |
| Crone c.s. | ||
| Verzoeken een kader op te stellen om milieudoelstellingen en de verantwoordelijkheden voor het realiseren daarvan te verdelen over de verschillende ministeries. | Kamerstukken II 1997–1998, 25 887, nr. 13 | De Kamer zal hierover medio 1999 een notitie ontvangen. |
B. Overzicht van de toezeggingen Milieubeheer
| Omschrijving van toezegging | Vindplaats | Stand van zaken |
|---|---|---|
| Bodemsanering | ||
| De Kamer zal te zijner tijd worden geïnformeerd over mogelijkheden tot verdere decentralisatie van de bodemsanering | Handelingen II, 1994–1995, AO 7–2-95 | Deze toezegging is gestand gedaan met brief d.d. 19.06 1997, kamerstukken II 1996/1997, 25 411 nr. 1. |
| Scheepsafvalstoffen | ||
| De Minister zal aan de Kamer mededelen of er een overheidsbedrijf moet komen voor scheepsafvalstoffen, wellicht te verbreden naar alle «kwetsbare» afvalstoffen. | Handelingen II, 1994–1995, AO 1 juni 1995 | Uitvoering hieraan wordt gegeven in het Meerjarenplan gevaarlijke afvalstoffen, dat de Kamer met brief d.d. 13.08 1997, kenmerk MBA 97 112 728 is toegezonden, waarmee aan deze toezegging is voldaan. |
| Drink- en Industriewater | ||
| Er zal i.o.m. de Ministers van V&W, EZ en LNV een notitie naar de Kamer gaan waarin o.m. wordt ingegaan op de voorbereiding van de Waterleidingwet. | Kamerstukken II 1995–1996, 23 168, nr. 11 A.O.17-06-1996 | De notitie is 2 februari 1998 aan de Kamer gezonden (zie Kamerstuk 25 869, nr. 1), waarmee aan deze toezegging is voldaan. |
| Klimaatverandering | ||
| M.b.t. de moties 24 695/24 785 nrs. 15, 17 en 25 (was 23) zal de Kamer uiterlijkin november 1997 een integrale rapportage krijgen waarin ingegaan wordt op: de vooruitzichten m.b.t. reductiedoelstelling v.3%; de effecten v.h. beleid opgenomen in NMP2 en derde Energienota en van het extra beleid (septemberbrief) en die v.d. regulerende energiebelasting. De geraamde opbrengst v.d. extra 750 mln.; de eerste fase v.d. verkenningen (Klimaatnota) die onze nationale en internationale inzet na 2000 schetsen; onderhandelingen in Kyoto en basis voor NMP3. | Handelingen II 1996–1997, nr. 6 blz. 16–1073 | Zie motie Dijksma c.s. Kamerstukken II 1996–1997 24 695 nr. 7. |
| Tropische regenwouden | ||
| De Minister zal de Kamer informeren hoe de Minister van LNV denkt over de motie over de tropische regenwouden (25 000 XI nr. 22) | Handelingen II 1996–1997, nr. 8, blz. 21–1609 | De Minister van LNV heeft bij brief van 17.06 1997 kenmerk 2 969 712 880 de Kamer bericht, waarmee aan de toezegging is voldaan. |
| Administratieve lasten Wet Milieubeheer | ||
| De Minister zal het standpunt van de Kamer, zoals verwoord in motie 25 000 XI nr. 27, bij aanvaarding, overbrengen aan vergunningverlenende overheden. | Handelingen II 1996–1997, nr. 8, blz. 21–1620 | Zie motie Klein Molekamp c.s. (Kamerstukken II 1996–1997, 25 000 XI nr. 27). |
| Afvalverwijdering | ||
| Getracht zal worden een zo groot mogelijke versnelling van de wetgeving door te voeren. | Kamerstukken II 1996–1997, 25 157, nr. 2, blz. 22 en 25 AO 26.02.97 | Naar verwachting zal het wetsvoorstel eind 1998 om advies aan de Raad van State worden gezonden. |
| Bodembescherming | ||
| De Kamer zal voor eind 1997 een notitie ontvangen over de voortgang van het wetgevingstraject in het kader van de oude stortplaatsen. | Handelingen II 1997–1998 nr. 2, blz. 4–241/242 | De Kamer heeft deze notitie ontvangen bij brief d.d. 07.04.`998 kenmerk DBO 98034769, waarmee aan deze motie is voldaan. |
| CO-2 uitstoot | ||
| Er zal nog deze Kabinetsperiode een aanvullend pakket komen boven op de 2x750 miljoen om de min 3% te realiseren. | Handelingen II 1997–1998, nr. 5, blz. 14–1032 | De Kamer is hierover geïnformeerd middels de «Kyoto brief» kamerstuk 24 785, nr. 4 d.d. 17.10 1997, waarmee de toezegging gestand gedaan is. |
| Ontwikkelingsgelden t.b.v. Milieu | ||
| De Minister is bereid overleg te bevorderen met de Kamer en Minister Pronk. Indien het een AO zal worden dan ook EZ erbij betrekken als de Kamer Oost-Europa ook agendeert. | Handelingen II 1997–1998, nr. 5, blz. 14–1032/1033 | De Kamer heeft van de Minister van BuZa, namens het Kabinet, op 10.03 1998 de Nota internationaal Natuur- en Milieubeleid toegestuurd gekregen, waarmee aan deze toezegging is voldaan. |
| Problematiek administratieve lasten | ||
| De Minister is bereid samen met de Minister van EZ en het IPO dieper in deze materie te duiken, waarna de Kamer z.s.m. geïnformeerd zal worden. | Handelingen II 1997–1998, nr. 5, blz. 15–1071 | Zie motie Klein Molekamp c.s. (Kamerstukken II 1996–1997 25,000 XI nr. 27) |
| Wolmanzouten | ||
| De Kamer zal het resultaat van het College van toelating bestrijdingsmiddelen ontvangen. | Handelingen II 1997–1998, nr. 5, blz. 14–1074 | Het resultaat van het College Toelating Bestrijdingsmiddelen m.b.t. wolmanzouten wordt binnenkort verwacht, waarna toezending aan de Kamer zal volgen. |
| Problematiek particuliere tankeigenaren | ||
| Er zal een hardheidsclausule komen om te voorkomen dat tankeigenaren dubbel gepakt worden. | Kamerstukken II 1997–1998, 25 411, nr. 4 blz. AO d.d. 22.01.98 | Het overleg hierover is nog niet afgerond, zal naar verwachting eind 1998 zijn. |
| Meerjarenplan gevaarlijke afvalstoffen II | ||
| In het kader van het programma afvalpreventie bij bedrijfsmatige activiteiten zal de Kamer z.s.m. een overzicht ontvangen inzake preventie ontstaan gevaarlijke afvalstoffen | Kamerstukken II 1997–1998, 25 600 XI, nr. 50 | De Kamer is bij brief van 22 juni 1998 nr. MBA98 055 897 geïnformeerd. |
OVERZICHT MOTIES EN TOEZEGGINGEN RUIMTELIJKE ORDENING
| Omschrijving van de Motie | Vindplaats | Stand van zaken 3 juni |
|---|---|---|
| Duivesteijn: | ||
| De regering wordt verzocht de in de missiebrief geschetste uitdagingen en genoemde investeringsprojecten deel te laten zijn van een zo spoedig mogelijk uit te brengen vijfde nota over de ruimtelijke ordening. | Kamerstukken II, 1997–1998, 25 600XI, nr. 22 | Voorbereidingen voor een PKB, Vijfde Nota zijn gaande. Deel 1 (kabinetsvoornemen) verschijnt naar verwachting eind 1999. |
| Versnel: | ||
| De regering wordt verzocht om binnen twee maanden verslag te doen van de afspraken over fasering een temporisering van woningbouw in het buitengebied. | Kamerstukken II, 1997–1998, 25 600XI, nr. 28 | Hierover is per brief «Woningbouw buiten de stadsgewesten» van 25 maart 1998 aan de Kamer gerapporteerd. |
| Stellingwerf: | ||
| De regering wordt verzocht om wetgeving opdat de Ecologische Hoofdstructuur wordt bespoedigd of verbeterd. Gevraagd is om een nadere definiëring van de begrippen «basisbescherming van» en «zwaarwegend maatschappelijk belang». | Kamerstukken II, 1997–1998, 25 600XI, nr. 31 | |
| Versnel: | ||
| De regering wordt verzocht de intensieve veehouderij strikter, dan in de koersbepaling van de Vinex is gebeurd, te reguleren in het buitengebied door de actualisering van Vinex daarop aan te passen. | Kamerstukken II, 1997–1998, 25 600 XI, zonder nummer. | De motie is niet ingediend nadat de minister had toegezegd deze actie via een aparte actualisering van Vinex te regelen. Inmiddels is een partiële herziening van de PKB-Vinex gaande waarin de ruimtelijke gevolgen van de herstructurerings- en reconstructiewet voor de varkenshouderij worden geregeld. Het kabinetsstandpunt (deel 3) van deze partiële herziening wordt naar verwachting begin '99 aan de kamer gezonden. |
| moties bij Actualisering Vinex | ||
| Er zijn 21 moties bij de behandeling Actualisering Vinex ingediend. | Kamerstukken II, 1997–1998, 25 180, nrs: 7, 14, 16, 17, 20, 23, 42, 53, 54, 55, 57, 58, 61, 62, 65, 67, 68, 69, 71, 73, 76 | Alle amenderende moties zijn verwerkt in deel 3a van de PKB Acvinex. Afhankelijk van de uitkomsten van de formatie zal deel 3a door het nieuwe kabinet voor goedkeuring worden voorgedragen aan de Kamer. (Motie 76 van Verbugt waarin de regering wordt verzocht om de Vinex-convenanten te versoepelen, is geen amenderende motie en is niet door de minister overgenomen.) |
OVERZICHT MOTIES EN TOEZEGGINGEN VOLKSHUISVESTING
| Omschrijving van de Motie | Vindplaats | Stand van zaken 3 juni |
|---|---|---|
| Biesheuvel | ||
| De regering wordt verzocht een studie te doen naar een IHS-systematiek gebaseerd op aan het (gecorrigeerde) belastbare inkomen gekoppelde normhuurquoten, met een aan het belastbaar inkomen gerelateerde normhuurquote van 15% op minimum-inkomensniveau, en over het resultaat hiervan de Kamer te rapporteren. | Kamerstukken II 95/96, 24 506, nr. 29 (wijziging van nr. 10) | Brief aan de Tweede Kamer met de resultaten van het onderzoek is op 06-05-1998 verzonden onder nummer HIS 98027229 |
| Jeekel, Hofstra en Duivesteijn | ||
| De regering wordt verzocht om in nauwe samenwerking met gemeenten en verhuurders een proces op gang te brengen dat gericht is op het terugdringen van het niet-gebruik van de individuele huursubsidie en daartoe een specifieke organisatorische voorziening te creëren, gericht op het indentificeren en benaderen van de groep niet-gebruikers; De regering wordt voorts verzocht om de voorlichtingscampagne voor de Huursubsidiewet in het bijzonder te richten op deze groep. | Kamerstukken II 96/97, 25 090, nr. 58 | Plan van aanpak «tegengaan niet gebruik huursubsidie» aan tweede Kamer gezonden 12-01-1998 zie hiervoor 25 831 nr. 4 Op 19-03-1998 heeft AO plaatsgevonden |
| Duivesteijn, Biesheuvel, poppe, Oedayraj, Nijpels en Stellingwerf | ||
| De regering wordt dringend verzocht om zo spoedig mogelijk te komen met een voorstel waarin voor de periode 1997/98 individuele huursubsidie-gerechtigden die te maken hebben meteen substantiële inkomensdaling alsnog de mogelijkheid krijgen een aanvraag in te dienen voor een huurbijdrage. | Kamerstukken II 97/98, 25 090, nr. 69 | Reactie over Regeling bijdrage huurlasten-Nieuwe stijl is op 16-12-1997 aan de Tweede Kamer verzonden zie 25 090 nr. 72 21/04/1998 wetsvoorstel in de Eerste Kamer aanvaard. |
| Hofstra, Duivesteijn en Jeekel | ||
| De regering wordt verzocht bij eventuele komende koopkrachtreparaties de ongelijke behandeling van huurders en kopers te voorkomen. | Kamerstukken II 96/97, 25 090, nr. 59 | Wordt betrokken bij besluitvorming rond koopkrachtreparaties (van met name het min. van SZW). |
| Verkerk, Leerkes en Hendriks | ||
| De regering wordt verzocht een regeling te doen ontwerpen waarbij huurders binnen bepaalde kaders en/of voorwaarden bij beëindiging van een huurovereenkomst tegemoet kunnen worden gekomen in de kosten die men gemaakt heeft voor een woningverbetering, en in deze regeling te betrekken , dat de huurcommissie daarbij een adviserende/bemiddelende rol dient te vervullen. | Kamerstukken II 96/97, 25 000, nr. 37 | Motie aangehouden door Tweede Kamer. Onderwerp meegenomen in concept BW i.h.k. van IHH, welk sinds medio juli 1997 bij Raad van State ligt ter advisering. |
| Verkerk, Leerkes, Duivesteijn en Hendriks | ||
| De regering wordt verzocht in een wettelijke regeling te voorzien, waarbij huurders in staat worden gesteld om isolatievoorzieningen binnen bepaalde kaders en voorwaarden bij verhuurder af te dwingen, en de huurcommissies daarbij een adviserende c.q. een bemiddelende rol te geven. | Kamerstukken II 96/97, 25 000, nr. 38 | Motie aangehouden door Tweede Kamer. Onderwerp meegenomen in concept BW i.h.k. van IHH, welk sinds medio juli 1997 bij Raad van State ligt ter advisering. |
| Biesheuvel | ||
| De regering wordt verzocht op korte termijn met betrokken partijen in overleg te treden over de wenselijkheid van regionale toelating inééns van alle woningcorporaties, en over verruiming van de mogelijkheden van landelijke toelating. | Kamerstukken II 96/97, 24 508, nr. 28 | De toelichting bij het BBSH is aan de motie aangepast. Verzending reactie naar Tweede Kamer 20 maart 1998 onder DBD 98016330 |
| Vos, Crone en Augusteijn-Essers | ||
| De regering wordt verzocht op korte termijn energieprestatienormen voor CV-ketels op grond van de Wet Energiebesparing Toestellen voor te bereiden waardoor de toepassing van de conventionele CV-ketel wordt beëindigd. | Kamerstukken II 97/98, 25 600 XI nr. 23 | Motie aangenomen in Tweede Kamer 02–12–97 Behandeling door Economische Zaken. |
| Versnel-Schmitz, Jeekel en Duivesteijn | ||
| De regering wordt verzocht binnen twee maanden een rapportage aan Tweede Kamer te sturen over afspraken met betrekking tot het tegengaan van te voortvarende woningbouw buiten VINEXgebieden | Kamerstukken II 97/98, 25 600 XI nr. 28 | Motie aangenomen in Tweede Kamer 02–12–97 Reactie gereed en aan Tweede kamer verzonden op 25 maart 1998 |
| Hofstra | ||
| De regering wordt verzocht op zo kort mogelijke termijn de plaatsing van zonnecollectoren in principe niet langer vergunningsplichtig te doen zijn. | Kamerstukken II 97/98, 24 820 nr. 10 AO 10.02.1998 | Motie aangenomen in Tweede Kamer 17–02–98 Positieve reactie 19.02.1998 aan Tweede Kamer verzonden zie 24 280 nr. 16 |
| Hofstra, van der Burg, ten Hoopen en Jeekel | ||
| De regering wordt verzocht om bij energiebesparende voorzieningen één en ander zodanig te regelen dat ook bij bedrijfsmatig onroerend goed een redelijke doorberekening in de huur mogelijk moet zijn. | Kamerstukken II 97/98, 24 820 nr. 12 AO 10.02.1998 | Motie aangenomen in Tweede Kamer 17–02–98 Afhandeling van deze motie geheel in handen van Justitie. |
| v.d. Burg, Hofstra, Oedayrai, Poppe, Jeekel en ten Hoopen | ||
| De regering wordt verzocht het voorstel om in het Bouwbesluit de inrichtingseisen van keuken- en sanitaire ruimten te laten vervallen, eerst voor te leggen aan de Kamer, alvorens dat Besluit te publiceren in het Staatsblad | Kamerstukken II 97/98, 24 820 nr. 13 AO 10.02.1998 | Motie aangenomen in Tweede Kamer 17–02–98 Reactie naar Tweede kamer als advies Raad van State beschikbaar is |
| Verbugt | ||
| De regering wordt verzocht de voorgenomen koopprijsgrens te verlagen zodat niet meer dan maximaal 50% van de koopwoningen in restrictieve regio's onder het distributieregime kan worden gebracht. | Kamerstukken II 97/98, 25 334 nr. 31 plenair 07–04–98 | Motie aangenomen in Tweede Kamer 14.04.1998 Wordt meegenomen in de voorbereiding van de AMvB |
| van der Burg | ||
| De regering wordt verzocht om in het kader van de ICES-gelden geldmiddelen te reserveren voor de stedelijke vernieuwing ter versterking van economische activiteiten | Kamerstukken II 97/98, 25 427 nr. 10 plenair 17.12.1997 | Motie aangenomen in Tweede Kamer 18.12.1997 Tweede Kamer 31.03.1998 door het kabinet geïnformeerd in de brief worden de gevraagde middelen in het vooruitzicht gesteld. Zie ook reactie aan Tweede Kamer verzonden 12.06.1998 onder nr. DBD98047416 |
| Jeekel | ||
| De regering wordt verzocht om plannen voor herstructurering in dergelijke gemeenten met voorrang te behandelen; voorts om in de jaren 1998 en 1999 voorfinanciering voor dergelijke gemeenten mogelijk te maken door uitbetaling van het rijk in of nabij 2000 in het vooruitzicht te stellen tenslotte om bij de instelling van het investeringsbudget stedelijke vernieuwing per 1 januari 2000, een deel van de aanvullende middelen af te zonderen ter grote van 5% van dit fonds en deze middelen aan te wenden voor uitzonderlijke stadsvernieuwingsopgaven. | Kamerstukken II 97/98, 25 427 nr. 11 plenair 17–12 1997 | Motie aangenomen in Tweede Kamer 18.12.1997 Reactie aan Tweede Kamer verzonden 12.06.1998 onder nr. DBD 98 047 416 |
| Hofstra | ||
| De regering wordt verzocht om concrete voorstellen te doen inzake de stimulering van vooral kleinschalige economische activiteiten in en nabij woonwijken, en de Kamer voor 1 mei 1998 te informeren. | Kamerstukken II 97/98, 25 427 nr. 12 plenair 17.12.1997 | Motie aangenomen in Tweede Kamer 18.12.1997 Reactie aan Tweede Kamer verzonden 12.06.1998 onder nr. DBD 98 047 416 |
| Luchtenveld | ||
| De regering wordt verzocht in samenwerking met de Grote Steden, de rechtstreekse Stadsvernieuwingsgemeenten, het IPO en VNG onderzoek te verrichten naar de aard en omvang van de funderingsproblematiek en de Kamer daarover uiterlijk op 1 mei 1998 te informeren. | Kamerstukken II 97/98, 25 427 nr. 13 plenair 17.12.1997 | Motie aangenomen in Tweede Kamer 18.12.1997 Reactie aan Tweede Kamer verzonden 12.06.1998 onder nr. DBD 98 047 416 |
| van der Burg en Jeekel | ||
| De regering wordt verzocht wijziging aan te brengen in het uitgavenpatroon via verschuivingen in het kasritme en bij de voorbereiding van de begroting 1999 en de meerjarenraming hiervan uit te gaan | Kamerstukken II 97/98, 25 427 nr. 14 plenair 17.12.1997 | Motie aangenomen in Tweede kamer 18.12.1997 Reactie aan Tweede Kamer verzonden 12.06.1998 onder nr. DBD 98 047 416 |
| van der Burg en Jeekel | ||
| De regering wordt verzocht om in overleg met de grote steden, de rechtstreekse en de VNG de systematiek voor de behoefte en verdeling van het fonds ISV, zo in te richten dat zowel preventieve als curatieve herstructurering voor financiering van rijkszijde in aanmerking kan komen, en de Kamer hierover uiterlijk vóór 1 mei 1998 te informeren | Kamerstukken II 97/98, 25 427 nr. 15 plenair 17.12.1997 | Motie aangenomen in Tweede Kamer 18.12.1997 Reactie aan Tweede Kamer verzonden 12.06.1998 onder nr. DBD 98 047 416 |
| Jeekel, Gabor, Kamp en van der Burg | ||
| De regering wordt verzocht jaarlijks over de voortgang van de deconcentratie woonwagens, de sanering en de ontwikkeling van het tekort te rapporteren en te bevorderen dat de benodigde middelen met ingang van 1999 in de begroting worden opgenomen | Kamerstukken II 97/98, 25 333 nr. 15 plenair 10–03–98 | Motie aangenomen in Tweede Kamer 14.04.1998 In de begroting voor 1999 is geen extra geld opgenomen t.b.v. deconcentratie en sanering. Bij het opstellen van de begroting 2000 zal opnieuw worden bezien of middelen kunnen worden vrijgemaakt. |
| Gabor, Kamp, Jeekel en van der Burg | ||
| De regering wordt verzocht gedurende de tijd dat het tekort aan standplaatsen nog niet is weggewerkt en de deconcentratie van grote woonwagencentra nog niet is afgerond de mogelijkheid open te houden dat bij de toewijzing van nieuwe woonwagens standplaatsen het afstammingsbeginsel wordt gehanteerd. | Kamerstukken II 97/98, 25 333 nr. 16 plenair 10–03–98 | Motie aangenomen in Tweede kamer 14.04.1998 Is reeds voorzien in wetsvoorstel 25 333 |
| van der Burg | ||
| De regering wordt verzocht zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk voor 1 oktober 1998, de Kamer het overzicht van gemeenten waar zich dit aantoonbare tekort aan standplaatsen voor woonwagens voordoet te doen toekomen, inclusief de aantallen, hetgeen als basis dient voor de Ministeriële Regeling, zoals opgenomen in artikel 2, vierde lid van het Wetsvoorstel Huisvestingswet, nr. 25 333 | Kamerstukken II 97/98, 25 333 nr. 21 plenair 14–04–98 | Motie aangenomen in Tweede Kamer 14.04.1998 Kan in worden voorzien (indien gewenst) |
B. Overzicht van de toezeggingen Volkshuisvesting
| Omschrijving van toezegging | Vindplaats | Stand van zaken 3 juni |
|---|---|---|
| Huisvestingswet | ||
| Vijf jaar na de inwerkingtreding van de Huisvestingswet vindt evaluatie plaats t.a.v. de volgende punten: – Of hetgeen gemeenten privaatrechtelijk regelen op het terrein van de woonruimteverdeling, door middel van erfpachtcontracten, zich verdraagt met de Huisvestingswet. – De rol van de provincie zal gezien de ontwikkelingen m.b.t. BON II actief gevolgd worden. – Het toezicht op het stellen van eisen van economische en maatschappelijke binding zal op rijksniveau gevolgd worden. Ook zullen de ontwikkelingen van het Europese recht op dit gebied gevolgd worden. – Het functioneren van de klachtencommissie. | Plenaire behandeling Huisvestingswet d.d. 18, 26 en 27 februari 1992 Kamerstukken II 91/92, 20 520 Algemeen Overleg op 22.2.96 (Kamerstukken II 95/96, 24 400 XI, nr. 66) | Het evaluatiemoment is vervroegd naar 1995 i.v.m. geconstateerde knelpunten in de bestuurlijke praktijk. De wet wordt gewijzigd en treedt zo mogelijk in werking per 1 juli 1998. Voorstel tot wetswijziging is op 29–04–97 bij de Tweede Kamer ingediend Kamerstukken II96/97, 25 334 nr. 2. Verslag vastgesteld 30–10–97 Nota n.a.v. Verslag 10 maart 1998 2 en 7 april 1998 behandeld in TK |
| Overleg met NVM over het stellen van bindingseisen door makelaars | Kamerstukken II 97/98, 25 334 plenair 07–04–98 | Na overleg zal de Kamer worden geïnformeerd. |
| Ouderenhuisvesting | ||
| Groepswonen: de Tweede Kamer zal t.z.t. worden geïnformeerd over de resultaten van een binnenkort te starten evaluatief onderzoek naar 10 jaar praktijk van groepswonen voor ouderen. | Trendbrief 17–11–95 (Kamerstukken II 95/96, 24 508, nr. 1) | Het onderzoek is in het 1e kwartaal 1998 afgerond. Rapportage aan Tweede Kamer heeft op 19 maart 1998 plaatsgevonden onder nummer DBD 98 015 047 |
| Jaarlijks de Tweede Kamer informeren over de voortgang van de ouderenhuisvesting. | Kamerstukken II 97/98, 25 600 XI (Begrotingsbeh.) | In het voorjaar van 1999 zal over de voortgang worden gerapporteerd. |
| Samen met VNG kijken naar kosten(-verdeling) van extra bouwkundige voorzieningen woonzorgcomplexen | Algemeen Overleg 09.04.1998 | Rapportage in voorjaar 1999 |
| Niet-winst beogende instellingen | ||
| * Met het IPO zal overlegd worden over de door de provincies opgestelde subsidieverordeningen en de vraag hoe deze zich verhouden tot het convenant tussen IPO, VWS en VROM inzake de mogelijkheden reserves te vormen voor noodzakelijk onderhoud. | WBL debat 26 juni 1996 Algemeen Overleg 15.05.1997 Kamerstukken II 96/97 24 333 nr. 29 | Rapportage aan de Tweede Kamer heeft plaatsgevonden zie kamerstukken II 97/98, 25 600 XI, nr. 46 en 49. |
| * Voor de afkoop van toekomstige subsidieverplichtingen wordt een regeling opgesteld. Daarnaast wordt aan sommige NWI's een op maat gesneden saneringsbijdrage toegekend. | Op 7 april 1998 bij de Tweede Kamer er op aangedrongen de planning van behandeling niet te wijzigen bedoeling is de regeling voor de zomer van 1998 gereed te hebben. | |
| Voor de zomer van 1998 zal een circulaire aan de NWI's worden gestuurd inzake afhandeling project NWI's | Algemeen Overleg 09.04.1998 | Brief aan de Tweede Kamer verstuurd d.d. 16 juli 1998 (Kamerstukken II, 1997/1998, 26 003, nr. 5) |
| Integrale herziening huurbeleid | ||
| In kader van integrale herziening huurbeleid over de volgende onderwerpen rapporteren: 1 adequaatheid instrumentarium (opschoning/hercodificatie en afstemming HPW/WHC en NBW); | Kamerstukken II 94/95 Begrotingsbehandeling 1995, 23 900 XI. | Ad 1 Dit is meegenomen in het wetsvoorstel Hercodificatie Huurregelgeving (Kamerstukken II, 1997/1998, 26 089, nrs. 1–3 en 26 090, nrs. 1–3). |
| Huurbeleid | ||
| Er is uitdrukkelijke zorg over de huureffecten van de OZB. Deze kwestie in overleg met verantwoordelijke BIZA bezien. Daarom zorgvuldig monitoren, uitkomsten opnemen in huurbrief. | Kamerstukken II 97/98, 25 651 nr. 2 Algemeen Overleg 30–10–97 | Een en ander zal (o.m. middels separaat onderhoud) worden gemonitoord en de uitkomsten zullen worden vermeld in de huurbrief. |
| Huurstijging | ||
| In 1999 brief aan de Tweede Kamer inzake CBS-cijfers over de huurstijging. Hierdoor moet verklaard worden het verschil in de CBS-cijfers en de jaarlijkse huurverhoging per 1 juli. Ook relatie leggen tussen inflatie en huurstijging. | Kamerstukken II 97/98, 23 817 nr. 59. Algemeen Overleg 08–04–98 | |
| Huurverlaging | ||
| Nagaan in hoeverre procedure tot huurverlaging kan worden ingekort, indien huurcommissie strijdigheid met maximaal redelijke huur vaststelt. | Kamerstukken II 97/98, 25 600 (Begrotingsbeh.) | Is meegenomen in wetsvoorstel wijziging huurprijzenwet woonruimte de wet op de huurcommissies (Kamerstukken II, 1997/1998, 24 080) |
| Huurquote | ||
| Voor het eind van 1997 nota aan Tweede Kamer toesturen | Kamerstukken II 97/98, 25 600 (Begrotingsbeh.) | Zie hiervoor stand van zaken bij de motie Biesheuvel (blz. 1). |
| Illegale onderverhuur | ||
| Herziening van het huurrecht door toevoeging van een vierde – extra – mogelijkheid om huurovereenkomsten door de hoofdverhuurder te beëindigen. | Algemeen Overleg 05.06.1997 | Dit is meegenomen in het wetsvoorstel Hercodificatie Huurregelgeving (aangeboden aan Tweede Kamer d.d. 2 juli 1998 Kamerstukken II, 1997–1998, nr. 26 089, nrs. 1–3). |
| Prestaties en Toezicht Vhv | ||
| * Eind 1998 gebundelde rapportage aan de Kamer met daarin: – Macrobeeldrapportage DGVH – Rapportage CFV over rijke corporaties – Realisatie Nationaal Programma Volkshuisvesting (sociale huursector) aangeven | Nota Overleg 16.06.1997 | Rapportage dec. 1998 naar Tweede Kamer |
| * Vraagstuk rond de solvabiliteit aan de bovenkant verder uitdiepen. Adviesaanvrage hierover aan het CFV. | Wordt meegenomen in rapportage aan Tweede Kamer eind 1998. Adviesaanvrage CFV zal voorjaar 1998 worden verzonden. | |
| * In 2001 evaluatie BBSH. | BBSH wordt overeenkomstig aangepast. | |
| * Protocol m.b.t. verkoop huurwoningen opstellen | MG in mei 1998 (samen met inwerkingtreding BBSH 1998) uitgebracht | |
| * Bezien of introductie drempelwaarde bij verkoop huurwoningen mogelijk is. | Besloten is vooralsnog van drempelwaarde af te zien; de evaluatie van de meldingsprocedure wordt afgewacht. | |
| * Inspraak Woonbond bij beleidsplan CFV. | Overleg over beleidsplan CFV wordt op zodanig moment georganiseerd dat inspraak Woonbond mogelijk. | |
| * Prestatie-afspraken m.b.t. woonwagens maken. | Op 10 maart 1998 betrokken bij plenaire behandeling intrekking Woonwagenwet. Toegezegd en toezicht daarop door IVH. | |
| Financiële positie Toegelaten Instellingen | ||
| In december 1999, bij de eerste rapportage van het CFV over de sector, zal ingegaan worden op de normering inzake solvabiliteit en rentabiliteit. Ook zal dan worden ingegaan op een dan kennelijk bestaande rapportage van de AR in deze. | Kamerstukken II 97/98, 23 817, nr. 59 Algemeen Overleg d.d. 08.04.1998 | |
| Volkshuisvestingsbeleid | ||
| Prestatievoornemens Corporaties De Kamer jaarlijks medio mei informeren hierover. | Kamerstukken II 96/97, 24 508, nr. 10 | Eerste rapportage 21.07.1998 verzonden aan Tweede Kamer. |
| Ordening | ||
| Nut en noodzaak ordeningswet bezien op het moment dat de nieuwe ordening is uitgekristalliseerd en er in de praktijk voldoende ervaring is opgedaan. | Kamerstukken II 96/97, 25 000 XI Begrotingsbehandeling VROM 30.10.1996 en 05.11.1996 | Naar aanleiding van Nota Overleg Toezicht d.d. 16–06–97 is afgesproken dat bij de evaluatie van het BBSH in 2001 tevens wordt bezien of de invoering van een Ordeningswet wenselijk is. |
| Prognosemodel | ||
| Aandacht rol huurders bij totstandkoming regionaal prognosemodel; | Kamerstukken II 96/97 Algemeen overleg 05.12.1996 | Zie brief van 05.06.1997 DBD 97 535 311 voor betrokkenheid Woonbond bij NPV. In nota van toelichting bij de wijziging van het BBSH per 17.05.1998 worden de mogelijkheden voor invloed van huurders bij het maken van regionale/lokale prestatie.afspraken aangegeven. |
| Bij de tussenrapportage prestatieafspraken zal worden ingegaan op de kernvoorraad een overzicht hiervan zal in december 98 aan de Tweede Kamer worden voorgelegd. | Kamerstukken II 97/98, 25 508 nr. 43 Algemeen Overleg 06–11–97 | |
| Eigen woningbezit/verkoop huurwoningen | ||
| Tweede Kamer nader informeren over: 1. Buitenlandse ervaringen met institutionele waarborgen bij grootschalig eigen.woningbezit (o.a. functioneren VvE's); | Algemeen Overleg eigen woningbezit 24.06.1997 Kamerstukken II 96/97, 23 449 | 1 Rapportage aan Tweede Kamer eind 1998 |
| 2. Uitwerking SEV-programma tussenvormen huur/koop; | 2 In overleg met Aedes over relatie tussenvormen en hypotheekrenteaftrek (zie reactie Staatssecretaris van Financiën op kamervragen d.d. 26 juni 1998) | |
| 3. Mogelijkheden beperkte vrijstelling overdrachtsbelasting bij eerste koop huurwoning; | 3. advies Landsadvocaat is overhandigd aan initiatiefnemers wetsvoorstel IKB, die het als bijlage hebben meegestuurd bij nota naar aanleiding van verslag (Kamerstukken II, 97/98, 25 309, nr. 10, p. 17) | |
| 4. uitkomsten recherche- en fiscaal onderzoek DKP-woningen Groningen; | 4. 16.04.1998 onderzoeksrapportage aan Tweede Kamer verzonden BVH 98 033 240 | |
| 5. Stand van zaken overleg met particuliere huursector over brutering. | 5. Zie brief d.d. 15.12.1997 aan Tweede Kamer. (Kamerstukken II 97/98 25 600 XI, nr. 46) | |
| Taakuitbreiding WEW (hypotheekgarantie voor kwaliteitsverbetering). | De hiervoor benodigde statutenwijziging en aanvullende achtervangovereenkomst tussen WEW en Rijk zijn op 26.05.1998 bij notariële akte vastgelegd. | |
| O.g.v. ervaringen bezien of doelgroep Regeling koopgewenningsbijdrage moet worden uitgebreid. | Algemeen Overleg Eigen Woningbezit 24.06.1997 | Wordt betrokken bij opstellen wetsvoorstel ter bevordering eigen woningbezit onder lage inkomens |
| Medio 1998 zal worden gerapporteerd over ervaringen met de GEW-regeling | Kamerstukken II 97/98, 25 600 (Begrotingsbeh.) | Wordt betrokken bij opstellen wetsvoorstel ter bevordering eigen woningbezit onder lage inkomens |
| DUBO | ||
| Bij evaluatie dubo-beleid aandacht geven aan «het overstappen op energiezuinige woningen». Pl.v. aanpak DUBO II c.q. DUBO-monitor: a. Inzicht bieden in hetgeen in praktijk met afgewezen voorbeeldprojecten is gebeurd; b. Aangeven of Tijdelijke Stimuleringsregeling Duurzaam Bouwen moet worden versoepeld; c. Alternatieve aanpak aangeven voor waterbesparing; d. Concreet overzicht geven van DUBO-zaken die in Bouwbesluit opgenomen gaan worden (= vaste maatregelen nationaal pakket + wellicht deel van variabele maatregelen; verdergaande experimenten op vrijwillige basis; experimenteerartikel opnemen t.b.v. experimenten in afwijking van Bouwbesluit). | Kamerstukken II 96/97, 25 000 XI Begrotingsbehandeling VROM 30.10.1996 en 05.11.1996 Algemeen Overleg DUBO 22.05.1997 Kamerstukken II 96/97, 24 280 nr. 12 | Evaluatie maakt deel uit van tweede plan van aanpak Dubo, d.d. 04.11.1997 Kamerstuk II 97/98, 24 280 nr. 13 Is verwerkt in plan van aanpak DUBO II en DUBO.monitor d.d. 04.11.1997 Kamerstuk II 97/98, 24 280 nr. 13 |
| Aan de hand van de budgetuitputting zal worden bezien of budgetherverdeling gewenst is (Tijdelijke Stimuleringsregeling Duurzaam Bouwen). | Budgetuitputting door budgethouders wordt door monitoring.onderzoek gevolgd. | |
| Slotverklaring Europese Ministersconferentie terzake (sept.'97) + vergelijkend overzicht van voorbeelden in diverse landen aan Tweede Kamer toesturen. | Kamerstukken II 97/98, 25 600 XI (Begrotingsbeh.) | 21.11.1997 Toegezonden aan de Tweede Kamer onder nr. BDB 97 564 047 |
| Nationaal Pakket DUBO (nieuwbouw) | ||
| Brief aan Tweede Kamer in februari 1998 Uitgangspunten: – Pakket voorschriften dient substantieel te zijn en uiterlijk in 2000 in werking. De voorschriften zullen: a. moeten voldoen aan in de in het kabinetsstandpunt inzake het MDW-advies Bouwregelgeving benadrukte landelijke uniformiteit; b. eenduidig, uitvoerbaar en handhaafbaar moeten zijn voor bouwpraktijk en gemeenten; c. moeten voldoen aan de notificatie-eisen van de Europese Commissie. | Kamerstukken II 97/98, 24 280 nr. 14 Brief aan Tweede Kamer | 19.02.1998 Toegezonden aan de Tweede Kamer, zie hiervoor Kamerstukken II 97/98, 24 280 nr. 16. |
| Brutering | ||
| Woonwagens/standplaatsen: indien onderhandelingen tot overeenstemming leiden, na 1997 over gaan tot afkoop. | Kamerstukken II 96/97, 25 000 XI Begrotingsbehandeling VROM 30.10.1996 en 05.11.1996 | Zie par. 4.7 MvT begroting 1998. Wetsvoorstel d.d. 29.04.1997 25 333 14.04.1998 in de Tweede Kamer aanvaard Afkoop m.i.v. 1999 |
| Intern Toezicht | ||
| BBSH: samenstelling Raad van Toezicht bij corporaties. Suggesties hr. de Beer («vaste plek» voor personeel, publiek belang en financiële deskundigheid) bespreken met LC's; | ||
| suggestie mw. Ter Veld, mogelijkheden voor optimalisering van kwaliteit van de Raad van Toezicht bezien. | EK 96/97, 25 000 XI Begrotingsbehandeling VROM 25.03.1997 | Is betrokken bij het onderzoek naar de kwaliteit van de raden van Toezicht dat op 09.04.1998 verzonden is aan de Tweede Kamer onder nr. IUT98016971 |
| Wijziging HPW, de Wet op de huurcommissies en enkele andere wetten | ||
| 1. Na afronding van het overleg met de sector zal een proeve van AMvB naar de Tweede Kamer worden gezonden voor nader overleg. Daarna zal tot besluitvorming worden overgegaan. 2. De Tweede Kamer zal nader schriftelijk worden geïnformeerd over de wijze waarop de gemeente op grond van art. 19, 4e lid, Whc, wordt geïnformeerd over het bestaan van een nulpunt. 3. De Tweede Kamer op korte termijn informeren wat de reactie is op notitie van D66 terzake van het gemeentelijke aanschrijvingsbeleid 4. Evaluatie van het overgangsjaar omtrent overgangsproblematiek. 5. De Tweede Kamer bij de Begroting via de M.v.T telkenjare informeren omtrent cijfers en afdoeningstermijnen | Kamerstukken II 97/98, 25 445 plenair 10–02–98 | 19–02–98 Aangenomen in Tweede Kamer 2. en 3. Tweede Kamer geïnformeerd 16.02.1998 zie kamerstuk 25 445 nr. 14 |
| Niet-gebruik IHS | ||
| – Voor eind 1997 plan van aanpak aan Tweede Kamer aanbieden. – Met betrekking tot verlenging indieningstermijn in maart 1998 rapporteren aan Tweede Kamer | Kamerstukken II 97/98, 25 600 XI (Begrotingsbeh.) | Zie hiervoor stand van zaken bij de motie Jeekel, Hofstra en Duivesteijn. |
| RBH-regeling | ||
| Na behandeling in Ministerraad de Tweede Kamer informeren over uitkomsten, hierbij betrekken aandachtspunten van hr. Poppe | Kamerstukken II 97/98, 25 600 XI (Begrotingsbeh.) | Zie hiervoor stand van zaken bij de motie Duivesteijn, Biesheuvel, Poppe, Oedayraj, Nijpels en Stellingwerf |
| Maximale grens IHS (f 1 085,–) | ||
| Al dan niet aanpassen maximale grens af te ronden studie toezenden aan Kamer | Kamerstukken I 97/98. 25 600 XI (begrotingsbeh.) EK op 20–01–98 | Op 03.03.1998 is aan de Tweede Kamer de informatie toegezonden onder nummer HIS 98010817 |
| Rapportage Lelystad (cie Brokx) | ||
| Zodra kabinetsstandpunt gereed is, dit aanbieden aan de Tweede Kamer | Kamerstukken II 97/98, 25 600 XI (Begrotingsbeh.) | Op 17.03.1998 aangeboden aan de Tweede kamer onder nummer INH 98 014 213. |
| Samenwerking Beleggers-Corporaties | ||
| Rapportage aan de Tweede Kamer sturen zodra onderzoek is afgerond. | Kamerstukken II 97/98, 25 600 XI (Begrotingsbeh.) | Rapportage zal medio september 1998 plaatsvinden |
| Kartelvorming VINEX | ||
| Zal item doorgeleiden naar de Minister van economische Zaken voor reactie; hierbij brief van hr. Duivesteijn betrekken. | Kamerstukken II 97/98, 25 600 XI (Begrotingsbeh.) | Doorgeleiding naar EZ heeft plaatsgehad op 09.12.1997 onder nr. DBD 97 570 381 |
| Sint Maarten | ||
| Woningbouwproblematiek in bredere context bezien (ook andere eilanden), in relatie tot begrotingsbehandeling Antilliaanse Zaken. | Kamerstukken II 97/98, 25 600 XI (Begrotingsbeh.) | Maakt deel uit van acties naar aanleiding van werkbezoek Stas. |
| Nederlandse Implementatie Habitat agenda | ||
| – Na oprichting Stichting habitatplatform en definitieve vaststelling werkprogramma wordt de Tweede Kamer geïnformeerd, waarbij nader wordt ingegaan op de begroting van de Stichting. | Kamerstukken II 97/98, 25 600 XI Nr. 44 Algemeen Overleg 08–10–97 | Stichting Habitat Platform is op 21.04.1998 opgericht. Werkprogramma is nog niet definitief. |
| – De EU-voortgangsdocumenten inzake implementatie Habitat Agenda worden aan de Tweede Kamer gezonden. | De EU voortgangsdocumenten worden gelijktijdig met het SHP werkprogramma naar de Tweede Kamer gezonden. |
OVERZICHT MOTIES EN TOEZEGGINGEN RIJKSHUISVESTING
| Omschrijving van de Motie | Vindplaats | Stand van zaken 15 juli |
|---|---|---|
| Hofstra, A. de Jong, Assen en Versnel-Smitz: | ||
| In de begroting voor 1999 huisvestingskengetallen opnemen, alsmede een kwantificering van de doelmatigheidsprikkels voor de periode 1999–2004. Het nieuwe stelsel in zijn totaliteit te evalueren op 1 tijdstip bij voorkeur per 1 januari 2004 en bij de evaluatie nadrukkelijk aandacht besteden aan de marktanaloge aanpak en de «gedwongen winkelnering» van departementen | Kamerstukken II, 1997–1998, 25 449, nr. 8 | In de ontwerp-begroting '99 zijn kwantificeerbare huisvestingskengetallen opgenomen t.a.v. grootheden die door de Rgd (mede). beïnvloedbaar zijn. De evaluatie wordt in 2004 uitgevoerd. |
| De Jong, Versnel-Smitz en Hofstra: | ||
| Onderzoeken van de wenselijkheid om de voor het beheer van de onroerend goed portefeuille relevante taken van de Dienst der Domeinen over te hevelen naar de Rijksgebouwendienst | Kamerstukken II, 1997/1998, 25 449, nr. 7 | Het onderzoek heeft aangetoond dat de taakverdeling een goede samenwerking niet in de weg hoeft te staan en geen onoplosbare problemen met zich mee brengt voor een goed functioneren van het nieuwe rijkshuisvestingsstelsel. De beantwoording van deze motie heeft plaatsgevonden bij brief van 3 juli '98. |
| Augusteijn Esser, Crone en Klein Molenkamp | ||
| «......... verzoekt de regering op (rijks)overheidsgebouwen en bij infrastructurele werken voor een nog nader te bepalen deel de verplichting tot het gebruik van zon-PV cellen op te nemen. | Kamerstukken II, 1997/98, 25 600 XI, nr. 26 | Zoals is toegezegd bij de behandeling van het NMP3 werkt EZ op dit moment in samenspraak met VROM aan een voorstel waarbij het afsluiten van een groene stroomcontract tussen energieleveranciers en overheidsinstanties in principe gekoppeld wordt aan het plaatsen van zon-PV op of bij de meest geschikte overheidsobjecten.» (Kamerstukken II, 1997/98 25 887, nr. 2). |
B. Overzicht van de toezeggingen
| Omschrijving van toezegging | Vindplaats | Stand van zaken 15 juli |
|---|---|---|
| Hoge Colleges van Staat | ||
| De Kamer zal worden geïnformeerd over het onderzoek voor welke Hoge Colleges van Staat het regime van het nieuwe rijkshuisvestingsstelsel mogelijk is. | Kamerstukken II, 1997/1998, 25 449, nr. 8 | Het onderzoek naar de toepassingsmogelijkheden van het regime van het nieuwe rijkshuisvestingsstelsel voor de Hoge Colleges van Staat is in 1998 gestart. Per brief d.d. 18 februari '98 is gemeld dat de bevindingen op zijn vroegst per 1 januari 2000 plaatsvinden. |
| Milieubeheer | |||
| Kenmerk | Datum | Staatscrt.nr. datum | Titel |
| DBO/97 113 605 | 15-08-1997 | 169, 04-09-1997 | Circulaire interventiewaarden bodemsanering 2e en 3e tranche |
| DBO/97 551 154 | 08-10-1997 | niet gepubliceerd | Circulaire eenmalige bijdragen aan gemeenten i.v.m. uitvoering BOOT |
| DGM/SVS/97 560 078 | 27-10-1997 | niet gepubliceerd | Circulaire CPR-15 |
| DBO/97 587 346 | 19-12-1997 | 4, 08-01-1998 | Circulaire saneringsregeling wet bodembescherming; beoordeling en afstemming |
| MJZ 98 005 412 CDJZ | 13-01-1998 | 14, 22-01-1998 | Organisatiebesluit Inspectie Milieuhygiëne |
| MJZ 98 000 674 CDJZ | 13-01-1998 | 14, 22-01-1998 | Regeling mandaat handhaving Inspectie Milieuhygiëne |
| 98 005 498 CDJZ | 13-01-1998 | 14, 22-01-1998 | Regeling ondermandaat handhaving Inspectie Milieuhygiëne |
| 98 000 645 CDJZ | 13-01-1998 | 14, 22-01-1998 | Aanwijzingsbesluit regionale inspecteur milieuhygiëne |
| 98 000 597 CDJZ | 13-01-1998 | 14, 22-01-1998 | Intrekking Beschikking milieubijstandsteam |
| DBO/98 000 258 | 26-01-1998 | 28, 11-02-1998 | Gedoogcirculaire vooruitlopend op wijziging besluit opslaan in ondergrondse tanks |
| DGM/B/JB Mbb 98 004 127 | 05-02-1998 | niet gepubliceerd | Wijziging Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer |
| DWL/98 026 070 | ??-04–1998 | 69, 09-04-1998 | Toezending wijziging uitvoeringsregeling ammoniak en veehouderij |
| DBO/98 057 213 | 02-07-1998 | 127, 09-07-1998 | Circulaire aanpassing interventiewaarden bodemsanering |
| DWL/98 068 877 | ??-07–1998 | 132, 16-07-1998 | Vierde wijziging uitvoeringsregeling Ammoniak en Veehouderij (UAV) |
| 98 047 579 | 13-07-1998 | niet gepubliceerd ?? | aanvulling op de circulaire schadevergoeding van december 1997 |
| Volkshuisvesting | |||
| Kenmerk | Datum | Staatscrt.nr. datum | Titel |
| 97–14 | 11-07-1997 | 140, 25-07-1997 | Rendementen gesubsidieerde woningbouw juli 1997 |
| 97–15 | 14-07-1997 | 144, 31-07-1997 | Regeling tot wijziging van de inkomensgrenzen in het Huisvestingsbesluit en het BBSH; voorgenomen beleid inzake aanpassing van de huurprijsgrenzen in die besluiten |
| 97–16 | 17-07-1997 | 144, 31-07-1997 | Wijziging Tijdelijke regeling geldelijke steun liftplaatsing bij bestaande woongebouwen |
| 97–17 | 15-08-1997 | 163, 27-08-1997 | Rendementen gesubsidieerde woningbouw augustus 1997 |
| 97–18 | 12-09-1997 | 188, 01-10-1997 | Rendementen gesubsidieerde woningbouw september 1997 |
| 97–19 | 30-09-1997 | niet gepubliceerd | WSDV; omvang sv-fonds 1998; extra betaling oktober 1997 en restant saldo per 31-12-97 |
| 97–20 | 30-09-1997 | niet gepubliceerd | Woningverkoop door toegelaten instellingen; BBSH |
| 97–21 | 01-10-1997 | niet gepubliceerd | Regelingen Bouwbesluit (6) |
| 97–22 | 06-10-1997 | 186, 29-09-1997 | Verlenging van de indieningstermijn huursubsidie (1) |
| 97–23 | 09-10-1997 | 200, 17-10-1997 | Rendementen gesubsidieerde woningbouw oktober 1997 |
| 97–24 | 22-10-1997 | niet gepubliceerd | Geactualiseerde lijst van erkende kwaliteitsverklaringen |
| 97–25 | 12-11-1997 | niet gepubliceerd | Aanscherping energieprestatiecoëfficiënt voor woningen en woongebouwen |
| 97–26 | 14-11-1997 | 229, 27-11-1997 | Rendementen gesubsidieerde woningbouw november 1997 |
| 97–27 | 25-11-1997 | 235, 05-12-1997 | Aanpassing bedragen in BWS'95, BLS en BBSH |
| 97–28 | 05-12-1997 | 239, 11-12-1997 | Verlening van de indieningstermijn huursubsidie (2) |
| 97–29 | 09-12-1997 | 241, 15-12-1997 | Rendementen gesubsidieerde woningbouw december 1997 |
| 97–30 | 15-12-1997 | 247, 23-12-1997 | Versoepeling indieningstermijn voor de Regeling bijdrage huurlasten, inkomensdalingen voor 1 juli 1997 en bekendmaking hoogte omrekeningsfactoren |
| 97–31 | 22-12-1997 | niet gepubliceerd | Huursubsidiewet, informatie over vaststellen lokale grenzen, uitvoering gemeentelijk adviseringsbeleid, huursubsidie-uitgavennorm, nulmeting en berekening gemiddelde bijdrage |
| 97–32 | 23-12-1997 | niet gepubliceerd | Verruiming Regeling bijdrage huurlasten |
| 97–33 | 23-12-1997 | 5, 09-01-1998 | Verruiming van de spaargrens BWS'95 (budgetjaar 1997) |
| 97–34 | 24–12–1197 | niet gepubliceerd | Voortzetting gemeentelijke taak in het toezicht op toegelaten instellingen tot aan inwerkingtreding van de wijziging BBSH |
| 98–01 | 05-01-1998 | niet gepubliceerd | Huurbeleid voor de periode 1 juli 1998 tot en met 30 juni 1999 |
| 98–02 | 21-01-1998 | 21, 02-02-1998 | Rendementen gesubsidieerde woningbouw januari 1998 |
| 98–03 | 17-02-1998 | 38, 25-02-1998 | Rendementen gesubsidieerde woningbouw februari 1998 |
| 98–04 | 09-03-1998 | 52, 17-03-1998 | Regeling tot wijziging van de Tijdelijke stimulerings regeling duurzaam bouwen |
| 98–05 | 13-03-1998 | 59, 26-03-1998 | Verruiming Regeling bijdrage huurlasten |
| 98–06 | 13-03-1998 | 59, 26-03-1998 | Rendementen gesubsidieerde woningbouw maart 1998 |
| 98–07 | 01-04-1998 | 93, 19-05-1998 | Wijziging van de Tijdelijke stimuleringsregeling herstructurering goedkope woningvoorraad |
| 98–08 | 17-04-1998 | 86, 08-05-1998 | Regeling tot wijziging van de normbedragen voor constante en variabele exploitatiekosten voor huurstandplaatsen en van de huurprijzen voor woonwagens |
| 98–09 | 17-04-1998 | 84, 17-04-1998 | Rendementen gesubsidieerde woningbouw april 1998 |
| 98–10 | 22-04-1998 | niet gepubliceerd | Vangnetregeling huursubsidie |
| 98–11 | 11-05-1998 | niet gepubliceerd | Afschaffing minimale huursomstijging per 1 juli 1998; Wijziging HPW en Besluit huurprijzen woonruimte |
| 98–12 | 15-05-1998 | niet gepubliceerd | Regelgeving m.b.t. Koppelingswet |
| 98–13 | 18-05-1998 | 98, 28-05-1998 | Huursubsidiewet |
| 98–14 | 20-05-1998 | niet gepubliceerd | Wijziging BBSH; meldingsplichtige besluiten |
| 98–15 | 27-05-1998 | 111, 17-06-1998 | Rendementen gesubsidieerde woningbouw mei 1998 |
| 98–16 | 10-06-1998 | 114, 22-06-1998 | Rendementen gesubsidieerde woningbouw juni 1998 |
In 1997 heeft de Nationale Ombudsman over VROM 10 rapporten uitgebracht.
Het aantal rapporten op jaarbasis uitgebracht is opnieuw gedaald.
De verdeling over de departementsonderdelen (inclusief Kadaster) is als volgt.
| 1995 | 1996 | 1997 | |
| Centrale sector | 0 | 0 | 1 |
| DGVH | 10 | 4 | 1 |
| Huurcommissies | 0 | 4 | 6 |
| DGM | 2 | 1 | 0 |
| Kadaster | 4 | 4 | 2 |
| RPD | 0 | 0 | 0 |
| RGD | 0 | 0 | 0 |
| Totaal | 16 | 13 | 10 |
Aanbevelingen zijn er in 1997 door de Nationale Ombudsman niet gedaan.
De Nationale Ombudsman beschouwt de Huurcommissies en het Kadaster als zelfstandige bestuursorganen binnen het terrein van VROM.
1. Ontwikkelingen rond beleidsevaluatie binnen VROM
Binnen het ministerie van VROM wordt sinds enige jaren gewerkt aan de continue verbetering van de structurele inbedding van evaluaties in de beleids- en bedrijfsvoeringsprocessen, onder meer door de voortgaande uitwerking van resultaatgericht management.
Belangrijke stappen zijn in 1997/1998 gezet met de versterking van de relatie met de planning- en controlcyclus. In de belangrijke planning- en controldocumenten (ambitiedocument, jaarplan en managementrapportage) hebben evaluatieonderzoeken een plaats gekregen. Het accent komt daarbij steeds meer te liggen op de belangrijkste bevindingen van de onderzoeken en de consequenties daarvan voor de beleidsvorming. In 1998 is het streven in de bespreking van de managementrapportages van de diensten expliciet aandacht te besteden aan de evaluatieonderzoeken. Deze lijn zal worden voortgezet. Besloten is binnen de diensten speciale aandacht te besteden aan de verankering van de programmering en afstemming van evaluatieonderzoeken, van het monitoren en afstemmen van het gebruik van de evaluaties en van opname van een evaluatieparagraaf bij nieuwe beleidsvoorstellen.
Tevens wordt onderzocht of oprichting van een platform beleidsevaluatie de horizontale afstemming tussen de VROM-dienstonderdelen kan verbeteren.
In de evaluatiebijlage van de begroting 1998 is uitgebreid ingegaan op de realisatie van de in 1994 aan de Kamer toegezegde programmering.
Subsidie is slechts één van de instrumenten waarmee beleidsdoelstellingen gerealiseerd kunnen worden. In het reguliere proces van beleidsvorming is het subsidie-instrument, net als de andere instrumenten die gebruikt worden voor de realisatie van beleidsdoelstellingen, zoals vergunningen, regelmatig onderwerp van evaluatie.
In het kader van de inwerkingtreding van de 3e tranche van de Algemene Wet Bestuursrecht (AWB) geldt per 1 januari 1998 dat de regelingen binnen VROM ten minste iedere vijf jaar geëvalueerd moeten worden.
In maart 1996 heeft de Algemene Rekenkamer de resultaten gepubliceerd van een onderzoek naar de inzet van vergunningen als beleidsinstrument. Een van de bevindingen was dat evaluatie van het vergunningeninstrument slechts zeer beperkt plaatsvindt. Er is naar aanleiding van dit Rekenkameronderzoek een inventarisatie uitgevoerd van alle vergunningstelsels binnen VROM. Binnen het ministerie van VROM wordt het instrument vergunningen met name binnen het milieubeleidsterrein toegepast voor het realiseren van de beleidsdoelstellingen(zowel vergunningen die door andere overheden worden afgegeven als vergunningen waarvoor de Minister van VROM zelf het bevoegde gezag is). In de inventarisatie wordt geconstateerd dat binnen VROM de evaluatie veelal plaatsvindt in een breder kader, waarbij de vergunningverlening tevens aan de orde wordt gesteld. Dit breder kader kan zijn een algemene herziening van de betrokken wetgeving (bijvoorbeeld de Wet milieubeheer, de Wet milieugevaarlijke stoffen en de Waterleidingwet), het opstellen van een nieuw Meerjarenplan, opdrachten van de Europese Commissie, ontwikkelingen in de beleidspraktijk en rechterlijke uitspraken. De evaluatie kan betrekking hebben op beleidsinhoudelijke keuzen (bij het opstellen van een nieuw Meerjarenplan), betrokken hoeveelheden (bij milieugevaarlijke stoffen), essentieel gebruik (bij genetisch gemodificeerde organismen) en duidelijkheid, doelmatigheid en op doeltreffendheid, slagvaardigheid, handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid.
