26 200 VIII
Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (VIII) voor het jaar 1999

nr. 2
MEMORIE VAN TOELICHTING

INHOUDSOPGAVE

  blz.
   
Algemeen gedeelte memorie van toelichting 
   
1.Hoofdpunten van beleid in de komende jaren2
2.Primair onderwijs en voortgezet onderwijs6
3.Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie9
4.Onderwijspersoneel en onderzoekpersoneel12
5.Hoger onderwijs15
6.Kwaliteit en verantwoording18
7.Studiefinanciering en onderwijsretributies21
8.Media23
9.Cultuur25
10.Onderzoeksbeleid en wetenschapsbeleid28
11.Financieel overzicht30
12.Doelmatigheid en doeltreffendheid41
   
Wetsartikelen 1 en 2 
uitgaven/verplichtingen en ontvangsten 
   
Algemeen gedeelte per beleidsterrein 
   
Inleiding op de beleidsterreinen45
17.Ministerie Algemeen49
18.Primair onderwijs52
19.Voortgezet onderwijs71
20.Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie85
21.Hoger beroepsonderwijs96
22.Wetenschappelijk onderwijs108
23.Onderzoek en wetenschapsbeleid118
25.Studiefinancieringsbeleid125
26.Overige programma-uitgaven139
27.Cultuur143
   
Artikelsgewijze toelichting per beleidsterrein 
   
17.Ministerie Algemeen148
18.Primair onderwijs161
19.Voortgezet onderwijs175
20.Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie186
21.Hoger beroepsonderwijs194
22.Wetenschappelijk onderwijs207
23.Onderzoek en wetenschapsbeleid222
24.Huisvesting231
25.Studiefinancieringsbeleid234
26.Overige programma-uitgaven244
27.Cultuur264
   
Wetsartikel 3 
   
Agentschappen 
   
1.Centrale Financiën Instellingen (Cfi)280
2.Rijksarchiefdienst (RAD)286
   
Afkortingenlijst297
   
Bijlagen 
   
1.De overzichten inzake personeelsgegevens 
2.De wetgevingsbijlage 
3.Het overzicht van door de Staten-Generaal aanvaarde moties en door de bewindslieden gedane toezeggingen 
4.Overzicht van circulaires 
5.Aanbevelingen van de Nationale Ombudsman 
6.Subsidie/projectfaciliteiten 
7.Evaluatieonderzoek 
8.Economische en Functionele Classificaties 
9.Voorlichting 
10.Convenanten 
   
De begroting is ook te lezen op Internet. Het adres van OCenW is http://www.minocw.nl. 

1. HOOFDPUNTEN VAN BELEID IN DE KOMENDE JAREN

Inleiding

We staan aan het begin van een nieuwe regeerperiode. Dat betekent ook voor onderwijs, cultuur en wetenschappen nieuwe impulsen die voortkomen uit het Regeerakkoord voor de komende vier jaren. Voor het gehele terrein van onderwijs, cultuur en wetenschappen wordt voor een bedrag oplopend tot in totaal f 2,25 miljard aan extra ruimte geboden voor het realiseren van nieuw beleid en van reeds eerder voorgenomen beleid. Daarnaast wordt in de komende regeerperiode een bedrag van in totaal crirca f 800 miljoen (incidenteel) gereserveerd voor investeringen in informatie- en communicatietechnologie in de scholen, technocentra en monumentenzorg. Deze impulsen bouwen voor een deel voort op in gang gezette ontwikkelingen. Daarnaast ligt het voor de hand dat zowel gewenste en noodzakelijke veranderingen als vernieuwde inzichten de komende periode zullen kleuren. Leidraad blijft in elk geval de notie dat onderwijs, cultuur en wetenschappen voor onze samenleving, nu en in de toekomst, een vitale rol spelen. De extra uitgaven die in dit begrotingshoofdstuk aan bod komen vormen evenzovele investeringen in de Nederlandse samenleving.

Maar er is voor het veld van onderwijs, cultuur en wetenschappen niet alleen sprake van nieuwe investeringen. Voor een bedrag dat oploopt tot f 550 miljoen zullen een aantal OCenW-sectoren ook een bijdrage leveren aan de besparingen op de overheidsuitgaven waarvan het Regeerakkoord uitgaat. Bovendien zullen enkele sectoren nog bezuinigingen in maatregelen moeten omzetten die in de vorige regeerperiode in de OCenW-begroting werden verwerkt.

De overheid wil de betrokkenen op de onderscheiden beleidsterreinen – van leerling tot collegevoorzitter en van beginnend kunstenaar tot omroepdirecteur – ondersteunen en faciliteren. Dit houdt in dat het beleid van het Ministerie van OCenW in belangrijke mate vorm zal krijgen aan de hand van maatschappelijke signalen. Uitgangspunt daarbij is de verdere vergroting van de autonomie van onderwijs- cultuur- en onderzoekinstellingen langs de financiële en beleidsmatige lijnen die in het Regeerakkoord zijn uitgestippeld. De instellingen zullen op hun beurt meer dan tot nu de samenleving inzicht moeten verschaffen over de door hen geboekte resultaten en geleverde kwaliteit.

Uitgangspunten

Ons land is een kennisintensieve samenleving, met in toenemende mate de gehele wereld als context. Dat vergt een hoge scholingsgraad van de bevolking en dus flinke investeringen in de ontwikkeling van de kennisinfrastructuur, van basisschool tot wetenschappelijk topinstituut.

De vitaliteit van een samenleving wordt niet alleen bepaald door de productie en toepassing van kennis, hoezeer de economie daarvan ook afhankelijk is. Cultuur is evenzeer onmisbaar voor de continuïteit, de dynamiek en het zelfrespect van onze maatschappij. Het onderhouden van de band met het verleden, het steeds opnieuw uitdrukking geven aan wat ons beweegt, en een open oog en oor voor wat de kunst ons meedeelt – ook als die ons soms vreemd en schokkend voorkomt – helpen ons alert te blijven en vormen mede het fundament van onze beschaving.

In een maatschappij waarin informatie en kennis zo'n doorslaggevende rol spelen is de aanwezigheid en kwaliteit van massamedia van cruciale betekenis. De massamedia spelen ook een grote rol in het produceren en verspreiden van kunst- en cultuuruitingen. Uitgangspunt van beleid is daarom een breed georiënteerde visie op de informatiesamenleving, vanuit maatschappelijke, cultuur-politieke en democratische waarden en verantwoordelijkheden.

De vitaliteit van onze economie is zeer afhankelijk van de productie en toepassing van kennis. Wetenschappelijk onderzoek is de krachtbron van onze economie. Prioriteiten voor het onderzoek en wetenschapsbeleid voor de komende jaren zijn onder andere het stimuleren van technologische innovaties, het versterken van de internet-economie en het ontwikkelen van duurzame technologische oplossingen.

Een leven lang leren

Scholing is de basis voor een verdere groei van de kennisintensieve Nederlandse economie. Een «leven lang leren» is noodzakelijk bij een steeds snellere verandering van de samenleving. Voor sommigen klinkt «leven lang leren» wellicht als een «veroordeling», maar het tegendeel is waar: «leven lang leren» staat juist voor een samenleving waarin mensen permanent kansen worden geboden om vaardigheden te (blijven) ontwikkelen. Het gaat er hierbij natuurlijk ook om dat die kansen door de burgers worden benut. Zo bezien, zal het «leven lang leren» een cultuuromslag in de samenleving teweegbrengen en het besef doen ontstaan dat hiermee een wezenlijk algemeen belang is gediend. Dit alles veronderstelt een intensieve gezamenlijke aanpak, enerzijds door onderwijsinstellingen, bedrijven en sociale partners, anderzijds ook door de overheid, zowel het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, als andere departementen en gemeenten. Een aanpak die de voorwaarden zal scheppen om te voldoen aan de «wederkerende» vraag naar onderwijs en voor de beoogde cultuuromslag.

De in gang gezette vernieuwingen in het primair en voortgezet onderwijs bereiden de leerlingen beter voor op een leven lang leren. De regionale opleidingencentra voor beroepsonderwijs en volwasseneneducatie worden instellingen voor onderwijs, leren en scholing in brede zin. Er zal bekeken worden of en hoe studies aan universiteiten en hogescholen en de studiefinanciering meer kunnen worden opgezet volgens het uitgangspunt van wederkerend leren.

Individuele ontplooiing

Onderwijsvernieuwing is bedoeld om iedereen zoveel mogelijk ruimte te geven voor individuele ontplooiing.

Kleinere groepen in het basisonderwijs geven de leraar de mogelijkheid om meer aandacht te geven aan de verschillende behoeften van de leerlingen.

In de basisvorming (voortgezet onderwijs) krijgen de leerlingen de kans om de kerndoelen van de vakken gedifferentieerd te bereiken. Ook de algemene vaardigheidsdoelen van de basisvorming hoeven niet door alle kinderen op het zelfde moment te worden gehaald. Bij de omvorming van mavo en vbo tot vmbo wordt, naast de leerwegen, ook het leerwegondersteunend onderwijs ingevoerd, zodat zoveel mogelijk leerlingen het kwalificatieniveau voor vervolgonderwijs kunnen halen. Voor die leerlingen die geen vmbo-diploma of beroepskwalificatie kunnen behalen, komt er het praktijkonderwijs dat toeleidt naar eenvoudige functies op de arbeidsmarkt. In het studiehuis in het voortgezet onderwijs komt er, naast de traditionele vormen van les geven, meer variatie en flexibiliteit.

In het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie stimuleert het «maatwerk voor de deelnemers», en in het hoger onderwijs de flexibilisering van leerwegen de individuele ontplooiing.

Bindende kracht in de samenleving

Het onderwijs is het meest effectief als het een organisch onderdeel vormt van ontwikkelingen van andere aspecten van de sociale infrastructuur. Vooral dan kan het een wezenlijke bijdrage leveren aan de sociale cohesie in de samenleving.

Onderwijsinstellingen gaan een steeds belangrijker rol spelen bij de sociale infrastructuur, het jeugdbeleid en de inburgering van immigranten. De buurtschool is vooral een plek waar kinderen kansen krijgen zich te verzekeren van een goede plaats in de samenleving. De brede school vormt de ingang voor instellingen van voor- en naschoolse opvang, jeugdzorg, gezondheidszorg, bibliotheken, etc.

De voorschoolse periode en de eerste jaren van het onderwijs zijn belangrijk voor de schoolcarrière van de kinderen. Er zal langs verschillende wegen gewerkt worden om taal- en ontwikkelingsachterstand zo vroeg mogelijk weg te werken bij kinderen die thuis niet met de Nederlandse taal opgroeien.

In principe zouden leerlingen niet van school mogen gaan zonder een startkwalificatie. Deze stelt jongeren immers in staat een baan en een inkomen te verwerven en als volwaardig burger in de samenleving te functioneren. Daarom is voorkómen dat er leerlingen zonder diploma (havo, vwo of beroepsopleiding) van school gaan, een van de belangrijkste zaken waarvoor we ons gesteld zien.

Emancipatie

Het emancipatiebeleid in de sectoren van onderwijs, cultuur en wetenschappen is er op gericht de stereotype beeldvorming over mannen, vrouwen en etniciteit tegen te gaan.

Met de Emancipatienota 1998 – 2002 «Een kristal van kansen» wordt opnieuw ingezet op emancipatie als kenmerk van kwaliteit en wordt emancipatie verankerd in kansrijke innovaties. Veel aandacht zal uitgaan naar de voorbereiding van jongeren op een toekomst waarin het combineren van arbeid en zorgtaken vanzelfsprekend is, naar de positie van allochtone jongeren en naar de positie van vrouwen in het onderwijsmanagement.

Informatie- en communicatietechnologie

De informatie- en communicatietechnologie (ict) beïnvloedt in toenemende mate het dagelijks doen en laten van mensen, het functioneren van organisaties en het werken van mensen binnen die organisaties. Het onderwijs speelt ook op dit terrein een belangrijke rol; ict op school kan een dreigende tweedeling voorkomen tussen leerlingen die thuis wel een pc hebben en hen die dat thuis missen.

Tegelijkertijd verandert het onderwijs door technologische ontwikkelingen. Technologie schept in het onderwijs nieuwe mogelijkheden. De leraar krijgt daarbij meer de rol van begeleider en van coach.

Ict in het onderwijs krijgt de komende jaren een noodzakelijke impuls. Wel is het zo dat de extra middelen die in het regeerakkoord voor ict zijn uitgetrokken niet voldoende zijn voor de plannen zoals die in de vorige regeerperiode zijn geformuleerd. Daarom komt het kabinet op korte termijn met een gewijzigd plan.

Essentieel bij de investeringen is en blijft een geïntegreerde benadering, waar bijscholing van leraren, courseware-ontwikkeling en aanschaf van hardware hand in hand gaan. Stimulering van de totstandkoming van een markt voor educatieve software blijft van groot belang. Leraren, maar ook het schoolmanagement moeten in staat worden gesteld zich «ict» eigen te maken, zodat zij ict kunnen toepassen in de onderwijspraktijk. En «last, but not least»: ict betekent én vereist een cultuuromslag.

Internationalisering

Nederland is geen eiland, maar deel van een internationale gemeenschap. Daarom zijn internationale oriëntatie van het onderwijs en internationale samenwerking sleutelbegrippen. Het streven naar kwaliteitsverbetering in het Nederlandse onderwijs brengt de behoefte met zich mee om te weten waar wij internationaal staan. Internationale samenwerking op onderwijsterrein is van belang om over en weer van elkaar te kunnen leren.

Internationalisering van het onderwijs is dan ook een strategische keus om leerlingen en studenten voor te bereiden op het leven en werken in een internationale omgeving. In 1998 is op basis van de discussienota Onbegrensd Talent, in overleg met het Ministerie van Buitenlandse Zaken en het onderwijsveld, een Actieplan Onbegrensd Talent opgesteld. Dit actieplan betreft de periode 1998–2002 en wordt jaarlijks geactualiseerd. Er zijn acties opgenomen om de internationale oriëntatie in het onderwijs te versterken en de mobiliteit van leerlingen, studenten en docenten te vergroten. Leren kan dan een grenzeloze ervaring zijn.

Verantwoording

Meer dan tot nu toe het geval was, moeten onderwijsinstellingen inzicht geven in de relatie tussen de besteding van middelen en de bereikte resultaten. De onderwijsinstelling zal zich meer moeten verantwoorden tegenover de overheid, de ouders, de leerling en de student. De zeggenschap van ouders over het doen en laten van de school wordt hierbij versterkt. Een dergelijke publieke verantwoording maakt verdergaande vergroting van de autonomie van instellingen en afslanking van centrale inhoudelijke voorschriften mogelijk.

2. PRIMAIR ONDERWIJS EN VOORTGEZET ONDERWIJS

Tijdens de vorige kabinetsperiode zijn er veel veranderingen in gang gezet in het primair en voortgezet onderwijs. In de nu aangebroken volgende fase komt het er op aan om de implementatie van deze veranderingen samen met het veld ter hand te nemen. Er komt ruimte, ook in financiële zin, voor verbetering van het onderwijs. Kansen voor de ontplooiing van talenten is hier het sleutelwoord. In het basisonderwijs worden de groepen kleiner, wat de kwaliteit van het onderwijs ten goede komt. In het voortgezet onderwijs worden het vmbo, het studiehuis en de profielen verder geïmplementeerd. Er wordt voortgegaan met de invoering van informatie- en communicatietechnologie. Er wordt geëxperimenteerd met de brede buurtschool, die een knooppunt in de wijk kan worden, een partner voor bureaus van jeugdzorg, voorzieningen voor buitenschoolse opvang van kinderen, gezondheidszorginstellingen, bibliotheken, etc.

Primair onderwijs

De komende jaren wordt fors geïnvesteerd in kleinere klassen in het basisonderwijs. De groepsgrootte in de eerste vier leerjaren zal stapsgewijs verder worden verlaagd, na het begin dat daarmee in de vorige regeerperiode werd gemaakt.

Kleinere groepen geven scholen betere mogelijkheden om daadwerkelijk onderwijs te verzorgen dat gericht is op individuele ontplooiing. Door groepsverkleining krijgt de leraar de noodzakelijke ruimte voor verbetering van de kwaliteit van het onderwijs.

Scholen zijn verplicht deze uitbreiding van de formatie, samen met de eerdere middelen die toegekend zijn voor klassenverkleining, in te zetten voor verkleining van groepen. De invoering daarvan gaat gepaard met verbetering van de kwaliteit in de onderbouw.

Als voorbereiding op kleinere groepen wordt er vanaf 1999 gestart met het op niveau brengen van het aantal klaslokalen. De investeringen daarvoor zijn aan het Gemeentefonds toegevoegd. Een structurele verhoging van de materiële vergoeding maakt aanschaf van nieuwe leermiddelen en beter schoonmaken van de gebouwen en lokalen mogelijk. Deze middelen zijn verder bedoeld voor goed management, administratie, beheer en bestuur.

Het is belangrijk dat kinderen vroeg een sport beoefenen. Sport draagt bij aan de kwaliteit van de samenleving, leidt tot verbondenheid, is ontspannend, gezellig en vooral gezond. In de komende periode zal er meer aandacht voor sport gegeven worden in het basisonderwijs. Er wordt gestimuleerd dat vakleerkrachten lichamelijke opvoeding opnieuw hun intrede doen.

Voor leerlingen met een handicap zullen de scholen in het kader van het «rugzakbeleid» leerlinggebonden financiering ontvangen. Als deze kinderen naar een gewone basisschool gaan, kan met de leerlinggebonden financiering extra hulp verkregen worden van de expertise-centra. De expertise-centra worden gevormd uit de nu bestaande speciale scholen. Het ondersteuningsaanbod van de expertise-centra zal afgestemd worden met dat van de instellingen in de sociale zekerheid en in de AWBZ-sector.

Voortgezet onderwijs

In het voortgezet onderwijs worden de ingrijpende vernieuwingen die in de vorige regeerperiode in de wetgeving zijn neergelegd, daadwerkelijk ingevoerd. Hiervoor komt de komende jaren ook extra geld beschikbaar. Dit geld zal worden ingezet om scholen beter in staat te stellen de beoogde vernieuwingen nader inhoud en vorm te geven. De vernieuwingen in het voortgezet onderwijs beogen de volgende doelstellingen te bereiken:

• een betere balans tussen kennis en vaardigheden, gericht op het versterken van de mogelijkheden om een leven lang te leren;

• doorbreking van seksespecifieke studie- en beroepskeuze om de ontwikkelingskansen van jongens en meisjes te optimaliseren;

• uitstel van vroegtijdige keuzes, die los staan van de preferenties van leerlingen, en verbetering van studie- en beroepskeuze, om opties voor brede inzetbaarheid (employability) op de arbeidsmarkt te creëren;

• verbetering van de aansluiting op het vervolgonderwijs;

• tegengaan van voortijdig schoolverlaten.

Vanaf augustus 1998 worden de hogere leerjaren van mavo en vbo gestructureerd tot het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo). Het leerwegondersteunend onderwijs is van start gegaan. Ook kan gebruik worden gemaakt van opties om de vbo-afdelingsstructuur te versterken, zoals de herschikking van afdelingen en de invoering van intrasectorale programma's. Volgend jaar wordt het stelsel van leerwegen en sectoren van kracht.

De vernieuwingen in het havo en vwo bestaan uit de introductie van profielen en het studiehuis. De invoering gebeurt in twee tranches: een aantal scholen is per 1 augustus 1998 gestart met de vernieuwingen, de overige scholen en het vavo maken hiermee met ingang van het schooljaar 1999–2000 een begin.

In 2003 zullen de eerste leerlingen vanuit de nieuwe leerwegen in het vmbo doorstromen naar het secundair beroepsonderwijs. Op deze wijze wordt door steeds meer deelnemers een goed voorbereide start gerealiseerd. Om het onderwijs van vmbo beter af te stemmen op het secundair beroepsonderwijs zullen de vmbo-afdelingen van de scholen voor voortgezet onderwijs en de roc's nauwer samenwerken. In het komende jaar zal de aandacht zich richten op

• aansluiting van onderwijsinhoud tussen vmbo en secundair beroepsonderwijs (afstemming examen- en onderwijsprogramma's op kwalificatiestructuur beroepsonderwijs);

• vormgeving van de ministeriële regeling doorstroomvereisten;

• heldere voorlichting over de inhoudelijke vo-vernieuwingen aan de diverse actoren uit het veld voor beroepsonderwijs en volwasseneneducatie;

• uitwisseling van leerlinggegevens;

• opvang van leerlingen die extra begeleiding nodig hebben.

Bij al deze vernieuwingen hoort een adequate inventaris. Daarom wordt in de komende jaren extra geïnvesteerd in apparatuur, materiële voorzieningen en onderhoud. Ook voor administratie, beheer en bestuur komt extra geld beschikbaar.

De brede buurtschool

Hoewel de opvoeding en ontwikkeling van de meeste kinderen evenwichtig verloopt, dreigen sommigen maatschappelijk uit de boot te vallen. Door gezinsproblemen, leermoeilijkheden en onaangepast gedrag komen zij in een negatieve sociale spiraal terecht. Het jeugdbeleid, dat gericht is op de maatschappelijke ontplooiing van probleemjongeren, wordt dan ook in deze kabinetsperiode geïntensiveerd.

De «brede buurtschool» kan een belangrijke bijdrage leveren aan het doorbreken van de negatieve spiraal. De brede buurtschool is een partner bij sociale vernieuwing en opbouw van een (achterstands)wijk. Scholen plaatsen daarbij de onderwijstaak in het perspectief van het totaal van activiteiten die gericht zijn op de ontwikkeling van de jeugd. Scholen werken daarbij samen met andere voorzieningen in hun omgeving, leraren roepen daarvoor de hulp in van andere professionals. Experimenten met verruiming van schoolopeningstijden worden mogelijk. Zo ontstaan samenwerkingsverbanden tussen onderwijs, voorschoolse en naschoolse voorzieningen en instanties voor ouders en jonge kinderen.

Speciale aandacht heeft de risico-jeugd, met name in de grote steden. Jeugdcriminaliteit is één van de meest zorgwekkende verschijnselen in onze samenleving. Preventief en curatief jeugdbeleid moet er voor zorgen dat alle kinderen in Nederland de kans krijgen zich te ontwikkelen in een aandachtsvolle, veilige omgeving, waarin problemen tijdig worden gesignaleerd en aangepakt. Uitgangspunt daarbij zijn de opvattingen en behoeften van de jongeren zelf. De functionarissen van de Bureaus Jeugdzorg, het loket voor de jeugdhulpverlening, zullen op dit gebied intensief samenwerken met scholen in de regio.

Preventie van het gebruik van drugs, alcohol en roken is onderdeel van het jeugdbeleid. In het onderwijs wordt daarom onder andere de «rookvrije school» verder gestimuleerd.

De ervaringen van voorlopers van de brede buurtschool zullen goed gevolgd en verspreid moeten worden, zodat andere scholen en gemeenten hiermee hun voordeel kunnen doen bij eigen initiatieven. Ook zal in de komende jaren duidelijk worden hoe deze nieuwe ontwikkelingen zich verhouden tot landelijke regels, die opgesteld zijn in een tijd waarin nog niet zo intensief samengewerkt werd over de grenzen van de maatschappelijke voorzieningen heen. Van groot belang is het wegnemen van de verkokering in de hulpverlening en het bevorderen van samenhang in activiteiten. Scholen kunnen hieraan een steentje bijdragen door te bezien welke mogelijkheden zij hebben voor buitenschoolse opvang, zonder dat dit tot taakverzwaring voor de leraren leidt.

Voorkomen van achterstand

Een kind dat al een achterstand heeft opgelopen voordat het naar school gaat, kan die vaak heel moeilijk nog wegwerken gedurende de schoolloopbaan. Risico's voor achterstand bij de jongste kinderen kunnen worden gesignaleerd bij consultatiebureaus, kinderopvangvoorzieningen en peuterspeelzalen. Er wordt geëxperimenteerd met didactische programma's die risico's kunnen terugdringen en hun kansen verbeteren. Daarbij is het van belang dat zoveel mogelijk kinderen vanaf hun vierde jaar naar school gaan.

Ouders vervullen een cruciale rol in het opvoedings- en ontwikkelingsproces van hun kinderen. Nogal wat allochtone ouders beheersen de Nederlandse taal onvoldoende. Taalcursussen en inburgeringsprogramma's kunnen de beheersing van het Nederlands bij hen verbeteren.

Voor kinderen die thuis niet met Nederlandse taal opgroeien worden gestructureerde, intensieve onderwijsprogramma's ontwikkeld die bij de start van het onderwijs gebruikt worden. Het landelijk beleidskader gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid zal hierop worden aangepast.

Allochtone leerlingen onderbreken nog wel eens het schooljaar voor een langer verblijf in het land van herkomst. Dit heeft negatieve gevolgen voor hun toekomst. De naleving van de leerplichtwet op dit punt zal daarom strenger toegepast worden.

3. BEROEPSONDERWIJS EN VOLWASSENENEDUCATIE

De veranderingen in het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie, veroorzaakt door de Wet educatie en beroepsonderwijs, zullen de komende jaren resulteren in een breed scala van opleidingen aan jongeren en volwassenen met uiteenlopende talenten, capaciteiten en interesses. De sector is geworteld in een traditie van intensieve contacten met de directe omgeving en het bedrijfsleven. De eisen zijn hoog: de bve-sector moet een belangrijke bijdrage leveren aan een leven lang leren en de versterking van de internationale concurrentiepositie van Nederland, en «onderwijs op maat» verzorgen dat gericht is op een optimale aansluiting tussen het secundair beroepsonderwijs, de arbeidsmarkt en de maatschappij. Daarbij moet worden voldaan aan:

• de vraag van de arbeidsmarkt naar breed opgeleide, gespecialiseerde en innovatieve vaklieden;

• de maatschappelijke integratie van groepen met een achterstand;

• het bieden van startkwalificaties op de arbeidsmarkt aan jongeren, werkenden en werkzoekenden.

Aan de hand van signalen uit het veld zal in de komende periode steeds gekeken worden welke aanvullende maatregelen nodig zijn om het maximale rendement uit de veranderingen te halen. De opleidingen- en kwalificatiestructuur zal er voor kunnen zorgen dat de aansluiting van het secundair beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie op de arbeidsmarkt steeds beter wordt.

Zonder startkwalificatie kunnen jongeren niet goed functioneren op de arbeidsmarkt. Er zal alles aan gedaan moeten worden om te zorgen dat leerlingen mét een diploma van school komen. Bekeken wordt welke maatregelen hier effect kunnen hebben. De onderwijsinstellingen spelen ook een belangrijke rol bij de inburgering van immigranten.

Vernieuwingen in de bve-sector

Door de grote diversiteit aan deelnemers en opleidingen is «maatwerk voor deelnemers» voor de instellingen in de bve-sector een bijzondere uitdaging. Uit verschillende rapportages, van onder meer de Inspectie, is gebleken dat maatwerk nog maar ten dele is gerealiseerd, de voortijdige uitval relatief hoog is, het moeite kost de onderwijsintensiteit op het juiste niveau te houden en dat de kwaliteit van de examinering niet optimaal is. De komende jaren is extra geld beschikbaar om hierin verbetering aan te brengen. Om de onderwijsintensiteit op peil te houden zullen in de WEB voorschriften over de 1000-urennorm worden opgenomen, conform de systematiek van WVO maar passend bij het specifieke karakter van het beroepsonderwijs.

In het Regeerakkoord is extra geld uitgetrokken als bijdrage voor vernieuwing van de aanwezige apparatuur. Tevens worden de scholen beter in staat gesteld de nieuwe taken die voortvloeien uit de invoering van de WEB, te vervullen: er komt, als kwaliteitsimpuls, extra geld voor de uitvoering van de nieuwe taken. Deze kwaliteitsimpuls zal mede effect moeten hebben op het tegengaan van voortijdig schoolverlaten en het verhogen van de toegankelijkheid.

Preventie van voortijdig schoolverlaten

Het behalen van een startkwalificatie (een afgeronde opleiding praktijkonderwijs, havo, vwo, bbl of bol) is belangrijk voor het volwaardig functioneren in de samenleving. In principe zouden geen leerlingen van school mogen gaan zonder een startkwalificatie. Het Kabinet stelt geld beschikbaar en stelt een plan op voor de vermindering van het schoolverlaten zonder diploma. Overheid (gemeenten en betrokken departementen) en onderwijsinstellingen voor voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs en volwasseneneducatie gaan in samenwerking met het afnemende beroepenveld een maximale inspanning aan om het aantal schoolverlaters zonder diploma terug te dringen. In het plan worden daarvoor streefcijfers geformuleerd. Belangrijke elementen in deze inspanningen zullen zijn een strenger toezicht op de leerplicht, versterking van de beroepsgerichte trajecten en afstemming tussen vmbo-afdelingen van vo-scholen en roc's. De inspanningen zullen gemonitord worden en jaarlijks zal de Inspectie in het onderwijsverslag over de resultaten rapporteren.

Degenen die toch vroegtijdig de school verlaten, moeten goed opgevangen en intensief begeleid worden, zodat zij toch nog een startkwalificatie voor de arbeidsmarkt behalen en ook de noodzakelijke sociale vaardigheden onder de knie krijgen. Voor een structurele financiering vanaf 1999 van de regionale meld- en coördinatiefunctie in verband met voortijdig schoolverlaten is een wetsontwerp in voorbereiding.

Technocentra

De samenwerking tussen het technisch onderwijs en het bedrijfsleven zal worden verbeterd, onder meer door bundeling van voorzieningen in Technocentra. De innovatieve kracht van deze samenwerking is van belang voor de versterking van de kennisinfrastructuur en de aansluiting van het beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt. Technocentra zijn het resultaat van de samenwerking in de regio tussen bedrijfsleven en instellingen voor technisch beroepsonderwijs. Ze vormen knooppunten van de afstemming tussen wat de markt vraagt en wat onderwijs en scholing kunnen leveren. De technische faciliteiten worden door belanghebbende partijen gezamenlijk geëxploiteerd.

Begin dit jaar zijn initiatieven genomen door een aantal platforms voor verbetering van de aansluiting onderwijsaanbod arbeidsmarkt, om te komen tot de oprichting van een regionaal technocentrum. In deze platforms participeren naast het bekostigde regionale technisch onderwijs onder meer centra voor vakopleidingen, bedrijven respectievelijk bedrijfsscholen en gemeenten. Dit najaar wordt een plan van aanpak naar de Staten-Generaal gezonden.

Integratie van minderheden

De integratie van minderheden is een belangrijk speerpunt in het beleid dat gericht is op de kwaliteit en de diversiteit van de samenleving. Het inburgeringsbeleid krijgt door toevoeging aan het Gemeentefonds in deze kabinetsperiode dan ook een belangrijke financiële impuls. Gemeenten hebben daarbij een regiefunctie. Onderwijs is een essentieel onderdeel van dit beleid.

Voor nieuwkomers bestaat de verplichting tot het volgen van een inburgeringsprogramma (Wet inburgering nieuwkomers). In de komende jaren zullen ook de mensen die al eerder naar Nederland kwamen inburgeringsprogramma's gaan volgen, om hun achterstandssituatie ongedaan te maken. Het gaat daarbij vooral om werklozen en opvoeders. De gemeenten kunnen hierbij een belangrijke rol spelen: zij zouden ouders van allochtone leerlingen een cursus Nederlands als Tweede Taal bij de volwasseneneducatie van de roc's kunnen aanbieden.

In aansluiting op de inburgering van nieuwkomers wordt extra aandacht gegeven aan vervolgactiviteiten waarmee nieuwkomers een reële, volwaardige kans op de arbeidsmarkt krijgen. Voorbeelden van deze activiteiten zijn taal-werk-stages en arbeidsmarktgerichte opleidingen die gemeenten, scholingsinstellingen van de Arbeidsvoorziening en regionale opleidingen samen vorm kunnen geven.

Centra voor leren in brede zin

De regionale opleidingencentra gaan steeds meer functioneren als centra voor leren in brede zin en kunnen daarmee een belangrijke bijdrage leveren aan een leven lang leren. Om een compleet aanbod voor initieel beroepsonderwijs, volwasseneneducatie en scholing voor werkenden en werkzoekenden aan te bieden is het van belang dat roc's en de scholingsinstellingen van Arbeidsvoorziening zeer nauw gaan samenwerken. Mogelijkheden voor institutioneel samengaan zullen worden onderzocht. Op deze manier kunnen de roc's ook een belangrijke rol spelen bij de sluitende aanpak van de langdurige werkloosheid.

Sectorale werkgevers en werknemers zullen afspraken maken over een beleid dat zowel gericht is op het voorkomen van krapte op de arbeidsmarkt als op het verminderen van de aanzienlijke werkloosheid. Het beroepsonderwijs moet hier actief op inspelen. Het gaat daarbij onder andere om het opleiden van leerlingwerknemers en het kostendekkend doorscholen van zittend personeel. Daarnaast zullen overheid, werkgevers en werknemers verder gaan met de uitwerking van de afspraken uit het convenant «werkend leren is kansen creëren».

Voor leerlingen in de basisberoeps- en assistentenopleiding is het van groot belang dat er beroepspraktijkvormingsplaatsen beschikbaar zijn. Deze leerlingen zijn aangewezen op plaatsen aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Hoe meer mogelijkheden zij krijgen om een adequate werkhouding aan te leren, hoe groter hun kans op regulier werk is. Werkgevers worden door fiscale maatregelen gestimuleerd praktijkvormingsplaatsen beschikbaar te stellen, waarbij zij gebruik maken van het kwalificerende aanbod van de roc's. Er zal daarbij meer ruimte gemaakt worden voor praktijkvormingsplaatsen in de zorgsector door uitbreiding van fiscale maatregelen.

Daarnaast komen er meer faciliteiten beschikbaar voor scholing. Analoog aan de scholingsaftrek voor de private sector zal een regeling voor de non-profit sector worden uitgewerkt. Daarbij ligt het accent op oudere werknemers. Voor medewerkers die in het arbeidsproces zijn ingestroomd onder de regeling Extra Werkgelegenheid Langdurig Werklozen zal de doorstroom bevorderd worden door betrokken medewerkers met behulp van scholing, opleiding en gerichte training te kwalificeren voor hoger gekwalificeerde arbeid. De voorgenomen deblokkering van het spaarloon voor onder meer studieverlof en kosten van de studie geeft meer mensen de gelegenheid om gebruik te maken van bijvoorbeeld de onderwijsvoorzieningen die de roc's bieden.

4. ONDERWIJSPERSONEEL EN ONDERZOEKPERSONEEL

Leraren zijn een belangrijke factor voor vernieuwingen in het onderwijs. Hun welzijn en welbevinden staat daarom voorop: er is veel aan gelegen om de aantrekkelijkheid van het leraarsberoep te vergroten. Van basisschool tot universiteit speelt het personeel een cruciale rol bij het realiseren van beleidsdoelstellingen voor de komende periode. De overheid schept door investeringen in het personeel en modernisering van arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaarden de voorwaarden voor het goed vervullen van deze rol. Moderne arbeidsverhoudingen maken het werken in het onderwijs aantrekkelijker. Goede arbeidsvoorwaarden zorgen ervoor dat in de toenemende vraag naar onderwijspersoneel kan worden voorzien, ook bij de krappere arbeidsmarkt van de komende jaren. Het Regeerakkoord geeft daarvoor kaders en extra middelen. Dit hoofdstuk geeft een eerste aanzet voor de invulling op enkele onderdelen. De komende maanden zal er ruimte zijn voor debat en goed overleg, gericht op het tot stand brengen van een gezamenlijk draagvlak.

Een beleidsnota over de employability van de leraar is in voorbereiding. De komende jaren wordt een nieuwe systematiek van loopbaandifferentiatie ingevoerd om de carrièreperspectieven van onderwijs- personeel te vergroten. Bij de personeelsbeoordelingen kunnen de prestaties van de leraren dan een rol spelen. Leeftijdsbewust personeelsbeleid motiveert de onderwijswerknemers in iedere fase van hun loopbaan en stelt hen in staat om in het onderwijs goed te kunnen functioneren.

In deze kabinetsperiode zullen de verantwoordelijkheden van de overheid, de scholen in hun rol van werkgever en de beroepsgroep van leraren voor de kwaliteitsborging van het leraarschap worden gedefinieerd en verankerd in een Wet op het leraarschap, waarin onder meer ook het register van leraren zal worden geregeld.

Een beroep met perspectief

Om kwantitatieve en kwalitatieve redenen moet de aantrekkelijkheid van het leraarsberoep worden vergroot. Daarbij gaat het natuurlijk ook om goede arbeidsvoorwaarden. In het najaar van 1998 zullen de onderhandelingen worden gestart over de nieuwe raam-CAO voor het onderwijs, die met ingang van 1 januari 1999 van kracht moet worden. Het is voor de wervingspositie van de sector onderwijs en wetenschappen op de arbeidsmarkt van belang dat de nieuwe CAO een evenwichtig samengesteld pakket arbeidsvoorwaarden bevat. Bij het overleg zal ook aandacht zijn voor de loonmaatregelen die ook voor andere overheidssectoren gelden, zoals de versobering van de tegemoetkoming voor ziektekosten van het personeel in de collectieve sector.

Goede carrièreperspectieven in het onderwijs zijn voor onderwijspersoneel essentieel: zij moeten een loopbaan kunnen doorlopen, er moeten ontplooiingskansen zijn en mogelijkheden voor mobiliteit. Om dit te bereiken zal er een systeem van loopbaanfasering worden ingevoerd dat de individuele ontplooiing en deskundigheid op tal van beroepsaspecten bevordert.

In samenhang hiermee zal, mede op basis van de rapporten van Vereniging van Samenwerkende Landelijke Pedagogische Centra (VSLPC) en Berenschot, een begin worden gemaakt met de invoering van competentiebeloning voor leraren. Hiermee wordt op een aantal scholen in de sectoren po, vo en bve inmiddels geëxperimenteerd. De resultaten daarvan worden verwacht in juni 1999 en zullen worden meegenomen bij de invoering van het nieuwe beloningssysteem. Hiervoor zijn in het Regeerakkoord structureel extra middelen beschikbaar gesteld. De schoolleiding krijgt voldoende ruimte om bij de beloning rekening te houden met de groei in competenties van de leraren en hun prestaties. Het belonen van (de ontwikkeling van) competenties van leraren zal het werken aan de eigen professionaliteit stimuleren.

De onderwijsarbeidsmarkt

Door de vergrijzing van het onderwijspersoneelsbestand en de geringe instroom van leraren dreigen knelpunten op de onderwijsarbeidsmarkt te ontstaan. Om deze knelpunten te voorkomen worden verschillende initiatieven genomen. In het najaar van 1997 is een campagne gestart om meer studenten te werven voor de lerarenopleiding basisonderwijs. Het aantal aanmeldingen van eerstejaarsstudenten voor het studiejaar 1998–1999 is met 20% gestegen. De campagne wordt dit jaar voortgezet. Daarnaast is dit voorjaar een campagne gevoerd om de «stille reserve» attent te maken op de mogelijkheid terug te keren als onderwijsgevende. Deze campagne heeft ongeveer 23 000 reacties opgeleverd. Ten derde worden activiteiten voorbereid om meer allochtoon personeel voor het onderwijs te werven. Bovendien is per 1 augustus 1998 de opleiding onderwijs-assistent van start gegaan.

De instroom van personeel aan de onderkant van de onderwijsarbeidsmarkt (onder de Regeling Extra Werkgelegenheid Langdurig Werklozen) is met succes gestimuleerd. Voor de komende periode komt een groot aantal nieuwe plaatsen beschikbaar. Daarnaast komen extra middelen beschikbaar voor scholing van reeds ingestroomde personeelsleden. Op die manier kunnen zij doorstromen naar andere banen in het onderwijs. En ook zo komen er plaatsen beschikbaar om de langdurige werkloosheid in de onderste lagen van de arbeidsmarkt aan te pakken.

De wervingskracht van de instellingen van hoger onderwijs lijkt af te nemen.

Bij de universitaire sector loopt de beloning voor jonge promovendi, zoals assistenten in opleiding (aio's), achter bij andere grote werkgevers in de overheidssector en het bedrijfsleven. Veel jonge talentvolle wetenschappers hebben de afgelopen jaren – vanwege gebrek aan mogelijkheden binnen de universiteit – gekozen voor een loopbaan elders. Door uitstroom van het vergrijsde universitaire personeel zou binnenkort meer jong wetenschappelijk personeel kunnen doorstromen, maar het is de vraag of er onder de gegeven omstandigheden voldoende gekwalificeerde mensen de ouderen willen opvolgen.

De hogescholen, universiteiten en onderzoekinstellingen krijgen naar verwachting op korte termijn de mogelijkheid om door de decentralisatie van de arbeidsvoorwaardenvorming meer maatwerk te leveren.