Een belangrijke rol bij de evaluatie van de effectiviteit van vergunningen in het milieubeleid speelt de Evaluatiecommissie Wet Milieubeheer (ECW). De ECW heeft tot taak alle aspecten van (de uitvoering van) de Wet milieubeheer te evalueren. Daarbij komt niet alleen de vraag naar effectiviteit van het milieubeleid aan de orde, maar ook de effectiviteit van de gekozen instrumenten (zoals voorlichting, subsidie, vergunning, convenant). De ECW adviseert de Minister van VROM over de resultaten van de evaluatieonderzoeken. De huidige zittingstermijn van de commissie loopt oktober 1998 af. Gezien de verplichting om de verschillende onderdelen van de Wet milieubeheer regelmatig te evalueren en de Tweede Kamer hierover te informeren is besloten de huidige afspraken met de ECW structureel voort te zetten.
Enkele actuele onderzoeken van de ECW naar vergunningen staan in de bijgevoegde overzichten: zie hiervoor in het overzicht met afgeronde onderzoeken nr. 54 en 55 «(Milieubeleids)plannen» en nr. 56 «Integrale vergunning en bestuurlijke problematiek» en in het overzicht met lopende onderzoeken nr. 47 «Integrale vergunning en bestuursproblematiek, fase 2».
Behalve de ECW spelen de inspecties van VROM een rol bij het bewaken van de effectiviteit van het (vergunning)instrumentarium in de praktijk. Ervaringen in het kader van handhavingsactiviteiten vormen de basis voor terugkoppeling richting de beleidsdirecties.
4. Overzichten evaluatieonderzoeken
In de hierna opgenomen overzichten zijn alle belangrijke beleidsevaluatieonderzoeken opgenomen. Onderscheid wordt gemaakt tussen de afgeronde, lopende en voor 1999 voorgenomen onderzoeken. Het gaat hierbij met name om onderzoeken, die projectmatig worden uitgevoerd, en gericht zijn op het verbeteren van de effectiviteit en/of doelmatigheid van het beleid of beleidsinstrumentarium. Per onderzoek wordt inzicht gegeven in:
– doelstelling en belangrijkste onderzoeksvragen (lopende en voorgenomen onderzoeken);
– conclusies en gebruik van de resultaten (afgeronde onderzoeken);
– ex ante of ex post evaluatie;
– (gepland) jaar van afronding.
Het overzicht van evaluatieonderzoeken geeft geen volledig beeld van de doelmatigheidsactiviteiten binnen VROM, omdat evaluatieonderzoek in de vorm van systemen van indicatoren en kengetallen (monitoringactiviteiten) en organisatiedoorlichtingen niet in het overzicht zijn meegenomen.
| AFGERONDE BELEIDSEVALUATIES: 1997,1998 | |||||
| Nr. | Onderwerp | Artikel | Conclusies en gebruik | Ex post/ex ante | Gereed |
| RIJKSGEBOUWENDIENST | 02 | ||||
| 1 | Evaluatie van huisvestingsprojecten die geheel of gedeeltelijk in 1997 zijn gerealiseerd. | werkartikel | Er is een kwaliteitsslag gemaakt t.a.v. aanlevering/uitvoering projectevaluaties. De geaggregeerde resultaten zijn teruggekoppeld aan regionale directies. | ex post | 1997 |
| 2 | Evaluatie Normeringsstelsel; beleidsnota | werkartikel | a) normen als richtlijn. b) aandacht voor uitwerken procedures en spelregels. c) info-toegankelijkheid. normering (intern) op portefeuilleniveau. Besluiten zijn uitgezet naar PSR-projecten (opname in Plan van Aanpak). | ex post/ ex ante | 1997 |
| 3 | Evaluatie Europees aanbesteden onderhoud Rgd; beleidsfase | O/E | Geconcludeerd wordt dat de Rgd e.e.a. formeel op juiste wijze heeft uitgevoerd, maar onvoldoende heeft gecommuniceerd met de branche-organisaties. Opgesteld is een zestal beleidsadviezen waarover een procedure voor periodieke communicatie met de installatie-branche is afgesproken | ex post | 1997 |
| 4 | Evaluatie veiligheids- en gezondheidsmodellen in het kader van het Bouwproces besluit; beleidsfase | n.v.t. | Er is veel gedaan door partijen aan geven van voorlichting over gebruik V- en G-modellen. Maar niet in alle gevallen evenveel interesse voor toepassing modellen. Na eerste en tweede fase heeft bestuurlijk overleg (BBOB) plaatsgevonden, waarin VROM heeft aangeboden een workshop te wijden aan ARBO-zorg om de bekendheid hiermee te vergroten. | n.v.t. | 1998 |
| DG VOLKSHUISVESTING | 03 | ||||
| 5 | Kwalitatieve Woning Registratie (KWR): gebruikstoepassingen en oordelen van gebruikers | 03.03 | Resultaten van de KWR zijn tot nu toe vooral door DGVH zelf gebruikt. Buiten VROM maken vooral gemeenten en provincies gebruik van KWR-cijfers. I.h.a. beoordelen externe organisaties de informatievoorziening van het Rijk op het terrein van woning en woonmilieu als voldoende. Voor de toekomst richt de informatiebehoefte zich, volgens de huidige gebruikers, vooral op de thema's: milieu-aspecten, geluidsisolatie, investeringen in woningen, herstelkosten en funderingskosten. De resultaten van de evaluatie worden meegenomen bij het opstellen van een programma van eisen voor de toekomstige KWR-infrastructuur. | ex post | 1997 |
| 6 | Ouderen : Wonen/Zorg (samenwerkingsproject VROM/VWS) | 03.15 | Hoger opleidingssniveau ouderen leidt tot hogere zelfredzaamheid en gezondere leefstijl. Daardoor relatief meer zelfstandig wonende ouderen en lager gebruik «zware» zorgvoorzieningen. Door absolute toename ouderen zullen zorgvoorzieningen wel moeten toenemen. Sterke groei verwacht bij woningaanpassing. Resultaten worden gebruikt voor verdere beleidsontwikkeling. | ex post/ ex ante | 1997 |
| 7 | Wet voorzieningen gehandicapten, tweede meting | 03.15 | De Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) functioneert redelijk in de praktijk. Op een beperkt aantal punten zijn verduidelijking een aanpassingen van de Wet noodzakelijk. De resultaten worden gebruikt voor voorlichting en voor aanpassingen van de Wvg. | ex post | 1998 |
| 8 | Normhuurquotes IHS | 03.16 | Het huidige IHS-systeem voldoet aan de wensen van deze tijd. Het normhuurquotesysteem voegt hier niets aan toe. | ex ante | 1998 |
| 9 | Risico-analyse en sterkte-zwakte-analyse voor de regelingen BLS, BWS, WSDV en de tijdelijke regeling Herstructurering | 03.18, 03.19, 03.35, 03.37, 03.42, 03.76 | Er gaat weinig of niets overboord. M.b.t. de leefmilieuverordening en het Stadsvernieuwingsplan moet worden bekeken of deze meegenomen worden in het ISV. Daarnaast moet, mede gelet op de adviezen van de voormalige Raad voor de Ruimtelijke Ordening, gedacht worden aan aanscherping van de WRO. De aanbevelingen worden verwerkt in de Wet ISV en de daarmee gepaard gaande overgangswetgeving. | ex post | 1997 |
| 10 | Duurzaam Bouwen | 03.40 | Trage start regeling. Per regio loopt uitputting erg uiteen. Actie die moet leiden tot productgerichte stimulering | ex post | 1997 |
| 11 | Bouwregelgeving: brandveiligheid | n.v.t. | Mogelijkheden om tot deregulering en uniformering van regelgeving voor brandveiligheid te komen zijn aanwezig. Resultaten zijn verwerkt in advies MDW Bouwregelgeving en implementatieplan MDW | ex ante | 1997 |
| 12 | Liberalisatie huurprijzen | n.v.t. | Effecten zijn niet groot. Huidige liberalistatie-maatregel is gehandhaafd. Resultaten worden tevens gebruikt voor discussie over huurbeleid op langere termijn | ex post/ ex ante | 1997 |
| 13 | Huurprijzen. Gevolgen OZB en hertaxatie WOZ | n.v.t. | Waardestijging woningen van sociale verhuurders. Lasten huurders hoger. Resultaten zijn verwerkt in Huurbrief | ex ante | 1997 |
| 14 | Inspectieprogramma Bouwregelgeving | n.v.t. | Er wordt regelmatig niet geheel conform vigerende wet- en regelgeving gehandeld. Administratie en werkproces bij veel gemeenten laat te wensen over. Aanbevelingen richting gemeenten. In 1998 zijn twee case-studies gepland. | ex post | 1997 |
| 15 | Onderzoek vermogensbeheer corporaties | n.v.t. | Bruteringsgelden zijn in het algemeen risicomijdend belegd. Veel inspanningen zijn gepleegd in het kader van financieel beheer. Verdere verbeteringen zijn noodzakelijk in verband met financiële continuïteit. Het gaat hierbij om financierings- en beleggingsbeleid, alsmede de administratieve organisatie. Aan de hand van het zelfoplossend vermogen van de sector, wordt getracht verbeteringen te bewerkstelligen. Wordt ingebracht in overleg met LC's. | ex post | 1996 |
| 16 | Financieel Zwakkere Instellingen | n.v.t. | Het onderzoek heeft geresulteerd in het inzicht in de financiële positie van de instellingen. Onderscheid is te maken in: a. geen concrete twijfels b. financieel onzeker/ c. financieel zwak d. reeds aanvraag bij CFV. Afhankelijk van de financiële positie van de instellingen zullen maatregelen in de sfeer van toezicht genomen worden a. regulier toezicht b. monitoring c. verscherpt toezicht | ex post | 1997 |
| 17 | Analyse hausse | n.v.t. | – huurprijs bij huurprijsverhogingsverschillen hoger dan gemiddelde huurprijs; – meer toegelaten instellingen dan part.verhuurders met huurprijsverhogingsgeschillen; – sterkere huurprijsverhoging bij part.verhuurders dan bij toegelaten instellingen. Input voor structurele marktmonitoring en input voor hausse 1997. | ex post | 1997 |
| 18 | Effecten van de liberalisatie van de huurprijzen bij part.verhuurders | n.v.t. | – geen specifiek beleid verhuurders; – huurstijgingen in geliberaliseerde woningen lager; – onderhoudstoestand geliberaliseerde woningen volgens huurders minder, volgens verhuurders goed. basis voor vervolgonderzoek | ex post | 1997 |
| 19 | Verhuurders en DUBO | n.v.t. | 3 mogelijkheden om te komen tot waardering DUBO-aspecten bij huurprijsberekening Tussenrapportage DUBO aan TK | ex ante | 1997 |
| 20 | Intern toezicht woningcorporaties | n.v.t. | Het onderzoek verschaft een beeld van het huidig functioneren van Raden van toezicht en Raden van commissarissen bij corporaties. Het intern toezicht is geen reden voor VROM om thans in te grijpen. Wel moet de sector verder gaan op de weg naar professioneel toezicht. De Cie. Glasz heeft o.b.v. het rapport aanbevelingen opgesteld (rapportage 'Naar professioneel toezicht, juni 1998) | ex post | 1998 |
| RIJKSPLANOLOGISCHE DIENST | 04 | ||||
| 21 | Instrumentatie restrictief beleid | Betrokken beleidsactoren hebben weinig suggesties voor verbetering, ze zijn tegen het restrictieve beleid of ongeïnteresseerd en denken er dus niet over na. Er is niks mis met het instrumentarium (er is eerder teveel dan te weinig, het zou selectiever gebruikt moeten worden), maar wel met de motivatie. Daaraan moet eerst gewerkt worden. Onderzoekers bevelen aan het behoud van landschappelijke waarden op de voorgrond te zetten, waardoor het restrictieve beleid een positieve lading krijgt. En samen te werken met LNV. En ze pleiten voor een gebiedsgerichte aanpak. Deze bevindingen sluiten aan bij de ervaringen van de inspecties RO, die hierdoor een bevestiging c.q. een steun in de rug hebben gekregen bij hun werk. | ex post | 1997 | |
| 22 | Ontwikkeling methodiek ex ante evaluatie | 04.03 | Toetsing van nieuw ruimtelijk beleid op uitvoerbaarheid en gevolgen voor ruimtelijke kwaliteit | ex ante | 1997 |
| 23 | Kwaliteit op Locatie | 04.03 | Onderzocht is of het project Kwaliteit op Locatie (KOL) al dan niet door moet gaan. Conclusie: het accent op bijeenkomsten. Dit wordt meegenomen in het werkprogramma KOL 1998 | ex ante/ ex post | 1997 |
| 24 | Uitvoering ROM-gebiedenbeleid | 04.03 | ROM-aanpak is succesvol, maar vergt de komende jaren nog belangrijke inzet van het Rijk. Komend jaar vindt naar aanleiding van de conclusies nadere uitwerking plaats van gebiedsgericht beleid. Onderzoek is uitgevoerd in samenwerking met DGM: zie nr. 30. | ex ante/ ex post | 1997 |
| 25 | Nieuwe Sleutelprojecten | 04.03 | Uit de Tussentijdse Evaluatie van de Nieuwe Sleutelprojecten (NSP) blijkt dat de NSP een waardevolle bijdrage kunnen leveren aan de gestelde rijksdoelstellingen. Op basis van deze uitkomst worden in de komende kabinetsperiode voor een aantal projecten (Utrecht City Project en de Zuid-As in Amsterdam) of delen van projecten (Rotterdam Centraal Station, Den Haag Hoog Hage, Arnhem Centraal/Coehoorn) concrete besluiten voorbereid over de vraag of en, zo ja, op welke wijze het Rijk moet bijdragen aan de ontwikkeling van deze projecten. | ex ante | 1998 |
| DG MILIEUBEHEER | 05 | ||||
| 26 | Bijdrageregeling gebiedsgericht milieubeleid (BGM) | 05.15.01 | Coördinatie en informatievoorziening functioneren nog niet optimaal. Er is een aantal concrete verbeteringspunten aangegeven t.a.v.: * informatieverstrekking door provincies * communicatie VROM – provincies * rol inspecties * afspraken over afrekenbare doelen en monitoring * prioritering binnengebieden. De te ondernemen acties betreffen o.a. de inzet van de provincies voor het BGM-programma 1998 en afspraken over de rol van de inspectie. | ex post | 1997 |
| 27 | Europees Milieuprogramma LIFE | 05.15.01 | De algemene conclusie is dat Nederland het goed doet in LIFE. De LIFE-uitvoeringsorganisatie behoeft geen aanpassing. Wel dient er meer aandacht te komen voor het «natraject», d.w.z. het begeleiden van de gecontracteerde projecten en het verspreiden van de projectresultaten. Bij de vaststelling van de werkzaamheden door de uitvoeringsorganisatie in 1998 zal hiermee rekening worden gehouden | ex post | 1997 |
| 28 | Jaarverslag Groen Beleggen | 05.15.01 | a) Zeer veel vraag naar beleggingsproduct. | a) ex post | 1997 |
| Knelpunt ligt eerder aan projectenzijde. Behoefte aan verbreding werkingssfeer. Werkingssfeer is met terugwerkende kracht per 1-1-1996 uitgebreid met bestaande biologische bedrijven en de categorie duurzame woningbouw. Ook is de rendementseis in de regeling nader uitgewerkt. | |||||
| b) Na de aanloopperiode is de regeling uitgegroeid tot een belangrijke stimuleringsregeling voor de realisatie van milieu- en energieprojecten. In 1997 werd voor bijna f 2 mld aan groenverklaringen uitgegeven. De krapte aan projecten is goeddeels opgelost. De uitvoering verloopt soepel en de bekendheid van de regeling is groot. In 1998 wordt de regeling met een aantal categorieën uitgebreid en ook opengesteld voor de Ned. Antillen en Aruba en projecten in het buitenland. | b) ex post | 1997 | |||
| 29 | Jaarverslag VAMIL (willekeurige afschrijving milieu-investeringen) | 05.15.01 | Het rendementsaandeel is als gevolg van rentestand teruggelopen. Het totale investeringsniveau neemt nog toe. De conclusie dat er ruimte is voor «VAMIL-plus» is inmiddels met terugwerkende kracht tot 1-1-97 gerealiseerd door de energie-invulling aftrek (hoofdstuk 6). | ex post | 1997 |
| 30 | Uitvoering ROM-gebiedenbeleid (Ruimtelijke Ordening en Milieu) | 05.15.01 | De ROM aanpak is vernieuwend en trendsettend gebleken voor de integratie van het ruimtelijke ordenings- en milieubeleid en de gebiedsgerichte uitvoering. Procesmatig lag de meerwaarde vooral in het doorbreken van impasses en het creëren van consensus over de gewenste ontwikkeling. De in potentie aanwezige milieuresultaten moeten met de nodige inspanningen nog grotendeels gerealiseerd worden in de 10 ROM projecten. De uitvoeringscondities (beheersinstrumentarium, afrekenbare en meetbare doelstellingen en resultaatsevaluatie) moeten daartoe worden verbeterd door m.n. een effectief optredende rijksoverheid. Conclusies en aanbevelingen zijn verwerkt in het NMP3 en in de rapportage «Toekomst Gebiedsgericht Milieubeleid». Onderzoek is uitgevoerd in samenwerking met de RPD: zie nr. 24. | ex ante/ ex post | 1997 |
| 31 | VRV-jaarrapportage (= Van Rijn-Vellekoop) | 05.15.02 | Rapport is eind 1997 aan TK aangeboden in de reeks Handhaving Milieuwetten 1997/117. T.o.v. 1994 zijn de resultaten per 1-1-97 geslaagd te noemen, zowel bij het op peil brengen en houden van vergunningen als bij preventieve en repressieve handhaving. IMH heeft bij sommige provincies nog twijfels. Ook de laatste provincies zullen de komende jaren de slag naar kwaliteit in de vergunningverlening afronden. De VRV-overeenkomst is nu afgesloten. Besloten is tot een jaarlijks overleg tussen VROM en IPO over de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de vergunningverlening en handhaving. De rol van de IMH hierbij is in het strategiedocument «Toezicht op afstand» vastgelegd. | ex post | 1997 |
| 32 | Beoordeling VOGM-jaarverslagen 1996 (Vervolg bijdrageregeling Ontwikkeling Gemeentelijk Milieubeleid) | 05.15.02 | Op basis van VOGM-jaarverslagen is beoordeeld hoe en in welk tempo gemeenten het adequate niveau van vergunningverlening en handhaving oppakken en is nagegaan in welke mate ze intergemeentelijke samenwerking realiseren. Rapport is eind 1997 aan TK aangeboden in de reeks Handhaving Milieuwetten 1997/118. Voornaamste conclusie is, dat de uitvoering in hoge mate effectief is geweest, maar er blijft na de VOGM nog een belangrijke inspanning door de gemeenten nodig, m.n. in kwalitatief opzicht. De systeemgerichte rol van de IMH bij het «tweede lijnstoezicht» is in het interne strategiedocument «Adequaat niveau van uitvoering» vastgelegd. | ex post | 1997 |
| 33 | Programma Internationalisering Milieubeleid (PIM) | 05.15.03 | Het programma heeft voorzien in de van te voren bepaalde doelstellingen. Het Voorzitterschap EU (voorjaar 1997) heeft hieraan een belangrijke bijdrage gegeven. Voortzetting van het programma in een nieuwe opzet wordt aanbevolen. In een aantal vervolgprojecten worden de bevindingen verder uitgewerkt. | ex post | 1997 |
| 34 | UN Commission on Sustainable Development | 05.15.03 | Bijeenkomsten hebben plaatsgevonden. Resultaat: nieuw werkprogramma met prioriteiten voor de CSD. Volgende evaluatie in 2002. | ex post | 1997 |
| 35 | Lozingenbesluit | 05.16.01 | Er zijn diverse knelpunten geformuleerd samen met een aantal verbeteringsvoorstellen. Vanuit het perspectief van de gemeente worden als knelpunt ervaren de onzekerheid over invulling van de regeling, de kosten en de wijze van de financiering van afvalwaterlozing. Vanuit het perspectief van de lozer worden als knelpunt ervaren de onzekerheid ten aanzien van de juridische situatie, de technische mogelijkheden en de kosten. De verbeteringsvoorstellen richten zich op verduidelijking van milieurendement, betere informatievoorziening en facilitering van de uitvoering. De knelpunten en verbeteringsvoorstellen worden uitgewerkt tot een advies aan de STUBOWA (Stuurgroep Bodem en Water). | ex post | 1997 |
| 36 | Urgentie-beschikkingen | 05.16.01 | Systematiek voldoet goed. Op enkele details is aanvullende toelichting nodig. | ex post | 1997 |
| 37 | Voortgang BSB-operatie | 05.16.01 | Stuurgroep BSB constateert dat er draagvlak is voor BSB-operatie. Er is een uitdaging om de stijgende lijn vast te houden. Het verzoek om continuering van de financiering van de BSB-stichtingen is door de minister gehonoreerd. Thans wordt gewerkt aan de vormgeving hiervan. | ex post | 1997 |
| 38 | Bouwstoffenbesluit | 05.16.01 | De uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van het nieuwe bouwstoffenbesluit, dat naar verwachting per 1-1-1999 van kracht zal worden, zijn ex ante beoordeeld. Conclusie is dat er geen grote belemmeringen zijn voor inwerkingtreding per 1-1-1999 en volledig effectief zijn per 1-7-1999. Daartoe zal nog een aantal acties worden uitgevoerd. In een algemeen overleg met de TK op 14 april 1998 is afgesproken om ook de markteffecten nog beter in kaart te brengen. | ex ante | 1998 |
| 39 | AMvB (art. 8.40 Wet milieubeheer) | 05.16.02 | Aanbevolen wordt om de huidige AMvB's Akkerbouw en Melkrundvee-houderij samen te voegen. Thans vindt een interne afstemmingsronde plaats. Begin 1999 volgt de externe afstemming, gevolgd door publicatie in de Staatscourant. | ex post | 1997 |
| 40 | Bijdrageregeling bodembescher-mingsgebieden (BBG) | 05.16.02 | Het stimuleringsbeleid is als instrument succesvol gebleken. Het multipliereffect is één van de aanwijzingen daarvoor. Het stimuleringsbedrag van f 69 mln. is dankzij de provincies en doelgroepen gegroeid tot f 164 miljoen: dat betekent een vermenigvuldigingsfactor van bijna 2,4. Een algemene conclusie van het onderzoek is dat het ontbreken van kengetallen een cijfermatig beeld van de effectiviteit van het bodembeschermingsgebiedenbeleid onmogelijk maakt. Uitspraken over efficiency en effectiviteit in kwalitatieve zin zijn wel mogelijk. Belangrijke aanbeveling: snel goed monitoringsysteem opzetten. De BBG is m.i.v. 1996 opgegaan in de Bijdrageregeling gebiedsgericht milieubeleid (BGM); voor de BGM wordt thans een inhaalslag op het gebied van monitoring opgezet. | ex post | 1997 |
| 41 | Gemeentelijke rioleringsplannen (GRP) | 05.16.02 | Een samenvatting van het eindrapport is met het standpunt van de minister van VROM op 17 juli 1997 aan de TK aangeboden (Kamerstuk 19 826, nr. 20). Het GRP vervult voor veel gemeenten belangrijke functies, mede dankzij de planverplichting die op effectieve wijze bijdraagt aan de gemeentelijke zorg voor het realiseren en handhaven van een geoptimaliseerd rioleringssysteem. De GRP'en maken aanwezige knelpunten bespreekbaar. De wettelijke omschrijving behoeft geen aanpassing. Wel wordt de rol van de inspecteur van het staatstoezicht op de volksgezondheid heroverwogen. | ex post | 1997 |
| 42 | Nationaal Onderzoeksprogramma Verdroging (NOV) | 05.16.02 | Programma heeft belangrijke meerwaarde voor samenwerking onderzoeksinstituten; aansluiting deelrapporten van onderzoeksprogramma met de praktijk beperkt; knelpunt is niet meer het ontbreken van technische kennis, maar ligt meer op het communicatieve en bestuurlijke vlak. Aanbevelingen: geen vervolg van het NOV in huidige vorm. Bij afronding grote zorg besteden aan communicatie en toepassen van kennis. Eind 1998 is een overkoepelend eindrapport gereed, waarin alle deelstudies in samenhang worden beschreven. Er is gestart met een nazorgprogramma voor 1998 en 1999, gericht op communicatie en overdragen van kennis naar de praktijk. | ex post | 1997 |
| 43 | Uitvoering Ammoniakreductieplannen (ARP) | 05.16.02 | * De uitvoering van de ARP's is, behalve in Brabant en Limburg, langzaam van de grond gekomen; * Er is sprake van een grote verscheidenheid in de plannen (van uitermate soepel tot streng); * De bestaande maatregelen t.a.v. mest en ammoniak leveren doorgaans meer milieuwinst op dan de ARP-regels; * Het belangrijkste aspect van een ARP is de mogelijkheid van bedrijfsontwikkeling; * In de ARP-gebieden worden veel ammoniakrechten samengevoegd en veel vergunningen voor emissiearme stallen verleend. De uitkomsten worden gebruikt bij het in 1998 formuleren van het beleid voor de periode na de expiratie van de Interimwet Ammoniak en Veehouderijen (IAV) in aug. 1999. | ex post | 1997 |
| 44 | Uitvoering drinkwaterbeleid | 05.16.02 | Proefevaluatie van de uitvoering van het Beleidsplan Drink- en Industriewatervoorziening (BDIV) zoals dat is vastgesteld door het parlement (1996), en van het waterbesparingsbeleid zoals vastgelegd in het Actieprogramma Waterbesparing (1992). De bij deze evaluatie gehanteerde indicatoren geven een redelijk goed beeld van de uitvoering van het drinkwaterbeleid. Voor de opzet van een structurele beleidsmonitoring en -evaluatie is een aantal aanbevelingen gedaan. Als belangrijkste eerste stap dienen concrete afspraken gemaakt te worden met de 2 voornaamste bronhouders (VEWIN en RIVM). De proefevaluatie geeft hiervoor een aanzet. Dit rapport wordt eind 1998 met een brief van de minister van VROM aan de TK aangeboden. | ex post | 1997 |
| 45 | Bestuursovereenkomst. Plaatsingsproblematiek Windenergie | 05.16.03 | Conclusies: 1. BPW is goed instrument voor op gang brengen van planvormingsproces en brede discussie over windenergie. 2. om doelstelling te realiseren is BPW niet voldoende, want geen sancties, veel interpretatie-ruimte en andere essentiële aspecten zijn niet BPW meegenomen. Aanbevelingen: 1. duidelijkere formulering afspraken; 2. rollen overheidspartijen explicieter; 3. verbeteren en intensiveren communicatie tussen (in)direct betrokken ministeries verhogen; 4. gemeenten, energiebedrijven en milieu-organisaties bij BPW betrekken; 5. voorlichtingscampagne uitvoeren i.v.m. maatschappelijk draagvlak. Gebruik: 1. Bijstelling van de BPW is niet wenselijk i.v.m. lopend implementatieproces; 2. Met betrokkenen worden aanvullende afspraken gemaakt; 3. Overleg over de voortzetting van de overeenkomst periode 2000–2010 is gestart; 4. Aanbevelingen uit rapport zijn opgenomen in Notitie «Duurzame energie in opmars». | ex post | 1997 |
| 46 | Bedrijfsmilieu-plannen Chemie (BMP) | 05.17.02 | De BMP's met de resulterende jaarrapportages zijn een waardevol instrument, maar de kwaliteit kan nog beter (m.n. het strategische gehalte in de BMP's en de betrouwbaarheid van de jaargegevens). De geplande maatregelen worden gerealiseerd, soms met vertraging. Nog geen sprake van omslag naar meer duurzame bedrijfsprocessen. Het bevoegd gezag reageert onvoldoende op de rapportages. IMH beveelt aanvullende (fin.) instrumenten aan alsmede meer deskundigheid en systematischere toetsing bij bevoegd gezag. | ex post | 1997 |
| 47 | Intentieverklaring grafische industrie | 05.17.02 | * De Milieubeleidsovereenkomst (MBO) met de grafische industrie en verpakkingsdrukkerijen heeft geleid tot een verbetering van de milieuhouding bij de bedrijven en tot een versnelling in het invoeren van milieumaatregelen. * De doelstellingen voor het jaar 2000 zijn volledig of in belangrijke mate haalbaar door het hanteren van een implementatiegraad per maatregel. * De evaluatie heeft in de ogen van de stuurgroep onvoldoende inzicht gegeven in succes- en faalfactoren en mogelijke verbeteringen van de MBO. Nader onderzoek wordt gedaan om meer inzicht te krijgen in succes- en faalfactoren en mogelijke verbeteringen van de MBO. | ex post | 1997 |
| 48 | Intentieverklaring zuivelindustrie | 05.17.02 | De werking van de instrumenten convenanten en bedrijfsmilieuplannen is door de overleggroep zuivelindustrie geëvalueerd. Alle partijen zijn overtuigd van de meerwaarde ervan. De afspraken behoeven geen aanpassing. | ex post | 1998 |
| 49 | Milieugerichte productontwikkeling in het MKB | 05.17.02 | Binnen het bedrijfsleven blijkt behoefte aan externe financiering voor milieugerichte ontwikkeling. Een hierop gerichte ondersteuningsregeling dient dan ook gehandhaafd te worden. De bedrijven die een aanvraag voor de regeling hebben ingediend kunnen grofweg getypeerd worden als jonge bedrijven die durfkapitaal nodig hebben en zich richten op een nieuwe productmarkt combinatie. Het rapport bevat 12 aanbevelingen om de regeling aantrekkelijker te maken voor de doelgroep. | ex post | 1997 |
| 50 | Productgerichte milieuzorg | 05.17.02 | Productgerichte milieuzorg lijkt bruikbaar instrument. Nut en noodzaak worden breed onderschreven en gefaseerde invoering kan leiden tot substantieel milieurendement. Programma voor generieke stimulering wordt in uitvoering genomen. | ex post | 1997 |
| 51 | Regelgeving asbest | 05.17.03 | Het rapport bevat circa 40, veelal gedetailleerde, aanbevelingen om op basis van de praktijkervaringen het beleid maar met name de regelgeving op onderdelen aan te passen. De asbestregelgeving zal aangepast worden. | ex post | 1997 |
| 52 | Handhaving milieuwetgeving | n.v.t. | Met de samenwerking tussen de handhavende instanties, waarvan het zwaartepunt op regionaal niveau ligt, gaat het nog niet goed genoeg. De TCR-affaire heeft opgeleverd dat de overheden die betrokken zijn bij de bestrijding van zware milieucriminaliteit de handhavingsstrategie verbeteren middels een ketengerichte benadering. In de verslagperiode is er ook hard gewerkt aan de verbetering van het handhavingsinstrumentarium. De conclusies zijn mede basis geweest voor een intensivering van het handhavingsbeleid zoals verwoord in het NMP3. Aan de implementatie van dit beleid wordt nu met kracht gewerkt door het IPO, de IMH en DGM. | ex post | 1997 |
| 53 | Project Verbetering Handhavings-instrumentarium Milieubeleid, (HAM), deel 1 | n.v.t. | De onderzoekers hebben in het rapport «Handhaven met effect» criteria geformuleerd waarmee in concrete situaties kan worden bepaald welke instantie het beste op welke wijze kan optreden. Verder bevat het rapport een uitgebreide beschrijving van de mogelijkheden van de bestaande handhavingsinstrumentarium. Het kabinet gaat de gesignaleerde knelpunten aanpakken. | ex ante | 1997 |
| In het kader van het evaluatieprogramma Wet milieubeheer van de Evaluatie Commissie Wet milieubeheer (ECW) zijn recentelijk de volgende evaluaties afgerond: | |||||
| 54 | Onderzoek «Plannen» (voorstudie) | 05.15.01 | Het rapport bevat de vragen voor het hoofdonderzoek naar de inhoud van milieubeleidsplannen. Een van de conclusies is dat het milieubeleidsplan en het milieuprogramma in de praktijk niet goed onderscheiden worden, terwijl ook niet altijd helder is wat in het plan en wat in de verordening vastgelegd moet worden. De conclusies zijn als input gebruikt voor het hoofdonderzoek. | ex post | 1997 |
| 55 | Onderzoek «Plannen» (hoofdstudie), | 05.15.01 | De belangrijkste adviezen van de ECW zijn: Het provinciaal milieubeleidsplan dient een integraal milieubeleidsplan te zijn. Deze doelstelling wordt (nog) niet gerealiseerd, maar het provinciale milieubeleidsplan vervult wel andere nuttige functies. De ECW acht het dan ook wenselijk het plan te handhaven. Anders oordeelt de ECW over het provinciaal milieuprogramma. Dit blijkt nauwelijks meerwaarde te bezitten. De verplichting een dergelijk programma jaarlijks op te stellen kan wat de ECW betreft vervallen. Het komt de ECW wenselijk voor dat de provinciebesturen meer echt eigen beleid gaan ontwikkelen. | ex post | 1997 |
| 56 | Integrale vergunning en bestuurlijke problematiek | 05.15.01 | De omgeving van de integrale milieuvergunning is in kaart gebracht. Het begrip integrale afweging is geanalyseerd en er is een opzet gemaakt voor operationalisering van dat begrip. In het eindrapport van de eerste fase wordt tevens aangegeven hoe het onderzoek in de tweede fase gestalte te geven. | ex post | 1997 |
| VOORGENOMEN EN LOPENDE BELEIDSEVALUATIES: 1998, 1999 | |||||
| Nr. | Onderwerp | Artikel | Doel onderzoek en onderzoeksaspecten | Ex post/ ex ante | Gereed |
| RIJKSGEBOUWENDIENST | 02 | ||||
| 1 | Evaluatie/verantwoording Regeringsbesluiten RHP II | werkartikel | Doel: Beschrijven van de wijze waarop inhoud is gegeven aan de regeringsbesluiten in het tweede Rijkshuisvestingsplan en het verwerken van de conclusies n.a.v. de evaluatie. | ex post | 1998 |
| 2 | Evaluaties van huisvestingsprojecten die geheel of gedeeltelijk in 1998 worden gerealiseerd | werkartikel | Doel: Evaluatie van huisvestingsprojecten met beoordeling op de doelmatigheidsaspecten zoals geformuleerd in de Rijkshuisvestingsplannen teneinde de beleidseffecten van gerealiseerde projecten in kaart te brengen en interne processen op niveau te handhaven dan wel te verbeteren. | ex post | 1998 |
| DG VOLKSHUISVESTING | 03 | ||||
| 3 | Woonconsumenten | 03.06 | Herijking beleidsmatige en financiële doelstellingen van het woonconsumentenartikel | ex post | 1998 |
| 4 | Nieuwe betaalbaarheid: Analyse brengplicht/Huursubsidiewet | 03.16 | Betreft de vraag welke effecten de nieuwe Huursubsidiewet heeft op de zgn. brengplicht en daaruit voortkomende huurprijsgeschillen | ex post | 1999 |
| 5 | Achtergrondanalyse huurbeleid: Huur- en leegstandsmonitor | n.v.t. | Volgt ontwikkelingen op regionaal niveau van leegstand, verkoop van huurwoningen, kernvoorraad en huurprestaties van corporaties | ex post | 1998 |
| 6 | Herijking VINEX: Herijking Actualisering VINEX: normkosten en -opbrengsten voor binnenstedelijke locaties. | n.v.t. | Project is gericht op evaluatie van in het kader van het BLS veronderstelde normkosten en -opbrengsten voor binnenstedelijke gebieden | ex post/ ex ante | 1999 |
| 7 | Herijking VINEX: Herijking actualisering VINEX: Normkosten en opbrengsten voor uitleglocaties 2005–2010. | n.v.t. | Project is gericht op evaluatie van in het kader van het BLS veronderstelde normkosten en -opbrengsten voor uitleglocaties | ex post/ ex ante | 1999 |
| 8 | Herijking VINEX: Vervolgonderzoek Kolpron t.a.v. FV-bijdragen. | n.v.t. | Betreft informatie over functieveranderingslocaties in gemeenten met >100 000 inwoners (o.a. kosten, opbrengsten, en grootte locaties) | ex post/ ex ante | 1999 |
| 9 | Doorwerking maatregelen Nationaal pakket woningbouw beheer in (bouw-) regelgeving. | n.v.t. | Voor bestaande woningen wordt per duurzaamheidsmaatregel onderzocht of de maatregel kan worden opgenomen in het Bouwbesluit alsmede de milieueffecten en kostenconsequenties ervan | ex ante | 1999 |
| 10 | Minimum eisen in het Bouwbesluit vs. Minimum gerealiseerde kwaliteit | n.v.t. | Betreft evaluatie van Woningwet en Bouwbesluit gericht op de vraag of er sprake is van een verschraling van de kwaliteit van sociale woningbouw. Daarbij komt ook aan de orde of de huidige kwaliteit voldoende duurzaam is voor toekomstige bewoners | ex post | 1999 |
| 11 | DUBO en stedelijke vernieuwing: Afwegingsmodel sloop-gebruiksduurverlenging | n.v.t. | Dit project moet een afwegingsmodel opleveren om voor woningen in herstructureringsgebieden een vanuit maatschappelijk, economisch en milieu-oogpunt een verantwoorde keuze te maken tussen sloop en gebruiksduurverlenging | ex ante | 1999 |
| 12 | Armoedebeleid: Toets Vh.-instrumentarium in relatie tot armoedebeleid | n.v.t. | Beoogt het volkshuisvestingsinstrumentarium door te lichten voor effecten op bestrijden en voorkomen van armoede | ex ante | 1999 |
| RIJKSPLANOLOGISCHE DIENST | 04 | ||||
| 13 | Ex ante evaluatiemethodiek | 04.03 | Proefonderzoek om de ex ante methodiek aan te scherpen in workshops aan te hand van vier te selecteren cases van nieuw ruimtelijk beleid in ontwikkeling | ex ante | 1998 |
| 14 | Contouren in het open ruimtenbeleid | 04.03 | Inzicht krijgen in de effecten van de contourenbenadering en suggesties krijgen om die te verbeteren | ex ante/ ex post | 1998 |
| 15 | Monitoring Vigerend Beleid | 04.03 | Nagaan of de beleidsdoelstellingen zij gehaald. Dit is een nul-versie van een jaarlijkse rapportage. | ex post | 1998 |
| 16 | Plan van aanpak NUBL | 04.03 | 1. voortgang in de uitvoering van de projecten 2. bereikte resultaten of het zicht op de resultaten die kunnen worden bereikt 3. aanvullende projecten die moeten worden gerealiseerd om de doelstellingen met NUBL te realiseren | ex post | 1998 |
| 17 | Bestuurlijke samenwerking rondom de Actualisering Vinex | 04.03 | 1. documentatie en beschrijving van het proces, in het bijzonder gericht op de vernieuwingen ten opzichte van het proces van de voorbereiding van de Vinex. 2. het evalueren van dit proces en het trekken van lessen hieruit met name ten aanzien van de vernieuwingen die in de Actualisering zijn aangebracht. | ex post | 1998 |
| 18 | Mainports | 04.03 | Evaluatie concept mainports uit de VINO/VINEX en aanbevelingen voor een gebruik van dit concept in de toekomst | ex post | 1998 |
| 19 | Wet Voorkeursrecht Gemeenten | 04.03 | Doel van het onderzoek is het monitoren van de feitelijke grondprijsontwikkelingen en de praktische toepassingen van de Wet Voorkeursrecht Gemeenten. Dit is een zgn. nulmeting t.b.v. de feitelijke evaluatie in 2000. | ex post | 1998 |
| 20 | Plattelandsvernieuwing | 04.03 | Betreft een evaluatie van de ervaringen met plattelandsvernieuwing (in samenwerking met IPO en LNV). Relatie met de toezegging aan de Tweede Kamer om gebiedscategorieën en de daaraan gekoppelde stimuleringsregelingen te saneren. | ex post | 1998 |
| 21 | PKB-Waddenzee | 04.05 | Nagaan of de PKB herzien moet worden resp. moet blijven bestaan, of het afwegingskader Waddenzee gefunctioneerd heeft, de hoofddoelstelling van het Waddenzeebeleid dichterbij gekomen is en onderzoeken welke nieuwe beleidsontwikkelingen zich voordoen. | ex post | 1998 |
| DG MILIEUBEHEER | 05 | ||||
| 22 | Jaarverslag Groen Beleggen 1997 | 05.15.01 | 1. Beoordeling effectiviteit van de regeling t.b.v. evt. bijstelling 2. infoverstrekking over het gebruik van de regeling voor de doelgroepen: overheid, banken, groene projectontwikkelaars, intermediairs en de pers. | ex post | 1998 |
| 23 | Stad en Milieu | 05.15.01 | Onderzoekvraag bij deze tussenevaluatie: Leidt intensiever ruimtegebruik tot meer klachten zoals hinder (stank en geluid) en minder groen of kan door efficiënter gebruik m.b.v. de projectresultaten van Stad & Milieu een win-win situatie ontstaan? | ex post | 1999 |
| 24 | Jaarverslag VAMIL (willekeurige afschrijving milieu-investeringen) | 05.15.01 | Interne doel jaarverslag: beleidsadvisering m.b.t. investeringen van doelgroepen, stand der techniek, trends in milieu-investeringen en verantwoording aan de politiek. Extern doel: inzicht in milieu-investeringen van bepaalde actoren, branches en milieucompartimenten. | ex post | 1999 |
| 25 | Bijdrageregeling gebiedsgericht milieubeleid | 05.15.01 | Eindevaluatie van de BGM: zijn de doelstellingen bereikt en wat is de bijdrage van de BGM daarbij geweest? | ex post | 1999 |
| 26 | Antarcticabeleid | 05.15.03 | Evaluatie van de door de Stichting Geologisch, Oceanografisch en Atmosferisch Onderzoek (GOA) uitgevoerde activiteiten in het kader van de Nederlandse Consultatieve Status bij het Verdrag inzake Antarctica. De evaluatie wordt aangeboden aan het Interdepartementaal Antarctica Overleg (IAO), en zal vervolgens elke 5 jaar plaatsvinden. | ex post | 1998 |
| 27 | Gewijzigde stortbesluit (Nazorg storten) | 05.16.01 | Beoordeling effectiviteit en doelmatigheid van het Stortbesluit. | ex post | 1999 |
| 28 | Convenant olie- en gaswinning met NOGEPA | 05.16.02 | 1: Toetsen bedrijfsmilieuplannen (bmp) aan integrale milieutaakstelling; 2: Toetsen uitvoering bmp's; 3: Evaluatie van het positieve effect van de uitvoering van het convenant op het mariene milieu. | ex post | 1999 |
| 29 | Regulerende Energie Belasting (REB) | 05.16.03 | Jaarlijkse beoordeling van de (milieu-)effectiviteit van dit nieuwe financiële instrument, t.b.v. evt. bijsturing en rapportage. REB is NMP-actiepunt. Voortrekkersrol evaluatie bij min. Fin; EZ en VROM participeren in de begeleiding. Bij evaluatie wordt monitoringinfo gebruikt uit de jaarlijkse energiemonitor. Over de resultaten van deze evaluaties wordt door Financiën gerapporteerd. Deze evaluaties zullen niet meer in de DGM-overzichten verschijnen. | ex post | 1997 |
| 30 | Tweede fase klimaatverkenningen | 05.16.03 | Het door uitvoering van ex ante-evaluatie inzichtelijk maken van de uit te voeren werkzaamheden (verkennen reductie-opties, overleg en afstemming), die m.b.t. de verdere ontwikkeling van het klimaatbeleid in de periode 2000 – 2020 aan de orde kunnen zijn. | ex ante | 1998 |
| 31 | Stankbeleid NER: bijz. regelingen geur | 05.16.03 | Vooruitlopend op evaluatie van het «algehele stankbeleid» wordt in de loop van 1999 – afhankelijk van de in de NER opgenomen data – de effectiviteit van een aantal bijzondere regelingen geur voor specifieke branches geëvalueerd. | ex post | 1999 |
| 32 | Stankbeleid | 05.16.03 | Beoordeling uitvoering, handhaving en doelmatigheid van het DGM-stankbeleid (n.a.v. herziene nota stankbeleid mei 1994 en brieven 31/1/95, 21/3/95, 30/6/95 en 15/7/96). Deze evaluatie is met instemming van de minister verplaatst van 1998 naar 1999. | ex post | 1999 |
| 33 | Hinderbelevingsenquête | 05.16.04 | Beoordeling effectiviteit van de maatregelen ter bestrijding van geluidhinder («4e meetlat ontwikkeling geluidhinder»). | ex post | 1998 |
| 34 | Sanering industrielawaai | 05.16.04 | Tussentijdse beleidsevaluatie m.b.t. effectiviteit en doelmatigheid van de uitvoering van de sanering industrielawaai. | ex post | 1998 |
| 35 | Verkeersmaatregelen | 05.16.04 | Beoordeling effectiviteit van het beleidsinstrumentarium verkeersmaatregelen. Eventueel in een volgende fase nagaan welk beroep er op de bijdragemogelijkheid op grond van het BBOL art. 8 t/m 13 gedaan zal worden in het licht van het beschikbare budget. | ex post | 1998 |
| 36 | Controleprogramma vracht/personenauto's | 05.16.04 | Evaluatie van het steekproefcontroleprogramma om te beoordelen in welke vorm voortzetting het meest zinvol is, mede gezien de ontwikkelingen in Europees verband. | ex post | 1998 |
| 37 | Certificering bij stort-verbod bouwen sloopafval | 05.17.01 | Beoordeling van de effectiviteit van certificering bij de handhaving van het stortverbod bouw- en sloopafval. | ex post | 1999 |
| 38 | Gescheiden inzameling huish. afval (GIHA) | 05.17.01 | Het programma Gescheiden inzameling van huishoudelijk afval (GIHA) is reeds enkele jaren in uitvoering. Geëvalueerd zal worden de mate waarin de gemeenten het programma GIHA doelmatig hebben geïmplementeerd en in hoeverre deze implementatie tot verhoging van de inzamelrespons heeft geleid. | ex post | 1999 |
| 39 | Indirecte financiering van inzameling scheepsafval | 05.17.01 | Bezien in hoeverre het systeem van indirecte financiering, zoals beheerd door de Stichting Scheepsafvalstoffen Binnenvaart (SAB), heeft voldaan aan de subsidievoorwaarden. | ex post | 1999 |
| 40 | Intentieverklaring in 3 bedrijfstakken | 05.17.02 | Beoordeling van de werking van de instrumenten «convenant» en «bedrijfsmilieuplan» i.h.k.v. het doelgroepenbeleid industrie (metaal- en elektrotechn.industrie, papier- en kartonindustrie en textiel- en tapijtindustrie) | ex post | 1999 |
| 41 | Integrale Normstelling Stoffen (INS) | 05.17.03 | In het kader van een «oog- en oor-audit» bij DGM zal bezien worden of en met welke tevredenheid de doelen van het INS-project gehaald zijn. Daarnaast zal bij de klanten geïnformeerd worden naar mogelijke verbeterpunten. De uitkomsten zijn van invloed op de toekomstige rol van DGM in het kader van INS. | ex post | 1998 |
| 42 | Circulaire emplacementen | 05.17.03 | Bezien beleidscirculaire op uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid en doelmatigheid a.d.h.v. praktijkervaring. Bezien hoe deze circulaire in regelgeving vertaald kan worden. | ex post | 1998 |
| 43 | SPA (Strat. Plan v. Aanpak Biodiversiteit) | 05.17.03 | Evaluatie van uitvoering actiepunten uit SPA en toetsing aan verdrag Biodiversiteit. De evaluatie zal uitmonden in een nieuwe notitie aan TK met nieuwe beleidsvisie t.a.v. biodiversiteit. | ex post | 1998 |
| 44 | Besluit Risico's Zware Ongevallen (BRZO) | 05.17.03 | Ex ante evaluatie van de uitvoerbaarheid van het nieuwe BRZO door het bevoegde gezag. | ex ante | 1999 |
| 45 | CPR Richtlijnen | 05.17.03 | Systematische doorlichting van de bestaande richtlijnen van de Commissie Preventie Rampen (CPR) met het oog op aanpassing en nieuwe richtlijnen. Het is de bedoeling dat V&W, SZW, BIZA en VROM alle CPR-richtlijnen evalueren. De nrs. 1, 3, 8, 9–1 t/m 9–6, 10, 11, 13, 15–1 t/m 15–3 en 17 liggen op VROM-terrein. | ex post | 1999 |
| 46 | Project HAM-2 | n.v.t. | Project Verbetering Handhavingsinstrumentarium Milieubeleid (HAM). Deelproject 2 omvat onderzoek naar de verbetering van het milieustrafrecht. | ex post | 1999 |
| In het kader van het evaluatieprogramma Wet milieubeheer van de Evaluatie Commissie Wet milieubeheer (ECW) zijn de volgende evaluaties in uitvoering of geprogrammeerd: | |||||
| 47 | Integrale vergunning en bestuursproblematiek, fase 2 | 05.15.01 | Onderzoek o.l.v. de ECW. Probleemstelling voor de 2e fase is: in hoeverre voldoet de praktijk van Wm-vergunningverlening aan het integraliteitsstreven van de wetgever, welke factoren belemmeren of bevorderen het maken van een integrale afweging en welke handvatten kunnen worden geboden om de Wm-vergunning meer integraal en effectief te maken? | ex post | 1998 |
In het hierna opgenomen overzicht van subsidies zijn de geldstromen1 opgenomen die voldoen aan de definitie van subsidie die gehanteerd wordt in de Miljoenennota 1988:
«Alle gebonden inkomens- en vermogensoverdrachten om niet van het Rijk aan personen, instellingen etc. in Nederland. Deze zijn bedoeld om het gedrag van producenten of consumenten (van bepaalde goederen en diensten) in een bepaalde richting te beïnvloeden.»
Deze definitie is door Financiën nader gespecificeerd en biedt voldoende houvast voor het vaststellen van de VROM-subsidies. De hier gehanteerde omschrijving wijkt overigens op een aantal punten af van de subsidiedefinitie van de Algemene Wet Bestuursrecht (AWB). Het is van belang bij de interpretatie van de informatie uit het overzicht zich goed te realiseren welke definitie hieraan ten grondslag ligt.
Van elke subsidie worden in het overzicht de volgende aspecten aangegeven:
• naam en formele vindplaats,
• begrotingsartikel,
• uitgaven in 1998 en 1999,
• doelstelling en doelgroep van de regeling,
• eventuele ex ante evaluatie van de regeling
• tijdstip van de laatste of voorgenomen ex post evaluatie,
• de vindplaats van de laatste ex post evaluatie,
• bevat de regeling een horizonbepaling en eventuele jaar
• valt de naleving van de subsidievoorwaarden onder de reikwijdte van de accountantsverklaring van de subsidieontvanger.
Voor specifieke informatie over de conclusies en aanbevelingen van actuele afgeronde (ex ante of ex post) evaluatieonderzoeken wordt verwezen naar de overzichten met beleidsevaluaties in deze bijlage.
In bijlage 15A (Grondslagen artikel(onderdelen) en overige (achtergrond)informatie) wordt een volledig overzicht gegeven van alle uitgavenartikelen van deze begroting, dus eveneens van regelingen en besluiten die nauw verwant zijn aan subsidies, maar niet aan de gehanteerde subsidiedefinitie voldoen.
1. SUBSIDIEREGELINGEN(Bedragen (x f 1 000)
| Naam subsidie- regeling en formele vindplaats | Artikel (onder- deel) | Bedrag1998(uitgaven) | Bedrag1999(uitgaven) | Doelstelling | Doelgroep | Ex ante evaluatie | Laatste/Voorgenomen ex post evaluatie | Vindplaats laatste ex post evaluatie | Horizon- bepaling | Accoun- tantsklaring verplicht? |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Tijdelijke regeling geldelijke steun liftplaatsing bij bestaande woongebouwen (St.crt. 1993, 37) | 03.15.06 | 13 050 | 11 500 | Het vergroten van de algemene fysieke toegankelijkheid van bestaande woongebouwen | Ouderen | Nee | Ja, 1996 | Ja | ||
| Huursubsidiewet (Stb. 1997, 197 ) | 03.16.01 | 2 993 340 | 3 065 950 | Het garanderen van betaalbaar wonen voor de lagere inkomensgroepen. | Huurders | Nee | 1994 (IHS in perspectief), 2000 | IHS in Perspectief (samenvatting DGVH en deelonderzoeken) is 27 september 1994 naar de Tweede Kamer gezonden. | Nee | Nee |
| Huursubsidiewet (Stb. 1997, 197) | 03.16.03 | 63 200 | 30 402 | Het vergoeden van kosten van verhuurders die via het stelsel van huurmatiging actief betrokken zijn bij de uitbetaling van de individuele huursubsidie, alsmede van gemeenten aan huurders die voorschotten aan individuele huursubsidie verstrekken. | Verhuurders gemeenten | - idem - | - idem - | -idem - | Nee | Nee |
| Bijdrage huurlasten (Besluit vangnetregeling) (Stb. 1998, 321) | 03.16.04 | 52 852 | 51 200 | Het creëren van een vangnetregeling voor huurders die een aanzienlijke inkomensdaling hebben gehad. | Huurders | Nee | 2000 | Nee | Ja (voor gemeenten) | |
| Gewenningssubsidieregeling eigen woningbezit (St.crt. 1997, 130) | 03.16.05 | 28 017 | 42000 | Het stimuleren van het eigen woningbezit onder midden- en lagere inkomens in het kader van de verkoop van woningen. | Eigenaar- bewoners | Nee | 2001 | Nee | Nee | |
| Tijdelijke stimuleringsregeling duurzaam bouwen (St.crt. 1996, 246) | 03.40.01 | 20 000 | 49 545 | Het bewegen van marktpartijen tot het toepassen van duurzaam bouwen, ervan uitgaande dat de totale meerkosten van duurzaam bouwen in de exploitatie wordt opgevangen. | Sociale en particuliere verhuurders en eigenaar-bewoners (via Budgetbeherende bestuursorganen | Nee | 1999 | Ja, 2000 | Ja (voor budgetbeheerders) | |
| Tijdelijke stimuleringsregeling herstructurering goedkope woningvoorraad (St.crt. 1996, 244) | 03.42 | 7 800 | 33 050 | Het treffen van duurzame ingrepen in het beheer of de samenstelling van de woningvoorraad, gericht op differentiatie van de sociale structuur. | Gemeenten en sociale verhuurders | Nee | 2000 | Ja, 1999 | Nee | |
| Programma Voorbeeldplannen Intensief Ruimtegebruik | 04.03.02 | 4 300 | 4 300 | Beïnvloeden van lokale besluitvormers tot zorgvuldiger afwegingen ten aanzien van het ruimtegebruik | Gemeen- ten, pro- jectontwik- kelaars, woningbouw- verenigin- gen, e.d. | Nee | 1999 | Ja, 2001 | Nee | |
| Subsidiebesluit maatschappelijke organisaties en milieu (Stb. 1995, 423) | 05.15.01 | 8 799* | 10 893* | Het bevorderen van de bewustwording voor milieuvraagstukken en de vergroting van het maatschappelijk draagvlak voor een duurzame samenleving. | Non-profit instellingen | Nee | 1995 (herijking subsidierelatie VROM-mil.org.) | «Draagvlak in uitvoering: evaluatie van de subs.reg. Maatsch. Org.», d.d. juli 1995, opgesteld door ERM Nederland BV. (niet extern gepubliceerd) | Nee | Ja |
| Subsidiebesluit milieugerichte technologie (Stb. 1995, 84) | 05.15.01 05.16.03 05.17.01 05.17.02 | 5 000*2 245*4 072*1 650* | 5 500*20 500* 5 200* 2 000* | Het verlenen van bijdragen ter stimulering van de ontwikkeling en maatschappelijke implementatie van milieugerichte technologie. | Alle maatschappelijke belangstellenden | Nee | Diverse deelonderzoeken: 1997: KWS 1996: MT | KWS: «Knelpuntenanalyse KWS 2000», d.d. 15 feb. 1997, van TNO MEP (niet extern gepubliceerd). MT: «Technologie: schone motor van de economie», d.d. 31/10/96, van het Centrum voor Schone Technologie en Milieubeleid (TU Twente), uitgebracht in de DGM-publicatiereeks «Milieustrategie 1996/16». | Nee | Ja |
| Besluit diverse subsidies milieubeheer (Stb. 1996, 158) | 05.15.01 05.15.03 05.16.01 05.16.02 05.16.03 05.16.04 05.17.01 05.17.02 05.17.03 | 214*4 372*600*200*100*250*286*300*250* | 164*3 380*1 875*-*100*300*– *350*65* | Het door middel van bijdragen stimuleren van projecten of activiteiten op milieugebied. | Bedrijven, particulieren maatschappelijke organisaties en gemeenten (ook internationaal) | Nee | Nog niet voorzien, gezien karakter van de regeling | Nee | Ja | |
| Regeling niet-industriële restwarmte-infrastructuur (NIRIS) (St.crt. 1998, 166) | 05.16.03 | 0 | 11 000 | Als onderdeel van het CO2-reductieplan bevorderen van de aanleg van infrastructuur voor distributie van niet-industriële restwarmte | Energiedistributiebedrijven | Nee | Nee | Ja |
* Verplichtingenbudgetten i.p.v. uitgavenbudgetten.