In het onderwijs is leeftijdsbewust personeelsbeleid een dwingende noodzaak. Daarom is naar aanleiding van de rapportage «De jaren tellen» geïnvesteerd in personeelsbeleid. Leeftijdsbewust personeelsbeleid is beslist geen synoniem voor ouderenbeleid. Het begint al op de eerste dag van indiensttreding van de werknemer. Uitgangspunt daarbij is dat problemen niet zozeer ontstaan door het ouder worden zèlf, maar vooral doordat iemand jaar in jaar uit hetzelfde werk doet. Verandering en variatie stelt de ouder wordende personeelsleden in staat om goed in het arbeidsproces te blijven participeren. Leeftijdsbewust personeelsbeleid schept ruimte voor bij- en nascholing.

Vrouwen in hogere en leidinggevende posities

Er zijn weinig vrouwen in het management en in de hogere functies binnen onderwijsinstellingen, van basisschool tot universiteit.

Begin 1997 is de Wet inzake evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende functies in het onderwijs (WEV) van kracht geworden die de onderwijsinstellingen verplicht een beleid te ontwikkelen om meer vrouwen te benoemen in leidinggevende en hogere functies. Het resultaat wordt neergelegd in een document waarin de onderwijsinstellingen de getroffen maatregelen tegenover alle direct betrokkenen en de Inspectie verantwoorden. Conferenties, expertmeetings, handreikingen en voorlichting kunnen onderwijsinstellingen in alle sectoren steunen bij het concretiseren van evenredige vertegenwoordiging.

Wachtgelden

De afgelopen jaren zijn effectieve maatregelen genomen om de uitgaven voor de wachtgelden te stabiliseren. Van de extra investeringen in het onderwijs mag verwacht worden dat zij leiden tot meer werkgelegenheid, waardoor verdere daling van de wachtgelduitgaven mogelijk zou kunnen zijn. In verband daarmee gaat de regering er vanuit dat de wachtgeldbudgetten voor de sectoren po, vo en bve naar beneden kunnen worden bijgesteld. In het primair onderwijs is de arbeidsduurverkorting in samenhang met de normjaartaak ingevoerd en worden de groepen verkleind. In het voortgezet onderwijs en de bve-sector zijn in navolging van het hoger onderwijs stappen gezet tot een verdergaande decentralisatie van de verantwoordelijkheid voor de wachtgelduitgaven.

Verder zijn met de personeels- en besturenorganisaties overeenkomsten gesloten over seniorenbeleid en aanpassing van het Besluit Werkloosheid Onderwijs- en Onderzoekpersoneel (BWOO).

5. HOGER ONDERWIJS

De komende jaren staat het hoger onderwijs voor een aantal belangrijke veranderingen. Enerzijds wordt verwacht dat er, gezien de behoefte op de arbeidsmarkt, steeds meer studenten worden opgeleid. Aan de andere kant wordt daarbij de eis gesteld dat het hoger onderwijs efficiënter werkt, en krijgt het op titel van de arbeidsproductiviteit, minder geld. In de komende tijd zal besproken worden hoe de bezuinigingen vorm kunnen krijgen zonder afbreuk te doen aan de kwaliteit van het hoger onderwijs.

Het stelsel van hoger onderwijs zal zich sterker gaan richten op het uitgangspunt van wederkerend leren. Daarom zal in de komende jaren bezien worden of de flexibiliteit in de opleidingen kan worden vergroot, bijvoorbeeld door studenten tussentijds deeldiploma's te laten behalen of door een eventuele verlenging van de diplomatermijn in de studiefinanciering van (als regel) 6 jaar, dan wel een combinatie van beide.

De doorstroom van een student van het mbo naar het hbo mag geen belemmering ondervinden. Hiervoor zijn middelen uitgetrokken.

Er komt ruimte voor experimenten met alternatieve vormen van toelating tot studies met een numerus fixus.

De lerarenopleidingen (pedagogische academies, tweedegraads lerarenopleidingen en universitaire lerarenopleidingen) worden verbeterd.

Flexibiliteit in leerwegen

Bij de verdergaande flexibilisering van leerwegen zal worden aangesloten bij een aantal in gang gezette ontwikkelingen.

Om het onderwijs beter toe te snijden op de verschillende capaciteiten en behoeften van studenten bestaan er in het hoger beroepsonderwijs duale trajecten (het combineren van leren en werken) in de sectoren economisch, technisch, gezondheidszorg en pedagogisch onderwijs. In de projectorganisatie Duale Leerroutes werken de HBO-Raad en de werkgeversorganisaties samen aan verdieping en verbreding van duale trajecten. Vanaf het studiejaar 1998–1999 kunnen universiteiten op experimentele basis de opleidingen duaal inrichten. Voor deze experimenten zijn extra middelen beschikbaar.

Voor bèta-opleidingen aan universiteiten wordt een uitbreiding van de studielast tot 5 jaar mogelijk (voor andere opleidingen is dit 4 jaar). Voorwaarde is dat de opleidingen het curriculum vernieuwen: inhoudelijk verbreden en afstudeervarianten invoeren die zijn gericht op arbeidsmarkt, het leraarschap of onderzoekersopleiding. Hierover is in mei 1998 een convenant afgesloten met de universiteiten. Overigens kunnen onderwijsinstellingen voor financiering van vernieuwingsactiviteiten een beroep doen op de stichting AXIS (Nationaal platform voor natuur en techniek in onderwijs en arbeidsmarkt), die in het leven is geroepen om de aantrekkelijkheid van bèta en techniek in onderwijs en beroep te stimuleren.

Universiteiten kunnen vanaf het studiejaar 1998–1999 in opleidingen als tussenmoment een kandidaatsfase onderscheiden en «voor eigen rekening» de studielast verlengen. Een kandidaatsfase is een goed instrument om meer differentiatie binnen de opleidingen en flexibele leerwegen te bevorderen. Hiermee wordt ruimte gecreëerd voor een andere opbouw van programma's en mobiliteit. Uit initiatieven van universiteiten blijkt dat de ruimere mogelijkheden voor differentiatie aansluiten bij de behoefte.

Aansluiting secundair beroepsonderwijs – hoger beroepsonderwijs

De aansluiting van de beroepsopleidende leerweg op niveau 4 (de oude mbo-opleiding) naar het hbo is belangrijk voor studenten die via de mavo en het vbo een ho-diploma willen behalen. Uit onderzoek blijkt dat er door het inrichten van longitudinaal geprogrammeerde trajecten tijdwinst is te boeken bij de verwante doorstroom van de beroepsopleidende leerweg naar het hoger beroepsonderwijs.

Per 1 september 1998 trad de nieuwe doorstroomregeling van de beroepsopleidende leerweg naar hbo in werking: studenten die doorstromen naar een verwante hbo-opleiding krijgen meestal 42 studiepunten vrijstelling. Hierdoor kunnen onderwijskundig verantwoorde leerwegen van 7 jaar worden gerealiseerd, zonder te kort te doen aan het dubbelkwalificerend karakter van de beroepsopleidende leerweg. Op dit moment zijn er 26 hbo-opleidingen die één of meer verwante beroepsopleidende leerwegen kennen. In het komende jaar zal worden nagegaan hoe het aantal verwante opleidingen kan toenemen.

De doorstroom vanuit de beroepsbegeleidende leerweg op niveau 4 (de oude opleidingen tertiair leerlingwezen) naar het hbo krijgt specifieke aandacht. Deze doorstroom is tot nog toe zeer gering. Enkele landelijke organen hebben een pilot ontwikkeld om de doorstroommogelijkheden te verbeteren en zo de beroepsbegeleidende leerweg verder te ontwikkelen tot een aantrekkelijk alternatief voor deelnemers beroepsonderwijs. De uitkomsten van het boven beschreven onderzoek en de pilot bepalen hoe de longitudinale trajecten kunnen worden uitgebreid naar andere opleidingen en sectoren.

Numerus fixus

De manier van toelating tot studierichtingen met een numerus fixus is zeer onbevredigend voor studenten met uitzonderlijk talent en motivatie. Daarom komen er experimenten met systemen van selectie waarbij eindexamen, inzet, motivatie en specifieke talenten meegewogen zullen worden. Een wetsvoorstel dat experimenten met selectie mogelijk maakt voor 10% van de studenten per opleiding waarvoor een numerus-fixus bestaat, is in maart 1998 ingediend bij de Tweede Kamer. Het Kabinet zal op korte termijn bezien of eventuele aanpassingen van dit wetsvoorstel nodig zijn met het oog op de mogelijkheden voor experimenten met selectieve toelating.

Lerarenopleidingen

Een goede lerarenopleiding is de basis voor goed lesgeven. Daarom is verbetering van de lerarenopleidingen belangrijk.

De pabo's zijn bezig met het vormen van regionale samenwerkingsverbanden. Er wordt hard gewerkt aan de modernisering van de curricula en er is een start gemaakt met investeringen die de lerarenopleidingen tot ict-rijke omgevingen zullen maken. De pabo is hierdoor aantrekkelijker voor aankomende studenten: de laatste jaren vertonen de studentenaantallen een stijgende lijn.

Bij de tweedegraads lerarenopleiding komen er echter steeds minder studenten. Het opleidingenbestand is versnipperd en het rendement is laag. Dit vraagt de komende jaren om verbetering, anders moet gevreesd worden voor de continuïteit van het opleidingenbestand en de kwaliteit.

Over vernieuwing van de universitaire lerarenopleidingen (ulo's) is een convenant gesloten met de Vereniging van Samenwerkende Universiteiten (VSNU). De bedoeling van het convenant is meer studenten aan de universiteiten te interesseren voor het beroep van leraar door meer keuzemogelijkheden in opleidingstrajecten aan te bieden. Naast de bestaande post-doctorale universitaire lerarenopleidingen worden nieuwe varianten uitgewerkt, waaronder een duale variant (werken en leren) en afstudeervarianten in de doctoraalfase. Over de vernieuwing van de ulo's zal in het najaar van 1998 overleg worden gevoerd met vertegenwoordigers uit het voortgezet onderwijs.

Voor de opleiding van meer universitair geschoolde leraren, de tijdelijke financiering van vernieuwingsprojecten en voor de begeleiding is extra geld beschikbaar gesteld. Daarnaast wordt gewerkt aan een nieuwe systematiek voor de bekostiging van de universitaire opleiding tot leraar, die waarschijnlijk in het jaar 2000 in werking treedt.

Om de lerarenopleiding beter te laten aansluiten bij de beroepspraktijk is in het basisonderwijs de afgelopen jaren geëxperimenteerd met de «leraar in opleiding». De evaluatie van dit experiment met 1000 leraren in opleiding (lio's) met een leerarbeidsovereenkomst en 1000 stage-lio's komt in het najaar 1998 beschikbaar.

Voor het primair onderwijs zijn startbekwaamheidseisen geformuleerd als basis voor de kwalificatiestructuur. Aan de Tweede Kamer zal een voorstel worden voorgelegd om deze wettelijk vast te leggen als inrichtingsvoorschriften voor de lerarenopleiding basisonderwijs.

Over de startbekwaamheidseisen voor het voortgezet onderwijs en bve-sector zal de Onderwijsraad naar verwachting in het najaar van 1998 advies uitbrengen.

6. KWALITEIT EN VERANTWOORDING

Onderwijsinstellingen hebben veel ruimte voor eigen beleid en een hoge mate van autonomie. Die ruimte hebben de scholen nodig om zich in de toekomst verder te ontwikkelen tot professionele arbeidsorganisaties die systematisch werken aan de verbetering van de kwaliteit van het onderwijs. Ook hebben zij mogelijkheden om samen te gaan werken met marktpartijen.

Bij deze ontwikkeling past aandacht voor de verantwoording door de onderwijsinstellingen tegenover de ouders en de overheid. Een systeem van optimale informatievoorziening maakt de kwaliteit van onderwijs inzichtelijk voor ouders, studenten en andere belanghebbenden. De schoolgids, de kwaliteitskaart en de keuzegids hoger onderwijs zijn hulpmiddelen.

De rol van de Inspectie voor het Onderwijs speelt meer in op de toegenomen maatschappelijke behoefte aan een onafhankelijk oordeel over de kwaliteit van het onderwijs.

Autonomie en deregulering

Voor grotere autonomie van scholen is een bepaalde schoolomvang vereist. In de afgelopen jaren is ingezet op fusies en samenwerking tussen scholen. Dat beleid heeft zijn effect niet gemist; daarom zal verdere schaalvergroting niet gestimuleerd worden. Daarmee zullen ook de onderwijsvoorzieningen op het platteland op peil worden gehouden. Ook onderwijs levert daarmee een bijdrage aan de leefbaarheid van het landelijk gebied.

Er komt een studie naar de effecten van deregulering, autonomievergroting en schaalvergroting op het onderwijsbestel en op de positie van ouders, leerlingen, studenten en personeel. Daarbij staat kwaliteitsontwikkeling en kwaliteitsbewaking centraal.

Tegenover de grotere vrijheid en minder regels zal de kwaliteit van het onderwijs steeds meer worden getoetst en bewaakt. Ook zal de publieke verantwoording over de kwaliteit van het onderwijs meer aandacht krijgen. Hiermee samenhangend zal de rol van de Inspectie worden versterkt ter wille van een onafhankelijk oordeel.

Bij samenwerking tussen scholen kan het ook gaan om samenwerking in institutionele zin tussen scholen uit het bijzonder en het openbaar onderwijs. Om de bestuurlijke vormgeving van een samenwerkingsschool wettelijk te kunnen regelen zal aan de Onderwijsraad worden gevraagd zo snel mogelijk een advies uit te brengen over een mogelijke wijziging van artikel 23 van de Grondwet.

Om de beleidsdialoog over het hoger onderwijs een meer strategisch karakter te geven is in het Regeerakkoord besloten om het HOOP nog maar een maal in de vier jaar uit te brengen. Op korte termijn wordt een wetsontwerp voorbereid om de bestaande vaste cyclus van twee jaar te verlengen tot vier jaar. Het HOOP 2000 zal daarom het enige HOOP zijn dat deze kabinetsperiode verschijnt.

Ook het Wetenschapsbudget zal eens in de vier jaar verschijnen.

Ook zal verder gegaan worden met het proces van deregulering en autonomievergroting, onder voorwaarde van condities met betrekking tot verantwoording, informatie en duidelijke verantwoordelijkheids- en bevoegdheidsverdeling. De invoering van de wet Modernisering Universitaire Bestuursstructuren (MUB) heeft in het wetenschappelijk onderwijs hiervoor al een goede basis gelegd. In het hoger beroepsonderwijs bestaan er al collectieve arrangementen voor bijvoorbeeld de wachtgelden en het zogenaamde financiële vangnet, die de hbo-instelling zelf georganiseerd hebben. De arbeidsvoorwaarden voor hbo, wo en onderzoeksinstituten zullen met ingang van 1999 worden gedecentraliseerd.

Kwaliteitsbeleid

Primair onderwijs en voortgezet onderwijs

Kwaliteit leveren en herkennen. Deze doelen bepalen het kwaliteitsbeleid van de komende jaren. Meer uitgebreid gaat het om de volgende zaken.

• De kwaliteit van het primaire proces en de bereikte resultaten: scholen streven zo hoog mogelijke resultaten na en hanteren daarbij de wettelijk vastgelegde kerndoelen. Zij maken keuzes bij de vormgeving van het onderwijs, binnen de deugdelijkheidseisen en bekostigingsvoorwaarden die door de overheid worden gesteld. De aandacht voor kwaliteit is niet nieuw; wél het besef dat kwaliteit een zaak is van alle betrokkenen;

• de kwaliteitszorg: scholen moeten – op basis van de Kwaliteitswet – kwaliteitsbeleid en kwaliteitszorg ontwikkelen. De komende jaren moeten schoolgids, schoolplan, zelfevaluaties, kwaliteitskaart, leerlingvolgsysteem, eindtoetsen en examens, samen met rapportages van de Inspectie, een goede basis gaan vormen voor het integrale kwaliteitsbeleid;

• verantwoording: het gaat hierbij niet alleen om verantwoording over de besteding van middelen, maar ook om informatie aan ouders en leerlingen over de kwaliteit van het onderwijs, opdat zij de goede school- of opleidingskeuze kunnen maken.

De minister geeft daarbij randvoorwaarden aan voor de deugdelijkheid van het onderwijs en ziet toe op de kwaliteit. Ook specifieke maatregelen, zoals de groepsverkleining, leveren een belangrijke bijdrage aan de verbetering van de kwaliteit van het onderwijs.

De zeggenschap van de ouders en leerlingen over het doen en laten van de school wordt versterkt. Ouders van alle leerlingen krijgen daarbij een gelijkwaardige positie. Zij kunnen niet op grond van de identiteit van de school worden uitgesloten van bestuur of medezeggenschapsraad.

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

In het kwaliteitszorgverslag, dat om het jaar verschijnt, legt de bve-instelling op een stelselmatige en objectieve wijze verantwoording af over de manier waarop de kwaliteit van het onderwijs wordt gehandhaafd en versterkt. Er moet in elk geval gerapporteerd worden over kwalificering, toegankelijkheid, doelmatige leerwegen en studie- en beroepskeuzevoorlichting. Het kwaliteitszorgverslag geeft ook aan op welke punten bij gebleken tekorten actie wordt ondernomen en geeft zo inzicht in het «zelfcorrigerend vermogen» van de instelling. Uit de eerste lichting van kwaliteitszorgverslagen is gebleken dat de kwaliteitszorg in de kinderschoenen staat. Over een aantal jaren moet er sprake zijn van een volwaardig kwaliteitszorgstelsel. De Inspectie levert hieraan een bijdrage door meer instellingsspecifiek te rapporteren.

Niet alleen het verslag, ook het Informatiestatuut is een belangrijk instrument voor kwaliteitszorg en verantwoording. Hierin wordt geregeld dat op systematische en samenhangende wijze uniforme gegevens voor bekostiging en beleid worden verzameld. Naar verwachting zal de Algemene Maatregel van Bestuur over het Informatiestatuut in 1999 in werking kunnen treden.

Hoger onderwijs

De derde en laatste tranche van Kwaliteit en Studeerbaarheid loopt in 1998 af. De komende jaren zullen in het teken staan van de structurele verankering in het onderwijs van een groot aantal projecten op het gebied van informatie- en communicatietechnologie, kwaliteitszorg, professionalisering van docenten, verbetering van selectie en verwijzing, curriculumontwikkeling en studiebegeleiding.

Ook zal de komende jaren worden gewerkt aan een betere kwaliteitszorg. De bestuurlijke hantering naar aanleiding van de resultaten van de visitaties wordt versneld, en de resultaten daarvan worden sneller openbaar. Het hbo zal de mogelijkheid krijgen om bij twee opleidingen een proef te nemen met accreditering.

In het verlengde van het HOOP '98 zullen afspraken met de instellingen worden gemaakt over verdere verbetering van het stelsel van kwaliteitszorg. Hierbij gaat het om versterking van de internationale oriëntatie, verbreding van de samenstelling van de visitatiecommissies, de meting van de studielast van opleidingen en het hanteren van managementletters en managementaudits.

Verantwoording

De rol van de Inspectie in het kwaliteitsbeleid van het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs wordt versterkt. Schoolgegevens van de Inspectie worden steeds meer toegankelijk, waarbij de Inspectie er voor zorgt dat die gegevens zorgvuldig worden gepresenteerd.

In het voortgezet onderwijs zal de kwaliteitskaart worden geïntroduceerd. Deze zal twee functies vervullen: een voorlichtingsfunctie voor ouders en leerlingen (complementair aan de schoolgids en het schoolplan) en een terugkoppelingsfunctie naar de scholen.

De roc's leggen niet alleen aan het Rijk verantwoording af over de kwaliteit, maar ook aan andere relevante partijen: de deelnemers, gemeenten, arbeidsorganisaties, contractpartijen en aanpalend onderwijs. Naast het al genoemde kwaliteitszorgstelsel en het informatiestatuut, bieden de onderwijsovereenkomst en de onderwijs- en examenregeling aan deelnemers de mogelijkheid om de instelling op haar presteren aan te spreken.

De instellingen van hoger onderwijs zullen zich zowel tegenover de studenten als tegenover de overheid beter moeten verantwoorden door middel van het systeem van kwaliteitszorg en door het verstrekken van informatie. De komende periode zal in samenspraak met de instellingen de ontwikkeling van de verantwoordingsrelatie op de volgende drie terreinen meer aandacht krijgen:

• verantwoording over de besteding van middelen en de resultaten van het onderwijs en onderzoek;

• zichtbaar rekenschap geven over kwaliteit en prestaties aan vragende partijen als de studenten en werkgevers; hierbij zal ook de informatievoorziening aan aankomende studenten via de Keuzegids Hoger Onderwijs verder verbeterd moeten worden;

• het verder ontwikkelen van een duidelijke verantwoordelijkheids- en bevoegdheidsverdeling.

7. STUDIEFINANCIERING EN ONDERWIJSRETRIBUTIES

In het stelsel van studiefinanciering voldoen verschillende elementen, na de vele wijzigingen, niet meer aan hun doelstellingen en wordt er onvoldoende rekening gehouden met de groeiende variëteit in het hoger onderwijs. Daarom wordt het stelsel van studiefinanciering flexibeler, met het oog op «een leven lang leren» en wederkerend leren. In de komende periode is extra geld beschikbaar om de studiefinanciering op een aantal onderdelen te verbeteren, en om enkele aanscherpingen ongedaan te maken die het vorige Kabinet had voorgesteld.

Ook wordt er fors geïnvesteerd in de tegemoetkoming van de studie- kosten.

Het les-, college- en cursusgeld worden verhoogd.

Studiefinanciering

De kwetsbare balans tijdens de studie tussen overheidsbijdrage enerzijds en eigen investering en resultaat dat behaald wordt door de student anderzijds, wordt nu meer in evenwicht gebracht. Het normbudget en de lening stijgen, de prestatienorm wordt niet verder verhoogd en in het eerste studiejaar valt de aanvullende beurs niet onder de prestatienormen.

De OV-studentenkaart blijft in zijn huidige vorm bestaan. De studenten blijven vrij in de keuze van een weekkaart of een weekendkaart, ongeacht of ze op kamers of bij hun ouders wonen. Daartegenover staat dat de OV-studentenkaart ook onder de prestatienormen gaat vallen. Voor studenten die de prestatienorm niet halen wordt de financiële tegenwaarde van de OV-studentenkaart onderdeel van de lening. Binnen een jaar komt er een notitie over de opties voor een vervoersvoorziening voor studenten op langere termijn.

De leeftijdsgrens van 27 jaar, die beëindiging van de studiefinanciering betekende voor de student, wordt afgeschaft. Bepalend wordt nu hoe oud je bent als je gáát studeren. Studenten die beginnen voordat zij 26 zijn, zullen in staat gesteld worden die studie binnen een redelijke termijn af te ronden met behoud van studiefinanciering. Ook de lengte van de studiefinanciering wordt minder uniform. Voor de technische opleidingen en bèta-opleidingen aan universiteiten wordt de studiefinanciering gerelateerd aan een studielast van 5 jaar. Verder zal de studiefinanciering worden aangepast aan de flexibiliteit in het hoger onderwijs.

Tegemoetkoming studiekosten

De regeling tegemoetkoming van de studiekosten is bedoeld voor leerlingen in vo en mbo (tot 18 jaar) van minder draagkrachtige ouders. Om van deze regeling gebruik te kunnen maken ligt momenteel de inkomensgrens op een belastbaar inkomen van f 50 000. Deze grens zal worden verlegd naar ongeveer f 60 000. De kostenstijging in het onderwijs voor de komende jaren, zoals boeken en lesgelden, kunnen zo ook voor hen adequaat gecompenseerd worden.

Onderwijsretributies

Bij het lesgeld is sprake van een autonome stijging op basis van de kosten van het onderwijs. Het college- en cursusgeld wordt vanaf studiejaar 1999/2000 geïndexeerd aan de algemene prijsontwikkeling. De verhogingen worden gecompenseerd in de regeling tegemoetkoming studiekosten en in de studiefinanciering. Voor studenten uit de lagere inkomensgroepen wordt de stijging gecompenseerd in de aanvullende beurs; voor andere studenten zal het mogelijk worden een hoger bedrag te lenen in verband met de collegegeldverhoging. Op korte termijn zal hiervoor wetgeving worden voorbereid.

Het zogenaamde pro-rato lesgeld gaat niet door. Het wetsvoorstel hield in dat iemand lesgeld zou gaan betalen in het kwartaal nadat de leerling 16 jaar is geworden.

8. MEDIA

Het functioneren van een democratische samenleving is in hoge mate afhankelijk van goede en betrouwbare informatie. Een veelzijdig media-aanbod kan voorts zowel de onderlinge binding bevorderen, als bijdragen aan individuele ontplooiing. De media zijn ook voor het culturele leven van grote betekenis vanwege de ongedwongen wijze waarop zij kunst- en cultuuruitingen en informatie daarover onder grote publieksgroepen kunnen verspreiden. De publieke omroep heeft in dit geheel een essentiële plaats.

Uitvoering van de EG-richtlijn «Televisie zonder grenzen» garandeert aan iedere burger een adequate toegang tot actuele verslaggeving van evenementen van algemeen belang, voor een betaalbare prijs.

Mediabeleid

Het mediabeleid betreft zowel de publieke als de commercieel georganiseerde media en houdt zich eveneens bezig met vraagstukken van ordening van de mediamarkt en de inhoudelijke beoordeling van (nieuwe) technische ontwikkelingen. In dat kader past goede samenwerking en afstemming met aanpalende beleidsterreinen. De afbakening met de telecommunicatie loopt langs de lijn dat OCenW verantwoordelijk is voor de inhoudelijke bepaling op het mediaterrein en VenW voor het telecommunicatiebeleid. Voor het uitgiftebeleid van omroepfrequenties geldt een gezamenlijke verantwoordelijkheid.

De publieke omroep

De voornemens die over de publieke omroep in het Regeerakkoord zijn vastgelegd, zullen zo spoedig mogelijk uitgevoerd worden. In dit kader zal zo spoedig mogelijk een wet worden ingediend voor de toekomstige concessieverlening aan de landelijke publieke omroep. Uitgangspunt van dit wetsvoorstel zal zijn dat de samenstellende delen van de publieke omroep tot één geheel worden aaneengesmeed, met behoud van het pluriforme karakter van het bestel. Dit zal tot uitdrukking worden gebracht door een algemene taakopdracht voor de landelijke publieke omroep te beschrijven. In het jaar 2000 moet de nieuwe concessiewet in werking treden. Dan zal aan de NOS een concessie voor tien jaar worden verleend.

De omroepbijdrage zal betaalbaar moeten blijven, zonder dat er te veel reclames komen op de publieke zenders. Daarom zal een onderzoek worden gestart naar de fiscalisering van de omroepbijdragen, in relatie tot de aanvaardbaarheid van de kijk- en luistergelden. De mogelijkheid en wenselijkheid van terugbrengen van het aantal radiozenders van vijf naar vier zal worden onderzocht.

Televisie zonder grenzen

De implementatie van de in 1997 gewijzigde EG-Richtlijn «Televisie zonder Grenzen» in de Nederlandse wetgeving dient voor 1 januari 1999 gerealiseerd te zijn. Op basis van deze richtlijn zal in 1998 een lijst worden opgesteld van evenementen die beschikbaar moeten blijven voor het open net, en niet achter de decoder mogen verdwijnen. In een afzonderlijk wetsvoorstel zullen de aanscherpingen worden geïmplementeerd van de Europese regels voor het uitzenden van beelden die, door het tonen van geweld of anderszins, jeugdigen kunnen schaden. Hierbij zal nauw worden aangesloten bij de zelfreguleringsorganisatie die de audiovisuele branches in 1998 gezamenlijk tot stand zullen brengen. Vanaf 1999 kan ervaring worden opgedaan met de nieuwe aanpak. De overheid zal de effectiviteit hiervan nauwlettend in de gaten houden.

Privatisering van de NOB

De behandeling van het wetsvoorstel met betrekking tot de privatisering van het Nederlands Omroepproductie Bedrijf (NOB) is in een vergevorderd stadium. De voorbereidingen voor de verkoop van de overheidsaandelen zijn inmiddels gestart. De meeropbrengsten zullen te zijner tijd worden toegevoegd aan de omroepreserve.

9. CULTUUR

Cultuur bepaalt grotendeels de ruimte voor individuele ontplooiing en de mate van integratie van de samenleving. Cultuur bepaalt in belangrijke mate hoe wij aankijken tegen heden, verleden en toekomst. Het is een bindende factor in de samenleving. Gezien de ontwikkelingen in de samenleving is dat een waarde om op voort te bouwen.

Er zal in de komende jaren een brede impuls worden gegeven aan verschillende vormen van kunstuitingen en culturele voorzieningen. De jeugd als doelgroep van kunst- en cultuurbeleid krijgt daarbij bijzondere aandacht. Kunst en cultuur van minderheden krijgt prioriteit, omdat deze bepalend is voor de diversiteit en veelkleurigheid van de samenleving. Monumentenzorg krijgt extra geld om bij te dragen aan de ruimtelijke en economische structuurversterking van de grote steden.

Cultuurbeleid

Met de Cultuurnota wordt eens in de vier jaar het cultuurbeleid in zijn geheel ter discussie gesteld. De Cultuurnota is daarnaast óók bedoeld om culturele instellingen gedurende een aantal jaren voldoende financiële zekerheid te bieden om hun plannen uit te voeren. De bestaande systematiek van een vier-jarige Cultuurnota, de Raad voor Cultuur en de Fondsen blijft de komende jaren gehandhaafd. Daarbij wordt het proces rond de Cultuurnota geschoond en meer gericht op beleidsveranderingen.

Het advies dat de Raad voor Cultuur heeft uitgebracht over de fondsenstructuur zal in het najaar een vervolg krijgen; het regeringsstandpunt over de werking van de cultuurfondsen kan de Tweede Kamer tegemoet zien in het voorjaar van 1999.

Met ingang van 1999 komt extra geld beschikbaar voor cultuur, dat een noodzakelijke kwaliteitsimpuls mogelijk maakt en ruimte biedt voor nieuw beleid. Over de aanwending van deze extra middelen komt in het najaar van 1998 een voorstel.

Cultuur en School

Het project Cultuur en School wil betere samenwerking realiseren tussen scholen en culturele instellingen om zo cultuureducatie een steviger plaats te geven in het onderwijs. Die samenwerking heeft betrekking op de inhoud van het onderwijs (zowel van de kunstvakken als van bijvoorbeeld geschiedenis, aardrijkskunde en economie), het schoolklimaat en de omgeving van de school (het wegwijs maken van de leerlingen). Scholen beseffen dat zij hun leerlingen ook culturele bagage mee moeten geven. Van meet af aan is gekozen voor een deels centrale, deels decentrale aanpak. Voor het decentrale gedeelte is aansluiting gezocht bij de cultuurconvenanten met provincies en gemeenten. De prioriteiten liggen bij vmbo en bve, de multiculturele samenleving en het cultureel erfgoed.

Sommige activiteiten en maatregelen zijn alleen op nationaal niveau goed te realiseren, zoals een proefproject met het CJP, de programma's van Teleac-NOT, landelijke inventarisaties en ook de onderlinge uitwisseling van ervaringen op decentraal niveau. Verder wordt vanuit het centrale deel aangesloten bij de lopende onderwijsvernieuwingen: de herziening van de kerndoelen in het basisonderwijs en de basisvorming, de leerwegen vbo/mavo en de tweede fase havo/vwo.

De bijdrage van bve aan cultuur en school is voor een groot deel ter beschikking gesteld aan de provincies en gemeenten die via de acht zogenaamde cultuurconvenanten bij de uitvoering van dit project betrokken zijn. Naast decentrale projecten, wordt gestart met drie centrale projecten:

– de opbouw van een expertisecentrum roc Kunst & Educatie

– de uitbreiding van activiteiten van de Kunstbende naar roc's

– de financiering van het op de roc's gerichte deel van de activiteiten van het Groningse pilot-project JongerenUitBureau/CultuurSchool VOF.

Het is nog te vroeg om de balans op te maken van de resultaten. Begin 1999 zullen in een vervolgnotitie de eerste twee jaren van het project beoordeeld worden. Daarbij zal het gezamenlijke advies van de Onderwijsraad en de Raad voor Cultuur over de voortgang worden betrokken.

Cultureel erfgoed

Bij de ontwikkeling van ons land gaat het ook om het behoud van cultuurhistorische waarden. Deze geven onder meer kwaliteit aan onze leefomgeving. Het cultureel erfgoed van Nederland omvat vele terreinen. Het gaat dan om:

Aankoopfonds

In 1998 wordt de Wet tot behoud van cultuurbezit (WBC) geëvalueerd. De Tweede Kamer ontvangt in het najaar van 1998 bericht over de uitkomst van de evaluatie. Teneinde belangrijke kunstwerken voor Nederland te behouden en te verwerven, wordt een begin gemaakt met een aankoopfonds.

Digitaal Depot

Binnen de overheid vindt in toenemende mate digitalisering van informatie plaats. Om deze digitale archieven ook in de toekomst te kunnen raadplegen, moet een digitaal depot worden ontwikkeld waarin ze kunnen worden opgenomen en voor langere tijd worden bewaard.

Monumentenzorg

Monumentenzorg neemt een centrale plaats in bij de ruimtelijke herinrichting van ons land en bij de vergroting van de vitaliteit van de steden. Er wordt daarom in de komende jaren weer flink geïnvesteerd in de monumentenzorg.

Er zal een concept voor een integraal instandhoudingsbeleid voor monumenten worden opgesteld, waarbij restauratie en onderhoud in één regeling zullen zijn opgenomen. Het Besluit Rijkssubsidiëring Restauratie Monumenten (1997) wordt in 1999 uitgebreid geëvalueerd.

Cultuurhistorie en ruimtelijke ordening

Het project Belvedere richt zich op de versterking van het cultuurhistorisch element in de ruimtelijke ordening. Eind 1998 zal, samen met de ministers van VROM en LNV, een beleidsnotitie aan de Tweede Kamer worden verzonden.

Archeologie

Het verdrag van Malta (bescherming archeologisch erfgoed) regelt dat de verstoorder de kosten betaalt van archeologisch onderzoek. Een wetsvoorstel voor de gefaseerde invoering van de verdragsbepalingen is in voorbereiding.

Internationaal cultuurbeleid

In het kader van de herijking van het buitenlands beleid is vanaf 1998 jaarlijks extra geld beschikbaar voor intensivering van het buitenlands cultuurbeleid (de «HGIS-middelen», waarbij HGIS staat voor Homogene Groep Internationale Samenwerking). De infrastructuur voor de uitvoering van het buitenlands cultuurbeleid wordt verbeterd. Dit gebeurt onder meer door de culturele vertegenwoordiging in het buitenland te verbeteren, de band tussen de culturele attachés en het Ministerie van OCenW te versterken en door koepelorganisaties in het culturele veld meer in te schakelen. In dit najaar wordt dit in een brief aan de Tweede Kamer nader uitgewerkt.

De Europese ministers van Cultuur hebben de stad Rotterdam samen met Porto aangewezen als culturele hoofdstad van Europa in het jaar 2001. Vele activiteiten en internationale aandacht liggen in het verschiet.

De uitstraling van de Nederlandse cultuur krijgt de laatste jaren ook op literair gebied steeds meer reliëf. Dit is het resultaat van de aanhoudende promotie van de Nederlandstalige literatuur in het buitenland, en de aandacht die het Nederlandse taalgebied periodiek op zich weet te vestigen tijdens grote internationale manifestaties. In 1999 zal in relatie met de London Bookfair de positie van de Nederlandstalige literatuur (in vertaling) op de Engelstalige markt worden verbeterd.

Op initiatief van het Nederlandse voorzitterschap van de EU heeft de Europese Commissie een voorstel voor een integraal beleidsprogramma 2000–2004 voorgelegd aan de Raad van ministers van Cultuur.

10. ONDERZOEKSBELEID EN WETENSCHAPSBELEID

Wetenschap verlegt grenzen en brengt de toekomst in kaart. Technologische innovatie veroorzaakt wereldwijd verschuivingen in economie en samenleving. En ook de internationale positie van een relatief klein land als Nederland wordt steeds sterker afhankelijk van kennis. Kennis en wetenschap leveren – zo heeft het verleden bewezen – de instrumenten bij uitstek om prangende maatschappelijke vraagstukken van een passende oplossing te voorzien. Het tijdig aanboren van nieuwe kennis en het goed toepassen van bestaande kennis is dan ook van essentieel belang voor de toekomstige vormgeving van Nederland, maar roept anderzijds ook ethische vragen op. Een inspirerende uitdaging voor wetenschap en onderzoek.

De komende tijd staan drie hoofddoelen centraal: versterking van de economische structuur (kennis voor technologische innovatie en kennis voor banen), versterking van de ecologische en sociale duurzaamheid (kennis voor milieu en voor sociale cohesie) en de aansluiting op de elektronische snelweg (kennis voor communicatie en voor Nederland brainport).

Geld voor meer onderzoek kan verworven worden uit de ICES-middelen, waar mogelijk ook in joint ventures met andere belanghebbenden. Hierover zal in het najaar in ICES-verband besluitvorming plaatsvinden.

De kennisintensieve samenleving

Kennis, niet in de laatste plaats wetenschappelijke en technologische kennis, wordt steeds belangrijker als productiefactor. Onze economische concurrentiepositie wordt niet zozeer versterkt door een laag loon- en kostenniveau, maar door kwalitatief hoogwaardige geavanceerde producten en diensten op de wereldmarkt te brengen. Een hoge kennisintensiteit is daarvoor vereist: kennis schept banen.

De ontwikkeling van de informatie- en communicatietechnologie vereist oplossingen van nieuwe vraagstukken. Nederland moet in de voorhoede komen van de ontwikkeling naar een internet-economie, om internationaal mee te kunnen.

De omvangrijke plannen voor investeringen in de fysieke infrastructuur, niet in de laatste plaats gericht op een sterkere positie van Nederland als distributieland, vragen om een stevige onderbouwing met meer geavanceerde technologie.

De groei naar een duurzame samenleving, waarin evenwicht bestaat tussen de gewenste economische en de noodzakelijke ecologische ontwikkeling, vereist een grote inzet van wetenschap en technologie.

De maatschappelijke uitdagingen voor ons land, zoals het versterken van de sociale cohesie, het instandhouden van een hoogwaardige en betaalbare gezondheidszorg en een slagvaardig stelsel van rechtshandhaving doen een appèl op de onderzoekswereld.

Het gaat er niet alleen om de uitrusting te vernieuwen, maar ook om nieuwe bundelingen in het onderzoekbestel op een fundament van hoogwaardig wetenschappelijk onderzoek. Het gaat daarbij óók om nieuwe combinaties van natuur- en technische wetenschappen met maatschappij-, gedrags- en geesteswetenschappen. Zorgvuldige behandeling van de ethische vragen die de maatschappij ook aan het onderzoek stelt, is daarbij geboden.

Het is van groot belang om bij de implementatie vanaf het begin nauwe relaties tot stand te brengen tussen het onderzoekbestel en (potentiële) gebruikers. Dat geldt bijvoorbeeld voor investeringen voor en rond fundamenteel-strategisch onderzoek dat de basis moet leggen voor duurzame technologieën van de toekomst. Voor de toegankelijkheid van de elektronische snelweg voor alle burgers, de ontwikkeling naar een informatie-maatschappij en voor de invloed van de digitale revolutie op de samenleving is de maatschappelijke discussie bepalend.

Internationale uitstraling en samenwerking

Om Nederland goed op de internationale kaart van wetenschap en technologie te zetten en te houden is het in ieder geval noodzakelijk ervoor te zorgen dat wij op verschillende terreinen zelf kunnen beschikken over internationaal toonaangevend onderzoek. Dan zijn wij een partner waarmee men graag samenwerkt. Uit het Indicatorenrapport 1998 van het Nederlands Observatorium van Wetenschap en Technologie blijkt dat bijna 30% van de Nederlandse wetenschappelijke publicaties één of meer co-auteurs kent die in het buitenland werken, wat in vergelijking met de West-Europese landen relatief hoog is. Daarbij is de samenwerking met andere EU-landen sneller toegenomen dan met niet-EU-landen.

Daarom zal de komende jaren bij bi- of trilaterale samenwerking het accent worden gelegd op uitbreiding en versterking van de strategische, structurele samenwerking tussen instituten (en waar wenselijk bedrijven) in Nederland en andere landen.

Het 5e Kaderprogramma van de Europese Unie, dat in 1999 van start gaat, biedt eveneens openingen voor samenwerking binnen Europa. Het is de bedoeling om in het 6e Kaderprogramma, dat vanaf 2000 zal worden voorbereid, deze lijn door te trekken.