2. SUBSIDIES, NIET GEBASEERD OP EEN REGELING(Bedragen (x f 1 000)
| Naam subsidie (formele vindplaats begroting 1999) | Artikel (onder- deel) | Bedrag1998(uitgaven) | Bedrag1999(uitgaven) | Doelstelling | Doelgroep | Ex ante evaluatie | Laatste/Voorgenomen ex post evaluatie | Vindplaats laatste ex post evaluatie | Nr. in overzicht | Accoun- tantsklaring verplicht |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Scholing van woonconsumenten | 03.06.02 | 621 | 621 | Het verhogen van de deskundigheid van het kader van woonconsumentenorganisaties op het gebied van volkshuisvesting. | Bewoners- organisa- ties | N.v.t. | 1998 | 3 | Ja | |
| Subsidies aan bewonersorganisaties | 03.06.03 | 2 870 | 2 690 | Het ondersteunen van landelijke organisaties die gericht zijn op de belangenbehartiging van de woonconsument. | Bewoners- organisa- ties | N.v.t. | N.v.t. | Ja | ||
| Sanering woningbeheerders | 03.39 | 8 000 | 0 | Het saneren van in ernstige financiële problemen geraakte niet-winstbeogende instellingen, welke geen toegelaten instelling zijn | Niet-winst-beogende instellingen die geen toegelaten instelling zijn | N.v.t. | N.v.t. | Ja | ||
| Leerlingen op de bouwplaats | 04.08 | 1 930 | 1 930 | Het stimuleren van een voldoende gekwalificeerde instroom in de bouwnijverheid. | Bedrijven | N.v.t. | 1994 | «Het rendement van de opleiding op leerlingbouwplaatsen», mei 1994, van het Economisch Instituut voor de Bouwnijverheid (zie ook kamervraag 133 bij de parlementaire behandeling van de VROM-begroting 1995 voor de resultaten van de evaluatie (TK, vergaderjaar 1994–1995, 23 900 XI, nr 19, blz. 46) | N.v.t. | Ja |
Horizonbepaling Omdat de in dit overzicht gepresenteerde subsidies hun grondslag vinden in de begroting 1999 en niet in wet- of regelgeving geldt als horizon het betreffende begrotingsjaar.
Op grond van artikel 7, onderdeel g, van de Comptabiliteitswet bevat de artikelsgewijze toelichting bij de begroting per artikel(onderdeel) een economische en een functionele code, overeenkomstig de door de minister van Financiën gegeven classificatie (zie bijlage 16 bij de Memorie van Toelichting bij de begroting 1999). De classificatievoorschriften zijn gepubliceerd in Hafir.
Overzichten naar (macro-)economische classificatie geven inzicht in de economische aard (bijvoorbeeld consumptie, investeringen) en de bestemming (bijvoorbeeld sector bedrijven, sector gezinnen) van uitgaven en ontvangsten.
Overzichten naar functionele classificatie geven inzicht in de verdeling van uitgaven en ontvangsten over onderwerpen van staatszorg.
De hierna volgende overzichten a en b geven voor de onderhavige begroting een totaalbeeld van de uitgaven en de ontvangsten per economische hoofdgroep respectievelijk functionele categorie. Geaggregeerde overzichten voor de gehele Rijksbegroting naar zowel economische als functionele classificatie zijn in de desbetreffende bijlagen van de Miljoenennota gepresenteerd.
| Overzicht a Uitgaven en ontvangsten per (macro-)economische categorie met totalen per economische hoofdgroep (bedragen x f 1000) | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Code | Omschrijving | Uitgaven | Ontvangsten | ||||
| 1997 | 1998 | 1999 | 1997 | 1998 | 1999 | ||
| 01 | Niet verdeeld | 827 | 14 347 | 8 776 | |||
| 03 | Interne verrichtingen | 71 404 | 75 721 | 227 398 | |||
| 08 | Interne verrichtingen | 6 894 | 172 840 | 50 200 | |||
| 0 | Transacties die niet of niet onmiddellijk worden verdeeld | 72 231 | 90 068 | 236 174 | 6 894 | 172 840 | 50 200 |
| 11 | Beloning van werknemers | 316 717 | 336 981 | 331 183 | 10 341 | 7 060 | 29 690 |
| 12 | Overige goederen en diensten | 414 526 | 578 354 | 547 827 | |||
| 16 | Verkopen van goederen en diensten | 18 787 | 3 703 | 3 703 | |||
| 1 | Output, intermediair verbruik, afschrijvingen en beloning van werknemers | 731 243 | 915 335 | 879 010 | 29 128 | 10 763 | 33 393 |
| 21 | Rente | 57 676 | 27 402 | 54 717 | |||
| 26 | Rente | 6 923 | 6 884 | 6 150 | |||
| 2 | Inkomen uit vermogen | 57 676 | 27 402 | 54 717 | 6 923 | 6 884 | 6 150 |
| 41 | Sociale uitkeringen (exclusief sociale overdracht in natura) | 3 103 570 | 3 391 259 | 3 397 300 | 94 428 | 99 900 | 128 400 |
| 43A | Overige inkomensoverdrachten aan/van centrale overheid | 9 939 | 9 189 | 9 085 | |||
| 43C | Overige inkomensoverdrachten aan/van lokale overheid | 283 225 | 629 948 | 956 070 | 39 173 | 15 000 | 5 000 |
| 43D | Overige inkomensoverdrachten aan/van ondernemingen in de vorm van vennootschappen | 74 953 | 102 423 | 104 248 | |||
| 43F | Overige inkomensoverdrachten aan/van instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van gezinnen | 35 993 | 37 916 | 35 611 | |||
| 43G | Overige inkomensoverdrachten aan/van het buitenland | 16 083 | 16 576 | 15 213 | |||
| 4 | Secundaire inkomensoverdrachten | 3 523 763 | 4 187 311 | 4 517 527 | 133 601 | 114 900 | 133 400 |
| 61 | Aankopen grond | 14 309 | 12 023 | 12 023 | |||
| 62C | Investeringsbijdragen aan/van lokale overheid | 2 656 016 | 2 725 087 | 2 556 287 | 21 309 | 3 567 | 2 950 |
| 62D | Investeringsbijdragen aan/van ondernemingen in de vorm van vennootschappen | 16 872 | 10 682 | 6 218 | |||
| 63C | Overige kapitaaloverdrachten aan/van lokale overheid | 406 868 | 91 279 | 190 540 | 31 540 | 88 589 | |
| 63D | Overige kapitaaloverdrachten aan/van ondernemingen in de vorm van vennootschappen | 14 670 | 14 989 | 11 824 | 5 623 | 6 389 | |
| 69D | Ontvangen overige kapitaaloverdrachten | 3 263 | |||||
| 6 | Kapitaaloverdrachten en aan- en verkopen van niet-geproduceerde niet-financiële activa | 3 108 735 | 2 854 060 | 2 776 892 | 56 112 | 97 779 | 9 339 |
| 72C | Verstrekking van langlopende leningen aan lokale overheid | 3 100 | |||||
| 77C | Aflossing van langlopende leningen door lokale overheid | 17 805 | 15 453 | 6 793 | |||
| 78D | Verkoop van aandelen en overige deelnemingen in de vorm van vennootschappen | 17 000 | 50 000 | ||||
| 7 | Mutaties in financiële activa met een lange looptijd | 3 100 | 17 805 | 32 453 | 56 793 | ||
| Totaal | 7 493 648 | 8 077 276 | 8 464 320 | 250 463 | 435 619 | 289 275 | |
| Overzicht b Uitgaven en ontvangsten per functionele categorie (bedragen x f 1000) | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Code | Omschrijving | Uitgaven | Ontvangsten | ||||
| 1997 | 1998 | 1999 | 1997 | 1998 | 1999 | ||
| 06.2 | Sociale bijstand | 2 744 865 | 3 137 459 | 3 189 602 | 94 428 | 99 900 | 128 400 |
| 06.43 | Werkgelegenheid | 1 544 | 2 316 | 1 930 | |||
| 06 | Sociale voorzieningen | 2 746 409 | 3 139 775 | 3 191 532 | 94 428 | 99 900 | 128 400 |
| 07.0 | Algemeen | 193 367 | 267 263 | 419 345 | 5 884 | 3 149 | 77 649 |
| 07.1 | Volkshuisvesting | 2 408 271 | 2 649 875 | 2 840 643 | 118 080 | 136 437 | 32 837 |
| 07.11 | Toegepast wetenschappelijk onderzoek Volkshuisvesting | 15 810 | 12 610 | 20 182 | |||
| 07.2 | Ruimtelijke Ordening | 1 133 336 | 839 852 | 902 169 | 2 689 | 568 | 398 |
| 07.21 | Toegepast wetenschappelijk onderzoek Ruimtelijke Ordening | 7 611 | 7 832 | 8 181 | |||
| 07.30 | Algemeen milieu | 343 648 | 280 276 | 265 114 | 2 457 | 1 599 | 3 399 |
| 07 301 | Toegepast wetenschappelijk onderzoek algemeen milieu | 106 044 | 109 481 | 112 459 | |||
| 07.34 | Vuilafvoer en verwerking | 18 185 | 13 387 | 13 717 | |||
| 07.35 | Overig milieubeheer | 520 712 | 756 687 | 690 750 | 26 925 | 193 966 | 46 592 |
| 07.5 | Natuur en landschapsbehoud | 255 | 238 | 228 | |||
| 07 | Volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieu | 4 747 239 | 4 937 501 | 5 272 788 | 156 035 | 335 719 | 160 875 |
| Totaal | 7 493 648 | 8 077 276 | 8 464 320 | 250 463 | 435 619 | 289 275 | |
Ook voor 1999 is de missie van VROM – «het bevorderen van de duurzame kwaliteit van de leefomgeving» – uitgangspunt voor het communicatiebeleid van het ministerie.
De vijf centrale uitgangspunten voor de communicatie-strategie van de centrale Directie Voorlichting en Externe Betrekkingen (DVEB) zijn: samenwerken, open, deskundig, betrokken en resultaat. Het realiseren van missie en communicatie-strategie vereist samenhang: in beleid en ook – uit de aard der zaak – in communicatie. Rol en functie van communicatie veranderen, maar ook vorming, vaststelling en uitvoering van beleid veranderen. Daarom is vernieuwing van het communicatiebeleid onderdeel van de voorbereidingen die (DVEB) voor 1999 treft. Evenzeer gaat dat op voor organisatie en bedrijfsvoering van de directie.
Een aantal ontwikkelingen heeft direct of indirect effect op de communicatiedoelen van VROM. De rol van de rijksoverheid verschuift steeds meer naar die van «intermediair in het maatschappelijk verkeer». Dit uit zich ook in een toename van interactieve beleidsvorming en -uitvoering, waarbij direct met – andere – belanghebbenden in het proces wordt afgestemd. Ook de veranderingen bij de media leiden tot een breder en diverser aanbod; naast publieke komen er steeds meer commerciële omroepen. Het «grote publiek» is hierdoor moeilijker te bereiken. Technologische vernieuwing leidt tot meer communicatiemogelijkheden. Inter- en intranet zijn daar voorbeelden van. De Europese eenwording vraagt om verhoogde inzet van het Europese milieubeleid en het monetaire beleid, waaronder de invoering van de Euro doen appél op de communicatie-inspanningen van de EU-lidstaten.
Specifiek voor VROM is de beleidsintegratie binnen het departement. Dat geldt ook voor de wens tot een resultaat gerichter management, de vraag van beleidsdirecties om ondersteuning van interactieve beleidsprocessen (procescommunicatie) en het betrekken van ambtelijke medewerkers bij ontwikkeling en uitwerking van normen en waarden binnen VROM.
Als communicatiedoelen zijn geformuleerd:
• het toelichten en verklaren van voorgenomen en vastgesteld beleid (media- en publieksvoorlichting);
• het voeren van een pro-actieve communicatiestrategie gericht op het effectief benaderen van doelgroepen en het realiseren van een positief imago van bewindslieden en departement; onderzoek en monitoring zijn hierbij een belangrijk instrument;
• het voeren van een mediastrategie; het onderzoeken van nieuwe communicatiemiddelen – zoals inter- en intranet – om doelgroepen steeds effectief te kunnen bereiken (instrumentenmix);
• het verbeteren van de interne communicatie, mede om de beleidsintegratie binnen VROM te versterken;
• het versterken van de corporate communicatie, gericht op een samenhangende inzet van interne en externe communicatiemiddelen en ontwikkeling van strategieën;
• het versterken van integrale advisering: samenhang vanuit pers-, publieks- en interne voorlichting;
• positieversterking in netwerken vanwege noodzakelijke samenwerking met andere departementen, intermediaire organisaties, potentiële partners in beleid, alsmede vanwege nieuwe ontwikkelingen in de media-wereld.
Persvoorlichting, externe contacten bewindslieden en internationale betrekkingen
Kerntaak van deze functie is het adequaat (stelselmatig, volledig en betrouwbaar) informeren van journalisten, alsmede het organiseren van de externe contacten van bewindslieden. Nationaal en internationaal.
Het medialandschap verandert voortdurend van samenstelling en wordt steeds breder. De communicatie via de media verloopt vaak onvoorspelbaar en is niet zonder risico's; vandaar ook het grote belang van stelselmatige, volledige en betrouwbare informatie aan media-vertegenwoordigers. Persvoorlichting gaat in 1999 meer energie steken in evaluatie van media-exposure en andere externe optredens. Als het gaat om de inhoudelijke kant van het werk, is het van groot belang inhoudelijke prioriteiten te stellen, zo mogelijk in een werkprogramma bewindslieden. Het «managen» van de agenda en relevante dossiers is daarbij van bepalend belang. Persvoorlichting moet hierin – in overleg met de ambtelijke top – een voortrekkersrol spelen. Er wordt, om te beginnen in 1999, een halfjaars-plan opgesteld, waarin de bewindslieden wordt geadviseerd zich op een aantal prioriteiten te richten. Deze prioriteiten dienen mede op onderzoek gebaseerd te zijn en elk half jaar geëvalueerd te worden.
Interne en corporate communicatie
Door interne en corporate communicatie op elkaar af te stemmen, draagt interne en corporate communicatie (ICC) zorg voor VROM-brede (corporate) communicatie. Beoogd resultaat hiervan is het ministerie van VROM duidelijk in de samenleving te positioneren en het bestaande imago te verbeteren. Zowel de eenheid van het ministerie als geheel, als de verscheidenheid in doelen en taken van delen van het departement krijgen daarbij een plaats. Daarnaast zorgt ICC voor adequate interne communicatie tussen de onderdelen van VROM. Informatievoorziening – verticaal in beide richtingen – en advisering bij grote projecten zoals de bedrijfsvoering staan daarbij centraal. ICC stelt jaarlijks in overleg met diensten, centrale directies en departementsleiding een projecten-programma op. Bij de uitvoering hiervan worden naast reguliere- ook projectspecifieke, vaak nieuwe middelen ingezet.
In 1998 heeft ICC een start gemaakt met de vernieuwing van de VROM-huisstijl. Verdere ontwikkeling gebeurd mede op basis van image-onderzoek van het ministerie. Andere belangrijke communicatie-speerpunten zijn de interne (resultaatgericht management) en externe sturing (interactieve beleidsvorming) van het ministerie.
ICC verzorgt vier «vaste» media:
• VROM-Visie is de nieuwsbrief voor beleidsmedewerkers en het hoger management van het ministerie dat informeert over actuele beleidsmatige en politieke ontwikkelingen. Bewindslieden en ambtelijke top schrijven in VROM-Visie bij toerbeurt een column.
• VROM-Venster is het twee-wekelijkse personeelsblad voor alle medewerkers; in dit blad staat de samenhang tussen de onderdelen van het ministerie centraal.
• VROM-Infonet is de kabelkrant van het ministerie; medewerkers worden dagelijks van actuele ontwikkelingen op de hoogte gehouden.
• VROM entree en de roltrap-entree zijn de tenstoonstellingsruimten van het departementsgebouw in Den Haag. De afdeling organiseert er frequent tentoonstellingen over ruimte, milieu en wonen.
Veranderingen in het beleid van VROM zullen ook in 1999 steeds adequaat moeten worden toegelicht en verklaard aan – delen van – het «grote publiek».
In algemene zin kan daarnaast worden geconstateerd dat voorlichting en communicatie in toenemende mate worden gezien als instrumenten bij de beleidsontwikkeling én ter vergroting van het draagvlak voor VROM-beleid. Beleidsmakers ontwikkelen beleid en betrekken bij de ontwikkeling de voorlichter. Dat laatste gebeurt bij VROM – meestal – in een pril stadium. Vergroting van draagvlak is geen typische VROM-doelstelling, dit streven past bij een overheid die zich communicatief wil en ook moet opstellen. Beleidsmakers en voorlichters bepalen, in toenemende mate mét intermediairen hoe het beleid vorm moet worden gegeven. In extremo kan de situatie zich voordoen dat een voorlichter de beleidsmaker adviseert een voorstel verder te ontwikkelen, omdat het nog ongeschikt is er doelgroepen mee te benaderen.
Voor 1999 zal de functie van voorlichting zich verder verbreden naar communicatie. Communicatie wordt vast onderdeel in de zogeheten interactieve beleidsprocessen. Communicatie beperkt zich niet meer het uitdragen van beleid, of «een van de instrumenten in de mix», maar wordt daarmee een tastbaar «top of mind onderwerp» van politici, beleidsmakers en managers.
Afhankelijk van de inhoudelijke prioriteiten van de nieuwe VROM-bewindslieden is een aantal thema's richtingbepalend voor de communicatie-strategie '99 van publieksvoorlichting:
• absolute ontkoppeling van milieudruk en economische groei;
• duurzame economische ontwikkeling;
• verbetering leefomgevingskwaliteit;
• stedelijke vernieuwing en verbetering woonomgeving («complete stad»);
• verbetering leefomgevingsbeleid door natuurontwikkeling en -bescherming (biodiversiteit);
• milieubelasting van wonen, werken en vervoer;
• adequaat beheer van ruimte.
Doel van de inzet van communicatie zal vaak zijn het verrichten van consultatie, het creëren van draagvlak en het bevorderen van actieve participatie. Deze inzet komt voort uit de openheid en samenwerking die VROM als overheidsorganisatie nastreeft.
Campagnes Postbus 51 publieksvoorlichting
De volgende grote campagnes, in 1998 al door VROM bij de Voorlichtingsraad aangemeld, lopen door in het begrotingsjaar 1999:
• Huur- en huursubsidiebeleid: in deze massamediale campagne worden huurders en verhuurders gewezen op veranderingen in het beleid en zij krijgen informatie over de rechten en plichten die daar voor hen uit voortvloeien. De campagne vult activiteiten aan die door koepel-/belangenorganisaties en intermediaire kaders wordt uitgevoerd.
• Duurzaam Bouwen: in samenwerking met de doe-het-zelfbranche en andere betrokken marktpartijen worden milieu-aspecten van het (ver)bouwen en onderhoud onder de aandacht gebracht. Gedrags- en gebruiksalternatieven worden aangereikt. Doel van de campagne is het bevorderen van duurzaam bouwen en onderhoud bij de woonconsumenten, zoals in het Tweede Plan van Aanpak Duurzaam Bouwen staat geformuleerd.
• Afval: deze massamediale campagne start naar alle waarschijnlijkheid in januari 1999. Alle voorlichting rondom het scheiden van huishoudelijk afval (groente-, fruit- en tuinafval, papier, karton, glas, batterijen en textiel) wordt in de campagne geïntegreerd.
• Milieukeur: om de bekendheid van producten met het Milieukeur te vergroten, wordt met de Stichting Milieukeur een voorlichtingscampagne uitgevoerd. VROM heeft een adviserende en bindende rol. De campagne wordt afgestemd met de LNV-campagne voor het EKO-Keurmerk.
• Klimaat/CO2: met EnergieNed en het Wereldnatuurfonds wordt de in 1996 gestarte voorlichtingscampagne voortgezet. Doel van de campagne is het aangeven van concrete consumentenbijdragen aan de oplossing van het broeikasprobleem, het aantonen van concrete resultaten en te wijzen op de noodzakelijke extra inspanningen om de CO2-productie terug te brengen.
Verantwoording van campagnes
De verantwoording van door VROM gevoerde publiekscampagnes zal deel uitmaken van de algehele – rijksbrede – evaluatie, die aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt aangeboden.
Voor 1999 en verdere jaren staan voor de afdeling Voorlichtingsmiddelen de volgende zaken centraal:
• verregaande integratie van direct marketing binnen de mix van communicatie-methoden;
• professionalisering van de inkoop en selectie van media;
• verbeteren van afstemming tussen interne en externe middelen;
• het kunnen aanbieden van direct-mail en «printing on demand».Speerpunt in de uitvoering is de invoering van een nieuwe huisstijl van VROM. Qua organisatie is Voorlichtingsmiddelen in het afgelopen begrotingsjaar klantgerichter gaan werken. Voordeel van deze aanpak is ook dat de samenwerking met andere afdelingen binnen DVEB verbetert en de verantwoordelijkheden duidelijker werden.
De medewerkers van het bureau Persoonlijke Voorlichting informeren jaarlijks 25 á 30 000 mensen, die VROM met een vraag benaderen. Een nieuwe telefooncentrale zorgt voor verbetering van de bereikbaarheid; het voice-response systeem voor een goede kanalisering naar de Postbus 51 Infolijn en het Vrom-distributiecentrum. Het elektronisch zoeksysteem maakt het de voorlichters mogelijk om interactief telefonische vragen te beantwoorden. Op 1 juli 1998 is gestart met elektronisch registeren van vragen om de maatschappelijke antenne-functie van Persoonlijke Voorlichting voor «beleid en communicatie» tastbaar te maken.
De centrale Directie Voorlichting en Externe Betrekkingen bestond per 1 augustus 1998 uit de volgende aantallen mensen:
• Directie (1, ad interim)
• Bedrijfsbureau (6)
• Secretariaat (6)
• Onderzoek en Monitoring (1)
• Persvoorlichting, Externe Contacten en Internationale Betrekkingen (12)
• Publieksvoorlichting (23)
• Interne en Corporate Communicatie (5)
• Voorlichtingsmiddelen (11)
• Bureau Persoonlijke Voorlichting (7)
De sturing op voorlichtingsprojecten en de hiermee samenhangende financiële en personele middelen geschiedt op basis van de gehele voorlichtingsprogrammering. Het bedrijfsbureau van DVEB heeft in de tweede helft van 1998 een belangrijke taak in de financiële planning en control van de directie gekregen. Speerpunten binnen deze taak zijn de verbetering van de begrotingsvoorbereiding, sturing van financiële verplichtingen, het uitsluitend aangaan van duidelijke, schriftelijke opdrachten en het tijdig aangaan van Europese aanbesteding bij grote contracten. Het beschikbare budget voor 1999 bedraagt: 27,643 miljoen gulden. Dit bedrag is als volgt onderverdeeld:
| Publiekscommunicatie: | f 14,091 mln |
| Persvoorlichting | – 0,200 mln |
| Interne en corporate communicatie | – 1,365 mln |
| Algemeen (middelen en distributie) | – 4,400 mln |
| Personele uitgaven | – 6,731 mln |
| Materiële uitgaven | – 0,856 mln |
| Totaal | f 27,643 mln |
In dit bedrag zijn de voorlichtingsuitgaven, die niet apart worden geadministreerd buiten beschouwing gelaten. Binnen de geldende voorlichtingsdefinitie is afgesproken dat aan exploitatie gekoppelde uitgaven in 1999 zullen worden overgeheveld van de algemene naar de materiële uitgaven.
Daarnaast is in het beschikbare bedrag nog geen rekening gehouden met de in het regeerakkoord afgesproken doelmatigheidstaakstelling. Zie hiervoor paragraaf 7.9 van het Algemeen deel van de Memorie van Toelichting en de toelichting bij de artikelen 01.07 «Voorlichting» en 01.11 «Nog nader te verdelen».
| Gesloten convenanten (periode 1-6-1997 tot 1-6-1998 | |||
| Doelstelling | Betrokken partijen | Datum van ondertekening | Inwerkingtreding |
| Volkshuisvesting | |||
| Duurzaam Bouwen : met het convenant verbinden partijen zich aan de inspanningsverplichting om duurzaam bouwen bij nieuwbouw en beheer van sociale huurwoningen te bevorderen (vierjarig). | VROM en EZ met de (toenmalige) koepels van woningcorporaties (NWR en NCIV) en de Nederlandse Woonbond. Ook de gezamenlijke waterleidingbedrijven (VEWIN), energiedistributiebedrijven (EnergieNed) en Novem hebben het convenant ondertekend. | 19-11-1997 | 1-1-1998 |
| Brutering beleggers : met de overkoepelende organisaties van beleggers (ROZ en IVBN) en individuele beleggers zijn convenanten afgesloten inzake de afkoop van DKP-subsidies. | VROM met ROZ en IVBN; op 12 december 1997 is een basisconvenant getekend door deze partijen. In de periode mei t/m juli 1998 hebben ca. 225 individuele beleggers een gelijkluidend convenant ondertekend. Daarmee is op dit moment ca. 99% van het bedrag van de afkoop van deze subsidies afgedekt. | 12-12-1997 | 12-12-1997 |
| Ruimtelijke ordening | |||
| Beleidsconvenant ROM-Rijnmond : partijen streven naar een verantwoord evenwicht tussen de versterking van de mainport Rotterdam en de verbetering van de leefomgeving. Zij streven naar het tot stand laten komen van projecten en andere initiatieven die op die ontwikkeling zijn gericht en zullen zich inspannen voor de verwezenlijking daarvan. Partijen het bevorderen van de verdere ontwikkeling van de mainport in samenhang met de verbetering van de leefbaarheid in het projectgebied. Als sub-doelstellingen zijn geformuleerd: – het scheppen van ruimte voor de mainport – het verbeteren van de bereikbaarheid van de mainport – het zoveel mogelijk terugdringen van de nadelige milieu-effecten die met de mainport samenhangen – het bevorderen van een met de mainport samenhangend zuinig en efficiënt gebruik van energie en grondstoffen – het bevorderen van de ruimtelijke kwaliteit | De Staat der Nederlanden (VROM, V&W, LNV, EZ), Provinciaal Bestuur van Zuid-Holland, Stadsregio Rotterdam, Gemeenten Rotterdam, Albrandswaard, Barendrecht, Bergschenhoek, Berkel en Rodenrijs, Bernisse, Bleiswijk, Brielle, Capelle aan den IJssel, Hellevoetsluis, Krimpen aan den IJssel, Maassluis, Ridderkerk, Rozenburg, Schiedam, Spijkenisse, Vlaardingen, Stichting Europoort Botlek Belangen, Kamer van Koophandel Rotterdam, SVZ Havenondernemersvereniging Rotterdam | 28-04-1998 | 28-04-1998 (vervangt het beleidsconvenant ROM-project Rijnmond van 9-12-1993) |
| Milieubeheer | |||
| Convenant Glastuinbouw en Milieu : de realisatie van de integrale milieutaakstelling met betrekking tot de primaire productie in de glastuinbouwsector. | Ministers van LNV, VROM, V&W en EZ, IPO, VNG, Stadsgewest Haaglanden, Unie van Waterschappen en Land- en Tuinbouworganisatie Nederland. | 13-11-1997 | 13-11-1997 |
| Convenant Verpakkingen II : in 2001 bedraagt de totale hoeveelheid te verbranden en te storten verpakkingsafval van papier of karton, glas, kunststof en metaal maximaal 940 kiloton, vermeerderd met de hoeveelheid verpakkingsafval van metaal, die na verbranding als materiaal wordt hergebruikt. | Minister VROM, VNO-NCW, Stichting Verpakking en Milieu en MKB-Nederland. | 15-12-1997 | 25-12-1997 |
Huurprijsgrenzen bij woningtoewijzing per 1-7-1998 (ongewijzigd)
| goedkope huur | betaalbare huur | dure huur |
|---|---|---|
| < f 600,- | f 600,- tot f 810,- | > f 810,- |
Inkomensgrenzen doelgroep van het volkshuisvestingsbeleid
Inkomensgrenzen doelgroep Huursubsidiewet per 1-7-1998 en BBSH en Huisvestingsbesluit per 1-1-1999
| Belastbaar huishoudinkomen per jaar | |
|---|---|
| éénpersoonshuishoudens < 65 jaar | < f 36 500,- |
| éénpersoonshuishoudens > 65 jaar | < f 30 750,- |
| meerpersoonshuishoudens < 65 jaar | < f 48 600,- |
| meerpersoonshuishoudens > 65 jaar | < f 40 500,- |
Vermogensgrenzen doelgroep van het volkshuisvestingsbeleid per 1-7-1998
Vermogensgrenzen doelgroep Huursubsidiewet per 1-7-1998
| Belastbaar huishoudinkomen per jaar* | |
|---|---|
| éénpersoonshuishoudens < 65 jaar | < f 38 850,- |
| éénpersoonshuishoudens > 65 jaar | < f 66 450,- |
| meerpersoonshuishoudens < 65 jaar | < f 57 250,- |
| meerpersoonshuishoudens > 65 jaar | < f 92000,- |
Prijscategorieën woningbouw per 1-1-1999
Stichtingskosten (exclusief toeslag voor plaatselijk verschillende omstandigheden (pvo) en meerwerk)
| goedkoop | middelduur | duur |
|---|---|---|
| < f 183 000,- | f 183 000,- tot f 261 000,- | > f 261 000,- |
| 1. | Inleiding | 51 |
| 2. | Stedelijke vernieuwing | 51 |
| 3. | Stand van de stadsvernieuwing | 51 |
| 3.1 | Verslaglegging budgethouders | 51 |
| 3.2 | Voortgang: landelijk niveau/gemeentecategorie | 52 |
| 3.3 | Bestedingen per hoofdgroep (uitgaven verwerving, wonen, etc.) | 54 |
| 4. | Toezicht- en controlebeleid WSDV | 55 |
| 4.1 | Indiening verslaglegging en uitvoering sanctiemaatregel | 55 |
| 4.2 | Protocol accountantsverklaringen | 56 |
| 4.3 | Toezicht en controle verslaglegging | 56 |
| 5. | Wijzigingen WSDV/BSDV | 56 |
| Bijlage A | Investeringen per gemeentecategorie (in mln geëxtrapoleerd) | 57 |
Op grond van artikel 3 van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing (WSDV) wordt jaarlijks verslag uitgebracht over het gevoerde stadsvernieuwingsbeleid. In deze bijlage wordt achtereenvolgens ingegaan op stedelijke vernieuwing, het verslag over de stand van de stadsvernieuwing (jaarbudget 1996), het gevoerde toezicht- en controlebeleid en mededelingen over doorgevoerde en/of voorgestelde wijzigingen van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing of het Besluit op de stads- en dorpsvernieuwing (BSDV).
Op 18 december 1997 heeft de Tweede Kamer de nota «Stedelijke vernieuwing» (Kamerstukken II, 1996/1997, 25 427 nrs. 1 en 2) behandeld. Over de daarbij aangenomen moties, alsmede de meest actuele informatie ten aanzien van beleid en instrumenten op het terrein van stedelijke vernieuwing en aanverwante beleidsterreinen, is de Kamer bij brief van 12 juni 1998 geïnformeerd. De nota Stedelijke vernieuwing vormt het beleidskader voor de afronding van de stadsvernieuwing en het op gang brengen van de herstructureringsopgave voor de periode 1998 t/m 2010. Voor de toekomstige instrumentering van de beleidsvoornemens is besloten tot bundeling van de huidige geldstromen per 2000 in het Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing (ISV). In de brief van 28 november 1997 aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 1997/1998, 25 427, nr. 3) zijn de contouren van het ISV kenbaar gemaakt. Zolang de huidige afzonderlijke regelingen nog van kracht zijn, blijven de daaraan gebonden verantwoordingsvormen gelden. In deze rapportage wordt dan ook op de gebruikelijke wijze verslag gedaan over de besteding van de stadsvernieuwingsgelden.
Voor het voorgenomen beleid in het kader van de stedelijke vernieuwing en de voorbereiding van het Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing wordt verwezen naar hoofdstuk 5 (Wonen) van het algemene deel van deze Memorie van Toelichting.
3. STAND VAN DE STADSVERNIEUWING
3.1. Verslaglegging budgethouders
Als gevolg van de wijzigingen in de verantwoordingsstructuur per 1995 op grond van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing brengen 60 budgethouders rechtstreeks aan het Rijk verslag uit over de besteding van de stadsvernieuwingsgelden, voorzien van een accountantsverklaring. Voor de indiening van de verslaglegging hebben de budgethouders gebruik gemaakt van het in het Besluit op de stads- en dorpsvernieuwing voorgeschreven verslagleggingsformulier (artikel 13, eerste lid) en het accountantsprotocol (artikel 13, derde lid).
De stadsvernieuwingsactiviteiten waarover door de budgethouders verslag wordt gedaan sluiten aan bij de posten in de BELSTATO-raming, waarvan de herijking is opgenomen in deel B van de nota Stedelijke vernieuwing. De verslaglegging van de budgethouders omvat de bestedingen van de in 1996 ontvangen stadsvernieuwingsgelden en de stand van de stadsvernieuwing per 31 december 1996. Het merendeel van de budgethouders heeft de verslaglegging bij het Rijk ingediend vóór 15 september 1997.
In de volgende hoofdstukken wordt nader ingegaan op de stand van de stadsvernieuwing en het bestedingspatroon.
3.2 Voortgang: landelijk niveau/gemeentecategorie
De rijksbijdrage voor de voeding van de gemeentelijke (f 934,4 mln.) en provinciale (f 161,9 mln.) stadsvernieuwingsfondsen is voor het begrotingsjaar 1996 bepaald op totaal f 1 096,3 mln. De verdeling van dit budget is geregeld bij Ministeriële circulaires MG 95–29 van 2 oktober 1995 en MG 96–20 van 24 september 1996 en omvat de verdeling van het stadsvernieuwingsbudget voor de 48 rechtstreekse gemeenten en de 12 provincies ten behoeve van de niet-rechtstreekse gemeenten. Voor de laatstgenoemde gemeenten worden de gelden via de provinciale stadsvernieuwingsfondsen op grond van daartoe strekkende verordeningen overwegend op projectbasis verstrekt.
De door de budgethouders in de verslaglegging verantwoorde aan stadsvernieuwing besteedde gelden op landelijk niveau over de afgelopen jaren zijn vermeld in tabel 1.
Tabel 1: landelijk overzicht uitgaven, inkomsten, eigen bijdragen en saldi x f 1 mln.)1
| 1991 | 1992 | 1993 | 1994 | 1995 | 1996 | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| beginsaldo | 644 | 651 | 725 | 872 | 1 136 | 1 464 |
| inkomsten | 2 119 | 2 087 | 2 007 | 1 732 | 1 327 | 1 307 |
| (waarvan gem. bijdrage) | (516) | (521) | (409) | (430) | (173) | (124) |
| uitgaven | 2 116 | 2 015 | 1 851 | 1 687 | 1 002 | 988 |
| inkomsten min uitgaven | 3 | 72 | 156 | 45 | 325 | 319 |
| eindsaldo op kasbasis | 647 | 723 | 882 | 917 | 1 515 | 1 838 |
1 Niet alle gemeenten hebben een bestedingsverslag ingediend. Per jaar zijn de aantallen en de daarbij behorende sleutelaandelen als volgt:
1991: 634 gemeenten en 99,7%
1992: 633 gemeenten en 98,8%
1993: 616 gemeenten en 93,3%
1994: 466 gemeenten en 72,0%
1995: alle budgethouders (48 rechtstreekse gemeenten en 12 provincies) en 100%
1996: idem als in 1995
De sleutelaandelen zijn gebaseerd op het aandeel per gemeente in het totale budget volgens de stadsvernieuwingssleutel. Met weging van de onderscheiden groepen van gemeenten zijn de gegevens tot 100% opgehoogd.
NB: In principe is het eindsaldo van een bepaald jaar gelijk aan het beginsaldo van het daarop volgende jaar. Omdat de gegevens niet ieder jaar van precies dezelfde groep gemeenten zijn verkregen, kunnen de begin- en eindsaldi verschillen. Het grote verschil tussen het eindsaldo van 1994 en het begin saldo van 1995 wordt veroorzaakt door het verschil in indieningsdiscipline in beide jaren.
De tabel laat zien dat er sprake is van toegenomen kasvoorschotten. Het ministerie van VROM zal de oorzaken hiervan nader analyseren. Overigens moet bij het «eindsaldo» de kanttekening worden gemaakt dat het hier gaat om bedragen die de gemeenten nog in kas hebben maar die al wel verplicht kunnen zijn.
Tabel 2 geeft een overzicht van het inkomsten- en uitgavenpatroon per gemeentecategorie voor 1996.
Vanwege de vergelijkbaarheid met gegevens uit voorgaande jaren wordt ook in deze rapportage uitgegaan van de gemeentecategoriën: 4 grote steden (behorend tot de groep van 22 MPS-gemeenten), 18 MPS-gemeenten, overige rechtstreekse gemeenten (26) en niet-rechtstreekse gemeenten. Het begrip MPS-gemeenten is destijds ingevoerd om de grote en middelgrote gemeenten als groep te onderscheiden in het toentertijd jaarlijks uitgebrachte Meerjarenplan Stadsvernieuwing (MPS). De indeling komt overigens vrijwel overeen met de eigen groepsbenadering van de desbetreffende (MPS-)gemeenten: 4 grote steden en 23 (samenwerkende stadsvernieuwings-)gemeenten.
Tabel 2: Overzicht 1996 per gemeentecategorie, uitgaven, inkomsten, eigen bijdragen en saldi (x f 1 mln.)
| 4 grote steden | MPS-gem. | overige rechtstr. gem. | niet rechtstr. gem. | landelijk | |
|---|---|---|---|---|---|
| beginsaldo | 741 | 205 | 150 | 367 | 1 464 |
| inkomsten (in %) | 710(54%) | 275(21%) | 134(10%) | 188(15%) | 1 307(100%) |
| (w.v. gem. bijdrage) | (29) | (25) | (41) | (29) | (124) |
| uitgaven (in %) | 438(44%) | 219(22%) | 135(14%) | 196(20%) | 988(100%) |
| inkomsten min uitgaven | 272 | 56 | – 1 | – 8 | 319 |
| eindsaldo | 1 012 | 266 | 165 | 395 | 1 838 |
Om een vergelijking met voorgaande jaren te kunnen maken is in bijlage A een overzicht opgenomen van de investeringen per gemeentecategorie over een reeks van jaren.
In tabel 3 is een overzicht gegeven van de eigen gemeentelijke bijdragen aan de stadsvernieuwingsfondsen per gemeentecategorie, zowel in absolute bedragen als in percentages van de uitgaven.
Tabel 3: Eigen bijdragen gemeenten in verhouding tot de totale uitgaven per jaar per gemeentecategorie
| 1991 | 1992 | 1993 | 1994 | 1995 | 1996 | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 4 grote steden | 117(13%) | 98(12%) | 112(13%) | 93(14%) | 45(12%) | 29(7%) |
| overige MPS | 54(15%) | 41(13%) | 8(2%) | 27(9%) | 34(15%) | 25(11%) |
| over. rechtstr. | 108(31%) | 103(31%) | 78(23%) | 72(33%) | 33(31%) | 41(30%) |
| niet-rechtstr. | 242(45%) | 279(51%) | 211(43%) | 238(48%) | 69(28%) | 29(15%) |
| totaal: | 516(26%) | 521(27%) | 409(20%) | 430(25%) | 181(19%) | 124(13%) |
De gerapporteerde gemeentelijke eigen bijdragen over 1996 liggen volgens tabel 3 voor alle gemeentecategorieën, uitgezonderd de overige rechtstreekse gemeenten, op een lager niveau dan dat in voorgaande jaren. Met name bij de niet-rechtstreekse gemeenten en de grote steden is sprake van een vermindering. Bij de niet-rechtstreekse gemeenten bedraagt het aandeel eigen middelen 15% van de uitgaven. Het eigen middelen-aandeel van de grote steden is gedaald naar 7%. De gemiddelde eigen bijdrage van de gezamenlijke gemeenten ligt op 13% en komt daarmee ongeveer overeen met de 15%, zoals opgenomen in de herijkte BELSTATO-raming in de nota Stedelijke vernieuwing. Overigens kan hierbij worden opgemerkt dat een aantal gemeenten in hun verslagen aangeeft de eigen bijdragen aan de stadsvernieuwing niet (meer) aan het Rijk te verantwoorden. De eigen bijdrage van die gemeenten is dus ook niet in de gepresenteerde cijfers verwerkt.
3.3 Bestedingen per hoofdgroep (uitgaven verwerving, wonen, etc.)
In tabel 4 zijn de landelijke uitgaven per hoofdgroep weergegeven. In de tabel worden 10 hoofdgroepen onderkend, waaronder de budgethouders de bestedingen kunnen verantwoorden. Tot en met 1994 kende het verslagleggingsformulier 9 hoofdgroepen. Sinds 1995 wordt voor de verslaglegging gebruik gemaakt van een gewijzigd formulier, waar 10 hoofdgroepen van bestedingscategoriën op voorkomen. Hierdoor is een verschuiving in de verantwoording opgetreden, die meer recht doet aan de werkelijke situatie.
Onder de toegevoegde post «overige» vallen zaken als verbouw scholen, sociale maatregelen, gebouwde parkeervoorzieningen niet-wonen etc. Deze uitgaven werden vóór 1995 weggeschreven bij andere bestedingscategoriën, waardoor een vertekend beeld in sommige hoofdgroepen ontstond. Aan deze nieuwe hoofdgroep is over 1996 f 123 mln. besteed, ca. 13% van de uitgaven.
Tabel 4: De absolute en relatieve verdeling van de landelijke uitgaven over de hoofdgroepen voor de bestedingsjaren 1991 t/m 1996, (bedragen x f 1 mln.)
| Bestedingen | 1991 | 1992 | 1993 | 1994 | 1995 | 1996 | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| f | % | f | % | f | % | f | % | f | % | f | % | |
| 1. verw.etc. | 577 | 27 | 533 | 27 | 509 | 27 | 484 | 29 | 329 | 33 | 338 | 34 |
| 2. wonen | 448 | 21 | 404 | 20 | 346 | 19 | 282 | 17 | 132 | 13 | 119 | 12 |
| 3. infrastr. | 115 | 5 | 123 | 6 | 121 | 6 | 102 | 6 | 75 | 8 | 68 | 7 |
| 4. procesk. | 152 | 7 | 166 | 8 | 171 | 9 | 201 | 12 | 95 | 10 | 88 | 9 |
| 5. wo.omg. | 333 | 16 | 344 | 17 | 289 | 16 | 269 | 16 | 134 | 13 | 136 | 14 |
| 6. mon.z. | 103 | 5 | 109 | 5 | 106 | 6 | 92 | 5 | 66 | 7 | 70 | 7 |
| 7. bedr. | 116 | 6 | 93 | 5 | 66 | 4 | 43 | 2 | 14 | 1 | 13 | 1 |
| 8. milieu | 162 | 8 | 136 | 7 | 146 | 8 | 112 | 7 | 21 | 2 | 14 | 1 |
| 9. welzijn | 110 | 5 | 107 | 5 | 97 | 5 | 102 | 6 | 23 | 2 | 19 | 2 |
| 10. overige | – | – | – | – | – | – | – | – | 113 | 11 | 123 | 13 |
| totaal | 2 116 | 100 | 2 015 | 100 | 1 851 | 100 | 1 687 | 100 | 1 002 | 100 | 988 | 100 |
In de hoofdgroepen zijn de volgende stadsvernieuwingsactiviteiten, zoals toegelicht in de «Handleiding» bij de verslaglegging WSDV bij de circulaire MG 95–16 van 31 mei 1995, ondergebracht:
1. Verwerving, sloop, grondkosten en -opbrengsten:
verwervingskosten woningen, sloopkosten woningen, verwervingskosten bedrijven c.a., sloopkosten bedrijven c.a., grondwerk en overige infrastructuur.
2. Woningverbetering en -verbouw:
verbetering eigen woningen, verbetering particuliere huurwoningen, verbouwing van woningen
3. Infrastructuur:
herinrchting verkeersgebieden
4. Proceskosten:
voorbereiding en planontwikkeling, inspraak, begeleiding en voorlichting
5. Woonomgevingsverbetering:
verbetering (historische) woonomgeving en groenvoorzieningen
6. Monumentenzorg:
restauratie woonhuismonumenten (rijks- en gemeentelijke monumenten)
7. Bedrijvensteun:
bijdragen aan ondernemers bij verplaatsing/opheffing, voortzetting of realisatie van bedrijfshuisvesting
8. Milieuhinderlijke bedrijven:
onrendabele kosten sanering milieuhinderlijke bedrijven
9. Welzijn:
onrendabele kosten welzijnsvoorzieningen
10. Overig:
kosten verbouw scholen, sociale maatregelen, gebouwde parkeervoorzieningen niet-wonen etc.
Uit de tabel kan worden afgeleid dat t.o.v. 1995 de grootste toename van de uitgaven heeft plaatsgevonden bij de hoofdgroepen «verwerving, sloop en grondwerk» en «overige»; de grootste afname betrof de hoofdgroep «wonen». Maar ook «infrastructuur», «proceskosten», «milieu» en «welzijn» zijn verder gedaald. De uitgaven voor «woonomgeving», monumentenzorg» en «bedrijven» liggen ongeveer op het niveau van 1995. In relatief opzicht zijn de verschuivingen in het uitgavenpatroon in vergelijking met 1995 niet noemenswaardig groot. Opvallend daarbij is wel dat aan «verwervingen, sloop, grondwerk» – door de jaren heen de grootste uitgavenpost – een derde van de uitgaven wordt besteed. Dit is vooral een gevolg van de gestegen verwervingskosten als gevolg van het aantrekken van de vastgoedmarkt. Dit wordt door het onderzoek «Grondproductiekosten c.a.» (KOLPRON, 1996), dat in het kader van de herijking BELSTATO is uitgevoerd, bevestigd. Daarnaast, zo blijkt uit tabel 5, besteden de 4 grote steden naar verhouding een groot deel van de gelden aan de post «overige», de overige MPS-gemeenten aan «wonen», de overige rechtstreekse gemeenten aan «monumentenzorg» en de niet-rechtstreekse gemeenten aan «woonomgeving». Uitgaven aan «milieu» en «welzijn» vinden vooral plaats in de kleinere gemeenten, terwijl «proceskosten» in de grotere steden hoger scoren. Passend in de beleidslijn van BELSTATO geven gemeenten in hun verslaglegging aan dat de gelden ook in naoorlogse wijken worden ingezet, waarmee de gemeenten voorsorteren op de stedelijke vernieuwing.
Tabel 5: Absolute (bedragen x f 1 mln.) en relatieve verdeling (in %) van de uitgaven over de 10 hoofdgroepen in 1996
| 4 gr. steden | Overige MPS | Overige rechtstr. | niet-rechtstreeks | landelijk | |
|---|---|---|---|---|---|
| 1. verwerv. etc. | 161 (37) | 68 (31) | 45 (33) | 64 (33) | 338 (34) |
| 2. wonen | 49 (11) | 40 (18) | 11 (8) | 19 (10) | 119 (12) |
| 3. infrastructuur | 13 (3) | 17 (8) | 15 (11) | 23 (2) | 68 (7) |
| 4. proc. kosten | 50 (12) | 26 (12) | 8 (6) | 3 (2) | 88 (9) |
| 5. woonomg. | 49 (11) | 25 (11) | 15 (12) | 46 (23) | 136 (14) |
| 6. mon.zorg | 29 (7) | 13 (6) | 19 (14) | 10 (5) | 70 (7) |
| 7. bedrijven | 9 (2) | 4 (2) | – | – | 13 (1) |
| 8. milieu | – | – | 2 (1) | 13 (6) | 14 (1) |
| 9. welzijn | 2 (0) | 1 (0) | 2 (2) | 14 (7) | 19 (2) |
| 10. overige | 76 (17) | 25 (12) | 18 (13) | 4 (2) | 123 (13) |
| totaal: | 438 (100) | 219 (100) | 135 (100) | 196 (100) | 988 (100) |
4. Toezicht- en controlebeleid WSDV
De Wet op de stads- en dorpsvernieuwing (WSDV) voorziet in de verplichting aan de budgethouders (48 rechtstreekse gemeenten en 12 provincies) tot tijdige en volledige (met accountantsverklaring) indiening van de verslaglegging over de besteding van de stadsvernieuwingsgelden. Op deze wijze (achteraf) brengen de budgethouders verslag uit over de stadsvernieuwingsuitgaven en het beheer van de gelden. In deze paragraaf wordt ingegaan op het door het Rijk gevoerde toezichten controlebeleid over de verslaglegging over 1996.
4.1 Indiening verslaglegging en uitvoering sanctiemaatregel
De budgethouders worden geacht de bestedingsverslagen tijdig en volledig bij het Rijk in te dienen. Indien dat niet het geval is, wordt door het Rijk aan de rechtstreekse gemeenten en door de provincies aan de niet-rechtstreekse gemeenten, op grond van artikel 42 van de WSDV, een sanctie opgelegd; 20% van de te betalen rijksbijdrage wordt opgeschort en bij in gebreke blijven wordt deze 20% definitief ingehouden op het desbetreffende jaarbudget.
In het verslagjaar 1996 is aan één gemeente door het Rijk een sanctie opgelegd. Omdat deze gemeente naderhand alsnog aan de verplichting heeft voldaan, zal worden overgegaan tot uitbetaling van het opgeschorte bedrag. Overigens geldt met ingang van 1998 de sanctiemaatregel ook voor de provinciale verslaglegging over het begrotingsjaar 1997.
4.2 Protocol accountantsverklaringen
Alle budgethouders hebben zich aan het in het Besluit op de stads- en dorpsvernieuwing, artikel 13, derde lid, voorgeschreven protocol gehouden. In het protocol zijn richtlijnen voor de accountantsverklaring opgenomen ten behoeve van het vaststellen van de rechtmatige besteding van de stadsvernieuwingsgelden.
4.3 Toezicht en controle verslaglegging
In het kader van het toezicht door het Rijk op de rechtmatige besteding van de stadsvernieuwingsgelden zijn controles uitgevoerd op de verslaglegging over het begrotingsjaar 1996 en het beheer van de stadsvernieuwingsfondsen. De bevindingen zijn in het voorjaar van 1998 aan de budgethouders meegedeeld.
Het toezicht- en controlebeleid van het Rijk heeft zich toegespitst op de verslagleggingsdiscipline (compleetheid, tijdigheid), eventuele strijdigheid met de WSDV, juiste weergave van de ontvangen rijksbijdrage, opgave toevoeging gespaarde rente, saldi- en spaargrensoverschrijding, accountantsverklaring conform protocol, strekking accountantsverklaring en de afronding van openstaande punten uit voorgaande jaren. Bij alle budgethouders kon de controle over 1996 als afgerond worden beschouwd.
In 1997 zijn geen wijzigingen in de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing doorgevoerd. Wel is, bij ministeriële regeling, een wijziging van het Besluit op de stads- en dorpsvernieuwing, artikel 4, negende en tiende lid, tot stand gebracht. Deze wijziging houdt een bijstelling in van de «regeling percentages stads- en dorpsvernieuwing», en betreft de 4 grote steden en een 23-tal gemeenten, waarvoor per 1998 gewijzigde percentages van de uit 's Rijks kas te verdelen bedragen gelden.
Verder is in 1997 het protocol voor de accountantsverklaring bij besluit van 6 oktober 1997, Staatsblad 470, gewijzigd. De wijzigingen betroffen het vervallen van het artikel over misbruik en oneigenlijk gebruik en de verruiming van de definitie van de te verantwoorden gelden. Voor de verslaglegging over 1997 dienen de budgethouders van dit protocol gebruik te maken.
| 1991 | 1992 | 1993 | 1994 | 1995 | 1996 | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| beginsaldo | 179 | 153 | 193 | 307 | 446 | 741 |
| inkomsten | 852 | 848 | 842 | 814 | 679 | 710 |
| (waarvan gem. bijdrage) | (117) | (98) | (112) | (93) | (45) | (29) |
| uitgaven | 877 | 808 | 728 | 676 | 384 | 438 |
| inkomsten min uitgaven | – 25 | 40 | 114 | 138 | 295 | 272 |
| eindsaldo | 154 | 193 | 307 | 445 | 741 | 1 012 |
| 1991 | 1992 | 1993 | 1994 | 1995 | 1996 | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| beginsaldo | 121 | 118 | 139 | 159 | 156 | 205 |
| inkomsten | 379 | 347 | 343 | 303 | 264 | 275 |
| (waarvan gem. bijdrage) | (54) | (41) | (8) | (27) | (34) | (25) |
| uitgaven | 372 | 326 | 328 | 293 | 225 | 219 |
| inkomsten min uitgaven | 7 | 21 | 15 | 10 | 39 | 56 |
| eindsaldo | 128 | 139 | 154 | 169 | 195 | 266 |
Overige rechtstreekse gemeenten
| 1991 | 1992 | 1993 | 1994 | 1995 | 1996 | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| beginsaldo | 200 | 216 | 219 | 148 | 134 | 150 |
| inkomsten | 347 | 334 | 336 | 208 | 121 | 134 |
| (waarvan gem. bijdrage) | (103) | (103) | (78) | (72) | (33) | (41) |
| uitgaven | 332 | 330 | 324 | 220 | 105 | 135 |
| inkomsten min uitgaven | 15 | 4 | 12 | – 12 | 16 | – 1 |
| eindsaldo | 215 | 220 | 231 | 136 | 150 | 165 |
| 1991 | 1992 | 1993 | 1994 | 1995 | 1996 | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| beginsaldo | 145 | 164 | 174 | 258 | 401 | 367 |
| inkomsten | 542 | 558 | 486 | 407 | 272 | 188 |
| (waarvan gem. bijdrage) | (242) | (279) | (211) | (238) | (69) | (29) |
| uitgaven | 533 | 551 | 471 | 500 | 244 | 196 |
| inkomsten min uitgaven | 9 | 7 | 15 | – 93 | 28 | – 8 |
| eindsaldo | 154 | 171 | 189 | 165 | 428 | 395 |
Op centraal niveau maakt klantgerichtheid een integraal onderdeel uit van het beleid bij het Ministerie van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Onder publiekscontacten worden verstaan mondelinge en schriftelijke contacten die het ministerie direct heeft met burgers en burgerlijke bedrijven.
Bij het Ministerie van VROM en haar zelfstandige bestuursorganen (ZBO's) is de zorg voor de kwaliteit van de publieke dienstverlening in het bijzonder gericht op die sectoren waar de dagelijkse contacten met het publiek plaats vinden.
Jaarlijks ontvangt het Directoraat-Generaal Milieubeheer ongeveer zeshonderd brieven van burgers en bedrijven met vragen, opmerkingen, kritiek en suggesties over zaken die het milieubeleid betreffen. Bij de beantwoording daarvan wordt bijzondere zorgvuldigheid betracht aangezien deze reacties worden gezien als een van de mogelijkheden om het milieubeleid een zo breed mogelijk draagvlak te geven in de maatschappij.
De directe publiekscontacten bij het Directoraat van de Volkshuisvesting vinden plaats bij de Hoofdafdeling Huurgeschillen (HHG) en de onderdelen van de afdeling Uitvoering Volkshuisvestings Regelingen (UVR) die de Eigen Woningen-regelingen uitvoeren en de Hoofdafdeling Individuele huursubsidie (HIS).
Naar aanleiding van het onderzoek van de Algemene Rekenkamer naar de klantgerichtheid van HHG zijn in 1997 een aantal voornemens geformuleerd ter verbetering van de dienstverlening. Deze voornemens zijn in 1997 en 1998 omgezet in een breed gedragen visie, die onderdeel vormt van het project Toekomst (Secretariaten) Huurcommissies. Vooral binnen het kader van dit project worden door de medewerkers van de elf SHC-kantoren op experimentele basis concrete ervaringen opgedaan en geëvalueerd. De resultaten van een en ander in 1998 zullen daarna kunnen leiden tot structurele inpassing in de beoogde nieuwe organisatie en werkwijze c.q. kwaliteitssysteem. Inhoudelijk gaat het om de volgende items:
• vergroten van de effectiviteit van de voorlichting over huurprijswetgeving en geschillenbeslechting (naamsbekendheid, inhoud, Postbus 51);
• verbeteren van de telefonische bereikbaarheid (bedrijfstijden en flexibele inzet, voice-respons systemen);
• klantgericht leren plannen (op basis van toezeggingen aan klanten over het te doorlopen traject);
• verkorten van de doorlooptijden;
• toegankelijker maken voor de klanten van de uitspraken van huurcommissies (binnen juridisch verantwoorde grenzen);
• klanttevredenheidsonderzoek (herhaling van eerder onderzoek en leren zelf dit soort onderzoeken uit te voeren).
De afdeling binnen het ministerie die de diverse Eigen Woningen-regelingen uitvoert, heeft een eigen beleid op gebied van publieke dienstverlening. Deze dienstverlening valt in twee onderdelen uiteen, te weten: directe en de indirecte dienstverlening.
Het grootste deel van de directe dienstverlening bestaat uit telefonische publiekscontacten. In 1998 bedroeg het aantal telefonische contacten ± 40 000. Voorts zijn ongeveer 900 schriftelijke vragen van burgers afgedaan.
2.2.2 Indirecte dienstverlening
De indirecte dienstverlening bestaat uit het structureel verbeteren van de bedrijfsvoering, dit is met name bereikt door middel van vernieuwingen op automatiseringsgebied. Om de afhandeling van de voorraden van de diverse mutaties (verhuizingen, verkopen en echtscheidingen) sneller en efficiënter te kunnen verwerken, is gekozen voor een aansluiting op de Gemeentelijk Basis Administratie (GBA), waardoor gegevens ons snel en accuraat bereiken.
Ook in 1998 is tijd geïnvesteerd in het scholen en opleiden van medewerkers om de werkzaamheden op een correcte wijze uit te voeren.
Verder wordt in 1998 een klantgerichtheidsonderzoek uitgevoerd dat tot doel heeft de klant nog beter van dienst te kunnen zijn. Dit onderzoek maakt deel uit van een breed onderzoek naar de klanttevredenheid inzake de dienstverlening van het Reken- en Administratiecentrum.
Ook bij HIS zijn in 1997, op basis van het rapport van de Algemene Rekenkamer, alle aspecten van klantgerichtheid onder de loep genomen en zijn in 1998 activiteiten ondernomen, die moeten leiden tot verbetering van het contact met de klant. Een en ander zal zich verder moeten ontwikkelen, maar de reële verwachting is dat de hieronder genoemde maatregelen in 1999 merkbare effecten zullen opleveren voor zowel de klant als de organisatie.
2.3.1 Telefonische bereikbaarheid
Van de mogelijkheden van de nieuwe telefooncentrale wordt optimaal gebruik gemaakt. Hiervoor zijn binnen HIS speciale telefoonteams in het leven geroepen. Deze teams zijn er om de eerste telefonische klantcontacten op te vangen. Dit heeft geleid tot een verbeterde telefonische bereikbaarheid en een ongestoorde voortgang van het primaire proces. Thans worden de eventuele meerwaarde van een centrale telefoon-unit onderzocht. In 1998 zijn diverse externe bedrijven bezocht die ervaring hebben met een centrale telefoon-unit c.q. call-center en zijn gesprekken gevoerd met bedrijven die gespecialiseerd zijn in het opzetten van een centrale telefoon-unit. Aan een werkgroep is de opdracht gegeven om het opzetten van een centrale telefoon-unit verder uit te werken, waarbij rekening moet worden gehouden met de toekomstige organisatiestructuur.
2.3.2 Kwaliteit bezwaarschriften
In 1998 zijn enkele speciale medewerkers aan de organisatie toegevoegd die zich specifiek bezig houden met de controle op het volgen van de AWB-procedure met betrekking tot beslissingen op bezwaarschriften. Hiertoe is overgegaan naar aanleiding van een toename van rechterlijke uitspraken waarin HIS-beslissingen ongegrond werden verklaard vanwege het niet correct volgen van deze procedure. Deze uitspraken leiden enerzijds tot kosten voor HIS (proces- en herstelkosten) en anderzijds wordt bij de klant de indruk gewekt dat hij in het gelijk is gesteld, terwijl na het volgen van de juiste procedure de uiteindelijke beslissing meestal hetzelfde is als de voorgaande uitkomst. De controle vooraf door genoemde medewerkers leidt tot kostenreductie en voorkomt frustratie bij de klant. Verder heeft een groot aantal medewerkers een AWB-cursus gevolgd.
Later dit jaar zal een apart cluster worden ingesteld dat zich bezig zal houden met het toetsen van de kwaliteit van de HIS-producten in het algemeen en de wijze waarop de klachtenprocedure binnen HIS is opgezet en wordt uitgevoerd. Het cluster zal de benaming «Interne en Externe kwaliteit en Klachtenbehandeling (IEK)» gaan krijgen en medio september 1998 van start gaan met haar werkzaamheden. De kwaliteitstoetsen, die nu nog binnen de diverse regio's worden uitgevoerd, zullen dan centraal geleid en uitgevoerd worden. De te verwachten winstpunten zijn: meer aandacht voor kwaliteit; meer uniformiteit; betere vergelijkingen; goede analyses en gerichte vervolgacties om de kwaliteit te verbeteren. Daarnaast zal binnen de regio's, uit preventief oogpunt, meer de nadruk komen te liggen op de coaching en begeleiding van medewerkers. Vooruitlopend en aansluitend op het klachtrecht zoals dat in de AWB zal worden opgenomen (mogelijk per 1 januari 1999), is in 1998 een klachtenprocedure voor HIS geschreven. Naast het feit dat klanten op basis daarvan kunnen rekenen op een zorgvuldige behandeling van hun klacht, is de klachtenprocedure voor HIS een instrument om de interne kwaliteit en de klanttevredenheid te meten en, waar mogelijk, acties in gang te zetten om hierin verbetering te brengen.
Andere middelen die gebruikt worden om het publiek optimaal van dienst te kunnen zijn betreffen de VROM-site op het Internet. Hier wordt algemene informatie verstrekt over het werkgebied van en de ontwikkelingen bij VROM, maar ook specifieke zaken zoals het zelf kunnen berekenen van het recht op en de hoogte van individuele huursubsidie. Daarnaast wordt via Internet geëxperimenteerd met zgn. discussieplatforms. Daarmee wil VROM stimuleren dat het publiek in een vroeg stadium meedenkt over beleidsvragen. Meedenkt over problemen, over ideeën en over oplossingsrichtingen vanuit het eigen perspectief, wensen, verlangens en creativiteit op het gebied van milieu, ruimte en/of wonen.
Ook voor meer persoonlijke contacten met het publiek staat het Ministerie van VROM open. Jaarlijks bezoeken ongeveer 3500 mensen de bibliotheek van VROM. Om de beschikbare informatie van de VROM- en andere rijksbibliotheken toegankelijker te kunnen maken zijn de catalogi van deze departementale bibliotheken opgenomen op de CD-ROM «InformatieRijk» die in vele openbare bibliotheken door het publiek geraadpleegd kan worden. Daarnaast zijnde archieven van VROM toegankelijk voor archiefonderzoekers, met name historici, die met deskundige begeleiding de bescheiden kunnen opzoeken en raadplegen.
Deze bijlage bevat een systematisch overzicht van de zelfstandige bestuursorganen (ZBO's) die taken uitvoeren die onder de verantwoordelijkheid van de minister van VROM vallen. De vaste commissie VROM van de Tweede Kamer heeft hier bij het begrotingsonderzoek 1998 om verzocht.
De doelstelling van de bijlage is inzicht te verschaffen in de huidige stand van zaken en te verwachten toekomstige ontwikkelingen. Belangrijke aspecten hierbij zijn o.a. de toezichtrelatie tussen VROM en de ZBO's en de activiteiten die zijn en worden ondernomen om te voldoen aan de Aanwijzingen inzake ZBO's van de minister-president1. Inzake dit laatste aspect wordt door de minister van Binnenlands Zaken naar verwachting omstreeks de indiening van de begroting tevens een afzonderlijke voortgangsrapportage aan de Tweede Kamer aangeboden als vervolg op de rapportage «Doorlichting Zelfstandige Bestuursorganen» d.d. 10 maart 19972. In de rapportage van de minister van Binnenlands Zaken zal gedetailleerd worden ingegaan op de voortgang van de verbeterpunten uit de doorlichting per ZBO, in deze begrotingsbijlage wordt volstaan met de hoofdlijnen.
Onder de ministeriële verantwoordelijkheid van VROM vallen de volgende (clusters van) ZBO's:
1. het Kadaster
2. de Huurcommissies
3. het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting
4. keuringsinstanties op het gebied van milieubeheer:
• KIWA NV
• Stichting Aboma+Keboma
• Dienst Landbouwkundig Onderzoek, Instituut voor Milieu- en Agritechniek (IMAG-DLO)
5. de Stichting Bureau Architectenregister
6. de Reconstructiecommissie «Midden Delfland»
In het vervolg van deze bijlage wordt per ZBO aangegeven welke (wettelijke) taken de ZBO uitvoert, wat de huidige stand van zaken is met betrekking tot een aantal relevante aspecten en welke toekomstige ontwikkelingen worden verwacht. Hierbij is relatief de meeste aandacht besteed aan die ZBO's waar de taken die onder de ministeriële verantwoordelijkheid vallen het zwaarste financieel-economische en/of beleidsmatige belang hebben.
2.1 Wettelijke en overige taken
De Kadasterwet (Stb. 1989/186), de Organisatiewet Kadaster (Stb. 1994/125) en de Landinrichtingswet (Stb. 1985/299) vormen het wettelijke kader voor de taken van het Kadaster. De kerntaken zijn:
1. Het bevorderen van de rechtszekerheid bij het rechtsverkeer inzake registergoederen in Nederland en het bevorderen van een optimale informatievoorziening daarover aan de samenleving.
2. Ondersteuning bij de landinrichting. Het gaat hier om registratieve en landmeetkundige werkzaamheden en werkzaamheden ten behoeve van de herverkaveling van gronden.
3. De rijksdriehoeksmeting: beheer en onderhoud van een landelijk dekkende verzameling van coördinaatpunten die gebruikt worden bij landmeetkundige metingen.
Het Kadaster moet het geheel van deze taken – en zo mogelijk de drie verschillende onderdelen – bezien over de planperiode van het Meerjarenbeleidsplan, kostendekkend uitvoeren.Het geheel van de activiteiten van het Kadaster is kostendekkend.
De in 1996 doorgevoerde verlaging van de budgetten voor de Kadasterkosten voor landinrichtingsactiviteiten hebben, in combinatie met een blijvend hoog werkaanbod in de landinrichting, er toe geleid dat de kerntaak landinrichting pas na 2005 kostendekkend zal kunnen worden uitgevoerd. Tussen het Ministerie van Landbouw Natuurbeheer en Visserij (LNV) en het Kadaster zijn afspraken gemaakt over een pakket van maatregelen om de kostendekkendheid in de toekomst te kunnen realiseren. De maatregelen betreffen enerzijds aanpassing van de landinrichtingswet, waardoor een daling van de te herverkavelen oppervlakte in de landinrichtingsprojecten optreedt en anderzijds een doorlichting van de werkprocessen van het Kadaster en verdere efficiencymaatregelen binnen het Kadaster.
In het jaarverslag 1997, dat eind juni naar de Tweede Kamer is gezonden, wordt een verdere toelichting gegeven op deze drie kerntaken, waarbij ook informatie wordt verstrekt over de omvang van de productie en de actuele ontwikkelingen.
Uitbreiding en verbreding van de wettelijke taken
Naast bovengenoemde taken is er sprake van een uitbreiding of verbreding van het aantal wettelijke taken van het Kadaster. Hieronder zijn de gerealiseerde uitbreidingen en nieuwe ontwikkelingen op hoofdlijnen weergegeven.
• Sedert 1997 behoort het branden van schepen tot de wettelijke taken. In deze wordt samengewerkt met de HISWA.
• Vooruitlopend op een wettelijke regeling voor de registratie van publiekrechtelijke beperkingen kan sedert 1996 op basis van een tijdelijke regeling een selectie van bestaande publiekrechtelijke beperkingen van gemeenten en van andere overheden in de Kadastrale registratie worden gesignaleerd. Het gaat daarbij o.a. om onteigening, aanwijzing tot monument en sanering van vervuilde (water)bodems.
• Inschrijving van stukken op basis van de Wet splitsing rechtspersonen.
• Inschrijving van de koopovereenkomst op basis van een aanpassing van Boek 7 BW.
• Vermelding in de registraties van het geregistreerd partnerschap en inschrijving van dit feit op basis van een aanpassing van Boek 1 BW.
• Sinds medio 1997 kent het Burgerlijk Wetboek bepalingen over de koop van rechten van gebruik in deeltijd van onroerende zaken, de zogenoemde time-sharing. Het Kadaster registreert time-share overeenkomsten. Het voornemen is er om ook de kadastrale aanduiding van time-share objecten te gaan vaststellen.
• De teboekstelling van buitenlandse zeeschepen op basis van een hiertoe strekkende nieuwe wet.
Naast de wettelijke taken voert het Kadaster ook activiteiten uit die een relatie hebben met deze taken, de zogenaamde nevenactiviteiten. Deze activiteiten worden verricht als ze de toegankelijkheid en uitwisselbaarheid van kadastrale gegevens bevorderen en de aanwezige gegevens en bedrijfsmiddelen beter benutten.
Het Kadaster dient ook deze activiteiten tegen tenminste kostendekkende tarieven te verrichten, zonder daarbij concurrentie verstorend op te treden tegenover andere aanbieders van vastgoedinformatie. Subsidiëring vanuit de wettelijke taken mag daarbij niet plaatsvinden.
De gewenste strikte scheiding tussen nevenactiviteiten en de wettelijke taken heeft vorm gekregen in Kadata B.V. Deze honderd procent dochteronderneming van het Kadaster biedt de commerciële diensten en producten aan.
Het gaat hier om de volgende activiteiten.
Het toepasbaar maken van kadastrale vastgoed informatie voor derdenIn 1997 is begonnen met de ontwikkeling en verkoop van informatieproducten op het terrein van vastgoed objecten, de hypotheekmarkten en de geografische ligging.
International ConsultancyDe bij het Kadaster aanwezige kennis en deskundigheid op het terrein van vastgoedregistratie, landmeting en kadasterorganisatie worden ingezet in landen die zelf nog niet in staat zijn om dergelijke systemen te ontwikkelen. Door inschrijving op internationale tenders worden projecten zowel in Europa als in Latijns Amerika verworven.
Levering van geocodingsproductenDit zijn bestanden die worden gebruikt in ruimtelijk onderzoek, waaronder milieu-risicoanalyses door het RIVM. Deze producten worden door Bridgis B.V. op de markt gebracht. In 1997 heeft Kadata B.V. het minderheidsbelang dat het Kadaster in Bridgis B.V. hield overgenomen.
Daarbuiten wordt door het Kadaster in een samenwerkingsverband met gemeenten en nutsbedrijven gewerkt aan het vervaardigen, houden en bijwerken van de grootschalige basiskaart van Nederland (GBKN). De GBKN is voor het Kadaster een bedrijfsmiddel voor het verrichten van de wettelijke taken op het gebied van de kaartvervaardiging en de landinrichting.
Het Nationaal Woning InstituutSinds 1998 neemt het Kadaster deel in Het Nationaal Woninginstituut (NWI). Dit een samenwerking met o.a. de Nationale Woningraad , Vereniging Eigen Huis en een commerciële uitgeverij.
Deze organisatie brengt het aanbod van woningen in beeld d.m.v. een krant en via Internet.
Deze samenwerking is een vervolg op het in 1996 op initiatief van de Vereniging Eigen Huis opgerichte Koophuisnet ( officiële naam: Vasgonet BV) waarin het Kadaster en de Vereniging Eigen Huis deelnamen. Met de verbreding van het aantal deelnemers en het opnemen van de huurwoningen in de informatievoorziening is beoogd een nieuwe impuls te geven aan het streven naar meer transparantie in de vastgoedmarkt. Het Kadaster neemt voor 20% deel in NWI.
Toekomstige ontwikkelingenNaar aanleiding van het rapport «Markt en Overheid» (rapport commissie Cohen) en de nota «Naar toegankelijkheid van overheidsinformatie» (nota Kohnstamm) is in het kader van het evaluatieonderzoek «Verzelfstandiging Kadaster» in beeld gebracht welke gevolgen voor de nevenactiviteiten van het Kadaster hieruit zouden kunnen voortvloeien.
Het kabinet heeft zich op het standpunt gesteld dat het toegankelijk maken van kadastrale data tot de wettelijke taken van het Kadaster behoort. Het opnemen van het breder toegankelijk maken van de kadaster-informatie als wettelijke taak maakt het vanuit het oogpunt van bestuurlijke integriteit en legitimiteit niet wenselijk dat het verrichten van deze activiteit wordt ondergebracht in een afzonderlijke vennootschap.
Overige nevenactiviteiten worden door het kabinet beschouwd als marktactiviteiten. Voor deze activiteiten geldt dat het regime van de werkgroep «Markt en Overheid» zal worden toegepast om te komen tot een «level playing field». In het geval van de activiteiten van International Consultancy, die niet in de Nederlandse markt worden uitgevoerd, zal nader onderzoek moeten uitwijzen of deze eveneens onder het «Markt en Overheid» regime moeten vallen.
2.2 Huidige stand van zaken en toekomstige ontwikkelingen
Ministeriële verantwoordelijkheid
De ministeriële verantwoordelijkheid is beperkt tot de kwaliteit van de wijze waarop het Kadaster uitvoering geeft aan de wettelijke taken en tot de continuïteit van die taken en het Kadaster als organisatie. In de Organisatiewet Kadaster worden de bevoegdheden van de minister (lees: staatssecretaris) omschreven en toegelicht. In het informatie- en controleprofiel wordt nader uitgewerkt op welke wijze en op welk moment het Kadaster de minister zal informeren ten behoeve van de uitoefening van de ministeriële verantwoordelijkheid. Periodiek vindt overleg tussen de minister en de Raad van Bestuur van het Kadaster plaats.
In dit kader zijn de volgende activiteiten vermeldenswaardig:
• beoordeling en goedkeuring van het Meerjarenbeleidsplan 1998–2002;
• beoordeling en goedkeuring verlaging kadastrale tarieven met gemiddeld 25% per 1/10/1998;
• beoordeling en goedkeuring jaarrekening 1997;
• (her) benoeming van leden van de Raad van Bestuur en de Raad van Toezicht.
Evaluatie verzelfstandiging Kadaster
In 1998 is het evaluatieonderzoek verzelfstandiging Kadaster afgerond.
In het evaluatieonderzoek is nagegaan in hoeverre de bij verzelfstandiging geformuleerde doelstellingen ten aanzien van het verzelfstandigde Kadaster zijn gerealiseerd en in hoeverre de in de Organisatiewet gekozen uitgangspunten voor wat betreft opbouw van de vermogensstructuur, nevenactiviteiten van het Kadaster e.a. juist en realistisch zijn gebleken.
Daarnaast zijn de actuele ontwikkelingen die mogelijk aanleiding geven om de uitgangspunten te herzien en/of te herdefiniëren in beeld gebracht.
De Tweede Kamer is in juli 1998 geïnformeerd over de resultaten van het evaluatieonderzoek en de reactie van het Kabinet op de bevindingen en aanbevelingen uit het evaluatierapport1.
Kort samengevat is de conclusie in het evaluatierapport dat de externe verzelfstandiging van het Kadaster daadwerkelijk een bijdrage heeft geleverd aan het vergroten van de doelmatigheid bij de uitvoering van de wettelijke taken door het Kadaster en het vergroten van de bestuurlijke stroomlijning.
Tegelijkertijd zijn er voldoende waarborgen blijven bestaan voor een adequate invulling van de ministeriële verantwoordelijkheid.
De actuele ontwikkelingen op informatietechnologisch terreinen geven aanleiding tot het bijstellen van het uitgangspunt van een beleidsarme sturingsrelatie in die zin dat naast de beheersmatige invalshoek, de beleidsmatige component in de sturingsrelatie een belangrijkere rol zal gaan spelen. Met name het kabinetsbeleid met betrekking tot «Markt en Overheid» en «Naar toegankelijkheid van overheidsinformatie» en de op te stellen strategische beleidsvisie op het gebied van de geo-informatie zullen het referentiekader worden voor beoordeling van voorstellen en rapportages van het Kadaster en in het algemeen voor het beleid met betrekking tot het Kadaster. Zoals onder punt 3 aangegeven geeft het Kabinetsbeleid tevens aanleiding om de verbetering van toegankelijkheid van kadaster informatie als een wettelijke taak op te nemen.
In de komende periode zal de implementatie van de door het kabinet onderschreven aanbevelingen ter hand worden genomen.
De huurcommissies zijn bij de Wet op de huurcommissies (Stb 1979/16) opgericht. De huurcommissies zijn onafhankelijke arbitrerende colleges ondersteund door een onder VROM ressorterend ambtelijke apparaat. De huidige taken zijn limitatief opgesomd in de genoemde wet.
3.2 Huidige stand van zaken en toekomstige ontwikkelingen
De Wet op de huurcommissies (WHC) dateert van 1979, evenals de Huurprijzenwet woonruimte (HPW). Omdat de huurwetgeving in het Burgerlijk Wetboek (BW) opgenomen gaat worden en de overige wetgeving op het gebied van het huurrecht aan vernieuwing toe was, is een traject gestart om de regeling van de huurovereenkomst in het algemeen en de regelingen betreffende de huur van woonruimte tezamen te vernieuwen. Daarnaast is in de loop der jaren een steeds grotere behoefte gebleken aan een vereenvoudiging van de huur(prijs-) regelgeving, zoals deze is neergelegd in de Huurprijzenwet woonruimte(HPW), de Wet op de huurcommissie en de diverse uitvoeringsregelingen.
Het resultaat van dit traject is dat de thans in de HPW opgenomen huurprijsregelgeving wordt overgebracht naar titel 7.4 van het BW, voorzover de regeling privaatrechtelijk van aard is. De overige bepalingen van de HPW en de WHC zijn omgevormd tot een Uitvoeringswet bij het BW, de Uitvoeringswet Huurprijzen Woonruimte (UHW).
Titel 7.4 BW en de UHW zijn, na advies van de Raad van State verkregen te hebben, in juni 1998 naar de Kamer gestuurd voor parlementaire behandeling. Over de geplande invoeringsdatum daarvan kan op dit moment nog niets gezegd worden.
Algemeen Overleg op 16 april 1996 met de vaste commissie VROM van de Tweede Kamer der Staten-Generaal heeft ertoe geleid dat enkele onderdelen van het wetgevingstraject in een afzonderlijk wetsvoorstel zijn opgenomen. Dit wetsvoorstel 25 445 «Wijziging van de Huurprijzenwet woonruimte, de Wet op de Huurcommissies en enkele ander wetten»1 biedt een nadere regeling voor vier onderwerpen:
1. de invoering van een aparte procedure bij de huurcommissie in verband met onderhoudsgebreken en -tekortkomingen;
2. de wijziging van de procedure bij de huurcommissie tot toetsing van de aanvangshuurprijs;
3. de tweezijdige legesheffing;
4. de overdracht van het toezicht op de huurcommissie van Gedeputeerde Staten naar het rijk.Dit wetsvoorstel is reeds door de Tweede Kamer goedgekeurd en ligt voor behandeling bij de Eerste Kamer. De verwachte invoeringsdatum was 1 januari 1999.
Tijdens de formatieperiode is wetsvoorstel 25 445 controversieel verklaard door het College van Senioren van de Eerste Kamer. Dit heeft consequenties voor de verwachte invoeringsdatum, momenteel valt niet meer te zeggen wanneer het wetsvoorstel zal worden ingevoerd, duidelijk is wel dat de beoogde invoeringsdatum van 1 januari 1999 niet gehaald zal worden.
4. CENTRAAL FONDS VOOR DE VOLKSHUISVESTING (CFV)
De huidige taken van het CFV zijn de volgende:
• het saneren van toegelaten instellingen die in de financiële gevarenzone zijn gekomen; zulks kan onder meer blijken uit het feit dat de instelling niet langer door het Waarborgfonds Sociale Woningbouw geborgd wordt;
• ten behoeve van het toezicht op toegelaten instellingen door het Rijk het beoordelen van de financiële positie van elke toegelaten instelling.De laatste taak is aan de orde vanaf de wijziging van het Besluit CFV van 18 mei 1998 (Stb 98/135).
4.2 Huidige stand van zaken en toekomstige ontwikkelingen
In overeenstemming met de afspraken zal de wet- en regelgeving inzake het CFV in overeenstemming worden gebracht met de aanwijzingen inzake ZBO's. Een daartoe strekkend wijzigingsvoorstel van de Woningwet zal nog in het najaar bij de Tweede Kamer aanhangig worden gemaakt. Hierbij wordt verwezen naar de in de inleiding genoemde uitgebreidere rapportage terzake van de minister van Binnenlandse Zaken.
In de wet- en regelgeving betreffende het CFV wordt een aantal zaken opgenomen die waarborgen dat op essentiële punten de minister invloed heeft op de taakuitoefening van het CFV. Het toezicht heeft met name betrekking op:
• de begroting (goedkeuringsbevoegdheid);
• de heffing (wordt door de minister vastgesteld);
• de jaarstukken (goedkeuringsbevoegdheid);
• het bestuursregelement (goedkeuringsbevoegdheid).Tevens benoemt de minister de bestuursleden van het CFV.
De facto heeft deze nieuwe wijze van toezicht, zoals hierboven beschreven, op moment van schrijven nog niet plaatsgevonden. Deels komt dit doordat de wetswijziging nog niet is gerealiseerd, deels doordat de momenten die hiervoor in aanmerking komen (zoals vaststelling van de heffing en vaststelling van de begroting) nog niet aan de orde zijn geweest.
5. KEURINGSINSTANTIES OP HET GEBIED VAN MILIEUBEHEER
KIWA NV is een privaatrechtelijke rechtspersoon, opgericht in 1948 met het oog op samenwerking tussen de centrale overheid, de Vereniging van Exploitanten van Waterleidingbedrijven in Nederland en de Vereniging voor Waterleidingbedrijven in Nederland op het terrein van de kwaliteitszorg, het verrichten van wetenschappelijk onderzoek en het bevorderen van samenwerking tussen waterleidinglabaratoria.
Aan KIWA NV zijn diverse bestuurlijke taken opgedragen. Deze taken hebben betrekking op de certificatie van producten, processen, diensten en systemen alsmede het afgeven van keurverklaringen, meetrapporten en garantieverklaringen. De taken zijn opgedragen op basis van de volgende wetten:
• Besluit opslaan in ondergrondse tanks (Stb. 1993/46);
• Lozingenbesluit bodembescherming (Stb. 1990/217);
• Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer (Stb. 1993/42).
De stichting Aboma+Keboma is op grond van de Regeling geluidsproductie bouwmachines (Stb. 1994/36) door de minister van VROM erkend als een instantie die is gerechtigd tot het uitvoeren van EEG-typeonderzoek van verschillende soorten bouwmachines. Bij dit typeonderzoek wordt vastgesteld of het onderzochte type voldoet aan de eisen inzake het uitgestraalde geluid zoals die in verschillende richtlijnen van de Raad van de Europese Gemeenschappen zijn vastgelegd.
Dienst Landbouwkundig Onderzoek, Instituut voor Milieu- en Agritechniek (IMAG-DLO)
De Dienst Landbouwkundig Onderzoek (DLO) Instituut voor Milieu- en Agritechniek (IMAG-DLO) is op grond van het Besluit geluidproduktie gazonmaaimachines (Stb. 1988/123) door de minister van VROM aangewezen als Nederlands instituut belast met de geluidskeuringen van gazonmaaimachines
5.2 Huidige stand van zaken en toekomstige ontwikkelingen
In het afgelopen jaar is bij het binnen VROM uitwerken van de aanpak van de activiteiten naar aanleiding van de doorlichting gebleken dat er, ten aanzien van de regelingen op basis waarvan KIWA als ZBO is aangemerkt, een alternatieve mogelijkheid is. Deze alternatieve mogelijkheid sluit aan bij de modelbepalingen die op dit moment door een werkgroep van de Interdepartementale Commissie Harmonisatie Wetgeving (ICHW) voor normalisatie en certificatie worden onderzocht. Hierbij wordt gelijktijdig bekeken welke uitstraling normalisatie en certificatie hebben voor de aspecten Marktwerking Deregulering en Wetgevingskwaliteit. De resultaten van de werkgroep ICHW en de eerder genoemde uitwerking van de aanpak binnen VROM zullen gebruikt worden om te bepalen of normalisatie en certificatie geschikt is voor toepassing in de regelingen waarin KIWA is aangewezen als keuringsinstantie.
Overige keuringsinstanties (Aboma-Keboma; IMAG-DLO)
Door de Europese Commissie is al geruime tijd geleden aangekondigd dat zij voornemens was een voorstel te doen aan het Parlement en de Raad van de Europese Unie inzake de geluidsemissies van machines die buitenshuis worden gebruikt. Op 18 februari 1998 heeft de Commissie dit voorstel gepubliceerd. Naar verwachting zal het voorstel begin 1999 leiden tot een Europese richtlijn. Deze richtlijn zal grote consequenties hebben voor zowel de Regeling geluidsproductie bouwmachines als voor het Besluit geluidsproductie gazonmaaimachines. Immers, bij inwerkingtreding van de nieuwe richtlijnen zullen de vigerende richtlijnen die door de regeling en het besluit ten uitvoering worden gebracht worden ingetrokken en zal een nieuwe regeling de nieuwe richtlijn tot uitvoering moeten brengen.
Een wezenlijk verschil met de vigerende regeling zal zijn de wijze waarop de conformiteit van de machines met de eisen van de richtlijn zal worden vastgesteld. Voorzien het huidige besluit en de huidige regeling per soort machine slechts in één instantie tot wie men zich binnen Nederland kan wenden; het voorstel voorziet conform de «modulenrichtlijn» en zoals ook eerder reeds bij de «machinerichtlijn» toegepast en geheel passend in de huidige ontwikkeling van bedrijfscertificatie in een serie mogelijkheden waaruit gekozen zal kunnen worden.
De nieuwe Europese richtlijn zal mogelijk gevolgen kunnen hebben voor de ZBO-status van beide organen.
6. STICHTING BUREAU ARCHITECTENREGISTER (SBA)
De SBA is in 1988 opgericht op basis van de Wet op de architectentitel (Stb. 1987/347) SBA is belast met de registratie van individuele architecten en het beheer en de bewaking van de kwaliteit van het register. Verder geeft SBA attesten af aan architecten die in het buitenland willen werken.
Het bestuur van SBA wordt benoemd, geschorst en ontslagen door de minister van VROM. De begroting wordt geheel gefinancierd uit inschrijfgelden, jaarlijkse bijdragen van de ingeschrevenen en examengelden.
6.2 Huidige stand van zaken en toekomstige ontwikkelingen
Per juli 1998 waren in totaal 9700 ontwerpers ingeschreven, waaronder 7103 architecten, 522 stedenbouwkundige, 507 tuin- en landschapsarchitecten en 1498 interieurarchitecten. In de afgelopen jaren zijn er ten aanzien van de uitvoering van de publieke taak door SBA nauwelijks klachten ontvangen en hebben zich geen problemen voorgedaan. In de loop van 1999 zal een evaluatie van het functioneren van SBA worden uitgevoerd.
7. RECONSTRUCTIECOMMISSIE «MIDDEN DELFLAND»
Op grond van de Reconstructiewet Midden-Delfland (Stb. 1977/233) is de Reconstructiecommissie belast met de voorbereiding en uitvoering van het Reconstructieplan.
7.2 Huidige stand van zaken en toekomstige ontwikkelingen
In december 1996 is het laatste van de drie deelplannen voor de reconstructie vastgesteld. Daarmee is de voorbereiding van de reconstructie afgesloten en is het gehele gebied in uitvoering genomen. Naar verwachting zal de uitvoering omstreeks het jaar 2005 kunnen worden afgerond en zal alsdan de Reconstructiecommissie van zijn taak kunnen worden ontheven. Met het afsluiten van de voorbereidingsfase en het in uitvoering nemen van de reconstructie is de directe betrokkenheid van de minister van VROM allengs minder geworden.
De Staatssecretaris van VROM is Coördinerend Bewindspersoon voor Geo-informatie. Geo-informatie (geografische informatie) werd in het verleden wel aangeduid als Vastgoedinformatie. Het gaat hierbij om informatie die een ruimtelijke component bevat, anders gezegd: informatie die in de vorm van kaarten kan worden gepresenteerd. De coördinerende taak van VROM vloeit voort uit het Besluit Informatievoorziening Rijksdienst 1990.
De Coördinerend Bewindspersoon is binnen het kabinet verantwoordelijk voor de samenhang en consistentie in beleid en uitvoering ten aanzien van Geo-informatie. Hierbij is gekozen voor een opzet waarbij een deel van de coördinatietaak wordt uitgevoerd in de vorm van zelfregulering door het veld. Het veld wordt gevormd door producenten en gebruikers van geo-informatie in Nederland. Deze zijn voor een belangrijk deel verenigd in het overlegorgaan Ravi. Het gaat hierbij zowel om partijen binnen de Rijksoverheid, als om gemeenten, waterschappen, provincies, bedrijven en instellingen. Daarnaast neemt de Europese dimensie op dit moment toe in belang.
De Coördinerend Bewindspersoon geeft invulling aan zijn taak door:
• Het fungeren als politiek aanspreekpunt binnen de Rijksoverheid voor kwesties die geo-informatie raken en het zorgen voor afstemming.
• Het ondersteunen van een coördinatie- en overlegplatform, in dit geval de Ravi, middels een jaarlijkse doelsubsidie.
• Het beschikbaar zijn om knopen door te hakken in het algemeen belang.
De belangrijkste aandachtspunten zijn:
• De ontwikkeling en instandhouding van een adequate geo-informatie-infrastructuur. Het gaat hierbij om de beschikbaarheid van een aantal basisbestanden die voor meerdere gebruikers van belang zijn. Voorbeelden zijn: de Topografische Kaart, de Grootschalige Basiskaart Nederland en de Kadastrale Registratie.
• Het vertalen van generiek beleid naar de specifieke situatie van het geo-informatieveld, alsmede het in het Kabinet vragen om aandacht voor het veld, indien generiek beleid ongewenste consequenties heeft. Voorbeelden zijn het beleid rond toegankelijkheid van overheidsinformatie, de verhouding tussen markt en overheid en kennisinfrastructuur.
• Het optimaal laten functioneren van de coördinatietaak waarbij de verhouding tussen wat middels zelfregulering kan en wat tussenkomst van de Bewindspersoon behoeft centraal staat. Aandachtspunten zijn de participatie van partijen in de Ravi en de rolverdeling tussen Coördinerend Bewindspersoon en Ravi.
Het gebruik van Geo-informatie neemt een steeds grotere vlucht. Informatiegebruik blijft niet beperkt tot de organisatie die deze informatie ook produceert. Gegevensuitwisseling, samenwerking en klant-leverancier-verhoudingen worden steeds belangrijker. Hierdoor neemt echter ook de onderlinge afhankelijkheid van organisaties toe. Deze ontwikkelingen passen in de evolutie van de informatiemaatschappij. Het is dan ook belangrijk dat deze ontwikkelingen in Nederland plaatsvinden, niet alleen met het oog op de informatievoorziening van de overheid, maar ook gezien het economisch potentieel.
Het stimuleren van gewenste ontwikkelingen, het stellen van kaders en het borgen van geo-informatie die van infrastructureel belang is vormen de beleidsinhoudelijke kant van de coördinatie.
Ontwikkelingen waarbij het departement actief is betrokken zijn:
Markt en Overheid (Commissie Cohen)De commissie Cohen (Economische Zaken) heeft een visie ontwikkeld op de vraag welke taken de overheid zelf behoort uit te voeren en welke aan de markt dienen te worden overgelaten. Aangezien de aanbieders van geo-informatie voor een belangrijk deel tot de overheid behoren is een vertaling van dit beleid naar het veld Geo-informatie de komende jaren van groot belang. In de afgelopen periode hebben discussies gespeeld rond de marktactiviteiten van bijvoorbeeld Kadaster en TDN. Het beleid rond markt en overheid staat in het veld geo-informatie niet op zichzelf maar is sterk verweven met beleid rond kostendekkendheid van overheidsdiensten en toegankelijkheid van overheidsinformatie.
Naar Toegankelijkheid van Overheidsinformatie (Commissie Kohnstamm)In de afgelopen kabinetsperiode is veel aandacht besteed aan dit aspect. In het kort houdt deze visie in dat om een aantal redenen overheidsinformatie laagdrempelig beschikbaar moet zijn (om niet of tegen verstrekkingskosten). Binnen het veld geo-informatie doen zich vragen voor als: welke informatie valt hieronder, hoe verhoudt zich e.e.a. tot de eis kostendekkend te opereren en hoe wordt de inspanning om informatie in de gewenste vorm beschikbaar te stellen gefinancierd?
De wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen op onroerende zaken.Deze wet beoogt de burger een beter inzicht te geven in beperkende besluiten van de overheid. Dit voorjaar is een eerste aanzet voor een wetsontwerp gereed gekomen. Dit stuitte echter nog op weerstand van enkele betrokken partijen. Om deze reden is op dat moment afgezien van aanbieding aan de ministerraad en wordt eerst een nieuwe gespreksronde met partijen georganiseerd. Naar verwachting vindt najaar 1998 besluitvorming plaats over de voortzetting van dit project.
Overheidsloket 2000 (OL 2000)Dit initiatief van Binnenlandse Zaken beoogt een betere dienstverlening aan de burger door het in samenhang aanbieden van overheidsdiensten, aansluitend op de vraagpatronen van deze burger. Een van de initiatieven in dit kader is het Loket Bouwen en Wonen. Staatssecretaris Tommel heeft aangegeven dat hij voor VROM ten aanzien van dit loket een trekkersrol ziet weggelegd. Dit voorjaar is een haalbaarheidsonderzoek uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn inmiddels beschikbaar. In het najaar van 1998 kan besluitvorming plaatsvinden.
Nationaal Clearinghouse Geo-Informatie (NCGI)Het NCGI beoogt een markt te zijn waar vraag en aanbod van geo-informatie elkaar kunnen vinden. Met behulp van een NAP-subsidie (Nationaal Actieplan Electronische Snelwegen) is een organisatie opgezet die een internet-toepassing beheert. Het Clearinghouse heeft nu een catalogus- en doorverwijsfunctie. Het is de bedoeling dat ook levering en betaling in de toekomst mogelijk zullen zijn. De aandacht van VROM voor Clearinghouse vloeit enerzijds voort uit de verantwoording voor de subsidie, anderzijds uit de onderkenning van het belang van continuïteit.
Het KadasterHet Kadaster is verzelfstandigd. VROM heeft uit hoofde van de ministeriële verantwoordelijkheid voor het ZBO Kadaster een toezichthoudende rol (zie bijlage 13). Naar aanleiding van de wens de toezichtrelatie een beleidsrijker karakter te geven is om betrokkenheid vanuit de meer algemene invalshoek van Coördinatie Geo-informatie gevraagd.
De Topografische Dienst Nederland (TDN) en het KernbestandDe TDN vervult een belangrijke rol binnen de Geo-informatie als producent van de bekende topografische kaarten en het digitale Top-10 000-bestand (Kernbestand 1:10 000). Deze producten dienen onder andere voor beleidsondersteuning bij departementen en provincies. Defensie beoogt de TDN af te stoten. Op dit moment worden de mogelijke opties hiervoor onderzocht. VROM is sedert het voorjaar bij dit proces betrokken.
Grootschalige Basiskaart Nederland (GBKN)De GBKN is een digitaal product (schaal 1:1000 of 1:2000). De kaart dient met name voor beheersdoelen bij gemeenten en nutsbedrijven. Op dit moment is de kaart nagenoeg landelijk dekkend, maar allerminst uniform. Het eerder genoemd Landelijk Samenwerkingsverband beoogt dit probleem op te lossen. Op dit moment werkt men aan een beleidsplan voor de komende jaren.
Rol Coördinerend Bewindspersoon
De coördinatietaak wordt uitgevoerd deels door de coördinerend bewindspersoon en zijn ambtelijke ondersteuning, deels door het overlegorgaan Ravi. Binnen de coördinatietaak is steeds veel ruimte gegeven aan de zelfregulering door het veld. Deze zelfregulering vindt voor een belangrijk deel plaats in het overlegorgaan Ravi. De rol van de bewindspersoon was afstandelijk. De eerder geschetste ontwikkelingen hebben ten gevolge dat niet alles in zelfregulering kan worden opgelost. In steeds meer gevallen wordt een actieve opstelling van de Coördinerend Bewindspersoon gevraagd.
Dit voorjaar is een onderzoek uitgevoerd om te komen tot een advies over de invulling van de rol van Coördinerend Bewindspersoon in de toekomst. Deze visie is in juni met Staatssecretaris Tommel besproken. Hij heeft verzocht alvorens tot besluitvorming over te gaan nog een gespreksronde met vertegenwoordigers van het veld te houden. Deze wordt binnenkort afgerond. Dit najaar kan hierover besluitvorming plaatsvinden.
In deze bijlage is per artikel(onderdeel) of voor een clustering van artikel(onderdel)en informatie opgenomen over de grondslagen. Bovendien is in deze bijlage de informatie opgenomen, die minder beleidsrelevant is.
Aan de in deze bijlage opgenomen informatie kunnen geen rechten worden ontleend. Met name de vermelde bedragen hebben een indicatief karakter.
Concreet betekent dit dat in deze bijlage de volgende informatie is opgenomen:
1. het artikel(onderdeel)nummer of een clustering van artikel(onderdeel)nummers;
2. de omschrijving van het artikel(onderdeel);
3. alle wettelijke regelingen en/of besluiten, waarop nog verplichtingen worden aangegaan of uitgaven worden verricht in 1999;
4. de formele vindplaats van de wettelijke regeling en/of het besluit;
5. de vindplaats van de laatste wijziging van de wettelijke regeling en/of het besluit;
6. de doelstelling, die de wetgever resp. de minister wil bereiken;
7. de doelgroep, die de wetgever resp. de minister wil bereiken;
8. de aard van de financiële stimulans of het soort instrument volgens de wettelijke regeling en/of het besluit;
9. de aan te gane verplichtingen en (met uitzondering van Milieubeheer) de te verrichten uitgaven in 1999 op basis van de wettelijke regeling en/of besluit.
Deze bijlage beoogt met name de rechtmatigheid van de in 1999 aan te gane verplichtingen en te verrichten uitgaven (met uitzondering van Milieubeheer), uit oogpunt van de betaaltitel, te waarborgen. Voor de artikelen 03.73 t/m 03.77 zou dit betekenen dat circa 50 regelingen in deze bijlage opgenomen zouden moeten worden. In verband met de toegankelijkheid van deze bijlage is er voor gekozen bij de artikel(onderdel)en die deel uitmaken van het «Niet-actieve deel» van de Volkshuisvesting-begroting de qua budgettaire omvang grote of (beleids)relevante regelingen te vermelden.
De artikelonderdelen «Ambtelijk personeel»
Op deze artikelonderdelen worden de verplichtingen en uitgaven geraamd, die verband houden met de loonkosten van het ambtelijk personeel.
Onder de loonkosten dient hier verstaan te worden: salarissen, belastbare toelagen en vergoedingen (incl. bovenmatige vergoedingen), sociale lasten, inhoudingen/kortingen, en dergelijke.
Op onderhavig artikelonderdeel worden de loonkosten voor de volgende personen geraamd:
– personeel met een vast dienstverband bij VROM;
– personeel met een tijdelijk dienstverband bij VROM.
De basis voor het aangaan van verplichtingen en het verrichten van uitgaven is de begrotingswet 1999.
De artikelonderdelen «Overige personele uitgaven»
Op deze artikelonderdelen worden de overige personele uitgaven, met uitzondering van de uitgaven ten behoeve van het post-actief personeel geboekt (zie de artikelonderdelen «Post-actieven»).
Dit betekent dat de volgende uitgaven op onderhavig artikelonderdeel geraamd worden:
– externe medewerkers;
– de uitgaven voor woon-werkverkeer, inclusief de kosten persoonlijke vervoersbewijzen in het kader van het vervoersmanagementplan VROM;
– kosten in het kader van de studiefaciliteitenregeling (tegemoetkomingen in opleidingen en reiskosten medewerkers);
– belastingvrije en belastbare gratificaties;
– onbelaste vergoeding bewust belonen;
– kosten Regeling Ziektekosten Overheidspersoneel (ZVO)
– uitgaven t.b.v. binnen VROM gedetacheerde medewerkers;
– à priori groepen:
* honoraria voor (plaatsvervangende) voorzitters van raden en commissies
(opmerking: vacatiegelden voor personeel dat niet in dienst van VROM is, waarvoor VROM niet inhoudingsplichtige is, worden op het materiële artikel verantwoord);
* personeel t.l.v. derden buiten de rijksoverheid;
* personeel o.b.v. werkgelegenheidsmaatregelen;
* stagiaires en practicanten.
De basis voor het aangaan van verplichtingen en het verrichten van uitgaven is de begrotingswet 1999.
De artikelonderdelen «Post-actieven»
Op deze artikelonderdelen worden alle uitgaven aan post-actief personeel geraamd en verantwoord. De uitgaven worden verricht in het kader van de volgende uitkeringsregelingen:
– Sociaal Beleidskader VROM;
– (afgekochte) wachtgelden uit hoofde van de volgende regelingen:
* Wachtgeldgarantieregeling 1987;
* Rijkswachtgeldbesluit 1959;
* Uitkeringsregeling 1966, artikel 8 lid 1 en 2;
* WWV-vervangende uitkering Overheidspersoneel;
* Uitkering wegens functioneel leeftijdsontslag.
Ook de kosten van het afkopen van wachtgeld en kosten van de aanvullende maatregelen in het kader van het Sociaal Beleidskader VROM (opleidingen, outplacement, e.d.), bedoeld om te voorkomen dat herplaatsers van VROM van de wachtgeld-regeling gebruik moeten maken, komen t.l.v. deze artikelonderdelen.
De basis voor het aangaan van verplichtingen en het verrichten van uitgaven is de begrotingswet 1999.
De artikelonderdelen «Algemene materiële uitgaven»
Materiële uitgaven zijn uitgaven voor duurzame en niet duurzame consumptieve bestedingen van het Rijk, die noodzakelijk zijn voor het functioneren van het ambtelijk apparaat van VROM. Het gaat hierbij om de aanschaf van produkten of diensten.
Op het artikelonderdeel «Algemene materiële uitgaven» worden alle materiële uitgaven, m.u.v. uitgaven t.b.v. automatisering, geboekt. De algemene materiële uitgaven worden onderverdeeld in de volgende drie uitgavenclusters:
– uitgaven voor huisvesting, ondersteunende diensten en bureaukosten;
– uitgaven voor reis- en verblijfkosten, vorming en opleiding, management development en representatie.
De uitgaven voor vorming en opleiding zijn exclusief de uitgaven in het kader van de studiefaciliteitenregeling en het Sociaal Beleidskader VROM. De uitgaven voor reiskosten zijn exclusief de kosten voor woon-werkverkeer.
– overige uitgaven.
Dit zijn uitgaven voor o.a. bibliotheek- en documentatiekosten, externen vallend onder de produktvariant, rentekosten en schadeclaims en kosten betalingsverkeer.
De basis voor het aangaan van verplichtingen en het verrichten van uitgaven is de begrotingswet 1999.
De artikelonderdelen «Automatiseringsuitgaven»
Op de artikelonderdelen «Automatiseringsuitgaven» worden de materiële uitgaven geraamd, die in het kader van automatisering gedaan worden. Als voorbeelden van automatiseringsuitgaven kunnen genoemd worden uitgaven voor:
– exploitatie en beheer van bestaande geautomatiseerde informatiesystemen;
– onderhoud van bestaande geautomatiseerde informatiesystemen;
– ontwikkeling, bouw en implementatie van nieuwe geautomatiseerde informatiesystemen;
– werkplekautomatisering;
– infrastructurele voorzieningen.
De basis voor het aangaan van verplichtingen en het verrichten van uitgaven is de begrotingswet 1999.
Het artikelonderdeel 01.02.08 «Huisvestingskosten aan agentschap RGD»
Op dit artikelonderdeel worden de huisvestingskosten c.q. de huren aan het agentschap Rijksgebouwendienst geraamd.
Het artikel 01.07 «Voorlichting»
Op het artikel «Voorlichting» dienen alle uitgaven geraamd te worden die door de directie Voorlichting en Externe Betrekkingen (DVEB) in het kader van het voorlichtingsprogramma worden verricht om het (voorgenomen) beleid van VROM, voorzien van een «vertaalslag» uit te dragen naar de externe doelgroepen en het algemene publiek, met het doel de doelgroep te stimuleren om te participeren in het beleid en/of om het gedrag van de doelgroep te beïnvloeden. Bovendien is er pas sprake van voorlichting, indien de directie Voorlichting en Externe Betrekkingen (DVEB) een inhoudelijke inbreng of toegevoegde waarde heeft gehad.
De basis voor het aangaan van verplichtingen en het verrichten van uitgaven is de begrotingswet 1999.
Onder voorlichting vallen: (niet uitputtend vermeld)
– nieuwsbrieven bedoeld voor derden (niet-VROM), alsmede bewerkingen van onderzoeksrapporten in de vorm van een samenvatting en/of persbericht;
– audiovisueel materiaal;
– advertenties/dia's/sheets in het kader van grote instrumentele campagnes;
– het ontwikkelen van communicatiestrategiën ten behoeve van het beleidsproces;
– herdrukken van zowel ongewijzigd als gewijzigd voorlichtingsmateriaal;
– uitgaven ten behoeve van de organisatie van de uitreiking van prijzen (zoals de Milieuprijs, Bronzen Bever e.d. (niet de kosten van de prijs zelf)).
De artikel(onderdel)en «Onderzoek»
Op de artikel(onderdel)en onderzoek worden uitgaven verantwoord, die gedaan worden voor onderzoek dat is uitbesteed aan externen. De basis voor het aangaan van verplichtingen en het verrichten van uitgaven is de begrotingswet 1999.
Voor het hoofdbeleidsterrein 05. «Milieubeheer» gelden voor de algemene grondslagen de volgende aanvullingen.
In de overzichten is gelet op het specifieke karakter van dit hoofdbeleidsterrein in plaats van de kolom «financiële stimulans/soort instrument» een kolom «categorie uitgaven» opgenomen. In dit kader worden de volgende categorieën onderscheiden.
Uitgaven die enerzijds nuttig kunnen zijn bij nieuw te ontwikkelen beleid, dat nog niet geheel is uitgekristalliseerd, en die anderzijds gedaan worden om activiteiten, die gericht zijn op het bevorderen van duurzame ontwikkelingen, te stimuleren. In het algemeen gaat het daarbij om door DGM verstrekte bijdragen (subsidies) die, zoals aangegeven, een stimulerende en/of gedragsbeïnvloedende werking hebben als het gaat om het bereiken van zaken bij het ontwikkelen of verder uitwerken van beleid. Hieronder vallen ook bijdragen aan fondsen, indien deze tot doel hebben gedragsbeïnvloeding te bewerkstelligen, danwel bepaalde doelen te bereiken. Tevens vallen uitgaven terzake van demonstratieprojecten onder deze definitie, namelijk in die gevallen waarbij er sprake is van het verlenen van een bijdrage op grond van een bepaalde stimuleringsregeling als juridische titel.
Apparaatsuitgaven andere overheden
Uitgaven die er voor zorgen dat het ambtelijk apparaat van andere overheden (provincies, gemeenten, waterschappen, etc., zowel afzonderlijk als verenigd via instanties, zoals IPO, VNG en UvW) kan functioneren. Hierbij gaat het dan om bijdragen die DGM verstrekt in de apparaatskosten van andere overheden voor het uitvoeren van bepaalde (specifieke) milieutaken door die andere overheden. In beginsel zal het daarbij structurele werkzaamheden betreffen, maar ook gevallen, waarbij voor een beperkt aantal jaren een bijdrage voor bepaalde taken wordt gegeven vallen onder deze definitie.
Uitgaven die gedaan worden in die gevallen waarbij regelgeving (het treffen van milieumaatregelen) tot kennelijke onredelijkheid leidt of waarbij DGM (bijvoorbeeld door een gerechtelijke uitspraak) wordt veroordeeld tot het betalen van schadevergoedingen.
Uitgaven die op basis van een wettelijke rijkstaak worden gedaan om milieumaatregelen, die het gevolg zijn van vaststaande normen en vaststaand beleid, te effectueren. Het gaat daarbij voornamelijk om het wegnemen van milieuhygiënische knelpunten in bestaande situaties, die naar verwachting niet danwel in onvoldoende mate vrijwillig of via regelgeving en een volledige toepassing van het principe «de vervuiler betaalt» worden opgeheven.
Uitgaven die er voor zorgen dat het «milieu-bouwwerk» (de milieu-infrastructuur) in stand wordt gehouden. Onder milieu-infrastructuur kan worden verstaan het net van organisaties (en eventueel personen) waarvan DGM het gewenst of noodzakelijk acht dat deze hun (coördinerende) werkzaamheden kunnen blijven uitvoeren. Ook bijdragen op grond van (internationale) verdragen vallen hier onder. Indien bepaalde bijdragen aan fondsen tot doel hebben de instandhouding/ondersteuning van een organisatie en/of bepaalde taken/werkzaamheden, vallen deze bijdragen ook onder de definitie van ondersteuningsuitgaven. Niet onder deze definitie vallen de uitgaven aan het RIVM. Deze worden als onderzoeksuitgaven aangemerkt.
Uitvoeringskosten (materiële uitgaven ten behoeve van de beleidsuitvoering)
Projectgebonden uitgaven met een materieel karakter, in die zin dat door DGM opdracht wordt gegeven tot het leveren van goederen of diensten of het inhuren van personeel, waarbij een en ander echter niet het uitvoeren van onderzoek betreft en evenmin het functioneren van het eigen (VROM) ambtelijk apparaat. Deze materiële uitgaven worden gedaan ten behoeve van de uitvoering van het beleid en hebben dan ook een directe relatie met het beleidsterrein waarvoor uitgaven worden geraamd op het betreffende artikel(onderdeel). Ook onder deze definitie vallen die uitgaven die betrekking hebben op onderzoek dat wordt gedaan ter uitvoering van bestaand en uitgekristalliseerd beleid, als onderdeel van (de uitvoering van) een al dan niet wettelijke taak van DGM. Overigens kunnen op dit «uitvoeringsonderzoek» in voorkomende gevallen wel de Algemene Onderzoeksvoorwaarden van VROM (AOV) van toepassing zijn. Daarnaast worden de uitgaven die door de Inspectie Milieuhygiëne worden gedaan en die veelal een materieel karakter hebben ook in totaliteit beschouwd als onderdeel van de «materiële uitgaven ten behoeve van de beleidsuitvoering».
Hier onder worden verstaan de stimulerings- en ondersteuningsuitgaven.
Naar verwachting zal met ingang van 1999 de formele juridische basis van de subsidieverstrekking binnen het hoofdbeleidsterrein 05. «Milieubeheer» wijzigen. De reden hiervan is gelegen in het (ontwerp-)Besluit milieusubsidies (Bm). Met deze, op de Wet milieubeheer gebaseerde Algemene maatregel van bestuur wordt beoogd een harmonisatie en stroomlijning op procedureel gebied tot stand te brengen van alle tot op heden bij diverse wettelijke voorschriften geregelde subsidiestromen. Tevens biedt het Bm een juridische basis voor alle subsidieverstrekking vanuit Milieubeheer. Het ontwerp-besluit is in juli 1998 toegezonden aan de Raad van State, met het verzoek hierover via een spoedprocedure advies uit te brengen. Volgens de huidige planning zou het Bm vervolgens per 1 januari 1999 in werking kunnen treden. Dat betekent dat op dat moment de thans vigerende (en derhalve nu nog in de tabel bij deze bijlage opgenomen) subsidieregelingen worden ingetrokken. Te weten:
– het Besluit diverse subsidies milieubeheer;
– het Subsidiebesluit maatschappelijke organisatie en milieu;
– het Subsidiebesluit milieugerichte technologie en
– het Subsidiebesluit openbare lichamen milieubeheer.Deze laatste overigens met uitzondering van dat deel dat in verband met de afwikkeling van de subsidieverstrekking in het kader van de geluidsanering, pas met ingang van 1 januari 2003 zal worden ingetrokken.
Met de beoogde inwerkingtreding van het Bm (dat immers uitsluitend van procedurele en technisch/juridische aard is) vindt overigens geen inhoudelijke wijziging plaats ten aanzien van de te subsidiëren activiteiten. De subsidiëring zal voortaan echter niet meer plaatsvinden op basis van specifieke subsidieregelingen, maar op basis van op de Wet milieubeheer en het Besluit milieusubsidies gebaseerde programmas (in de vorm van ministeriële regelingen).
Het artikelonderdeel 05.01.06 «Algemene materiële uitgaven»
Onder de cluster «Overige uitgaven» vallen bijvoorbeeld ook de inkoop van gegevens, uitgaven ten behoeve van de attachés/gedetacheerden te Washington, Brussel en Parijs en de apparaatskosten met betrekking tot het interdepartementaal programmabureau «Duurzame Technologische Ontwikkeling».
Hierop worden de uitgaven verantwoord met betrekking tot die activiteiten, die tot doel hebben voor de beleidsvoorbereiding, -ontwikkeling en/of -uitvoering van DGM gegevens te verzamelen, kennis te vermeerderen en/of technologische ontwikkeling tot stand te brengen.
Het betreft onderzoek dat door derden wordt uitgevoerd. Uitgaven terzake van demonstratie-projecten vallen eveneens onder deze definitie, indien (de uitkomsten van) het betreffende demonstratieproject nodig zijn voor de ontwikkeling van het eigen beleid en de uitgaven niet worden gedaan in de vorm van een bijdrage op grond van een bepaalde stimuleringsregeling. Niet onder de definitie van onderzoek vallen die uitgaven die betrekking hebben op onderzoek dat wordt gedaan ter uitvoering van bestaand en uitgekristalliseerd beleid, als onderdeel van (de uitvoering van) een al dan niet wettelijke taak van DGM.
Voorbeelden van dit «uitvoeringsonderzoek» dat niet onder de definitie van onderzoek valt, maar wordt beschouwd als «uitvoeringskosten», zijn:
– door provincies uit te voeren onderzoek bij bodemsaneringsgevallen (is voor DGM onderdeel van de saneringsuitgaven);
– door provincies uit te voeren akoestisch onderzoek bij de sanering van geluidhinder (is voor DGM onderdeel van de saneringsuitgaven);
– stoffenonderzoek als onderdeel van de DGM-taak «uitvoering wet milieugevaarlijke stoffen» (is voor DGM onderdeel van de uitvoeringskosten);
– inspectie-onderzoek als onderdeel van de uitvoering door de Inspectie van haar taken op het gebied van handhaving, toezicht, etc.
Voorts kent DGM de constructie dat een groot deel van het onderzoeksbudget via afspraken in het kader van het zogenoemde «Meerjaren Activiteiten Programma (MAP) wordt opgedragen aan het RIVM. Dit betreft de jaarlijkse structurele bijdrage aan het RIVM (artikel 05.19).