In het Megascience Forum van de OECD wordt gewerkt aan gezamenlijk gedragen visies als basis voor het maken van concrete afspraken over internationale samenwerking in grote faciliteiten en brede thema's («global scale issues», zoals klimaat, duurzame ontwikkeling).

Randvoorwaarden voor een hoogwaardige kennisinfrastructuur

De Nederlandse kennisinfrastructuur behoort tot de allerbeste ter wereld. Het Indicatorenrapport 1998 laat zien dat Nederlandse publicaties in internationale tijdschriften relatief veel worden geciteerd, zo'n 20% boven het mondiale gemiddelde. Nederland doet het vooral goed in de fysica, chemische technologie, aard- en omgevingswetenschappen, landbouwwetenschappen en diergeneeskunde. Het hoge niveau blijkt ook uit de visitaties van het universitaire onderzoek (recent ondersteund door internationale vergelijkingen), en komt ook tot uitdrukking in het toenemende aantal internationale opdrachten aan instituten voor toegepast onderzoek. Handhaving van dit niveau, en ook verhoging van de productiviteit van beschikbare en nog te verwerven kennis, vereist aanpassing van de infrastructuur en het bestuurlijk instrumentarium.

In de afgelopen periode zijn verschillende technologische topinstituten en toponderzoekscholen opgericht. De ambitie moet blijven om op de hoogvlakte van het Nederlandse onderzoek méér toppen tot stand te brengen. Daarom wordt nagegaan hoe een tweede ronde voor de aanwijzing van toponderzoekscholen kan worden versneld, waarbij een meer evenwichtige spreiding over de wetenschapsgebieden wordt gerealiseerd, door aanpassing van de criteria en werkwijze van de selectie.

Als waarborg voor hoge maatschappelijke relevantie en goede kwaliteit van het onderzoek zijn de verkenningen en beoordeling van onderzoek, zowel vooraf als achteraf, van groot belang. Het beleid, dat al gericht was op versterking van kwaliteit en relevantie van wetenschappelijk onderzoek, wordt met kracht voortgezet. Van belang daarbij is dat er een vierjarige beleidscyclus in het wetenschapsbeleid zal worden gehanteerd, waarbij het Wetenschapsbudget eens per vier jaar wordt uitgebracht.

11. FINANCIEEL OVERZICHT

Na jaren van bezuinigingen is er in de vorige kabinetsperiode een eerste begin gemaakt met het besteden van extra geld aan onderwijs. Met dit Regeerakkoord is de weg vrijgemaakt om krachtige impulsen te geven aan diverse geledingen van het onderwijs. Hiermee heeft het Kabinet te kennen gegeven dat onderwijs en kennis in de komende regeerperiode een hoge prioriteit hebben. Ook krijgt de sector cultuur meer financiële ruimte. Behalve de direct in deze begroting zichtbare intensiveringen is er ook elders prioriteit voor onderwijs.

Zo zijn in het Regeerakkoord omvangrijke investeringen aangekondigd in de economische infrastructuur. Deze budgetten worden de ICES-gelden genoemd. Uit de ICES-gelden zijn voor de volgende onderwerpen middelen toegekend voor de periode 1999–2002 en worden perspectieven geboden voor de periode 2003 – 2010:

• technocentra (f 40 miljoen respectievelijk f 160 miljoen)

Technocentra zijn de regionale centra met voorzieningen voor het technisch beroepsonderwijs;

• monumentenzorg (voor het OCenW-deel f 102 miljoen respectievelijk f 437 miljoen)

In het Regeerakkoord is geld beschikbaar gesteld voor monumenten. Een deel van het geld gaat naar de begroting van VROM voor de monumenten die in rijkseigendom zijn. De rest van het geld komt ten goede aan de OCenW-begroting.

• kennisinfrastructuur

Enkele posten van het Regeerakkoord worden nog verdeeld. Binnen het beleidspakket kennisinfrastructuur zijn door OCenW voorstellen ingediend voor het kennis acceleratie project, twee kenniscentra en het project Mobilisatie Privaat kapitaal. Besluitvorming vindt in het najaar plaats.

Aan OCenW zijn middelen toegekend voor ict: f 670 miljoen in de periode 1999–2002 en f 330 miljoen voor 2003–2010.

De bovengenoemde bedragen zullen in een latere fase aan de begroting worden toegevoegd.

In het Regeerakkoord is de fiscale maatregel voor scholingsfaciliteiten uitgebreid naar de collectieve sector. Scholen en instellingen zullen van deze maatregel profiteren.

Het landbouwonderwijs profiteert op evenredige wijze mee met de in het Regeerakkoord toegezegde gelden voor onderwijs. Deze worden zichtbaar op de begroting van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. De hierna genoemde bedragen voor de sectoren vo en bve zijn dus exclusief het landbouwaandeel.

Daarnaast worden de gemeenten via het Gemeentefonds in staat gesteld om op efficiënte wijze te voorzien in het bouwvolume dat benodigd is voor de groepsgrootte.

De intensiveringen die ten goede komen aan de OCenW begroting zijn over de beleidsterreinen verdeeld. Echter, over een deel van de intensiveringen moet nog besluitvorming plaatsvinden. Dit betekent dat bij nadere invulling van het beleid er nog verschuivingen in de bedragen en in de fasering kunnen optreden.

Naast de intensiveringen bevat het Regeerakkoord ook ombuigingen. De ziektekostentegemoetkomingen bij de overheid zijn royaler dan in de marktsector. Hierop zal in totaal f 300 miljoen worden bezuinigd. OCenW zal in aanmerking komen voor een evenredig deel in de versobering van deze uitgaven.

In paragraaf 11.1 worden de gevolgen van het Regeerakkoord 1998 aangegeven. In paragraaf 11.2 volgt een overzicht van de overige financiële bijstellingen. Een specifieke toelichting op afzonderlijke mutaties is opgenomen in de artikelsgewijze toelichting. Paragraaf 11.3 tenslotte geeft de aansluiting tussen de meerjarencijfers behorende bij de begroting 1998 en deze ontwerpbegroting.

11.1 Regeerakkoord 1998

Intensiveringen

Op hoofdlijnen hebben de intensiveringen zoals overeengekomen in het Regeerakkoord 1998 geleid tot de volgende budgettaire consequenties voor de OCenW-begroting.

Tabel 1 Financiële gevolgen intensiveringen Regeerakkoord 1998 per beleidsterrein (bedragen x 1 miljoen)
UITGAVEN19992000200120022003
po20,0150,0380,0630,0770,0
groepsgrootte0,0100,0330,0580,0720,0
adm./beheer/bestuur/schoonmaak/leer-middelen20,050,050,050,050,0
      
vo93,1148,8124,8244,8124,8
achterstand onderhoud48,024,00,0120,00,0
vernieuwing30,796,096,096,096,0
adm./beheer/bestuur14,428,828,828,828,8
      
bve69,196,096,0153,696,0
inventaris38,40,00,057,60,0
vernieuwing30,796,096,096,096,0
      
sfb (relevante uitgaven)83,9124,5331,3281,6243,0
verblijfsduur akkoord0,00,014,020,020,0
tegemoetkoming studiekosten50,0125,0175,0250,0250,0
afstel prestatie norm verhoging0,00,010,028,028,0
leeftijdsgrens 25 jr. 0,05,05,010,035,0
aanvullende beurs p. regime0,040,0100,010,010,0
compensatie verhoging collegegeld2,03,03,06,08,0
OV-contract verlengen99,0130,0155,0171,0171,0
OV-studentenkaart in prestatiebeurs– 42,0– 154,0– 109,0– 194,0– 258,0
weglek lesgeld indexatie4,58,813,217,517,5
afstel pro rato lesgeld– 29,6– 33,3– 34,9– 36,9– 38,5
      
sfb (niet relevante uitgaven)76,0205,0111,0266,0334,0
afstel prestatienormverhoging0,00,0– 10,0– 28,0– 28,0
leeftijdsgrens 25 jaar0,010,025,020,020,0
aanvullende beurs p. regime0,0– 40,0– 100,0– 10,0– 10,0
compensatie verhoging collegegeld4,09,015,018,022,0
OV-studentenkaart in prestatiebeurs42,0154,0109,0194,0258,0
verhogen max. rentedragende lening30,072,072,072,072,0
      
cultuur15,030,040,060,060,0
      
leraren78,1161,0161,0209,8209,8
      
ict-exploitatie40,3144,0192,0240,0240,0
      
verschilreeks11,7– 6,3– 7,6– 18,759,3
TOTAAL UITGAVEN487,21 053,01 428,52 067,12 136,9
minder ontvangsten pro rato lesgeld– 57,9– 105,6– 109,5– 114,6– 120,2
TOTAAL INTENSIVERINGEN*545,11 158,61 538,02 181,72 257,1

* Exclusief de middelen die in de inleiding van dit hoofdstuk genoemd zijn. Deze worden in een latere fase aan de begroting toegevoegd.

Primair onderwijs

Er zijn extra middelen oplopend tot f 720 miljoen structureel toegekend om de groepsgrootte in de eerste vier leerjaren stapsgewijs terug te brengen tot 1 leerkracht op 20 leerlingen. Voor de aanschaf van nieuwe leermiddelen, schoonmaken en de bevordering van kwalitatief goed management is de materiële vergoeding structureel verhoogd met f 50 miljoen.

Voortgezet onderwijs

Om de onderhoudsachterstand in het voortgezet onderwijs in te lopen wordt de komende vier jaar f 192 miljoen extra geïnvesteerd. In het kader van de vernieuwingen in het voortgezet onderwijs is in 1999 f 30,7 miljoen extra beschikbaar gesteld en in verdere jaren f 96 miljoen. Het budget voor administratie, beheer en bestuur is structureel verhoogd met f 28,8 miljoen.

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

In het beroepsonderwijs wordt in de jaren 1999 en 2002 in totaal f 96 miljoen extra geïnvesteerd in het wegwerken van de achterstand in inventarissen. Het kabinet stelt structureel extra middelen beschikbaar voor de instellingen om de nieuwe taken van de WEB beter te implementeren. Deze middelen moeten ook ten goede komen aan de aanpak van de bestrijding van het voortijdig schoolverlaten in de bve-sector.

SFB relevante uitgaven

De verwante doorstroom van de beroepsopleidende leerweg naar hbo (naar overeenkomstige opleiding) is lager dan aanvankelijk geraamd. Hierdoor vallen de uitgaven aan studiefinanciering hoger uit. Om aan deze meer-uitgaven tegemoet te komen is in het Regeerakkoord 1998 een bedrag, oplopend tot f 20 miljoen structureel, ingezet.

In het kader van de gerichte inkomensondersteuning, waarbij armoedeval-effecten zoveel mogelijk worden vermeden, wordt het budget voor de regeling Tegemoetkoming Studiekosten structureel verhoogd met f 250 miljoen. Hiermee kunnen ouders met een besteedbaar inkomen tot f 60 000,– een belangrijke(r) tegemoetkoming ontvangen bij de bestrijding van de kosten van het onderwijs.

De verhoging van de prestatienorm wordt geschrapt. Dit wetsvoorstel was in 1998 al met een jaar uitgesteld. Het afstel van de prestatienormverhoging leidt tot het eerder omzetten van lening in beurs, waarvoor extra middelen beschikbaar zijn gesteld.

De leeftijdsgrens van 27 jaar, die beëindiging van de studiefinanciering betekende, wordt afgeschaft. Bepalend wordt nu hoe oud je bent als je gáát studeren. Studenten die beginnen vóórdat ze 26 jaar zijn, zullen gedurende hun studie recht houden op studiefinanciering, mits ze binnen redelijke termijn hun studie afronden.

De prestatienorm voor de aanvullende beurs voor het eerste jaar wordt vanaf 1999/2000 geschrapt.

Het vorige kabinet had met de openbaar vervoerbedrijven een nieuw contract met een versobering afgesloten. Het nieuwe kabinet heeft besloten het voorzieningenniveau van het oude contract te handhaven. Dit leidt tot extra kosten voor de openbaar vervoerbedrijven en ook vervallen ingeboekte besparingen als gevolg van voornoemde versobering. De kaart wordt voor studenten in het hoger onderwijs onderdeel gemaakt van het prestatiebeursregime.

SFB niet relevante uitgaven

De mutaties in de tabel zijn de tegenhanger van de relevante en niet relevante uitgaven. Het normbudget wordt bovendien verhoogd. De studenten kunnen per maand f 100,– méér lenen.

Cultuur

Het cultuurbudget zal structureel verhoogd worden met een bedrag oplopend tot f 60 miljoen om een kwaliteitsimpuls mogelijk te maken en ruimte te bieden voor nieuw beleid. Het totaal van dit budget is nog niet verdeeld over de verschillende cultuursectoren.

Leraren

Om het werken in het onderwijs aantrekkelijker te maken is in het regeerakkoord een bedrag opgenomen oplopend tot f 209,8 miljoen structureel. Ter verbetering van de carrièreperspectieven in het onderwijs wordt een nieuwe functiedifferentiatie ingevoerd. De beschikbare middelen zijn nog niet verdeeld en staan geparkeerd op het centrale budget.

Informatie en Communicatie Technologie

Voor de ict-exploitatie is in het Regeerakkoord 1998 structureel een bijdrage oplopend tot f 240 miljoen toegekend. In de komende maanden moet nog wel een nadere planning voor de besteding van deze middelen worden opgesteld.

In 1998 zijn verplichtingen aangegaan voor het ict-traject. Een deel van deze verplichtingen leidt tot kasuitgaven in 1999. In de OCenW-begroting van 1999 is daarvoor binnen de verschillende projectbudgetten een voorlopige voorziening van f 40,6 miljoen getroffen. Bezien zal worden of deze voorziening moet worden gehandhaafd.

Verschilreeks

Deze reeks van afrondingsverschillen is nu nog geparkeerd op het centrale budget.

Ontvangsten pro rato lesgeld

Voor het wetsvoorstel pro rato lesgeld zijn oorspronkelijk meer ontvangsten begroot. Dit wetsvoorstel ging er vanuit dat de leerlingen direct lesgeld verschuldigd zijn vanaf 16 jaar in plaats vanaf het schooljaar na het bereiken van die leeftijd. Door het ongedaan maken van deze ombuiging worden de ontvangsten weer verlaagd.

Ombuigingen

In het Regeerakkoord zijn voor OCenW ook een aantal ombuigingen opgenomen. In de hiernavolgende toelichting is weergegeven op welke wijze deze ombuigingen zijn verdeeld op de begroting.

Tabel 2 Financiële gevolgen ombuigingen Regeerakkoord 1998 (bedragen x 1 miljoen)
UITGAVEN19992000200120022003
arbeidsproductiviteit– 42,0– 83,6– 125,0– 165,8– 165,8
Taakstellingen ministerie:     
– volume taakstelling>– 4,2– 8,4– 12,5– 16,6– 16,6
– vergroten doelmatigheid aankoop– 4,6– 9,3– 13,9– 18,5– 18,5
– externe advisering– 0,8– 1,7– 2,3– 2,3– 2,3
algemene indexatie collegegeld (HBO, WO)– 18,7– 37,4– 56,2– 74,9– 74,9
algemene indexatie cursusgeld (BVE)– 1,2– 2,4– 3,5– 4,7– 4,7
wachtgelden– 15,6– 31,6– 47,3– 63,2– 63,2
budgettering incidenteel– 33,2– 65,4– 99,0– 152,8– 152,8
TOTAAL UITGAVEN– 120,3– 239,8– 359,7– 498,8– 498,8
meer ontvangsten lesgeld indexatie13,426,339,552,552,5
TOTAAL OMBUIGINGEN– 133,7– 266,1– 399,2– 551,3– 551,3

Arbeidsproductiviteit

De collectieve sector wordt een korting opgelegd wegens een stijging van de arbeidsproductiviteit van 0,55 % per jaar. Voor de sectoren po, vo en bve is een uitzondering gemaakt. De taakstelling voor de overige sectoren is verdeeld over de beleidsterreinen.

Taakstellingen ministerie

Behalve de hierboven genoemde korting voor een stijgende arbeidsproductiviteit zijn op het ministerie de volgende drie specifieke taakstellingen van toepassing. Omdat over de feitelijke uitwerking van deze taakstelling nog moet worden besloten, zijn deze vooralsnog geparkeerd op het artikel 17.10 Bestuurs-departement.

• volume taakstelling

Op het personeelsvolume van het ministerie is een taakstellende korting van vijf procent van toepassing. Dit moet vanaf 2002 in totaal f 16,6 miljoen opleveren.

• vergroten doelmatigheid departementale aankoop

Het aankoopproces dient efficiënter ingericht te worden. Van de taakstelling van f 18,5 miljoen is een bedrag van f 12 miljoen toegewezen aan beleidsterrein 17. De invulling van het overige deel (f 6,5 miljoen) van de taakstelling zal bij Voorjaarsnota 1999 nader worden bezien.

• externe advisering

De uitgaven voor externe advisering worden beperkt door een generieke korting van vijf procent per jaar oplopend tot vijftien procent in 2002. Met deze taakstelling wordt vanaf 2001 een besparing van f 2,3 miljoen gerealiseerd.

Algemene indexering college- en cursusgeld

In het regeerakkoord is een indexering aangekondigd van de cursus- en collegegelden voor de sectoren bve, hbo en wo. De omvang van deze verhoging is afhankelijk van de ontwikkeling van het prijspeil van de gezinsconsumptie. De verwachting is dat de indexering in 2002 structureel f 79,6 miljoen zal opleveren.

Wachtgelden

De voorgenomen intensiveringen uit het Regeerakkoord in het primair, voortgezet, en beroepsonderwijs leiden naar verwachting tot meer werkgelegenheid en daarmee tot een dalend aantal wachtgelders. De verwachte daling van de uitgaven loopt op tot f 63,2 miljoen.

Bij Voorjaarsnota was het wachtgeldbudget al met structureel f 20 miljoen verlaagd als gevolg van arbeidsmarktontwikkelingen in het primair en voortgezet onderwijs en de lessentaakreductie in het voortgezet onderwijs.

Over de beleidsmatige invulling van de totale korting van f 84 miljoen op het wachtgeldbudget zal met de betrokken partijen bestuurlijk overleg worden gevoerd.

Budgettering incidenteel

De incidentele looncomponent wordt taakstellend verlaagd van 0,8% naar 0,6% per jaar. Dit komt neer op een beperking van f 152,8 miljoen in 2002. Voor 2003 wordt thans 0,6% geraamd.

Ontvangsten lesgeld

In de les- en cursusgeld-wet is bepaald dat eens in de drie jaar de lesgelden worden geijkt op de kosten van het onderwijs. Het lesgeld wordt vastgesteld op 20% van de kosten. De extra investeringen in het onderwijs leveren daardoor een inverdieneffect op.

11.2 Overige financiële bijstellingen

Hierna volgt achtereenvolgens voor de uitgaven en de ontvangsten een overzicht van de overige begrotingsbijstellingen ten opzichte van de geautoriseerde begroting 1998. Het grootste gedeelte van deze bijstellingen is al gepresenteerd in de Voorjaarsnota en de daarmee samenhangende eerste suppletoire begroting.

Uitgaven

Voor de implementatie van lopende beleidsonderwerpen is het noodzakelijk gebleken de begroting van OCenW bij te stellen. De bijstellingen zijn in tabel 3 weergegeven.

Tabel 3 Bijstellingen geautoriseerde begroting 1998 (bedragen x 1 miljoen)
UITGAVEN19992000200120022003
Leerlingenvolume:     
– hoger beroepsonderwijs0,023,055,052,049,0
– overig23,414,923,551,540,1
Leerlingenkenmerken74,783,2– 18,3– 11,8– 34,5
Uitbreiding opleidingscapaciteit tandheel- en geneeskunde0,07,010,013,016,0
Leraren in opleiding18,018,018,018,018,0
Onderwijsvernieuwing voortgezet onderwijs10,010,010,010,010,0
Uitstel pro rato lesgeld en prestatienorm– 22,210,010,02,03,0
Meerkosten contract OV-studentenkaart126,090,039,038,038,0
Gemiddelde personeelslasten– 51,6– 54,5– 48,6– 85,8– 84,2
Intertemporele verschuiving48,07,0– 69,0– 104,00,0
Wachtgelden– 4,4– 28,9– 51,7– 56,4– 56,3
Huisvesting131,9131,6131,3130,8130,8
Diversen71,017,873,214,1– 47,1
Totaal bijstellingen424,8329,1182,471,482,8
Technische verschillen     
Studieleningen49,128,982,023,369,3
Overige technische verschillen550,3581,5593,4636,2636,4
Totaal technisch599,4610,4675,4659,5705,7
TOTAAL OVERIGE BIJSTELLINGEN1 024,2939,5857,8730,9788,5

Leerlingkenmerken

De ontwikkeling in de leerlingen kenmerken doet zich voornamelijk voor op het beleidsterrein SF. De gerechtigden op een aanvullende beurs krijgen gemiddeld een hoger bedrag uitgekeerd. Ook de uitgaven voor tegemoetkoming studiekosten zijn hoger dan eerder was voorzien. Alleen in 2000 is er sprake van een tegengesteld effect.

Leerlingvolume

• hoger beroepsonderwijs

De hogere tellingen in het hbo leiden tot een bijstelling van de raming met 18 000 studenten meer in 2002–2003. Met deze ophoging wordt voor een deel voorzien in het opvangen van de consequenties.

• overig

De leerlingenontwikkelingen op de beleidsterreinen primair onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs en volwasseneneducatie wisselen sterk. De demografische factoren veroorzaken in het primair en voortgezet onderwijs met name vanaf 2002 meer uitgaven. Veranderingen in schoolkeuze in de onderbouw van het voortgezet onderwijs leiden in 2002 en 2003 tot een neerwaartse bijstelling van de raming van het aantal leerlingen van de beroepsopleidende leerweg.

Uitbreiding opleidingscapaciteit tandheelkunde en geneeskunde

Het vorige Kabinet heeft besloten dat vanaf het studiejaar 2000–2001 de capaciteit van de opleidingen voor tandheelkunde en geneeskunde zal worden uitgebreid vanwege de maatschappelijke behoefte. Voor geneeskunde betekent dit 63 opleidingsplaatsen en voor tandheelkunde 15 opleidingsplaatsen extra.

Leraren in opleiding

Om de experimenten met leraren in opleiding te kunnen continueren, is vanaf 1999 een bedrag van f 18 miljoen toegevoegd aan de OCenW-begroting.

Onderwijsvernieuwing

In het kader van vernieuwingsoperaties mavo/vbo en profiel tweede fase is vanaf 1999 structureel een bedrag van f 10 miljoen uit VO middelen ingezet voor de ontwikkeling van nieuwe (examen)programma's.

Uitstel pro rato en prestatienorm

In het Regeerakkoord is besloten de wetsvoorstellen pro rato lesgeld en verhoging prestatienorm niet door te laten gaan. De effecten van dit afstel zijn in het Regeerakkoord berekend ten opzichte van de situatie waarin deze maatregelen één jaar zijn uitgesteld. De besparingsverliezen van het jaar uitstel zijn bij de Voorjaarsnota 1998 op de begroting van OCenW gecompenseerd. Deze betreffen:

• uitstel pro rato lesgeld

Dit uitstel levert per saldo een besparingsverlies op van in 1999 f 49,5 miljoen. Het bedrag van – f 22,2 miljoen uit bovenstaande tabel in 1999 heeft betrekking op de lagere WTS-uitgaven. In tabel 4 staan de gevolgen van het uitstel voor de lagere lesgeldontvangsten.

• uitstel verhoging prestatienorm studenten

Het in eerste instantie met een jaar uitstellen van deze maatregel levert een besparingsverlies van in totaal f 25 miljoen over de periode 2000–2003.

Meerkosten contract OV-kaart

De meerkosten van het contract voor de OV-jaarkaart voor de periode 1998–2002 zijn aan de begroting van OCenW toegevoegd.

Gemiddelde personeelslasten

De gemiddelde personeelslast (gpl) in het primair onderwijs is gebaseerd op een nieuwe berekening van het aantal personeelsleden in de meerjarenraming en de effecten daarvan op de verdeling van het personeel over de salarisschalen en de daarmee samenhangende werkgeverslasten. Daarbij is rekening gehouden met de in de begroting aanwezige budgetten, die gevoelig zijn voor veranderingen in het personeelsbestand.

Daarnaast is de gpl verlaagd ten opzichte van een eerdere raming op basis van een nacalculatie over 1997. Het betreft hier dus uitsluitend prijsbijstellingen.

Intertemporele verschuiving

Met deze intertemporele verschuiving wordt in 1998 het tekort afgedekt dat via de eindejaarsmarge 1997 naar 1998 is doorgeschoven.

Wachtgelden

De verschuiving binnen de post wachtgelden bestaat uit de volgende onderdelen:

• In de begroting 1998 waren middelen gereserveerd voor de ophoging van de wachtgeldbudgetten. Op grond van de afspraken, gemaakt naar aanleiding van het onderzoek «De Jaren Tellen», zijn de wachtgeldbudgetten van de beleidsterreinen po, vo en bve bijgesteld. De resterende middelen zijn ingezet voor andere knelpunten binnen de begroting van OCenW;

• Op grond van de verwachte arbeidsmarktontwikkelingen is bij Voorjaarsnota rekening gehouden met een verlaging van de wachtgelduitgaven. Deze reeks is oplopend, vanaf 1999 f 10 miljoen en vanaf 2000 f 20 miljoen per jaar.

• Prioritering van middelen binnen de BVE begroting ten einde een constant budget voor wachtgelden te kunnen realiseren.

Huisvesting

Vanaf 1999 zijn de gebruikers van huisvesting huur verschuldigd aan de Rijksgebouwendienst. Voor deze decentralisatie van de rijkshuisvesting wordt structureel een bedrag van ongeveer f 130 miljoen toegevoegd aan de begroting. Deze bedragen zijn verdeeld over de beleidsterreinen ministerie algemeen (17), onderzoek en wetenschapsbeleid (23) en cultuur (27).

Diversen

Dit is het saldo van de overige mutaties die zich voordoen op de verschillende beleidsterreinen.

Studieleningen

De stijging van de uitgaven aan studieleningen wordt onder meer veroorzaakt door:

• de meeruitgaven aan de prestatiebeurs;

• meeruitgaven rentedragende lening.

Overige technische bijstellingen

De technische bijstellingen bestaan uit de loonbijstelling 1998, de prijsbijstelling 1998 en diverse overboekingen. In het kader van de Voorjaarsnota 1998 heeft het Kabinet besloten structureel te korten op de prijsbijstelling. Daardoor wordt vanaf 1998 25% van de normale prijsbijstelling toegevoegd aan de begroting van OCenW. De grootste post is de loonbijstelling 1998 van circa f 400 miljoen.

Ontvangsten

De volgende tabel laat de ontvangstenverschillen zien van de ontwerpbegroting 1999 en de geautoriseerde begroting 1998.

Tabel 4 toelichting verschillen in ontvangsten (bedragen x 1 miljoen)
ONTVANGSTEN19992000200120022003
Uitstel pro rato lesgeld (zie ook tabel 2)– 71,7    
lesgelden7,36,04,32,42,4
Diversen202,321,3– 19,3– 18,8– 60,0
Technische mutaties82,061,647,069,970,0
TOTAAL OVERIGE BIJSTELLINGEN219,988,932,053,512,4

Uitstel pro rato voorstel

Het uitstel van het pro rato lesgeld zou per saldo een besparingsverlies opleveren in 1999 van f 49,5 miljoen. De f 71,7 miljoen in 1999 betreffen de lagere lesgeldontvangsten als gevolg van het uitstel. Met het regeerakkoord wordt hiervoor compensatie geboden.

Lesgelden

De lesgeldontvangsten zijn afhankelijk van de kosten van het onderwijs. Deze kosten zijn meer gestegen dan verwacht, onder andere door de loonstijging in de afgesloten CAO's. Dit zorgt voor een hoger normatief lesgeldbedrag dan geraamd. De daling die optreedt na 2001 in de lesgeldontvangsten is het gevolg van een daling van het aantal lesgeldplichtigen

Diversen

Deze mutaties hebben betrekking op de ontvangsten van studiefinanciering en lesgelden. Hieronder valt mede de aflossing van renteloze voorschotten, rentedragende leningen en kortlopende schulden. De ontvangsten nemen per saldo af, omdat de aantallen studenten met een renteloos voorschot afnemen. Ook de opnieuw uitgestelde verkoop van het NOB is onder deze post opgenomen. Dit is een bedrag van f 155 miljoen.

Technische mutaties

De technische verschillen bestaan uit desalderingen en diverse overboekingen.

11.3 Aansluiting geautoriseerde begroting 1998 en ontwerp-begroting 1999

Hierna wordt achtereenvolgens voor de uitgaven en ontvangsten de aansluiting getoond tussen de ontwerpbegroting 1999 en de geautoriseerde begroting 1998. Het verschil wordt verklaard door de mutaties vanuit het Regeerakkoord 1998, namelijk intensiveringen en ombuigingen en de overige wijzigingen, zoals hiervoor toegelicht.

Tabel 5 verschillen in uitgaven tussen stand ontwerpbegroting 1999 en stand geautoriseerde begroting 1998 (bedragen x 1 miljoen)
UITGAVEN19992000200120022003
Ontwerpbegroting 199941 005,941 637,342 083,842 907,743 463,9
Geautoriseerde begroting 199839 614,839 884,640 157,240 608,541 037,3
Totale verschil1 391,11 752,71 926,62 299,22 426,6
bestaande uit     
Intensiveringen Regeerakkoord487,21 053,01 428,52 067,12 136,9
Ombuigingen Regeerakkoord– 120,3– 239,8– 359,7– 498,8– 498,8
Overige bijstellingen1 024,2939,5857,8730,9788,5

Tabel 6 geeft een beeld van de verschillen tussen de ontvangsten in de ontwerpbegroting 1999 en de geautoriseerde begroting 1998.

Tabel 6 verschillen in ontvangsten tussen stand ontwerp begroting 1999 en stand geautoriseerde begroting 1998 (bedragen x 1 miljoen)
ONTVANGSTEN19992000200120022003
Ontwerpbegroting 19993 656,03 537,13 487,13 516,53 474,4
Geautoriseerde begroting 19983 480,63 527,53 525,13 525,13 529,7
Totale verschil175,49,6– 38,0– 8,6– 55,3
bestaande uit:     
Intensiveringen regeerakkoord– 57,9– 105,6– 109,5– 114,6– 120,2
Ombuigingen regeerakkoord13,426,339,552,552,5
Overige bijstellingen219,988,932,053,512,4

12. DOELMATIGHEID EN DOELTREFFENDHEID

Algemeen

De overheid legt in toenemende mate verantwoording af over de effecten van haar beleid mede in relatie tot de daarvoor ingezette middelen, ofwel over de doeltreffendheid en doelmatigheid van dat beleid. Op diverse plaatsen in deze begroting, en in de publicatie «OCenW in Kerncijfers 1999», staan gegevens die de ontwikkelingen op de verschillende beleidsterreinen illustreren. Belangrijkste voorbeelden zijn: kosten per leerling of afgestudeerde, percentage gediplomeerden, rendement en verblijfsduur.

Hieronder wordt ingegaan op een aantal beleidsterreinoverstijgende effecten van onderwijsbeleid, zoals de leerprestaties, de leerwegen en opleidingsniveau van de bevolking en op het niveau van de onderwijsuitgaven.

Een internationale vergelijking

Uit internationale vergelijking blijkt dat Nederland relatief minder aan onderwijs uitgeeft dan vergelijkbare landen. In 1998 werd in Nederland 5,2 procent van het Bruto Binnenlands Product (BBP) aan onderwijs uitgegeven en bij ongewijzigd beleid zou het aandeel verder dalen tot 4,7 procent in 2003. Desondanks is Nederland er in de afgelopen jaren in geslaagd onderwijsprestaties te leveren die internationaal aan de maat waren.

Dit duidt op een goed georganiseerde samenleving, met een goede onderwijssector, ondermeer leidend tot een hoge kosteneffectiviteit van de onderwijsuitgaven.

Door de voorgenomen extra onderwijsuitgaven in het regeerakkoord, die tot f 1,8 miljard oplopen in 2003, zal het percentage van het BBP besteed aan onderwijs minder snel gaan dalen. Voor 2003 wordt een aandeel van bijna 5 procent verwacht. Door de extra beleids-inspanning wordt dus een groter deel van de welvaart aan onderwijs besteed. Dat er in de komende regeerperiode toch sprake zal zijn van een vermindering van het onderwijs-aandeel komt doordat de verwachte groei van het BBP (ca. 8%) sterker is dan de groei van de onderwijsuitgaven (ca. 5%)

kst-26200-VIII-2-1.gif

Uitgaven OCenW als % BBP

Het Nederlandse onderwijs kan niet alleen worden getypeerd als sober maar ook als doelmatig.

Een indicatie voor de kwaliteit van het Nederlandse (voortgezet) onderwijs zijn de prestaties van Nederlandse leerlingen in het laatste leerjaar van het voortgezet onderwijs in de vakken Wiskunde en Natuurwetenschappen, in vergelijking met hun leeftijdgenoten in andere OESO-landen. Nederland behoort met Zweden en Noorwegen tot koplopers binnen de OESO.

In Nederland heeft 70% van de leeftijdsgroep 25–34 jaar een diploma op het niveau van «upper secondary» (tweede fase voortgezet onderwijs of iets hoger nl. mbo). Dit betekent dat 30% van deze leeftijdsgroep het onderwijs verlaat met een lagere opleiding. Nederland scoort hiermee kst-26200-VIII-2-2.gifkst-26200-VIII-2-3.giflager dan landen als Duitsland, Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en de Verenigde Staten waar ruim 85% van de personen van 25 tot 34 jaar tenminste dat eindniveau haalt.

25–34 jarigen met minimaal Prestaties van leerlingen in het «upper secondary» opleiding (1995) laatste schooljaar vo (1995)

Doelmatige leerwegen

Sommige leerwegen worden als doelmatig beschouwd, omdat de opleidingen direct op elkaar aansluiten, bijvoorbeeld de leerweg vwo-wo. Van een aantal van deze leerwegen is hieronder het percentage leerlingen aangegeven dat kiest voor de directe weg. Het percentage (i)vbo-ers dat direct naar een beroepsopleidende leerweg (bol, voorheen mbo) of beroepsbegeleidende leerweg (bbl, voorheen leerlingwezen) gaat, is tussen 1991 en 1996 toegenomen. Ook van de mavo is de rechtstreekse doorstroom naar het bol is relatief groter geworden. Positief is de directe stroom van havo naar hbo: deze nam in vijf jaar met bijna 10% toe. Minder havisten verlieten het onderwijs en ook de stroom richting vwo werd kleiner. Het traject vbo-mbo-hbo is een «leeromweg» die vaak wordt gebruikt door laatbloeiers.

Overigens is de toename van het percentage leerlingen met een bol-diploma dat doorgaat naar het hbo (van 13,8% naar 16,6%) een gunstig effect van het bestaande beleid.

Directe leerwegen

kst-26200-VIII-2-4.gif

Van de vwo-ers ging in 1996 slechts 50% naar het wo, ruim 4% minder dan in 1991.

Meer dan 20% van de vwo-ers ging naar het hbo en een kleine 20% van de uitstroom behaalde geen vwo-diploma.

Ongediplomeerde schoolverlaters

Jaarlijks stoppen ongeveer 200 000 leerlingen en studenten definitief met hun opleiding in het voltijdonderwijs.

Het aantal leerlingen dat het onderwijs verlaat zonder een mbo- of havo/vwo- diploma te behalen (ruim 60 000 in 1996) betekent dat een grote groep jongeren niet het niveau behaalt van de primaire startkwalificatie. Het aantal studenten dat hun hbo- of universitaire opleiding zonder diploma verlaat bedraagt ruim 25 000.

Per onderwijssoort is het beeld als volgt:

Ongeveer 10% van de uitstroom uit het voortgezet onderwijs betreft jongeren die het onderwijs zonder het diploma van de laatst gevolgde opleiding verlaten. Voor het beroepsonderwijs en hoger onderwijs liggen de percentages op 20 à 25%. In de afgelopen jaren vertonen deze percentages gelukkig een dalende tendens.

Uitval per onderwijssoort

kst-26200-VIII-2-5.gif

Opleidingsniveau van de Nederlandse bevolking

Het opleidingsniveau van de Nederlandse beroepsbevolking is de afgelopen jaren toegenomen. De leeftijdscategorie 25 tot 34-jarigen is hoger opgeleid dan de categorie 55 tot 64-jarigen. Van de oudere generatie heeft 60% een opleiding op het niveau van middelbaar beroepsonderwijs en hoger; dat aandeel ligt bij de jongere generatie op ongeveer 70%.

Binnen de leeftijdsgroep 25–34 jaar zijn de vrouwen hoger opgeleid dan de mannen. In 1996 had ruim 75% van de vrouwen en 66% van de mannen een opleiding op het niveau van mbo of hoger. In 1990 had bijna 70% van de vrouwen een opleiding op mbo-niveau of hoger, tegenover 61% van de mannen.

kst-26200-VIII-2-6.gifkst-26200-VIII-2-7.gif

Opleidingsniveau van mannen en vrouwen 1996

Opleidingsniveau ouderen en jongeren (1996, in procenten)

INLEIDING OP DE BELEIDSTERREINEN

Na het algemeen deel van de memorie, spitst de toelichting zich nu toe op de beleidsterreinen van de begroting. Daarna volgt de artikelsgewijze toelichting, de agentschappen Cfi en RAD, en volgen tenslotte de bijlagen. Hieronder wordt eerst kort ingegaan op de wijziging van de artikelstructuur, het financieel beheer en het overige financiële management.

Wijziging artikelstructuur

Door ontwikkelingen in de organisatie van OCenW is de presentatie van de apparaatsuitgaven op de begroting niet meer adequaat genoeg gebleken. Oorzaken hiervan zijn met name de verzelfstandiging van de IB-Groep tot zbo en Cfi en RAD tot agentschap. Voorts waren bij de overkomst van Cultuur naar OenW in 1994 nog apparaatsuitgaven binnen de programmagelden opgenomen. Om de inzichtelijkheid in de apparaatsuitgaven van de begroting van OCenW te vergroten is de artikelstructuur voor de apparaatsuitgaven met ingang van deze begroting gewijzigd. De van de programma-uitgaven gescheiden apparaatsuitgaven worden nu op één beleidsterrein gepresenteerd.

Bij de wijziging van de artikelindeling is gekozen voor een presentatie van de artikelen in volgorde van de mate van toenemende zelfstandigheid die de betrokken onderdelen genieten. Daarom staan de uitgaven van het kerndepartement als eerste genoemd en de zelfstandige uitvoeringsorganisaties als laatste.

In onderstaande tabel is voor beleidsterrein 17 aangegeven hoe de oude artikelstructuur was en hoe de nieuwe artikelstructuur nu is opgebouwd.

 
oude artikelindelingnieuwe artikelindeling
17Ministerie algemeen17Ministerie algemeen
17.06personeel en materieel ministerie17.10Bestuursdepartement • kerndepartement • centrale budgetten
    
17.07personeel en materieel IB-Groep17.11Inspecties • personeel en materieel Inspectie van het onderwijs • personeel en materieel Inspectie Cultuurbezit
    
17.08personeel en materieel inspectie van het onderwijs17.12Cultuurinstellingen (RDMZ, ROB, RABK, ICN)
    
17.09personeel en materieel adviesraden17.13Adviesraden • Onderwijsraad • Raad voor Cultuur • Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid
    
  17.14Agentschappen • RAD • Cfi
    
  17.15Zelfstandige uitvoeringsorganisaties • IB-Groep • DZVO • USZO • VF

De inhoudelijke wijziging heeft betrekking op de volgende onderdelen:

• De Cultuurinstellingen – Rijksdienst voor de monumentenzorg (RDMZ), Rijksdienst voor het oudheidkundig bodemonderzoek (ROB), Rijksakademie van beeldende kunsten (RABK), Instituut collectie Nederland (ICN), Rijksarchiefdienst (RAD) maken deel uit van het ambtelijk apparaat. Deze zijn daarom van beleidsterrein 27 naar beleidsterrein 17 gebracht. Dit heeft verder geen gevolgen voor de artikelstructuur van beleidsterrein 27.

• Bij het artikel voor de adviesraden wordt het adviesorgaan voor het Wetenschaps- en technologiebeleid (wás onderdeel van artikel 23.01) toegevoegd aan de uitgaven voor de Onderwijsraad en de Raad voor Cultuur.

• Voor de agentschappen is een nieuw artikel gecreëerd, namelijk 17.14 agentschappen.