De basis voor het aangaan van verplichtingen is de begrotingswet 1999.
| Wettelijke regeling en/of besluit | Formele vindplaats | Vindplaats laatste wijziging | Beoogde doelstelling | Beoogde doelgroep | Aard van stimulans/soort instrument | Verplichtingen 1999 | Uitgaven 1999 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Hoofdbeleidsterrein 01. Algemeen | |||||||
| 01.02 Personeel en materieel gemeenschappelijke diensten | |||||||
| Begrotingswet 1999 | Leveren van een basisvoorzieningspakket door de gemeenschappelijke diensten ten behoeve van de overige VROM-diensten, alsmede het verrichten van gemeenschappelijke VROM-activiteiten ten behoeve van geheel VROM. In voorkomende gevallen om administratief technische redenen het verrichten van dienstspecifieke activiteiten. | 134 938 | 140 074 | ||||
| 01.03 Prijsbijstelling | |||||||
| art. 5, lid 7, 8 en 9 van de Comptabiliteitswet | Stb. 1992, 351 | Administratief artikel voor het stallen van de nog over de artikelen te verdelen prijsbijstelling | |||||
| 01.04 Loonbijstelling | |||||||
| art. 5, lid 7, 8 en 9 van de Comptabiliteitswet | Stb. 1992, 351 | Administratief artikel voor het stallen van de nog over de artikelen te verdelen loonbijstelling | |||||
| 01.05 Onvoorziene uitgaven | |||||||
| art. 5, lid 6 van de Comptabiliteitswet | Stb. 1992, 351 | Het verrichten van onvoorziene uitgaven | |||||
| 01.11 Nog nader te verdelen | |||||||
| Begrotingswet 1999 | Het zichtbaar maken van nog in te vullen ombuigingstaakstellingen en/of andere over de hoofdbeleidsterreinen/artikelen te verdelen posten | ||||||
| 01.13 VROM-raad | |||||||
| Wet op de Ruimtelijke Ordening, artikel 52; Begrotingswet 1999 | Stb. 1985, 626 | Het adviseren van de Minister gevraagd en ongevraagd inzake aangelegenheden betreffende volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer | De Minister van VROM | Vergoeding personele en materiële uitgaven | 4 172 | 4 172 | |
| 01.14 Stichting Advisering Bestuursrechtspraak | |||||||
| Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en de Wet Milieubeheer (onafhankelijkheid adviseurs inzake beroepen) | Stb. 1995, 270 | Onafhankelijke advisering aan bij de administratieve rechter ingestelde beroepen op grond van de Wet Ruimtelijke Ordening en milieuwetgeving | Stichting advisering bestuursrechtspraak | Bijdrage in de exploitatielasten van de stichting | 9 170 | 9 085 | |
| 01.15 Duurzaam bouwen | |||||||
| Begrotingswet 1999 | Duurzaamheidsaspecten een sterkere en op termijn een vaste positie geven in de besluitvorming over de inrichting en het gebruik van de gebouwde omgeving | Consumenten, marktpartijen en overheden | Onderzoek, kennisoverdracht en bijdrage infopunt DuBo | 1 050 | 1 060 | ||
| Hoofdbeleidsterrein 02. Rijkshuisvesting | |||||||
| 02.01 Inputfinanciering buiten de huur-verhuur relatie | |||||||
| Begrotingswet 1999 | De afzonderlijke financiering van een aantal huisvestingsobjecten, -projecten en werkzaamheden waarbij geen sprake is van een huur-verhuurrelatie of van een vergoeding voor advies of services | Koninklijk Huis, Hoge Colleges van Staat, ministeries (incl. agentschappen, exclusief zelfstandige Bestuursorganen) | Bijdrage aan uitgaven agentschap Rgd waar tegenover geen huur-verhuurrelatie geldt. | 153 796 | 153 796 | ||
| Hoofdbeleidsterein 03. Volkshuisvesting | |||||||
| 03.05.01 Volkshuisvestingsinstellingen | |||||||
| Begrotingswet 1999 | Het bevorderen van activiteiten van volkshuisvestingsinstellingen | Volkshuisvestingsinstellingen | Bijdrage ter dekking van exploitatietekorten en/of ter financiering van bijzondere projecten | 1 310 | 1 350 | ||
| 03.05.02 Experimenten en kennisoverdracht | |||||||
| Begrotingswet 1999 | Het stimuleren van kennisoverdracht, samenwerking t.b.v. innovatieprocessen en het beproeven van nieuwe gedachten d.m.v. experimenten | Professionele organisaties | Bijdrage ter dekking van exploitatietekorten en/of ter financiering van bijzondere projecten | 3 077 | 7 807 | ||
| 03.05.03 Internationale volkshuisvestingsinstellingen | |||||||
| Begrotingswet 1999 | Het bevorderen van kennisoverdracht danwel samenwerking op het volkshuisvestingsterrein in internationaal perspectief | Non-profit en profit organisaties | Bijdrage ter dekking van exploitatietekorten en/of ter financiering van bijzondere projecten | 3 037 | 3 036 | ||
| 03.06.02 Scholing van woonconsumenten | |||||||
| Begrotingswet 1999 | Het verhogen van de deskundigheid van het kader van woonconsumentenorganisaties op het gebied van de volkshuisvesting | Bewonersorganisaties | Bijdragen in de scholingskosten | 621 | 621 | ||
| 03.06.03 Subsidies aan bewonersorganisaties | |||||||
| Begrotingswet 1999 | Het ondersteunen van landelijke organisaties die gericht zijn op de belangenbehartiging van de woonconsument | Bewonersorganisaties | Bijdrage in de exploitatiekosten tot een vastgesteld maximum bedrag | 2 690 | 2 690 | ||
| 03.12 Garanties | |||||||
| Regeling deelneming in garanties woninggebonden subsidies | St.crt 1992, 213 | St.crt 1995, 89 St.crt 1994, 231 | Het bevorderen van het eigen woningbezit | Eigenaar/bewoners | Vast percentage van verlies. Per woning zal hoogte van het verlies worden bepaald | 0 | 0 |
| Begrotingswet 1999 | Het bevorderen van het eigen woningbezit | Waarborgfonds Eigen Woningen | Bijdrage in eventueel tekort bij garantieverstrekking | ||||
| 03.15.01 Huisvesting gehandicapten | |||||||
| Regeling Geldelijke Steun Huisvesting Gehandicapten 1992 | St.crt 1992, 145 | St.crt 1994, 51 | Het geschikt maken van een woning voor bewoning door een gehandicapte | Eigenaar, bewoner, verhuurder, keuringsinstanties | Verstrekking en uitbetaling vindt plaats aan gemeenten, o.b.v. door gemeenten verstrekte subsidies aan eindontvangers | 0 | 68 728 |
| 03.15.02 Woonwagenbewoners | |||||||
| Besluit werk en kosten woonwagencentra | Stb. 1985, 68 | Stb. 1993, 663 | Het bijdragen in de door gemeenten (of woonwagenschappen) gedane uitgaven voor oprichting en instandhouding van een centrum | Gemeenten, woonwagenschappen | Exploitatiebijdrage | 0 | 32 3001 |
| Regeling geldelijke steun huurwoonwagens | St.crt 1991, 187 | St.crt 1995, 140 | Het zorgdragen voor betaalbare huisvesting voor woonwagenbewoners | Woonwagenbewoners | Exploitatiebijdrage en leningen ter financiering van huurwoonwagens | ||
| 03.15.06 Knelpunten ouderenbeleid | |||||||
| Tijdelijke regeling geldelijke steun liftplaatsing bij bestaande woongebouwen | St.crt. 1993, 37 | St.crt 1997, 144 | Het vergroten van de algemene fysieke toegankelijkheid van bestaande woongebouwen | Ouderen | Bijdragen in de kosten van het plaatsen van liften | 0 | 11 5001 |
| Begrotingswet 1999 | Het stimuleren van ontwikkelingen (en bijdragen aan) het oplossen van specifieke knelpunten op het terrein van ouderenhuisvesting (bv. kennisoverdracht) | Ouderen | Bijdragen in de kosten van specifieke projecten | ||||
| 03.16.01 Huursubsidie | |||||||
| Huursubsidiewet | Stb. 1997, 197 | Stb. 1998, 289 | Het garanderen van betaalbaar wonen voor de lagere inkomensgroepen | Huurders | Genormeerde bijdrage in de kosten rechtstreeks aan de huurder of huurmatiging via de verhuurder | 3 065 950 | 3 065 950 |
| 03.16.02 Huurgewenningsbijdragen | |||||||
| Overgangsregeling huurgewenningsbijdrage domeinwoningen | St.crt 1992, 71 | Het tot stand brengen van een geleidelijke huurverhoging in het kader van stadsvernieuwing of woningverbetering | Huurders | Genormeerde bijdrage in de kosten rechtstreeks aan de huurder of huurmatiging via de verhuurder | 50 | 50 | |
| 03.16.03 Vergoeding verhuurders | |||||||
| Huursubsidiewet | Stb. 1997, 197 | Stb. 1998, 289 | Het vergoeden van kosten van verhuurders die via het stelsel van huurmatiging actief betrokken zijn bij de uitbetaling van de huursubsidie, alsmede van gemeenten aan huurders die voorschotten aan huursubsidie verstrekken | Verhuurders, gemeenten | Een vaste vergoeding per toegekende aanvraag aan verhuurders en gemeenten | 30 402 | 30 402 |
| 03.16.04 Bijdrage huurlasten | |||||||
| Besluit vangnetregeling | Stb. 1998, 321 | Het creëren van een vangnet voor huurders die een aanzienlijke inkomensdaling hebben gehad | Huurders | Genormeerde bijdrage in de kosten rechtstreeks aan de huurder | 51 200 | 51 200 | |
| 03.16.05 Gewenningssubsidie eigen woning-bezit | |||||||
| Gewenningssubsidieregeling eigen woning-bezit | St.crt 1997, 130 | St.crt 1997, 245 | Stimulering van het eigen-woningbezit onder de midden en lagere inkomensgroepen | Eigenaar/bewoners | Inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten rechtstreeks aan de eigenaar/bewoner | 42000 | 42000 |
| 03.18.01 Hoofdinfrastructuursubsidie | |||||||
| Regeling Hoofdinfrastructuur 1992 (m.i.v. 1-1-1994) Regeling overgangsbepalingen locatiegebonden subsidies | St.crt 1992, 210 St.crt 1994, 241 | Stimuleren van de voortgang van de Volkshuisvesting binnen het door het Rijk gewenste Verstedelijkspatroon | Aangewezen groeikernen en gemeenten | Een bijdrage in de kosten van aanleg en verbetering van de hoofdinfrastructuur | 6 500 | 10 000 | |
| 03.18.02 Locatiesubsidie | |||||||
| Locatiesubsidieregeling 1993 (m.i.v. 1-1-1994) Regeling overgangsbepalingen locatiegebonden subsidies | St.crt 1992, 210 St.crt 1994, 241 | St.crt. 1993, 206 | Het verlenen van geldelijke steun voor de ontwikkeling van bouwlocaties | Gemeenten | Eén of meerdere bijdragen in de grondkosten voor een nieuwe-uitleg-locatie | 0 | 10 474 |
| 03.18.03 Subsidie grote bouwlocaties (SGB) | |||||||
| Locatiesubsidieregeling 1993 (m.i.v. 1-1-1994) Regeling overgangsbepalingen locatiegebonden subsidies | St.crt 1992, 210 St.crt 1994, 241 | St.crt. 1993, 206 | Het verlenen van geldelijke steun voor de ontwikkeling van bouwlocaties | Gemeenten | Bijdrage ineens (Lump-sum) | 0 | 0 |
| 03.19 Stadsvernieuwing | |||||||
| Wet op de Stads- en Dorpsvernieuwing Besluit op de Stads- en Dorpsvernieuwing | Stb. 1984, 406 Stb. 1990, 531 | Stb. 1997, 226 Stb. 1997, 562 | Het beschikbaar stellen van middelen voor Stads- en dorpsvernieuwing | Gemeenten en provincies | Stortingen van middelen in de provinciale en gemeentelijke stadsvernieuwingsfondsen | 929 535 | 807 732 |
| 03.35 Budget besluit locatiegebonden subsidies | |||||||
| Besluit locatiegebonden subsidies | Stb. 1994, 57 | Stb. 1998, 233 | Het verlenen van geldelijke steun voor de ontwikkeling van bouwlocaties | Regionale samenwerkingsverbanden en provincies | Lump-sum | 0 | 269 690 |
| 03.37 Budget besluit woninggebonden subsidies 1995 | |||||||
| Besluit woninggebonden subsidies 1995 | Stb. 1994, 744 | Stb. 1997, 562 | Stimulering van een gedifferentieerd woningaanbod | Budgetbeherende bestuursorganen | Stortingen van middelen in de BWS-budgetten van de budgethouders | 21 610 | 311 638 |
| 03.39 Sanering woningbeheerders | |||||||
| Begrotingswet 1999 | Het saneren van in ernstige financiële problemen geraakte niet-winstbeogende-instellingen, welke geen toegelaten instelling zijn | Niet winstbeogende-instellingen, die geen toegelaten instelling zijn | Bijdrage ineens | 0 | 0 | ||
| 03.40.01 Duurzaam bouwen | |||||||
| Tijdelijke stimuleringsregeling duurzaam bouwen Begrotingswet 1999 | St.crt. 1995, 249 | St.crt 1998, 52 | Het bewegen van de marktpartijen tot het toepassen van duurzaam bouwen, ervan uitgaande dat het niet haalbaar is dat de totale meerkosten van duurzaam bouwen in de exploitatie wordt opgevangen. | Budgetbeherende bestuursorganen | Bijdrage ineens | 0 | 49 545 |
| 03.40.02 Voorbeeldplannen duurzaam bouwen | |||||||
| Voorbeeldplannen duurzaam bouwen Begrotingswet 1999 | St.crt. 1995, 249 | St.crt 1998, 52 | Het hebben van een voorbeeldfunctie bij het overdragen van praktijkkennis over duurzaam bouwen. | Budgetbeherende bestuursorganen | Bijdrage ineens | 1 000 | 5 495 |
| 03.40.03 Innovatief bouwen | |||||||
| Tijdelijke stimuleringsregeling innovatief bouwen (m.i.v. eind 1998) Begrotingswet 1999 | Het – in het kader van een duurzame stedelijke vernieuwing – op gang brengen van het duurzaam en betaalbaar renoveren, verbeteren en/of veranderen van bestaande woningen, wooncomplexen en wijken door het initiëren van voorbeeldplannen. | Opdrachtgevers in de bouw | 7 000 | 3 000 | |||
| 03.41 Planologische- en woningbouwknelpunten VINEX | |||||||
| Begrotingswet 1999 | Ten behoeve van de ontwikkeling van VINEX locaties kunnen aanvullende financiële bijdragen worden verstrekt ter oplossing van voorkomende knelpunten. Deze bijdragen kunnen niet op grond van bestaande regelingen worden verstrekt. | Lagere overheden | Lump-sum | 0 | 12 500 | ||
| 03.42 Stimulering herstructurering van de woningvoorraad | |||||||
| Tijdelijke stimuleringsregeling herstructurering goedkope woningvoorraad | St.crt. 1996, 244 | St.crt. 1998, 93 | Het treffen van duurzame ingrepen in het beheer of de samenstelling van de woningvoorraad, gericht op differentiatie van de sociale structuur | Gemeenten en sociale verhuurders | Lump-sum | 75 000 | 33 050 |
| 03.68 Leningen woningwet | |||||||
| Begrotingswet 1999 | 0 | 0 | |||||
| 03.73 Afkoop jaarlijkse bijdragen op grond van de wet «Balansverkorting geldelijke steun volkshuisvesting» | |||||||
| Wet Balansverkorting geldelijke steun Volkshuisvesting | Stb. 1995, 313 | Stb. 1998, 231 | Verdere verzelfstandiging van de sociale huursector, beheersing van de overheidsuitgaven en een verantwoorde huurontwikkeling | Sociale verhuurders | Afkoop van de jaarlijkse bijdrage op voet van de vóór 1992 geldende regelingen, bijdragen flankerend beleid en rentebijdragen in herfinancieringsverliezen | 155 000 | 155 000 |
| 03.74.01 Jaarlijkse bijdragen huurwoningen oude regelingen | |||||||
| Beschikking Geldelijke Steun Particuliere Huurwoningen 1968 | St.crt 1967, 124 | Het bevorderen van het beschikbaar komen van goedkope woningen door het subsidiëren van nieuwbouw en verbouw in de sociale huursector | Particuliere verhuurders | Bijdrage in het exploitatietekort | 01 | 35 1891 | |
| Beschikking Geldelijke Steun Verbetering Particuliere Woningen 1977 | St.crt 1976, 242 | Het stimuleren van verbeteringen van huurwoningen in de particuliere sector | Particuliere verhuurders | bijdrage in het exploitatietekort | |||
| Beschikking Geldelijke Steun Verbetering Particuliere Woningen 1979 I | St.crt 1979, 34 | Het stimuleren van verbeteringen van huurwoningen in de particuliere sector | Particuliere verhuurders | bijdrage in het exploitatietekort | |||
| Beschikking Geldelijke Steun Verbetering Particuliere Woningen 1979 II | St.crt 1979,163 | St.crt 1983, 140 | Het stimuleren van verbeteringen van huurwoningen in de particuliere sector | Particuliere verhuurders | bijdrage in het exploitatietekort | ||
| Beschikking Geldelijke Steun Voorzieningen Particuliere Huurwoningen 1985 | St.crt 1984, 242 | Het stimuleren van verbeteringen van huurwoningen in de particuliere sector | Particuliere verhuurders | bijdrage in het exploitatietekort | |||
| Regeling Geldelijke Steun Voorzieningen Huurwoningen | Stb. 1990, 195 | Het stimuleren van verbeteringen van huurwoningen in de sociale en particuliere sector | (Ver)huurders/bewoners | jaarlijkse bijdrage in het exploitatietekort | |||
| 03.74.02 Jaarlijkse bijdragen huurwoningen DKP-systeem | |||||||
| Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975 | St.crt 1975, 134 | Het bevorderen van het beschikbaar komen van goedkope woningen door het subsidiëren van nieuwbouw en verbouw in de sociale huursector | Sociale en particuliere verhuurders | procentuele bijdrage in het exploitatietekort | 01 | 5 5121 | |
| Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988 | St.crt 1988, 254 | Het bevorderen van het beschikbaar komen van goedkope woningen door het subsidiëren van nieuwbouw en verbouw in de sociale huursector | Sociale verhuurders | procentuele bijdrage in het exploitatietekort | |||
| 03.75.01 Subsidies marktgerichte huur- en koopwoningen en jaarlijkse bijdragen huurwoningen beleggers | |||||||
| Beschikking bijdrage ineens nieuwe vrije sectorwoningen | Stb. 1990, 189 | Het bevorderen van de doorstroming c.q. evenwichtige woningverdeling d.m.v. het stimuleren van het bouwen van huur- en koopwoningen met een max. stichtingskostengrens | Eigenaar/bewoners, verhuurders | bijdrage ineens van f 5000,- | 01 | 6 2181 | |
| Regeling premiehuurwoningen 1989 | Stb. 1990, 195 St.crt 1991, 187 | Het bevorderen van de doorstroming c.q. evenwichtige woningverdeling d.m.v. het stimuleren van het bouwen van huurwoningen met een max. stichtingskostengrens | Institutionele beleggers/verhuurders en woningbouwverenigingen met ABR > 50% | 5 jaarlijkse bijdragen van f 2000,- | |||
| 03.75.02 Bijdragen eigen woningen | |||||||
| Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1979 | St.crt 1979, 76 St.crt 1983, 30 | St.crt 1995, 131 | Het bevorderen van het eigen woningbezit | Eigenaar/bewoners | Inkomensafhankelijke bijdrage | 01 | 238 1001 |
| Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 | St.crt 1984, 6 | St.crt 1995, 131 | Het bevorderen van het eigen woningbezit | Eigenaar/bewoners | Inkomensafhankelijke bijdrage | ||
| 03.76 Budgetten Besluit woninggebonden subsidies 1992–1994 | |||||||
| Besluit woninggebonden subsidies | Stb. 1991, 440 Stb. 1992, 554 | Het bevorderen van nieuwbouw en ingrijpende verbetering | Sociale en particuliere verhuurders | o.a. genormeerde bijdrage in de exploitatie, inkomensafhankelijke bijdrage, bijdrage ineens | 0 | 382 439 | |
| 03.77 Overige niet-actieve uitgaven | |||||||
| Begrotingswet 1999 | Beëindigen van de Stadsmeierrechten | Gemeente Groningen | Lump-sum | 0 | 2 800 | ||
| 03.78.01 Afkoop jaarlijkse bijdragen DKP-systeem | |||||||
| Begrotingswet 1999 | Beheersing van overheidsuitgaven | Particulieren en beleggers | Afkoop middels bijdrage ineens | 0 | 478 000 | ||
| 03.78.02 Bijdrage overdracht ABP-planwoningen | |||||||
| Begrotingswet 1999 | Behoud goedkope huurwoningen voor doelgroep | Huurders en sociale verhuurders | Bijdrage ineens | 0 | 0 | ||
| 03.78.03 Vergoedingen belastingschade en belastingnadeel | |||||||
| Begrotingswet 1999 | Compensatie belastingnadeel voor beleggers en particulieren | Particulieren en beleggers | Bijdrage ineens | 0 | 124 000 | ||
| 03.79.01 Afkoop jaarlijkse bijdragen en overnamebijdragen | |||||||
| Beschikking geldelijke steun huurwoningen 1975 | St.crt 1975, 134 | Het bevorderen van het beschikbaar komen van goedkope woningen door het subsidiëren van nieuwbouw en verbouw in de sociale huursector | NWI's | Bijdrage in het exploitatietekort | 0 | 53 132 | |
| Afkoop/sanering | Stb. 1998, publ. verwacht 2e helft 1998 | Beheersing overheidsuitgaven NWI's en TI's. | Bijdrage ineens | 332 500 | 332 500 | ||
| 03.79.02 Jaarlijkse bijdragen oude regelingen | |||||||
| Beschikking Geldelijke Steun Particuliere Huurwoningen 1968 | St.crt 1967, 124 | Het bevorderen van het beschikbaar komen van goedkope woningen door het subsidiëren van nieuwbouw en verbouw in de sociale huursector | NWI's | Bijdrage in het exploitatietekort | 0 | 1 311 | |
| Hoofdbeleidsterrein 04. Ruimtelijke Ordening | |||||||
| 04.03.02 Planvorming en stimulering ruimtelijk beleid | |||||||
| Wet op de Ruimtelijke Ordening, artikelen 50 t/m 50d | Stb. 1997, 154 | Het realiseren van projecten die vanuit de optiek van de ruimtelijke ordening van essentieel belang zijn | diverse samenwerkingsverbanden tussen het Rijk, de provincies, gemeenten en private instellingen (bedrijven en particulieren) | bijdragen in de kosten van uitvoeringsprojecten | 30 723 | 41 898 | |
| 04.05 Uitvoering planologische kernbeslissing waddengebied | |||||||
| Wet op de Ruimtelijke Ordening, artikel 56a | Stb. 1985, 626 | Het creëren van een mogelijkheid voor maatschappelijke organisaties, die belangen hebben in het waddengebied, om hun oordeel te geven over de vele aspecten van bestuur en beheer van de Waddenzee | De Waddenadviesraad | vergoeden materiële kosten secretariaat | 228 | 228 | |
| 04.06 Veiligstelling van bufferzones | |||||||
| Begrotingswet 1999 en deels Reconstructiewet Midden Delfland 1977 | Stb. 1977, 233 | Het verwerven van strategisch gelegen gronden in bufferzones, landelijk gelegen gebieden tussen stadsgewesten, waarin de kwaliteit van de groene functies wordt bedreigd door verstedelijking | (agrarische) bedrijven en particulieren | grondverwerving | 12 023 | 12 023 | |
| 04.08 Leerlingbouwplaatsen | |||||||
| Beschikking Geldelijke Steun Leerlingen op de Bouwplaats | Het stimuleren van een voldoende gekwalificeerde instroom in de bouwnijverheid | Bedrijven en Stichting Vakopleiding Bouwbedrijf | bijdrage in de kosten | 1 930 | 1 930 | ||
| 04.09 Stichting Overlegorgaan Ravi | |||||||
| Begrotingswet 1999 | Het zorgdragen voor het uitvoeren van onderzoek op het gebied van vastgoed, topografie en leidingen en het verstrekken van informatie hierover binnen de overheid | Overheid | Bijdrage t.b.v. secretariaat Stichting | 0 | 500 | ||
1 Inclusief de verplichtingen en uitgaven van de hierna genoemde regeling(en) en/of besluit(en) waar geen bedragen zijn opgenomen.
| Wettelijke regeling en/of besluit | Formele vindplaats | Vindplaats laatste wijziging | Beoogde doelstelling | Beoogde doelgroep | Aard van stimulans/soort instrument | Verplichtingen 1999 |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Hoofdbeleidsterrein 05. Milieubeheer | ||||||
| 05.13 Garanties | ||||||
| Overeenkomst kredietverlening vrijwillige bodemsanering 1993 (in aansluiting op de Regeling Bijzondere Financiering 1971) | St.crt. 1993, 239 | Het vergroten van de financieringsmogelijkheden teneinde bodemsaneringen in eigen beheer mogelijk te maken. | (Middel)grote ondernemingen | Saneringsuitgaven | 89 600 | |
| Besluit borgstelling midden- en kleinbedrijfkredieten (Koninklijk besluit inwerkingtreding hoofdstuk II) | Stb. 1994, 225 Stb. 1994, 650 | Het vergroten van de financieringsmogelijkheden teneinde bodemsaneringen in eigen beheer mogelijk te maken. | Midden- en kleinbedrijf | Saneringsuitgaven | 144 000 | |
| 05.15.01 Milieutechnologie en -infrastructuur | ||||||
| Wet Milieubeheer | Stb. 1992, 551 | Stb. 1993, 31 | Het voorkomen van verstoring van concurrentieverhoudingen door middel van het vergoeden van exceptionele kosten als gevolg van het opleggen van milieumaatregelen. | Bedrijven | Schadevergoedingen | 926 |
| Regeling bijdragen ROM-gebieden | St.crt. 1992, 235 | St.crt. 1995, 232 | Het bevorderen van gebiedsgericht milieubeleid teneinde de gewenste ruimtelijke- en milieukwaliteit te bereiken. | Provincies | Stimuleringsuitgaven | 0 |
| Subsidiebesluit openbare lichamen milieubeheer | Stb. 1990, 174 | Stb. 1996, 342 | Het (mede-)financieren van projecten als eenmalige bijdrage met een ROM-achtig karakter buiten de aangewezen ROM-gebieden, alsmede experimenten Stad en Milieu. | Provincies, gemeenten en waterschappen | Stimuleringsuitgaven | 500 |
| Subsidiebesluit openbare lichamen milieubeheer (§ 8.1. Bijdragen in de kosten voor gebieden waarin de kwaliteit van het milieu bijzondere aandacht behoeft) | Stb. 1990, 174 | Stb. 1996, 342 | Het stimuleren van het gebiedsgericht milieubeleid in de zogenaamde milieu-aandachtsgebieden en het bevorderen van een integrale aanpak van dit beleid bij de uitvoering door met name andere overheden. | Provincies | Stimuleringsuitgaven | 30 945 |
| Besluit subsidies maatschappelijke organisaties en milieu | Stb. 1995, 423 | Het bevorderen van de bewustwording voor milieuvraagstukken en de vergroting van het maatschappelijk draagvlak voor een duurzame samenleving. | Non-profit instellingen met domicilie in Nederland | Ondersteuningsuitgaven | 10 893 | |
| Subsidiebesluit milieugerichte technologie | Stb. 1995, 84 | Het verlenen van bijdragen ter stimulering van de ontwikkeling en maatschappelijke implementatie van milieugerichte technologie | Alle maatschappelijke belangstellenden | Stimuleringsuitgaven | 5 500 | |
| Besluit diverse subsidies milieubeheer | Stb. 1996, 158 | Stb. 1998, 99 | Het door middel van bijdragen stimuleren van projecten of activiteiten samenhangend met het beleid op het gebied van bestuurlijke coördinatie en strategische planning (kennisoverdracht). | Bedrijven en maatschappelijke organisaties | Stimuleringsuitgaven | 164 |
| Begrotingswet 1999 (nog te maken subsidieregeling t.b.v. decentrale initiatieven duurzame ontwikkeling) | Het stimuleren van lokale en regionale initiatieven op het gebied van duurzame ontwikkeling | Provincies, gemeenten | Stimuleringsuitgaven | 900 | ||
| Begrotingswet 1999 | Het ondersteunen van de Commissie voor de Milieu-effectrapportage (MER) | Commissie MER | Ondersteuningsuitgaven | 3 805 | ||
| Begrotingswet 1999 | Het ondersteunen van de Raad voor Milieu en Natuuronderzoek (RMNO) | RMNO | Ondersteuningsuitgaven | 669 | ||
| Begrotingswet 1999 | Inzet Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) ten behoeve van het uitvoeren van een faciliterende rol en het flankerend beleid richting gemeenten | VNG | Ondersteuningsuitgaven | 0 | ||
| Begrotingswet 1999 | Het laten uitvoeren van de Bijdragenregeling milieugerichte technologie (inclusief uitgaven die samenhangen met de activiteiten op het programma BMT, maar daar geen onderdeel van vormen) | NOVEM c.a. | Uitvoeringskosten | 1 800 | ||
| Begrotingswet 1999 | Het via opdrachtverlening (laten) uitvoeren van projecten of activiteiten samenhangend met de uitvoering van het beleid op het gebied van bestuurlijke coördinatie en strategische planning. | Diverse | Uitvoeringskosten | 4 643 | ||
| 05.15.03 Internationaal milieubeleid | ||||||
| Besluit diverse subsidies milieubeheer | Stb. 1996, 158 | Stb. 1998, 99 | Het door middel van bijdragen stimuleren van het internationaal milieubeleid | Bedrijven, internationale organisaties, particulieren, buitenlandse overheden | Stimuleringsuitgaven | 3 380 |
| Begrotingswet 1999 | Het ondersteunen van het International Reference Centre for Community Water Supply and Sanitation (IRC) | IRC | Ondersteuningsuitgaven | 0 | ||
| Begrotingswet 1999 | Het ondersteunen van (internationale) organisaties/programma's/verdragen, te weten – vrijwillige bijdrage milieuprogramma: – Antarctisch onderzoeksprogramma i.h.k.v. Consultatieve Status: – ondersteuning landen met een overgangseconomie, gericht op deelname aan internationale bijeenkomsten: – Environmental Action Programme for Central and Eastern Europe (secretariaat Task Force): – Environmental Action Programme for Central and Eastern Europe (projecten Trustfunds): | UNEP GOA UN/ECE OESO EBRD | Ondersteuningsuitgaven Ondersteuningsuitgaven Stimuleringsuitgaven Stimuleringsuitgaven Stimuleringsuitgaven | 1 360 740 300 400 500 | ||
| Begrotingswet 1999 | Het via opdrachtverlening (laten) uitvoeren van projecten of activiteiten samenhangend met de uitvoering van het internationaal milieubeleid. | Diverse | Uitvoeringskosten | 3 377 | ||
| 05.16.01 Bodem | ||||||
| Wet bodembescherming | Stb. 1986, 374 | Stb. 1994, 374 | Het verstrekken van bijdragen voor onderzoek en sanering van die gevallen, waarin de bodem zodanig is of dreigt te worden verontreinigd dat de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft, ernstig zijn of dreigen te worden verminderd. Bijdragen voor onderzoek en sanering van verontreinigde regionale waterbodems. | Provincies, 4 grote steden | Saneringsuitgaven | 364 854 |
| Begrotingswet 1999 (over te boeken naar provinciefonds) | Bijdragen aan de stichtingen BSB ten behoeve van de ondersteuning van de operatie vrijwillige bodemsanering op in gebruik zijnde bedrijfsterreinen | Provinciale stichtingen BSB | Ondersteuningsuitgaven | 4 000 | ||
| Besluit diverse subsidies milieubeheer | Stb. 1996, 158 | Stb. 1998, 99 | Het door middel van bijdragen ondersteunen en stimuleren van bredere bekendheid van technologie en beleid met betrekking tot (water)bodemsanering en bodembescherming (kennisoverdracht) | Bedrijven en maatschappelijke organisaties | Ondersteuningsuitgaven | 1 875 |
| Begrotingswet 1999 | Het ondersteunen van de Landelijke Stuurgroep BSB | Landelijke Stuurgroep BSB | Ondersteuningsuitgaven | 200 | ||
| Begrotingswet 1999 | Het ondersteunen van de Technische Commissie Bodembescherming (TCB) | TCB | Ondersteuningsuitgaven | 430 | ||
| Begrotingswet 1999 | Het laten uitvoeren van de kostenverhaalsacties bodemsanering en het in dat kader laten verlenen van juridische ondersteuning. | Landsadvocaat | Uitvoeringskosten | 3 500 | ||
| Begrotingswet 1999 | Het via opdrachtverlening (laten) uitvoeren van projecten of activiteiten samenhangend met de uitvoering van het beleid op het gebied van bodembescherming en -sanering. | Diverse | Uitvoeringskosten | 2 060 | ||
| 05.16.02 Drinkwater, water, landbouw | ||||||
| Begrotingswet 1999 | Het ondersteunen van de Raad voor de Drinkwatervoorziening | Raad voor de Drinkwatervoorziening | Ondersteuningsuitgaven | 0 | ||
| Begrotingswet 1999 | Het via opdrachtverlening (laten) uitvoeren van projecten of activiteiten samenhangend met de uitvoering van het beleid op het gebied van (drink)water en landbouw. | Diverse | Uitvoeringskosten | 1 259 | ||
| Besluit diverse subsidies milieubeheer | Stb. 1996, 158 | Stb. 1998, 99 | Het door middel van bijdragen stimuleren van projecten of activiteiten samenhangend met het beleid op het gebied van drinkwater, water, landbouw (kennisoverdracht). | Bedrijven en maatschappelijke organisaties | Stimuleringsuitgaven | 0 |
| 05.16.03 Lucht en energie | ||||||
| Subsidiebesluit milieugerichte technologie | Stb. 1995, 84 | 1. Programma «KWS 2000»: het bevorderen van de praktische maatregelen waardoor de uitworp van vluchtige organische stoffen wordt beperkt 2. Programma «Reductie verzurende emissies bedrijven en broeikasgassen»: het bevorderen van technisch-economische maatregelen waardoor de uitworp van NOx, SO2 en NH3 en broeikasgassen door de industrie wordt beperkt 3. Programma «NOx-reductie»: het bevorderen van de introductie van nageschakelde technieken ter bestrijding van NOx-emissies 4. Programma «Vermindering luchtemissies»: het bevorderen van de introductie van biomassa bij de opwekking van duurzame energie ter vermindering van luchtemissies | Bedrijven en non-profit organisaties Bedrijven en non-profit organisaties Raffinaderijen, industrie, electriciteitsproducenten en diensten/MKB-sector Bedrijven en non-profit organisaties | Stimuleringsuitgaven Stimuleringsuitgaven Stimuleringsuitgaven Stimuleringsuitgaven | 0 0 20 000 500 | |
| Besluit diverse subsidies milieubeheer | Stb. 1996, 158 | Stb. 1998, 99 | Het door middel van bijdragen stimuleren van projecten of activiteiten samenhangend met het beleid op het gebied van lucht, energie en klimaat (kennisoverdracht). | Non-profit organisaties | Stimuleringsuitgaven | 100 |
| Regeling niet-industriële restwarmte-infrastructuur (NIRIS) | St.crt. 1998, 166 | Als onderdeel van het CO-2-reductieplan bevorderen van de aanleg van infrastructuren voor distributie van niet-industriële restwarmte | Energiedistributiebedrijven | Stimuleringsuitgaven | 0 | |
| Begrotingswet 1999 | Het uitvoeren van het demonstratieproject Life-style c.a. | Bedrijven en particulieren | Stimuleringsuitgaven | 400 | ||
| Begrotingswet 1999 | Het ondersteunen van de Klimaatcommissie | Klimaatcommissie | Ondersteuningsuitgaven | 0 | ||
| Begrotingswet 1999 | Het in het kader van het klimaatbeleid tot uitvoering (laten) brengen van het Reductieplan «overige broeikasgassen», alsmede het bevorderen van demonstratieprojecten in dat verband | Bedrijven | Uitvoeringskosten en stimuleringsuitgaven | 6 000 | ||
| Begrotingswet 1999 | Het in het kader van de uitvoering van het klimaatbeleid bevorderen en laten uitvoeren van «joint imlementation-projecten» in Midden- en Oost Europa en capacity-building (opbouw infrastructuur voor JI-projecten) | Bedrijven, internationale organisaties, buitenlandse overheden | Uitvoeringskosten, ondersteuningsuitgaven en stimuleringsuitgaven | 25 000 | ||
| Begrotingswet 1999 | Detachering ambtelijke ondersteuning bij het Institute for Prospective Technological Studies te Sevilla in het kader van de Nederlandse bijdrage van BAT-documenten in Europees verband | Provincie Gelderland | Apparaatskosten andere overheden | 104 | ||
| Begrotingswet 1999 | Bijdrage in het kader van het Weens Verdrag 1985 en het Montreal Protocol 1997. | UNEP | Ondersteuningsuitgaven | 232 | ||
| Begrotingswet 1999 | Medefinanciering van de bijdrage van werkgroep III «Technical Support Unit» van het IPCC aan het Third Assesment Report van het IPCC. | IPCC | Ondersteuningsuitgaven | 707 | ||
| Begrotingswet 1999 | Medefinanciering van het IEA-Greenhouse Gas R&D Programme (IEA-GHG) inzake afvangst, hergebruik en opslag van broeikasgassen. | IEA | Ondersteuningsuitgaven | 110 | ||
| Begrotingswet 1999 | Bijdrage aan het secretariaat van het internationale onderzoeksprogramma Eurotrac | EU/ISS | Ondersteuningsuitgaven | 12 | ||
| Begrotingswet 1999 | Nederlandse bijdrage aan de monitoringsactiviteiten vallend onder het EMEP-Protocol (Trb. 1984, 157). | EMEP | Ondersteuningsuitgaven | 135 | ||
| Begrotingswet 1999 | Contributie in verband met UN/ECE-CLRTAP. | UN/ECE | Ondersteuningsuitgaven | 100 | ||
| Begrotingswet 1999 | Bijdrage aan de Annex 1 expert group van de OESO/IEA. | OESO/IEA | Ondersteuningsuitgaven | 150 | ||
| Begrotingswet 1999 | Het laten uitvoeren van het Bijdragenbesluit milieugerichte technologie, het project Koolwaterstoffen 2000 en werkzaamheden met betrekking tot de NER, BEM, EUROBAT en NOx-beleid | NOVEM, Infomil | Uitvoeringskosten | 2 850 | ||
| Begrotingswet 1999 | Het via opdrachtverlening (laten) uitvoeren van projecten of activiteiten samenhangend met de uitvoering van het beleid op het gebied van lucht, energie en klimaat. | Diverse | Uitvoeringskosten | 4 676 | ||
| 05.16.04 Geluid en verkeer | ||||||
| Begrotingswet 1999 (nog te maken subsidieregelingen t.b.v. uitvoering Nota Voertuigtechniek en Brandstof) | Het stimuleren van de in de nota Voertuigtechniek en Brandstof aangekondigde maatregelen «schonere vrachtauto's», «bussen in het stads- en streekvervoer op LPG of aardgas» en «demonstratieprogramma's». | Bedrijven en non-profit instellingen | Stimuleringsuitgaven | 61 672 | ||
| Bijdrageregeling schone en lawaai-arme vrachtauto's en bussen | St.crt. 1990, 152 | St.crt. 1994, 116 | Het stimuleren van (de aanschaf van) schone en/of lawaai-arme vrachtwagens en bussen. | Bedrijven | Stimuleringsuitgaven | 0 |
| Regeling saneringsprogramma verkeerslawaai, waaronder vallen: | ||||||
| – Saneringsbesluit geluidhinder wegverkeer | Stb. 1993, 397 | St.crt. 1993, 246 St.crt. 1995, 150 St.crt. 1997, 95 Stb. 1998, 108 | Het bestrijden van geluidhinder door het wegverkeer | Gemeenten | Saneringsuitgaven | 73 963 |
| – Besluit geluidhinder spoorweglawaai | Stb. 1993, 396 | St.crt. 1993, 583 St.crt. 1997, 95 | Het bestrijden van geluidhinder door railverkeer | Gemeenten, NS | Saneringsuitgaven | 7 200 |
| Art. 125 Wet Geluidhinder | St.crt. 1992, 625 | Het incidenteel verstrekken van bijdragen in de kosten van overdrachtsmaatregelen n.a.v. saneringsprogramma's industrielawaai. | Provincies | Saneringsuitgaven | 0 | |
| Subsidiebesluit openbare lichamen milieubeheer | Stb. 1993, 174 | Stb. 1995, 328 Stb. 1997, 141 | Het verstrekken van de bijdragen t.b.v. de sanering industrielawaai (bestuursovereenkomst met de provincies in 1994) | Provincies | Saneringsuitgaven | 0 |
| Besluit zonering buitenlandse luchtvaartterreinen Noord- en Midden-Limburg | Stb. 1983, 657 | Stb. 1990, 121 Stb. 1993, 150 Stb. 1995, 132 | Het verstrekken van bijdragen in de kosten van zonebewaking en afronding sanering. | Roermond en omliggende gemeenten, provincie Limburg | Apparaatsuitgaven andere overheden | 133 |
| Besluit zonering buitenlandse luchtvaartterreinen Zuid-Limburg | St.crt. 1993, 225 | Stb. 1994, 38 | Het verstrekken van bijdragen in de kosten van zonebewaking | Provincie Limburg | Apparaatsuitgaven andere overheden | 0 |
| Subsidiebesluit openbare lichamen milieubeheer | Stb. 1993, 174 | Stb. 1994, 649 Stb. 1997, 141 | Het vergoeden van akoestisch onderzoek t.b.v. saneringskosten industrielawaai. | Provincies | Saneringsuitgaven | 0 |
| Besluit diverse subsidies milieubeheer | Stb. 1996, 158 | Stb. 1998, 99 | Het door middel van bijdragen stimuleren van projecten of activiteiten samenhangend met het beleid op het gebied van geluid en verkeer (kennisoverdracht). | Bedrijven en maatschappelijke organisaties | Stimuleringsuitgaven | 300 |
| Begrotingswet 1999 | Het laten uitvoeren van de regelingen in het kader van verkeerslawaai en industrielawaai en de nog te maken bijdrageregelingen t.b.v. de uitvoering van de Nota Voertuigtechnieken en Brandstoffen | Bureau Sanering Verkeerslawaai, Sight, Senter en NOVEM. | Uitvoeringskosten | 3 183 | ||
| Begrotingswet 1999 | Het via opdrachtverlening (laten) uitvoeren van projecten of activiteiten samenhangend met de uitvoering van het beleid op het gebied van geluid en verkeer. | Diverse | Uitvoeringskosten | 6 345 | ||
| 05.16.05 Bodemsanering Vinex | ||||||
| Wet Bodembescherming | Stb. 1986, 374 | Stb. 1994, 374 | Het verstrekken van bijdragen voor onderzoek en sanering van die gevallen, waarin de bodem zodanig is of dreigt te worden verontreinigd dat de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft, ernstig zijn of dreigen te worden verminderd. | Provincies en gemeenten | Saneringsuitgaven | 0 |
| 05.17.01 Afvalstoffen | ||||||
| Subsidiebesluit milieugerichte technologie | Stb. 1995, 84 | Het bevorderen van de ontwikkeling van technologische vernieuwingen bij de afvalverwijdering. | Bedrijven | Stimuleringsuitgaven | 5 200 | |
| Subsidiebesluit openbare lichamen milieubeheer | Stb. 1990, 174 | Stb. 1991, 432 | Het bevorderen van de sanering van auto sloopbedrijven. In 1998/1999 gaat het nog om de afhandeling van gevallen waar beroepszaken aan de orde zijn. | Provincies | Saneringsuitgaven | 0 |
| Besluit diverse subsidies milieubeheer | Stb. 1996, 158 | Stb. 1998, 99 | Het door middel van bijdragen stimuleren van projecten of activiteiten samenhangend met het beleid op het gebied van Afvalstoffen (kennisoverdracht). | Bedrijven en maatschappelijke organisaties | Stimuleringsuitgaven | 0 |
| Begrotingswet 1999 | Het in het kader van het Verdrag van Basel ten behoeve van de beheersing van grensoverschrijdende afvalstoffen ondersteunen van internationale organisaties | UNEP OESO | Ondersteuningsuitgaven Ondersteuningsuitgaven | 140 50 | ||
| Begrotingswet 1999 | Het laten uitvoeren van de EG-verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA), het bijdragenbesluit milieugerichte technologie, het landelijk afvalstoffenbeleid (via het Afval overlegorgaan, AOO) en het (laten) verwijderen van gevaarlijk afval, voor zover de saneringskosten niet te verhalen zijn op de vervuiler. | Meurs, De Roever, NOVEM, AOO, Landsadvocaat, etc. | Uitvoeringskosten | 4 732 | ||
| Begrotingswet 1999 | Het via opdrachtverlening (laten) uitvoeren van projecten of activiteiten samenhangend met de uitvoering van het beleid op het gebied van afvalstoffen. | Diverse | Uitvoeringskosten | 2 716 | ||
| Begrotingswet 1999 | Het instellen van een leerstoel afvalstoffen management. | IHE Delft | Stimuleringsuitgaven | 150 | ||
| 05.17.02 Industrie- en consumentenbeleid | ||||||
| Bijdragenbesluit bedrijfsinterne milieuzorg | Stb. 1994, 796 | Het stimuleren van bedrijfsinterne milieuzorgsystemen bij groepen van vergelijkbare bedrijven en bij overheidsorganisaties | Branche-vertegenwoordigers bedrijfsleven, bedrijfsmilieudiensten en overheidsbedrijven | Stimuleringsuitgaven | 0 | |
| Subsidiebesluit milieugerichte technologie | Stb. 1995, 84 | Het stimuleren van de toepassing van alternatieve stoffen in produkten en produktgerichte milieuzorgsystemen | Bedrijven en branche-vertegenwoordigers | Stimuleringsuitgaven | 2000 | |
| Besluit diverse subsidies milieubeheer | Stb. 1996, 158 | Het door middel van bijdragen stimuleren van projecten of activiteiten van intermediaire organisaties i.h.k.v. de realisatie van het doelgroepenbeleid. | Intermediaire organisaties doelgroepen | Stimuleringsuitgaven | 350 | |
| Begrotingswet 1999 (over te boeken naar Economische Zaken) | Het via (overboeking naar) de begroting van Economische Zaken stimuleren van milieugerichte produktontwikkeling en van het schoner produceren in het midden- en kleinbedrijf | Midden- en kleinbedrijf | Stimuleringsuitgaven | 7 400 | ||
| Begrotingswet 1999 | Het verlenen van ondersteuning in de bedrijfsvoering van keurmerkverlening | Stichting Milieukeur | Ondersteuningsuitgaven | 1 950 | ||
| Begrotingswet 1999 | Het verlenen van ondersteuning in de bedrijfsvoering van milieuproducten consumenteninformatie | Stichting Milieu Centraal | Ondersteuningsuitgaven | 1 210 | ||
| Begrotingswet 1999 | Het ondersteunen van het Centrum voor Industriële Duurzame Product Innovatie | TNO/TUD | Ondersteuningsuitgaven | 375 | ||
| Begrotingswet 1999 | Het via opdrachtverlening (laten) uitvoeren van projecten of activiteiten samenhangend met de uitvoering van het beleid op het gebied van industrie, detailhandel en consumenten en het milieugerichte overheidsaanschaffingen- en investeringenbeleid. | Diverse | Uitvoeringskosten | 7 315 | ||
| 05.17.03 Stoffen, veiligheid, straling | ||||||
| Besluit diverse subsidies milieubeheer | Stb. 1996, 158 | Stb. 1998, 99 | Het door middel van bijdragen stimuleren van projecten of activiteiten samenhangend met het beleid op het gebied van stoffen, veiligheid en straling (kennisoverdracht). | Bedrijven en maatschappelijke organisaties | Stimuleringsuitgaven | 65 |
| Begrotingswet 1999 | Het ondersteunen van de Gezondheidsraad | Gezondheidsraad | Ondersteuningsuitgaven | 1 265 | ||
| Begrotingswet 1999 | Het ondersteunen van de Stichting Nederlands Normalisatie Instituut (NNI) | NNI | Ondersteuningsuitgaven | 1 050 | ||
| Begrotingswet 1999 | Het ondersteunen van de Commissie Genetische Modificatie (COGEM) | COGEM | Ondersteuningsuitgaven | 575 | ||
| Begrotingswet 1999 | Het ondersteunen van de Organisation for Economic Co-operation and Development | OECD | Ondersteuningsuitgaven | 185 | ||
| Begrotingswet 1999 | Het via opdrachtverlening (laten) uitvoeren van projecten of activiteiten samenhangend met de uitvoering van het beleid op het gebied van stoffen, veiligheid en straling. | Diverse | Uitvoeringskosten | 7 684 | ||
1 Inclusief de verplichtingen en uitgaven van de hierna genoemde regeling(en) en/of besluit(en) waar geen bedragen zijn opgenomen.
In deze bijlage is per artikel(onderdeel) of voor een clustering van artikel(onderdel)en informatie opgenomen over de grondslagen. Bovendien is in deze bijlage de informatie opgenomen, die minder beleidsrelevant is.
Concreet betekent dit dat in deze bijlage de volgende informatie is opgenomen:
1. het artikel(onderdeel)nummer of een clustering van artikel(onderdeel)nummers;
2. de omschrijving van het artikel(onderdeel);
3. alle wettelijke regelingen en/of besluiten, waarop nog gelden worden ontvangen in het begrotingsjaar 1999;
4. de formele vindplaats van de wettelijke regeling en/of het besluit;
5. de vindplaats van de laatste wijziging van de wettelijke regeling en/of het besluit;
6. de doelstelling, die door de wetgever resp. de minister wordt beoogd;
7. de doelgroep, die de wetgever resp. de minister wil bereiken;
8. de aard van de ontvangst of het soort instrument volgens de wettelijke regeling en/of het besluit;
9. de ontvangsten in 1999 op basis van de wettelijke regeling en/of besluit.
Deze bijlage beoogt met name de rechtmatigheid van de in 1999 te ontvangen gelden te waarborgen.
De artikelonderdelen «Ontvangsten personeel en materieel»
Op deze artikelonderdelen worden de personele en materiële ontvangsten verantwoord. De personele ontvangsten omvatten:
– de eigen bijdrage van de deelnemers aan het vervoersmanagementplan VROM;
– de bijdrage uit het Arbeids- en Opleidingsfonds m.b.t. prioritaire groepen;
– de AAW-bijdragen;
– ontvangsten van deelnemers aan PC-privé projecten;
– terugbetalingen van personeel op in vorige jaren gedane uitgaven.
De materiële ontvangsten bestaan uit:
– abonnementsgelden en verkoop van literatuur en informatie;
– terugbetalingen van derden op in vorige jaren gedane uitgaven;
– door personeel terugbetaalde kosten voor vorming en opleiding, niet vallende onder de studiefaciliteitenregeling;
– bijdragen van derden voor door VROM geleverde informatie of door VROM ontwikkelde software(pakketten).
| Wettelijke regeling en/of besluit | Formele vindplaats | Vindplaats laatste wijziging | Beoogde doelstelling | Beoogde doelgroep | Aard van ontvangst/ soort instrument | Ontvangsten 1999 |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Hoofdbeleidsterrein 03. Volkshuisvesting | ||||||
| 03.03.01 Restituties objectsubsidies | ||||||
| zie hiervoor m.n. de genoemde regelingen en besluiten bij bijlage 15a, art. 03.74 | De terugbetaling van teveel betaalde subsidies voor nieuwbouw en woningverbetering | Gemeenten, (sociale) verhuurders, eigenaar/bewoners | restituties | 5 000 | ||
| 03.03.02 Restituties subjectsubsidies | ||||||
| Wet individuele huursubsidie | Stb. 1992, 316 | Het terugbetalen van ten onrechte uitgekeerde individuele huursubsidie, huurgewenningsbijdragen en kostenvergoedingen verhuurders | Huurders, sociale verhuurders | restituties | 128 4001 | |
| Overgangsregeling huurgewenningsbijdrage domeinwoningen | St.crt 1992, 71 | Het tot stand brengen van een geleidelijke huurverhoging in het kader van stadsvernieuwing of woningverbetering | Huurders | restituties | 0 | |
| 03.03.03 Overige restituties | ||||||
| Regeling overgangsbepalingen locatiegebonden subsidies | St.crt 1994, 241 | Terugbetalingen van teveel betaalde locatiesubsidies | Gemeenten | restituties | 2 950 | |
| 03.05.02 Overige ontvangsten | ||||||
| art. 10.2, 13.1, 17.2 van de Huurprijzenwet | St.crt 1992, 184 | Het ontvangen van leges bij geschillen omtrent huurprijswijzigingen | Huurders | legesgelden | 2001 | |
| Begrotingswet 1999 | Het ontvangen van gelden voor met name onderzoekspublicaties | Geïnteresseerden | vergoedingen | |||
| 03.05.03 Rente | ||||||
| Beschikking leningen toegelaten instellingen | St.crt 1977, 81 | Het innen van rente/aflossingen van rijksleningen voor domeinwoningen | Gemeenten en toegelaten instellingen | rente | 6 1501 | |
| Regeling geldelijke steun huurwoonwagens | St.crt 1991, 187 | Het innen van rente/aflossingen van rijksleningen | Gemeenten | rente | ||
| Beschikking eigen woningen in de beschutte sfeer | St.crt 1976, 241 | St.crt 1977, 54 | Het innen van rente/aflossingen van rijksleningen | Eigenaren / bewoners | rente | |
| 03.05.04 Aflossingen | ||||||
| Beschikking leningen toegelaten instellingen | St.crt 1977, 81 | Het innen van rente/aflossingen van rijksleningen voor domeinwoningen | Gemeenten en toegelaten instellingen | aflossingen | 6 7931 | |
| Regeling geldelijke steun huurwoonwagens | St.crt 1991, 187 | Het innen van rente/aflossingen van rijksleningen | Gemeenten | aflossingen | ||
| Beschikking eigen woningen in de beschutte sfeer | St.crt 1976, 241 | St.crt 1977, 54 | Het innen van rente/aflossingen van rijksleningen | Eigenaren / bewoners | aflossingen | |
| 03.07 Rente en aflossingen a.g.v. de wet «Balansverkorting geldelijke steun volkshuisvesting» | ||||||
| Wet Balansverkorting geldelijke steun Volkshuisvesting | Stb. 1995, 313 | Stb. 1998, 231 | Het innen van rente/aflossingen van rijksleningen en terugvorderingen in samenhang met de uitvoering van de balansverkorting | Gemeenten en toegelaten instellingen | rente, aflossingen en restituties | 0 |
| 03.08 Impuls voor de ruimtelijke economische structuur | ||||||
| Begrotingswet 1999 | Inzet vanuit het fonds economische structuurversterking beschikbaar gestelde middelen (zie uitgaven artikel 03.41) | Lagere overheden | fonds economische structuurversterking | 10 000 | ||
| Hoofdbeleidsterrein 04. Ruimtelijke Ordening | ||||||
| 04.01.02 Overige ontvangsten | ||||||
| Begrotingswet 1999 | Het ontvangen van gelden voor met name uitgebrachte onderzoekspublicaties en incidentele verkoop van grond en onroerend goed verworven in het kader van het bufferzonebeleid | diverse | diversen | P.M. | ||
| Hoofdbeleidsterrein 05. Milieubeheer | ||||||
| 05.03 Overige ontvangsten | ||||||
| Overeenkomst tussen de Minister van VROM en de Hoogovens Groep B.V. | Het beschikbaar stellen door VROM van een krediet voor vernietiging en vervanging van PCB bevattende transformatoren. | Hoogovens | Terugbetalingen | 1 673 | ||
| Wet milieubeheer (regeling retributies milieugevaarlijke stoffen; nog niet van kracht) | Het dekken van kosten van de behandeling van kennisgevingen en andere gegevensverstrekking voor nieuwe stoffen en gemodificeerde organismen. | Industrie en universiteiten | Retributies | 1 800 | ||
| Begrotingswet 1999 | Het ontvangen van winstuitkeringen uit hoofde van de deelneming in de AVR Chemie C.V. | AVR Chemie | winstuitkering | P.M. | ||
| Begrotingswet 1999 | Het ontvangen van vergoedingen, terugbetalingen, etc. op het terrein van personeel en materieel en afrekeningen op bijdragen. | Diverse | vergoedingen, terugbetalingen | 1 629 | ||
| 05.06 Ontvangsten bodemsanering | ||||||
| Wet Bodembescherming | Stb. 1986, 374 | Stb. 1994, 374 | Het verhalen van gemaakte kosten aan onderzoek en sanering van gevallen, waarin de bodem zodanig is of dreigt te worden verontreinigd dat de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft, ernstig zijn of dreigen te worden verminderd. Het verhaal betreft ook kosten voor onderzoek en sanering van verontreinigde waterbodems. | Gebruikers, veroorzakers, eigenaren, erfpachters | Verhaalsontvangsten | P.M. |
| Wet Bodembescherming | Stb. 1986, 374 | Stb. 1994, 374 | Het verstrekken van bijdragen voor onderzoek en sanering van die gevallen, waarin de bodem zodanig is of dreigt te worden verontreinigd dat de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft, ernstig zijn of dreigen te worden verminderd. | Provincies, 4 Grote Steden | Ontvangsten FES-fonds | 38 500 |
| Overeenkomst kredietverlening vrijwillige bodemsanering 1993 (in aansluiting op de Regeling Bijzondere Financiering 1971) | St.crt 1993, 239 | Het vergroten van de financieringsmogelijkheden teneinde bodemsanering in eigen beheer mogelijk te maken. | (Middel)grote ondernemingen | provisie-ontvangsten en restituties | 1 589 | |
| Besluit borgstelling midden en kleinbedrijfkredieten (koninklijk besluit inwerkingtreding hoofdstuk II) | Stb. 1994, 225 Stb. 1994, 650 | Het vergroten van de financieringsmogelijkheden teneinde bodemsanering in eigen beheer mogelijk te maken. | Midden- en kleinbedrijf | provisie-ontvangsten en restituties | 4 800 | |
In onderhavige bijlage zijn in overzicht A. de wijzigingen aangegeven tussen de artikelstructuur van de begroting 1998 en de begroting 1999.