• Tot nu toe is er een separaat artikel voor de uitgaven personeel en materieel IB-groep geweest. Dit artikel wordt nu vervangen door een artikel, waar de IB-Groep en, voor dat deel dat betrekking heeft op het onderwijspersoneel en departementaal personeel, de Dienst Ziektekostenvoorziening Overheidspersoneel (DZVO), de Uitvoeringsinstelling sociale zekerheid voor overheid en onderwijs (USZO) en het Vervangingsfonds (VF) onder worden gebracht.

Financieel beheer

De stand van zaken van de administratieve organisatie en de accountantscontrole zijn beschreven in respectievelijk het financieel jaarverslag 1997 en het samenvattend accountantsrapport over 1997, waarnaar kortheidshalve wordt verwezen.

• financiële informatiesystemen

In 1996 heeft OCenW besloten, mede versterkt door de invoering van de euro, om een nieuwe, sterk vereenvoudigde financiële administratie in te richten.

Onder regie van een stuurgroep zijn de werkzaamheden en gevolgen voor de vereenvoudiging van de financiële administratie in kaart gebracht en uitgewerkt. Een belangrijke voorwaarde bij de wijziging van onderdelen van de administratie is dat de continuïteit geen enkel gevaar mag lopen.

Uit het gekozen groeipad vloeit voort dat er geen uniform invoeringsmoment c.q. einddatum bestaat voor de vereenvoudigde financiële administratie; de vereenvoudigde administratie wordt de komende jaren gefaseerd ontwikkeld en in gebruik genomen.

Overig financieel management

• inzicht in prestaties en effecten via kengetallen

In deze begroting wordt de lijn voortgezet om de bedragen op de beleidsterreinen toe te lichten met kengetallen. Kengetallen hebben als doel het inzicht te vergroten en de begroting toegankelijker te maken. Met behulp van kengetallen wordt een relatie gelegd tussen de uitgaven op een beleidsterrein en de prestaties die daarvoor geleverd worden. Niet ieder beleidsterrein leent zich daarvoor. Bij terreinen als cultuur en wetenschappen is geen directe relatie tussen de uitgaven en de prestaties in het veld. Het is dan ook niet mogelijk om de bedragen op deze beleidsterreinen op zinvolle wijze toe te lichten met kengetallen.

Jaarlijks wordt bepaald welk deel van de uitgaven wel op zinvolle wijze toe te lichten is met ramings- en doelmatigheidskengetallen. Van dit toe te lichten bedrag wordt dit jaar in de begroting 99 procent daadwerkelijk met doelmatigheidskengetallen onderbouwd.

Tabel: Gecorrigeerd dekkingspercentage
1999Bedrag (x f 1 mld)Dekkingspercentage
Totale uitgaven41,0 
Toe te lichten met doelmatigheidskengetallen26,4 
Gecorrigeerd dekkingspercentage (doelmatigheidskengetallen)26,299,2%

Een uitgebreide beschrijving van de kengetallen van OCenW is te vinden in «OCenW in Kerncijfers» waarvan de tweede editie tegelijk met deze begroting verschijnt.

• Euro

Binnen de departementale kaders is dit jaar de voorbereiding van de invoering van de euro verder uitgewerkt en voortgezet. Op basis van een kaderstellend departementaal draaiboek zijn door departementale eenheden specifieke draaiboeken opgesteld en in uitvoering genomen. Dit jaar nog zullen de inventarisaties als onderdeel van de verkenningsfase worden afgerond. Het betreft inventarisaties op het gebied van wet- en regelgeving, automatisering, communicatie en voorlichting. Op basis hiervan kan de planningsfase worden ingericht met de verschillende (deel)projecten bij de departementale eenheden.

De voorbereiding van de invoering van de euro kan, nu de toetredingsbeslissing tot de derde fase van de EMU is genomen, met kracht worden voortgezet.

• Millennium

Voor de millenniumproblematiek is bij OCenW een projectorganisatie ingericht. De stand van zaken van de millennium-aanpak van OCenW geeft het volgende beeld:

– de inventarisatie-fase is voor 99% afgerond;

– ongeveer een vierde deel van het totale aantal maatschappelijk vitale processen, producten en diensten betreft vitale systemen;

– de analyse-fase is voor ruim driekwart voltooid (77%);

– tegelijkertijd is voor driekwart (75%) van de geanalyseerde objecten de oplossing gestart en is 13% al gereed.

De aanpak is bij prioriteit toegepast op de meest vitale objecten bij het kerndepartement, Cfi en IB-Groep. Met betrekking tot het OCenW-veld is de aanpak met name gericht op het creëren van bewustzijn en urgentiebesef, alsook op het informeren over methoden en strategieën voor de aanpak. Dit najaar zal de feitelijke stand van zaken rond de aanpak van het millenniumprobleem door de instellingsaccountants meegenomen worden in hun reguliere review-procedure.

• Accountability, toezicht en controle

Het zogenaamde ATC-model (Accountability, Toezicht en Controle) dat vorig jaar binnen OCenW is vastgesteld heeft geleid tot het starten van verbetertrajecten ten aanzien van:

– de belegging van taken en verantwoordelijkheden op het gebied van de primaire controlfuncties;

– integrale monitoring van instellingen en beleidsterreinen op het gebied van kwaliteit, financiën, rendement en personeel;

– het toezicht op de instellingen voor onderwijs, onderzoek en cultuur;

– een eenduidig sanctiebeleid.

onderdelen van bovengenoemde verbetertrajecten zijn in 1998 aangevangen en zullen op grond van de eerste ervaringen zo mogelijk worden geïntensiveerd. Doel is om binnen enkele jaren enerzijds het inzicht van het departement te vergroten ten aanzien van de kwaliteit en de doelmatigheid van de onderscheiden sectoren en anderzijds de instellingen te stimuleren maatschappelijke verantwoording af te leggen over de door hun geleverde prestaties.

Europese wetgeving

Het kabinet heeft de Kamer in een brief van 13 oktober 1997 geïnformeerd over de organisatorische maatregelen die het naar aanleiding van de Securitel-problematiek op basis van het advies Kottman (Berenschot) heeft genomen ter verzekering in de toekomst van een tijdige notificatie (van technische voorschriften) aan de Europese Commissie. Deze maatregelen omvatten voor OCenW onder meer de aanwijzing van een notificatiecoördinator en een circulaire van de SG van 4 februari 1998. Deze circulaire beschrijft de nieuwe interne procedure inzake de naleving binnen OCenW van internationale notificatieverplichtingen. Het ligt overigens niet in de verwachting dat veel OCenW-regelingen notificatieplichtig zullen zijn.

Een andere maatregel van het kabinet betreft de instelling van de Interdepartementale Commissie Europees Recht (ICER), waarin de Directeur Wetgeving en Juridische Zaken is vertegenwoordigd. Deze commissie is belast met de coördinatie van de juridische advisering over de voorbereiding van Europees recht en de uitvoering van Europees recht in de Nederlandse rechtsorde.

Tot slot is voor OCenW van belang de voorgenomen maatregel om alle departementen te onderwerpen aan een «legal audit», welk onderzoek is gericht op de kwaliteit van de wetgevingsorganisatie van elk departement. OCenW behoort evenwel niet tot de eerste departementen die zullen worden doorgelicht.

Klantgerichtheid publieke dienstverlening

De klantgerichtheid van de agentschappen Cfi en RAD wordt beschreven in hun toelichtingen. Hier wordt kortheidshalve naar verwezen.

Voor de IB-Groep is het vergroten van de klantgerichtheid een van de hoofddoelstellingen. In de loop van 1998 zal de IB-Groep voor het eerst een kwaliteitshandvest publiceren waarin is vastgelegd op welk niveau van dienstverlening burgers de IB-Groep kunnen aanspreken. Hiermee legt de IB-Groep zich vrijwillig een «marktprikkel» op.

In 1998 is de IB-Groep gestart met een project dat gericht is op het zodanig herinrichten van de bedrijfsprocessen, dat «integrale klantafhandeling» tot stand komt. Dit houdt in dat een klant niet langer wordt afgehandeld door verschillende productgroepen en afdelingen daarbinnen, maar dat de klant centraal komt te staan en dat daaromheen de bedrijfsprocessen worden gerangschikt. De planning voor het afronden van dit herontwerp van bedrijfsprocessen beslaat ongeveer 3 jaar.

Beleidsterrein 17 MINISTERIE ALGEMEEN

Ministerie algemeen t.o.v. de totale begroting OCenW

kst-26200-VIII-2-8.gif

1. Algemeen

Beleidsterrein 17 omvat met ingang van deze begroting:

– het bestuursdepartement;

– de inspectie van het onderwijs en de inspectie cultuurbezit;

– de cultuurinstellingen (Rijksdienst voor de monumentenzorg, Rijksdienst voor oudheidkundig bodemonderzoek, Rijksakademie voor beeldende kunsten en het Instituut collectie Nederland);

– de adviesraden (Onderwijsraad, Raad voor cultuur en Adviesraad voor het wetenschaps- en technologiebeleid);

– de agentschappen Rijksarchiefdienst (RAD) en Centrale Financiën Instellingen (Cfi)

– de zelfstandige uitvoeringsorganisaties.

Op de IB-Groep na behoren al deze organisatieonderdelen tot het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen in ruime zin. De IB-Groep is een zelfstandig bestuursorgaan dat wel nauwe relaties met het ministerie onderhoudt, maar daarvan geen onderdeel uitmaakt.

Daarnaast wordt op dit beleidsterrein het aandeel van OCenW in de uitgaven van een aantal andere uitvoeringsorganisaties geraamd. Het betreft een gedeelte van de apparaatsuitgaven van de Dienst ziektekostenvoorziening overheidspersoneel (DZVO), en van de Uitvoeringsinstelling sociale zekerheid voor overheid en onderwijs (USZO). Deze diensten behoren niet tot het ministerie en hebben daar ook geen bijzondere relatie mee, maar verrichten daar wel diensten voor. Tevens worden de apparaatsuitgaven van het Vervangingsfonds inclusief de uitgaven voor het aanvullende pakket bedrijfsgezondheidszorg hier geraamd.

2. De nieuwe artikelindeling

Voor beleidsterrein 17 zal met ingang van de begroting 1999 de nieuwe artikelindeling ingaan. Door ontwikkelingen in de organisatie van OCenW bleek de presentatie van de apparaatsuitgaven namelijk niet meer adequaat. Dit werd met name veroorzaakt door de verzelfstandiging (van IB-Groep tot zelfstandig bestuursorgaan en van Cfi en RAD tot agentschap). Verder waren bij de overkomst van Cultuur naar OenW nog apparaatsuitgaven binnen de programmagelden opgenomen (op beleidsterrein 27).

Voor een uitgebreidere uiteenzetting van de gevolgen van de nieuwe artikelindeling wordt verwezen naar de inleiding op de beleidsterreinen van de memorie van toelichting. In de artikelsgewijze toelichting van dit beleidsterrein is een aansluiting gemaakt tussen de oude en de nieuwe artikelindeling, waardoor er geen informatie verloren gaat.

3. Beleid

In het regeerakkoord zijn vier taakstellende bezuinigingen opgelegd die neerslaan op de apparaatsuitgaven van het gehele beleidsterrein, te weten een arbeidsproductiviteitskorting van 0,55% per jaar, een efficiencyverbetering in het departementale inkoopbeleid, een beperking van de uitgaven voor externe advisering en vermindering van het aantal medewerkers in rijksdienst met in totaal 5% in 2002. Deze bezuinigingen lopen op van f 12,0 miljoen in 1999 tot f 47,0 miljoen in 2002. Een nadere toedeling van deze bezuinigingen langs de lijnen van het regeerakkoord zal nog plaatsvinden om tot een verantwoorde (richting het eigen personeel maar ook richting taken en prioritering) vermindering van uitgaven te komen. Naar verwachting zal in de eerste suppletoire begroting 1999 hieraan invulling gegeven worden. Vooralsnog is het totaal van deze ombuigingen geparkeerd op het nieuwe artikel 17.10.

Per 1 januari 1999 zal de invoering van een nieuw stelsel voor de rijkshuisvesting worden geëffectueerd. Daartoe zijn de middelen voor deze stelselwijziging toegevoegd aan de begrotingen van de departementen.

OCenW voert een actief personeelsbeleid. Dit houdt in dat OCenW de kwaliteit en de betrokkenheid van medewerkers stimuleert door middel van scholing, loopbaangesprekken en mobiliteit. Naast de reguliere werving en selectie voor nieuwe werknemers, is in 1997 een groep goedgekwalificeerde, pas afgestudeerde jonge academici aangetrokken, die een uitgebreid vormingsprogramma met een duur van twee jaar doorlopen. Ook in 1998 wordt een nieuwe groep van jonge academici verwacht (CAO-rijk 1997–1999). Verder wordt er geijverd voor meer instroom van leden uit de doelgroepen allochtonen, vrouwen (in functies vanaf schaal 13) en WAGW'ers. Het topmanagement wordt op het punt van actief personeelsbeleid en management development continu getraind. De meeste van de bovengenoemde activiteiten hebben een meerjarig karakter en lopen de komende jaren door.

4. Horizontale toelichting

In de horizontale toelichting wordt een beeld gegeven van het departement, inclusief Cfi en RAD, de inspecties van het onderwijs en cultuurbezit, de adviesraden en de cultuurinstellingen.

 
Bedragen x f 1 mln19992000200120022003
Totale begroting OCenW41 005,941 637,342 083,842 907,743 463,9
Apparaatsuitgaven OCenW*563,3550,1539,7527,9527,9
Apparaatsuitgaven in %1,41,31,31,21,2

* De daling van de apparaatskosten is het gevolg van de ombuigingen in het Regeerakkoord.

In de bijlagen van deze begroting staan twee onderdelen die van belang zijn voor dit beleidsterrein: de personeelsbijlage (bijlage 1) en de bijlage voorlichting (bijlage 9).

Voor de agentschappen Centrale Financiën Instellingen en de Rijksarchiefdienst wordt in aanvulling op artikel 17.14 agentschappen verwezen naar wetsartikel 3 van deze begroting. De toelichting op dit wetsartikel is opgenomen op blz. 286.

Beleidsterrein 18 PRIMAIR ONDERWIJS

Primair onderwijs t.o.v. de totale begroting OCenW

kst-26200-VIII-2-9.gif

1. Algemeen

Tot het beleidsterrein van het primair onderwijs behoren de scholen voor het basisonderwijs, scholen voor het speciaal basisonderwijs, de scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs en de schoolbegeleidingsdiensten. Met ingang van 1 augustus 1998 vormt de Wet op het primair onderwijs (WPO) de grondslag van de bekostiging van de (speciale) scholen voor het basisonderwijs. De WPO bevat de wettelijke vertaling van de maatregelen uit het akkoord «Weer samen naar school, de volgende fase» en enkele nieuwe bepalingen inzake de kwaliteitszorg van scholen, waaronder de verplichting tot het opstellen van een schoolplan, het uitgeven van een schoolgids en het instellen van een klachtencommissie. Ook de Wet op de expertise centra (WEC) is met ingang van diezelfde datum in werking getreden. Intussen is het wetsvoorstel leerlinggebonden financiering in procedure gebracht. Het nieuwe wettelijk kader stimuleert basisscholen om zelf leerlingen met leer- of gedragsproblemen of handicaps op te vangen en brengt belangrijke wijzigingen mee in de bekostiging van reguliere basisscholen en speciale basisscholen.

2. Beleid

Voor de komende jaren is een investeringsprogramma ontwikkeld dat er toe leidt dat met ingang van het schooljaar 2002/2003 een onderbouw-ratio van 1 leerkracht op 20 leerlingen wordt bereikt. In de schooljaren 2000/2001 en 2001/2002 zal gefaseerd naar die ratio worden toegewerkt. Budgettair vertaalt dit zich in een oplopende investeringsreeks f 100 miljoen in 2000, f 330 miljoen in 2001, f 580 miljoen in 2002 en f 720 miljoen in 2003.

De verantwoordelijkheid voor de huisvesting van de scholen ligt bij de gemeenten. Om de gemeenten in staat te stellen tijdig de noodzakelijke bouwactiviteiten te realiseren, zullen extra middelen aan het Gemeentefonds worden toegevoegd. Al in 1999 gaat het om een eerste bedrag van f 40 miljoen. Dit bedrag loopt op tot f 90 miljoen in 2000, f 130 miljoen in 2001 en f 180 miljoen in 2002. De middelentoekenning aan het Gemeentefonds loopt voor op de formatie-uitbreiding bij de scholen, zodat het mogelijk is de bouwkundige voorzieningen zoveel mogelijk voorafgaand aan de formatieve stappen in de klassenverkleining te realiseren.

Voortgangsrapportage

Al met al is er sprake van een ambitieus investeringsprogramma dat de komende jaren gerealiseerd zal gaan worden. Niet voor niets heeft de Tweede Kamer dit programma aangemerkt als een groot project, waarover zij goed geïnformeerd wenst te worden. In de vorm van voortgangsrapportages wordt in de komende periode gedetailleerd ingegaan op de planning en uitvoering van het programma. In de maand oktober verschijnt de volgende voortgangsrapportage, waarin de uitgewerkte planning van activiteiten voor deze kabinetsperiode is opgenomen.

Beleidsagenda primair onderwijs
 199819992000 tm 2003
1. Versterking kwaliteit basisonderwijs
Groepsgrootte en kwaliteit met accent op de onderbouw en op taal en rekenen: – tussendoelen/leerlijnen – leerlingvolgsystemen – kwaliteit van methoden – professionalisering schoolleiders en leerkrachtenBesluitvorming over vervolgstappen– Uitwerken en implementatie vervolgstappen – Implementatie kwalitatieve maatregelen 
    
Expertisecentrum NederlandsUitvoering  
    
Herziening kerndoelen1 augustus: nieuw besluit van krachtGefaseerd toezicht door inspectie
    
Informatietechnologievergoeding aan basisscholen voor aanschaf apparatuur  
    
Schoolplan, schoolgids, klachtenrechtInwerkingtreding wetgeving en installatie klachtencommissie door schoolbestuur: 1 augustus1 januari 1999: eerste schoolplan en schoolgids gereed. 
    
2. Omgaan met verschillen en inte- gratie leerlingen
Experimenten vroegtijdige aanpak onderwijsachterstandenDoorlopend tot 1999  
    
Weer samen naar school en de Wet op het primair onderwijs1 augustus: inwerkingtreding WPO: invoeringsjaar bekostiging1 augustus 1999: volledig in werking treden nieuwe bekostigingssystematiek 
    
Leerlinggebonden financieringStart beleidsplan « Rugzak»TK-behandeling wetsvoorstel1e fase  
    
3. Versterking van de (bestuurlijke) organisatie   
Decentralisatie huisvesting evaluatie: 1 september 1999 
    
Gemeentelijk onderwijsachterstanden beleid (GOA)1 augustus: volledige inwerkingtreding GOA-wet. Gemeentebesturen stellen gemeentelijk onderwijs- achterstandenplan vast AMvB specifieke uitkering aan gemeenten tegemoetkoming bestrijding onderwijs-achterstanden: inwerkingtreding: 2002
    
Onderwijs in allochtone levende talen1 augustus: invoering  
    
Schoolbegeleidingsdiensten (SBD)  Bij positieve evaluatie: vanaf 2002 toevoeging SBD- middelen aan gemeentefonds
    
Bestuurlijke krachtenbundelingStimuleringsregeling vanaf 1-8-1997 t/m 2000/2001
    
Aanpassing scholenbestandNotitie bestuurlijke invloed van ouders op de identiteit, schoolstichting en instandhouding, leerlingenvervoer  

2.1 Versterking van de kwaliteit

Met dit investeringsprogramma wordt een noodzakelijke voorwaarde vervuld om de kwaliteit van het basisonderwijs te versterken. Maar kleinere klassen leiden alleen tot beter onderwijs als de wijze waarop het onderwijs wordt gegeven door de leraar ook zo wordt ingericht dat alle leerlingen in de groep hier optimaal van kunnen profiteren. Van de scholen mag verwacht worden dat zij nu zelf maximaal investeren in een verbetering van de inrichting van het onderwijs, in het bijzonder in de onderbouw. Scholen zullen zich op dit punt moeten verantwoorden, niet alleen tegenover de ouders maar ook tegenover de Inspectie. Schoolgids en schoolplan zijn nieuwe instrumenten die in deze verantwoording een rol zullen spelen. De Inspectie ziet erop toe dat de verbeteringen in het onderwijs ook daadwerkelijk gerealiseerd worden. Bij de versterking van de rol van de Inspectie wordt ervoor gezorgd dat de Inspectie ook effectief over de mogelijkheden tot controle beschikt. Via de versterking van de publieke verantwoording achteraf door de scholen kan het toezicht op de inzet van de middelen voor klassenverkleining effectief plaatsvinden. Daarmee kan worden voorkomen dat via complexe centrale regelgeving de inzet van de middelen vooraf gestuurd moet worden. Scholen krijgen daarmee de ruimte om de middelen in te zetten op een wijze die het beste past bij de eigen situatie. Daarmee wordt de lijn van autonomievergroting en deregulering verder doorgezet.

In het kader van de eerder aangekondigde voortgangsrapportage over de klassenverkleining zal een nadere uitwerking van de verantwoordingssystematiek voor de effectieve inzet van de klassenverkleiningsmiddelen plaatsvinden.

Ondersteuning

Bij de verbetering van de inrichting van het onderwijs zullen scholen zo goed mogelijk ondersteund worden. Daarbij wordt verder gebouwd op de kwaliteitsmaatregelen die zijn aangekondigd in de nota «Groepsgrootte en kwaliteit». Hierna volgt de stand van zaken ten aanzien van deze maatregelen.

Met de hulp die scholen van de overheid ontvangen wordt voortgebouwd op de in het plan «Groepsgrootte en kwaliteit» aangekondigde maatregelen. Het accent ligt ook de komende jaren op versterking van de kwaliteit van het onderwijs in de onderbouw, met daarbinnen opnieuw veel aandacht voor de verbetering van de kwaliteit van het taal- en rekenonderwijs.

De in 1998 tot stand gekomen voorstellen voor de kerndoelenvoor het basisonderwijs beogen de richting aan te geven voor de ontwikkeling van 4- tot 12-jarigen in de gehele breedte. De ervaringen wijzen uit dat de hanteerbaarheid van kerndoelen voor scholen aandacht vraagt. Ook blijken kerndoelen weinig sturing te geven aan het onderwijs in de onderbouw. Om die redenen staat in het plan «Groepsgrootte en kwaliteit» het voorstel om te gaan werken met tussendoelen en leerlijnen. Tussendoelen bieden duidelijker bakens voor het aanbod in de afzonderlijke leerjaren van de basisschool. Door de inbedding van tussendoelen in leerlijnen – waar bijvoorbeeld ook vakconcepten en pedagogische en organisatorische aanwijzingen deel van uitmaken – zal bovendien de hanteerbaarheid voor scholen groter worden.

Het tot stand brengen van leerlijnen en tussendoelen wordt intensief voortgezet. In het voorjaar van 1998 is een eerste uitwerking tot stand gekomen van tussendoelen en leerlijnen voor het rekenonderwijs. Op basis van de reacties hierop worden deze verder uitgewerkt. In de zomer van 1998 zijn ook proeven van leerlijnen en tussendoelen voor een deel van het taalonderwijs gereed gekomen.

Door het beschikbaar stellen van goede informatie over de kwaliteit van leermethoden kunnen scholen bij vervanging van een oude methode, een verantwoorde keuze maken. Een (eerste) gids met beoordelingen van het rekenonderwijs is december 1997 uitgebracht; eind december 1998 is de gids met beoordelingen van taalmethoden gereed.

Veel aandacht krijgt ook de ontwikkeling van goede leerlingvolgsystemen voor alle leerlingen. Aan het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum (APS) is gevraagd om op korte termijn advies uit te brengen over de criteria waaraan zulke volgsystemen moeten voldoen. Met behulp van deze criteria kunnen scholen dan een keuze maken uit een van de bestaande systemen en kunnen ontwikkelaars nieuwe systemen opzetten. De belangrijkste criteria voor goedkeuring van een leerlingvolgsysteem worden in de regelgeving vastgelegd.

Taalbeheersing is een voorwaarde voor leerlingen om op school goed mee te kunnen doen. Bij het werken aan de kwaliteit van het onderwijs neemt het taalonderwijs dan ook een centrale positie in. Het Expertisecentrum Nederlands (ECN) van de Katholieke Universiteit Nijmegen werkt aan de verbetering en vernieuwing van onderwijsmethoden en van de opleiding en begeleiding van leerkrachten. Het expertisecentrum bundelt de (wetenschappelijke) kennis en ervaring op het gebied van taalverwerving om deze geschikt te maken voor de leraar in de klas. Gewerkt wordt aan een raamplan voor het onderwijs in de Nederlandse taal, dat de inhoudelijke basis vormt van alle andere activiteiten. Het ECN heeft diverse ontwikkelingsprojecten opgezet. Voor het verkrijgen van draagvlak worden onder meer conferenties georganiseerd en netwerken ontwikkeld. De manier waarop de producten aan de scholen beschikbaar worden gesteld zal veel aandacht krijgen. Dit om het gebruik ervan te bevorderen.

Onder regie van de projectgroep Nederlands als tweede taal (NT2) zijn onderwijsleermiddelen en materialen ontwikkeld. Nu is de aandacht gericht op de implementatie: het bevorderen van het gebruik door leraren om zo bij te dragen aan een grotere mate van beheersing van de Nederlandse taal bij leerlingen die van huis uit een andere taal spreken. Het Procesmanagement voor primair onderwijs (PMPO) en dat voor voortgezet onderwijs (PMVO) ontwikkelen daartoe implementatie-activiteiten. Samen met het ECN wordt gewerkt aan een verdere integratie van het NT1- en het NT2-onderwijs.

Een aantal koppels van peuterspeelzalen en basisscholen werkt op experimentele basis met taal- en ontwikkeling-stimulerende programma's. Eind 1997 is een tussenrapportage opgeleverd en in 1999 zal de eindevaluatie beschikbaar komen. Op plaatselijk niveau is een groeiend aantal initiatieven waar te nemen als gevolg van het lokaal onderwijsachterstandenbeleid. De verwachting is dat ook deze lokale initiatieven de komende jaren meer duidelijkheid zullen verschaffen omtrent effectieve werkwijzen.

Internationaal wordt het belang van voor- en vroegschoolse educatie steeds sterker onderkend. De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) start in 1998 een review «Early childhood education and care» in twaalf westerse landen, waarbij Nederland als eerste land wordt bezocht.

Voor de ontwikkeling van het reken- en wiskunde-onderwijs is het Freudenthal Instituut aan de Universiteit van Utrecht al langere tijd actief als expertisecentrum. Dit instituut heeft het voortouw gekregen bij het ontwikkelen van leerlijnen (waaronder tussendoelen) voor het reken- en wiskunde-onderwijs. Het eerste product, de leerlijn hele getallen, is uitgewerkt tot en met groep vier. Dit wordt nu uitgebreid naar de groepen 5 t/m 8.

«InterActie» is een project dat de ontwikkeling van methodegebonden en methodegerelateerde multimedia-software ter hand heeft genomen. Deze ontwikkeling wordt geïntensiveerd; taal en rekenen hebben prioriteit. Naast methodegebonden en methodegerelateerde software zal ook aandacht worden besteed aan volledig gemultimedialiseerde methoden.

Tijdens de stimuleringsperiode blijft sprake van partnership tussen educatieve uitgevers en overheid. De eerste software-pakketten zijn eind 1997, begin 1998 op de markt gekomen. Elk methodegebonden pakket bevat een gekoppeld «intelligent» monitoring- en begeleidingssysteem. Zo'n systeem begeleidt leerlingen bij oefeningen, zorgt voor terugkoppeling aan de leerling, houdt per leerling vorderingen bij voor de leraar en kan zelfs advies geven aan de leraar over de oorzaak van fouten die door de leerling worden gemaakt.

In 1998 ontvangen de directeur, de activiteitencoördinator en de interne begeleider van elke school specifieke scholing met betrekking tot de selectie en het gebruik van multimedia software voor onderwijs op maat.

Het grote belang van kwalitatief hoogwaardig basisonderwijs vereist leraren met veel kwaliteit(en), die trots zijn op hun beroep. De verdere professionalisering van het beroep van leraar staat centraal in het beleid dat reeds is uitgezet in het kader van de nota «Vitaal leraarschap» (1993). De eind 1997 beschikbaar gekomen zogenaamde startbekwaamheidseisen voor de leraar primair onderwijs beschrijven ten behoeve van de Pabo-opleiding de kwaliteiten waaraan de leraren die in het primair onderwijs gaan werken ten minste moeten voldoen. Deze startbekwaamheidseisen zullen in regelgeving worden neergelegd.

Aan de verbetering van het imago van het leraarschap zal, evenals in 1998, veel aandacht worden besteed. In het primair onderwijs zal daarnaast bijzondere aandacht worden geschonken aan de nascholing van leraren in verband met de kwaliteitsverbetering van het onderwijs in de onderbouw en de versterking van het gebruik van de informatie- en communicatietechnologie.

Tenslotte zal de werving en selectie van leraren stevig worden uitgewerkt. De verkleining van de groepen, de vergrijzing en de arbeidsduurverkorting, alsook het toenemende aantal leerlingen, vereist een structurele toename van het aantal Pabo-studenten. Het vervolg op de – door de VNU-dagbladen met een reclame-award beloonde – zogenaamde Pabo-campagne zal gericht zijn op het beschikbaar komen van voldoende leraren vanaf het schooljaar 2002/2003. In april 1998 is de zogenaamde stille reserve met groot succes aangeschreven. Hierop kwamen ruim 24 000 reacties binnen van personen die serieus geïnteresseerd zijn in een baan als leraar in het basisonderwijs. Deze reacties komen ter beschikking van een arbeidsbemiddelende instantie, die hiermee actief aan de slag gaat. Er komen opfriscursussen voor diegenen die langere tijd uit het onderwijs zijn geweest en/of behoefte hebben aan bijscholing om goed te kunnen starten.

Kwaliteitsverbetering binnen de school vraagt om een professionele leiding. De eerst aangewezen persoon hiervoor is de schoolleider. Als manager van een moderne arbeidsorganisatie van professionals dient hij optimaal te zijn toegerust. Voor schoolleiders bestaat sinds 1994 een Opleiding schoolleiders primair onderwijs, waar veel belangstelling voor is en waarover de cursisten tevreden zijn. De schoolleider verricht de werkzaamheden op het onderwijskundig terrein, vaak samen met de adjunctdirecteur. In het schooljaar 1998–1999 zal een pilot starten met een opleiding voor adjuncten, gekoppeld aan de bestaande Opleiding schoolleiders primair onderwijs.

De lopende CAO sector 1996–1998 is geïmplementeerd. Het onderwijspersoneel heeft naast salarisverhogingen een lagere normjaartaak gekregen (adv). Alle personeelsleden kunnen kiezen over arbeidsduurverkorting in de vorm van jaar- dan wel spaarverlof. Bij het vaststellen van de mate van herbezetting van de arbeidsduurverkorting is prioriteit gegeven aan de lesgevende taken. Door de cao-afspraken en de daarbij behorende middelen die door het departement beschikbaar zijn gesteld, is het voor de scholen mogelijk de arbeidsduurverkorting in te voeren en de lesgevende taken volledig te herbezetten. Hierdoor is een verlaging van de werkdruk gerealiseerd.

In het overleg met de CAO-partners is afgesproken dat een maximum van 131 uur per jaar kan worden gespaard voor het spaarverlof. De sparende personeelsleden sparen tijd. Wanneer de spaarder het verlof opneemt, ontvangt hij het volledige salaris van de school. De gespaarde middelen, eventueel aangevuld met een gerealiseerd rendement, komen ten goede aan de school die de spaarder verlof heeft verleend en dienen ertoe om de herbezetting te kunnen bekostigen. De aanwending van het rendement vindt plaats op basis van in het Decentraal Georganiseerd Overleg (DGO) gemaakte afspraken.

2.2 Omgaan met verschillen en integratie van leerlingen

Uitgangspunt voor het basisonderwijs is een ononderbroken ontwikkeling van leerlingen. Daarvoor is het nodig dat scholen kunnen omgaan met verschillen tussen leerlingen en het onderwijsaanbod kunnen differentiëren. Voor een goed resultaat is het evenzeer van belang dat het onderwijs «opbrengstbewust» is, waarmee wordt bedoeld: doelgericht streven naar goede leerresultaten bij kinderen.Voor iedere leerling moet de lat zo hoog liggen dat het steeds een uitdaging is om de volgende stap in het leerproces te nemen. Ook voor leerlingen die speciale zorg behoeven moet op de basisschool plaats zijn. Het Weer samen naar school-beleid dat in de WPO zijn wettelijke basis heeft gekregen, geeft hier invulling aan. Het evaluatierapport «Onderwijs op maat» van de Inspectie laat zien dat het onderwijsveld zich wel sterk heeft ontwikkeld als het gaat om de kwaliteit van zorgverbreding. Echter, de ontwikkeling is nog eenzijdig en onvolledig: met name het vermogen van scholen om het onderwijsaanbod af te stemmen op de verschillen tussen leerlingen, de «differentiatie», vraagt nog de nodige aandacht. Het eerder genoemde plan «Groepsgrootte en kwaliteit» dat betere voorwaarden schept voor basisscholen om differentiatie in het onderwijsaanbod te realiseren, geeft aan deze ontwikkelingen een impuls. Verkleining van de groepsgrootte en onderwijs op maat bieden ook de noodzakelijke ruimte om emancipatie van mensen met een handicap te realiseren. Daarvoor zijn reeds belangrijke stappen gezet op het traject van de leerlinggebonden financiering.

Ook het onderwijsachterstandenbeleid is gericht op het omgaan met verschillen. Dit beleid is vastgelegd in de Wet op het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid, die in 1997 is aanvaard en per 1 augustus 1998 volledig in werking is getreden. Om het gebruik van de eerder aangekondigde didactische (taal)programma's voor jonge kinderen te stimuleren zal de wet worden aangepast.

Basisscholen moeten zoveel mogelijk alle leerlingen die zorg geven, die zij nodig hebben om een ononderbroken ontwikkelingsproces te kunnen doorlopen. Het Weer samen naar school-traject loopt al geruime tijd. Uit eerder onderzoek bleek, dat het bekostigingsstelsel de segregatie tussen regulier en speciaal onderwijs stimuleerde. Daarom is in het akkoord «WSNS: de volgende fase» een basis gelegd voor een nieuwe bekostigingssystematiek. In de Wet op het primair onderwijs (WPO) is deze bekostigingssystematiek uitgewerkt. De systeemscheiding tussen de basisschool en de speciale scholen voor kinderen met leer- en of ontwikkelingsmoeilijkheden (lom), voor moeilijk lerende kinderen (mlk) en speciale scholen voor in hun ontwikkeling bedreigde kinderen (iobk) is op dat punt doorbroken. De scholen en afdelingen voor lom, mlk en iobk zijn omgezet in speciale scholen voor basisonderwijs. Basisscholen vormen met één of meer speciale scholen voor basisonderwijs een samenwerkingsverband. Per 1 augustus 1998 zijn er circa 250 samenwerkingsverbanden van start gegaan. Ieder samenwerkingsverband stelt een zorgplan op, waarin is aangegeven hoe zorg aan leerlingen met leerproblemen gegeven wordt. Samenwerkingsverbanden stellen ook een eigen permanente commissie leerlingenzorg in. Deze besluit of een kind de zorg op een speciale school voor basisonderwijs nodig heeft, of anderszins geholpen kan worden op de reguliere basisschool. Het zorgplan bevat ook de afspraken over de besteding van de middelen. De zorgmiddelen van de basisscholen komen uit het voormalige beleidstraject «Toerusting en bereikbaarheid» (ca. f 95 miljoen) en de middelen die vrijkomen door daling van het aantal leerlingen in het speciaal onderwijs. Uitgangspunt is een basisbekostiging voor speciaal onderwijs voor twee procent van de leerlingen in het samenwerkingsverband. Wanneer meer leerlingen naar het speciaal onderwijs verwezen worden, dragen de basisscholen voor die leerlingen zorgmiddelen over aan de speciale school in hun verband. De samenwerkingsverbanden waar een hoog percentage leerlingen aan het speciaal onderwijs deelneemt, zijn bezig dit deelnamepercentage te beperken. Sinds het schooljaar 1996/1997 is een daling van de instroom van leerlingen in het speciaal onderwijs te zien.

Na de instemming van de Tweede Kamer met de hoofdlijnen van de «Rugzak» (het beleidsplan voor het onderwijs aan leerlingen met een handicap) is in 1997 een begin gemaakt met de uitwerking van maatregelen voor de eerste fase van de leerlinggebonden financiering voor de periode 1998 – 2002. In november 1997 is de notitie Tussenstand verschenen. Daarin zijn de uitgangspunten neergelegd die de grondslag vormen van het wetsvoorstel ter invoering van leerlinggebonden financiering. Het wetsvoorstel ligt thans bij de Raad van State. In het najaar van 1998 zal het aan de Tweede Kamer worden aangeboden. Het is de bedoeling dat deze wet op 1 augustus 1999 in werking treedt.

De belangrijkste uitgangspunten zijn:

1. de wettelijke regeling van de keuzevrijheid van ouders voor regulier of speciaal onderwijs;

2. de instelling van een onafhankelijke landelijke commissie van onderzoek die vaststelt of een leerling recht heeft op de voorzieningen in het (voortgezet) speciaal onderwijs;

3. de toekenning van een leerlinggebonden budget aan leerlingen die door de landelijke commissie zijn geïndiceerd gedurende de gehele periode waarop de leerling op deze speciale voorzieningen is aangewezen;

4. de explicitering van onderwijsdoelen voor leerlingen met ernstige of meervoudige handicaps, waarbij deze zo veel mogelijk gerelateerd moeten zijn aan de kerndoelen in het reguliere onderwijs.

Een en ander zal nader geregeld moeten worden bij AMvB. Deze moet tegelijk met de LGF-wet in werking treden. De uitgangspunten voor de AMvB zullen nader besproken worden met het georganiseerd onderwijsveld en de ouderorganisaties.

Leerplichtige jongeren met verstandelijke handicap

Niet voor alle kinderen is integratie in het regulier onderwijs een reëel doel. Wel blijft de doelstelling overeind dat alle leerlingen onderwijs volgen. Er zijn maatregelen in voorbereiding om te bevorderen dat leerplichtige jongeren met een ernstige verstandelijke handicap deelnemen aan het onderwijs voor zeer moeilijk lerende kinderen (zmlk). Nu blijven deze kinderen vaak verstoken van onderwijs. In voorbereiding is een aanpassing van de (wettelijke) regeling, waardoor ook deze leerplichtige kinderen onderwijs kunnen volgen dat aansluit bij hun mogelijkheden.

Justitiële internaten

Voor jongeren in een justitiële inrichting vormen educatieve activiteiten een belangrijk onderdeel van de dagbesteding. Op advies van de commissie Etty, zijn inmiddels instrumenten ontwikkeld om in deze situatie (ook) de kwaliteit te verbeteren. In 1998 zijn de ontwikkelde instrumenten aan de betrokken instellingen gepresenteerd. De betrokken veldpartijen, Justitie en OCenW zoeken naar mogelijkheden om de educatieve en onderwijsactiviteiten in de rijksinrichtingen op een zodanige manier te regelen dat deze vergelijkbaar wordt met de situatie in de particuliere inrichtingen. Gezocht wordt voorts naar de gewenste bestuurlijke inrichting van dit onderwijs.

2.3 Versterking van de (bestuurlijke) organisatie

Huisvesting, gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid (GOA), onderwijs in allochtone levende talen (OALT)

Met ingang van 1 januari 1997 is de verantwoordelijkheid voor de huisvesting van het primair en voortgezet onderwijs gedecentraliseerd naar de gemeenten. Vanaf 1 augustus 1998 is de Wet op het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid (GOA) in werking getreden. De gemeenten zijn nu zelf verantwoordelijk voor het lokale onderwijsachterstandenbeleid. Daartoe stellen zij, na overleg met de schoolbesturen, een gemeentelijk onderwijsachterstandenplan vast. In totaal wordt voor 1998–1999 f 164 miljoen aan gemeenten beschikbaar gesteld ter bestrijding van achterstanden in het primair en voortgezet onderwijs.

De gemeenten hebben per 1 augustus 1998 ook de verantwoordelijkheid gekregen voor het onderwijs in allochtone levende talen. Zij stellen, na een peiling van de behoeften onder ouders, in overleg met schoolbesturen een OALT-plan vast. De Rijksoverheid neemt het initiatief om ontwikkelingen op het terrein van onderwijsachterstanden op lokaal en landelijk niveau te evalueren. Het bedrag dat gemeenten jaarlijks gedurende de periode 1998–2002 in totaal aan OALT-middelen ontvangen, bedraagt f 128 miljoen. Dit bedrag is inclusief f 10 miljoen voor uitbreiding van het lesmateriaal voor de Nederlandse taal.