In overzicht B. zijn alle artikel(onderdel)en in de begroting 1999 opgenomen met een verplichtingen- en/of uitgavenraming, danwel een ontvangstenraming voor de begrotingsjaren 1999 en verder.
Overzicht A. Wijzigingen artikelstructuur begroting 1998 versus begroting 1999 per artikel(onderdeel)
| Begroting 1998 | Begroting 1999 | ||
|---|---|---|---|
| Art.nr. | Omschrijving | Art.nr. | Omschrijving |
| – | – | 01.02.08 | Huisvestingskosten aan agentschap Rgd |
| – | – | 02. | Rijkshuisvesting |
| – | – | 02.01 | Inputfinanciering buiten huur-verhuurrelatie |
| – | – | 03.03.03 | Onderzoek op het gebied van bouwregelgeving en duurzaam bouwen |
| 03.40 | Tijdelijke stimuleringsregeling en subsidiëring voorbeeldplannen duurzaam bouwen | 03.40 | Stimulering duurzaam en innovatief bouwen |
| – | – | 03.40.01 | Duurzaam bouwen |
| – | – | 03.40.02 | Voorbeeldplannen |
| – | – | 03.40.03 | Innovatief bouwen |
| 03.41 | Planologische knelpunten Vinex | 03.41 | Planologische en woningbouw-knelpunten Vinex |
| – | – | 03.78 | Afkoop jaarlijkse bijdragen huurwoningen DKP-systeem op grond van het basisconvenant met de sector Beleggers en Particulieren |
| – | – | 03.78.01 | Afkoop jaarlijkse bijdragen DKP-systeem |
| – | – | 03.78.02 | Bijdrage overdracht ABP-planwoningen |
| – | – | 03.78.03 | Vergoedingen belastingschade en belastingnadeel |
| – | – | 03.79 | Afkoop subsidies en overnamebijdragen niet-winstbeogende instellingen |
| – | – | 03.79.01 | Afkoop jaarlijkse bijdragen en overnamebijdragen |
| – | – | 03.79.02 | Jaarlijkse bijdragen oude regelingen |
| Begroting 1998 | Begroting 1999 | ||
|---|---|---|---|
| Art.nr. | Omschrijving | Art.nr. | Omschrijving |
| – | – | 02. | Rijkshuisvesting |
| – | – | 02.01 | Ontvangsten inputfinanciering buiten huur-verhuurrelatie |
| – | – | 03.08 | Impuls voor de ruimtelijk-economische structuur |
| 05.03 | Overige ontvangsten milieubeheer | 05.03 | Overige ontvangsten |
| – | – | 05.03.03 | Retributies |
| – | – | 05.06 | Ontvangsten bodemsanering |
| 05.02 | Kostenverhaal bodemsanering | 05.06.01 | Kostenverhaal bodemsanering |
| 05.03.04 | Ontvangsten garantieregelingen | 05.06.02 | Ontvangsten garantieregelingen |
| 05.05 | Bodemsanering Vinex | 05.06.03 | Bodemsanering Vinex |
Als gevolg van het verkrijgen van de agentschapstatus door de Rijksgebouwendienst zijn de uitgavenartikelen 01.01 tot en met 02.01 en de ontvangstenartikelen 01.01 tot en met 02.01 (van voormalig onderdeel XI-B) niet meer in de ontwerp-begroting 1999 opgenomen.
Overzicht B. Artikelstructuur begroting 1999 en de economische en functionele classificaties per artikel(onderdeel)
| Art.nr | Omschrijving | Econ. Code | Funct. Code |
|---|---|---|---|
| 01.01.01 | Ambtelijk personeel | 11 | 07.0 |
| 01.01.02 | Overige personele uitgaven | 12 | 07.0 |
| 01.01.03 | Post-actieven | 11 | 07.0 |
| 01.01.06 | Algemene materiële uitgaven | 12 | 07.0 |
| 01.01.07 | Automatiseringsuitgaven | 12 | 07.0 |
| 01.02.01 | Ambtelijk personeel | 11 | 07.0 |
| 01.02.02 | Overige personele uitgaven | 12 | 07.0 |
| 01.02.03 | Post-actieven | 11 | 07.0 |
| 01.02.06 | Algemene materiële uitgaven | 12 | 07.0 |
| 01.02.07 | Automatiseringsuitgaven | 12 | 07.0 |
| 01.02.08 | Huisvestingskosten aan agentschap Rgd | 12 | 07.0 |
| 01.03 | Prijsbijstelling | 01 | 07.0 |
| 01.04 | Loonbijstelling | 01 | 07.0 |
| 01.05 | Onvoorziene uitgaven | 01 | 07.0 |
| 01.07 | Voorlichting | 12 | 07.0 |
| 01.11 | Nog nader te verdelen | 01 | 07.0 |
| 01.13.01 | Ambtelijk personeel | 11 | 07.0 |
| 01.13.02 | Overige personele uitgaven | 12 | 07.0 |
| 01.13.06 | Algemene materiële uitgaven | 12 | 07.0 |
| 01.14 | Stichting advisering bestuursrechtspraak | 43A | 07.0 |
| 01.15 | Duurzaam bouwen | 12 | 07.0 |
| 02.01 | Inputfinanciering buiten huur-verhuurrelatie | 03 | 07.0 |
| 03.01.01 | Ambtelijk personeel | 11 | 07.1 |
| 03.01.02 | Overige personele uitgaven | 12 | 07.1 |
| 03.01.03 | Post-actieven | 11 | 07.1 |
| 03.01.06 | Algemene materiële uitgaven | 12 | 07.1 |
| 03.01.07 | Automatiseringsuitgaven | 12 | 07.1 |
| 03.03.01 | Onderzoek op het gebied van wonen | 12 | 07.11 |
| 03.03.02 | Onderzoek naar de woningbehoefte en de kwaliteit van de woningvoorraad | 12 | 07.11 |
| 03.03.03 | Onderzoek op het gebied van bouwregelgeving en duurzaam bouwen | 12 | 07.11 |
| 03.05.01 | Volkshuisvestingsinstellingen | 12 | 07.1 |
| 03.05.02 | Experimenten en kennisoverdracht | 12 | 07.1 |
| 03.05.03 | Internationale volkshuisvestingsinstellingen | 43G | 07.1 |
| 03.06.02 | Scholing van woonconsumenten | 43F | 07.1 |
| 03.06.03 | Subsidies aan woonconsumentenorganisaties | 43F | 07.1 |
| 03.12 | Garanties | 63D | 07.1 |
| 03.15.01 | Huisvesting gehandicapten | 62C | 07.1 |
| 03.15.02 | Woonwagenbewoners | 43F | 07.1 |
| 03.15.06 | Knelpunten ouderenbeleid | 62C | 07.1 |
| 03.16.01 | Huursubsidie | 41 | 06.2 |
| 03.16.02 | Huurgewenningsbijdragen | 41 | 06.2 |
| 03.16.03 | Vergoeding verhuurders | 12 | 06.2 |
| 03.16.04 | Bijdrage huurlasten | 41 | 06.2 |
| 03.16.05 | Gewenningssubsidie eigen woningbezit | 41 | 06.2 |
| 03.18.01 | Hoofdinfrastructuursubsidie | 62C | 07.1 |
| 03.18.02 | Locatiesubsidie | 62C | 07.1 |
| 03.19.01 | Stadsvernieuwingsfonds | 62C | 07.2 |
| 03.35 | Budget Besluit locatiegebonden subsidies | 62C | 07.1 |
| 03.37 | Budget Besluit woninggebonden subsidies 1995 | 62C | 07.1 |
| 03.39 | Sanering woningbeheerders | 63D | 07.1 |
| 03.40.01 | Duurzaam bouwen | 63C | 07.1 |
| 03.40.02 | Voorbeeldplannen | 63C | 07.1 |
| 03.40.03 | Innovatief bouwen | 63C | 07.1 |
| 03.41 | Planologische en woningbouw-knelpunten Vinex | 63C | 07.1 |
| 03.42 | Stimulering herstructurering van de woningvoorraad | 62C | 07.1 |
| 03.43 | Investeringen stedelijke vernieuwing | 62C | 07.2 |
| 03.73.02 | Flankerend beleid balansverkorting | 21/63C | 07.1 |
| 03.74.01 | Jaarlijkse bijdragen huurwoningen oude regelingen | 62C | 07.1 |
| 03.74.02 | Jaarlijkse bijdragen huurwoningen DKP-systeem | 43C | 07.1 |
| 03.75.01 | Subsidies marktgerichte huur- en koopwoningen en huurwoningen van beleggers | 62D | 07.1 |
| 03.75.02 | Bijdragen eigen woningen 1984 en daarvoor geldende regelingen | 41 | 07.1 |
| 03.76 | Budgetten Besluit woninggebonden subsidies 1992–1994 | 62C | 07.1 |
| 03.77 | Overige niet-actieve uitgaven | 01 | 07.1 |
| 03.78.01 | Afkoop jaarlijkse bijdragen DKP-systeem | 21/43C | 07.1 |
| 03.78.02 | Bijdrage overdracht ABP-planwoningen | 21/43C | 07.1 |
| 03.78.03 | Vergoedingen belastingschade en belastingnadeel | 21/43C | 07.1 |
| 03.79.01 | Afkoop jaarlijkse bijdragen en overnamebijdragen | 21/43C | 07.1 |
| 03.79.02 | Jaarlijkse bijdragen oude regelingen | 21/62C | 07.1 |
| 04.01.01 | Ambtelijk personeel | 11 | 07.2 |
| 04.01.02 | Overige personele uitgaven | 12 | 07.2 |
| 04.01.03 | Post-actieven | 11 | 07.2 |
| 04.01.06 | Algemene materiële uitgaven | 12 | 07.2 |
| 04.01.07 | Automatiseringsuitgaven | 12 | 07.2 |
| 04.03.01 | Onderzoek | 12 | 07.21 |
| 04.03.02 | Planvorming en stimulering ruimtelijk beleid | 12 | 07.2 |
| 04.05 | Uitvoering Planologische Kernbeslissing Waddengebied | 43D | 07.5 |
| 04.06 | Veiligstelling van bufferzones | 61 | 07.2 |
| 04.08 | Leerlingbouwplaatsen | 43D | 06.43 |
| 04.09 | Stichting Overlegorgaan RAVI | 43D | 07.2 |
| 05.01.01 | Ambtelijk personeel | 11 | 07.30 |
| 05.01.02 | Overige personele uitgaven | 12 | 07.30 |
| 05.01.03 | Post-actieven | 11 | 07.30 |
| 05.01.06 | Algemene materiële uitgaven | 12 | 07.30 |
| 05.01.07 | Automatiseringsuitgaven | 12 | 07.30 |
| 05.13 | Garanties en deelnemingen | 63D | 07.35 |
| 05.14 | Onderzoek en monitoring | 12 | 07.301 |
| 05.15.01 | Milieutechnologie en -infrastructuur | 43D | 07.30 |
| 05.15.03 | Internationaal milieubeleid | 43G | 07.30 |
| 05.16.01 | Bodem | 62C | 07.35 |
| 05.16.02 | Drinkwater, water, landbouw | 12 | 07.35 |
| 05.16.03 | Lucht en energie | 12 | 07.35 |
| 05.16.04 | Geluid en verkeer | 62C | 07.35 |
| 05.16.05 | Bodemsanering Vinex | 62C | 07.35 |
| 05.17.01 | Afvalstoffen | 12 | 07.34 |
| 05.17.02 | Industrie- en consumentenbeleid | 43D | 07.30 |
| 05.17.03 | Stoffen, veiligheid, straling | 12 | 07.35 |
| 05.19 | Structurele bijdrage aan Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) ten behoeve van het RIVM | 03 | 07.301 |
Overzicht B. Artikelstructuur begroting 1999 en de economische en functionele classificaties per artikel(onderdeel)
| Art.nr | Omschrijving | Econ. Code | Funct. code |
|---|---|---|---|
| 01.01.01 | Ontvangsten personeel en materieel | 11 | 07.0 |
| 01.01.02 | Overige ontvangsten | 16/78D | 07.0 |
| 02.01 | Ontvangsten inputfinanciering buiten huur-verhuurrelatie | 08 | 07.0 |
| 03.03.01 | Restituties objectsubsidies | 43C | 07.1 |
| 03.03.02 | Restituties subjectsubsidies | 41 | 06.2 |
| 03.03.03 | Overige restituties | 62C | 07.1 |
| 03.05.01 | Ontvangsten personeel en materieel | 11 | 07.1 |
| 03.05.02 | Overige ontvangsten | 16 | 07.1 |
| 03.05.03 | Rente | 26 | 07.1 |
| 03.05.04 | Aflossingen | 77C | 07.1 |
| 03.07.03 | Restituties in samenhang met de uitvoering van de wet balansverkorting geldelijke steun volkshuisvesting | 63C | 07.1 |
| 03.08 | Impuls voor de ruimtelijk-economische structuur | 08 | 07.1 |
| 04.01.01 | Ontvangsten personeel en materieel | 11 | 07.2 |
| 04.01.02 | Overige ontvangsten | 16 | 07.2 |
| 05.03.01 | Ontvangsten personeel en materieel | 11 | 07.30 |
| 05.03.02 | Overige ontvangsten | 16 | 07.35 |
| 05.03.03 | Retributies | 16 | 07.30 |
| 05.06.01 | Kostenverhaal bodemsanering | 69D | 07.35 |
| 05.06.02 | Ontvangsten garantieregelingen | 63D | 07.35 |
| 05.06.03 | Bodemsanering Vinex | 08 | 07.35 |
Hieronder volgt het Werkprogramma van de VROM-raad voor 1999. Het Werkprogramma is gebaseerd op de voornemens tot adviesaanvragen van het ministerie van VROM.
De Raad voor de volkshuisvesting, de ruimtelijke ordening en het milieubeheer (VROM-raad) is tot stand gekomen als gevolg van de algemene herziening van de adviesstructuur van de rijksoverheid. De Raad is ingesteld per 1 januari 1997 en op 12 mei 1997 geïnstalleerd door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke ordening en Milieubeheer.
De Raad streeft naar sectoroverstijgende, niet-verkokerde adviezen. Hij legt de nadruk bij gedegen schriftelijke adviezen over strategische keuzen voor de middellange termijn, aan het begin van de beleidscyclus. Deze werkwijze vraagt niet zelden om clustering van onderwerpen waarover de minister advies wil vragen. Dit heeft consequenties voor het werkprogramma van de Raad. Zo zal in het ene geval een aantal onderwerpen waarover afzonderlijk advies is gevraagd in één advies kunnen worden behandeld. In een ander geval zal tijdens de voorbereiding de wenselijkheid kunnen blijken over te gaan tot deeladvisering. Bijgaand werkprogramma beoogt dan ook op basis van de huidige inzichten aan te geven met welke onderwerpen de Raad zich in de nabije en verdere toekomst zal bezighouden, alsmede een zeer voorlopige fasering in de tijd.
Het streven van de Raad is een flexibel en meerjarig programma, waarbij rekening is gehouden met de wensen van de minister omtrent de aan te pakken onderwerpen en het tijdstip van advisering. Daarnaast is getracht zoveel mogelijk aansluiting te houden bij de bestuurlijke agenda zoals die uit de kabinetsformatie voortkomt. Daarbij is ook ruimte gelaten voor onderwerpen die thans niet zijn voorzien, maar eveneens uit de kabinetsformatie kunnen voortvloeien.
Met dit stuk voldoet de Raad aan het vereiste van artikel 25 van de Wet op de VROM-raad, jaarlijks vóór 1 september een ontwerp voor een werkprogramma voor het volgende kalenderjaar aan de minister te zenden. Bij brief van 16 juni 1998, opgenomen als bijlage 1, verstrekte de minister de Raad een overzicht van de voornemens om advies te vragen.
Dit werkprogramma is op 2 september 1998 door de Minister van VROM vastgesteld.
2 Het werkprogramma van de Raad
2.1 De ruimtelijke inrichting van Nederland
Blijkens de brief van de minister over de adviesvoornemens zal de Raad in 1999 een aantal adviesaanvragen ontvangen die in meer of mindere mate met elkaar verband houden en die betrekking zullen hebben op de ruimtelijke inrichting van Nederland. Het gaat dan om een adviesaanvraag over de uitgangspunten voor de Vijfde Nota Ruimtelijke ordening, een adviesaanvraag over ruimtelijke kwaliteit en een adviesaanvraag over een Strategische visie op verkeer en vervoer in relatie tot het VROM-beleid. Bovendien zal de Raad medio 1998 een adviesaanvraag ontvangen over de Leefomgevingsbalans, een studienota van het Rijksinstituut voor volksgezondheid en milieu (RIVM).
In april 1998 heeft de Raad het advies «Stedenland-Plus» uitgebracht, dit naar aanleiding van een adviesaanvraag over de «Discussienota Nederland 2030, verkenning ruimtelijke perspectieven» en over de «Woonverkenningen 2030». De Raad acht het advies «Stedenland-Plus» een belangrijke bouwsteen voor de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening, die blijkens de adviesvoornemens naar verwachting nog voor het jaar 2000 zal worden uitgebracht. De ambitie is om in de Vijfde Nota een op de ruimtelijke en maatschappelijke dynamiek toegesneden beleid te formuleren, waarbij wordt vastgehouden aan de missie van duurzame ontwikkeling. Aldus kan het ruimtelijke relevante milieubeleid worden versterkt en kunnen nieuwe verhoudingen worden gezocht voor de verantwoordelijkheidsverdeling tussen overheidslagen en tussen overheid en maatschappij.
In de houtskoolschets, die in 1998 zal worden uitgebracht, zullen de hoofdpunten van dat nieuwe beleid worden geformuleerd. De VROM-raad zal worden gevraagd te adviseren over de wijze waarop de houtskoolschets in de Vijfde Nota, in relatie tot de andere ruimtelijke relevante departementale nota's, gestalte kan krijgen. De Raad hecht aan deze adviesaanvraag veel gewicht.
Wat de ruimtelijke kwaliteit betreft bestaat het voornemen de Raad begin 1999 te vragen om een advies waarin wordt aangegeven welke concrete ruimtelijke kwaliteiten door (velen in) de Nederlandse samenleving essentieel worden gevonden, en hoe die wortelen in onze cultuur. Daarbij zal het vooral gaan om fundamentele verschillen van mening rond thema's als individueel-collectief, overheid-markt, natuur-cultuur, technologische oplossingen-grenzen aan groei (krimp), spreiding-concentratie, historie-toekomst, grootschalig-kleinschalig. Een definitieve keuze van thema's zal bij de uiteindelijke adviesaanvraag worden bepaald. Van de Raad wordt verwacht om in zijn advies profielen te schetsen van de meest relevante stromingen in de Nederlandse samenleving voor wat betreft hun concrete invulling en onderbouwing van ruimtelijke kwaliteit. Een advies wordt, gegeven de gewenste diepgang, niet eerder dan in de tweede helft van 1999 verwacht.
Het is de bedoeling dat een verbinding wordt gelegd met het in 1999 voor te bereiden advies over de inrichting en het beheer van de openbare ruimte (zie hierna paragraaf 2.2), dat voor het deelgebied van de woonomgeving als een uitdieping kan worden gezien van wat hierin in bredere zin aan de orde is. De door de minister aan te geven meer precieze relatie tussen de twee onderwerpen zal te zijner nader worden bepaald in de adviesaanvraag.
In het werkprogramma voor 1998 werd nog uitgegaan van de bundeling van een Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening en een vierde Nationaal Milieubeleidsplan in één nota over de leefomgeving. Nu is afgezien van deze bundeling is een daarop gerichte advisering niet meer aan de orde. Blijkens mondelinge mededelingen van het ministerie zal de Raad wel medio 1998 een adviesaanvraag ontvangen over de Leefomgevingsbalans, een studienota van het Rijksinstituut voor volksgezondheid en milieu (RIVM).
Voorts zal de Raad in 1999 advies worden gevraagd over het vraagstuk van mobiliteit en infrastructuur, dit naar aanleiding van de eind 1998 te verwachten Perspectievennota Verkeer en Vervoer, die wordt uitgebracht ter voorbereiding van het Nationaal Verkeers- en Vervoersplan. De totstandkoming van de Perspectievennota is zo georganiseerd dat vele maatschappelijke partijen aan de voorbereiding ervan deelnemen. Op basis van de Perspectievennota zal in 1999 een concrete adviesaanvraag Strategische visie verkeer en vervoer in relatie tot VROM-beleid worden opgesteld. Daarbij wordt het van belang geacht dat ten aanzien van dit onderwerp zowel de ministeries als de raden tot optimale afstemming en samenwerking komen.
De Raad is van mening dat de hiervoor genoemde onderwerpen nauw met elkaar verband houden en waar mogelijk op basis van hun onderlinge samenhang moeten worden benaderd. Zo zou bijvoorbeeld een advies over een «Strategische visie op verkeer en vervoer in relatie tot het VROM-beleid» de problematiek zowel vanuit het oogpunt van ruimtelijke inrichting als vanuit de relatie met het milieubeleid moeten benaderen. Een dergelijke, meer integrale benadering van de problematiek zal consequenties hebben voor de fasering van het adviesproces, het aantal adviezen en de wijze waarop de adviezen vorm wordt gegeven. Welke die consequenties zijn, kan de Raad in dit stadium nog niet overzien.
In zijn advies «Stedenland-Plus», dat gaat over de «Discussienota Nederland 2030, verkenning ruimtelijke perspectieven» en over de «Woonverkenningen 2030», heeft de Raad een oordeel gegeven over de voor de volkshuisvesting gepresenteerde agenda. De Raad constateert daarbij dat de pretentie van de «Woonverkenningen 2030», namelijk te onderzoeken wat op de agenda voor de volkshuisvesting moet komen te staan, zeker wordt waargemaakt, maar vervolgdiscussie behoeft waaraan ook de Raad van harte wil bijdragen. Dit laatste in antwoord op de aankondiging van de minister in de adviesaanvraag over de verkenningen, dat in1998 aan de Raad een uitgebreider advies zal worden gevraagd over het beleidsvervolg van de woonverkenningen, de Woonverkenningen follow-up.
De Raad wacht die adviesaanvraag gaarne af. Voortvloeiend uit een retraite van de Raad in januari 1998, is door een aantal raadsleden gezamenlijk inmiddels een Notitie Volkshuisvesting ter behandeling in de Raad voorbereid. De Raad wil ingaan op de kwaliteit, de positie van de huur- en eigen woningsector en – in relatie hiermee – de rol van de overheid, woningcorporaties en andere marktpartijen. De Raad verwacht dat deze interne bezinning op het volkshuisvestingsbeleid waardevolle bouwstenen oplevert voor een advies «Woonverkenningen follow-up».
Een ander onderwerp van stedenbouwkundige en volkshuisvestelijke aard betreft een in de brief over de adviesvoornemens voor 1999 aangekondigde adviesaanvraag over de inrichting en het beheer van de openbare ruimte, toegespitst op de woonomgeving. Doel van de adviesaanvraag is meer zicht te krijgen op de definitie van openbare ruimte als belangrijkste component van de woonomgeving en het beeld dat bij de verschillende partijen bestaat over de inrichting en de structurering daarvan. Belangrijk daarbij is dat recht wordt gedaan aan de verschillende functies die openbare ruimte heeft. Worden tekortkomingen onderkend? Hoe blijven de sterke punten behouden? Op welke wijze kunnen aanpassingen plaatsvinden? Hoe kan dat worden georganiseerd en wat is de rol van de verschillende partijen daarbij? De Raad onderkent hier een zekere relatie met het meerjarige adviesthema «Visie op de stad». Hij neemt zich dan ook voor in het najaar van 1999, parallel aan de voorbereiding van het advies «Visie op de stad II» (zie hierna in paragraaf 2.3), met de voorbereiding van een advies over dit onderwerp te beginnen.
In het werkprogramma 1998 is het onderwerp «Visie op de stad» opgenomen als een meerjarig thema. In de brief over de adviesvoornemens voor 1999 wordt melding gemaakt van een tweede adviesaanvraag in 1999. De Raad hecht aan advisering over dit onderwerp veel gewicht. Binnen het brede thema «Visie op de stad» doet zich een veelheid aan mogelijke onderwerpen voor. De Raad is inmiddels met de voorbereiding van een eerste advies – Visie op de stad I – begonnen. Voor dat advies wil de Raad een algemene visie op de stad ontwikkelen en daarnaast meer in het bijzonder ingaan op de verhouding tussen de fysieke en de sociale problematiek van de stad. Dit betekent dat stad en stedelijkheid, concentratie- en deconcentratieontwikkelingen en de identiteit van steden aan de orde zullen kunnen komen. Bij de verhouding tussen de fysieke en de sociale problematiek zullen vooral de mogelijkheden en risico's van concepten als de ongedeelde stad, van stedelijke herstructurering en vernieuwing nader worden bezien. Daarnaast zal aansluiting worden gezocht met problemen en kansen van stedelijke werkgelegenheidsbevordering.
In het advies «Visie op de stad II» , met de voorbereiding waarvan de Raad naar verwachting in het najaar van 1999 een begin zal maken, wil de Raad de fysieke problematiek vooral plaatsen in de vereisten die vanuit de economie en vanuit de ecologie gelden. Welke fysieke ingrepen zijn gewenst vanuit het streven naar een stad die duurzame woonmilieus biedt en die het streven naar duurzaamheid ook opvat als motor van economische ontwikkeling in die stad?
2.4 Strategisch beleid voor het landelijk gebied
In het werkprogramma voor 1998 heeft de Raad aangegeven dit onderwerp van groot belang te achten. In de brief van de minister over de adviesvoornemens voor 1999 wordt opgemerkt dat de Raad medio 1998 een adviesaanvraag zal ontvangen. De Raad zal worden gevraagd om – parallel aan de ontwikkeling van een Strategische Visie Landelijk Gebied door het ministerie van VROM – een advies uit te brengen over een nader te bepalen inhoudelijk thema. Inmiddels is binnen de Raad met de voorbereiding van een advies begonnen: Strategisch beleid voor het landelijk gebied I. In een eerste raadsvergadering zijn voor wat betreft een analyse van de beleidsopgaven voor het landelijk gebied drie gebiedstypen onderscheiden: landelijk gebied met overdruk, landelijk overloopgebied en perifeer landelijk gebied met onderdruk. Per gebiedstype wil de Raad een analyse van ruimtelijke vraagstukken verrichten, waarbij het begrip leefbaarheid zal worden benaderd vanuit vier kwaliteitscriteria: een economisch, een sociaal, een cultureel en een ecologisch criterium. In de analyse zal aparte aandacht worden besteed aan de grondpolitieke aspecten.
De Raad wil zich vooralsnog beperken tot de uitwerking van de analyse voor het perifere gebiedstype.
In de brief over de adviesvoornemens voor 1999 wordt opgemerkt dat het onderwerp «strategisch beleid voor het landelijk gebied» van groot belang wordt geacht voor de komende jaren en derhalve is te beschouwen als een meerjarig thema. Ook in 1999 is behoefte aan advisering door de Raad (Strategisch beleid voor het landelijk gebied II).
2.5 Concretisering instrumentarium VROM-beleid, waarin opgenomen handhaving van het VROM-beleid
In de brief over de adviesvoornemens voor 1999 wordt de vraag gesteld of de overheid nog wel voldoende zicht heeft op de effectiviteit van beleid en desgewenst nog wel adequaat kan interveniëren. Bij het beantwoorden van deze vraag spelen naast veranderende maatschappelijke opvattingen over handhaving, tevens nieuwe mogelijkheden van informatietechnologie (ICT-ontwikkelingen) een rol. Ook is relevant de wisselwerking tussen enerzijds de beleidsintegratie van de verschillende onderdelen van VROM-beleid (duurzame kwaliteit van de leefomgeving) en anderzijds de integratie van toezicht- en handhavingsfuncties.
De Raad meent dat een advies waarin het VROM-instrumentarium aan een nadere beschouwing wordt onderworpen goed aansluit bij zijn in1998 uitgebracht advies over de sturing van een duurzame samenleving en daarvan een nadere uitwerking kan zijn. De Raad stelt zich voor in een dergelijk advies niet alleen op de effectiviteit en de legitimiteit, maar ook op de efficiency van het (juridisch) instrumentarium in te gaan en daarbij vooral niet voorbij te gaan aan de procedures in de ruimtelijke ordening.
2.6 Uitgangspunten NMP4, waarin opgenomen herijking van het milieubeleid
Uit de brief over de adviesvoornemens voor 1999 blijkt dat de Raad in de loop van 1999 een adviesaanvraag tegemoet kan zien over het onderwerp «herijking van het milieubeleid». Gesteld wordt dat de hoofdvraag bij dit onderwerp is: wat zouden de belangrijkste strategische wijzigingen voor het milieubeleid kunnen zijn uitgaande van het NMP3 en de discussie rond het leefomgevingsbeleid? Twee onderwerpen worden daarbij in het bijzonder genoemd: voorraadbeheer en marktwerking.
Bij voorraadbeheer gaat het dan vooral om de vraag wat voorraadbeheer betekent voor het milieubeleid. Welke soort instrumenten moeten worden ingezet als meer gestuurd wordt op de inputkant bij economische activiteiten. De onderwerpen «energiebeleid op lange termijn» en «duurzaam bouwen» die in het werkprogramma voor 1998 door de Raad zelf zijn voorgesteld als onderwerpen voor 1999, passen in het onderwerp voorraadbeheer (verantwoorde transitie van fossiele bronnen naar duurzame bronnen en duurzaam omgaan met grondstoffen, energie en ruimte). Politiek aandachtspunt bij voorraadbeheer is het begrip «factor 4», dat nader geconcretiseerd zou moeten worden.
Bij marktwerking speelt de vraag wat meer marktwerking betekent voor het milieubeleid. Hoe kunnen zogenoemde marktimperfecties, waarbij milieukosten niet worden meegenomen in de werkelijke kosten, worden verholpen? Waar liggen kansen en bedreigingen? Welke instrumenten staan ter beschikking?
De Raad is voornemens de herijking van het milieubeleid te behandelen in het verband van een advies over de uitgangspunten voor een NMP4, dat in de komende kabinetsperiode zal worden uitgebracht. De prioriteitstelling zal daarop worden afgestemd.
2.7 Internationaal milieubeleid
Zowel in het resterende deel van 1998, als in 1999 zal de Raad zich bezighouden met advisering over een aantal milieuonderwerpen met een internationaal karakter. Zo heeft de Raad, hoewel niet voorzien in het werkprogramma voor 1998, op 28 mei jl. een verzoek ontvangen advies uit te brengen ten behoeve van de uitvoeringsnota klimaatbeleid. Aan de hand van een optiedocument zullen keuzen moeten worden voorbereid, zodat Nederland met gepaste zekerheid kan voldoen aan de internationaal overeengekomen reductieverplichtingen. De Raad zal ernaar streven te voldoen aan het verzoek van de Minister om vóór 1 november 1998 advies uit te brengen.
Blijkens de brief over de adviesvoornemens zal voorts binnen afzienbare termijn een adviesaanvraag worden ontvangen over aspecten van het Europese Milieubeleid. Het gaat daarbij om de vraag hoe Nederland zich moet opstellen ten aanzien van de ontwikkeling van het Europees Milieubeleid in een groter wordende Europese Unie, in het bijzonder waar het betreft de acceptatie van regionale verschillen versus een strak centralistisch beleid. Wat is belangrijker: dat (Midden- en Oost-Europese) landen bij toetreding geheel voldoen aan de milieu-eisen van de Europese Unie, of dat de landen snel toetreden?
De vraagstelling voor een advies in 1999 zal blijkens dezelfde brief het mondiale milieubeleid betreffen en betrekking hebben op het volgende: kan Nederland een relatie leggen tussen de uitputting van de natuurlijke hulpbronnen (in de breedste zin van het woord) in de wereld enerzijds en het karakter van de eigen nationale economie anderzijds? Anders gezegd: moet Nederland de ontkoppeling tussen economische activiteit en milieubelasting niet alleen op nationale schaal doorvoeren, maar ook naar het mondiale kader vertalen? Hoe zou dat het best kunnen gebeuren, gegeven het feit dat de Nederlandse «ecologische voetafdruk» vooral zichtbaar is in het beslag op ruimte (landbouwareaal) en grondstoffen, en in mindere mate in vervuiling buiten onze landsgrenzen?
Conform de bestaande praktijk zal de Raad in 1999 zijn bijdrage continueren aan de internationale samenwerking tussen een aantal Europese nationale adviesraden op het terrein van milieuvraagstukken. De ervaringen van de laatste twee jaren laten zien dat de uitwisseling van kennis en ervaringen tussen de raden vaste vorm begint te krijgen en een rol kunnen gaan spelen bij de toetsing van nationale voorstellen aan de internationale haalbaarheid. De verwachting is dat de aansluiting van de verschillende raden op Internet een steeds belangrijker rol zal gaan spelen bij de uitwisseling van gegevens.
In september 1998 zal in Helsinki een conferentie van de raden plaatsvinden, met als onderwerp beleidsintegratie. Tijdens die bijeenkomst zal een besluit worden genomen over de lokatie en het onderwerp van een in 1999 te houden conferentie.
3 Spreiding in de tijd van de in 1998 en 1999 uit te brengen adviezen
Blijkens het vorenstaande is het niet eenvoudig thans een overzicht in de tijd van een aantal adviezen aan te geven: de adviesaanvragen zijn er in de meeste gevallen nog niet, de bestuurlijke agenda is nog onvoldoende bekend, diverse onderwerpen lenen zich mogelijk voor clustering in één advies. Het volgende overzicht is hierdoor nog uitermate tentatief. Niettemin is een spreiding in de tijd van de start en de afronding van een advies gewenst in verband met de interne werkplanning van de Raad en de capaciteit van het secretariaat.
| Adviesonderwerp | Start Raad | Adviesaanvraag | Advies | |
|---|---|---|---|---|
| 1 | Uitvoeringsnota klimaatbeleid/Kyoto | mei 1998 | mei 1998 | november 1998 |
| 2 | Visie op de Stad I | mei 1998 | – | december 1998 |
| 3 | Strategisch beleid Landelijk Gebied I | mei 1998 | – | januari 1999 |
| 4 | Raadsnotitie volkshuisvesting/Woonverkenningen follow-up | juni 1998 | n.v.t./- | februari 1999 |
| 5 | Leefomgevingsbalans | juli 1998 | – | januari 1999 |
| 6 | Strategische visie verkeer en vervoer | september 1998 | – | mei 1999 |
| 7 | Uitgangspunten 5e Nota RO/Ruimtelijke kwaliteit | november 1998 | – | juni 1999 |
| 8 | Europees Milieubeleid | december 1998 | – | juni 1999 |
| 9 | Uitgangspunten NMP4/ Herijking Milieubeleid | april 1999 | – | november 1999 |
| 10 | Strategisch Beleid Landelijk Gebied II | mei 1999 | – | november 1999 |
| 11 | Concretisering instrumentarium/Handhaving VROM-beleid | juni 1999 | – | januari 2000 |
| 12 | Mondiaal Milieubeleid | augustus 1999 | – | maart 2000 |
| 13 | Visie op de Stad II | september 1999 | – | april 2000 |
| 14 | Inrichting en beheer van de openbare ruimte | oktober 1999 | – | mei 2000 |
4 Programma voor latere jaren/meerjarige thema's
In vorige werkprogramma's zijn als mogelijke (meerjarige) thema's genoemd:
– Energiebeleid op langere termijn;
– Visie op de stad;
– Marktwerking en milieu;
– Mobiliteit;
– Duurzaam bouwen.
Een nieuw meerjarig thema betreft:
– Strategisch beleid voor het landelijk gebied.
Zoals uit de onderwerpen voor het werkprogramma voor 1999 blijkt, zullen aspecten van «Energiebeleid op langere termijn», «Duurzaam bouwen» en «Marktwerking en Milieu» aan de orde kunnen komen bij een advies over de uitgangspunten voor het NMP4.
Het onderwerp «Mobiliteit» zal aan de orde komen in het advies «Strategische visie verkeer en vervoer in relatie tot het VROM-beleid».
Aan het onderwerp «Visie op de stad» zullen zowel in 1998 als in 1999 adviezen worden gewijd.
Over het «Strategisch beleid voor het landelijk gebied» zal de Raad zowel in 1998 als in 1999 adviesaanvragen ontvangen.
Het werkprogramma van de Wadden-adviesraad is nog in bewerking. Zodra dit werkprogramma door de Minister is vastgesteld, zal dit aan de Voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer worden toegezonden.
Actieplan schonere, stillere en zuiniger wegvoertuigen 1999
Bij de behandeling van de nota Voertuigtechniek en Brandstoffen (Tweede Kamer, vergaderjaar 1995–1996, 24 884, nrs. 1 en 2) tijdens notaoverleg in de Tweede Kamer heeft de Minister van VROM toegezegd jaarlijks aan de Kamer een overzicht te geven van hetgeen in de afgelopen periode is gedaan en wat voor de komende periode aan acties op de rol staat (zie Tweede Kamer, vergaderjaar 1996–1997, 24 884, nr. 5). In een daaropvolgend debat is door de Kamer in een motie verzocht jaarlijks een actieplan uit te voeren om zuiniger en schoner rijden te bevorderen middels onder andere fiscale maatregelen, demonstratieprojecten, onderzoek en ontwikkeling (zie Tweede Kamer, vergaderjaar 1996–1997, 214 884 nr. 3).
Dit tweede actieplan geeft invulling aan het bovengestelde voor 1999. Het plan gaat als bijlage bij de VROM begroting 1999. Het is de bedoeling dat jaarlijks een bijgewerkte versie van dit plan als aparte bijlage bij de VROM begroting wordt gepubliceerd.
De nota Voertuigtechniek en brandstoffen hanteert als basisjaar 1994 en als zichtjaar 2010.
Deze ijkpunten worden ook in dit actieplan gebruikt. Als kwantitatieve graadmeter voor het beleid ten aanzien van luchtemissies wordt uitgegaan van parkemissiefactoren. Parkemissiefactoren drukken de gemiddelde hoeveelheid emissie in gram per afgelegde voertuigkilometer (g/mk) uit van het total wagenpark. Voor geluid wordt de gemiddelde geluidemissie van alle auto's volgens de typegoedkeuring gehanteerd. De in de nota Voertuigtechniek en brandstoffen genoemde parkemissiefactoren over 1994 zijn door het CBS nadien herberekend hetgeen leidt tot enkele statistische verschillen tussen de cijfers. In tabel I zijn zowel de oude als herziene parkemissiefactoren over 1994 opgenomen.
Tabel voor- en na herberekeningIn tabel I wordt een overzicht gegeven van de parkemissiefactoren in 1994 en in 1997. Hieruit kan worden afgeleid dat over de gehele linie een afname is opgetreden. Echter, voor CO2 is in deze periode geen verandering opgetreden.
In de tabel wordt getoond hoe de in de nota Voertuigtechniek geprognotiseerde procentuele afnamen van de parkemissiefactoren in 2010 ten opzichte van 1994 verlopen. In het vorig jaar verschenen Actieplan bij de begroting van 1998 is bij de berekening van parkemissiefactoren uitgegaan van de gegevens uit de medio 1997 verschenen Milieuverkenningen 4 (MV4). Daarin berekent het RIVM de emissies van het wegverkeer in 2010 en 2020 onder diverse veronderstellingen over de effectiviteit van het voorgenomen beleid. De analyse van MV4 leert dat de in de nota Voertuigtechniek voor 2010 geprognotiseerde parkemissiefactoren voor NOx, CO, VOS en deeltjes haalbaar zijn, mits het voorgenomen beleid daadwerkelijk wordt geëffectueerd.
Zoals in het NMP 3 is vermeld, verwacht het kabinet dat met het huidige en nieuwe beleid in de planperiode de emissies van verkeer en vervoer in 2010 lager kunnen liggen dan in MV4 is aangegeven. In tabel I is daarom uitgegaan van een berekening die is gebaseerd op het voorgenomen beleid uit het NMP 3.
Tabel I. Beoogde resultaten van volledige uitvoering van het in de nota Voertuigtechniek en brandstoffen geformuleerde beleid, uitgedrukt in parkemissiefactoren (gram emissie/kilometer) in 2010 t.o.v. 1994
| CO2 (g/km) | 1994 | 1994 | 1997 | 2010 | % afname |
|---|---|---|---|---|---|
| (oud) | (herzien) | (vlgs NMP3) | 2010 tov 1994 | ||
| personenauto | 186 | 189 | 189 | 129 | 32% |
| bestelauto | 256 | 256 | 257 | 200 | 22% |
| vrachtauto | 876 | 876 | 817 | 7% | |
| trekker | 974 | 974 | 906 | 7% | |
| bus | 877 | 876 | 874 | 815 | 7% |
| NOx (g/km) | 1994 | 1994 | 1997 | 2010 | % afname |
|---|---|---|---|---|---|
| (oud) | (herzien) | (vlgs NMP3) | 2 010 tov 1994 | ||
| personenauto | 1,40 | 1,35 | 1,03 | 0,13 | 90% |
| bestelauto | 1,50 | 1,34 | 1,13 | 0,6 | 55% |
| vrachtauto | 13,00 | 11,20 | 9,67 | 4,16 | 63% |
| trekker | 19,90 | 15,53 | 12,66 | 5,53 | 64% |
| bus | 16,00 | 14,42 | 13,28 | 5,1 | 65% |
| VOS (g/km) | 1994 | 1994 | 1997 | 2010 | % afname |
|---|---|---|---|---|---|
| (oud) | (herzien) | (vlgs NMP3 ) | 2 010 tov 1994 | ||
| personenauto | 0,72 | 0,72 | 0,54 | 0,12 | 83% |
| bestelauto | 0,61 | 0,58 | 0,43 | 0,15 | 74% |
| vrachtauto | 1,75 | 1,8 | 1,73 | 0,71 | 61% |
| trekker | 3,43 | 3,34 | 3,26 | 1,35 | 60% |
| bus | 3,44 | 3,84 | 3,54 | 1,46 | 62% |
| Deeltjes (g/km) alleen diesel | 1994 | 1994 | 1997 | 2010 | % afname |
|---|---|---|---|---|---|
| (oud) | (herzien) | (vlgs NMP3) | 2 010 tov 1994 | ||
| personenauto | 0,20 | 0,14 | 0,11 | 0,11 | 21% |
| bestelauto | 0,23 | 0,22 | 0,15 | 0,15 | 32% |
| vrachtauto | 0,91 | 0,54 | 0,36 | 0,18 | 67% |
| trekker | 1,40 | 0,57 | 0,32 | 0,18 | 68% |
| bus | 1,50 | 1,02 | 0,72 | 0,31 | 70% |
In het NMP 3-maatregelenpakket is nog niet verwerkt de onlangs tussen de EU-commissie en het EU-parlement bereikte overeenstemming over de emissie-eisen voor 2005 over personenauto's en bestelauto's en brandstoffen.
Tijdens het Nederlandse EU voorzitterschap in 1997 is in de Milieuraad overeenstemming bereikt over een tweetal Europese richtlijnen. Deze richtlijnen hebben betrekking op respectievelijk de maximaal toegestane emissie voor auto's en de milieuspecificaties van benzine en diesel. De afspraak over personenauto's bestond uit de volgende elementen:
• emissie-eisen voor CO, VOS, NOx en deeltjes voor 2000;
• indicatieve emissie-eisen voor 2005;
• brandstofspecificaties voor 2000;
• (enkele) indicatieve brandstofspecificaties voor 2005;
• eisen voor inbouw van «On Board Diagnostics»;
• afspraken over «In Use Compliance»;
• aparte koude start limieten voor CO en VOS voor 2002;
• mogelijkheid tot fiscale stimulering
Definitief pakket emissie-eisen en brandstofspecificatiesNa ons voorzitterschap is een onderhandelingssituatie ontstaan tussen de Milieuraad en het Europees Parlement (conciliatieprocedure) over de vraag of de indicatieve eisen voor 2005 moesten worden omgezet in definitieve eisen. Wat betreft de auto's was daarmee vanaf het begin al rekening gehouden (ook door de industrie), maar voor de brandstoffen niet. Op 29 juni 1998 is een compromis gesloten tussen Milieuraad en Europees Parlement, inhoudende dat oliemaatschappijen en de auto-industrie ervoor moeten zorgen dat de uitstoot van schadelijke stoffen van nieuwe auto's en bestelauto's in 2005 met 70% wordt teruggedrongen. Die verplichting vloeit voort uit het «Auto-Oil» programma van de Europese Unie.
In voornoemde conciliatieprocedure is daarnaast ook overeenstemming bereikt over de emissie-eisen voor bestelauto's. De eisen voor deze categorie voertuigen voor de jaren 2000 en 2005 zijn geheel in overeenstemming met de eisen voor personenauto's.
On Board DiagnosticsOnderdeel van de eisen vanaf 2000 (voor dieselauto's vanaf 2003) is dat de voertuigen moeten worden uitgerust met een boorddiagnosesysteem, dat continu de goede werking van alle voor de uitstoot relevante parameters van de motor bewaakt, en de bestuurder signaleert zodra de uitstoot meer dan in een bepaalde mate toeneemt. De oorzaak van die toename (foutcode) wordt daarbij in het systeem opgeslagen, en kan door het garagebedrijf worden uitgelezen. Dit zal naar verwachting diagnose en reparatie vereenvoudigen.
Koude start en In Use ComplianceAparte eisen zijn gesteld voor de uitstoot bij de starten warmloopfase van benzinemotoren bij min 7 graden Celsius, de zogenaamde «koude starteisen». Door invoering van de nieuwe maatregel zullen er vooral minder koolwaterstoffen, die mede smog veroorzaken, vrijkomen bij de eerste kilometers van een autorit.
Tenslotte is nu voor het eerst in de richtlijn expliciet bepaald dat voertuigen niet alleen aan de eisen moeten voldoen als zij nieuw zijn, maar gedurende de gehele effectieve levensduur. Deze is gedefinieerd als 5 jaar of 80 000 km. Vanaf 2005 geldt zelfs 100 000 km (of 5 jaar). Indien niet aan deze eis wordt voldaan kan de fabrikant worden verplicht tot een terugroepactie.
Emissie-eisen zware vrachtwagensMet vertraging is in april 1998 door de Europese Commissie het richtlijnvoorstel ingediend voor een verdere aanscherping van de emissie-eisen voor zware vrachtwagens per 2000–2001. Anders dan bij de personenauto's bevat dit voorstel geen normstelling voor een tweede stap in 2005–2006. In het voorstel zijn ook nieuwe voorschriften voor de emissies van motoren die op aardgas of LPG lopen opgenomen.
Emissie-eisen binnenvaartschepenVoorjaar 1998 heeft een vergadering van een werkgroep van de Centrale Rijnvaart Commissie plaatsgevonden, waarin de mogelijkheden tot het stellen van eisen aan de uitlaatgasemissies voor de eerste maal zijn besproken. Najaar 1998 is het onderwerp voor de tweede maal geagendeerd.
Fiscale stimuleringDe plannen tot verruiming van de BPM vrijstelling voor elektrische voertuigen tot hybride voertuigen die mede worden aangedreven door een elektromotor van tenminste 10 kW en de gedeeltelijke MRB-vrijstelling van deze voertuigen wat betreft het extra gewicht in verband met de elektrische aandrijving zijn het afgelopen jaar gerealiseerd.
Besluit typekeuring motoren voor mobiele machinesEind 1997 is na een conciliatieprocedure tussen Milieuraad en Europees Parlement de richtlijn vastgesteld die emissie-eisen bevat voor motoren bestemd voor installaties in niet voor de weg bestemde mobiele machines. De eerste fase van de normstelling op grond van deze richtlijn treedt 31 december 1998 in werking. Hiertoe is het besluit typekeuring motoren voor mobiele machines in werking getreden.
APKOp 1 januari 1998 is in de APK de viergasmeting voor benzineauto's met geregelde katalysator gerealiseerd. Met deze test wordt beoogd zowel de werking van de katalysator als van de goede werking van de lambdaregeling te verifiëren.
Optimale brandstofmixIn het NMP 3 is de mix van de toepassing van benzine, diesel en LPG voor het wegverkeer beschreven waarmee aan de realisatie van de milieudoelen op de meest kosteneffectieve een bijdrage wordt geleverd.
Eind 1998 zal de Kamer worden geïnformeerd over de fiscale en niet-fiscale beleidsinstrumenten die kunnen worden ingezet om de gewenste mix te realiseren.
Convenant Bussen op GasUitkomst van de notificatieprocedure volgens richtlijn 83/189 is een groen licht voor het convenant bussen op gas. Onderdertekening van dit convenant zal spoedig plaatsvinden. Vooruitlopend op de ondertekening van het eigenlijke convenant is op 24 april 1998 tussen de betrokken partijen een intentieverklaring overeengekomen en getekend. Daarin geven partijen aan het over de inhoud van het convenant eens te zijn, en tot ondertekening te zullen overgaan nadat de notificatieprocedure is afgerond.
Derogatie voor lagere LPG-accijns voor bussen in het openbaar vervoerEind april werd van Brussel het groene licht verkregen voor een nationale verlaagde accijns op LPG voor gebruik in bussen in het openbaar vervoer.
Op 15 juni 1998 is de aangepaste MIBU-bekendmaking in de Staatscourant (nr. 109) gepubliceerd. Hiermee is de MIBU regeling beter toegesneden op de bevordering van de toepassing van LPG en aardgas in autobussen. De maximale bijdrage in de meerkosten van een LPG- of aardgasbus bedraagt f 25 000,Tezamen met de toekomstige verlaagde accijns op LPG, het nihiltarief voor gasbussen in de motorrijtuigenbelasting en de plaatsing van de meerkosten van een gasmotor op de VAMIL-lijst is naar verwachting een situatie ontstaan waarin het rijden met gasbussen ook in economisch opzicht kan concurreren met dieselbussen.
Subsidieregeling Demonstratieprojecten Motorvoertuigen (DEMO)De subsidieregeling voor grootschalige demonstratieprogramma's is ondergebracht als deelprogramma onder de bijdragenregeling milieugerichte technologie (Besluit van 3 februari 1995, houdende regels met betrekking tot bijdragen voor milieugerichte technologie, Staatsblad 1995, nr. 84) van VROM. Het deelprogramma stimulering van milieutechnische innovaties in het wegverkeer is op 31 maart 1998 gepubliceerd in Staatscourant nr. 50.
Inmiddels is de inschrijftermijn, die aanvankelijk 1 juli 1998 zou sluiten, verlengd tot 1 december 1998.
Proefproject Hoogwaardig Openbaar Vervoer (HOV) EindhovenDoor de ministeries van VROM, V&W en EZ wordt bijgedragen aan het initiatief van het Samenwerkingsverband Regio Eindhoven (SRE) tot een proefproject met een nieuw concept bussen. De innovaties van dit concept hebben betrekking op vervoersaspecten en op milieuaspecten. Voor de milieuaspecten wordt daarbij uitgegaan van een hybride aandrijflijn die voldoet aan zeer scherpe milieueisen. In 1998 is de aanbestedingsprocedure gestart. Getracht wordt nog voor het einde van dit jaar een contract gereed te hebben, opdat de ontwikkeling en constructie van bussen in 1999 kan starten.
Etikettering personenauto'sHet komende jaar zullen diverse voorbereidingen worden getroffen om te komen tot een etiketteringsmaatregel voor nieuwe personenauto's. Deze maatregel houdt in dat nieuwe personenauto's, die voor verkoop worden tentoongesteld, van een energie-etiket moeten worden voorzien, waarop het brandstofverbruik en de zuinigheid van het voertuig in zijn grootteklasse moet worden vermeld. Voor de invoeringsdatum van deze maatregel wordt momenteel 1 januari 2000 of uiterlijk 1 april 2000 voorzien. Het ligt in de bedoeling om voorafgaand aan de invoering van de maatregel campagne te voeren gericht op de stimulering van aankoop van zuinige auto's. De campagne zal worden gevoerd door de ANWB, de Consumentenbond en de Novem in het kader van het programma Koop Zuinig Rij Zuinig.
N2O-emissie wegvoertuigenIn 1998 wordt gestart met een nationaal onderzoek dat is gericht op het vergaren van inzichten over de N2O-emissie door wegvoertuigen. Vervolgens ligt het in de bedoeling dit onderwerp in Brussel te agenderen opdat N2O deel gaat uitmaken van EU-emissieregulering. Het kabinet streeft naar formalisatie van N2O-eisen in het begin van de volgende eeuw, zodat rond 2006–2008 in EU-verband emissie-eisen t.a.v. de N2O uitstoot kunnen worden ingevoerd.
APKIn de loop van 1999 zal de APK worden uitgebreid met een meting van het gehalte koolwaterstoffen in de uitlaatgassen van benzinemotoren. Dit lijkt, in aanvulling op de CO-meting, met name voor de wat oudere auto's een adequaat middel om auto's met onderhoudsgebreken en bovenmatige slijtage te identificeren. Deze meting is mogelijk geworden door de invoering van de viergastest, waardoor de keuringsinstanties beschikken over een instrument waarmee het koolwaterstoffengehalte kan worden gemeten.
Schonere brandstoffenIn 1999 zullen de mogelijkheden worden onderzocht voor de introductie van schonere brandstoffen op de Nederlandse markt, teneinde de introductie van schonere en zuiniger voertuigen, die zulke brandstoffen voor een goed functioneren nodig hebben (emissie-eisen 2005) en die naar verwachting kort na de eeuwwisseling op de markt zullen komen, te faciliteren.
In 1999 zullen de reikwijdte en de criteria van de DEMO-regeling worden aangepast teneinde ook de marktintroductie van schonere technologie bij scheepsmotoren te kunnen ondersteunen.
Fiscale maatregelenIn overleg met Financiën wordt momenteel bezien of met het oog op de stimulering van schone en zuinige voertuigen en op het bereiken van de optimale brandstofmix de grondslag en/of de tarieven van de BPM en MRB kunnen worden aangepast. Als mogelijke maatregelen voor stimulering van zuinige auto's zijn hiervoor in beeld het omzetten van de grondslag van de MRB van gewicht naar verbruik, respectievelijk een differentiatie van de tarieven van de BPM afhankelijk van de relatieve zuinigheid. Eind 1998 zal de Kamer over de resultaten van deze studie worden geïnformeerd.
Schonere motorvoertuigenIn 1999 zal worden getracht met de gebruikers van huisvuilwagens e.d. tot een convenant over de toepassing van gasvormige brandstoffen te komen, naar analogie van het convenant over de gasbussen.
Emissie-eisen binnenvaartschepenNaar verwachting zal in 1999 (op Nederlands initiatief) in de Centrale Rijnvaart Commissie overeenstemming worden bereikt over normen voor de uitlaatgassen van binnenvaartschepen. Deze normen zullen in een later stadium naar verwachting door de Europese Unie worden overgenomen voor het hele Europese vaargebied. De normen hebben tot doel het milieuvoordeel van vervoer over water ten opzichte van vervoer over de weg ook voor de toekomst zeker te stellen.
GeluidemissiesIn 1999 wordt doorgegaan met het stiller maken van voertuigen. Een EU-richtlijn voor typekeuringseisen met het oog op geluid voor banden is in de maak. Initiatieven worden ontplooid om de EU-typekeuring voor de geluidproduktie door wegvoertuigen meer in overeenstemming te brengen met stedelijk verkeer.
InleidingIn deze bijlage wordt kort teruggeblikt op resultaten van de inspecties uit de afgelopen periode. Verder wordt op de voornemens voor 1999 ingegaan.
De handhaving van en het toezicht op de uitvoering van VROM-regelgeving door anderen, wordt uitgeoefend door de drie inspecties: de Inspectie van de Volkshuisvesting (IVH), de Inspectie van de Ruimtelijke Ordening (IRO) en de Inspectie van de Volksgezondheid voor de Milieuhygiëne (IMH).
OrganisatieDe inspecties vallen alle onder directoraten-generaal. Zij worden niet tot de bestuurskern gerekend, maar wel tot de kerntaken van het ministerie. Op die manier blijft de essentiële relatie tussen beleidsontwikkeling en de uitvoering/handhaving gewaarborgd, dit in lijn met het Kabinetsstandpunt over de positionering van de rijksinspecties.
De IVH kent acht regionale vestigingen, de IRO vier en de IMH vijf, waarvan er twee met satellietkantoren.
Vanwege de samenwerking vormen de regionale inspecteurs van de diverse inspecties regionale managementteams (RMT's). De RMT's maken afspraken over inhoudelijke en beheersmatige samenwerking. In Den Haag vormt de leiding van de drie inspecties (voor de IVH de directeur Marktdiensten van het DGVH, voor de IRO de plaatsvervangend directeur-generaal RO en voor de IMH de hoofdinspecteur van de Volksgezondheid voor de Milieuhygiëne) het centraal managementteam VROM-Inspecties (CMT). Het CMT heeft tot taak: oplossen van de problemen waar de RMT's op regionaal niveau niet uitkomen, bemiddelen tussen RMT's en de Haagse beleidsdirecties bij gebleken onoplosbare problemen, initiatief nemen om eigen VROM-Inspectie(s)-visies onderling af te stemmen en op de politieke agenda te plaatsen, inspelen op inspectierelevante in- en externe ontwikkelingen en het daarover informeren van de regio's.