Schoolbegeleidingsdiensten

Op grond van de regeling schoolbegeleiding worden de rijksmiddelen voor schoolbegeleiding vanaf het jaar 1998 gedecentraliseerd naar de gemeenten. De gemeenten hebben nu de verantwoordelijkheid voor de instandhouding van de schoolbegeleidingsdiensten. Als de gemeenten hun bijdragen aan de schoolbegeleiding in de jaren 1998 t/m 2000 tenminste gelijk houden aan de rijksmiddelen voor schoolbegeleiding, worden deze met ingang van het jaar 2002 gestort in het Gemeentefonds. De scholen houden het primaat bij de concrete programmering van de schoolbegeleidingsdiensten. De gemeente kan een deel van de middelen beschikbaar stellen voor lokale prioriteiten. Wel moet de gemeente overleg voeren met de schoolbesturen over de hoogte van dit deel en de criteria waaraan scholen moeten voldoen om in aanmerking te komen voor schoolbegeleiding.

Vergroting beleidsruimte en bestuurlijke krachtenbundeling

De beleidsruimte van scholen op financieel en personeelsgebied is de afgelopen jaren vergroot in het kader van «Toerusting en bereikbaarheid». Institutionele schaalvergroting wordt niet verder gestimuleerd. Dat neemt niet weg dat het wenselijk blijft, dat besturen verder gaan samenwerken of fuseren om de kwaliteit op het terrein van personeels- en kwaliteitsbeleid te waarborgen of te verbeteren.

Sinds 1997 is een stimuleringsmaatregel van kracht waarbij schoolbesturen die bestuurlijk hun krachten bundelen tot eenheden met tenminste 2000 leerlingen, 10 scholen of 80 fte's, op aanvraag jaarlijks een stimuleringsbedrag ontvangen van f 150 000,- gedurende maximaal 4 jaar (tot en met het schooljaar 2000/2001). Dit bedrag kan bijvoorbeeld ingezet worden voor management, zodat schoolleiders meer armslag krijgen om hun onderwijskundig leiderschap verder te ontwikkelen. De ontwikkelingen rond bestuurlijke krachtenbundeling worden nauwgezet gevolgd. Schoolbesturen komen door bestuurlijke krachtenbundeling beter in de positie om in dialoog met de gemeente invulling te geven aan lokaal onderwijsbeleid.

Aanpassing scholenbestand en bestuurlijke vernieuwing

Er komen meer mogelijkheden voor ouders om de identiteit van de school beter in overeenstemming te brengen met hun voorkeuren. Ouders krijgen grotere bestuurlijke zeggenschap, c.q. invloed, onder meer over de identiteit van de school. Het begrip identiteit wordt daarbij breder opgevat dan de huidige, door de overheid erkende, levensbeschouwelijke richtingen. Identiteitsbepalend kunnen bijvoorbeeld ook het onderwijsconcept en het pedagogisch concept van de school zijn. De mogelijkheden van ouders om een school te stichten die past bij hun identiteitsopvatting wordt in die zin verruimd, dat aanvragen niet meer zullen worden getoetst op het aspect inrichting. De op te richten school zal wel moeten voldoen aan de oprichtings- en instandhoudingscriteria van Toerusting en bereikbaarheid. Binnenkort komt het Kabinet met voorstellen voor een nieuwe systematiek van schoolstichting.

Het is een complexe vernieuwing, die de noodzakelijke zorgvuldigheid vergt. De medezeggenschap van ouders, alsook van het personeel, de gevolgen van de bestuurlijke schaalvergroting voor de effectiviteit van ouderinspraak, de positie van de schoolleider en onderwerpen als delegatie en mandaat hangen nauw met elkaar samen. Een notitie ten behoeve van de Tweede Kamer, waarin deze aspecten van zeggenschap en invloed integraal aan de orde komen, is in voorbereiding.

Door invoering van een klachtenregeling krijgen ouders die problemen hebben met de school een gegarandeerde ingang om hierover in gesprek met de school te treden. Scholen zijn verplicht om een klachtencommissie in te stellen.

Ook wordt de positie van ouders in het kader van het Rugzak-beleid versterkt. Ouders van leerlingen met een handicap krijgen een reële keuzemogelijkheid tussen regulier en speciaal onderwijs voor hun kinderen. Over de onderwijsaanpak dient tussen ouders en school overeenstemming te bestaan. De instemming van ouders met het handelingsplan is een voorwaarde voor bekostiging voor de school.

De Wet medezeggenschap onderwijs (WMO) is gewijzigd om ouders instemmingsrecht te geven bij de vaststelling of wijziging van de hoogte van de ouderbijdrage. Ook de aanvaarding van sponsorgelden waaraan wederprestaties zijn verbonden waarmee leerlingen worden geconfronteerd, valt nu onder het instemmingsrecht van ouders.

2.4 Implementatie van beleid

Procesmanagement primair onderwijs (PMPO)

Het PMPO zorgt voor informatie, belegt studiedagen en conferenties en draagt zorg voor afstemming tussen betrokken organisaties. Zo heeft het PMPO in 1997 de totstandkoming van de samenwerkingsverbanden «Weer samen naar school» begeleid en ondersteuning gegeven bij de vormgeving van het bestuursreglement, de inrichting en het zorgplan van de samenwerkingsverbanden.

De integratie op schoolniveau van het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid en andere lopende beleidstrajecten zoals weer samen naar school en het plan groepsgrootte en kwaliteit krijgen veel aandacht. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten ondersteunt het invoeringsproces van het onderwijsachterstandenbeleid op gemeentelijk niveau. Het verbeteren van het taalbeleid op schoolniveau voor anderstalige leerlingen is daarbij een speerpunt.

3. Horizontale toelichting

Het primair onderwijs is een zogenaamde open einde sector; de bekostiging is leerlingafhankelijk en de prijs van het personeel is grotendeels declarabel. De bekostiging van het personeel vindt plaats via het Formatiebudgetsysteem (FBS), waarbij de scholen op basis van hun leerlingenaantal en een vastgestelde verdeelsleutel een bepaalde hoeveelheid formatie krijgen toegewezen. Het FBS biedt de scholen een zekere mate van vrijheid in de wijze waarop de toegekende formatie wordt ingezet. Voor de materiële instandhouding ontvangen de scholen via de zogenaamde vereenvoudigde Londosystematiek op basis van hun leerlingenaantal een lumpsum-bedrag. De huisvestingsmiddelen worden vanaf 1 januari 1997 via het gemeentefonds verdeeld.

De grootste budgettaire onzekerheden in deze sector vloeien voort uit enerzijds de aantallen leerlingen die deelnemen aan het onderwijs en het daaruit voortvloeiende personeelsvolume. Anderzijds is de gemiddelde prijs van het personeel een onzekere factor. De realisatie van de gemiddelde prijs van het personeel kan afwijken van de raming door onder meer de samenstelling van het personeel en de CAO-afspraken.

De belangrijkste trends die zich voordoen op het terrein van het primair onderwijs zijn:

– de toename van het bekostigd personeel van 1997 tot en met 2003 met ca. 18 %;

– een stijgend leerlingenaantal gedurende de gehele planperiode;

– de daling van het aantal leerlingen per groep in het basisonderwijs in 1997, 1998 (fase 1 «groepsgrootte en kwaliteit») en vanaf 2000 (fase 2 «groepsgrootte en kwaliteit»).

Door deze ontwikkelingen stijgen de totale uitgaven en de uitgaven per leerling.

In tabel 3.1 staan de geraamde uitgaven 1999–2003 voor het primair onderwijs, in vergelijking met de gerealiseerde uitgaven in 1997 en de verwachte realisatie in 1998.

Tabel 3.1. Totaal uitgaven en ontvangsten uitgesplitst (x f 1 miljoen)
 1997199819992000200120022003
Totale uitgaven9 707,710 562,211 041,011 329,611 725,212 085,412 326,1
Personeel8 348,69 128,39 599,59 839,110 206,110 543,510 764,8
waarvan voor asielzoekers 49,245,139,136,335,335,8
– Basisonderwijs (BO)6 663,77 281,97 691,87 897,08 227,18 535,58 724,0
waarvan rechtspositionele uitkeringen149,6134,1124,5120,2127,1112,0113,8
– (Voortgezet) Speciaal onderwijs ((V)SO)1 685,01 846,41 907,71 942,11 979,02 008,02 040,8
waarvan rechtspositionele uitkeringen37,833,833,133,233,633,634,4
Materieel1 195,71 279,21 291,61 341,91 369,11 392,11 411,5
Basisonderwijs985,91 070,01 079,81 126,31 149,61 171,11 188,5
– (V)SO209,8209,2211,8215,5219,4221,0222,9
Onderwijsverzorging (BO)104,5106,5108,7108,2108,2108,0108,0
Overig58,948,141,340,441,841,841,8
– Basisonderwijs47,138,533,032,333,433,433,4
– (V)SO11,89,68,38,18,48,48,4
        
Totale ontvangsten– 51,2– 42,6– 42,5– 33,9– 33,9– 33,9– 33,9
– Basisonderwijs– 42,2– 37,7– 37,6– 29,0– 29,0– 29,0– 29,0
– (V)SO– 9,1– 4,9– 4,9– 4,9– 4,9– 4,9– 4,9
Oploop in loon- en prijsbijstelling0,00,0147,3234,3288,7297,5326,2
– Basisonderwijs0,00,0117,8177,3224,6231,3252,7
– (V)SO0,00,029,557,064,166,273,5
Gesaldeerde uitgaven in constante prijzen 10 519,610 851,211 061,411 402,611 754,111 966,1
Basisonderwijs 8 459,38 757,98 957,59 264,89 587,79 772,3
– (V)SO 2 060,32 093,32 103,92 137,82 166,42 193,8

De totale uitgaven op het beleidsterrein nemen toe van f 10,6 miljard in 1998 tot f 12,3 miljard in 2003. Deze toename betreft vooral een stijging van de personele uitgaven met circa f 1,6 miljard.

De toename van de personele uitgaven in de periode 1998 tot en met 2003 wordt verklaard door:

– demografische ontwikkelingen, dat wil zeggen stijgende leerlingenaantallen als gevolg van de bevolkingsprognose en de daarin opgenomen migratie;

– de incidentele loonbijstellingen en de in de begroting opgenomen CAO-afspraken, waaronder het effect van arbeidsduurverkorting per 1 augustus 1998;

– de afspraken in het Regeerakkoord over de verdere verkleining van de groepen 1 t/m 4 in het basisonderwijs (fase 2) vanaf 1 augustus 2000.

Naast deze stijging is er ook een daling van de personele uitgaven. Dit betreft de wachtgelden. De verschillende intensiveringen zullen namelijk leiden tot meer werkgelegenheid en derhalve tot een dalend aantal wachtgelders. Voor po wordt een besparing op de wachtgelduitgaven verwacht oplopend tot f 50 mln in 2002. Over de wijze waarop deze wachtgeldbesparing kan worden gerealiseerd zal met de betrokken partijen worden overlegd.

De materiële uitgaven stijgen tussen 1998 en 2003 met ongeveer f 132,3 miljoen als gevolg van de verwachte toename van het aantal leerlingen tot en met 2003 en de afspraken in het regeerakkoord over de aanschaf van nieuwe leermiddelen, schoonmaken en management en de tweede fase van het beleid «groepsgrootte en kwaliteit».

De uitgaven worden hieronder per onderdeel toegelicht.

a. Personeel

De omvang van de personele bekostiging in het primair onderwijs is afhankelijk van het aantal personeelsleden, de samenstelling van de te bekostigen personeelsleden en de prijs van het personeel. Het aantal te bekostigen personeelsleden is afhankelijk van het aantal leerlingen, het zogenoemde leerlinggewicht en de verhouding leerlingen en personeel, die uit de formatieregelingen voortvloeit.

In tabel 3.2 is het aantal ingeschreven leerlingen per kalenderjaar opgenomen, waarbij vanaf 1998 sprake is van een raming. De verwachting is dat het leerlingenaantal in het basisonderwijs tot en met het jaar 2003 blijft toenemen, maar deze stijging wordt wel ieder jaar minder. Volgens de huidige inzichten stabiliseert het aantal zich in het jaar 2003.

De in tabel 3.2 gepresenteerde leerlingenaantallen komen overeen met die in de Referentieraming 1998. In de aantallen per kalenderjaar zijn ook de geraamde aantallen asielzoekers verwerkt. De begrotingstotalen (tabel 3.1) zijn dan ook gebaseerd op aantallen leerlingen inclusief asielzoekers. De budgetten voor asielzoekers staan in tegenstelling tot vorig jaar niet geparkeerd op beleidsterrein 26, maar zijn opgenomen in de begroting van primair onderwijs. Alleen de extra gelden voor asielzoekers die in het Regeerakkoord zijn opgenomen staan nog centraal geparkeerd en zijn dus nog niet naar beleidsterrein verdeeld.

Tabel 3.2: Aantal ingeschreven leerlingen (x 1000)
 1997199819992000200120022003
Totaal ingeschreven leerlingen11 630,31 647,11 658,01 665,71 671,61 677,21,678.6
– basisonderwijs1 509,31 524,51 534,21 540,81 545,71 550,01 550,3
– speciaal onderwijs80,780,981,181,481,882,382,5
waarvan LOM, MLK, IOBK55,454,754,554,354,354,254,0
– voortgezet speciaal onderwijs40,341,642,743,544,144,845,7

Bron: Referentieraming 1998

1 a. Het aantal leerlingen in het jaar t wordt als volgt bepaald: 7/12 van de telling op 1 oktober in het jaar t-1 + 5/12 van het aantal leerlingen op teldatum 1 oktober van het jaar t. Op 1 oktober 1996 waren er 1501,6 basisonderwijsleerlingen en op 1 oktober 1997 1520,2. 7/12 * 1501,6 + 5/12 * 1520,2 = 1509,3 leerlingen in 1997.

b. Inclusief trekkende bevolking

c. Bij de leerlingontwikkeling in het basisonderwijs en het (voortgezet) speciaal onderwijs is rekening gehouden met de leerlingen die als gevolg van de stabilisatie-inspanning van LOM-, MLK-, en IOBK-scholen/afdelingen, naar verwachting niet instromen in het speciaal onderwijs, maar in het basisonderwijs blijven.

Gelijktijdig met de maatregel «Weer samen naar school», die opgenomen is in de Wet op het primair onderwijs is een daling te constateren van het aantal leerlingen dat deelneemt aan lom/mlk/iobk onderwijs. In de andere categorieën in het speciaal onderwijs is sprake van een lichte stijging van het aantal leerlingen. In het voortgezet speciaal onderwijs zal zich naar verwachting een stijging voordoen van gemiddeld circa 2% per jaar in de periode 1997 tot en met 2003.

Het aantal leerlingen dat speciaal onderwijs volgt is circa 5% van het totaal aantal leerlingen in het basis en speciaal onderwijs.

Naast het aantal leerlingen is ook het gewicht dat aan deze leerlingen wordt toegekend, bepalend voor de toekenning van formatie. Voor elke leerling wordt bij de toelating tot een school een gewicht vastgesteld behorend bij de gezinssamenstelling, schoolopleiding ouders en/of land van herkomst. De volgende gewichten kunnen worden toegekend naar gelang de categorie waartoe de leerling behoort: 1.0, 1.25, 1.40, 1.70 of 1.90.

Tabel 3.3: leerlingen naar gewicht voor de personele bekostiging (x1000)
 1997199819992000200120022003
Aantal leerlingen basisonderwijs
– met gewicht 1.00941,31 012,91 070,81 082,11 088,21 091,11,092.9
– met gewicht 1.25394,0341,4294,4288,3285,3283,7283,0
– met gewicht 1.401,51,41,41,41,41,41,4
– met gewicht 1.703,93,73,73,73,73,73,7
– met gewicht 1.90187,0191,0195,9200,7204,4208,0211,4
Totaal ongewogen leerlingen11 527,71 550,51 566,31 576,21 583,01 588,01 592,5
Totaal gewogen leerlingen21 797,81 810,91 819,31 832,01 841,41 849,31 856,7
Trekkende bevolking0,40,40,30,30,30,30,3
Aantal leerlingen SO81,180,780,981,181,481,882,3
– waarvan LOM, MLK, IOBK56,955,454,754,554,354,354,2
Aantal leerlingen VSO39,040,341,642,743,544,144,8

1 Het hier vermelde aantal leerlingen betreft de voor de personele uitgaven bekostigde leerlingen. Dit aantal leerlingen komt niet overeen met de gegevens in tabel 3.2. Het verschil wordt enerzijds veroorzaakt door de systematiek van bekostigen, waarbij het aantal ingeschreven leerlingen op 1 oktober van jaar t bepalend is voor de bekostiging in schooljaar t+1/t+2. Anderzijds is voor het berekenen van het bekostigde aantal leerlingen in deze tabel, het aantal ingeschreven leerlingen vermeerderd met het wettelijke opslagpercentage.

2 Exclusief het effect van de kortingsfactor uit de gewichtenregeling.

In tabel 3.3 valt een daling van de 1.25 leerlingen op. Deze daling van de leerlingen met het gewicht 1.25 is ten eerste het gevolg van een verschuiving naar leerlingen met het gewicht 1.00 als gevolg van een stijgend opleidingsniveau van de ouders. In de tweede plaats is deze daling het gevolg van de doorwerking van effecten van de aanscherping van het gewicht 1.25 vanaf de teldatum 1 oktober 1995. De aanscherping van het gewicht 1.25 houdt in dat in plaats van het opleidingsniveau van één van de ouders, het opleidingsniveau van beide ouders in aanmerking wordt genomen bij het bepalen van het gewicht van een leerling. De effecten van de aanscherping van de criteria voor het gewicht 1.25 zijn met name zichtbaar in de jaren 1997 tot en met 1999.

Het tweede punt dat opvalt in tabel 3.3 is de stijgende trend in het aantal 1.90 leerlingen (allochtone leerlingen). Dit is in lijn met de allochtonenprognose van het CBS.

Ook als het aantal 1.90 leerlingen uitgedrukt wordt in een percentage van het totale aantal basisonderwijsleerlingen is er sprake van een lichte stijging. Deze is hieronder weergegeven.

 
 1997199819992000200120022003
1.90 leerlingen/totaal aantal BO leerlingen12,2%12,3%12,5%12,7%12,9%13,1%13,3%

De personeelsformatie wordt bepaald aan de hand van een vaste voet en het aantal gewogen leerlingen. De totale formatie zal zich, volgens de huidige raming, ontwikkelen zoals weergeven in tabel 3.4. Het betreft hier normatief – dat wil zeggen op basis van de personele formatieformules – berekende aantallen. Deze aantallen kunnen afwijken van de formatie die scholen inzetten, omdat zij door middel van het formatiebudgetsysteem tot een andere invulling kunnen komen dan het normatieve patroon, bijvoorbeeld door minder personeel in hogere en meer personeel in lagere salarisschalen aan te trekken.

Tabel 3.4: Personeelsaantallen (fte)1 (x 1000)
 1997199819992000200120022003
Totaal bekostigd personeel1100,8104,7107,6109,5112,9116,6118,7
– basisonderwijs79,982,985,186,890,093,395,2
– (voortgezet) speciaal onderwijs20,921,722,522,723,023,323,6
waarvan onderwijs ondersteunend5,05,25,45,55,55,65,7
Reguliere groepsformatie270,572,974,075,678,681,783,6
– basisonderwijs59,061,262,063,566,469,471,1
– (voortgezet) speciaal onderwijs11,511,711,912,112,212,312,5

1 a) Cijfers betreffen toegekende formatie op basis van: Het Formatiebesluit WBO (basisformatie, gewichtenformatie, onderbouwformatie, vakformatie, schoolleiding (=taakrealisatie), groei, aanvullend formatiebeleid, OETC/OALT, frictie, ADV, vervanging en BAPO) en eventuele formatiegaranties. Formatiebesluit ISOVSO (onderwijzend personeel en schoolleiding, vakformatie, CuMi's, ambulante begeleiding, groei, onderwijs ondersteunend personeel, aanvullend formatiebeleid, OETC/OALT, frictie, ADV, vervanging en BAPO) en eventuele formatiegaranties. b) Cijfers exclusief faciliteiten/projecten, formatie voor trekkende bevolking, buitenlandse scholen en schoolprofielbudget.

2 Groepsformatie: ongewogen basisformatie + onderbouwformatie + vakonderwijs + frictie -/- kleine scholen toeslag. Voor het (V)SO is hier opgenomen: onderwijzend personeel + vakformatie + frictie.

De sterke toename van het totaal bekostigd personeel basisonderwijs in de periode 1997 tot en met 1999 is met name het gevolg van de extra formatie die per 1 augustus 1997 is toegekend voor de eerste fase van de verkleining van de groepsgrootte. In 1997 vloeit hier een personeelstoename van circa 1100 fte uit voort; in 1998 circa 2700 fte. In de periode 2000 tot en met 2003 neemt het bekostigde personeel verder toe als gevolg van de tweede fase van het beleid «groepsgrootte en kwaliteit» dat in het Regeerakkoord is afgesproken. Als gevolg van dit beleid zal het bekostigde personeel in 2003 naar verwachting met ruim 8000 fte zijn toegenomen.

Verder wordt de toename van het aantal bekostigde personeelsleden in het primair onderwijs veroorzaakt door de extra herbezettingsformatie die per 1 augustus 1998 wordt toegekend als gevolg van de arbeidsduurverkorting, die in de CAO 1996–1998 is afgesproken. Tenslotte draagt ook de toename van het aantal bekostigde leerlingen bij aan de toename van het aantal personeelsleden.

Bij de reguliere groepsformatie is het deel van de totaal bekostigde formatie opgenomen dat van invloed is op de groepsgrootte in het onderwijs. Zo valt bijvoorbeeld de formatie in verband met arbeidsduurverkorting, schoolleiding of vervanging buiten de reguliere groepsformatie.

Tabel 3.5: Aantal instellingen voor het primair onderwijs per 1 oktober
 96/9797/9898/9999/0000/0101/0202/03
Totaal aantal instellingen       
– basisonderwijs7 1367 0997 1197 1397 1597 1797 179
– (voortgezet) speciaal onderwijs946925925925925925925

Bron: Brin

Toelichting:

Het aantal instellingen basisonderwijs is exclusief nevenvestigingen

Het aantal instellingen (voortgezet) speciaal onderwijs is inclusief het effect van scholengemeenschapvorming in het SO lom/mlk. Indien hier geen rekening mee gehouden wordt is het aantal instellingen in het (V)SO: 977 voor 96/97 en 973 voor de jaren daarna.

Het aantal instellingen voor het basisonderwijs is gedaald van 7 136 op 1 oktober 1996 tot 7099 per 1 oktober 1997. Vanaf 1998 tot en met 2002 is weer uitgegaan van een netto-groei van 20 basisscholen per jaar. Deze groei hangt samen met de toename van het aantal leerlingen.

Tabel 3.6: Kengetallen
 1997199819992000200120022003
Leerlingen BO/groepsformatie BO25,725,425,424,323,422,422,4
        
Gemiddelde schoolgrootte       
– basisonderwijs211,5214,8215,5215,8215,9215,9216,0
– (voortgezet) speciaal onderwijs127,9132,5133,8135,0136,2137,4138,7
        
Personele uitgaven/personeel (x1000)       
– basisonderwijs83,4......
– (voortgezet) speciaal onderwijs80,5......

Toelichting:

De leerling/groepsformatie ratio is in aansluiting op de beleidsnotitie «groepsgrootte en kwaliteit» bepaald door het aantal leerlingen (inclusief wettelijk opslagpercentage) op 1 oktober te delen door de groepsformatie op 1 oktober van het desbetreffende jaar.

De daling van de leerlingen BO/groepsformatie BO ratio hangt samen de toename van het aantal personeelsleden ten gevolge van het beleid «groepsgrootte en kwaliteit».

Deze ratio is een gemiddelde voor de onder- en bovenbouw samen. Over het algemeen zullen de groepen, door het beleid «groepsgrootte en kwaliteit», in de onderbouw kleiner zijn dan in de bovenbouw.

Een andere reden waardoor de werkelijke groepsgrootte kan afwijken van de hier gepresenteerde ratio is dat scholen er voor kunnen kiezen gewichtenformatie in te zetten voor reductie van de groepsgrootte. Verder speelt ook de verdeling van de leerlingen over de jaargroepen een rol.

Rechtspositionele uitgaven

Vanaf 1995 zijn de uitgaven voor de rechtspositionele uitkeringen in verband met de oprichting van het Participatiefonds ondergebracht bij artikel 18.01 personele uitgaven.

De gegevens over 1997 betreffen realisatiecijfers.

Tabel 3.7: Kengetallen over wachtgelden
 1997
Totaal aantal wachtgelders (x 38 uur)3,343.0
Totaal wachtgelduitgaven (x f 1 miljoen)191.7
Gemiddelde uitkering per full-time wachtgelder (x f 1)57,343.7
Aantal uitkeringsrechten (x 1)7,500.0

Bron: Begrotingsuitvoeringsrapportage van USZO en Wachtgeld Informatie Systeem (WIS).

Toelichting: De uitgaven zijn gecorrigeerd voor algemene salarismaatregelen en uitkeringen die voor eigen rekening van het bestuur zijn. De aantallen fte's zijn de gemiddelden van de aantallen per maand. De aantallen zijn inclusief de suppletie-uitkeringen.

De omvang van het volume van het wachtgeld wordt uitgedrukt in 2 maten: het aantal personen en het aantal voltijdse eenheden (fte). Gekozen is voor het aantal personen in plaats van het aantal uitkeringsrechten – de maat die tot dusver is gebruikt – omdat dit beter aansluit bij doorgaans gehanteerde volume-maten van de arbeidsactiviteit en -inactiviteit.

Geteld in het aantal personen komt het wachtgeldvolume op een lager niveau dan geteld in het aantal uitkeringsrechten zoals in eerdere rapportages. Dit komt omdat een persoon meerdere uitkeringsrechten kan hebben en omdat personen die niet daadwerkelijk een werkloosheidsuitkering ontvangen onder de BWOO niet meer meegeteld worden. Dit laatste in tegenstelling tot de situatie van voor de invoering van de BWOO, waarin personen die weer werk hadden aanvaard als «slapers» werden meegeteld.

Voor omvang in fte's maakt dit niet uit (slapers worden geteld als 0 fte). Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat in het aantal fte's het uitkeringspercentage is meegewogen.

b. Materieel

Voor de bekostiging van de materiële instandhouding is door de vereenvoudiging van het Londo-stelsel met ingang van 1 januari 1997 het aantal leerlingen de belangrijkste indicator.

De materiële uitgaven stijgen tussen 1997 en 1998 met circa f 82 miljoen. Deze stijging wordt voor f 51 miljoen veroorzaakt door de uitgaven in het kader van het project «Informatie en communicatietechnologie» (ict). De resterende stijging van de uitgaven is voornamelijk toe te schrijven aan de volledige doorwerking van de eerste fase van de groepsgroottemaatregel (circa f 10 miljoen) en herbesteding van de opbrengst in het kader van de maatregel «Toerusting en bereikbaarheid» (circa f 9 miljoen).

De investering in ict is vooralsnog alleen in 1998 aan het beleidsterrein primair onderwijs uitgedeeld. De in het Regeerakkoord beschikbaar gestelde gelden voor ict moeten nog over de beleidsterreinen worden verdeeld.

De materiële uitgaven stijgen tussen 1999 en 2003 met ongeveer f 120 miljoen als gevolg van de verwachte toename van het aantal leerlingen tot en met 2003 en de afspraken in het Regeerakkoord over de tweede fase van het beleid «groepsgrootte en kwaliteit» en de aanschaf van nieuwe leermiddelen, schoonmaken en management.

c. Onderwijsverzorging

Onderwijsverzorging betreft de uitgaven voor de schoolbegeleidingsdiensten. De uitgaven van het jaar 1997 tot en met 2003 verlopen redelijk constant. Afwijkingen in deze reeks worden veroorzaakt door loonaanpassingen in het kader van de CAO 1996–1998.

Indien sprake is van een positieve evaluatie zullen de budgetten voor de schoolbegeleidingsdiensten vanaf het jaar 2002 overgeboekt worden naar het Gemeentefonds.

d. Overige uitgaven

Onder de overige uitgaven (artikel 18.05) vallen de zogenaamde niet-wettelijke uitgaven. Het gaat hier met name om de bekostiging van projectactiviteiten.

Het dalend verloop van de overige uitgaven in de periode 1997–2000 is het gevolg van overboekingen van uitgaven naar de wettelijke artikelen. Deze overboekingen betreffen voornamelijk de WRR-gelden en het budget voor zigeunerprojecten die naar het budget voor Gemeentelijk onderwijs achterstanden (GOA) beleid op artikel 18.01 zijn overgeboekt. Zie hiervoor ook de artikelsgewijze toelichting. Ook voor een verdere toelichting op de projecten wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting en de subsidiebijlage.

e. Ontvangsten

De ontvangsten op het beleidsterrein primair onderwijs hebben betrekking op de herrekening en afrekening van oude jaren.

De raming van de ontvangsten in 1998 is lager dan de realisatie van de ontvangsten in 1997. Een aantal ontvangsten, waaronder de ontvangsten als gevolg van de doorgevoerde korting in het kader van de tijdelijke Wet arbeidsbemiddeling onderwijs (TWAO), deed zich namelijk eenmalig in 1997 voor.

De geraamde ontvangsten voor de jaren 2000 tot en met 2003 zijn f 8,6 miljoen lager dan in 1998 en 1999, want in 1998 en 1999 is een verhoging van f 8,6 miljoen opgenomen in verband met de taakstelling «aanscherping controlebeleid».

4. Overige kerngegevens

De uitgaven en ontvangsten voor studiefinanciering in het voortgezet speciaal onderwijs, die met het beleidsterrein primair onderwijs samenhangen worden geraamd op het beleidsterrein studiefinancieringsbeleid (25).

Tabel 4.1: Met beleidsterrein 18 samenhangende uitgaven en ontvangsten (x f 1 miljoen)
 1997199819992000200120022003
WSF/WTS (voortgezet speciaal onderwijs)116,413,915,415,816,316,817,2
Lesgelden (voortgezet speciaal onderwijs)– 17,5– 13,2– 21,1– 23,5– 24,5– 25,6– 26,5

1 Exclusief rentedragende leningen, kasschuiven OV-studentenkaart, bijstelling aanvullende beurs en de versobering van de OV-studentenkaart. Inclusief de verschuiving van uitgaven voor voltijd studerenden VO en VSO van WSF naar WTS.

In tabel 4.2 worden de uitgaven per leerling weergegeven.

Tabel 4.2: Uitgaven per leerling (uitgaven x f 1000)
 1997199819992000200120022003
Bruto uitgaven per leerling (excl WSF/WTS, huisvesting)1       
– basisonderwijs5,15,55,85,96,16,36,5
– (voortgezet) speciaal onderwijs15,716,817,217,317,517,617,7
– totaal primair onderwijs5,96,46,66,87,07,27,3
        
Uitgaven WSF/WTS per leerling2       
– (voortgezet) speciaal onderwijs0,10,10,10,10,10,10,1
– totaal primair onderwijs0,00,00,00,00,00,00,0
        
Bruto uitgaven per leerling (excl WSF/WTS, huisvesting) in constante prijzen       
– basisonderwijs.5,55,75,86,06,26,3
– (voortgezet) speciaal onderwijs.16,816,916,817,017,017,1
– totaal primair onderwijs.6,46,56,66,87,07,1

1 Deze uitgaven zijn opgebouwd uit de gesaldeerde uitgaven op het beleidsterrein, verminderd met de lesgelden (vso). De kosten zijn gedeeld door het aantal ingeschreven leerlingen naar kalenderjaar.

2 Exclusief rentedragende leningen, kasschuiven OV-kaart en maatregelen regeerakkoord.

De uitgaven per leerling stijgen van het jaar 1997 naar 1998 met circa 8% in het basisonderwijs en met circa 7% in het (voortgezet) speciaal onderwijs. Deze stijging is onder andere het gevolg van de CAO 1996–1998 en in het basisonderwijs ook van de eerste fase van het beleid «groepsgrootteverkleining».

De uitgaven per leerling in constante prijzen nemen in het basisonderwijs in de periode van 1998 tot en met 2003 gemiddeld met circa 3 % per jaar toe. Dit is voornamelijk het gevolg van de tweede fase «groepsgrootteverkleining».

Voor een nadere verklaring wordt verwezen naar de toelichting bij de tabellen 3.4 en 3.6.

Beleidsterrein 19 VOORTGEZET ONDERWIJS

Voortgezet onderwijs t.o.v. de totale begroting OCenW

kst-26200-VIII-2-10.gif

1. Algemeen

Het beleidsterrein voortgezet onderwijs omvat de scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), voor hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo), voor voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (mavo, vbo) en de landelijke onderwijsondersteunende instellingen. De wettelijke regelingen hiervoor zijn neergelegd in de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) en de Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten (WSLOA).

Delen van het speciaal voortgezet onderwijs (svo) zullen worden gebracht onder de werking van de WVO.

2. Beleid

De belangrijkste ontwikkelingen in het beleid voor het voortgezet onderwijs richten zich op het primaire proces binnen de scholen. In het Regeerakkoord is overeengekomen om een extra impuls van f 96 miljoen hiervoor in te zetten. Met de vernieuwing van het primaire proces worden drie doelstellingen nagestreefd die met elkaar samenhangen. Dat zijn een brede ontwikkeling van alle leerlingen, het bevorderen van een actieve en zelfstandige studiehouding en het recht doen aan verschillen tussen leerlingen.

Deze doelstellingen vormen de rode draad in de onderwijsinhoudelijke vernieuwingen in de basisvorming, vmbo (mavo, vbo), svo, en havo/vwo. Het bereiken van deze doelen binnen het voortgezet onderwijs moet leiden tot een betere aansluiting op het vervolgonderwijs. Daarbij krijgt de positionering van het speciaal voortgezet onderwijs (svo) in het vo bijzondere aandacht.

De benodigde wetgeving is tot stand gebracht, zodat nu alle aandacht kan worden gericht op een zorgvuldige implementatie. Deze vernieuwingen raken het gehele beleidsterrein van het voortgezet onderwijs. Het gaat daarbij niet alleen om de hiervoor genoemde onderwijsvernieuwingen, maar ook om bijvoorbeeld de decentralisatie van het onderwijsachterstandenbeleid naar de gemeenten, de introductie van lump-sum-bekostiging voor personele en materiële uitgaven en het verbeteren van het kwaliteitsbeleid op de scholen. Nu de «piketpaaltjes» in de vorm van regelgeving zijn geplaatst, is de vertaalslag van theorie naar praktijk aan de orde.

Het voortgezet onderwijs kampt met achterstallig onderhoud. In het kader van het Regeerakkoord is in de komende vier jaar in totaal f 192 miljoen extra beschikbaar gesteld om de achterstanden in te lopen.

De kosten voor administratie, beheer en bestuur lopen op. Om hieraan tegemoet te komen wordt vanaf 1 augustus 1999 bijna f 29 miljoen extra beschikbaar gesteld.

Voor alle overheidssectoren dus ook voor het onderwijs is de vergoeding voor de incidentele loonontwikkeling vastgesteld op 0,6% in plaats van 0,8%.

Behalve het beroep dat op de scholen zelf wordt gedaan, is een belangrijke rol bij de implementatie van de diverse onderwijsvernieuwingen weggelegd voor de onderwijs-ondersteunende instellingen. Voor het beleidsterrein van het voortgezet onderwijs zijn dat de drie landelijke pedagogische centra, het Instituut voor Leerplanontwikkeling (SLO)1 en het Instituut voor Toetsontwikkeling (Cito)1. Juist vanwege het ingrijpende karakter van de vernieuwingen moet de aanwezige expertise bij deze instellingen optimaal worden gebruikt en is het voor de hand liggend de krachten op dit terrein te bundelen.

Vanaf 1999 werken zij binnen een gewijzigd wettelijk kader: de WSLOA (Stb. 1997, 290). Met ingang van 1 januari 2001 kunnen ook andere dan de nu bestaande instellingen meedingen om overheidssubsidies te krijgen voor delen van de onderwijsondersteuning. Bovendien wordt met ingang van 1999 gedurende een periode van drie jaar een deel van de middelen die tot nu toe aan de landelijke pedagogische centra en het Centrum voor Innovatie van Opleidingen (CINOP) toegekend zijn naar de scholen en roc's overgeheveld. De scholen en roc's kunnen deze middelen naar eigen inzicht besteden.

De gewijzigde wettelijke en financiële context stelt nieuwe eisen aan het functioneren van de bestaande instellingen. Flexibiliteit van de organisatie is nodig om adequaat in te spelen op de eisen die voortkomen uit de onderwijsvernieuwingen.

Zowel over de kwalitatieve als de kwantitatieve ontwikkeling van het stelsel van voortgezet onderwijs, worden inzichten verkregen met behulp van een intensieve monitoring van scholen en leerlingen. Deze geven een antwoord op de vraag of de aanvankelijk gestelde doeleinden op landelijk niveau naderbij worden gebracht. Het laatste onderwijsverslag van de inspectie laat zien dat de effectiviteit van het stelsel als geheel zich nog steeds in positieve zin ontwikkelt.

De beleidsdoeleinden en de effecten van daarvoor in te zetten middelen worden geëvalueerd. Belangrijk moment in 1999 is de (op te leveren) evaluatie van de basisvorming, die in 1993 is ingevoerd.

Bij de grote onderwijsvernieuwingen die in 1998 en 1999 van start gaan, worden van meet af aan monitoringsinstrumenten ingezet.

Op korte termijn dient deze monitoring informatie te geven of het beleid en de instrumenten die voor dit beleid beschikbaar zijn, aansluiten bij de noodzakelijke behoeften op schoolniveau.

Op schoolniveau is de school verantwoordelijk voor de onderwijsprocessen en het bereiken van de gestelde doelen.

Als sluitstuk van dit proces fungeert het stelsel van kwaliteitsbeleid. Hiervoor is in het kader van de zogeheten Kwaliteitswet (Wet van 18 juni 1998, Stb. 398) een instrumentarium geboden. Dit bestaat onder andere uit een schoolplan en een schoolgids. Specifiek voor het voortgezet onderwijs is de introductie van de kwaliteitskaart van belang.

Cursief: producten voor of activiteiten van scholen

ONDERWIJSVERNIEUWINGEN
project2e helft 19981999200020012002
0 AlgemeenOnbegrensd talent Evaluatie studie- en beroepskeuzebegeleiding  
      
Facetten en educaties     
      
 Intercultureel onderwijs    
      
1 Basisvorming Tweede helft '99: Evaluatie door inspectie beschikbaarBeleidsstandpunt evaluatie basisvorming  
      
Herziening kern- doelen basisvorming01–08 Start nieuwe generatie kerndoelen 1998–2003 Start herziening kerndoelen voor de periode 2003–2008  
      
2 Mavo/vbo/vso (wet- en regelgeving)01–08 Inwerkingtreding zorgdeel Publikatie AMvB's: – Inrichtings- en examenbesluit – bekostigingsbesluit    
      
LeerwegenVoorlichting aan ouders, leerlingen en docenten basisonderwijs01–08 Invoering in leerjaar 101–08 Invoering in leerjaar 201–08 Invoering in leerjaar 301–08 Invoering in leerjaar 4
      
Praktijk- en leerwegondersteunend onderwijsStart tweede ronde pilotprojecten Ministeriële regelingen leerwegondersteunend en praktijkonderwijs (voor 01–12 indienen aanvragen) vso wordt speciaal voortgezet onderwijs (svo); ivbo wordt leerwegondersteunend onderwijsVerplichte samenwerkingsverbanden (effectief per 01–01–99) 01–08 Mogelijkheid tot vorming van een (orthopedagogisch) zorgcentrum Vanaf 01–08–99 mogelijkheid tot samenvoeging svo-vo op basis van ministeriële regeling bekostiging/rechtspositie 01–08 Regionale Verwijzingscommissies (RVC) operationeelEvaluatie tweede ronde pilotprojecten Vervolg overgangstraject Evaluatie per 01–08 (o.a. met het oog op principebesluit invoering zorgbudget per 01–08–2002)Vervolg overgangstraject01–08 Afronding positionering svo-afdelingen bij vo

In een aantal gevallen is de invoering van maatregelen afhankelijk van de totstandkoming van wet- en regelgeving. Vermelding in de Beleidsagenda is dan onder voorbehoud van parlementaire goedkeuring.

ONDERWIJSVERNIEUWINGEN
project2e helft 19981999200020012002
Infrastructuur01–08 Start invoeringsfase (o.a. start programma handel en verkoop) KeuzerapportageGeleidelijke herschikking vbo-afdelingenGeleidelijke herschikking vbo-afdelingen  
      
3 Havo/vwo: nieuwe examenprogramma's en studiehuis01–08 Invoering profielstructuur en studielastbenadering ↓01–08 Invoering nieuwe examensystematiek Eerste examens havoEerste examens vwo 
      
Havo/vwo: wetgeving1e tranche scholen 01–08 Vak algemene natuurwetenschap- pen (ANW) mag worden ingevoerd2e tranche scholen 01–08 Invoering definitief profiel Cultuur en Maatschappij 01–08 ANW verplicht Publikatie wijziging Staatsexamenbesluit, vervolgwijziging eindexamenbesluit en examenregelingen   
INSTELLINGENBELEID: MENSEN EN MIDDELEN
project2e helft 19981999200020012002
1 Kwaliteitsbeleidconferentie EU-pilot 01–08 Klachtenregeling operationeel Introductie kwaliteitskaart01–01 Schoolgids 1999–2000 gereed 01–01 Schoolplan 1999–2003 naar inspectie 2e versie kwaliteitskaart3e versie kwaliteitskaart PISA-project  
      
2 LerarenbeleidVaststellen startbekwaamheidseisen Invoering gezamen- lijk curriculum lerarenopleidingenOpnemen startbekwaamheidseisen in wet- en regelgeving   
      
3 Lump-sum personeel01–08 Invoering landelijke gplRapportage evaluatie lump-sum   
      
4 Lump-sum materieel 01–08 Invoering nieuw stelsel materiële bekostiging (beëindiging overgangsregeling)   
      
5 Arbeidsvoorwaarden en rechtspositie01–08 Verlaging normjaartaak ↓01–08: Wijziging Kaderbesluit rechtspositie vo 01–08: verlaging lessentaak 31–12: afloop CAO OenW 96–98    
      
6 Landelijke onderwijsondersteuning 01–04 Publikatie tweede hoofdlijnenbrief Overheveling eerste ronde gelden Landelijke Pedagogische Centra (LPC) naar de scholen01–04 Publikatie derde hoofdlijnen- brief Overheveling tweede ronde LPC-gelden Verslag aan Tweede Kamer over eerste cyclus01–04 Publikatie vierde hoofdlijnenbrief Overheveling derde (en laatste) ronde LPC-gelden Evaluatie beleid middelenverdeling01–04 Publikatie vijfde hoofdlijnenbrief
      
7 Informatie- en Communicatietechnologie (ict)Strategiebepaling vervolgtraject    

JEUGDBELEID
project2e helft 19981999200020012002
1 Decentralisatie achterstandsbeleid/NT2/Lokaal Onderwijsbeleid01–08 Tweede fase invoeringMonitoring gemeentelijk onderwijsachter- standen-beleid (GOA)   
      
2 Bestrijding voortijdig schoolverlaten; regeling RMCTweede deel Almanak Voortijdig Schoolverlaten Besluit voortzetting RMC    
      
3 Jeugd en veiligheidProgramma De Veilige School Geweld op straatProgramma De Veilige School  

3. Beleidstrajecten

De planning van de beleidstrajecten, onderverdeeld in drie hoofdrubrieken, is in het bovenstaand schema weergeven. De hoofdrubrieken zijn:

– onderwijsvernieuwingen: vernieuwing van het primaire proces;

– instellingenbeleid: mensen en middelen

beleid met betrekking tot de school als organisatie, de leraren en de ondersteuning;

– jeugdbeleid

beleid met een schooloverstijgend karakter, gericht op de optimale ontplooiing van jongeren.

3.1 Onderwijsvernieuwingen: vernieuwing van het primaire proces

In het voortgezet onderwijs maken de leerlingen de belangrijkste keuzen voor het niveau en de aard van hun verdere opleiding in het beroeps- en wetenschappelijk onderwijs.

Aansluitend op de ontwikkelingen in het basisonderwijs beogen vernieuwingen in het voortgezet onderwijs in de eerste plaats de aansluiting op het vervolgonderwijs te verbeteren.

De vernieuwingen leggen ook een basis voor een leven lang leren. Bij de vernieuwing van het primaire proces worden immers de basisvaardigheden en de basiskennis die nodig zijn voor het leren leren, en ook het inzicht in het belang van een leven lang leren, sterker benadrukt.

Basisvorming

In 1999 hebben twee zaken prioriteit: implementatie en evaluatie.

Implementatie betreft de verdere uitvoering van het beleid met name rond de vernieuwde kerndoelen . De nadruk ligt op deskundigheidsbevordering en afstemming. Deskundigheidsbevordering is erop gericht docenten en schoolorganisaties zo toe te rusten dat zij onderwijs kunnen aanbieden in overeenstemming met de gewenste innovaties.

Afstemming is erop gericht de programmatische samenhang tussen basisvorming en bovenbouw te bevorderen.

vmbo

De vernieuwing van het mavo/vbo/svo is met ingang van 1 augustus 1998 van start gegaan. Vanaf die datum wordt gewerkt aan de vormgeving van het vmbo, het praktijkonderwijs en het leerwegondersteunend onderwijs. Vanaf 1 augustus 1999 zal een begin worden gemaakt met het invoeren van het stelsel van leerwegen in het vmbo.

Er komen vier leerwegen, namelijk

– een theoretische leerweg;

– een gemengde leerweg;

– een kaderberoepsgerichte leerweg;

– een basisberoepsgerichte leerweg.

De wettelijke structuur zal nu in nadere regelgeving worden uitgewerkt. Daarbij moet onder andere worden gedacht aan het vaststellen van nieuwe examenprogramma's. Verder zullen pilots worden gestart om de intrasectorale programma's te testen volgens een pedagogisch-didactische benadering, toegesneden op de leerlingen in de beroepsgerichte leerweg.

Het leerwegondersteunend onderwijs heeft als doel binnen het reguliere voortgezet onderwijs extra pedagogisch-didactische hulp te geven aan leerlingen die dat nodig hebben om het diploma te behalen in een van de leerwegen. Ook hiervoor geldt dat met behulp van pilotprojecten de verdere ontwikkeling ter hand wordt genomen. Samenwerking tussen scholen is essentieel voor een goede vormgeving van het leerwegondersteunend onderwijs.

Om leraren in staat te stellen zich goed voor te bereiden op de invoering van de vernieuwing, zullen aan scholen middelen worden toegekend. Daarmee kan de vervanging van de docenten die deelnemen aan deze nascholing worden bekostigd gedurende gemiddeld twee klokuren per docent per week bij een volledige betrekking.

Het derde element in de vernieuwing betreft de herziening van de infrastructuur. Dit onderdeel van het proces wordt aangestuurd door de regievoerder vbo-mavo. De herziening kan bestaan uit het herordenen of clusteren van afdelingen of uit het uitwisselen van afdelingen. Daardoor ontstaat een breed onderwijsaanbod binnen een school.

In zijn optierapportage heeft de regievoerder een landelijk overzicht gegeven van de voornemens van scholen over de herschikking en de wenselijkheid van flankerend beleid. In de komende periode maken scholen hun definitieve keuze en zal de besluitvorming plaatsvinden over de herziening van de infrastructuur. PMPV en de onderwijsondersteuningsinstellingen zullen de scholen bijstaan bij de invoering.

Havo/vwo

Het schooljaar 1998/1999 is het jaar waarin de profielstructuur wordt ingevoerd.

In het voorjaar van 1998 zijn de examenprogramma's formeel vastgesteld. Hiermee is de laatste belangrijke stap gezet in de formele regelgeving, zodat de eerste groep scholen voor vwo en havo kunnen beginnen met de invulling van profielen en studiehuis per 1 augustus 1998. Het gaat om een zeer ingrijpende operatie die zeker in het eerste jaar een grote inspanning van de scholen vergt. Zij worden daarbij onder andere ondersteund met intensieve voorlichting door het Procesmanagement voortgezet onderwijs (PMVO) en de onderwijsondersteuningsinstellingen.

Het invoeren van het studiehuis is een geleidelijk proces. Met het studiehuis verdwijnen niet alle vormen van lesgeven aan leerlingen, maar er komt wel meer variatie, flexibiliteit en «onderwijs op maat». De veranderingen vragen aanpassingen van schoolleiders, docenten en leerlingen, maar ook van ouders. Met het PMVO worden goede afspraken gemaakt over het volgen van deze vernieuwing, zodat tijdig eventuele problemen worden gesignaleerd en de noodzakelijke maatregelen genomen kunnen worden.

Wat de inhoud van het onderwijs betreft zal een grotere aandacht worden geschonken aan vaardigheden en «leren leren», maar kennis en inzicht blijven een belangrijk onderdeel in de nieuwe examenprogramma's. Bij de meeste leraren bestaat veel enthousiasme voor de geactualiseerde vakinhouden. Dat blijkt onder andere uit de reacties op het rapport van de commissie geschiedenisonderwijs (de commissie De Wit) en uit de bereidheid van leraren om omscholingscursussen voor de nieuwe vakken te volgen.

Leraren en schoolleiders hebben recht op goede informatie bij het realiseren van deze vernieuwingen. Adequate voorlichting en ondersteuning vormen daarom nu de belangrijkste prioriteit. Het gaat niet meer om het ontwikkelen van beleid of het tot stand brengen van regelgeving. Het komt nu aan op de implementatie waarbij de leraren een centrale rol spelen.

3.2 Instellingenbeleid: mensen en middelen

Kwaliteitsbeleid

Het kwaliteitsbeleid voor het primair en voortgezet onderwijs heeft een wettelijke basis gekregen (zie ook het algemeen deel van de memorie van toelichting en het beleidsterrein primair onderwijs).

In het najaar van 1998 wordt een conferentie gehouden ter afronding van de Nederlandse deelname aan het EU-project «Quality evaluation in 100 secondary schools». Deze conferentie is specifiek voor het voortgezet onderwijs.

De conferentie draagt ook bouwstenen aan voor de instrumentatie om het kwaliteitsbeleid in de scholen voor voortgezet onderwijs uit te kunnen voeren.

In het kader van het kwaliteitsbeleid zullen scholen schoolgidsen gaan uitbrengen en publiceert de inspectie resultaten van scholen in de vorm van kwaliteitskaarten. De inspectie heeft voor iedere school (of vestiging) een aantal doorstroom- en examenresultaten weergegeven. Ook geeft zij een aanduiding hoe deze resultaten zich verhouden tot scholen in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare groep leerlingen.

De komende jaren wordt de kwaliteitskaart verder ontwikkeld. Ouders en leerlingen kunnen de gids en kwaliteitskaart gebruiken voor keuze van een nieuwe school maar bijvoorbeeld ook voor communicatie met de eigen school. Schoolgids en kwaliteitskaart zijn uiteraard ook instrumenten voor de scholen zelf ten behoeve van hun kwaliteitsbeleid.

De bewaking van de kwaliteit maakt deel uit van het kwaliteitsbeleid op macro-niveau. Hieronder valt het prestatieniveau van het Nederlands onderwijs in internationaal opzicht.

Nederland heeft in het verleden actief deelgenomen aan internationale assessments zoals TIMSS (Third International Mathematics and Science Study) en comprehensive reading (begrijpend lezen).

Op de exacte vakken (TIMSS) scoort Nederland hoog voor alle onderzochte leeftijdscategorieën. Meestal wordt dit soort onderzoek gehouden in de leeftijdsgroep die het vo bezoekt. Komende jaren neemt Nederland deel aan een versie van TIMSS voor 13-jarigen en aan een vergelijking naar cross-curriculaire vaardigheden (CCC), zoals analyseren en informatie verzamelen.

Binnen de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) nemen bijna alle lidstaten deel aan het project Programme for International Student Assessment (PISA). Om de drie jaar worden bij 16-jarigen de vaardigheden op exacte vakken en lezen getest, voor het eerst in 2000. Met de scholen zijn afspraken nodig om te voldoen aan de hoog gestelde internationale responsnorm.

In EU-verband wordt bekeken of het mogelijk is items uit bestaande testprogramma's uit te wisselen, zoals is gebeurd bij het vak Engels (zie OCenW in Cijfers).

Lerarenbeleid

Voor een toelichting op het lerarenbeleid wordt verwezen naar het algemene deel van de memorie van toelichting.

Lump-sum personeel

Sinds 1 augustus 1998 is voor de bekostiging van scholen in het voortgezet onderwijs een landelijk gemiddelde personeelslast (gpl) per personeelscategorie van toepassing. Deze wijze van bekostiging sluit aan op het algemene beleid van dereguleren, vereenvoudigen en het vergroten van de autonomie binnen het beleidsterrein van het voortgezet onderwijs. Het beleid van de scholen zal enkele jaren met behulp van een monitor worden gevolgd.

Lump-sum materieel

Begin 1998 is het wetsvoorstel bekostigingssysteem materieel (BSM) bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal ingediend. Daarmee wordt beoogd een definitieve regeling van de materiële bekostiging in het voortgezet onderwijs tot stand te brengen. Het is de bedoeling dat het nieuwe stelsel op 1 augustus 1999 in werking treedt.

Arbeidsvoorwaarden en rechtspositie

De lopende CAO sector O&W 1996–1998 is geïmplementeerd. Het onderwijspersoneel heeft naast salarisverhogingen een lagere normjaartaak gekregen (adv). Alle personeelsleden kunnen kiezen voor arbeidsduurverkorting in de vorm van jaar-, dan wel spaarverlof. Bij het vaststellen van de mate van herbezetting van de arbeidsduurverkorting is prioriteit gegeven aan de lesgevende taken. Dit geldt ook voor het voortgezet onderwijs.

In het voorjaar van 1998 zijn bij het voortgezet onderwijs op decentraal niveau afspraken gemaakt over taakverlichting van de onderwijsgevenden. OCenW heeft bij het maken van de decentrale afspraken een bemiddelende rol gespeeld door een financiële bijdrage te leveren. Dat resulteerde in de afspraak in de CAO om de lessentaak te verlagen van 28 uur naar 26 uur per week.

Door de CAO-afspraken en de extra middelen die door het departement zijn verstrekt, is het voor de scholen mogelijk om de arbeidsduurverkorting in te voeren. Hierbij is een verlaging van de werkdruk gerealiseerd.

In decentraal overleg hebben de centrales afgesproken om een maximum van 60 uren per jaar te sparen voor het spaarverlof. De sparende personeelsleden sparen tijd. Wanneer de spaarder het verlof opneemt ontvangt hij het volledige salaris van de school. De gespaarde middelen, eventueel aangevuld met een gerealiseerd rendement, komen ten goede aan de school die de spaarder verlof heeft verleend en dienen ertoe om de herbezetting te kunnen bekostigen. Over de aanwending van het rendement worden decentraal afspraken gemaakt.

Onderwijsondersteuning

In 1999 komt het aanbod van onderwijsondersteuning voor het eerst tot stand onder het nieuwe wettelijke kader van de WSLOA. In het voorjaar van 1998 is de eerste hoofdlijnenbrief uitgebracht. Hierin is het meerjarenperspectief van de overheid over de gewenste onderwijsondersteunende processen beschreven. Op basis van deze grondslag hebben de ondersteuningsinstellingen subsidieverzoeken ingediend. In 1999 zal ook een meerjarenperspectief worden opgesteld, wederom voor een periode van twee jaar.

Informatie- en communicatietechnologie

Voor een toelichting hierop wordt verwezen naar het algemene deel van de memorie van toelichting.

3.3 Jeugdbeleid

Decentralisatie achterstandenbeleid

Voor de toelichting op het gemeentelijk onderwijs- en achterstandenbeleid verwijzen we naar het beleidsterrein primair onderwijs. Het desbetreffende beleid heeft betrekking op zowel primair als voortgezet onderwijs.

Jeugd en veiligheid

Ook in 1999 wordt de campagne «De veilige school» voortgezet. Het PMVO vervult hierin een coördinerende rol. In de campagne van «De veilige school» wordt ook aandacht geschonken aan de preventie van seksuele intimidatie. Hieraan leveren onder andere de landelijke pedagogische centra een bijdrage.

Een onderdeel van deze campagne is de Onderwijstelefoon: een telefonische dienstverlening, niet alleen voor veiligheidsvraagstukken, maar ook voor vragen en klachten van alle betrokkenen in de onderwijssectoren po en bve.

Jeugd en veiligheid (JenV) is een van de vijf terreinen van het grote-steden-beleid. In het actieprogramma JenV zijn de aanbevelingen van de commissie-Van Montfrans (1994) verwerkt.

In april 1998 verscheen de eerste rapportage «Vier jaar Van Montfrans» over de uitvoering van deze maatregelen. Op lokaal niveau sluiten maatregelen voor onderwijs, jeugd en veiligheid nauw op elkaar aan.

Eerder (in februari 1998) verscheen van de hand van de minister van Justitie de notitie «Maatregelen ter voorkoming en bestrijding van geweld op straat». Voor OCenW zijn hierin ook acties opgenomen. Op dit moment wordt gewerkt aan de uitwerking van die maatregelen die zich richten op de beleidsterreinen po, vo en bve.

Op 8 april 1998 is het wetsvoorstel ter bestrijding van seksuele intimidatie bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal ingediend.

4. Horizontale toelichting

In het voortgezet onderwijs is de lump-sum-bekostiging van kracht. De budgettaire onzekerheden beperken zich daarmee tot de ontwikkeling van het aantal leerlingen.

Tabel 4.1: Totaal uitgaven en ontvangsten, uitgesplitst (x f 1 miljoen)
 1997199819992000200120022003
a. Personeel16 064,66 376,96 690,16 754,36  854,36 980,97 106,2
– waarvan voor asielzoekers2(29,9)(32,7)(34,2)(29,6)(27,5)(26,7)(26,7)
– waarvan voor rechtspositionele uitkeringen2(225,9)(225,9)(222,9)(211,9)(206,9)(203,9)(203,9)
b. Materieel808,8906,7955,3958,8953,11 090,9985,4
c. Onderwijsverzorging107,5114,1119,2109,4103,7100,6100,6
d. Overig356,867,997,3159,2159,5156,0156,0
Totale uitgaven7 037,77 465,67 861,97 981,78 070,68 328,48 348,2
Totale ontvangsten33,926,58,98,98,18,18,1
Oploop in loon- en prijsbijstelling  72,7145,8206,0252,3255,8
Gesaldeerde uitgaven in constante prijzen vanaf 1999.7 439,17 780,37 827,07 856,58 068,08 084,3

1 De som van de personele uitgaven (a) en de materiële uitgaven (b) komt, na bijtelling van de f 96 miljoen extra middelen voor de implementatie van de vernieuwingen in het voortgezet onderwijs, overeen met de bij artikel 19.06 vermelde uitgaven.

2 De tussen haakjes geplaatste bedragen zijn opgenomen in a. Personeel. Bij de rechtspositionele uitkeringen is rekening gehouden met de taakstelling Regeerakkoord.

3 De bij Regeerakkoord toegekende extra middelen voor de implementatie van de vernieuwingen in het voortgezet onderwijs zijn in bovenstaand overzicht op d. Overig geboekt.

Van 1997 naar 1998 stijgen de totale uitgaven met ruim f 400 miljoen. Deze mutatie wordt grotendeels veroorzaakt door aanpassingen in de personele sfeer (maatregelen in het kader van de CAO 1996–1998 inclusief de aanvulling hierop, de CAO voor het voortgezet onderwijs 1998/1999, het incidenteel, maatregelen rond ABP, middelen voor profiel tweede fase en extra uitgaven voor mavo/vbo), de beleidsintensivering BSM en de toevoeging van middelen voor informatie- en communicatietechnologie.

Voor de jaren na 1998 nemen de uitgaven in hoofdzaak verder toe door een stijging van het aantal leerlingen en de oploop in de uitgaven voor de CAO voor het voortgezet onderwijs 1998/1999 en de 0,6% incidentele looncomponent.

Vanaf 1999 treden de effecten van de beleidsintensiveringen van het Regeerakkoord op (impuls vernieuwingen, inlopen achterstallig onderhoud en tegemoetkoming kosten administratie, beheer en bestuur).

De verschillende intensiveringen zullen leiden tot meer werkgelegenheid en derhalve tot een dalend aantal wachtgelders. Voor vo wordt een besparing op de wachtgelduitgaven verwacht oplopend tot f 22 miljoen in 2002. Over de wijze waarop deze wachtgeldbesparing kan worden geraliseerd zal met de betrokken partijen worden overlegd.

De daling van de ontvangstenraming hangt samen met de invoering van de lump-sum-bekostiging (1-8-1996). Dit leidt er toe dat de verstrekte vergoedingen achteraf vrijwel niet aangepast hoeven worden en er dus minder terugontvangsten en bijbetalingen zijn.

In bovenstaande toelichting is het meerjarig beeld voor het beleidsterrein voortgezet onderwijs globaal beschreven. In de navolgende tabellen wordt dit verder uitgewerkt.

a. Personeel

Van 1997 naar 1998 stijgen de personele uitgaven met circa f 313 miljoen. De belangrijkste oorzaken voor deze stijging zijn:

– de maatregelen in het kader van de CAO 1996/1998 (inclusief de aanvulling hierop per 1-1-1998);

– de CAO-vo 1998/1999 (verlaging lessentaak en Bapo-regeling);

– de incidentele looncomponent, doorwerking van het ABP-complex en de aanpassingen van de premies;

– de middelen voor Profiel tweede fase en de extra kosten van het vrijroosteren van leerkrachten in het kader van mavo/vbo;

In de latere jaren lopen de personele uitgaven verder op als gevolg van de doorwerking van de stijgende leerlingaantallen en de oploop in de uitgaven van de CAO 1996/1998, de CAO-vo 1998/1999 en de 0,6% incidentele looncomponent.

De personele bekostiging in het voortgezet onderwijs is afhankelijk van (de samenstelling van) het aantal te bekostigen personeelsleden en de prijs van het personeel. De hoeveelheid te bekostigen personeel is weer afhankelijk van het aantal ingeschreven leerlingen.

Tabel 4.2: Aantal ingeschreven leerlingen (x 1000),
 1997199819992000200120022003
Ingeschreven leerlingen829,1826,0829,9838,4850,3863,0876,4

Bron: Referentieraming 1998

Met ingang van 1999 vertonen de prognoses een duidelijke groei van het aantal leerlingen. De nu getoonde ontwikkeling hangt nauw samen met de demografie, maar – zij het in mindere mate – ook met de verwachte stabilisatie van de verblijfsduur van de leerlingen.

Overigens moet worden opgemerkt dat de feitelijke bekostiging is gebaseerd op de leerlingaantallen per schooljaar en dat deze in de personeelsaantallen doorwerken met een vertraging van één jaar (de zogenaamde t-1 bekostiging).

Tabel 4.3: Personeelsaantallen (fte x f 1000)1
 1997199819992000200120022003
Totaal bekostigd personeel 161,762,163,664,164,865,866,9
waarvan onderwijzend 149,049,450,851,251,852,653,5

1 Deze normatieve cijfers zijn inclusief aanvullende formatie, frictie-opslag, adv, schoolprofiel en seniorenopslag.

Het betreft hier normatief – dat wil zeggen op basis van de personele formatieformules – berekende aantallen. Scholen kunnen afwijken van het normatieve patroon door meer of minder personeel in de categorie directie, onderwijzend of onderwijsondersteunend personeel aan te trekken.

De toename van de personeelsaantallen wordt veroorzaakt door de stijging van het aantal leerlingen, de extra formatie door de verlaging van de normjaartaak (onderdeel van de CAO 1996–1998) en de vermindering van de lessentaak (CAO 1998/1999).

Tabel 4.4: Kengetallen over wachtgelden.
 1997
Aantal fte3 065
Uitgaven (bedragen x f 1 mln)225,9
Gemiddelde uitkering per fte (bedrag x f 1 gld)73 703
Aantal uitkeringsgerechtigden (x 1)10 390

Bron: Begrotingsuitvoeringsrapportage van USZO en Wachtgeld Informatiesysteem (WIS).

Het aantal full-time equivalenten (fte), de gemiddelde uitkering en het aantal uitkeringsgerechtigden is afgeleid van de realisatie per ultimo december 1997.

Deze aantallen staan in bovenstaande tabel vermeld.

Tabel 4.5: Aantal instellingen en gemiddelde schoolgrootte
 96/9797/9898/9999/0000/0101/0202/03
Totaal vo-scholen724691643625625625625
Gemiddelde schoolgrootte1 1451 1951 2911 3411 3601 3811 402

Bron: Basisregistratie Instellingen (BRIN) tot en met september 1997, daarna prognose conform scenario.

Integrale Leerlingtelling (ILT) 1997

Referentieraming 1998

De stabilisatie van het aantal fusies zal naar verwachting plaatsvinden omtrent 1999. De gemiddelde schoolgrootte zal in de latere jaren desalniettemin toenemen. Dit wordt veroorzaakt door de stijging van het aantal leerlingen (bij een gelijkblijvend aantal scholen).

Tabel 4.6: Uitgaven per personeelslid (x f 1000)
 1997199819992000200120022003
Personele uitgaven per full-time equivalent personeel98,3102,7105,3105,6106,0106,4106,7

In de bovenstaande tabel zijn de personele uitgaven gerelateerd aan de omvang van de formatie. Het verschil tussen 1997 en de latere jaren is een gevolg van de eerder genoemde ontwikkelingen, in het bijzonder die met betrekking tot de CAO (arbeidsduurverkorting en verlaging lessentaak), algemene salarismaatregelen en het complex van maatregelen omtrent het ABP.

b. Materieel

De bekostiging van de scholen in het voortgezet onderwijs is opgebouwd uit een bedrag per school en een bedrag per leerling (uitgesplitst in een algemeen bedrag, een bedrag voor instandhouding gebouwen en een bedrag voor schoonmaakkosten).

Door de in 1997 gepleegde beleidsintensivering BSM, de loonbijstelling en het (in 1998) toevoegen van middelen voor informatie- en communicatietechnologie loopt het budget voor materieel op tot 1999.

De stijging vanaf 1999 is het gevolg van een toename van het aantal leerlingen, het toevoegen van middelen in het kader van de Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten en een – geringe – oploop van de middelen voor de loonbijstelling.

De extra Regeerakkoordmiddelen voor administratie, beheer en bestuur worden op het onderdeel materiële uitgaven geboekt.

Voor het inlopen van de achterstand in het onderhoud zijn met het Regeerakkoord bedragen beschikbaar gesteld in de jaren 1999: f 48 miljoen, in 2000: f 24 miljoen en in 2002: f 120 miljoen.

c. Onderwijsverzorging

De uitgaven lopen tot en met 1999 op, waarna zij weer dalen. De daling wordt veroorzaakt door een interne overboeking in het kader van de Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten naar artikel 19.06 (personeel en materieel). Hiermee wordt de beoogde vraagfinanciering gerealiseerd.

d. Overig

Het niveau van de overige uitgaven stijgt aanzienlijk vanaf 1998 en vervolgens nogmaals vanaf 1999 (Regeerakkoord).

In 1998 ontvangt het ministerie eenmalig f 6 miljoen van Financiën ten behoeve van het Joods Educatief Centrum. Het budget voor projecten in het kader van het mavo/vbo is middels een interne overboeking met ruim f 5 miljoen verhoogd. De f 96 miljoen die in het kader van het Regeerakkoord ter beschikking zijn gesteld worden, in afwachting van nader overleg met het veld over de aanwending, op het artikel overige uitgaven geboekt. Voor onderwijsvernieuwing in het Voortgezet onderwijs is vanaf 1999 structureel f 10 miljoen extra beschikbaar gesteld voor de ontwikkeling van nieuwe examen(programma)'s in het kader van mavo/vbo en profiel tweede fase.

5. Overige kerngegevens

Voor het beleidsterrein voortgezet onderwijs zijn verder de volgende uitgaven en ontvangsten te geven die samenhangen met dit beleidsterrein en op een andere beleidsterrein zijn geraamd. Deze zijn ook verwerkt in de kengetallen per leerling (tabel 5.2).

Tabel 5.1: Met beleidsterrein 19 samenhangende uitgaven en ontvangsten (x f 1 miljoen)
 1997199819992000200120022003
WSF/WTS338,0315,1337,7339,7343,2348,4356,9
Lesgelden293,5209,1317,2347,9361,6379,0393,0

Exclusief rentedragende leningen, kasschuiven ov-studentenjaarkaart en de bijstelling.

De bedragen zijn exclusief de uitgaven voor leerlingen / studenten in het agrarisch onderwijs. Hiertoe zijn de bedragen met een vaste factor verlaagd.

Tabel 5.2: Uitgaven per leerling (uitgaven x f 1000)
 1997199819992000200120022003
Bruto uitgaven per leerling, excl. WSF/WTS, huisvesting8,49,09,59,59,59,69,5
Uitgaven WSF/WTS per leerling0,40,40,40,40,40,40,4
Bruto uitgaven per leerling exl. WSF/WTS, huisvesting in constante prijzen.9,09,49,39,29,39,2

In de uitgaven per leerling zit tot 1999 een oploop. Zoals hierboven, in het bijzonder in tabel 4.1 ook al is aangegeven, wordt deze oploop in grote lijnen veroorzaakt door de CAO, algemene salarismaatregelen, het ABP-complex, de vernieuwingsmiddelen en de beleidsintensivering BSM. De oploop vlakt daarna af, omdat het stijgend effect van de loonbijstellingen afneemt.

Beleidsterrein 20 BEROEPSONDERWIJS EN VOLWASSENENEDUCATIE

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie t.o.v. de totale begroting OCenW

kst-26200-VIII-2-11.gif

1. Algemeen

Het beleidsterrein van beroepsonderwijs en volwasseneneducatie (bve) omvat het secundair beroepsonderwijs en de educatie. Het beleidsterrein bve grenst aan een groot aantal terreinen buiten OCenW, zoals jeugdbeleid, de arbeidsvoorziening en het arbeidsmarktbeleid en het grote steden en integratiebeleid.

Binnen het secundair beroepsonderwijs worden twee leerwegen onderscheiden: de beroepsopleidende leerweg, vergelijkbaar met het voormalig voltijds middelbaar beroepsonderwijs, en de beroepsbegeleidende leerweg, welke vergelijkbaar is met het voormalige leerlingwezen. Binnen deze beide leerwegen worden vier kwalificatieniveau's onderscheiden. De instroom bestaat uit deelnemers, die nog geen startkwalificatie hebben.

Educatie omvat het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo), opleidingen gericht op breed maatschappelijk functioneren (vergelijkbaar met de basiseducatie), Nederlands als tweede taal en opleidingen gericht op sociale redzaamheid.

Voorts behoren tot het beleidsterrein de landelijke organen voor het beroepsonderwijs, met als kerntaken het ontwikkelen en onderhouden van de landelijke kwalificatiestructuur en de zorg voor beschikbaarheid en kwaliteit van plaatsen voor beroepspraktijkvorming. Daarnaast bevat het bve-terrein een aantal ondersteunende en overkoepelende instellingen, waaronder het Centrum voor Innovatie van Opleidingen (CINOP) en het Landelijk Diensten Centrum (LDC).

De wettelijke grondslag voor de instellingen is vanaf 1996 de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB).

2. Beleid

2.1 De WEB

2.1.1 Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB)

Vanaf 1996 is het beleid van de overheid en het bve-veld gericht op de implementatie van de Wet educatie beroepsonderwijs (WEB). De WEB biedt de kaders voor het ontwikkelen van een flexibel, hoogwaardig en op de maatschappij afgestemd bve-stelsel waarbij zelfregulerende mechanismen van vraag en aanbod centraal staan. Toegankelijkheid van het stelsel voor deelnemers met diverse achtergronden en een adequate toeleiding naar de arbeidsmarkt staan hierbij voorop.

Het bve-veld staat in 1999 voor de uitdagende taak de doelstellingen van de WEB inhoudelijk verder in te vullen, deze in het primaire proces te integreren en alle deelnemers toe te leiden naar een beroepskwalificatie.

In het Regeerakkoord worden de taak van de educatie en het beroepsonderwijs benadrukt en nieuwe accenten voor beleid aangegeven. In het algemene deel van de memorie van toelichting wordt het Regeerakkoord nader toegelicht en uitgewerkt.

2.1.2 Versterking primair proces onder de WEB

Beleidsagenda educatie en beroepsonderwijs 1995–1999

In de Beleidsagenda 1995–1999 heeft de minister van OCenW het flankerend vernieuwingsbeleid voor het invoeringsproces van de WEB neergelegd. Voor 1998 en 1999 geldt een gewijzigde systematiek ten opzichte van de daaraan voorafgaande jaren. De activiteiten van de instellingen zijn sterker gericht op vernieuwing van het primaire proces en op de samenhang van het vernieuwingsbeleid binnen de instellingen. Instellingen kiezen zelf vernieuwingsthema's, zodat de beoogde vernieuwing naadloos kan aansluiten op de specifieke situatie en het beleid van de individuele instelling. Dit leggen zij neer in een plan van aanpak. Vanaf 1 maart 1998 zijn de plannen van aanpak van de instellingen getoetst. Eind 1998 wordt gekeken naar de effecten van de nieuwe systematiek. In 1999 zullen de instellingen inhoudelijke en financiële voortgangsrapportages indienen. In 2000 zal de balans van de huidige vormgeving van de inzet van vernieuwingsgelden definitief worden opgemaakt.

Onderwijsondersteuning

De Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten (SLOA) zorgt ervoor dat vanaf 1999 onderwijsondersteunende instellingen via gedeeltelijke vraagfinanciering worden aangestuurd. Dit moet ertoe leiden dat de inzet van de middelen voor onderwijsondersteuning wordt bepaald door de vraag van de onderwijsinstellingen. De jaren 1999 en 2000 vormen een overgangsperiode. Doel van deze verandering is een zo nauw mogelijke aansluiting van de onderwijsondersteunende activiteiten bij de behoeften van de instellingen in het onderwijsveld. In 1998 is hiermee een begin gemaakt. In samenspraak met het bve-veld is de hoofdlijnenbrief 1999–2000 met de thema's voor het landelijk innovatiebeleid tot stand gekomen.

Verpleging en verzorging

Op 1 augustus 1997 zijn de ruim 100 instellingen voor het in-service onderwijs overgedragen aan roc's en aan enkele hogescholen. Tegelijkertijd is het nieuwe opleidingenstelsel verpleging en verzorging ingevoerd, conform de kwalificatiestructuur beroepsonderwijs.

In het voorjaar van 1998 is per regionaal opleidingscentrum de definitieve overgangsbekostiging tot 2000 vastgesteld. Bij de overdracht van het inservice-onderwijs ervaren enkele regionale opleidingscentra knelpunten. Er is een adviesteam in het leven geroepen dat de knelpunten onderzoekt en de minister adviseert over mogelijke oplossingen. Daarnaast wordt er gewerkt aan het inpassen van de bekostiging van het onderwijs voor verpleging en verzorging binnen de bekostigingssystematiek zoals die vanaf 2000 voor het gehele beroepsonderwijs zal gelden. De monitoring en evaluatie van het nieuwe stelsel worden opgepakt door OCenW, de Bve-raad, het betrokken landelijk orgaan en de Onderwijsinspectie.

De apparatuursituatie

Uit een onderzoek naar de apparatuursituatie, dat in mei 1998 naar de Tweede Kamer is verzonden, is gebleken dat de in de onderwijsinstellingen aanwezige apparatuur is verouderd. Tevens bleek een achterstand in de apparatuur om te kunnen voldoen aan de onderwijskundige doelstellingen die een gevolg zijn van de invoering van de WEB. Ter ondersteuning van de vernieuwingen is in het Regeerakkoord f 100 miljoen (waarvan f 4 miljoen voor LNV) extra ter beschikking gesteld voor het wegwerken van de achterstand in de apparatuursituatie.

Nieuwe taken WEB

Uit onderzoek naar de taken van regionale opleidingencentra, dat in juni 1998 naar de Tweede Kamer is gezonden, blijkt dat de instellingen door de invoering van de WEB voor een zwaardere taak staan. Om de instellingen alle taken van de WEB goed te kunnen laten uitvoeren en de kwaliteit van het bve-onderwijs te verbeteren zet het kabinet hiervoor een extra bedrag in oplopend tot f 100 miljoen structureel (waarvan f 4 miljoen voor LNV). Deze kwaliteitsimpuls zal ook het voortijdig schoolverlaten moeten tegengaan en de toegankelijkheid in de bve-sector verder moeten bevorderen.

2.2 Bekostiging WEB

De invoering van de WEB gaat gepaard met een nieuwe wijze van bekostiging van de instellingen, de educatie en de landelijke organen beroepsonderwijs. De nieuwe bekostiging gaat in per 1 januari 2000. Gestreefd wordt naar de totstandkoming van de hiervoor benodigde algemene maatregel van bestuur (AMvB) medio 1999. In 1999 zal ook de AMvB over het informatiestatuut tot stand komen. Met het informatiestatuut worden de inhoud en frequentie van informatie uitwisseling voor bekostiging en beleid tussen instellingen, gemeenten, landelijke organen en het Ministerie van OCenW geregeld.

2.2.1 Beroepsonderwijs

De nieuwe bekostigingssystematiek van het beroepsonderwijs zal in het jaar 2000 ingaan. Voor de jaren 1998 en 1999 geldt een overgangsbekostiging.

Het nieuwe bekostigingsmodel (dat eind april 1998 aan de Tweede Kamer is gestuurd) draagt bij aan de WEB-doelstellingen, waarmee wordt beoogd leerlingen de juiste leerweg te laten volgen, afgerond met een kwalificatie waarmee zij zowel de arbeidsmarkt kunnen betreden als een eventuele vervolgopleiding kunnen volgen. In dit bekostigingsmodel wordt rekening gehouden met een mix van input (het aantal ingeschreven deelnemers) en output (het behalen van een diploma). Verder wordt het voeren van een effectief doelgroepenbeleid door de instellingen gestimuleerd. Zo worden voor deelnemers met een beperkte vooropleiding middelen verstrekt voor voorbereidende en ondersteunende activiteiten.

2.2.2 Educatie

De bekostiging van de educatie is met ingang van 1997 verder gedecentraliseerd naar de gemeenten. De gemeenten krijgen middelen om contracten met regionale opleidingscentra af te sluiten voor een op de lokale behoefte afgestemd educatie-aanbod. De verdeling van de middelen over de gemeenten aan de hand van gelijk geldende maatstaven wordt het komend jaar verder ontwikkeld. Deze maatstaven zijn het aantal volwassen inwoners, de etnische achtergrond van de inwoners en hun opleidingsachterstand. Bij de invoering van het nieuwe bekostigingsmodel wordt rekening gehouden met herverdeeleffecten. De beoogde ingangsdatum is 1 januari 2000.

Daarnaast kent de minister jaarlijks middelen toe aan gemeenten ten behoeve van educatie voor de inburgering van nieuwkomers. Het betreft het educatieve programma van het inburgeringstraject. Mede als gevolg van de Wet inburgering nieuwkomers worden met ingang van het kalenderjaar 2000 de middelen toegedeeld op basis van de prestaties van de gemeenten. Deze prestaties zijn het aantal beschikkingen omtrent een inburgeringsprogramma en het aantal nieuwkomers dat ter afsluiting van het educatief programma een toets heeft afgelegd in het jaar t-2.

2.2.3 Landelijke organen beroepsonderwijs

Het nieuwe bekostigingsmodel voor de landelijke organen omvat een verdeelmodel met een drietal outputcriteria: goedgekeurde kwalificaties, erkende leerbedrijven en beroepspraktijkvormingsplaatsen. Het nieuwe model wordt met ingang van 1998 gefaseerd ingevoerd. Met de gefaseerde invoering worden de landelijke organen in staat gesteld de herverdeeleffecten tussen de landelijke organen op te vangen.

2.3 Kwaliteit

Door de grote diversiteit aan deelnemers en opleidingen is «maatwerk voor de deelnemers» voor de instellingen in de bve-sector een bijzondere uitdaging. Uit verschillende rapportages, van onder meer de Inspectie, is gebleken dat de verbetering van het maatwerk, het op het juiste niveau houden van de onderwijsintensiteit en de verbetering van kwaliteit van de examinering gerichte aandacht vergt. Nu de sector organisatorisch en bestuurlijk vorm heeft gekregen zullen deze punten de komende jaren stelselmatig moeten worden verbeterd.

De WEB bevat een aantal kwaliteitsinstrumenten die samen de versterking en borging van de kwaliteit van het onderwijs moeten garanderen. De kwalificatiestructuren educatie en beroepsonderwijs en de externe legitimering zijn vanaf augustus 1997 geleidelijk ingevoerd. Tevens rapporteren de instellingen via het kwaliteitszorgverslag elke twee jaar over de wijze waarop zij de kwaliteit van hun onderwijs handhaven en versterken.

Daarnaast overweegt het kabinet in de wetgeving voorschriften op te nemen over een 1000-urennorm in het onderwijs, conform de Wet op het voortgezet onderwijs. Deze voorschriften moeten passen bij het specifieke karakter van het beroepsonderwijs.