TakenAlle inspecties hebben tot taak: handhaving van wet- en regelgeving, toezicht op de uitvoering en verbindende schakel zijn tussen beleid en uitvoering. De mate waarin deze taken worden uitgevoerd loopt (sterk) uiteen.
SamenwerkingDe inspecties werken goed samen. Dat blijkt uit de gemeenschappelijke aandachtsvelden op gebied van de ruimtelijke inrichting (Stad & Milieu, verstedelijking, restrictief beleid, kwaliteit op lokatie, bestemmingsplannen buitengebied, uitvoering gemeentelijk milieubeleid, duurzaam bouwen, gebiedsgericht beleid, VINEX, grote infrastructurele projecten), de uitvoering van de Reconstructiewet veehouderijen en handhaving (gemeentelijke handhavingsonderzoeken).
OntwikkelingenIntegrerende beleidsontwikkelingen roepen een nog intensievere samenwerking op, waarbij evenwel in ogenschouw dient te worden genomen dat de betrokkenheid c.q. samenhang bij beleidsontwikkeling en handhaving/toezicht per inspectie verschilt.
Er is een tendens merkbaar dat, naast intensivering van de handhavingstaak, ook een groter beroep wordt gedaan op de verbindende schakelfunctie van de inspecties en dan met name op feedback- en onderhandelaarsfunctie.
Binnen het ministerie worden momenteel drie (pilot)projecten uitgevoerd waar de inspecties nauw bij betrokken zijn:
– pilotproject verbetering samenwerking inspecties
– pilotproject VROM-visie op samenwerking in de handhaving
– project verbetering kenbaarheid VROM-beleid(sinformatie).
Steeds meer maatschappelijke problemen vragen om een integraal rijksantwoord, dus géén sectoraal antwoord per departement of onderdeel van een departement. Op dit niveau is er een tendens naar integratie merkbaar en de politieke interesse voor inspectiewerk neemt toe. Er is een ontwikkeling naar interactieve coalities merkbaar binnen de samenleving tussen departementen, bestuurslagen en doelgroepen.
Vanwege de geschetste in- en externe ontwikkelingen zal een verkennend advies worden ingewonnen over de vertaling van de consequenties van de integratie van beleidsontwikkeling zowel binnen het departement als in de regio en met name over de effecten op de beleidsdiensten en de inspecties en de daarbijbehorende aansturingsmechanismen.
Inspectie van de Volkshuisvesting (IVH)Het programma handhaving volkshuisvesting is erop gericht de rechtmatigheid en doelmatigheid van handelingen van betrokken partijen te controleren. Daarbij is vooral aandacht voor nieuw ingevoerde wet- en regelgeving en voor regelgeving waar de maatschappelijke risico's van niet-naleving het grootst zijn.
Ten aanzien van de Huisvestingswet was de handhaving de afgelopen periode vooral gericht op de totstandkoming van de huisvestingsverordeningen. De bepalingen ten aanzien van vrije vestiging worden op grote schaal niet nageleefd; bij gemeenten en provincies ontbreekt in hoge mate draagvlak. Dit heeft de handhaving in de praktijk belemmerd. Het vertrouwen bestaat dat de onlangs door de Tweede Kamer goedgekeurde wijziging hiervoor een betere basis biedt. Na inwerkingtreding van de gewijzigde Huisvestingswet zal bij de handhavingsactiviteiten bijzondere aandacht zijn voor de acceptatie en doorwerking van de nieuwe normen voor vrije vestiging. Verwacht wordt dat deze vanaf eind 1999 zullen gaan plaatsvinden.
Bij uitvoering van het inspectieprogramma bouwregelgeving is gebleken dat in incidentele gevallen niet voldoende zorgvuldig met de bouwregelgeving wordt omgegaan. Niet is gebleken dat de rechtmatigheid structureel in het geding is. In 1999 zal verdere controle op naleving van de bouwregelgeving plaatsvinden bij circa twintig gemeenten in het kader van integrale onderzoeken. In een aantal gevallen gebeurt dat door de Inspecties Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieuhygiëne gezamenlijk.
Voor de Huursubsidiewet bestaat een nagenoeg integrale controle op de subsidiebepalende factoren huurprijs, bewoningssituatie, inkomen en vermogen, waaraan bijdragen worden geleverd door gemeenten, huurcommissies en de Belastingdienst. Een scherpere controle is mogelijk door een verbetering van de kwaliteit van externe bronnen zoals het bevolkingsregister en de gegevens van de Belastingdienst. De commissie Zwart heeft in haar rapport «Onrechtmatige bewoning en het raadplegen van bestanden» geconstateerd dat onrechtmatige bewoning in een substantieel aantal situaties plaatsvindt in combinatie met andere vormen van onrechtmatigheid of fraude. Hetzelfde rapport bevat een aantal aanbevelingen om onrechtmatige bewoning tegen te gaan en de betrouwbaarheid van de bevolkingsregisters te verbeteren. Naast een reactie van de grote steden wordt in overleg met de Ministeries van Binnenlandse Zaken en Justitie thans een standpunt ten aanzien van deze aanbevelingen voorbereid.
In 1999 wordt bij de handhaving van de Huursubsidiewet de nadruk gelegd op de resultaten ten aanzien van de prestatienormen.
Vanaf 18 mei 1998 is het Rijk primair verantwoordelijk voor het toezicht op de woningbouwcorporaties. De IVH treedt meer naar voren in het volkshuisvestelijk toezicht en het handhaven van de rechtmatigheid terwijl het Centraal Fonds Volkshuisvesting (CFV) een nieuwe (adviserende) rol vervult in het financiële toezicht. De toezichthoudende rol van de gemeente is vervallen.
Het rijkstoezicht is in drie onderdelen opgedeeld: het periodieke, het reguliere en het incidentele toezicht.
Periodiek, eens per jaar, wordt op grond van de jaarstukken en kerngegevens van elke toegelaten instelling (TI) een individueel oordeel gevormd over het doelmatig handelen, het rechtmatig handelen en de financiële continuïteit. In dit verband wordt per TI een doelmatigheidstoets en een rechtmatigheidstoets uitgevoerd. Net als in 1998 zullen vanaf 1 juli 1999 deze toetsen worden toegepast op elke instelling. Bezien wordt of de instelling zich aan de voorschriften van het BBSH heeft gehouden. Daarbij wordt primair afgegaan op het oordeel van de accountant. Te denken valt aan: opereert de TI binnen het speelveld van het BBSH, is er overleg met de huurders, is er een klachtencommissie, heeft de TI al haar verbindingen gemeld en opereren deze verbindingen binnen het speelveld van het BBSH (worden er bijvoorbeeld investeringen buiten Nederland gepleegd?), blijven de TI's met het bouwen van woningen binnen de gestelde grens voor de gemiddelde koop/aanneemsom, komen batige saldi ten goede aan de volkshuisvesting, vragen corporaties bij de verkoop van huurwoningen negentig procent van de prijs van de woning in onbewoonde staat. Twee onderdelen worden in 1998 in een apart project nader uitgediept: het functioneren van de klachtencommissies en het bepalen van de afbakening tussen acceptabele en niet-acceptabele verbindingen. Dit zal overlopen in 1999.
In het beoordelen van de doelmatigheid wordt met gebruikmaking van een aantal indicatoren (nieuwbouw, sloop, verkoop, aankoop, onderhoud, verbetering, woningtoewijzing etc.) de geleverde prestatie van corporaties afgezet tegen de op hoofdlijnen verwachte prestatie.
Het CFV geeft een individueel financieel oordeel per TI. Dit wordt geïntegreerd in het jaarlijks te geven prestatieoordeel. In het kader van het Toezichtsverslag zal gerapporteerd worden over financieel zwakke corporaties.
Het Toezichtsverslag wordt voor 1 december opgesteld voor de Tweede Kamer en het bijhorende rapport wordt ook aan de sector zelf aangeboden. Vanaf 1998 vinden geen huur- en leegstandsenquêtes meer plaats. In de vernieuwde kerngegevens wordt integraal naar deze gegevens gevraagd en zal in het Toezichtverslag aandacht besteed worden aan deze ontwikkelingen. Tevens wordt in het verslag een overzicht gegeven van de situatie van financieel zwakke instellingen en de niet-winstbeogende instellingen.
In het zogenaamde reguliere toezicht beoordeelt VROM bepaalde zaken vooraf: fusies, nieuwe toelatingen, uitbreidingen van de toelating en overige statutenwijzigingen. Nieuw in dit verband is het beoordelen van voornemens tot verkoop van huurwoningen en van het vestigen van beperkte zakelijke rechten (de zogenaamde meldingsplichtige besluiten).
Incidenteel gaat het Rijk over tot het treffen van maatregelen of reageren op signalen van huurders, gemeenten, intern toezichthouders, etc., indien de handelwijze van corporaties daartoe aanleiding geven. Nu VROM eerstelijns toezichthouder is en de gemeente geen rol meer vervult in het toezicht, kan een toename van deze signalen bij het Rijk verwacht worden.
Gestart in 1998 en overlopend in 1999, loopt het project waarbij nieuwe ontwikkelingen binnen de sector worden beoordeeld, met name de vele vormen van samenwerking, al dan niet met het oogmerk op de vrijwillige inzet van overtollige middelen door rijke TI's ten behoeve van de te leveren prestaties van financieel zwakkere TI's. In dit verband wordt ook gekeken naar samenwerkingsvormen tussen corporaties en organisaties buiten de sector.
In 1999 wordt een review gedaan op de beoordeling van corporaties door accountants. Accountants beoordelen de jaarrekening en de kerngegevens van alle toegelaten instellingen. Ze geven vanaf 1998 ook een oordeel op het volkshuisvestingsverslag en besteden daarin aandacht aan zaken die in het protocol omschreven staan. Het Rijk gaat in hoge mate af op dit oordeel.
In de loop van 1998 en in 1999 zullen naar verwachting de zogenaamde BTW-kwesties die vanaf 1995 in procedure gebracht zijn bij de Raad van State, tot uitspraken leiden (dit is in enkele gevallen reeds gebeurd). Naar aanleiding van de uitspraak in een aantal proefprocedures, moet bezien worden hoe in alle andere gevallen zal worden opgetreden.
Eind 1998 zal nogmaals bezien worden wat de stand van zaken is met betrekking tot het privatiseren dan wel overnemen door TI's van gemeentelijk woningbedrijven.
Inspectie van de Ruimtelijke Ordening (IRO)De rijksinzet op het gebied van de handhaving van het ruimtelijk beleid begint vruchten af te werpen. Er zit verbetering in de handhavingspraktijk van de primair verantwoordelijke gemeenten, maar het gewenste niveau is nog lang niet overal bereikt. Over de resultaten van een thans lopend landsdekkend onderzoek naar het handhavingsbeleid en de handhavingsorganisatie van de gemeenten op het gebied van de ruimtelijke ordening wordt de Tweede Kamer in de loop van het najaar van 1998 geïnformeerd.
De toezichtsfunctie van de IRO's blijft in ieder geval noodzakelijk. Om de plannen voor de toekomst waar te kunnen maken en gebleken knelpunten bij het vervullen van de toezichtsfunctie weg te nemen, is de toezichtscapaciteit van de IRO uitgebreid en de centrale coördinatie versterkt.
De toezichtsfunctie van de provincie, met name in correctieve zin, staat momenteel in de rechtspraak ter discussie: de (lagere) rechter ziet het uitoefenen van toezicht op de naleving van de Wet op de Ruimtelijke Ordening als een exclusieve taak van het Rijk. Mocht deze opvatting in hoger beroep worden bevestigd dan is een herbezinning op het toezichtsinstrumentarium noodzakelijk.
Het is van evident belang dat belangrijke onderdelen van het nationaal ruimtelijk beleid doorwerken in het ruimtelijk beleid van de andere overheden.
Hiervoor zal blijvend energie worden ingezet. Waar nodig zal, conform het advies van de VROM-Raad over de sturing van een duurzame samenleving, niet geaarzeld worden gebruik te maken van de beschikbare wettelijke instrumenten. Een voorbeeld hiervan is de aanwijzing, die in juli 1998 is gegeven aan de Provinciale Staten van Gelderland met betrekking tot het streekplan.
Het thans bij de Tweede Kamer aanhangige voorstel tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening voorziet in de mogelijkheid om onderdelen van het nationaal of provinciaal ruimtelijk beleid aan te merken als concrete beleidsbeslissing. Een dergelijke beslissing is bindend voor ruimtelijke plannen van de lagere overheden en bevordert een adequate doorwerking van belangrijke en reeds afgewogen onderdelen van het ruimtelijk beleid.
Inspectie van de Volksgezondheid voor de Milieuhygiëne (IMH)Het Jaarverslag 1997 van de IMH, dat bij brief van 20 juli 1998, kenmerk IMH/HI/IL/DI/100798004L aan de Eerste en Tweede Kamer is aangeboden, gaat op enkele belangrijke resultaten van het werk uit 1997 in.
De IMH heeft een reorganisatie achter de rug. Zij is van elf inspectie-onderdelen teruggegaan naar vijf regionale vestigingen waarvan twee met een satellietkantoor, waar de uitvoering van het werk plaats vindt en een hoofdinspectie voor strategiebepaling en sturing van de totale organisatie. Hiermee kan de IMH slagvaardiger en efficiënter tewerk gaan, waarbij partnership met andere inspecties en betrokken partijen hoog in het vaandel staat.
Bij Handhaving lagen de prioriteiten bij de controle van de Europese verordening overbrenging afvalstoffen (EVOA), het Cadmiumbesluit en de scheepsbrandstoffen.
De Toezichtsprioriteiten in 1997 waren gericht op de andere overheden en behandelden de uitvoering van de bijdrageregelingen door provincies en gemeenten. Verder werd aandacht besteed aan afval en veehouderijen. Op gebied van de Verbindende Schakelfunctie tussen beleidsmakers en -uitvoerders werd in 1997 veel aandacht besteed aan de activiteiten van de Landelijke Coördinatie Commissie Milieuwethandhaving (LCCM) en het internationale handhavingsnetwerk (IMPEL = Implementation and Enforcement of Environmental Law).
Een belangrijk rapport dat in mei van dit jaar werd uitgebracht, is het rapport «Gevaarlijk-afvalverwerkende bedrijven onder de aandacht». Het is de weergave van de belangrijkste resultaten van een onderzoek gericht op de naleving van milieuwet- en regelgeving en de kwaliteit van de verleende milieuvergunningen bij bedrijven die gevaarlijk afval be- en of verwerken. Het is een van de acties die naar aanleiding van de Tankcleaning Rotterdam (TCR)-affaire zijn uitgevoerd in opdracht van de ministers van VROM, Verkeer en Waterstaat en van Justitie.
In 1998 richt de IMH bij de Handhaving haar aandacht op de versterking van het ketentoezicht, op de samenwerking met andere handhavers en op de regie van de handhaving bij risicobedrijven, vooral in de afvalsector en de afstemming van de regionale en landelijk opsporing. Op gebied van Toezicht op de uitvoering kijkt de IMH of op provinciaal en gemeentelijk niveau de doelen van de financiële bijdrageregelingen zijn bereikt en worden projecten uitgevoerd die tot een visie op de kwaliteit van het milieubeleid en de uitvoering daarvan moeten leiden, of concreter: Wat is een goede (moderne) vergunning, bedrijfmilieuplan en een behoorlijke naleving? Over deze onderwerpen wordt nog gerapporteerd.
Het Kabinet wil door een betere handhaving, de uitvoering van het beleid verbeteren en de milieucriminaliteit verminderen. Aandacht wordt besteed aan de volgende onderwerpen.
Verbetering samenwerking handhavende instantiesIn het NMP-3 is aangegeven dat de rijksoverheid en de andere overheden het beleid zullen richten op een algemene verbetering van de regie en de samenwerking tussen de handhavende instanties. De rijksoverheid en de andere overheden moeten daarvoor een gezamenlijke handhavingsstrategie ontwikkelen en, voor bepaalde handhavingstaken, de samenwerking op uitvoerend niveau en de informatie-uitwisseling tussen de handhavende instanties structureel verbeteren. Hiertoe werken de rijksoverheid en de andere overheden in de planperiode van NMP-3 een aantal beleidsvoornemens verder uit.
Onder regie van het provinciale bestuur worden in alle provincies bestuursovereenkomsten voorbereid. Naar verwachting zullen de overeenkomsten voor 1 januari 1999 tot stand komen. Hierin zullen in ieder geval afspraken worden gemaakt over onderlinge samenwerking van de handhavingspartners, gezamenlijke prioriteitstelling, informatie-uitwisseling en verslaglegging. Het provinciaal bestuur heeft het voortouw bij de voorbereiding van de afspraken en zal ook de uitvoering daarvan bewaken. Voortgebouwd wordt op de inventarisatie van de handhavingssamenwerking die iedere provincie heeft uitgevoerd en de uitvoering van de gezamenlijke handhavingsstrategie, die in de LCCM is afgesproken.
De intentie van de bestuursovereenkomsten is dat vrijblijvendheid vermindert, en effectiviteit en kwaliteit van de handhaving worden vergroot. In ieder geval zullen de verantwoordelijke instanties voor de bestuurlijke handhaving (provincies, gemeenten, waterschappen en regionale vertegenwoordigers van de Rijksoverheid) aan de bestuursovereenkomsten deelnemen. De strafrechtelijke handhavers (politie en Openbaar Ministerie) zullen zich hieraan zoveel mogelijk conformeren. De samenwerking tussen bestuurlijke en strafrechtelijke handhaving zal de komende jaren verder worden uitgebouwd.
Daarnaast zal de IMH een bijdrage leveren aan de samenwerking door het uitvoeren van ketenonderzoek en het handhaven van landelijke regelgeving. Voor 1999 geeft de IMH daarbij prioriteit aan ketenonderzoek afvalstoffen en aan handhaving van de regelgeving ten aanzien van cadmium en asbest. Dit zal in samenwerking met andere landelijk opererende handhavende instanties gebeuren.
Verder geeft de IMH prioriteit aan de aanpak van de zware milieucriminaliteit, conform de Strategienotitie Aanpak zware milieucriminaliteit van het Ministerie van Justitie.
Stimulering opzet internationale handhavingsnetwerkenOm nationaal en internationaal de milieudoelstellingen te bereiken hecht Nederland veel waarde aan de opbouw van internationale handhavingsnetwerken. Dat maakt het mogelijk om in concrete internationale handhavingsgevallen met collega-handhavers in andere landen snel tot handhavingsacties te besluiten. Deze netwerken functioneren onder andere op het gebied van grensoverschrijdend vervoer van afvalstoffen, genetisch gemodificeerde organismen en kennisgeving van nieuwe stoffen. Deze internationale handhavingsnetwerken zullen verder worden versterkt en waar nodig worden uitgebreid.
Daarnaast wordt gewerkt aan het verder verbreden van internationale handhavingsnetwerken door deel te nemen aan en door het stimuleren van het International Network for Environmental Compliance and Enforcement (INECE). In november 1998 zal in Monterey, Californië, de vijfde internationale milieuwethandhavingsconferentie georganiseerd worden. Belangrijk aandachtspunt van deze conferentie is de verbetering van de handhaving van de milieuwetgeving door het bieden van informatie en het overdragen van kennis en praktische hulpmiddelen.
Daarnaast is het stimuleren van de ontwikkeling van regionale handhavingsnetwerken een bijzonder aandachtspunt. Voor de Europese Unie functioneert bijvoorbeeld het IMPEL-netwerk.
I. Overzicht van afgeronde decentralisatieprojecten
Wet voorkeursrecht gemeentenDe in juli 1996 in werking getreden wijziging van de Wet voorkeursrecht gemeenten bevat een tweetal bepalingen waarin het toezicht op het gemeentelijk handelen is geschrapt. Dit betreft ten eerste het laten vervallen van het goedkeuringsvereiste van gedeputeerde staten in geval een gemeente een tijdelijk voorkeursrecht op basis van een structuurplan met een jaar wil verlengen. Ten tweede is vestiging van een tijdelijk voorkeursrecht door de Kroon op verzoek van de gemeenteraad niet meer aan de orde. De gemeenteraad zal in de toekomst zelfstandig een tijdelijk voorkeursrecht kunnen vestigen.
Door een amendement van de Tweede Kamer is op dit oorspronkelijke voorstel van de regering evenwel een beperking aangebracht. Slechts gemeenten die zelfstandig of samen met andere gemeenten blijkens nationaal of provinciaal ruimtelijk beleid uitbreidingscapaciteit is toegedacht of gegeven, mogen het voorkeursrecht toepassen. In gevallen waarin een zodanige capaciteit (nog) niet is toegedacht of toegekend, kan geen voorkeursrecht worden gevestigd dan nadat van gedeputeerde staten vooraf een verklaring van geen bezwaar is verkregen.
StankbeleidNa vooroverleg met IPO en VNG zijn met de Tweede Kamer afspraken gemaakt over het stankbeleid voor inrichtingen in het kader van de Wet milieubeheer.
In 1995 is in overleg met de Tweede Kamer gekozen voor het laten vervallen van de generieke normstelling. Hiervoor in de plaats is gekozen voor meer maatwerk en een aanpak uit te werken op lokaal niveau. Om de nodige ondersteuning te verschaffen is voor ca. 80% van de gevallen een Bijzondere regeling in de Nederlandse emissierichtlijnen lucht tot stand gekomen en is een advies voor het toepassen van de geurhinderbepalingsmethode toegevoegd.
Dit hele pakket was voorjaar 1996 gereed en bij brief van 15 juli 1996 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de volledige overdracht van taken en verantwoordelijkheden naar het bevoegd gezag.
Diverse evaluaties zijn voorzien, waarvan de belangrijkste in 1999 zal plaatsvinden.
Sanering industrielawaaiIn 1994 is een bestuursovereenkomst afgesloten tussen VROM en het IPO. Bij die overeenkomst is vastgelegd, dat de provincies de saneringsprogramma's industrielawaai opstellen. VROM toetst die programma's slechts marginaal en geeft vervolgens de formele beschikkingen af (wettelijke taak van de Minister VROM). De provincies dragen aansluitend zorg voor de feitelijke sanering. Voor deze activiteiten van de provincies is door VROM geld beschikbaar gesteld: f 1 mln voor de financiering van het IPO-projectbureau, f 33 mln voor het opstellen van de saneringsprogramma's en f 71 mln voor een bijdrage aan het realiseren van de sanering zelf. De saneringsprogramma's moeten uiterlijk 31 december 1997 bij VROM zijn ingediend. Op enkele uitzonderingen na is die termijn gehaald. Daarom is een herziening van de wet – teneinde de ministeriële bevoegdheid te kunnen decentraliseren – niet meer aan de orde. In 2002 moeten de saneringsmaatregelen zijn uitgevoerd.
Overheveling milieubijdragen naar het Gemeentefonds en het ProvinciefondsPer 1 januari 1998 is de stimuleringsregeling voor de ontwikkeling van het gemeentelijk milieubeleid geëindigd. Het daarmee gemoeide bedrag is, gecorrigeerd met de decentralisatie-korting, overgeheveld naar het Gemeentefonds (f 84 mln). Daarmee is een periode geëindigd waarin d.m.v. specifieke sturing de ontwikkeling van het gemeentelijk milieubeleid is gestimuleerd. In het kader van de Decentralisatie-impuls werd reeds eerder, per 1 januari 1994, een aantal bijdrageregelingen overgeheveld van de VROM-begroting naar de begroting van het Provinciefonds (ca. f 35 mln).
II. Overzicht van lopende decentralisatieprojecten
MDW-project Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheerIn het kader van het project Marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit (MDW) verscheen in juni 1995 een rapport van de werkgroep Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. Daarin werd onder andere aanbevolen een deel van de bedrijven waarvoor de gemeenten bevoegd gezag zijn en die nu nog vergunningplichtig zijn, onder de werking van algemene regels te brengen, waardoor de vergunningplicht komt te vervallen en alleen een meldingsplicht resteert. Het aandeel van de vergunningplichtige bedrijven zal daarbij dalen van 45% tot 25%. Een andere aanbeveling was om de algemene regels te flexibiliseren om de gemeenten meer ruimte te geven voor een op de lokale omstandigheden toegesneden aanpak.
De minister van VROM heeft de Tweede Kamer bij brief van 10 juli 1995 (Tweede Kamer, 1994–1995, 24 036, nr. 6) meegedeeld dat het kabinet de aanbevelingen van de werkgroep overneemt. De vaste commissie voor VROM heeft op 8 november 1995 hiermee ingestemd. Inmiddels is begonnen met de implementatie van de genomen besluiten. Daarbij worden bestaande a.m.v.b.'s grondig herzien en nieuwe a.m.v.b.'s opgesteld. De gemeenten worden regelmatig over de voortgang geïnformeerd.
Een aantal besluiten zal in de loop van 1998 in werking treden. Het betreft het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven en het Besluit horeca, sport en recreatiebedrijven.
Besluit geluidbelasting grote en kleine luchtvaartterreinenIn 1996 resp. 1997 zijn de Besluiten geluidbelasting grote en kleine luchtvaartterreinen gewijzigd. De zogenaamde hogere waardebesluiten zijn komen te vervallen en besluitvorming over woningbouw in de nabijheid van vliegvelden wordt nu in eerste instantie beoordeeld door gemeente en provincie in de ruimtelijke lijn.
Het Besluit zonering buitenlandse luchtvaartterreinen en het Besluit buitenlands luchtvaartterrein Zuid-Limburg zullen zo spoedig mogelijk hiermee in overeenstemming worden gebracht.
Stad & milieuDe Tweede Kamercommissie voor VROM heeft op 14 februari 1996 ingestemd met het voorstel van de minister van VROM over de Stad & Milieu-benadering, die een antwoord wil geven op de «paradox van de compacte stad»: compacte verstedelijking heeft op macroniveau milieuvoordelen zoals ruimtebesparing en mobiliteitsbeperking, maar kan op microniveau op gespannen voet staan met de kwaliteit van het woon- en leefmilieu.
De Stad & Milieu-benadering legt in belangrijke mate de verantwoordelijkheid bij de gemeenten voor het in een zo vroeg mogelijk stadium integreren van de milieu-aspecten in het planproces en voor het maximaal benutten van de beleidsruimte die de bestaande milieuregels reeds bieden. Indien desondanks een optimale stedelijke kwaliteit door milieuregels wordt belemmerd, kan afwijking van die regels onder bepaalde omstandigheden en voorwaarden acceptabel zijn.
De Tweede Kamer is via de brief van 18 maart 1997 (kamerstukken 25 000 XI, nr. 57) door de Minister van VROM geïnformeerd over het vervolg van het project Stad & Milieu. Op 29 mei 1997 is de uitvoeringsfase van het project Stad & Milieu officieel van start gegaan. Gedurende een periode van 5 jaar zullen 25 gemeenten met behulp van de Stad & Milieu-benadering de mogelijkheden nagaan voor compact bouwen in bestaand stedelijk gebied met behoud van een goede leefkwaliteit. Een Experimentenwet, die inmiddels de Tweede Kamer is gepasseerd, vormt het juridische kader voor eventuele afwijking van bestaande normen en procedures.
Wijziging Wet op de Ruimtelijke OrdeningOp 17 april 1997 is een wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening bij de Tweede Kamer ingediend. Het belangrijkste onderdeel van dit wetsvoorstel betreft het voorzien in een zelfstandige projectprocedure op gemeentelijk niveau. Na inwerkingtreding van dat wetsvoorstel kan een gemeente op basis van een vernieuwd artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in combinatie met een eveneens vernieuwd artikel 50 van de Woningwet vrijstelling en vergunning verlenen voor de realisering van een project, indien dat project is voorzien van «een goede ruimtelijke onderbouwing».
Verder is aangekondigd dat wordt overwogen in de Wet op de Ruimtelijke Ordening op het niveau van rijk en provincie te voorzien in een algemene regeling voor de besluitvorming over projectrealisering met als centraal element een goede ruimtelijke en milieuhygiënische afweging op strategisch niveau, inclusief afweging van nut en noodzaak en een zo zorgvuldig mogelijke inpassing van het te realiseren project.
Sanering geluidhinder verkeerslawaaiDe inventarisatie van de nog te saneren woningen, waarvoor als saneringsmaatregel slechts geluidwerende maatregelen in aanmerking komen, zal voor wat betreft de zogenaamde A-lijst-woningen (dit zijn woningen die op 1 maart 1986 een geluidsbelasting vanwege een weg ondervonden van ten minste 65 dB(A)) is per 31 december 1998 afgerond. Tevens is op die datum de inventarisatie van overeenkomstige woningen langs spoorwegen (de raillijst) beëindigd. De inventarisatie heeft voor de A-lijst en de raillijst totaal geleid tot ca. 100 000 woningen die in deze saneringscategorie nog moeten worden aangepakt. Deze omvang en de daarbij geraamde kosten lijken een afronding van de uitvoering vóór 2008 overeenkomstig het NMP-3 niet haalbaar te maken. Voor wat betreft de B-lijst-woningen (woningen die op 1 maart 1986 een geluidsbelasting vanwege een weg ondervonden van ten minste 60 dB(A)) moet de inventarisatie op grond van artikel 9a van het BBOL vóór 1 januari 2001 zijn afgerond.
Bij Koninklijk Besluit van 7 februari 1998 (Stb. 108) is het Saneringsbesluit geluidhinder wegverkeer 1998 (SGW'98) van kracht geworden, dat het uit 1985 daterende Saneringsbesluit geluidhinder wegverkeer vervangt. In het SGW'97 worden de inhoudelijke eisen voor een groot aantal saneringsprogramma's aanzienlijk vereenvoudigd. Hierdoor wordt bevorderd dat deze saneringsprogramma's vlotter door burgemeester en wethouders kunnen worden vastgesteld. Op basis van het gewijzigde besluit zal het komende jaar voor alle woningen op de A-lijst en de raillijst op sterk vereenvoudigde wijze de saneringsprocedure worden afgerond (zgn. Mega-beschikking).
Beleidsvernieuwing Bodemsanering (BEVER)Op 19 juni 1997 heeft de minister van VROM een kabinetsstandpunt over de beleidsvernieuwing bodemsanering naar de Tweede Kamer gezonden. Op 11 september 1997 heeft de Tweede Kamer met de beleidsvernieuwing ingestemd. De basis van dit standpunt wordt gevormd door de resultaten van het in 1996–1997 uitgevoerde Interdepartementale Beleidsonderzoek Bodemsanering en het in de periode 1995–1997 met provincies en gemeenten gevolgde BEVER-proces. In het kabinetsstandpunt zijn afspraken geformuleerd die een nadere uitwerking aan de beleidsvernieuwing geven. Het gaat daarbij om een totaal pakket van maatregelen die de keuze van het saneringsresultaat, de financiering van de sanering en de juridische positie van betrokken partijen betreft. Daarnaast is een belangrijk nader uit te werken onderwerp de verdeling van taken en bevoegdheden van de diverse overheidslagen. Met de verdere ontwikkeling van actief bodembeheer, het opstellen van een strategie door de bevoegde gezagen (provincies en de vier grote steden) die moet leiden tot realisatie van de nieuwe NMP-doelstelling voor bodemsanering en een heroriëntatie op de wijze van inzet van de rijksmiddelen wordt aan verdere decentralisatie van het bodemsaneringsbeleid gewerkt. Op 11 juni 1998 heeft de minister de Tweede Kamer geïnformeerd over de stand van zaken bij de nadere uitwerking van de actiepunten, incl. de planning. Eind 1998 worden de eerste resultaten daarvan verwacht.
Investeringsbudget stedelijke vernieuwingMede naar aanleiding van de motie Hofstra (Kamerstukken II 1996–1997, 25 000 XI, nr. 29) wil het kabinet komen tot een bundeling van de verschillende volkshuisvestingsregelingen, zoals de Wet op de Stads- en Dorpsvernieuwing, de herstructureringsregeling, het BWS, het BLS en zo mogelijk de bodemsanering, in één budget voor investeringen in stedelijke vernieuwing. De ruimere bestedingsvrijheid die dat investeringsbudget gemeenten biedt, geeft meer mogelijkheden om te komen tot een werkelijk samenhangende aanpak van de stedelijke vernieuwing. Het kabinet streeft ernaar het Investeringsbudget stedelijke vernieuwing zo snel mogelijk maar uiterlijk in 2000 in te voeren; de afzonderlijke regelingen houden alsdan op te bestaan.
Modernisering instrumentarium geluidhinderOp 28 mei 1998 is de nota Modernisering instrumentarium geluidbeleid aan de Tweede Kamer aangeboden. Onderdeel van de voorstellen is een decentralisatie van de bevoegdheid om normen te stellen voor de geluidbelasting van activiteiten, waarvoor provincies en gemeenten het bevoegd gezag zijn. Het gaat hierbij dan met name om woningbouw, gemeentelijke en provinciale wegen en industrieterreinen. In combinatie daarmee krijgen de andere overheden de verplichting een eigen geluidbeleid te formuleren, waarin doelstellingen, gebiedsgerichte normen en in te zetten maatregelen in hun onderlinge samenhang worden aangegeven. Geluidsaspecten van rijksobjecten, zoals hoofdinfrastructuur, zee- en luchthavens en defensie-activiteiten blijven een nationale verantwoordelijkheid.
Na behandeling in de Tweede Kamer zullen de voornemens nader worden uitgewerkt in de vorm van aanpassingen van wet- en regelgeving. Invoering is omstreeks 2002 voorzien.
III. Overzicht van voorgenomen decentralisatieprojecten
Wijziging LuchtvaartwetIn voorbereiding is een algehele herziening van de Luchtvaartwet. Ten aanzien van het onderdeel aanwijzing luchtvaartterreinen wordt bezien of de bevoegdheid tot aanwijzing van de kleine luchtvaartterreinen kan worden toegekend aan de provincies in plaats van aan de ministers van Verkeer en Waterstaat en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu. Met name bij de kleine luchtvaart pleegt het (bestuurlijk) oordeel van de regio zwaar te tellen.
| Rijkshuisvesting (voormalig XI-B) | |||||
| (x f 1000) | 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | 2002 |
| Stand ontwerp-begroting 1998 | 1 545 784 | 1 133 165 | 1 052 360 | 988 603 | 990 424 |
| 1e suppletore begroting 1998 | 94 359 | 58 071 | 29 968 | 14 247 | 4 050 |
| nieuwe wijzigingen | |||||
| Generale mutaties | 1 013 | – 904 308 | – 921 645 | – 928 054 | – 926 169 |
| Overboekingen | 116 846 | – 227 267 | – 111 888 | – 39 058 | – 32 907 |
| Desalderingen | 22 823 | – 59 661 | – 48 795 | – 35 738 | – 35 398 |
| Stand ontwerp-begroting 1999 | 1 780 825 | 0 | 0 | 0 | 0 |
In de onderhavige begroting zijn de volgende artikeloverstijgende zaken verwerkt:
De prijsbijstelling tranche 1998 is over de verschillende artikelen verdeeld. Hierbij is dekking van de indexering van artikel 01.08 «Huren en andere vergoedingen betreffende onroerend goed» deels gevonden op het artikel 01.10 «Investeringskosten rijkshuisvesting». Dekking voor de huren op het artikelonderdeel 01.11.04 «Justitie/JR-huren» is gevonden binnen het artikelonderdeel 01.11.03 «Justitie/JR-investeringen». De verdeling over de diverse artikelen is als volgt:
| Overzicht verdeling prijsbijstelling 1998 over de diverse artikelen Rgd (bedragen x f 1000) | ||
| Artikel | Verplichtingen | Uitgaven |
| 01.01 Personeel en Materieel | 84 | 84 |
| 01.06 Onderzoek | 28 | 28 |
| 01.07 Functionele kosten van het Koninklijk Huis | 31 | 31 |
| 01.08 Huren en andere vergoedingen betreffende onroerende goederen | 7 902 | 7 902 |
| 01.09 Onderhoud en Exploitatie | 1 871 | 1 871 |
| 01.10 Investeringskosten rijkshuisvesting | – 4 986 | – 4 986 |
| 01.11 Justitie/JR | 3 355 | 3 355 |
| Totaal | 8 285 | 8 285 |
In de begroting zijn mutaties als gevolg van de regelgeving inzake het bruto boeken van uitgaven en ontvangsten opgenomen. Het betreft hier ontvangsten ter verrekening van projectuitgaven van o.a. Rijkswaterstaat (6,4 mln. op artikel 01.10), LNV in Assen (1,6 mln artikel 01.10), project Den Haag (2,0 mln artikel 01.09 en 01.10), yellow cabins Haarlem (1,6 mln artikel 01.10), pand BuZa (2,0 mln artikel 01.10), PLC Mesdag Groningen (0,8 mln artikel 01.10), Centraal Belasting Kantoor Rotterdam (1,0 mln artikel 01.10) en pand Cascade Groningen (0,7 mln artikel 01.10)
| Overzicht desalderingen artikelen Rgd (bedragen x f 1000) | ||
| Artikel | Verplichtingen | Uitgaven |
| 01.01 Personeel en Materieel | 297 | 297 |
| 01.07 Functionele kosten van het Koninklijk Huis | 742 | 742 |
| 01.08 Huren en andere vergoedingen betreffende onroerende goederen | 609 | 609 |
| 01.09 Onderhoud en Exploitatie | 2 406 | 2 406 |
| 01.10 Investeringskosten rijkshuisvesting | 19 407 | 19 407 |
| 01.11 Justitie/JR | – 638 | – 638 |
| Totaal uitgaven artikelen | 22 823 | 22 823 |
| 01.02 Diverse Ontvangsten | 22 823 | 22 823 |
| Totaal ontvangsten artikelen | 22 823 | 22 823 |
3. Afstemming tussen de artikelen
In de begroting zijn de volgende mutaties als gevolg van een programmatische afstemming tussen de artikelen van de Rijksgebouwendienst opgenomen:
| Overzicht afstemmingsmutaties tussen diverse artikelen Rgd (bedragen x f 1000) | ||
| Artikel | Verplichtingen | Uitgaven |
| 01.01 Personeel en Materieel | 328 | 328 |
| 01.08 Huren en andere vergoedingen betreffende onroerende goederen | 430 | 430 |
| 01.09 Onderhoud en Exploitatie | 3 272 | 3 272 |
| 01.10 Investeringskosten rijkshuisvesting | – 1 832 | – 2 007 |
| 01.11 Justitie/JR | – 2 198 | – 2 023 |
| Totaal | 0 | 0 |
01. Huisvesting rijksdiensten (eigen dienst)
| Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de stand ontwerp-begroting (x f 1000) | ||
|---|---|---|
| Verplichtingen | Uitgaven | |
| Stand ontwerp-begroting 1998 | 128 205 | 128 205 |
| 1e suppletore begroting 1998 | 29 719 | 23 929 |
| Nieuwe wijzigingen: | ||
| Overboekingen van/naar andere begrotingen: | ||
| a. Aanvullende post loonbijstelling 1998 | 2 358 | 2 358 |
| b. Naar VROM/RPD t.b.v. MIPIM | – 30 | – 30 |
| c. Aanvullende post prijsbijstelling 1998 | 84 | 84 |
| d. Van aanvullende post t.b.v. kosten millennium | 69 900 | 69 900 |
| Desalderingen: | ||
| e. Actualisering ontvangsten | 297 | 297 |
| Specifieke mutaties: | ||
| f. Compensatie t.b.v. VROM-brede problematiek | – 1 320 | – 1 320 |
| g. Afstemmingsmutatie tussen diverse artikelen Rgd | 328 | 328 |
| Stand ontwerp-begroting 1999 | 229 541 | 223 751 |
| De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en de uitgaven (x f 1000) | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| Verplichtingen | Uitgaven | ||||
| Openstaande standverplichtingen t/m 1997 | Realisatie 1997 | 1998 | Realisatie 1997 | 1998 | |
| 01.01.01 Ambtelijk personeel | 85 928 | 93 033 | 85 928 | 93 033 | |
| 01.01.02 Overige personele uitgaven | 4 665 | 13 524 | 7 090 | 11 652 | 7 130 |
| 01.01.03 Post-actieven | 16 | 4 914 | 4 431 | 4 943 | 4 431 |
| 01.01.06 Algemene materiële uitgaven | 5 613 | 24 594 | 30 003 | 21 151 | 30 003 |
| 01.01.07 Automatiseringsuitgaven | 6 580 | 6 288 | 94 984 | 8 736 | 89 154 |
| Totaal | 16 874 | 135 248 | 229 541 | 132 410 | 223 751 |
Overboekingen van/naar andere begrotingen
ad d.
Ten behoeve van onderzoek en inventarisatie van de millennium-problematiek in rijksgebouwen veroorzaakt door gebouwgebonden-systemen is door het Kabinet f 69,9 mln. beschikbaar gesteld.
ad f.
Zie algemene deel VROM
| Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de stand ontwerp-begroting (x f 1000) | ||
|---|---|---|
| Verplichtingen | Uitgaven | |
| Stand ontwerp-begroting 1998 | ||
| 1e suppletore begroting 1998 | 0 | 0 |
| Nieuwe wijzigingen: | ||
| Overboekingen van/naar andere begrotingen: | ||
| a. prijsbijstelling 1998 | 8 285 | 8 285 |
| b. verdeling prijsbijstelling 1998 | – 8 285 | – 8 285 |
| Stand ontwerp-begroting 1999 | 0 | 0 |
Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar het algemeen deel van de artikelsgewijze toelichting.
| Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de stand ontwerp-begroting (x f 1000) | ||
|---|---|---|
| Verplichtingen | Uitgaven | |
| Stand ontwerp-begroting 1998 | ||
| 1e suppletore begroting 1998 | 622 | 622 |
| Nieuwe wijzigingen: | ||
| Overboekingen van/naar andere begrotingen: | ||
| a. Van 01.04 Algemeen, loonbijstelling 1998 Rgd-deel | 1 736 | 1 736 |
| b. Aanvullende post loonbijstelling 1998 | – 2 358 | – 2 358 |
| Stand ontwerp-begroting 1999 | 0 | 0 |
| Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de stand ontwerp-begroting (x f 1000) | ||
| Verplichtingen | Uitgaven | |
| Stand ontwerp-begroting 1998= Stand ontwerp-begroting 1999 | 101 | 101 |
Verplichtingen 1997: 1 760
Openstaande stand verplichtingen t/m/ 1997: 0
Uitgaven 1997: 4 047
| Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de stand ontwerp-begroting (x f 1000) | ||
|---|---|---|
| Verplichtingen | Uitgaven | |
| Stand ontwerp-begroting 1998 | 8 580 | 8 580 |
| 1e suppletore begroting 1998 | – 170 | – 170 |
| Nieuwe wijzigingen: | ||
| Overboekingen van/naar andere begrotingen: | ||
| a. Van LNV t.b.v. architectenbeleid brief 30-05-1997 Nederlands Architectuur Instituut | 119 | 119 |
| b. Aanvullende post prijsbijstelling 1998 | 28 | 28 |
| Specifieke mutaties: | ||
| c. Rekening 1997 | – 3 997 | |
| Stand ontwerp-begroting 1999 | 4 560 | 8 557 |
Verplichtingen 1997: 22 856
Openstaande stand verplichtingen t/m/ 1997: 15 511
Uitgaven 1997: 8 459
01.07 Functionele kosten van het Koninklijk Huis
| Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de stand ontwerp-begroting (x f 1000) | ||
|---|---|---|
| Verplichtingen | Uitgaven | |
| Stand ontwerp-begroting 1998 | 9 539 | 9 539 |
| 1e suppletore begroting 1998 | – 9 301 | 0 |
| Nieuwe wijzigingen: | ||
| Overboekingen van/naar andere begrotingen: | ||
| a. Aanvullende post prijsbijstelling 1998 | 31 | 31 |
| Desalderingen: | ||
| b. Actualisering ontvangsten | 742 | 742 |
| Stand ontwerp-begroting 1999 | 1 011 | 10 312 |
Verplichtingen 1997: 19 173
Openstaande stand verplichtingen t/m/ 1997: 9 300
Uitgaven 1997: 9 873
01.08 Huren en andere vergoedingen betreffende onroerende goederen
| Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de stand ontwerp-begroting (x f 1000) | ||
|---|---|---|
| Verplichtingen | Uitgaven | |
| Stand ontwerp-begroting 1998 | 247 416 | 318 854 |
| 1e suppletore begroting 1998 | 115 458 | 16 818 |
| Nieuwe wijzigingen: | ||
| Overboekingen van/naar andere begrotingen: | ||
| a. Van OCW t.b.v. CEVO Utrecht Muntkade 8 | 65 | 65 |
| b. Van aanvullende post prijsbijstelling 1998 | 7 902 | 7 902 |
| c. Van Justitie t.b.v. diverse tijdelijke huisvestingsprojecten | 408 | 408 |
| d. Naar 05.01 VROM/DGM voor huisvestingskosten IRC | – 291 | – 291 |
| Desalderingen: | ||
| – niet beleidsrelevant | 609 | 609 |
| Specifieke mutaties: | ||
| e. Afstemmingsmutatie tussen diverse artikelen Rgd | 430 | 430 |
| Stand ontwerp-begroting 1999 | 371 997 | 344 795 |
Verplichtingen 1997: 249 098
Openstaande stand verplichtingen t/m/ 1997: 2 366 454
Uitgaven 1997: 319 817
Overboekingen van/naar andere begrotingen
ad d.
Met DGM is overeengekomen dat de stichting IRC naast subsidie voor exploitatiekosten ook de bij de Rgd beschikbare huisvestingsmiddelen krijgt voor de herhuisvesting van deze stichting.
01.09 Onderhoud en exploitatie
| Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de stand ontwerp-begroting (x f 1000) | ||
|---|---|---|
| Verplichtingen | Uitgaven | |
| Stand ontwerp-begroting 1998 | 247 349 | 267 375 |
| 1e suppletore begroting 1998 | – 20 568 | – 14 383 |
| Nieuwe wijzigingen: | ||
| Overboekingen van/naar andere begrotingen: | ||
| a. Van OCW t.b.v. exploitatie luchtzuivering rijksarchieven | 745 | 745 |
| b. Aanvullende post prijsbijstelling 1998 | 1 871 | 1 871 |
| Desalderingen: | ||
| – niet beleidsrelevant | 2 406 | 2 406 |
| Generale mutaties: | ||
| c. Doorwerking 1997 | – 5 777 | – 2 126 |
| Specifieke mutaties: | ||
| d. Afstemmingsmutatie tussen diverse artikelen Rgd | 3 272 | 3 272 |
| Stand ontwerp-begroting 1999 | 229 298 | 259 160 |
Verplichtingen 1997: 305 345
Openstaande stand verplichtingen t/m/ 1997: 161 168
Uitgaven 1997: 263 356
01.10 Investeringskosten rijkshuisvesting
| Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de stand ontwerp-begroting (x f 1000) | ||
|---|---|---|
| Verplichtingen | Uitgaven | |
| Stand ontwerp-begroting 1998 | 166 721 | 258 702 |
| 1e suppletore begroting 1998 | – 33 553 | 51 889 |
| Nieuwe wijzigingen: | ||
| Overboekingen van/naar andere begrotingen: | ||
| a. Van Justitie t.b.v. diverse projecten | 3 779 | 3 779 |
| b. Van Biza t.b.v. Landelijk Coördinatie Centrum Den Haag | 2 850 | 2 850 |
| c. Van Hoge Colleges van Staat t.b.v. toegangscontrole 1e fase | 68 | 68 |
| d. Van OCW t.b.v. eenmalige investering Utrecht, Muntkade 8 | 199 | 199 |
| e. Van Buza t.b.v. 2e zittingszaal Joegoslavie tribunaal te Den Haag | 3 253 | 3 253 |
| f. Van VWS tbv nieuwbouw Den Haag | 948 | 948 |
| g. Aanvullende post prijsbijstelling 1998 | – 4 986 | – 4 986 |
| Desalderingen: | ||
| h. Van V&W t.b.v Haarlem, Boerhavelaan en Dordrecht Papegat | 5 592 | 5 592 |
| – Niet beleidsrelevant | 13 815 | 13 815 |
| Generale mutaties: | ||
| i. Doorwerking 1997, eindejaarsmarge | 4 810 | 2 369 |
| Specifieke mutaties: | ||
| j. Afstemmingsmutatie tussen diverse artikelen Rgd | – 1 832 | – 2 007 |
| Stand ontwerp-begroting 1999 | 161 664 | 336 471 |
Verplichtingen 1997: 584 306
Openstaande stand verplichtingen t/m 1997: 357 556
Uitgaven 1997: 460 310
Overboekingen van/naar andere begrotingen
ad a
Justitie hevelt budget over ten behoeve van diverse huisvestingsprojecten, onder andere voor het ressortgebouw Zutphen ad f 1,385 mln en Zoetermeer ad f 2,024 mln.
| Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de stand ontwerp-begroting (x f 1000) | ||
|---|---|---|
| Verplichtingen | Uitgaven | |
| Stand ontwerp-begroting 1998 | 407 475 | 544 428 |
| 1e suppletore begroting 1998 | – 12 855 | 21 449 |
| Nieuwe wijzigingen: | ||
| Overboekingen van/naar andere begrotingen: | ||
| a. Uitkoop projectontwikkelaar Burginvest. Penitentiaire Inrichting Lelystad | 26 000 | 26 000 |
| b. Aanvullende post prijsbijstelling | 3 355 | 3 355 |
| c. Van Justitie t.b.v. diverse huisvestingsprojecten | 132 | 132 |
| Desalderingen: | ||
| – Niet beleidsrelevant | – 638 | – 638 |
| Generale mutaties: | ||
| d. Doorwerking 1997, eindejaarsmarge | 1 658 | – 3 040 |
| e. Doelmatigheidswinst a.g.v. uitkoop projectontwikkelaar Penitentiaire Inrichting Lelystad | – 20 | – 20 |
| Specifieke mutaties: | ||
| f. Afstemmingsmutatie tussen diverse artikelen Rgd | – 2 198 | – 2 023 |
| g. Actualisering Vught – Penitentiaire Inrichting Lelystad omzetting huur | 117 934 | 10 025 |
| h. Omzetting ABP II project Vught HC 7617 eenmalig | 60 927 | |
| i. Actualisering verplichting Penitentiaire Inrichting Lelystad omzetting huur | – 10 025 | – 10 025 |
| Stand ontwerp-begroting 1999 | 591 745 | 589 643 |
| De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en de uitgaven (x f 1000) | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| Verplichtingen | Uitgaven | ||||
| Openstaande stand verplichtingen t/m 1997 | Realisatie 1997 | 1998 | Realisatie 1997 | 1998 | |
| 01.11.03 Justitie/JR-investeringen | 254 711 | 324 335 | 292 752 | 243 038 | 447 153 |
| 01.11.04 Justitie/JR-huren | 315 451 | 94 689 | 181 059 | 101 478 | 132 465 |
| 01.11.05 Justitie/JR-hypothecaire lening | 117 934 | 10 025 | |||
| Totaal | 570 162 | 419 024 | 591 745 | 344 516 | 589 643 |
Overboekingen van/naar andere begrotingen
ad a, f, h en j.
Ten behoeve van de omzetting van een huurcontract in een koop met hypotheekfinanciering heeft uitkoop van de eigenaar plaatsgevonden. De door de eigenaar gesloten lening voor dit project is door de Rijksgebouwendienst overgenomen. Voor de uitkoop dient f 26 mln a fonds perdu aan de begroting te worden toegevoegd. In het licht van het baten- en lastenstelsel valt structureel f 0,02 mln als doelmatigheidswinst vrij. De nieuwe financieringsvorm leidt ertoe dat de verplichting over de totale looptijd in 1998 dient te worden verantwoord. Voorts dienen de uit de hypotheekfinanciering voortvloeiende verplichtingen- en kasbedragen 1998 te worden verantwoord ten laste van een nieuw te creëren artikelonderdeel 01.11.05 « Justitie/JR hypothecaire lening». De grondslag van dit artikelondereel zal zowel in de 2e suppletore begroting als in de verantwoording over 1998 adequaat worden toegelicht.
ad i.