2.3.1 Kwalificatiestructuur beroepsonderwijs

In de komende periode zal de nadruk liggen op de versterking van de kwalificatiestructuur beroepsonderwijs. Basis hierbij wordt gevormd door het «stappenplan versterking kwalificatiestructuur», waarover eind 1997 in de Educatie en Beroepsonderwijs (EB)-Kamer overeenstemming is bereikt. Dit plan is begin 1998 aan de Tweede Kamer verzonden. De versterking van de kwalificatiestructuur is mede gericht op een grotere employability en de versterking van het vermogen «een leven lang te leren».

De partijen die bij de totstandkoming en het onderhoud van de kwalificatiestructuur betrokken zijn (landelijke organen, instellingen, de Adviescommissie voor Onderwijs en Arbeidsmarkt en OCenW) zullen in overleg de verbetervoorstellen nader uitwerken. Centraal hierbij staat verbetering van de transparantie en de invoering van sleutelkwalificaties dan wel kerncompetenties in de eindtermen. Daarnaast wordt bezien hoe de kwalificatiestructuur, flexibeler dan nu reeds het geval is, kan inspelen op nieuwe opleidingsvormen en de snel wisselende arbeidsmarkt, zonder dat dit leidt tot een toevoeging van telkens nieuwe kwalificaties. Het in maart 1998 uitgebrachte advies van de Onderwijsraad zal bij deze uitwerking worden betrokken.

2.3.2 Kwalificatiestructuur educatie

De implementatie van de kwalificatiestructuur educatie is in volle gang. Daarbij ligt het primaat bij de instellingen: zij moeten werken aan de verdere vulling van de kwalificatiestructuur met eindtermen en het educatief aanbod zo vormgeven dat de deelnemers deze eindtermen kunnen halen (maatwerk) en dat de aansluiting bij het beroepsonderwijs geoptimaliseerd wordt. Tenslotte moeten de instellingen zorgdragen voor een deugdelijke en bij de educatie passende toets- en examenpraktijk. De instellingen, de Bve-raad, het Centrum voor innovatie van opleidingen en de landelijke pedagogische centra hebben zich gecommitteerd aan een implementatieplan gericht op een gezamenlijke aanpak. Het plan heeft onder meer betrekking op de vaststelling van eindtermen, herontwerp van het educatief aanbod, toetsing en examinering, deskundigheidsbevordering en voorlichting.

2.3.3 Externe legitimering

De Inspectie heeft geconstateerd dat de kwaliteit van de examens in de bve-sector onder druk staat. In de komende regeerperiode heeft dit aspect van kwaliteitszorg extra aandacht nodig. Uitgangspunt daarbij is de beschikbare instrumenten beter te benutten. De invoering van de systematiek externe legitimering en de onderwijs- en examenregeling moet leiden tot een verbetering van de kwaliteit van de examens in het beroepsonderwijs.

In de onderwijs- en examenregeling worden onder andere de onderwijs- en vormingsdoelen, waaronder de eindtermen, de onderwijseenheden en de inhoud en inrichting van de opleiding vastgelegd. Externe legitimering houdt in dat door de minister erkende exameninstellingen waarborgen dat de inhoud en het niveau van de door de onderwijsinstelling af te nemen examens aansluiten bij de eindtermen.

In het studiejaar 1997–1998 is de implementatie van de externe legitimering en de onderwijs- en examenregeling krachtig ter hand genomen. Het komend jaar zal dit verder plaatsvinden, mede door het in gang gezette handhavingsbeleid. Dit moet uiteindelijk leiden tot een betere kwaliteit van de examens.

2.3.4. Kwaliteitszorgverslagen

De WEB schrijft voor dat instellingen een stelsel van kwaliteitszorg inrichten en onderhouden, dat voorziet in een regelmatige beoordeling van de kwaliteit van het onderwijs. Over dit stelsel en over de mate waarin dit stelsel bijdraagt aan het zelfcorrigerend- en zelfregulerend vermogen van de instelling, moet de instelling om het jaar verantwoording afleggen in het kwaliteitszorgverslag. Uit de eerste tranche kwaliteitszorgverslagen is gebleken dat de kwaliteitszorg op het niveau van de instelling nog in de kinderschoenen staat. Gesproken kan worden van een bemoedigende start, maar invoering van een goed werkend kwaliteitszorgstelsel is een zaak van lange adem, en de verplichting tot kwaliteitszorg is van betrekkelijk recente datum. Voor 1999 is in overleg met de Bve-raad een aantal verwachtingen geformuleerd voor wat betreft de staat van de kwaliteitszorg in dat jaar. Deze betreffen onder meer de formulering van inhoudelijke prioriteiten voor kwaliteitszorg, snelle ontwikkeling van een managementinformatiesysteem en operationalisering van de deelgebieden uit de kwaliteitszorgterreinen. In 1999, als alle instellingen voor de tweede maal een kwaliteitszorgverslag hebben ingediend, kan worden vastgesteld of en in hoeverre de kwaliteitszorg van de instellingen aan die verwachtingen beantwoordt.

2.3.5 Professionalisering personeel

Het nascholingsbeleid in de bve-sector op basis van de inzet van reguliere nascholingsgelden wordt voortgezet. De veranderingen in het primaire proces ten gevolge van het maatwerkconcept in de regionale opleidingscentra, de onderliggende ideeën bij «een leven lang leren», de rol van de docent als coach en het gebruik van nieuwe media, en de implementatie van het actieplan «investeren in voorsprong» hebben gevolgen voor het werk van de docent. Bijscholing van het onderwijspersoneel wordt als een belangrijk voorwaardenscheppend instrument gezien voor de invoering van nieuwe media in het bve-onderwijs. Bij- en nascholing van docenten is een van de vernieuwingsthema's in de huidige beleidsagenda en blijft een belangrijk aandachtspunt binnen de regionale opleidingscentra.

Arbeidsvoorwaarden

In juli 1997 werd tussen de minister en de Bve-raad een onderhandelingsakkoord gesloten over de wachtgelden. Per 1 augustus 1998 zijn de wachtgelden in de sector bve gedecentraliseerd. Dit betekent dat de financiële verantwoordelijkheid voor de wachtgelden bij de bve-sector komt te liggen. De wachtgelders van voor 1 augustus 1998 komen voor rekening van het bve-veld als collectief. Voor de wachtgelders die ontstaan na 1 augustus 1998 geldt dat zij gedeeltelijk voor rekening van de individuele instelling en gedeeltelijk voor rekening van het collectief komen. De wachtgeldregeling blijft centraal vastgesteld. Wel vervallen door de decentralisatie voor de bve-sector de quoteringsbepalingen bij herbezetting en de herbenoemingsverplichting van eigen wachtgelders. De sector moet zelf invulling geven aan het leeftijdsbewust personeelsbeleid.

2.3.6 Innovatie

Het innovatiebeleid bve, waaronder het innovatieprogramma BVE-2000, staat sterk in het teken van de ontwikkeling en exploratie van mogelijkheden om het onderwijs te verbeteren met informatie- en communicatietechnologie. In de komende periode zal dit beleid worden gecontinueerd, onder het besef dat deze versterking ook van groot belang is in het kader van «een leven lang leren». Voor de periode vanaf 2000 zal op basis van de opgedane ervaringen de inzet van deze middelen in samenhang met het vernieuwingsbeleid van de Beleidsagenda nader worden overwogen.

BVE participeert in de stichting Axis. De activiteiten van Axis zijn erop gericht, door onder andere onderwijskundige vernieuwing, de aantrekkelijkheid van het technisch beroepsonderwijs te vergroten en het imago van de technische beroepen te verbeteren. Het doel is een toename van de instroom in technische en bèta- opleidingen. Reeds eerder werd in de bve-sector een start gemaakt met de vernieuwing van het technisch beroepsonderwijs met het project «aantrekkelijkheid technisch beroepsonderwijs». Doel hiervan was in de vier grote steden in vier verschillende technische sectoren het onderwijs (in samenwerking met het bedrijfsleven) sterk te vernieuwen.

Door de middelen die in het kader van «investeren in voorsprong» aan de instellingen worden verstrekt, wordt de noodzakelijke voedingsbodem (hardware, software en scholing) geschapen om deze toepassingen van educatieve technologie ook daadwerkelijk in het onderwijsproces te integreren, en aldus het onderwijs op moderne leest geschoeid te krijgen.

2.4 Toegankelijkheid

Toegankelijkheid van het onderwijs, goede aansluiting van leerwegen en extra ondersteuning voor diegenen die dat nodig hebben. Juist in het bve-onderwijs is er een maatschappelijk belang dat iedereen een opleiding kan volgen, die is toegesneden op de eigen mogelijkheden en behoeften. Om deelnemers op de juiste plaats te krijgen is goede voorlichting, intake, toelating, plaatsing en verwijzing van groot belang.

Door de positionering van de educatie en het beroepsonderwijs onder het dak van één regionaal opleidingscentrum zijn er goede mogelijkheden om deelnemers in de educatie een extra perspectief te bieden. De erkenning van anders dan door opleiding verkregen kwalificaties zal de toegankelijkheid van het bve-onderwijs vergroten. Maar ook de bovenkant van het bouwwerk – een diploma dat zowel toeleidt naar de arbeidsmarkt als doorstroommogelijkheden biedt naar vervolgonderwijs – is voor de aantrekkelijkheid en daarmee ook voor de toegankelijkheid van groot belang. Essentieel is hier ook de beschikbaarheid van beroepspraktijk-vormingsplaatsen op alle kwalificatieniveaus en de afstemming van het opleidingsaanbod op de vraag van de arbeidsmarkt.

2.4.1 Versterking beroepsbegeleidende leerweg (het voormalig leerlingwezen)

Veel inspanningen in de bve-sector zijn gericht op versterking van het leerlingwezen/de beroepsbegeleidende leerweg. Ondanks bemoedigende signalen, blijft de instroom achter bij de verwachtingen. Dit was aanleiding voor het kabinet om in juni 1998 met de Stichting van de Arbeid het hoofdlijnenakkoord «versterking werkend leren» te sluiten waarin activiteiten worden aangekondigd om de deelname aan de beroepsbegeleidende leerweg te versterken. Ook de komende kabinetsperiode zullen inspanningen noodzakelijk blijven om deze leerweg te versterken; inspanningen zowel gericht op het bedrijfsleven, als op de onderwijsinstellingen en de deelnemers.

2.4.2 Studiefinanciering

De «Harmonisatienota onderwijs retributies» is eind mei 1998 naar de Tweede en Eerste Kamer gestuurd. Deze nota bevat voorstellen om de betalingsverplichtingen voor en de consequenties van tussentijdse instroom en uitstroom voor de betaling en restitutie van les-, cursus- en collegegeld te harmoniseren. Hierdoor zal bijvoorbeeld een leerling die gedurende een lesjaar overstapt naar een ander soort onderwijs niet langer volledig cursusgeld voor beide onderwijssoorten verschuldigd zijn.

Onderdeel van het Regeerakkoord vormt de indexering van de eigen bijdragen van burgers voor door de overheid te leveren diensten. Deze worden gekoppeld aan de algemene prijsontwikkeling. Dit zal de komende jaren leiden tot een verhoging van het cursusgeld en het lesgeld dat door de deelnemers aan het onderwijs wordt betaald.

De Inspectie heeft eind mei 1998 een rapport gestuurd met conclusies over de programmeringstoetsing van de 850-uren norm bij bve-instellingen. Deze 850-uren norm heeft direct invloed op het recht op studiefinanciering van leerlingen. Het resultaat is dat alle opleidingen voldoen aan deze toetsing. In het lesjaar 1998/1999 vindt een praktijktoetsing plaats bij de bve-instellingen.

3. Horizontale toelichting

De begroting van de sector beroepsonderwijs en volwasseneneducatie bestaat voor het grootste gedeelte uit exploitatiekosten. Deze omvatten ongeveer 88% van de volledige begrotingsomvang. De huisvestingskosten beslaan 9%. De overige- en de examenkosten komen samen uit op 3% van het begrotingstotaal.

Binnen de exploitatiekosten heeft het beroepsonderwijs het grootste aandeel. De exploitatiekosten zijn voor 80% aan dit type onderwijs toe te rekenen. Verder nemen de educatie 11%, inburgering 5% en de landelijke organen 4% van die kosten voor hun rekening. Ongeveer 4% van de exploitatiekosten is terug te leiden naar rechtspositionele uitkeringen.

tabel 3.1 Financiële kerncijfers (bedragen x f 1 miljoen)
 1997199819992000200120022003
Totale uitgaven4 055,24 404,24 547,44 557,34 554,24 612,34 589,3
Exploitatie3 518,63 874,93 993,64 012,24 018,14 078,64 058,4
waarvan rechtspositionele uitkeringen(166,8)(176,8)(175,2)(172,4)(169,7)(166,4)(165,6)
        
Beroepsonderwijs2 780,23 097,73 207,73 220,23 221,43 278,53 253,1
waarvan cursusgeld ontvangsten(– 64,9)(– 79,8)(– 81,0)(– 82,2)(– 83,3)(– 87,5)(– 87,5)
Educatie431,2415,3427,3430,8433,3435,1437,9
Inburgering152,2195,7188,7190,0190,9191,6192,8
Landelijke organen155,1166,2169,8171,3172,5173,4174,6
        
Huisvesting378,3383,4383,5383,5383,5383,5383,5
Overig       
– artikel 20.0164,051,951,350,248,947,747,7
– artikel 20.0385,181,2107,299,691,990,787,9
Examens9,212,711,911,811,811,811,8
        
Totale ontvangsten87,451,748,748,748,748,748,7
        
Oploop in loon- en prijsbijstelling  107,6140,4165,6185,2208,8
Gesaldeerde uitgaven in constante prijzen.4 352,54 391,14 368,14 339,84 378,44 331,8

In de meerjarenraming van de uitgaven en de ontvangsten voor de sector beroepsonderwijs en educatie is er een stijging te zien bij de exploitatie uitgaven. Deze stijging heeft meerdere oorzaken. Ten eerste is er een stijging in het beroepsonderwijs door de overheveling van het verpleging- en verzorgingsbudget van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. In het jaar 1997 was al 5/12 van het volledige budget overgeheveld; in 1998 het resterende deel van dit structurele budget. Vervolgens is er voor het beroepsonderwijs door het kabinet in 1998 f 30 miljoen structureel beschikbaar gesteld. Dit geld is bedoeld voor de implementatie van de Wet educatie en beroepsonderwijs.

Vanaf 1999 worden de impulsen van het nieuwe Kabinet voor het beroepsonderwijs zichtbaar. Deze impulsen zijn onder andere gericht op verbetering van de apparatuursituatie, facilitering van de nieuwe taken WEB en de bestrijding van voortijdig schoolverlaten. Het gaat hierbij om f 69 miljoen in 1999 en f 96 miljoen vanaf 2000. In 2002 vindt een extra impuls plaats van f 57 miljoen.

Daarnaast is uit hoofde van de intensiveringen uit het regeerakkoord een taakstelling op de wachtgelden opgenomen oplopend tot f 12 miljoen in 2002. Op de wijze waarop deze wachtgeldbesparing kan worden gerealiseerd zal met de betrokken partijen worden overlegd.

Als gevolg van het beleid gericht op indexering van de eigen bijdragen nemen de cursusgeldontvangsten bij de instellingen toe, en wordt de bekostiging met een gelijk bedrag verminderd. De cursusgeldontvangsten nemen geleidelijk toe met f 1,2 miljoen in 1999 tot f 4,7 miljoen in 2002 en volgende jaren.

Voor de inburgering heeft het Kabinet in 1998 ook f 30 miljoen structureel beschikbaar gesteld. Dit geld is bedoeld voor de uitbreiding van het aantal cursus-uren voor de inburgeraars. Hieronder is ook een eenmalige overboeking van VWS opgenomen voor de inburgering van f 11,3 miljoen.

De uitgaven educatie en de ontvangsten nemen beide met f 30 miljoen af. Dit wordt veroorzaakt door de post inkoop diensten die in 1998 zowel als uitgave educatie en als ontvangst werd opgevoerd, vanwege een correctie op grond van de maatregel Inkoop Diensten uit 1991.

De rest van de stijging in de exploitatie is te verklaren door wijzigingen in de loonkostenberekening en de prijsbijstelling. Hierin is de doorwerking van het kabinetsbeleid om de incidentele loonontwikkeling te beperken tot 0,6% verwerkt. De loonkosten stijgen mede op grond van de effecten van de collectieve arbeidsovereenkomst 1996–1998 en een extra CAO verhoging op 1 januari 1998. Uit de meerjarige ontwikkeling, gecorrigeerd voor de oploop in loon- en prijsbijstelling blijkt, naast bovenstaande oorzaken, het effect van de wijzigingen in de deelname aan het beroepsonderwijs.

De post «overig» vertoont een afname die met name wordt veroorzaakt door de daling van het budget voor de Adviesbureau's voor opleiding en beroep (AOB's). Door de overgang naar vraagfinanciering is dit budget gedaald met f 7 miljoen, terwijl het budget voor beroepsonderwijs met een zelfde bedrag is verhoogd.

4. Overige kerngegevens

In deze paragraaf worden achtereenvolgens gepresenteerd:

– de met beleidsterrein 20 samenhangende financiële kerncijfers;

– het aantal deelnemers naar kalenderjaar;

– personeelsaantallen en aantal instellingen;

– kengetallen over wachtgelden;

– overige kengetallen.

De uitgaven samenhangend met het beroepsonderwijs die geraamd zijn op het beleidsterrein 25 studiefinanciering worden hieronder weergegeven.

Tabel 4.1 Met beleidsterrein 20 samenhangende financiële kerncijfers (x f 1 mln.)
 1997199819992000200120022003
WSF/WTS beroepsopleidende leerweg1 285,51 342,41 291,01 286,31 282,21 288,41 299,7
Lesgelden beroepsopleidende leerweg393,9282,9438,0478,0488,6499,5507,1

De uitgaven studiefinanciering zijn exclusief rentedragende leningen, kasschuiven ov-studentenkaart en de bijstelling.

Tabel 4.2 Aantal ingeschreven deelnemers (x 1 000)
 1997199819992000200120022003
Beroepsonderwijs       
– beroepsopleidende leerweg268,9269,0267,2265,0263,7264,2266,5
– beroepsbegeleidende leerweg111,6122,5120,9119,0117,7117,4117,8
– overige beroepsleerwegen38,636,234,533,332,231,430,1
Educatie203,5202,4201,1199,3196,9193,9191,0

Bron: Referentieraming 1998

De toename van het aantal deelnemers in de beroepsbegeleidende leerweg in 1998 is te verklaren door de overkomst van het inservice-onderwijs. Het aantal deelnemers in de beroepsbegeleidende leerweg in 1997 dat in de begroting 1998 is genoemd, is 14 200 hoger dan de nu weergeven 111 600 deelnemers in 1997. Dit verschil wordt veroorzaakt door een wijziging in de telsystematiek. Vanaf dit begrotingsjaar wordt het aantal deelnemers op 1 oktober van een jaar weergegeven. In de voorafgaande begrotingen werd gewerkt met een gemiddeld deelnemersaantal gedurende het jaar. Het verschil wordt dus veroorzaakt door de instroom na 1 oktober.

De deelname ontwikkeling in de bve-sector vertoont verder een redelijk stabiel beeld.

Tabel 4.3 Personeelsaantallen(x 1000 fte)
 1997199819992000200120022003
Aantal bekostigde personeelsleden20,821,120,920,720,620,620,8

De opgenomen personeelsaantallen zijn afgeleid uit de normatieve bekostigingsvoorschriften en volgen de ontwikkelingen in de deelnemersaantallen.

Tabel 4.4 Aantal instellingen
 1997199819992000200120022003
ROC's46464646464646
Vakinstellingen13131313131313
Overige WEB-instellingen6666666
Pre-WEB-instellingen22  
totaal aantal instellingen67676565656565

Per 1 augustus 1997 bedraagt het totaal aantal onderwijsinstellingen 67. Hiervan zijn er nog 2, die vanaf 1 augustus 1998 niet meer bekostigd zullen worden. Vanaf dat tijdstip wordt er verwacht dat er totaal nog maar 65 door OCenW-bekostigde instellingen in de bve-sector zullen zijn. In afwijking van de presentatie in de begroting 1998 zijn bij de overige WEB-instellingen nu ook de twee doveninstellingen (voornamelijk bekostigd door beleidsterrein 19) en twee hogescholen met een deel beroepsonderwijs weergegeven.

In totaal is het aantal instellingen in de bve-sector met meer dan 120 instellingen ten opzichte van 1996 gedaald. Deze daling is het resultaat van de roc-vorming en de invoering van de Wet educatie en beroepsonderwijs.

Tabel 4.5 Kengetallen over wachtgelden
 1997
Totaal aantal wachtgelders (x 38 uur)*1 945
Totaal wachtgelduitgaven (x f 1 miljoen)**166,8
Gemiddelde uitkering per fulltime-wachtgelder (x f 1)85 758
Aantal personen met wachtgeld (x1)4 600

*  De aantallen fte's zijn de gemiddelden van de aantallen per maand. De aantallen zijn inclusief de suppletie-uitkeringen.

** De uitgaven zijn gecorrigeerd voor algemene salarismaatregelen en uitkeringen die voor eigen rekening van het bestuur zijn.

Bron: USZO/Wachtgeld Informatie Systeem (WIS)

De omvang van het volume van het wachtgeld wordt uitgedrukt in 2 maten: het aantal personen en het aantal voltijdse eenheden (fte). Gekozen is voor het aantal personen in plaats van het aantal uitkeringsrechten – de maat die tot dusver is gebruikt – omdat dit beter aansluit bij doorgaans gehanteerde volume-maten van de arbeidsactiviteit en -inactiviteit.

Tabel 4.6 Financiële Kengetallen (x f 1000)
 1997199819992000200120022003
Bruto uitgaven per leerling beroepsonderwijs excl. WSF/WTS en huisvesting8,39,19,69,79,79,99,8
Uitgaven huisvesting per leerling beroepsonderwijs0,90,90,90,90,90,90,9
Uitgaven WSF/WTS per leerling bol4,85,04,84,94,94,94,9
Bruto uitgaven per leerling beroepsonderwijs excl. WSF/WTS en huisvesting in constante prijzen. 9,19,39,49,49,59,3
Inburgering:       
Uitgaven per inburgeraar6,98,78,99,09,09,09,0
Educatie:       
Uitgaven per volwassen inwoner (x f 1,-)34343535353535

De uitgaven per leerling beroepsonderwijs is opgebouwd uit de uitgaven beroepsonderwijs uit tabel 3.1, vermeerderd met het aandeel beroepsonderwijs in overige uitgaven en ontvangsten. Het aandeel beroepsonderwijs in andere posten dan exploitatie, wordt bepaald op basis van het aandeel beroepsonderwijs in de totale exploitatie. Deze uitgaven zijn gedeeld door de deelnemers aan de beroepsopleidende leerweg en het voor deeltijd-deelname gecorrigeerde aantal deelnemers aan de beroepsbegeleidende leerweg en de overige beroepsleerwegen.

De uitgaven huisvesting per leerling beroepsonderwijs zijn opgebouwd uit het aandeel beroepsonderwijs in het totaal aan uitgaven huisvesting uit tabel 3.1, gedeeld door het aantal leerlingen. De uitgaven per volwassen inwoner in Nederland aan de educatie volgen uit de uitgaven educatie uit tabel 3.1 gedeeld door het aantal volwassen inwoners in Nederland. Voor 1998 is gerekend met 12 405 000 volwassen inwoners.

De uitgaven per inburgeraar ten laste van de OCenW begroting worden bepaald door de uitgaven inburgering uit tabel 3.1 te delen door het aantal inburgeraars. Het aantal inburgeraars voor 1998 is 22 600.

Beleidsterrein 21 HOGER BEROEPSONDERWIJS

Hoger begroepsonderwijs t.o.v. de toelate begroting OC en W

kst-26200-VIII-2-12.gif

1. Algemeen

Beleidsterrein 21 betreft het hoger beroepsonderwijs. Belangrijke doelstellingen binnen dit beleidsterrein zijn het versterken van de arbeidsmarktoriëntatie van het hbo in kwantitatief en kwalitatief opzicht, de verbetering van de kwaliteit van het aanbod in het hbo, onder meer door flexibilisering van de leerwegen, en het bewaken van de toegankelijkheid van het hbo voor studenten vanuit verschillende vooropleidingstrajecten en in het bijzonder voor specifieke doelgroepen.

De begroting voor dit beleidsterrein bestaat uit de rijksbijdrage aan hogescholen voor het verzorgen van hoger beroepsonderwijs. Naast deze exploitatievergoeding voor personeel, materieel en huisvesting bevat dit beleidsterrein de rechtspositionele uitkeringen voor deze sector en de middelen voor specifieke activiteiten, zoals vernieuwing, internationalisering, verbeteren van kwaliteit, studeerbaarheid en doelgroepenbeleid.

De wettelijke grondslag voor de bekostiging ligt in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW). De bekostiging vindt plaats volgens het Bekostigingsbesluit WHW en de Regeling bekostiging hoger onderwijs.

2. Beleid

Het regeerakkoord bevat een aantal algemene bezuinigingstaakstellingen die ook gelden voor het hbo-veld:

– de korting voor arbeidsproductiviteitstijging (4x 0,55%; in totaal f 49 miljoen, f 13 miljoen in 1999);

– de verlaging van de incidentele looncomponent (4x 0,2%: in totaal f 18 miljoen, f 5 miljoen in 1999);

– indexering van het collegegeld.

De bijbehorende mutaties zijn verwerkt in de artikelsgewijze toelichting.

Naast deze financiële consequenties, legt het regeerakkoord drie inhoudelijke accenten bij het hoger onderwijs:

– verder gaan met autonomievergroting en deregulering;

– wederkerend leren en meer flexibiliteit in de opleidingen (bijvoorbeeld door middel van deeldiploma's);

– verantwoording door ho-instellingen zowel tegenover de studenten als tegenover de overheid over de besteding van de middelen en de bereikte resultaten.

Verdere discussie over en uitwerking van deze drie punten voor het hbo-veld zal, mede met het oog op het volgend jaar te verschijnen HOOP 2000, dit najaar gestart worden.

Hierna wordt ingegaan op andere, lopende onderwerpen die in dit begrotingsjaar hoog op de hbo-beleidsagenda staan. Deze zijn: deelnameontwikkeling, programma Kwaliteit en studeerbaarheid, aansluiting mbo-hbo, arbeidsvoorwaarden en wachtgelden, kwaliteitszorg, doelgroepenbeleid, dualisering, verschillende onderwijssectoren (in het bijzonder de lerarenopleidingen, de kunst en de techniek).

2.1 Deelname-ontwikkeling

Het hoger beroepsonderwijs heeft de afgelopen jaren een geleidelijke groeiende instroom van studenten opgevangen (van 235 000 in 1990 naar 269 000 in 1997). Ook voor de komende jaren wordt een voortgang van die groei voorzien. Ten opzichte van de raming in de begroting 1998 wordt voor de periode 2000–2005 een stijging verwacht van 18 000 studenten, oftewel meer dan 7%. Los van de onzekerheden die elke raming met zich meebrengt, is het duidelijk dat alles er op wijst dat in de naaste toekomst rekening moet worden gehouden met een stevige toename van de studentenaantallen. Dat zal dan ook in de verdere ontwikkeling van beleid moeten worden verdisconteerd.

Bij Voorjaarsnota 1998 is het hbo-budget verhoogd met f 23 miljoen in 2000, f 55 miljoen in 2001, aflopend naar f 46 miljoen vanaf 2004. Deze budgetverhoging is een bijdrage aan de extra inspanningen die hogescholen moeten leveren. Deze verhoging houdt rekening met een onzekerheidsmarge in de studentenraming van ongeveer 1% per jaar cumulatief, waardoor de studenten-stijging in 2002 beperkt zou kunnen blijven tot 4%.

De deelname ontwikkeling wordt mede beïnvloed door het succes van de verbetering van de doorstroom mbo-hbo en door vergroting van de instroom vanuit het vwo. Een punt van zorg is dat – onder invloed van de diploma financiering – de instellingen een beleid voeren om zoveel mogelijk studenten te trekken, terwijl tegelijkertijd het rendement verbetert en de verblijfsduur verkort zou moeten worden. Dit komt de aantrekkelijkheid van het hbo niet ten goede. Voor studenten afkomstig uit het vwo en uit het mbo zijn overigens al vaak kortere leerroutes mogelijk.

Naast het opvangen van deze groei, staat het hbo in de komende periode ook nog voor een aantal andere, deels nieuwe taken. Zo moet het aantal gediplomeerden in de leraren-, techniek- en gezondheidszorgopleidingen substantieel worden vergroot, zijn er ambities geformuleerd voor de instroom van doelgroepen, moeten de duale trajecten verder worden uitgebouwd, en wordt van het hbo in toenemende mate een rol in de regionale kennisinfrastructuur verwacht.

2.2 Programma Kwaliteit en studeerbaarheid

In het studiejaar 1997/1998 is verder uitvoering gegeven aan het programma Kwaliteit en studeerbaarheid, zoals dat in 1995 is geformuleerd. Belangrijke elementen uit het werkprogramma zijn het verbeteren van de kwaliteit van opleidingen in het hoger onderwijs via projecten die mede gefinancierd worden uit het studeerbaarheidsfonds en het verbeteren van de positie van studenten in het hoger onderwijs door middel van onder andere het studentenstatuut nieuwe stijl en de verbetering van de afstudeerregelingen.

Het studeerbaarheidsfonds heeft voor het hbo een omvang van f 300 miljoen. Per 1 april 1998 hebben de hogescholen en universiteiten ten bate van de derde en laatste tranche wederom projecten ingediend. Bij de hogescholen gaat het om meer dan 300 projecten. Daarmee is een bedrag gemoeid van ongeveer f 31 miljoen. De lerarenopleidingen vormen een landelijke prioriteit binnen het studeerbaarheidsfonds. Bij de beoordeling van de projecten vervulden het Procesmanagement Lerarenopleidingen en Prommitt een belangrijke rol middels het pré-advies aan de commissie Wijnen. Na de derde tranche eindigt de aanvullende financiering voor de verbetering van kwaliteit en studeerbaarheid vanuit het studeerbaarheidsfonds.

In het Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan 1998 (HOOP 1998) is reeds aangegeven dat ook na de beëindiging van het studeerbaarheidsfonds hogescholen en universiteiten verdergaande activiteiten moeten verrichten opdat doelen op het gebied van kwaliteit en studeerbaarheid niet vervagen. De Vereniging van samenwerkende Nederlandse universiteiten (VSNU), de HBO-Raad en de studentenorganisaties zullen in kaart brengen welke vervolgacties in hun visie nodig zijn en zullen hiervoor voorstellen formuleren. Daarnaast zal bezien moeten worden op welke wijze de positie van de studenten in de komende periode verder versterkt kan worden. In het HOOP is daartoe onder andere beleidsgericht onderzoek aangekondigd naar het functioneren van de opleidingscommissies en een evaluatie van het studentenstatuut nieuwe stijl.

2.3 Aansluiting mbo-hbo

De route van mbo naar hbo biedt deze groep aankomend studenten de kans om in een relatief korte tijd een beroepsgerichte leerweg te voltooien met uitstekende vooruitzichten op de arbeidsmarkt. Op dit moment zijn 26 hbo-opleidingen in genoemde doorstroomregeling opgenomen die verwant zijn aan één of meer beroepsopleidingen op niveau vier. In het komende jaar zal worden nagegaan hoe het aantal verwante mbo-hbo-combinaties verder kan toenemen. Dit gebeurt op landelijk niveau onder leiding van het platform beroepsonderwijs waarin de HBO-raad, de BVE-raad en het Centraal orgaan van de landelijke opleidingsorganen (COLO) zitting hebben. In een groot aantal werkgroepen zullen docenten uit mbo- en hbo-veld de verschillende onderwijsprogramma's analyseren en beoordelen op de mate waarin een verbetering van de aansluiting en efficiency-winst te realiseren is. Het platform beroepsonderwijs zal de minister in oktober 1998 een tussenrapportage leveren; met het platform is afgesproken dat men voortvarend, maar tevens zorgvuldig, zal opereren. Om die reden wordt prioriteit gelegd bij de opleidingen die een relatief groot volume kennen. Tevens is afgesproken dat het platform serieus nagaat of per augustus 1999 de lijst verwante opleidingen kan worden aangevuld.

Door de samenwerkende hogescholen en regionale opleidingscentra (roc's) wordt gewerkt aan de verdere afstemming van programma's, zodat deze optimaal aansluiten bij wensen en mogelijkheden van studenten. In de komende jaren zal de voortgang van de invoering van de doorstroomregeling nauwlettend worden gevolgd en geëvalueerd.

Voor de noodzakelijke landelijke en regionale activiteiten om de aansluiting te verbeteren zijn extra middelen beschikbaar. Voor mbo en hbo samen is dit in 1999 f 7 miljoen en in 2000 f 5 miljoen. Deze middelen worden ingezet om de activiteiten die in 1997 en 1998 zijn geïnitieerd voort te zetten en te intensiveren. Het betreft in hoofdzaak de ondersteuning van regionale samenwerkingsinitiatieven tussen hogescholen en roc's, de landelijke activiteiten van het platform beroepsonderwijs en enkele pilots die tot doel hebben de doorstroommogelijkheden vanuit de beroepsbegeleidende leerweg naar het hbo te verbeteren.

2.4 Arbeidsvoorwaarden en wachtgelden

Decentralisatie arbeidsvoorwaardenvorming hoger beroepsonderwijs

Over de verdere decentralisatie van de arbeidsvoorwaardenvorming voor het hbo zijn nader uitgewerkte afspraken gemaakt. Deze zijn in februari 1998 vastgelegd in een met de HBO-raad gesloten onderhandelaarsakkoord; dit naar analogie met de convenants over de decentralisatie voor het wetenschappelijk onderwijs en onderzoek. De HBO-Raad heeft inmiddels ook overeenstemming bereikt met de centrales van overheids- en onderwijspersoneel over de condities waaronder de verdere decentralisatie gestalte zou moeten krijgen. De volgende stap is het nu snel afronden van het overleg tussen OCenW en de centrales, zodat op korte termijn de ondertekening van het convenant door alle partijen kan plaatsvinden. De decentralisatie kan dan nog volgens plan met ingang van 1 januari 1999 formeel zijn beslag krijgen.

Wachtgelden

De trendbreuk in de stijging van de hbo-wachtgelduitgaven, zoals die reeds in 1996 was gerealiseerd heeft zich in 1997 verder voortgezet. De taakstelling van f 175 miljoen die in het wachtgeldakkoord uit 1996 voor 1997 was afgesproken is in 1997 ruimschoots gerealiseerd. Per kwartaal vindt monitoring plaats van alle afspraken uit het akkoord. Daaruit blijkt dat de daling van de wachtgelduitgaven vooral wordt bewerkstelligd door een afname van de instroom in de wachtgeldregeling, en niet zozeer door een toename van de uitstroom uit wachtgeld. De specifieke taakstelling voor de hogescholen om gemiddeld per drie vacatures tenminste één wachtgelder te benoemen, wordt dan ook onvoldoende gehaald. In het overleg met de HBO-raad zal er op worden aangedrongen dat de hogescholen hier extra aandacht aan besteden.

2.5 Kwaliteitszorg

In het HOOP 1998 wordt aandacht besteed aan het stelsel voor kwaliteitszorg in het hoger onderwijs. Geconstateerd wordt dat het stelsel geruime tijd goed heeft gefunctioneerd en internationaal toonaangevend is. In het overleg over het HOOP zijn afspraken gemaakt over verbetering en versterking van het stelsel op een aantal punten.

Voor de financiering van de uitvoering van visitaties is per jaar f 1,8 miljoen beschikbaar, waarbij er vanuit wordt gegaan dat de HBO-raad eenzelfde bedrag daarvoor beschikbaar stelt.

2.6 Doelgroepenbeleid

Naast de zorg voor de verbetering van de toegankelijkheid in het algemeen wordt in het hbo speciaal aandacht gevestigd op de positie van allochtone studenten, de deelname van vrouwelijke studenten aan harde economische en technische opleidingen en van mannelijke studenten aan lerarenopleidingen basisonderwijs.

Allochtonen

In het HOOP 1998 is vastgelegd dat de positie van allochtone studenten structureel aandacht moet krijgen in het beleid van universiteiten en hogescholen. Naast bevordering van de instroom is vooral gerichte begeleiding nodig om uitval te voorkomen. Dit heeft geleid tot het voornemen om streefcijfers te formuleren.

De minister zal de instellingen aanspreken op het opstellen van streefcijfers. Deze streefcijfers dienen als referentiecijfers voor vermindering van uitval, in combinatie met een studentvolgsysteem. Eind 1998 zal de minister de instellingen voor hoger onderwijs hierop aanspreken. Het Expertise Centrum Allochtonen Hoger Onderwijs (ECHO) zal de instellingen desgewenst adviseren over het hanteren van realistische streefcijfers over het instrumentarium dat ingezet kan worden voor het realiseren van de streefcijfers.

Vrouwelijke/mannelijke studenten

Ook met betrekking tot vrouwelijke studenten aan harde economische en technische opleidingen en mannelijke studenten aan lerarenopleidingen basisonderwijs, is het nodig dat de hogescholen eigen streefcijfers per opleiding formuleren die realistisch en ambitieus zijn. In dit kader is het project Technova gestart. De Stichting Vrouwen en Hoger Technisch Onderwijs (VHTO) maakt hiervoor een inventarisatie van de huidige instroom en inspanningen per instelling dan wel opleiding. Tevens zal de VHTO adviseren over het instrumentarium. Op basis van de uitkomsten uit dit project zal de VHTO ook voor andere sectoren van het hoger beroepsonderwijs een streefcijfermodel ontwikkelen.

2.7 Dualisering

Eén van de hoofdpunten uit het HOOP 1998 is de interactie tussen leren en werken versterken. Gezien het karakter van het hoger beroepsonderwijs is een gedegen beroepsvorming cruciaal. Door in de opleiding te reflecteren op ervaringen in de beroepspraktijk krijgen studenten de gelegenheid zich te ontwikkelen tot innovatieve en flexibele beroepsbeoefenaars. Naast aandacht voor stages is goede ontwikkeling van duale leerwegen nodig om het hbo aan te passen aan de eisen van de arbeidsmarkt. In een duaal traject zijn studenten op basis van een onderwijs-arbeidsovereenkomst werkzaam in een voor de opleiding relevante functie binnen een arbeidsorganisatie. In de economische sector van het hbo zijn enkele jaren geleden de experimenten met «coöperatief hbo» geïnitieerd. Daarnaast is met ingang van het studiejaar 1996–1997 de zogenaamde MKB-route gestart. Met ingang van 1 augustus 1997 zijn duale varianten in de hbo-verpleegkunde en de sector onderwijs (leraren in opleiding) gestart.

Met de recente wijzigingen van de WHW en de Wet op de studiefinanciering (WSF) hebben duale trajecten een eigenstandige plaats gekregen in de wetgeving. Daarmee is de weg vrijgemaakt om het curriculum zo in te richten dat werken en leren elkaar in verschillende varianten afwisselen. Met ingang van 1 januari 1997 is een fiscale faciliteit beschikbaar gekomen die het voor werkgevers in de technisch-commerciële sector aantrekkelijk maakt een hbo'er in een duaal traject in dienst te nemen. Vanaf 1 januari 1998 is deze faciliteit uitgebreid naar de gezondheidszorgsector. Een verdere uitbreiding van fiscale faciliteit zal nader onderzocht worden.

Met subsidie van OCenW is met ingang van 1997 het project «Duale leerroutes» gestart onder de verantwoordelijkheid van de HBO-raad en met betrokkenheid van werkgeversorganisaties. Binnen deze projectorganisatie wordt de verdieping en verbreding van duale trajecten krachtig opgepakt via onder andere voorlichting en begeleiding van hogescholen, waarborgen van de kwaliteit van opleidingen en netwerkvorming.

Met ingang van het studiejaar 1998–1999 hebben 30 hogescholen in totaal 137 opleidingen in de duale variant aangemeld. Ook voor het studiejaar 1999–2000 hebben instellingen inmiddels nieuwe opleidingen aangemeld.

2.8 Lerarenopleidingen, kunstvakonderwijs en techniek

Lerarenopleidingen

In 1998 is de vernieuwing van de lerarenopleidingen in een nieuwe fase gekomen, waarbij het gemeenschappelijk curriculum, dualisering en ict speerpunten zijn.