De uit de ABP contracten voortvloeiende lease-verplichtingen dienen op projectniveau voor de verplichting over de gehele looptijd te worden verantwoord in het jaar waarin de projectovereeenkomst wordt gesloten. Voor onderhavig project was een één op één kas/verplichting raming opgenomen.
| Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de stand ontwerp-begroting (x f 1000) | ||
|---|---|---|
| Verplichtingen | Uitgaven | |
| Stand ontwerp-begroting 1998 | 0 | 0 |
| 1e suppletore begroting 1998 | – 3 924 | – 3 924 |
| Nieuwe wijzigingen: | ||
| Generale mutaties: | ||
| a. invulling stalling eindejaarsmarge 1997 | 3 924 | 3 924 |
| Stand ontwerp-begroting 1999 | 0 | 0 |
02.01 Huisvestingskosten ten behoeve van derden
| Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de stand ontwerp-begroting (x f 1000) | ||
|---|---|---|
| Verplichtingen | Uitgaven | |
| Stand ontwerp-begroting 1998 | 10 000 | 10 000 |
| 1e suppletore begroting 1998 | – 3 581 | – 1 871 |
| Nieuwe wijzigingen: | ||
| Generale mutaties: | ||
| a. Doorwerking 1997, eindejaarsmarge | – 1 705 | – 94 |
| Stand ontwerp-begroting 1999 | 4 714 | 8 035 |
Verplichtingen 1997: 15 286
Openstaande stand verplichtingen t/m/ 1997: 8 188
Uitgaven 1997: 21 965
| Rijkshuisvesting (voormalig XI-B) | |||||
| (x f 1000,-) | 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | 2002 |
| Stand ontwerp-begroting 1998 | 53 112 | 36 308 | 36 483 | 34 911 | 34 911 |
| 1e suppletore begroting 1998 | 74 251 | 23 353 | 12 312 | 827 | 487 |
| nieuwe wijzigingen | |||||
| Desalderingen | – 59 661 | – 48 795 | – 35 738 | – 35 398 | |
| Stand ontwerp-begroting 1999 | 148 866 | 0 | 0 | 0 | 0 |
01. Huisvesting rijksdiensten (eigen dienst)
01.01 Vergoeding van apparaatskosten
| Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de stand ontwerp-begroting (x f 1000) | |
|---|---|
| Ontvangsten | |
| Stand ontwerp-begroting 1998 | 1 000 |
| 1e suppletore begroting 1998 | – 142 |
| Nieuwe wijzigingen: | |
| Generale mutaties: | |
| a. Doorwerking 1997, eindejaarsmarge | – 6 |
| Stand ontwerp-begroting 1999 | 852 |
Ontvangsten 1997: 792
| Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de stand ontwerp-begroting (x f 1000) | |
|---|---|
| Ontvangsten | |
| Stand ontwerp-begroting 1998 | 42 112 |
| 1e suppletore begroting 1998 | 75 393 |
| Nieuwe wijzigingen: | |
| Desalderingen: | |
| a. Van V&W t.b.v. Dordrecht, Papegat | 996 |
| b. Van V&W/Rijkswaterstaat t.b.v Haarlem, Boerhaavelaan | 4 596 |
| c. Actualisering ontvangsten in relatie tot diverse werkartikelen | 17 162 |
| e. Bijstelling vordering vwb Nationaal natuurhistorisch museum te Leiden | 69 |
| Generale mutaties: | |
| f. Doorwerking 1997, eindejaarsmarge | – 1 853 |
| Stand ontwerp-begroting 1999 | 138 475 |
| De onderverdeling naar artikelonderdelen van de ontvangsten (x f 1000) | ||
|---|---|---|
| Ontvangsten | ||
| Realisatie 1997 | 1998 | |
| 01.02.01 Ontvangsten personeel en materieel | 4 112 | 1 976 |
| 01.02.02 Overige ontvangsten | 54 129 | 136 499 |
| Totaal | 58 241 | 138 475 |
02.01 Huisvesting ten behoeve van derden
| Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de stand ontwerp-begroting (x f 1000) | |
|---|---|
| Ontvangsten | |
| Stand ontwerp-begroting 1998 | 10 000 |
| 1e suppletore begroting 1998 | – 1 000 |
| Nieuwe wijzigingen: | |
| Generale mutaties: | |
| a. Doorwerking 1997, eindejaarsmarge | 539 |
| Stand ontwerp-begroting 1999 | 9 539 |
Ontvangsten 1997: 20 461
| Afkorting | Omschrijving |
|---|---|
| A&O-fonds | Arbeidsvoorwaarden- en Opleidingsfonds |
| ABP | Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds |
| ADL | Algemene dagelijkse levensverrichtingen |
| AMvB | Algemene Maatregel van Bestuur |
| AO | Algemeen Overleg |
| ARBO | Arbeidsomstandigheden |
| ARP | Uitvoering Ammoniakreductieplannen |
| AVR | Afvalverwerking Rijnmond |
| AWB | Algemene Wet Bestuursrecht |
| BAT | Best Available Technologies |
| BBG | Bijdrageregeling bodembeschermingsgebieden |
| BBOL | Bijdragenbesluit Openbare lichamen |
| BBSH | Besluit beheer sociale sector |
| BCFV | Besluit Centraal Fonds Volkshuisvesting |
| BDIV | Beleidsplan Drink- en Industriewatervoorziening |
| Belstato | Beleid voor stadsvernieuwing in de toekomst |
| BEM | Bureau Energie in Milieuvergunningen |
| BEVER | Beleidsvernieuwing Bodemsanering |
| BGGL | Besluit geluidsbelasting grote luchtvaart |
| BGKL | Besluit geluidsbelasting kleine luchtvaart |
| BGM | Bijdrageregeling gebiedsgericht milieubeleid |
| BiZa | Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties |
| BLS | Besluit locatiegebonden subsidies |
| BMP | Bedrijfsmilieuplannen Chemie |
| BPM | Belasting op personenauto's en motorrijwielen |
| BPW | Bestuursovereenkomst Plaatsingsproblematiek Windenergie |
| BRZO | Besluit risico's zware ongevallen |
| BSB | Bodemsanering van in gebruik zijnde bedrijfsterreinen |
| BTW | Belasting toegevoegde waarde |
| BTZR | Besluit tegemoetkoming ziektekosten rijkspersoneel |
| Buza | Buitenlandse Zaken |
| BVO | Bruto vloeroppervlak |
| BW | Burgerlijk Wetboek |
| BWS | Besluit woninggebonden subsidies |
| CBS | Centraal bureau voor de statistiek |
| CCPT | Centraal Coördinatiepunt ter bevordering van de toegankelijkheid voor gehandicapten |
| CDM | Clean Development Mechanism |
| CDO | Commissie duurzame ontwikkeling |
| CFV | Centraal Fonds Volkshuisvesting |
| Cie | Commissie |
| CLRTAP | Convention on long range transboundary air pollution |
| CMT | Centraal managementteam VROM-inspecties |
| COVRA | Centrale Organisatie voor Radio-actief Afval |
| CPR | Commissie Preventie Rampen |
| CRE | Corporate real estate |
| CS | Centrale sector |
| CSB | Commission on Sustainable Development |
| CSR | Centrum voor stoffen en risico-beoordeling |
| CTB | College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen |
| DECIDO | Decentrale initiatieven duurzame ontwikkeling |
| DEMO | Demonstratieprojecten Motorvoertuigen |
| DG XVI | Directoraat-Generaal 16 (EU/Brussel) |
| DGM | Directoraat Generaal Milieubeheer |
| DGVH | Directoraat Generaal van de Volkshuisvesting |
| DJZ | Directie Juridische Zaken |
| DKP | Dynamische kostprijs |
| Dubo | Duurzaam bouwen |
| DVEB | Directie Voorlichting en Externe Betrekkingen |
| ECE | Economic Commission for Europe |
| ECU | European Currency Unit |
| ECW | Evaluatiecommissie Wet Milieubeheer |
| EER | Emancipatie Effect Rapportage |
| EER | Energie Efficiencyprogramma Rijkshuisvesting |
| EHS | Ecologische hoofdstructuur |
| EINECS | European Inventory of Existing Commercial Chemical Substances |
| EK | Eerste Kamer |
| EMEP | Cooperative Programme for Monitoring and Evaluation of the Long-range Transmission of Air Pollutants in Europe |
| EMU | Europese monetaire unie |
| EnergieNed | Energiedistributiebedrijven in Nederland |
| EPC | Energieprestatiecoëfficiënt |
| EPL | Energieprestatie op locatie |
| EROP | Eerste Europees Ruimtelijk Ontwikkelingsperspectief |
| EU | Europese Unie |
| EUROBAT | Europese richtlijnen voor Best Available Technologics |
| EVOA | Europese richtlijn voor in-, uit- en doorvoer van gevaarlijke afvalstoffen |
| EZ | Economische zaken |
| FES | Fonds economische structuurversterking |
| FD | Facilitaire dienst |
| GBA | Gemeentelijke Basisadministratie |
| GBKN | Grootschalige Basiskaart van Nederland |
| GES | Gezondheidskundige Evaluatie Schiphol |
| GEW | Gewenningssubsidieregeling eigen woningbezit |
| GHG | Greenhouse GAS R&D Programma |
| GIHA | Gescheiden inzameling huishoudelijk afval |
| GIS | Geografische informatiesystemen |
| GGO's | Genetisch gemodificeerde organismen |
| GRP | Gemeentelijke rioleringsplannen |
| GUW | Gebiedsuitwerking |
| HABOG | Hoog radio-actief afvalbehandelings- en opslaggebouw |
| HAM | Handhavingsinstrumentarium Milieubeleid |
| HGIS | Homogene Groep Internationale Samenwerking |
| HHG | Hoofdafdeling huurgeschillen |
| HIS | Hoofdafdeling Individuele Huursubsidie |
| HOV | Hoogwaardig Openbaar Vervoer |
| HPW | Huurprijzenwet |
| HS | Huursubsidie |
| HSL | Hoge snelheidslijn |
| I&A | Informatie en automatisering |
| IAV | Interimwet Ammoniak en Veehouderijen |
| ICC | Interne en corporate communicatie |
| ICES | Interdepartementale Commissie Economische Structuurversterking |
| ICHW | Interdepartementale Commissie Harmonisatie Wetgeving |
| ICT | Informatie- en communicatietechnologie |
| IEA | International Energy Agency |
| IEK | Interne en externe kwaliteit en klachtenbehandeling |
| IFHP | International Federation for Housing and Planning |
| IKB | Individuele koopbijdrage |
| IMA | Internationaal Meldpunt Afvalstoffen |
| IMAG-DLO | Dienst Landbouwkundig Onderzoek, Instituut voor Milieu- en Agritechniek |
| IMH | Inspectie Milieuhygiëne |
| IMPEL | Implementation and Enforcement of Environmental Law |
| INFOMIL | Informatiecentrum Milieuvergunningen |
| INS | Integrale normstelling stoffen |
| INTA | International Association for the Development and Management of Existing and New Towns |
| INTERREG | Programma voor transnationale samenwerking op het gebied van de ruimtelijke ordening |
| IPCC | Intergovernmental panel on Climate Change |
| IPO | Interprovinciaal Overlegorgaan |
| IRC | International Reference Centre for Community Water Supply and Sanitation |
| IRMA | Interreg Rijn-Maas Activiteiten-programma |
| IRO | Inspectie van de Ruimtelijke Ordening in de provincies |
| ISO | International Standard Organisation |
| ISS | International Scientific Secretariat |
| ISV | Investeringen stedelijke vernieuwing |
| IVBN | Vereniging van Institutionele Beleggers in Vastgoed Nederland |
| IVH | Inspectie van de Volkshuisvesting in de provincies |
| JI | Joint Implementation |
| KAN | Knooppunt Arnhem-Nijmegen |
| KIS | Kennisinfrastructuur |
| KIWA | Keuringsinstituut voor Waterleidingsartikelen |
| KOL | Kwaliteit op locatie |
| KWR | Kwalitatieve woningregistratie |
| KWS | Koolwaterstoffen |
| LAP | Landelijk Afvalbeheersplan |
| LCA | Levenscyclusanalyse |
| LCCM | Landelijk Coördinatie Commissie Milieuwethandhaving |
| LNV | Landbouw, Natuurbeheer en Visserij |
| LPG | Liquified Petrol Gas |
| M&O-beleid | Beleid inzake bestrijding misbruik en oneigenlijk gebruik van subsidieregelingen |
| MATRA | Maatschappelijk Transformatie Programma |
| MBO | Milieubeleidsovereenkomst |
| MDW | Marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit |
| Mibu | Bijdrageregeling milieuvriendelijke technieken in bussen |
| MIG | Modernisering Instrumentarium Geluidbeleid |
| MIT | Meerjarenprogramma Infrastructuur Transport 1999–2003 |
| MJA | Meerjarenafspraak |
| MKB | Midden- en Kleinbedrijf |
| MOAB | Milieugericht Overheidsaanschaffingenbeleid |
| MoU | Memorandum of Understanding |
| MR | Ministerraad |
| MRB | Motorrijtuigenbelasting |
| Mton | Megaton |
| MV4 | Milieuverkenningen 4 |
| NAP | Nationaal Actieplan Elektronische snelwegen |
| NCGI | Nationaal Clearinghouse Geo-Informatie |
| NCIV | Nederlands Christelijk Instituut voor Volkshuisvesting |
| NCW | Netto contante waarde |
| NCW | Nederlands Christelijk Werkgeversverbond |
| NDCRO | Nederlands-Duitse Commissie voor de Ruimtelijke Ordening |
| NECE | Network for Environmental Compliance and Enforcement |
| NEPROM | Vereniging voor Nederlandse projectontwikkelings maatschappijen |
| NER | Nederlandse Emissie Richtlijn |
| NETHUR | Netherlands Graduate School of Housing and Urban Research |
| NIDO | Nationaal initiatief voor duurzame ontwikkeling |
| NIRIS | Niet industriële restwarmte infrastructuur |
| NIROV | Nederlands Instituut voor Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting |
| NIVRO | Nieuwe infrastructuur VROM |
| NME | Nota Milieu en Economie |
| NMP-3 | Derde Nationaal Milieu Beleidsplan |
| NMP-4 | Vierde Nationaal Milieu Beleidsplan |
| NNI | Nederlands Normalisatie-Instituut |
| NOGEPA | Nederlandse Olie en Gas Exploitatie en Productie Associatie |
| NOV | Nationaal Onderzoeksprogramma Verdroging |
| NOVEM | Nederlandse Onderneming voor Economie en Milieu |
| NU-ROM | Nadere Uitwerking Ruimtelijke Ordening en Milieu |
| NUBL | Nadere uitwerking Brabant-Limburg |
| NS | Nederlandse spoorwegen |
| NVB | Nederlandse vereniging van bouwondernemingen |
| NWI | Niet-winstbeogende instelling |
| NWI | Nationaal Woninginstituut |
| NWMA | Noord-west Metropolitaan Gebied of North-West Metropolitan Area |
| NWR | Nationale Woningraad |
| OEI/EPL | Optimalisering Energie Infrastructuur/Energieprestatie op Locatie |
| OESO | Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling |
| OL 2000 | Overheidsloket 2000 |
| OM | Openbaar Ministerie |
| OMR | Overzicht Meerjarenramingen Rijkshuisvesting |
| OS | Ontwikkelingssamenwerking |
| OPB | Overlegplatform bouwregelgeving |
| OV | Openbaar vervoer |
| OZB | Onroerende zaakbelasting |
| P&M | Personeel en materieel |
| PEGO | Projectbureau Energiebesparing Gebouwde Omgeving |
| PEMBA | Premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen |
| PHW | Particuliere Huurwoningen |
| PKB | Planologische kernbeslissing |
| PMR | Project mainportontwikkeling Rotterdam |
| R&D | Research and development |
| RAC | Reken- en administratiecentrum |
| RAVI | Raad voor de vastgoedinformatievoorziening |
| RBH | Regeling Bijdrage Huurlasten |
| REB | Regulerende Energiebelasting |
| Rgd | Rijksgebouwendienst |
| RHB | Rijkshoofdboekhouding |
| RHP | Rijkshuisvestingsplan |
| RHS | Ruimtelijke hoofdstructuur |
| RIVM | Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne |
| RMT | Regionaal Managementteam Inspecties |
| RO | Ruimtelijke ordening |
| ROA | Regionaal Orgaan Amsterdam |
| ROM | Ruimtelijke Ordening en Milieu |
| ROZ | Raad voor onroerende zaken |
| RPD | Rijksplanologische Dienst |
| RTB | Regeling Taakverdeling Beheer |
| RTR | Regeling Taakverdeling Rijkshuisvesting |
| RvST | Raad van State |
| SAB | Stichting scheepsafvalstoffen Binnenvaart |
| SBA | Stichting bureau architectenregister |
| SBB | Systeem begrotingsbeheer |
| SBK | Stichting Bouwkwaliteit |
| SCP | Sociaal Cultureel Planbureau |
| SCR | Selectieve Catalytische Reductie |
| SER | Sociaal Economische Raad |
| SEV | Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting |
| SGR | Structuurschema Groene Ruimte |
| SHC | Secretariaat Huurcommissie |
| SHP | Stichting Habitat Platform |
| SIVR | Standaard Interne Huurovereenkomst Rijksgebouwendienst |
| SKB | Stichting kennisontwikkeling en kennistransfer bodem |
| SoZaWe | Sociale Zaken en Werkgelegenheid |
| SPA | Strategisch plan van aanpak biodiversiteit |
| SRE | Samenwerkingsverband Regio Eindhoven |
| SRR | Sectie Ruimtelijk beleid en Recht |
| St.crt. | Staatscourant |
| Stb. | Staatsblad |
| STIR | Stimuleringsprogramma Intensief Ruimtegebruik |
| STIVAM | Stichting contractpartners VAM |
| STUBOWA | Stuurgroep Bodem en Water |
| SV-fonds | Stadsvernieuwingsfonds |
| SVS | Stoffen, veiligheid en straling |
| SVV | Structuurschema Verkeer en vervoer |
| TCR | Tank Cleaning Rotterdam |
| TDN | Topografische Dienst Nederland |
| TI | Toegelaten Instelling |
| TK | Tweede Kamer |
| TNLI | Toekomst Nederlandse Luchtvaartinfrastructuur |
| UHW | Uitvoeringswet Huurprijzen Woonruimte |
| UNCHS | United Nations Centre for Human Settlements |
| UN/ECE-CLRTAP | Internationaal verdrag grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand |
| UVR | Uitvoering Volkshuisvestingsregelingen |
| UVV | Uitvoering Verstedelijking Vinex |
| V&W | Verkeer en Waterstaat |
| V&O | Vorming en opleiding |
| VAC's | Vrouwenadviescommissies voor de woningbouw |
| VAM | Vuilafvoer maatschappij |
| Vamil-regeling | Vervroegde Afschrijving Milieu-investeringen |
| VEWIN | Vereniging van exploitanten van waterleidingbedrijven in Nederland |
| Vinex | Vierde Nota over de Ruimtelijke Ordening Extra |
| VIR | Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst |
| VNG | Vereniging van Nederlandse Gemeenten |
| VNO | Vereniging van Nederlandse Ondernemers |
| VOGM | Vervolg-bijdrageregeling Ontwikkeling Gemeentelijk Milieubeleid |
| VOS | Vluchtige organische stoffen |
| VROM | Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer |
| VWS | Volksgezondheid, Welzijn en Sport |
| WAR | Waddenadviesraad |
| WBO | Woningbehoefte-onderzoek |
| Wbv | Woningbouwvereniging |
| WENS | Werkgroep Emancipatie Nieuwe Stijl |
| WEW | Waarborgfonds Eigen Woningen |
| WHC | Wet op de huurcommissies |
| Wms | Wet milieugevaarlijke stoffen |
| WOZ | Wet onroerende zaken |
| WRO | Wet op de Ruimtelijke Ordening |
| WRR | Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid |
| WSDV | Wet op de Stads- en Dorpsvernieuwing |
| WSW | Waarborgfonds Sociale Woningbouw |
| WUBO | Wet uitkering burger-oorlogsslachtoffers |
| WUV | Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers |
| WWV | Wet Werkloosheidsvoorziening |
| ZBO's | Zelfstandige bestuursorganen |
| Zoab | Zeer open asfalt beton |
Verklaring van de afkortingen:
Hfdst. Het hoofdstuk van het Algemeen deel van de Memorie van ToelichtingPar. De paragraaf van het Algemeen deel van de Memorie van ToelichtingArt. uitgaven De artikelsgewijze toelichting, onderdeel uitgaven en verplichtingenArt. ontvangsten De artikelsgewijze toelichting, onderdeel ontvangstenAgentschap RGD De paragrafen van de agentschapsbegroting RijksgebouwendienstBijl. De bijlage bij de Memorie van Toelichting
| Trefwoorden | Vindplaats |
|---|---|
| Aanbestedingen/aanschaffingen | Par. 2.4, 3.2, 3.3, 6.4, 7.7; Art. uitgaven: 05.17; Agentschap RGD: 9.2.1, 11.1; Bijlage: 6 |
| ABC-locatiebeleid | Par. 4.5 |
| Afkoop subsidies | Par. 5.1, 5.7; Art. uitgaven: 03.39, 03.73, 03.78, 03.79; Art. ontvangsten 03.07; Bijlage: 3, 15 |
| Afvalstoffen | Par. 3.4, 4.5 Art. uitgaven: 05.01,05.15, 05.17; Bijlage: 2, 3, 6, 7, 8, 9, 15, 20 |
| Afvalverwijdering | Par.3.4, 4.5; Art. uitgaven: 05.13, 05.17; Bijlage: 2, 15, 20 |
| Agentschap rijksgebouwendienst | Hfdst. 1, 6; Art. uitgaven en ontvangsten 02.01; Agentschap RGD; Bijlage: 1, 3 |
| Ammoniak | Par. 3.1, 3.4; Art. uitgaven: 05.16; Bijlage: 2, 6, 15 |
| Arbeidsomstandigheden | Par. 6.1, 6.3, 7.6; Art. ontvangsten: 05.03; Bijlage: 2, 6 |
| Architectuur | Par. 2.3, 2.4, Hfdst. 6; Agentschap RGD: 2.4.1; Bijlage: 1, 3 |
| Armoede | Par. 2.3, 5.3; Bijlage: 6 |
| Aruba | Zie Nederlandse Antillen |
| Asbest | Art. uitgaven: 05.17; Agentschap RGD: 6, 9; Bijlage: 6 |
| Asfalt | Par. 3.4 |
| Asielzoekers/statushouders | Par. 5.4; Art. uitgaven: 03.01 |
| Auto | Par. 3.3, 6.3; Agentschap RGD: 9.2.1; Bijlage: 6, 15, 19 |
| AVR-chemie | Art. uitgaven: 05.13; Art. ontvangsten: 05.03; Bijlage: 15 |
| Balans agentschap Rijksgebouwendienst | Art. uitgaven: 02.01; Agentschap RGD: 1, 3.2, 4.4, 4.5, 4.8, 5.2, 6.9, 10.2 |
| Balansverkorting/brutering | Par. 5.7; Art. uitgaven: 01.01, 03.73, Art. ontvangsten: 03.07; Bijlage: 2, 6, 9, 15 |
| Baten en lasten | Par. 6.1, 6.6; Art. uitgaven: 02.01; Agentschap RGD |
| Bedrijfsvoering/organisatie | Hfdst. 1, Par. 2.4, 3.3, 7.2, 7.6, 7.8; Agentschap RGD: 2.2, 2.4, 4.5, 6, 9.2.1, 10.3; Bijlage: 6, 8 |
| Belasting (fiscaal) (groen beleggen/ontgroenen/aftrek/OZB/Motorrijtuigenbelasting, Energiebelasting) | Par. 2.2, 2.4, 3.1, 3.2, 3.3, 3.4, 4.3, 5.3, 6.3; Art. uitgaven: 03.78, 05.15, 05.16, 05.17; Agentschap RGD: 4.3, 4.5, 4.6, 4.7, 7, 10.3; Bijlage: 3, 6, 15, 19, 20 |
| Belastingdienst | Par. 5.3; Art. uitgaven: 03.16; Bijlage: 20 |
| Beleidskader Rijkshuisvesting | Par. 6.1, 6.2, 6.3; Agentschap RGD: 2.2, 4.6 |
| BELSTATO | Art. uitgaven: 03.19 |
| Beschikbaarheid van woningen | Par. 5.1, 5.4; Art. uitgaven: 03.03 |
| Bestuurlijke Commissie Randstand | Par. 4.5 |
| Betaalbaarheid van woningen | Par. 5.1, 5.3; Art. uitgaven: 03.03, 03.40; Bijlage: 6 |
| Bewonersorganisaties | Zie woonconsumenten |
| Biodiversiteit | Par. 2.2, 3.1, 3.2, 3.3, 5.1 |
| Bodem | Par. 3.1, 3.3, 3.4, 5.2; Art. uitgaven: 05.01, 05.13, 05.14, 05.16; Art. ontvangsten: 05.02, 05.05, 05.06; Agentschap RGD: 6, 9.2.2; Bijlage: 2, 3, 6, 13, 15, 21 |
| Bos | Par. 3.3; Bijlage: 3 |
| Bouw (innovatief, ondergronds, coördinatie) | Par. 2.3, 2.4, 4.5, 6.4; Art. uitgaven: 01.01, 03.12, 03.37, 03.40, 05.01; Bijlage: 15 |
| Bouwbesluit | Par. 2.4, 5.4, 5.5; Bijlage: 2, 3, 4, 6 |
| Bufferzones | Art. uitgaven: 04.06; Art. ontvangsten 04.01; Bijlage: 15 |
| Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting (CFV) | Par. 5.6; Bijlage: 3, 6, 13, 20 |
| Centrale Rijnvaart Commissie | Bijlage: 19 |
| CO2 (koolstofdioxide) | Par. 3.1, 3.3, 3.4; Art. uitgaven: 05.14, 05.16; Bijlage: 3, 8, 15, 19 |
| Commissie Bodembescherming | Bijlage: 15 |
| Commissie Brinkman | Par. 2.3 |
| Commissie Cohen | Bijlage: 13, 14 |
| Commissie Duurzame Ontwikkeling | Art. uitgaven: 05.16 |
| Commissie Epema | Art. uitgaven: 05.17; Bijlage: 2 |
| Commissie Genetische Modificatie | Bijlage: 15 |
| Commissie Glasz | Bijlage: 6 |
| Commissie Groenman | Par. 7.5 |
| Commissie Harmonisering Wetgeving | Bijlage: 13 |
| (Tijdelijke) commissie Klimaatverandering | Bijlage: 3 |
| Commissie Kohnstamm | Bijlage: 14 |
| Commissie Preventie Rampen | Bijlage: 6 |
| Commissie voor de Milieu-effectrapportage | Bijlage: 15 |
| Commissie voor de Rijksuitgaven | Par. 7.2 |
| Commissie voor Menselijke Nederzettingen van de Verenigde Naties | Par. 5.8 |
| Commissie Zwart | Bijlage: 20 |
| Communicatie | Hfdst. 1, Par. 3.2, 4.2, 7.4, 7.7, 7.8; Art. uitgaven: 03.03, 04.01, 04.03, 05.17; Agentschap RGD: 3.2; Bijlage: 6, 8, 12, 13, 14 |
| Convenanten | Par. 2.3, 2.4, 3.3, 4.3, 4.5, 4.7, 5.7; Art. uitgaven: 02.01, 03.35, 03.43, 04.06; Agentschap RGD: 10.2; Bijlage: 3, 6, 9 |
| Corporate real estate | Par. 6.4; Agentschap RGD: 2.2, 2.4.3; Bijlage: 3 |
| Corporaties | Par. 2.4, 5.1, 5.2, 5.3, 5.4, 5.6; Art. uitgaven: 03.03, 03.12, 03.37, 03.73, 03.78: Art. ontvangsten: 03.05, 03.07; Bijlage: 6, 8, 9 20 |
| Cultuur/beeldende kunst | Par. 4.3, 4.5, 6.2, 6.3, 6.6; Agentschap RGD: 3.2, 2.4.1, 2.4.2 |
| Decentralisatie | Par. 4.3, Art. uitgaven: 03.16, 03.36, 05.15 |
| Deelnemingen | Art. uitgaven: 05.13; Art. ontvangsten: 05.13 |
| Demonstratie(projecten) | Par. 3.3; Art. uitgaven: 05.16; Bijlage: 19 |
| Dienstverlening (publieke)/klanten | Par. 5.3, 6.1, 6.6; Art. uitgaven: 03.01; Agentschap RGD: 2.3, 2.4.1, 2.4.2, 2.4.3, 3, 4.6, 9.2.1, 10.2; Bijlage: 6, 8, 12, 14 |
| Doelmatigheid(staakstelling)/efficiënt/efficiency | Par. 2.2, 3.1, 3.3, 4.1, 6.6, 7.2, 7.8, 7.9; Art. uitgaven: 01.01, 01.02, 01.07, 01.11, 01.13, 01.14, 02.01,03.01, 03.05, 03.06, 03.15, 03.16, 03.19, 03.37, 03.79, Overige niet-actieve artikelen, 04.01, 04.03, 05.01, 05.14, 05.15, 05.16, 05.17, 05.19; Agentschap RGD: 1, 2.3, 3.1, 3.2, 4.2, 4.3, 4.5, 10.2; Bijlage: 1, 6, 9, 12, 13, 17, 20 |
| Doelstellingen | Zie resultaatgericht management |
| Duurzaam bouwen | Par. 2.3, 2.4, 5.1, 5.5, 5.8, 6.2, 6.4; Art. uitgaven: 01.01, 01.07, 01.15, 02.01, 03.03, 03.05, 03.40, 03.42, 05.15; Agentschap RGD: 10.2; Bijlage: 3, 4, 6, 8, 9, 15, 17, 21 |
| Eco-efficiency | Par. 3.3, Art. uitgaven: 05.17, |
| Economische groei | Hfdst. 1, Par. 3.1, 3.2, 4.1, 4.5, 5.3; Art. uitgaven: 05.17 |
| Economische structuurversterking (ICES) | Par. 2.2, 3.1, 3.3, 4.5; Art. uitgaven: 03.41, 04.03, 05.16; Art. ontvangsten: 03.08, 05.05, 05.06; Bijlage: 3 |
| Effectief/effectiviteit | Par. 2.2, 2.4, 3.1, 3.3, 3.4, 7.3; Art. uitgaven: 01.01, 03.03, 03.06, 03.16, 04.01, 04.03, 04.08, 05.16; Art. ontvangsten: 03.03; Agentschap RGD: 2.4.1; Bijlage: 6, 8, 12, 17, 19, 20 |
| Efficiency/efficiënt | Zie doelmatigheid |
| Eigen woning(bezit) | Par. 5.3, 5.5; Art. uitgaven: 03.03, 03.12, 03.16, Overige niet-actieve artikelen; Bijlage: 3, 12, 15 |
| Emissies | Par. 2.2, 3.1, 3.3, 3.4, 4.2; Art. uitgaven: 05.01, 05.14, 05.15, 05.16, 05.17; Art. ontvangsten: 05.05, 05.06; Bijlage: 3, 15, 19 |
| Energie | Par. 2.2, 2.4, 3.1, 3.3, 3.4, 5.1, 5.3, 5.5, 6.3, 6.4; Art. uitgaven: 01.01, 02.01, 03.16, 04.03, 05.01, 05.14, 05.15, 05.16, 05.17; Agentschap RGD: 4.3, 10.2; Bijlage: 2, 3, 4, 6, 9, 15, 17 |
| EURO | Par. 5.8, 7.8, 7.9; Art. uitgaven: 01.02, 03.01, 04.01, 05.01 |
| Europa/europese | Par. 2.4, 3.3, 4.2, 4.3, 4.4, 5.5, 5.8, 7.7; Art. uitgaven: 01.01, 04.03, 05.01, 05.15, 05.16, 05.17; Art. ontvangsten: 05.03; Bijlage: 3, 6, 8, 9, 13, 15, 17, 20 |
| Europese Commissie | Bijlage: 3, 6, 13, 19 |
| Europese Monetaire Unie | Par. 4.3; Bijlage: 8 |
| Evaluatie | zie «Onderzoek» |
| Evaluatiecommissie | Bijlage: 6 |
| Experimenten | Par. 2.4, Art. uitgaven: 03.05, 04.03, 05.15; Bijlage: 2, 3, 15, 21 |
| Fosfaat | Par. 3.4 |
| Garanties | Par. 5.7, 6.4; Art. uitgaven: 03.13, 05.13; Art. ontvangsten: 05.03, 05.06; Agentschap RGD: 4.8, 6, 9.2.2, 10.2, 10.3, 11.2; Bijlage: 15 |
| Gebiedenbeleid | Par. 3.3; Art. uitgaven: 05.15, 05.16; Bijlage: 6, 15 |
| Gebiedsuitwerkingen | Par. 4.5 |
| Gehandicapten | Par. 5.3, 5.4, 7.6; Art. uitgaven: 03.05, 03.06, 03.15; Bijlage: 6, 15, 21 |
| Geïntegreerd subsidiebeleid (M&O-beleid) | Par. 7.7 |
| Geluid | Par. 3.1, 3.3, 3.4, 5.2, 5.5, 7.7; Art. uitgaven: 03.03, 05.01, 05.16; Bijlage: 2, 6, 13, 15, 19, 21 |
| Gemeentefonds | Art. uitgaven: 03.36; Bijlage: 21 |
| Genetisch gemodificeerde planten/organismen | Par. 3.4; Art. uitgaven: 05.17; Bijlage: 3, 6, 15 |
| GEO-informatie | Art. uitgaven: 04.03; Bijlage: 13, 14 |
| Geschillencommissie(s) | Agentschap RGD: 4.6 |
| Gezondheid | Par. 2.2, 3.3, 3.4, 5.2, 5.5, 7.7; Art. uitgaven: 05.14, 05.15; Agentschap RGD: 3.2 |
| Groene Hart | Par. 4.5, 4.7; Art. uitgaven: 04.01, 04.03 |
| Groene ruimte | Par. 4.3, 4.5; Art. uitvaven: 04.06 |
| Grondslagen artikel(onderdel)en | Bijlage: 15 |
| Habitat | Par. 5.8; Art. uitgaven: 03.05; Bijlage: 3 |
| Handhaving | Par. 2.1, 2.5, 2.6, 3.1, 3.3, 5.3, 5.6, 6.4, 7.1; Art. uitgaven: 04.01, 04.03, 05.01, 05.15; Bijlage: 2, 6, 17, 20, 21 |
| Havens | Par. 2.2, 4.5; Art. uitgaven: 03.18, 05.16; Bijlage: 3, 6, 15, 21 |
| Herstructurering woningvoorraad/woonmilieu's | Par. 5.2; Art. uitgaven: 03.42, 03.43 |
| Hoge snelheidslijn (HSL) | Par. 4.5; Art. uitgaven: 04.03,05.16 |
| Houtskoolschets | Par. 2.2, 4.3, 4.5, 4.6 |
| Huisvesting rijksdiensten/rijkshuisvesting | Hfdst. 1, Par. 2.1, 2.4, Hfdst 6; Art. uitgaven: 01.02, 02.01; Art. ontvangsten: 02.01; Agentschap RGD; Bijlage: 22 |
| Huisvestingsprojecten | Par. 6.1; Agentschap RGD: 2.4.3, 3.2, 4.4, 4.8, 10.1, 10.3, 11.2; Bijlage: 6 |
| Huur/verhuur agentschap rijksgebouwendienst | Par. 6.1, 6.6; Art. uitgaven: 02.01; Art. ontvangsten: 02.01; Agentschap RGD: 2.3, 3.1, 3.2, 4.2, 4.5, 4.6, 4.7, 4.8, 6, 7, 9, 10.2, 10.3, 10.4, 11.2 |
| Huurcommissie | Par. 5.3; Art. uitgaven: 03.01; Bijlage: 3, 4, 12, 13 |
| Huurlasten | Art. uitgaven: 03.01, 03.16 |
| Huurprijs/huurpijzen | Par. 5.3; Bijlage: 2, 3, 4, 6 |
| Huurstijging | Par. 5.3; Art. uitgaven: 03.16; Bijlage: 3 |
| Huursubsidie | Par. 5.3, 7.9; Art. uitgaven: 01.01, 03.01, 03.16; Art. ontvangsten: 03.03; Bijlage: 2, 3, 5, 6, 8, 10, 12, 15, 20 |
| Hypotheek | Par. 5.3; Bijlage: 3, 13 |
| Impulsbrief | Par. 2.2; Art. uitgaven: 05.16 |
| Industrie | Par. 2.2, 2.4, 3.3, 4.5, 5.5; Art. uitgaven: 03.40, 04.09,05.01, 05.15, 05.16, 05.17; Bijlage: 6, 15, 21 |
| Inflatie | Par. 3.3, 5.3; Bijlage: 3 |
| Informatie (automatisering/ICT), informatiebeveiliging | Par. 2.2, 3.2, 4.2, 5.4, 6.6, 7.8; Art. uitgaven: 01.01, 01.02, 03.01, 04.01, 04.03, 05.01; Bijlage: 3, 15, 17 |
| Informatie (communicatie/voorlichting) | Hfdst. 1, Par. 2.4, 2.5, 3.2, 3.3, 4.4, 4.5, 5.4, 6.6, 7.2, 7.4; Art. uitgaven: 01.01, 01.02, 01.07, 01.11, 01.15, 03.01,03.03, 04.01, 04.03, 04.08, 04.09, 05.16, 05.17; Art. ontvangsten: 01.01, 04.01; Agentschap RGD: 3.2; Bijlage: 6, 8, 1, 13, 14 |
| Inkomensgroepen volkshuisvesting | Par. 5.1; Bijlage: 10 |
| Inkomensoverdrachten | Bijlage: 7 |
| Inkoop/inkopen | Par. 3.3, 7.9; Art. uitgaven: 01.11, 03.16; Agentschap RGD: 3.2; Bijlage: 8 |
| Innovatie | Par. 2.4, 3.2, 3.3, 6.4; Art. uitgaven: 01.01, 03.40, 05.01; Agentschap RGD: 2.4.1; Bijlage: 15 |
| Inputfinanciering buiten de huur-verhuurrelatie | Par. 6.5; Art. uitgaven: 02.01; Agentschap RGD: 4.3, 4.7, 7, 9.2.1, 10.2, 10.3 |
| Inspectie | Par. 2.5; Bijlage: 20 |
| Inspectie milieubeheer | Par. 2.5; Art. uitgaven: 05.01; Bijlage: 6, 20 |
| Inspectie ruimtelijke ordening | Par. 2.5; Art. uitgaven: 04.01, 04.03; Bijlage: 6, 20 |
| Inspectie volkshuisvesting | Par. 2.5; Art. uitgaven: 03.01; Bijlage: 3, 6, 20 |
| Internationaal milieubeleid | Par. 2.6, 3.3, 3.4; Art. uitgaven: 05.01, 05.13, 05.15, 05.17; Bijlage: 2, 3, 15, 17, 20 |
| Internationaal – algemeen | Par. 4.1, 4.2, 4.3, 4.4; Art. uitgaven: 04.03; Bijlage: 7, 8, 13, 15 |
| Internationaal volkshuisvesting | Par. 5.8; Art. uitgaven: 03.03, 03.05; Bijlage: 15, 21 |
| Internet (elektronische snelweg) | Bijlage: 12; |
| Interprovinciaal Overlegorgaan (IPO) | Par. 4.6, 5.2; Art. uitgaven: 04.09, 05.16, 05.17; Bijlage: 3, 6, 9, 15, 21 |
| INTERREG | Par. 4.4; Art. uitgaven: 04.03 |
| IRMA | Art. uitgaven: 04.03 |
| Investeringen – agentschap Rijksgebouwendienst | Par. 6.3, 6.4; Art. uitgaven: 02.01; Agentschap RGD: 2.2, 2.4.2, 3.2, 4.3, 4.4, 4.6, 4.8, 6, 7, 8, 9, 10.2, 10.3, 11; Bijlage: 22 |
| Investeringen – algemeen | Par. 2.2, 2.3, 4.2, 4.3, 4.5, 4.6; Art. uitgaven: 01.02; Bijlage: 3 |
| Investeringen – milieu | Par. 2.3, 3.1, 3.2, 3.3, 3.4; Art. uitgaven: 05.15, 05.17; Bijlage: 6 |
| Investeringen – volkshuisvesting | Par. 2.3, 5.1, 5.2, 5.3, 5.4, 5.5; Art. uitgaven: 03.01, 03.03, 03.19, 03.35, 03.37, 03.41, 03.42, 03.43 |
| Investeringsbudget stedelijke vernieuwing | Zie stedelijke vernieuwing |
| Kadaster | Par.7.5; Art. uitgaven: 04.09; Bijlage: 5, 13, 14 |
| Kapitaalsuitgaven en -ontvangsten | Par. 6.1; Agentschap RGD: 1, 4.4, 4.8, 5.2, 8, 9.2.2, 11; Bijlage: 7 |
| Klachtencommissie(s) | Bijlage: 3, 20 |
| Kengetallen | Hfdst. 1, Par. 6.6, 7.2; Art. uitgaven: 01.01, 01.02, 01.13, 03.01, 03.15, 03.16, 03.18, 03.37, 03.42, 03.79, Overige niet-actieve art., 04.01, 04.03, 04.06, 04.08, 05.01, 05.15, 05.16, 05.17; Art. ontvangsten: 03.03, 05.06; Agentschap RGD: 1, 2.3, 2.4.4, 3; Bijlage: 3, 6 |
| Kennis | Par. 2.2, 2.4, 3.2, 3.3, 4.3, 4.5, 4.7, 5.5, 5.8, 6.4; Art. uitgaven: 03.03, 03.05, 03.40, 04.03, 05.14; Agentschap RGD: 2.4.1, 10.3; Bijlage: 14, 15 |
| Keuringsinstanties op het gebied van milieubeheer | Bijlage: 13 |
| Klant(tevredenheid) | Zie dienstverlening |
| Klimaat | Par. 3.1, 3.3, 3.4; Art. uitgaven: 01.07, 03.05, 04.03, 05.14, 05.16; Bijlage: 3, 8, 15, 17 |
| Klimaatcommissie | Bijlage: 15 |
| Koninklijk Huis | Zie paleis |
| Kostenverevening | Par. 3.2, 3.3; Art. uitgaven: 05.16, 05.17 |
| Kwaliteit op locatie | Par. 2.3, 2.5, 5.5; Art. uitgaven: 03.01; Bijlage: 6 |
| Kyoto | Par. 2.4, 3.4; Art. uitgaven: 05.16; Bijlage: 3 |
| Land- en tuinbouw | Par. 3.1, 3.2, 4.5; Art. uitgaven: 04.03, 04.06, 05.01, 05.15, 05.16; Bijlage: 9, 15, 17 |
| Landelijke Coördinatie Commissie Milieuwethandhaving | Bijlage: 20 |
| Landelijke Commissie | Par. 3.4; Art. uitgaven: 05.17 |
| Leefomgeving (duurzame) | Par. 2.2, 2.3, 3.1, 3.3, 4.1, 4.6, 5.1, 5.2; Art. uitgaven: 03.43, 04.03, 05.16; Bijlage: 8, 9, 17 |
| Leegstand/woningoverschot | Par. 5.2, 5.4; Bijlage: 6 |
| Leegstand agentschap Rijksgebouwendienst | Par. 6.3, 6.6; Agentschap RGD: 3.2, 6, 7, 9.2.2, 10.3, 11.4 |
| Leen- en depositofaciliteit | Par. 6.4; Art. uitgaven: 02.01; Agentschap RGD: 4.3, 4.4, 4.8, 8, 9, 11 |
| Leerlingbouwplaatsen | Art. uitgaven: 04.08; Bijlage: 6, 15 |
| Locatiegebonden subsidies | Par. 5.2; Art. uitgaven: 03.35; Bijlage: 4, 6, 15, 21 |
| Loonbijsteling | Art. uitgaven: 01.04; Bijlage: 15, 22 |
| LPG | Art. uitgaven: 05.16; Bijlage: 15, 19 |
| Lucht | Par. 3.1, 3.3; Art. uitgaven: 05.14, 05.15, 05.16; Bijlage: 2, 15 |
| Luchtvaart | Par. 2.2, 4.2, 4.5, 4.6; Art. uitgaven: 01.01, 04.03, 05.01, 05.16; Bijlage: 15, 21 |
| Maatschappelijke organisaties | Zie woonconsumenten |
| Mededinging | Par. 2.4 |
| Memorandum of Understanding (MoU) | Par. 5.8; Art. 03.05, 05.15 |
| Mest | Par. 3.1, 3.4; Art. uitgaven: 05.16; Bijlage: 6 |
| Milieubalans | Par. 3.1, 3.3, 3.4 |
| Milieudruk | Par. 3.1, 3.2; Bijlage: 8 |
| Milieuprogramma | Par. 3.1, 3.2, 3.3; Art. uitgaven: 05.16, 05.17 |
| Milieuverkenning | Par. 3.1; Bijlage: 19 |
| Milieuwinst | Par. 2.4; Art. uitgaven: 05.01 |
| Millennium | Par. 6.4, 7.8; Art. uitgaven: 01.01, 01.02, 01.03, 01.05, 03.01, 04.01, 05.01; Agentschap RGD: 8, 11 |
| Minderheden | |
| Mobiliteit | Par. 2.3, 4.2, 4.5, 5.4, 6.3; Art. uitgaven: 03.35, 04.03, 05.16; Bijlage: 17, 21 |
| Monitoring | Zie «Onderzoek» |
| Monumenten | Par. 6.1, 6.2, 6.3, 6.5, 6.6, 6.7; Art. uitgaven: 02.01; Art. ontvangsten: 02.01; Agentschap RGD: 2.4.1, 2.4.2, 3.1, 3.2, 4.3, 9.2.1, 10.2, 10.3 |
| Moties | Par. 2.2, 4.3, 5.2; Art. uitgaven: 03.43; Agentschap RGD: 9.2.1, 10.3 |
| N20 (Distikstofoxide/lachgas) | Par. 3.4; Art. uitgaven: 05.16; Bijlage: 19 |
| Nationaal Milieubeleidsplan-3 (NMP-3) | Par. 3.1, 3.2, 3.3, 3.4; Art. uitgaven: 05.14, 05.15, 05.16, 05.17; Bijlage: 3, 6, 20 |
| Nationaal Milieubeleidsplan-4 (NMP-4) | Par. 3.1; Bijlage: 17 |
| Nationale ombudsman | Bijlage: 5 |
| Nederland-Duitse Commissie voor de Ruimtelijke Ordening | Par. 4.4 |
| Nederlandse Antillen en Aruba | Par. 5.3; Art. uitgaven: 03.05; Bijlage: 6 |
| NH3 (Ammoniak) | Zie ammoniak |
| Niet-winstbeogende instellingen | Par. 5.7; Art. uitgaven: 03.01, 03.12, 03.39, 03.78, 03.79, Overige niet-actieve art.; Bijlage: 3, 15 |
| Nitraat | Par. 3.4; Art. uitgaven: 05.16; Bijlage 19 |
| Noordzee (Northsea | Par. 4.4; Art. uitgaven: 04.03 |
| North-west Metropolitan Area (NWMA) | Par. 4.4; Art. uitgaven: 04.03 |
| Nota Milieu en Economie (NME) | Par. 2.2, 2.4, 3.1, 3.2, 3.3; Art. uitgaven: 03.40, 05.14, 05.16; Bijlage: 3 |
| NOx (stikstofoxide) | Par. 3.3, 3.4; Art. uitgaven: 05.16; Bijlage: 3, 15, 19 |
| Onderhoud | Agentschap RGD: Par. 2.4.2, 3.2, 4.3, 4.5, 4.6, 6, 7, 9.2.2, 10.2, 10.3 |
| Onderzoek – Agentschap Rijksgebouwendienst | Par. 6.4, 6.5, 6.6 Art. uitgaven: 02.01; Agentschap RGD: 3.2, 4.4, 4.5, 5.2, 7, 9.2, 10.2, 10.3; Bijlage: 6, 15, 22 |
| Onderzoek – Algemeen | Par. 2.2, 2.4, 7.2, 7.5; Art. Uitgaven: 01.01, 01.02, 01.11; Bijlage 6, 7, 8, 12, 13, 15, 20 |
| Onderzoek – Milieu | Par. 3.1, 3.2, 3.3, 3.4; Art. uitgaven: 05.01, 05.14, 05.16, 05.17, 05.19; Art. ontvangsten: 05.06; Bijlage: 3, 6, 13, 15, 19, 20, 21 |
| Onderzoek – Ruimtelijke Ordening | Par. 4.3, 4.5, 4.7; Art. uitgaven: 04.03; 04.09; Bijlage: 6, 13, 14, 15, 20 |
| Onderzoek – Volkshuisvesting | Par. 4.5, 5.1, 5.3, 5.4, 5.5, 5.6, 7.6; Art. uitgaven: 03.01; 03.03; 03.05, 03.78, 03.79; Art. ontvangsten: 03.05; Bijlagen: 3, 6, 11, 12, 13, 14, 15, 17, 20 |
| Onroerende zaken/onroerend goed | Par. 5.3, 5.7; Art. uitgaven: 03.78; Art. ontvangsten: 04.01; Agentschap RGD: 4.5, 9.2.1, 11.4; Bijlage: 2, 3, 13 |
| Ontwikkelingssamenwerking | Art. uitgaven: 03.05; Bijlage: 3 |
| Ouderen | Par. 5.3, 5.4, 5.6; Art. uitgaven: 03.03, 03.05, 03.15, 03.16; Bijlage: 3, 6, 15, 21 |
| Ozon | Art. uitgaven: 05.16 |
| Paleis/paleizen/Koninklijk Huis | Par. 6.5; Art. uitgaven: 02.01; Agentschap RGD: 2.4.1, 3.2, 4.3, 9.2.1, 10.2; Bijlage: 22 |
| Planologische kernbeslissing (PKB) | Par. 2.2, 4.3, 4.5; Art. uitgaven: 04.05; Bijlage: 2, 3, 6, 15 |
| Prijscompensatie, -bijstelling | Art. uitgaven: 01.03, 03.35; Bijlage: 15, 22 |
| Prijsklassen volkshuisvesting | Bijlage: 10 |
| Project mainportontwikkeling Rotterdam/2e Maasvlakte | Par. 2.2, 4.2; Art. uitgaven: 05.16; Bijlage: 9 |
| Publiek/private samenwerking | Agentschap RGD: 10.2 |
| Raad van State | Par. 4.6; Bijlage: 2, 3, 15, 21 |
| Raad voor Cultuur | Par. 4.3 |
| Raad voor de Volksgezondheid | Par. 5.4 |
| Raad voor het Landelijk Gebied | Par. 4.3 |
| Raad voor onroerende zaken | Par. 5.7; Art. uitgaven: 03.79; Bijlage: 9 |
| Raad voor vastgoedinformatie | Art. uitgaven: 04.09; Bijlage: 14, 15 |
| Radio-actief afval | Art. uitgaven: 05.13 |
| Rail | Par. 2.2, 3.4; Art. uitgaven: 03.35, 05.16; Bijlage: 15, 21 |
| Reconstructiecommissie Midden-Delfland | Par. 4.5; Bijlage: 13 |
| Regeerakkoord/regering | Hfdst. 1, Par. 2.2, 2.3, 2.4, Hfdst. 3, Par. 4.1, 4.3, 4.5, 5.2, 5.4, 7.9 Art. uitgaven: 01.11, 03.16, 03.35, 03.37, 03.43; Agentschap RGD: 7, 10,3 |
| Regeling bijdrage huurlasten (vangnetregeling) | Art. uitgaven: 03.01, 03.16; Bijlage: 3, 4, 15 |
| Rekeningrijden | Par. 3.4 |
| Resultaatgericht management (doelstellingen, middelen, producten) | Hfdst 1, Par. 3.1, 3.3, 3.4, 4.1, 4.3, 4.4, 4.5, 4.7, 5.2, 5.6, 6.4, 6.6, 7.2, 7.4, 7.6; Art. uitgaven: 01.01, 03.01, 03.15, 03.35, 04.03, 04.06, 04.08, 05.14, 05.16, 05.17; Agentschap RGD: 2.3, 2.4.2, 2.4.3, 2.4.4, 3.1; Bijlage: 3, 6, 8, 9, 13, 15, 17, 20, 21 |
| Rijksinstituut voor de Volksgezondheid en de Milieuhygiëne (RIVM) | Par. 3.1, 3.4; Art. uitgaven: 05.17, 05.19; Bijlage: 6, 15, 17, 19 |
| Rioleringen | |
| ROM-gebieden | Par. 3.3; Art. uitgaven: 04.03; Bijlage: 6, 9, 15 |
| Sanering woningbeheerders | Art. uitgaven: 03.39; Art. ontvangsten: 03.05; Bijlage: 6, 15 |
| Scheepvaart | Par. 3.4; Bijlage: 2, 3, 6, 13, 19, 20 |
| Schiphol | Par. 2.2; Art. uitgaven: 05.14 |
| Sleutelprojecten | Par. 4.2, 4.5; Art. uitgaven: 02.01, 04.01, 04.03; Bijlage: 6 |
| SO2 (zwaveldioxide) | Par. 3.4; Art. uitgaven: 05.16; Bijlage: 15 |
| Socaal Economische Raad (SER) | par. 2.3 |
| Sociale huursector | Par. 5.6; Art. uitgaven: 03.39, 03.79, Overige niet-actieve art.; Bijlage: 15 |
| Sociale voorzieningen | Bijlage: 7 |
| Spoorwegen | Par. 4.6; Art. uitgaven: 05.16; Bijlage: 15, 21 |
| Stad/steden/stadsgewesten | Hfdst. 2, Par. 3.3, 3.4, Hfdst. 4, Par. 5.1, 5.2, 5.3, 5.5, 6.7; Art. uitgaven: 03.42, 04.03, 04.06, 05.15, 05.16; Agentschap RGD: 2.4.1, 2.4.2; Bijlage: 3, 6, 9, 17, 21 |
| Stadsvernieuwing | Par. 5.2, 5.3; Art. uitgaven: 03.19, 03.43; Bijlage: 2, 3, 4, 6, 11, 15, 21 |
| Stank | |
| Stedelijke Vernieuwing | Par. 2.3, 3.4, 4.5, 5.1, 5.2; Art. uitgaven: 01.01, 03.01, 03.03, 03.19, 03.35, 03.37, 03.40, 03.42, 03.43; Bijlage: 2, 3, 6, 8, 11, 15, 17, 21 |
| Stelselwijziging rijksgebouwendienst | Par. 6.1, 6.2, 6.6; Art. uitgaven: 01.02, 02.01; Art. ontvangsten: 02.01; Agentschap RGD; Bijlage: 3 |
| Stichting advisering bestuursrechtspraak | Art. uitgaven: 0.11, 01.14 |
| (Stimuleringsprogramma) Intensief Ruimtegebruik (STIR) | Par. 2.2, 2.3, 2.4, 4.1, 4.5; Art. uitgaven: 04.03 |
| Straling | Par. 3.4; Art. uitgaven: 05.01, 05.17 |
| Structuurschema('s) | Par. 4.3, 4.4, 4.5; Art. uitgaven: 04.06, 05.16 |
| Subsidie(s) | Par. 2.3, 2.4, 3.3, 3.4, 5.1, 5.2, 5.3, 5.4, 7.7; Art. uitgaven: 01.14, 02.01, 03.06, 03.16, 03.18, 03.35, 03.37, 03.40, 03.43, 03.78, 03.79, Overige niet-actieve art., 04.03, 05.15, 05.16, 05.17; Art. ontvangsten: 03.03; Agentschap RGD: 10.2; Bijlage: 3, 6, 9, 15 |
| Tarieven | Par. 6.5; Art. uitgaven: 04.08, 05.15; Agentschap RGD: 3.1, 4.3, 9.2.1 |
| Technologie | Par. 2.2, 3.1, 3.2, 3.3, 4.2, 4.3, 6.4, 7.8; Art. uitgaven: 05.15, 05.16, 05.17; Bijlage: 15, 17 |
| Toekomst Nederlandse Luchtvaartinfrastructuur (TNLI) | Par. 2.2, 4.2; Art. uitgaven: 01.01, 04.03, 05.01 |
| Toezeggingen | |
| Toezicht milieu | Par. 2.5; Art. uitgaven: 05.01; Bijlage: 2, 6, 17, 20 |
| Toezicht volkshuisvesting | Par. 2.5, 5.3, 5.6; Art. uitgaven: 03.01; Bijlage: 4, 17, 20 |
| Tracéwet | Par. 4.6; Bijlage: 2 |
| Transport | Par. 3.1, 4.2, 4.5; Art. uitgaven: 05.01 |
| Trendrapport/trendbrief | Par. 5.4, Art. uitgaven: 03.03; Bijlage: 3 |
| Tropisch regenwoud | Bijlage: 3 |
| VAM | Bijlage: 3 |
| Varkenshouderij | Par. 3.4, 4.5; Bijlage: 3 |
| Vaste Commissie VROM | Art. uitgaven: 03.79, Bijlage: 3, 13, 21 |
| Vastgoed | Par. 5.7, 6.3, 6.4, 6.6, 6.7; Art. uitgaven: 03.78, 04.09; Agentschap RGD; Bijlage: 13, 15 |
| Veehouderij | Bijlage: 2, 3, 6, 13, 20 |
| Veiligheid | Par. 2.2, 2.3, 5.2, 5.3, 5.5, 6.1; Art. uitgaven: 03.35, 05.01, 05.16, 05.17; Agentschap RGD: 3.2; Bijlage: 2, 3, 6, 15 |
| Verdroging | Par. 3.1, 4.2; Art. uitgaven: 05.16; Bijlage: 6 |
| Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) | Par. 4.6, 5.2, 5.3, 5.4, 5.8; Art. uitgaven: 04.09, 05.16; Bijlage: 3, 9, 15 |
| Vergunningen | Par. 3.4, 5.4, 5.5; Agt. Uitgaven: 05.15, 05.16, 05.17; Bijlage: 2, 3, 4, 6, 20, 21 |
| Verkeer | Zie vervoer |
| Verkenningen | Par. 3.1, 3.3, 3.4, 4.2, 4.5, 5.1, 5.2, 5.3, 5.4, 5.5, 5.6; Art. uitgaven: 03.03, 04.03, 05.14, 05.16; Bijlage: 6, 17 |
| Verkoop huurwoningen | Par. 5.6; Bijlage: 3, 4, 6 |
| Verpakkingen | Bijlage: 3, 6, 9 |
| Verspilling | Art. uitgaven: 05.16 |
| Verspreiding | Par. 3.4; Art. uitgaven: 05.16 |
| Verstoring | Par. 3.4, 4.2; Art. uitgaven: 05.16 |
| Vervoer (openbaar)/verkeer | Par. 2.2, 2.3, 3.1, 4.1, 4.2, 4.5, 5.1, 6.1, 7.6; Art. uitgaven: 04.03, 05.16; Bijlage: 3, 6, 8, 11, 15, 17, 19, 21; (zie ook auto, luchtvaart, spoorwegen, rail) |
| Verwijdering | Par. 3.4; Art. uitgaven: 05.17 |
| Verzuring | Par. 3.1, 3.3, 3.4, 4.2; Art. uitgaven: 05.16 |
| Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening | Par. 2.2, 2.6, 4.1, 4.3, 4.4, 4.5, 4.6, 4.7; Art. uitgaven: 04.03, 05.16; Bijlage: 3, 17 |
| Vinex (actualisering/uitvoering) | par. 2.3, 2.4, 2.5, 4.5, 4.7, 5.4, 5.5; Art. uitgaven: 03.03, 03.35, 03.41, 03.43, 04.03, 05.16; Art. ontvangsten: 03.08, 05.05, 05.06; Bijlage: 3, 6, 15 |
| Vitaliteit/vitalisering | Par. 2.2, 2.3, 4.1, 4.5, 5.2 |
| Vluchtige organische stoffen (VOS) | Par. 3.4; Art. uitgaven: 05.16; Bijlage: 19 |
| Volkshuisvestingsinstellingen | Art. uitgaven: 03.05; Bijlage: 15 |
| Voorbeeldplannen, -projecten, -functie | Par. 2.4, 3.3, 4.5, 6.4; Art. uitgaven: 03.40, 04.03, 05.01, 05.16; Bijlage: 3, 6, 15 |
| Voorlichting | Par. 3.4, 7.1; Art. uitgaven: 03.03, 04.01, 04.03, 05.17; Agentschap RGD: 3.2; Bijlage: 3, 6, 8, 12, 14, 15 |
| VROM-raad | Par. 2.2, 2.6, 3.4, 4.3, 4.6, 5.4; Art. uitgaven: 01.13; Bijlage: 1, 15, 17, 20 |
| Vrouwenadviescommissies voor de woningbouw | Art. uitgaven: 03.06 |
| Waarborgfonds | Par. 5.3; Art. uitgaven: 03.12; Bijlage: 13 |
| Waarderingsgrondslagen – agentschap Rijksgebouwendienst | Agentschap RGD: 4.6, 9.2 |
| Waddenzee | Art. uitgaven: 04.05; Bijlage: 6, 15, 18 |
| Water | Par. 2.2, 2.4, 3.1, 3.3, 3.4, 4.3, 4.5, 7.9; Art. uitgaven: 03.03, 04.03, 05.01, 05.13, 05.16; Bijlage: 2, 3, 6, 13, 15 |
| Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) | Par. 4.6 |
| Wonen in de 21e eeuw | Par. 5.1, 5.6 |
| Woningbehoefte | Par. 5.4; Art. uitgaven: 03.03; Bijlage: 3 |
| Woningcorporaties | Zie corporaties |
| Woninggebonden subsidies | Par. 5.3; Art. uitgaven: 03.36, 03.37, 03.43, Overige niet-actieve art.; Bijlage: 4, 6, 15, 21 |
| Woningoverschot | Par. 5.2, 5.4 |
| Woningtekort | Par. 5.4 |
| Woonbond | Par. 2.4; Art. uitgaven: 03.06; Bijlage: 3, 9 |
| Woonconsumenten | Par. 2.2, 2.4, 3.3, 3.4, 4.5, 5.2, 5.3, 5.4, 5.5, 7.3; Art. uitgaven: 03.06, 05.15; Bijlage: 6, 8, 15 |
| Woonlasten | Par. 5.3 |
| Woonomgeving | Par. 2.6, 5.1, 5.3, 5.4; Art. uitgaven: 03.03, 03.40 |
| Woonruimteverdeling | Par. 5.4; Art. uitgaven: 03.03 |
| Woonverkenningen | Par. 5.1, 5.2, 5.3, 5.5, 5.6; Art. uitgaven: 03.03; Bijlage: 17 |
| Woonwagens | Par. 5.7 Art. uitgaven: 03.05, 03.12, 03.15; Art. ontvangsten: 03.05; Bijlage: 2, 3, 4, 15 |
| Zelfstandige bestuursorganen | Par. 7.5; Bijlage: 5, 12, 13 |
In het overzicht zijn alleen de vigerende regelingen opgenomen. VROM kent enkele aflopende regelingen waarvoor op basis van oude verplichtingen nog wel betalingen worden gedaan, maar waarvoor geen nieuwe verplichtingen worden aangegaan. Opname in het overzicht heeft in dat geval geen toegevoegde waarde omdat m.b.t. deze regelingen geen beleid meer gevoerd wordt en ze niet opgenomen zijn in de programmering van beleids- evaluatieonderzoeken.
Aanvulling van de Aanwijzingen voor de regelgeving met Aanwijzingen inzake zelfstandige bestuursorganen, Regeling van 5 september 1996, nr. 96M006572, van de minister-president, minister van Algemene Zaken
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-26200-XI-3.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.