In het vernieuwde curriculum van de lerarenopleidingen speelt informatie- en communicatietechnologie een belangrijke rol. Daarmee kunnen de lerarenopleidingen zich ontwikkelen tot voorlopers op het gebied van onderwijs en multimedia, opdat zij de scholen in hun vernieuwing kunnen stimuleren en ondersteunen. Ook de HBO-Raad is van opvatting dat de lerarenopleidingen de ontwikkelingen in het scholenveld dienen te volgen. De implementatie van ict zal een integraal onderdeel vormen van het vernieuwingsproces bij de lerarenopleidingen. Het is van groot belang dat de lerarenopleiding zich hier actief in opstellen.

Voor informatie- en communicatietechnologie bij de lerarenopleidingen, waar ook de middelen voor kwaliteit en studeerbaarheid en de pabo-up kunnen worden ingezet, is in 1998 een bedrag van f 26 miljoen beschikbaar in het kader van «Investeren in voorsprong». Nadere besluitvorming over de vanaf 1999 beschikbare middelen moet nog plaatsvinden.

Tevens is het wenselijk dat de lerarenopleidingen post-initiële scholingsvoorzieningen aan leraren bieden. Daarmee komt de leraar in de gelegenheid zich verder te ontwikkelen, en een loopbaan in het onderwijs vorm te geven. Scholen kunnen zich voor hun specifieke scholingsvragen in het kader van hun onderwijskundig en personeelsbeleid tot de lerarenopleidingen wenden.

Eind 1998 wordt de Kamer een tussentijdse evaluatie van het experiment met de leraar in opleiding (lio) aangeboden.

Alle bovenbeschreven vernieuwingen zullen een groot beroep doen op de inzet van vele betrokkenen binnen de lerarenopleidingen, in nauwe samenwerking met de scholen. De bereidheid tot die inzet is groot, zo is gebleken uit de eerste fase van het vernieuwingsproces.

Maar de omstandigheden voor innovatie zijn niet zonder problemen. Er zijn grote problemen bij verschillende lerarenopleidingen die samenhangen met de schaal van de opleidingen en de teruglopende studentenaantallen. Dit kan, bij een toenemende vraag naar leraren, als gevolg van de vergrijzing van het docententeam in scholen, de komende jaren tot spanningen leiden. De situatie in het noorden van Nederland is in ieder geval urgent. Bezien zal worden of extra ondersteuning noodzakelijk is via specifieke inzet van beschikbare projectenmiddelen of via een gewijzigde middelenverdeling.

In het najaar van 1998 zal een voorstel worden gedaan over de verdere implementatie van de vernieuwing van de lerarenopleidingen en de fasering ervan.

Kunstvakonderwijs

Begin 1999 zal de projectorganisatie kunstvakonderwijs conform het plan van aanpak kunstvakonderwijs van december 1997 een advies uitbrengen over een kwalificatiestelsel. In dit advies zullen onder andere aandacht krijgen de gewenste opleidingsstructuur, selectie-eisen en eindkwalificatie en gewenste omvang. In de zomer van 1999 zal een advies volgen over de bestuurlijke en organisatorische consequenties van dit kwalificatiestelsel, gericht op bekostiging, kwaliteitszorg en bestuurlijke, regionale samenwerking en herordening. De voorstellen in de adviezen zullen mede gericht moeten zijn op de aanpak van een ondoorzichtig en zeer versnipperd onderwijsaanbod, kwalitatief en kwantitatief onvoldoende aansluiting van het onderwijs op de eisen van de beroepspraktijk, en de bij veel instellingen bereikte kritische ondergrens van inhoudelijke en bedrijfsmatige doelmatigheid. Over beide adviezen zal overleg plaatsvinden met de betrokken onderwijs- en cultuurinstellingen.

In dit verband zal nog in 1998 een aantal uitspraken gedaan moeten worden over de hoofdlijnen van het nieuwe bekostigingsmodel voor het kunstvakonderwijs dat in het begrotingsjaar 2000 voor het eerst van toepassing zal zijn, gelet op de wettelijke bepaling over beëindiging van het huidige bekostigingsstelsel. Daarbij zal mede betrokken worden de verdere invulling van de bezuiniging op het kunstvakonderwijs gelet op de voorgenomen maatregelen die zijn geformuleerd in de brief aan de Tweede Kamer van 12 mei 1997.

Uiterlijk begin 1999 zal (gelet op de eerste ervaringen in 1998) een voorstel worden gedaan over de omgang met het beurzenprogramma voor niet EU- studenten en de verlaging van de rijksbijdrage voor deze groep. In 1999 zal in dit verband een voorstel tot aanpassing van het bekostingingsbesluit WHW worden gedaan.

Techniek

De aansluiting tussen technische hbo-opleidingen en de arbeidsmarkt staat onder grote druk, zowel kwalitatief als kwantitatief. Wat dit laatste betreft blijft de instroom in technische opleidingen achter bij de vraag vanuit de arbeidsmarkt. Op een aantal terreinen (o.a. civiele techniek, informatica) zijn nu al grote fricties in de personeelsvoorziening. Daarnaast staat de deelname van vrouwen nog niet in verhouding tot die van mannen. Oplossing van dit vraagstuk vereist een brede aanpak, met tevens betrokkenheid van het toeleverend onderwijs en het bedrijfsleven. Tegen die achtergrond heeft de overheid (OCenW, EZ, SZW) samen met onderwijs (COLO, BVE, HBO, WO), werkgevers (MKB-NL en VNO-NCW) en Arbeidsvoorziening in juni 1998 een stichting opgericht voor de versterking van bèta/techniek in onderwijs – breder dan alleen hbo! – en beroep. Dit is de stichting Axis, het nationaal platform onderwijs en arbeidsmarkt in natuur en techniek. De overheid heeft een waarnemerszetel in het bestuur.

Voor het aanjagen van gewenste acties is vanuit de Ministeries OCenW en EZ f 40 miljoen beschikbaar gesteld voor de periode 1998 – 2001, op voorwaarde dat de betreffende actoren zelf een even groot bedrag als co-financiering inbrengen.

De werkzaamheden van de stichting Axis vinden plaats in het kader van een jaarwerkplan, dat jaarlijks wordt vastgesteld door het bestuur van de stichting en vervolgens voor medefinanciering aan beide eerdergenoemde departementen wordt voorgelegd. Het jaarwerkplan voor 1999 wordt eind 1998 vastgesteld.

3. Horizontale toelichting

Het overgrote deel van de uitgaven op dit beleidsterrein (circa 90%) bestaat uit de normatief berekende rijksbijdrage voor de hogescholen. Het daarvoor beschikbare budget is opgenomen op artikel 21.01 (personele en materiële uitgaven) en artikel 21.05 (huisvesting). De verdeling van het beschikbare budget over de hogescholen vindt plaats op grond van de WHW volgens het Bekostigingsbesluit WHW en de Regeling bekostiging hoger onderwijs. De rijksbijdrage wordt als een «lumpsum» aan de hogescholen uitgekeerd. Dit betekent dat de hogeschool zelf beslist over de meest doelmatige besteding van het geld ten behoeve van personele, materiële en huisvestingsuitgaven. Vervolgens legt de hogeschool in het verslag verantwoording af over het gevoerde beleid. Het verslag bestaat uit de jaarrekening met de bijbehorende begroting, het jaarverslag en overige financiële gegevens en verschaft inzicht in hoeverre sprake is van een behoorlijke uitvoering van de werkzaamheden waarvoor de rijksbijdrage is toegekend.

De resterende uitgaven op dit beleidsterrein (circa 10%) zijn terug te vinden op de begrotingsartikelen 21.03 en 21.04. Artikel 21.02 is inmiddels komen te vervallen.

Op artikel 21.03 staan de rechtspositionele uitkeringen, ook wel de wachtgelduitgaven genoemd, en de middelen voor flankerend werkgelegenheidsbeleid. Overigens betreft dit alleen de wachtgelduitgaven aan de personen die voor 1 juli 1996 in het wachtgeld zijn ingestroomd. De nieuwe instroom in het wachtgeld wordt rechtstreeks verrekend met de rijksbijdrage van de hogescholen (artikel 21.01). Op artikel 21.04 staan de middelen die aan de hogescholen worden toegekend voor specifieke activiteiten, zoals vernieuwing, internationalisering, informatie- en communicatietechnologie en de projecten ter verbetering van de kwaliteit en studeerbaarheid.

In de navolgende tabel worden de geraamde uitgaven 1999–2003 voor het hoger beroepsonderwijs weergegeven, de gerealiseerde uitgaven in 1997 en de verwachte realisatie in 1998.

Tabel 3.1. Totaal uitgaven en ontvangsten, uitgesplitst (x f 1 miljoen)
  1997199819992000200120022003  
Totale uitgaven 2 615,32 659,92 671,92 596,42 586,72 529,52 526,8  
Rijksbijdrage 2 443,12 469,62 518,22 538,42 534,82 486,02 483,7  
waarvan rechtspositionele uitkeringen* 174,3169,6159,5151,5140,3126,2127,6  
waarvan huisvestingsvergoeding 366,2367,8367,8367,8367,8367,8367,8  
Overig 172,2190,3153,75851,943,543,1  
Totale ontvangsten – 4,7– 14,7– 5,2– 5,2– 5,2– 5,2– 5,2  
Oploop in loon- en prijsbijstelling**   79,397,9116,4130,2144,3  
Gesaldeerde uitgaven in constante prijzen  2 645,22 587,42 493,32 465,12 394,12 377,3  

* wachtgelduitgaven (excl. flankerend werkgelegenheidsbeleid) overeenkomstig het wachtgeldarrangement hbo 1996–2004, aangevuld met loonbijstellingen; deze uitgaven staan verantwoord op art. 21.03 en voor een deel op art. 21.01.

** exclusief korting voor arbeidsproductiviteitsstijging (4x 0,55%)

De totale uitgaven voor het hbo liggen in de periode 1997–2003 op een relatief constant niveau, zij het dat er wel enige fluctuaties over de jaren zijn. Deze fluctuaties worden toegelicht aan de hand van respectievelijk de ontwikkeling van de rijksbijdrage, de rechtspositionele uitkeringen, de huisvestingsvergoeding en de overige uitgaven.

De rijksbijdrage wordt vanaf het jaar 2000 verhoogd in verband met de geraamde stijging van het aantal studenten. Hiervoor is een extra budget beschikbaar van f 23 miljoen in 2000, f 55 miljoen in 2001, aflopend naar f 46 miljoen vanaf 2004. Tevens wordt de rijksbijdrage de komende jaren verhoogd in verband met algemene salarismaatregelen, waaronder de incidentele loonontwikkeling en de CAO. Daartoe is in de tabel een aparte reeks «oploop in loon- en prijsbijstellingen» gepresenteerd. Een nadere toelichting op deze salarismaatregelen is opgenomen bij artikel 21.01.

Vanaf het jaar 2001 wordt de rijksbijdrage beïnvloed door het Verblijfsduurakkoord dat in 1996 met de hogescholen is gesloten. Dit leidt tot een voorlopige vermindering van de rijksbijdrage met f 23,0 miljoen in 2001 en f 68,5 miljoen vanaf 2002, die ten goede komt aan het budget van de studiefinanciering. Als de hogescholen er in slagen de studiefinancieringsuitgaven te verminderen, dan wordt de vermindering van de rijksbijdrage evenredig gecorrigeerd.

Daarnaast is er sprake van een daling van de rijksbijdrage in verband met de bezuinigingstaakstelling in het kunstvakonderwijs, oplopend tot f 25 miljoen vanaf 2001. Hier staat een incidentele budgetreeks voor uitverdieneffecten tegenover: oplopend naar f 13,4 miljoen in 2001 en daarna aflopend naar nul in 2005; in totaal gaat het om f 50 miljoen. Tevens zijn vanaf 1999 de regeerakkoord taakstellingen verwerkt.

De totale uitgaven in 2003, het zogenoemde «extrapolatiejaar», liggen f 2,7 miljoen lager dan in 2002. Dit wordt enerzijds veroorzaakt door een budgetverlaging in 2003 die samenhangt met een eenmalige verhoging van de rijksbijdrage met f 11,5 miljoen in 2002, alsmede door de afloop van de budgetreeks voor studentenstijging en de reeks uitverdieneffecten kunstonderwijs. Anderzijds is het budget in 2003 verhoogd met een vergoeding van f 14,1 miljoen voor de incidentele loonstijging.

De rechtspositionele uitkeringen ondergaan een daling. Deze daling heeft tot gevolg dat er in de toekomst meer middelen beschikbaar blijven voor de exploitatie van de hogescholen. Dit komt ten goede aan de rijksbijdrage van de hogescholen.

De huisvestingsvergoedingen vertonen een constant beeld.

De overige uitgaven ondergaan fluctuaties. Deze fluctuaties zijn grotendeels het gevolg van de middelen die in de periode 1996–1999 beschikbaar zijn voor de verbetering van kwaliteit en studeerbaarheid. Dit zogenoemde studeerbaarheidsfonds maakt onderdeel uit van de post «overige uitgaven» (artikel 21.04.) en bedraagt in totaal f 290,2 miljoen voor het hoger onderwijs, exclusief het agrarisch onderwijs. Het gaat achtereenvolgens om f 39,6 miljoen in 1996, f 84,0 miljoen in 1997, f 84,0 miljoen in 1998 en f 82,6 miljoen in 1999. De beëindiging van het studeerbaarheidsfonds in 1999 verklaart het lagere niveau in de «overige uitgaven» vanaf het jaar 2000.

De uitgaven aan informatie- en communicatietechnologie zijn in 1997 en 1998 incidenteel f 26 miljoen. Voor 1999 is nog geen budget beschikbaar gesteld, hetgeen leidt tot een daling van de «overige uitgaven» in 1999 ten opzichte van 1998.

De totale ontvangsten vertonen een constant beeld, met uitzondering van 1998. Dit wordt veroorzaakt door positieve saldi van projecten en door het terugstorten van teveel betaalde faop-premies.

4. Overige kerngegevens

In deze paragraaf worden achtereenvolgens gepresenteerd:

– de met beleidsterrein 21 samenhangende financiële kerncijfers;

– het aantal studenten naar kalenderjaar;

– personeelsaantallen en aantal instellingen;

– kengetallen over wachtgelden;

– overige kengetallen

Tabel 4.1. Met beleidsterrein 21 samenhangende financiële kerncijfers (x f 1 miljoen)
  1997199819992000200120022003  
WSF/WTS1 953,71 001,1747,6614,0751,21 032,51 064,7  
Collegegelden2 654,5705,4731,5750,4739,9744,7746,4  

1 Exclusief rentedragende leningen, kasschuiven OV-studentenkaart, bijstelling aanvullende beurs en de versobering van de OV-studentenkaart; inclusief prestatiebeurs.

2 Het collegegeld voor studenten die studiefinanciering ontvangen is f 2 575 in 1997 en f 2 750 in 1998. De instelling bepaalt het collegegeld voor de overige studenten. Bij de raming is uitgegaan van eenzelfde collegegeld voor voltijd-studenten en van een collegegeld voor deeltijd-studenten van f 1 700. Vanaf 1999 is rekening gehouden met de indexering van het collegegeld.

Naast de rijksbijdrage verwerven de hogescholen inkomsten uit collegegelden. De collegegelden zijn sinds 1994 eigendom van de instelling. De stijging van de geraamde collegegeldinkomsten hangt samen met de verhoging respectievelijk indexering van het collegegeld en met de stijgende studentenaantallen.

De daling van de studiefinancieringsuitgaven in de eerste jaren en de sterke stijging in het laatste jaar zijn vooral het gevolg van de prestatiebeurs. In de laatste jaren wordt er een grote stijging verwacht doordat dan de eerste cohorten studenten in aanmerking komen voor het omzetten van leningen in beurzen. De ontwikkelingen worden nader toegelicht op beleidsterrein 25 (Studiefinancieringsbeleid).

Tabel 4.2. Aantal studenten naar kalenderjaar (x 1000)
  1997199819992000200120022003  
Totaal ingeschreven studenten 265,2269,9274,2277,7276,6270,3267,8  
– voltijd 223,7227,6231,6234,7231,4223,4222,4  
– deeltijd 41,542,442,643,045,246,945,4  

Bron: Referentieraming 1998

1 Exclusief de studenten in het hoger agrarisch onderwijs; deze zijn opgenomen in de begroting van LNV.

2 Voor de omrekening naar kalenderjaar t wordt een gemiddelde genomen van 2 collegejaren (2/3 x collegejaar t-1/t en 1/3 x collegejaar t/t+1)

De raming van het aantal ingeschreven studenten in het hbo is ten opzichte van vorig jaar naar boven bijgesteld. Naar verwachting zal het totaal aantal studenten in het hbo enigszins fluctueren. Na een aanvankelijke stijging doet zich na de eeuwwisseling een tijdelijke daling voor tot ongeveer het huidige aantal studenten in 2003, waarna het aantal deelnemers weer zal toenemen. Vanaf collegejaar 2001/2002 komen de maatregelen ter verkorting van de verblijfsduur van de nieuwe cohorten studenten in de ramingen tot uitdrukking. De verwachte stijging vanaf 2002 van de deelname aan het deeltijdse onderwijs is mede het gevolg van de afspraken met hogescholen over het stimuleren van deeltijdse en duale trajecten.

Personeelsaantallen

De daling in het aantal personeelsleden in dienst van hogescholen van de laatste jaren lijkt te zijn gestopt. Op 1 oktober 1997 waren er 20 500 personeelsleden in dienst, waarvan 12 500 onderwijzend personeel. In 1996 waren de vergelijkbare aantallen 20 000 en 12 300. Indicatief is een raming van de personeelsaantallen opgenomen op basis van de budgettaire ontwikkeling.

Tabel 4.3 Personele aantallen (x 1000)
  1997199819992000200120022003  
Aantal personeelsleden (fte) 20,220,520,019,319,118,518,4  

Aantal instellingen

De dalende tendens in het aantal hogescholen zet zich nog steeds voort. Begin 1998 bedraagt het aantal hogescholen 58. Uitgaande van de door instellingen aangekondigde fusies zal dit aantal begin 1999 zijn gedaald tot 50. Door fusies in het verleden en de toename van de belangstelling voor het hbo is de gemiddelde grootte tussen 1992 en 1997 gestegen van 3400 naar 4600 studenten.

Wachtgelden

In de navolgende tabel staan de realisatiecijfers over het jaar 1997 op een rij.

Tabel 4.4 Kengetallen over wachtgelden
 1997
Totaal aantal wachtgelders11 707
Totaal wachtgelduitgaven2171,5
Gemiddelde uitkering per fte100.5
Aantal personen33 600

1 De aantallen fte's zijn de gemiddelden van de aantallen per maand. De aantallen zijn inclusief de suppletie-uitkeringen.

2 De uitgaven zijn gepresenteerd minus de ontvangsten (artikel 21.01 ontvangsten) en exclusief frictiepools.

3 Aantal personen met wachtgeld, gemiddeld over 12 maanden.

Toelichting bij tabel 4.4

De omvang van het volume van het wachtgeld wordt uitgedrukt in 2 maten: het aantal personen en het aantal voltijdse eenheden (fte). Gekozen is voor het aantal personen in plaats van het aantal uitkeringsrechten – de maat die tot dusver is gebruikt – omdat dit beter aansluit bij doorgaans gehanteerde volume-maten van de arbeidsactiviteit en -inactiviteit.

Geteld in het aantal personen komt het wachtgeldvolume op een lager niveau dan geteld in het aantal uitkeringsrechten zoals in eerdere rapportages. Dit komt omdat een persoon meerdere uitkeringsrechten kan hebben en omdat personen die niet daadwerkelijk een werkloosheidsuitkering ontvangen onder de BWOO niet meer meegeteld worden. Dit laatste in tegenstelling tot de situatie van voor de invoering van de BWOO, waarin personen die weer werk hadden aanvaard als «slapers» werden meegeteld.

Voor de omvang in fte's maakt dit niet uit (slapers worden geteld als 0 fte). Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat in het aantal fte's het uitkeringspercentage is meegewogen.

Conform de afspraken in het wachtgeldakkoord dalen de wachtgelduitgaven in het hbo, ook voor 1997 is het streefcijfer gehaald. De daling van uitgaven is voornamelijk het gevolg van de verminderde instroom in het wachtgeld, alsmede van de uitstroom van deelnemers aan de 50+ en 55+ regeling door het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. De uitstroom naar de arbeidsmarkt haalt echter nog niet het gewenste resultaat.

Kengetallen

Met behulp van de gegevens uit de bovenstaande tabellen kunnen enkele ratio's worden berekend. Deze zijn weergegeven in tabel 4.5.

Tabel 4.5 Kengetallen (uitgaven: x f 1000, instellingsgrootte: x 1000)
  1997199819992000200120022003  
Gemiddelde instellingsgrootte 4,54,75,55,65,55,45,4  
Uitgaven per student, excl. WSF/WTS, huisvesting 8,58,48,48,08,08,08,0  
Uitgaven huisvesting per student 1,41,41,31,31,31,41,4  
Uitgaven WSF/WTS per student (3,6)(3,7)(2,7)(2,2)(2,7)(3,8)(4,0)  
Collegegelden per student (schatting) (2,5)(2,6)(2,7)(2,7)(2,7)(2,8)(2,8)  
Uitgaven per student, excl. WSF/WTS, huisvesting, in constante prijzen .8,48,17,77,67,57,5  

De ontwikkeling van de uitgaven per student dalen beduidend van 1999 naar 2000. Dit wordt veroorzaakt door de fluctuaties in de totale uitgaven en de geraamde studentenaantallen. Deze zijn opgenomen in tabel 3.1 en tabel 4.2. In het bijzonder gaat het om de daling van de uitgaven in 2000 vanwege de beëindiging van het studeerbaarheidfonds en de verdere stijging van de studentenaantallen in dat jaar.

Overigens laten de uitgaven na 2000 ook een verdere daling zien wanneer gecorrigeerd wordt voor de oploop in loon- en prijsbijstelling.

De «uitgaven per student» is een belangrijk (doelmatigheids-)kengetal.

Daarnaast zijn in de bijlage «OCenW in kerncijfers» gegevens opgenomen over het rendement en de verblijfsduur in het hbo en resultaten van een onderzoek naar de mate waarin afgestudeerde hbo-ers 1,5 jaar na hun afstuderen er in geslaagd zijn een werkkring te vinden.

Reeds in het begrotingsjaar 1997 zijn twee monitors opgezet om de afspraken die gemaakt zijn in het wachtgeldakkoord en het verblijfsduurakkoord te kunnen beoordelen. De eerste resultaten van de ontwikkeling van de wachtgelduitgaven zijn bemoedigend; de beoogde kentering in de uitgaven lijkt op te treden. Het verblijfsduurakkoord is nog volop in ontwikkeling en richt zich op een vermindering van de studiefinancieringsuitgaven vanaf het collegejaar 2001/2002.

Beleidsterrein 22 WETENSCHAPPELIJK ONDERWIJS

Wetenschappelijk onderwijs t.o.v. de totale begroting OC en W

kst-26200-VIII-2-13.gif

1. Algemeen

Dit beleidsterrein omvat de universiteiten en academische ziekenhuizen (artikel 22.01), de instituten van internationaal onderwijs en onderzoek (artikel 22.02) en de overige instituten van hoger onderwijs (artikel 22.03). De bekostiging en subsidiëring van deze instellingen geschiedt op grond van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW), een aantal subsidieregelingen en in een aantal gevallen op basis van aparte wetgeving.

2. Taakstelling regeerakkoord

Op het beleidsterrein wetenschappelijk onderwijs moet vanuit het Regeerakkoord 1994 en het Regerakkoord 1998 in de komende periode een taakstelling worden ingevuld die uiteindelijk f 302,7 miljoen beloopt. Deze bezuining is met uitzondering van de beperking van de incidentele looncomponent van 0,8% naar 0,6%, naar rato verdeeld over het landelijk beschikbare budget voor de universiteiten (onderdelen onderwijs, verwevenheid, onderzoek en academische ziekenhuizen) en over de overige instituten hoger onderwijs. Ook op de uitgaven van de instituten internationaal onderzoek, voorzover niet vallend onder de Homogene Groep Internationale Samenwerking wordt een korting aangebracht. Naast de hiervoor genoemde taakstelling worden de collegegelden geïndexeerd. De hiermee corresponderende meerinkomsten worden in mindering gebracht op de universitaire budgetten. De maatregelen zijn nader gespecificeerd in de artikelsgewijze toelichting van het beleidsterrein wetenschappelijk onderwijs.

3. Beleid

De instellingen zullen de komende jaren invulling moeten geven aan deze financiële taakstellingen. Tegelijkertijd zullen de universiteiten tegemoet moeten blijven komen aan de eisen die worden gesteld aan hoogwaardig onderwijs en onderzoek in onze kennisintensieve economie. Dit vergt een steeds voortgaande verbetering van de kwaliteit en doelmatigheid van onderwijs en onderzoek. Daarnaast wijzen prognoses op een toenemende vraag op de arbeidsmarkt naar academisch opgeleiden, terwijl de wervingskracht van de universiteiten op de arbeidsmarkt zelf onder druk staat.

Internationale vergelijkingen wijzen uit dat de kwaliteit van het universitair onderwijs en onderzoek in het algemeen uitstekend is. Dat positieve beeld wordt ook bevestigd in het Hoger onderwijs en onderzoek plan (HOOP) 1998, dat in januari 1998 is vastgesteld. Dat neemt niet weg dat er, mede in het licht van de in het Regeerakkoord geformuleerde ambities, verdere verbeteringen gewenst zijn om:

– de toonaangevende internationale positie te handhaven en te versterken;

– in te spelen op maatschappelijke ontwikkelingen, zoals een leven lang leren en de toenemende vraag naar academisch opgeleiden;

– de flexibiliteit in de universitaire opleidingen te vergroten;

– de positie van de universiteiten in de nationale en regionale kennisinfrastructuur te behouden en bij te dragen aan technologische vernieuwing, duurzame economische groei en hoogwaardige werkgelegenheid;

– de kwaliteit en studeerbaarheid van het onderwijs verder in te bedden;

– de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt verder te verbeteren.

In het licht van deze opgaven is het beleid op het gebied van het wetenschappelijk onderwijs gericht op de volgende speerpunten:

a. verdere versterking van de maatschappelijke oriëntatie van universiteiten;

b. differentiatie en voortgaande verbetering van de kwaliteit van het onderwijs;

c. aanpassingen in de bestuurlijke relaties tussen overheid en instellingen en versterking van de bestuurlijke slagvaardigheid van de universiteiten.

Deze lijnen worden hieronder nader uitgewerkt. Daarnaast wordt ingegaan op de vernieuwing van de bekostiging van onderwijs en onderzoek, de toelating tot numerus-fixus-opleidingen en het beleid met betrekking tot academische ziekenhuizen.

3.1 Versterking van de maatschappelijke oriëntatie

De aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt kan beter. Daarom wordt dualisering in het wetenschappelijk onderwijs gestimuleerd en zijn convenants gesloten om de deelname aan universitaire lerarenopleidingen te vergroten en bèta- en technische opleidingen te vernieuwen. Op deze convenants is reeds ingegaan in het algemeen deel van de memorie van toelichting.

Een belangrijk aandachtspunt voor de toekomst is daarnaast de vraag hoe voorzien kan worden in de toenemende vraag naar academisch opgeleiden op de arbeidsmarkt. Volgens prognoses van het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) zal de vraag naar universitair opgeleiden het aanbod aan afgestudeerden in de periode tot 2002 jaarlijks met duizenden personen overstijgen. Nu al zijn knelpunten zichtbaar in bijvoorbeeld informatica en accountancy.

3.1.1 Dualisering

Ter stimulering van experimenten met duale opleidingen is voor de periode 1998–2000 f 11,8 miljoen beschikbaar. Deze middelen worden toegekend in twee tranches. Voorstellen van universiteiten voor de eerste tranche zijn beoordeeld door een externe commissie. In deze tranche hebben negen duale opleidingen subsidie gekregen. Er is bijna f 4 miljoen toegekend. De tweede tranche volgt in 1999. In 2001 wordt het experimentenbeleid geëvalueerd, waarna de Tweede Kamer zal besluiten of duale opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs op structurele basis worden ingevoerd.

3.1.2 Bèta-techniek

Over de vernieuwing van bèta-opleidingen is in mei 1998 een convenant met de algemene universiteiten met bèta-opleidingen gesloten. De vernieuwing en verbreding van opleidingen aan de technische universiteiten is al eerder in gang gezet in vervolg op de convenants techniek van 1991 en 1994. Verdere modernisering en verbreding van de curricula moet met kracht worden doorgezet, vooral vanwege de matige rendementscijfers en de achterblijvende instroom van nieuwe studenten. De technische universiteiten hebben inmiddels een actieplan opgesteld dat onder meer voorziet in een aantal pilot-projecten waar harde cijfers met betrekking tot rendementsverhoging zullen worden nagestreefd. Een specifiek aandachtspunt betreft de integratie van de lerarenopleiding in de vijfjarige ingenieursopleiding, conform de benadering die in het bèta-convenant is gekozen.

3.1.3 Ophoging numerus fixus

Het landelijk beschikbare budget voor universiteiten is verhoogd in verband met de uitbreiding van de capaciteit eerstejaars studenten voor geneeskunde en tandheelkunde. Deze verhoging bedraagt f 7 miljoen in 2000, oplopend tot f 19 miljoen in 2004 en latere jaren. Met behulp van deze extra middelen kan de helft van de in het HOOP 1998 beoogde uitbreiding van de onderwijscapaciteit in deze opleidingen worden gerealiseerd.

3.2 Differentiatie en kwaliteit

3.2.1 Differentiatie

Het hoger onderwijs ontwikkelt zich in de richting van meer differentiatie. Met een kandidaatsfase is een belangrijke stap gezet in de richting van de in het Regeerakkoord geformuleerde ambitie, meer flexibiliteit aan te brengen in de opleidingen aan de universiteiten. Door invoering van een kandidaatsfase wordt de doorstroom naar verschillende afstudeerrichtingen, waaronder duale varianten, of de doorstroom naar andere universiteiten, gemakkelijker gemaakt. Dat biedt ruimte voor een andere opbouw van programma's. Hiermee wordt tevens aangesloten bij internationale ontwikkelingen in de structurering van universitaire opleidingen binnen West-Europa, en bij de toename van combinaties van leren en werken. Ook nemen de mogelijkheden toe om tegemoet te komen aan de wensen van studenten.

3.2.2 Kwaliteit en studeerbaarheid

Bij de structurele verankering van de verworvenheden van het programma Kwaliteit en studeerbaarheid in het reguliere onderwijsproces zijn professionalisering van het onderwijs en informatie- en communicatietechnologie (ict) belangrijke aandachtspunten.

Wat betreft professionalisering kunnen ervaringen in Engeland mede als inspiratiebron dienen. Daar wordt met het Institute for Learning and Teaching in Higher Education een begin gemaakt met verbetering van docentenscholing in het hoger onderwijs op nationaal niveau en het verzorgen van permanente nascholing. In Nederland zal het komend jaar een aantal initiatieven binnen de universitaire sector worden ondersteund, gericht op verdere professionalisering van het onderwijs. Hiermee kan ook een bijdrage worden geleverd aan het vergroten van de employability van docenten in het wetenschappelijk onderwijs.

Van de projecten die zijn gefinancierd in het kader van het Studeerbaarheidsfonds heeft circa 20% betrekking op informatie en communicatietechnologie (ict). Bezien zal worden hoe ict in het wetenschappelijk onderwijs verder kan worden gestimuleerd.

3.3 Bestuurlijke verhoudingen

3.3.1 Modernisering universitaire bestuursorganisatie

Met ingang van 19 maart 1997 is de Wet modernisering universitaire bestuursorganisatie ingevoerd. Deze heeft er toe geleid dat de universitaire bestuursorganisatie meer harmoniseert met hetgeen in andere sectoren in het onderwijs gebruikelijk is. Bovendien is de bestuurskracht van het facultaire niveau aanzienlijk versterkt, onder meer door het niet meer voorschrijven van de vakgroepstructuur en het mogelijk maken van integraal management op het middenniveau van de universiteit. De commissie onder leiding van dr. C. Datema heeft op 2 juni advies uitgebracht over de implementatie van de modernisering universitaire bestuursorganisatie. Dit advies wordt meegenomen bij de rapportage van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen aan de Tweede Kamer over het implementatiejaar, waarbij ook de bevindingen van de inspectie worden betrokken.

3.3.2 Decentralisatie arbeidsvoorwaardenvorming

Naar verwachting zal dit najaar het proces van decentralisatie van de arbeidsvoorwaardenvorming met de Vereniging Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU), de HBO-raad en de werkgeversvereniging van de onderzoekinstellingen (WVOI) alsmede met de vakorganisaties voor overheids- en onderwijspersoneel worden afgerond.

Het is de bedoeling dat de decentralisatie van de arbeidsvoorwaardenvorming voor de universiteiten, hogescholen en onderzoekinstellingen wordt gerealiseerd per 1 januari 1999. Dit betekent dat vanaf die datum de arbeidsvoorwaardenvorming een zaak is van de werkgevers en de vakorganisaties voor overheids- en onderwijspersoneel in het veld van het hoger onderwijs. Met deze decentralisatie zullen de instellingen verdergaande bevoegdheden krijgen om eigenstandig specifieke primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden vast te stellen, opdat zij daarbij hun rol als werkgever beter kunnen vervullen. De overheid is dan verantwoordelijk voor het vaststellen van de financiële ruimte en het algemeen toezicht op de besteding van die ruimte door middel van monitoring en informatiebevraging.

3.3.3 Accountability, toezicht en controle

Een belangrijk aandachtspunt in de bestuurlijke relaties met de instellingen vormt het versterken van de verantwoording en de verbetering van de informatievoorziening. In het regeerakkoord is opgenomen dat waar de eigen verantwoordelijkheid wordt versterkt, instellingen zich zowel tegenover de overheid als tegenover studenten adequaat moeten verantwoorden over de besteding van middelen en bereikte resultaten. Verbetering van de kwaliteitszorg en de informatievoorziening aan aankomende studenten bij de studiekeuze behoeven daarom blijvende aandacht. Daarnaast wordt in de financiële verantwoording gestreefd naar verbetering van de accountability.

Het lumpsum-stelsel berust op twee pijlers: bestedingsvrijheid en verantwoording.

Autonomie is dus onlosmakelijk verbonden met accountability, het afleggen van verantwoording over kwaliteit en financiën. Beide invalshoeken zijn van belang en hangen samen. Verbetering van de accountability betekent dat het financieel jaarverslag de vereiste helderheid moet bieden, zodat het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen beter zicht krijgt op het financieel beheer en de vermogenspositie van de universiteiten. Daarnaast moet een betere weergave van prestatiegegevens meer gestructureerd inzicht opleveren in de prestaties van universiteiten en de verhouding tussen onderwijs- en onderzoekprestaties en (belasting)middelen waarover de instelling beschikt.

3.4 Bekostiging universiteiten

3.4.1 Onderwijsbekostiging

In het HOOP 1998 zijn lijnen uitgezet voor een nieuwe bekostigingssystematiek voor het onderwijs. In de jaren 1997, 1998 en 1999 is een gestabiliseerd verdeelmodel van toepassing. Met ingang van 2000 zal het Prestatie bekostigingsmodel (PBM) van toepassing zijn. In dit model is 50% van het onderwijsdeel afhankelijk van aantallen behaalde diploma's. Het aantal ingestroomde eerstejaars per universiteit bepaalt circa 13% van de middelen. De resterende 37% wordt verdeeld volgens een vaste verdeelsleutel voor instandhouding van studentonafhankelijke onderwijscapaciteit en als waarborg voor stabiliteit. Het verwevenheidsdeel uit de huidige bekostigingssystematiek is in PBM geïntegreerd in het onderwijsdeel. Het PBM is sterker afhankelijk van gerealiseerde output (prestaties) en van de keuzen van studenten.

3.4.2 Onderzoeksbekostiging

Voor de onderzoeksbekostiging zijn in het HOOP 1998 eveneens nieuwe beleidslijnen uitgezet. De onderzoeksbekostiging moet meer op kwaliteit worden gericht. Het beleid voor de (top)onderzoekscholen wordt voortgezet. In twee rondes wordt door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) geadviseerd over te selecteren toponderzoekscholen. Naar aanleiding van het advies van NWO heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen in april 1998 de selectie van toponderzoekscholen in de eerste ronde vastgesteld. In de begroting 1999 is een bedrag van f 10 miljoen opgenomen voor de zes geselecteerde toponderzoekscholen uit de eerste ronde. Dit bedrag loopt op tot f 50 miljoen per jaar vanaf 2002. De middelen worden gevonden door reallocatie binnen de rijksbijdrage voor de universiteiten. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen heeft een versnelde tweede ronde aangekondigd. Mede op basis van evaluatie van de eerste ronde zullen de criteria worden herzien, om te bevorderen dat in de tweede ronde een meer evenwichtige spreiding over wetenschapsgebieden kan worden gerealiseerd. Bij deze evaluatie zullen ook de resultaten van gesprekken worden meegenomen over de institutionele vormgeving van stimulering van toponderzoek in alfa- en gamma-wetenschappen.

3.5 Toelating numerus fixus-opleidingen

Op 24 maart 1998 werd een wetsontwerp ingediend, dat voorstellen bevat voor aanpassingen van het systeem van selectie voor opleidingen waarvoor een toelatingsbeperking is vastgesteld. Het wetsontwerp behelst aanpassing van het huidige systeem van gewogen loting bij opleidingen met numerus fixus. De belangrijkste aanpassingen zijn:

– directe plaatsing vanaf gemiddeld eindexamencijfer 8 en een aangepast gewogen lotingssysteem voor de overige plaatsen;

– beperking van het aantal lotingskansen tot maximaal twee;

– introductie van de mogelijkheid tot vormen van selectie door instellingen van hoger onderwijs voor een beperkt deel van de plaatsen.

Op korte termijn wordt gekeken of het wetsontwerp aangepast moet worden om experimenten mogelijk te maken met selectie, zoals aangekondigd in het regeerakkoord.

3.6 Academische ziekenhuizen

3.6.1 Bestuurlijke verhoudingen

Volgens bepalingen in de WHW dienen de instellingen de samenwerking tussen medische faculteit en academisch ziekenhuis in een plandocument vast te leggen. Over de structuur en inhoud van deze afstemming hebben universiteiten en academische ziekenhuizen in 1997 afspraken gemaakt. Deze zijn vastgelegd in een gedragscode.

Inmiddels hebben alle clusters nieuwe plandocumenten opgesteld, die een beter beeld geven van de afspraken met betrekking tot ondersteuning van de faculteit door het academisch ziekenhuis. De daarbij verschafte financiële gegevens betekenen een aanzienlijke verbetering van de verantwoording van de aanwending van de rijksbijdrage. Omdat het proces nog niet is voltooid, zal hieraan ook in de komende jaren nog de nodige aandacht worden gegeven.

Geconstateerd wordt dat de intensievere samenwerking tussen universiteit, medische faculteit en academisch ziekenhuis in een aantal gevallen leidt tot vergaande bestuurlijke samenwerking. Deze positieve ontwikkelingen zullen nader worden geanalyseerd, mede in het licht van de recente wijziging van de universitaire bestuursorganisatie.

3.6.2 Bekostiging

Per 1 januari 1997 zijn nieuwe bekostigingsmodellen voor de bepaling van de budgetten per academisch ziekenhuis voor enerzijds het rijksbijdragedeel en anderzijds het zorgbudget voor reguliere en topzorgfuncties ingevoerd. Deze moeten nog gevolgd worden door het invoeren van een bekostigingsopzet voor de bijzondere academische taken, waaronder de topreferentiefunctie. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt primair bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Wanneer ook de bekostiging van deze functie is geregeld, zal het proces zijn afgesloten dat in 1993 startte met het rapport «Bepaald betaalbaar» van de Vereniging Academische Ziekenhuizen (VAZ). Het beoogde resultaat is een verheldering van de verantwoordelijkheid voor de verschillende bekostigingsstromen in relatie tot de omvang van de onderscheiden functies.

Met ingang van 1999 zal de directe financiële bijdrage ten laste van de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen aan het programma ontwikkelingsgeneeskunde, dat in belangrijke mate bij de academische ziekenhuizen plaatsvindt, worden beëindigd. Het beleid van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen is erop gericht de rol van NWO in dit traject te versterken.

3.6.3 Huisvesting

Het beleid van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen is gericht op een verdere vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van academische ziekenhuizen voor de instandhouding van de gebouwen en terreinen, analoog aan het model dat met ingang van 1 januari 1996 bij de algemene ziekenhuizen is geïntroduceerd. Bij decentralisatie geldt voor bekostiging van de lasten van rente en afschrijving, samenhangend met huisvestingsinvesteringen, dat deze volgens de afgesproken verhouding van 25% door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en voor 75% door de verzekeraars worden gedragen.

3.6.4 Privatisering arbeidsvoorwaarden

Na afweging van de verschillende alternatieven wordt afgezien van volledige privatisering van de arbeidsvoorwaarden. Samen met het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de VAZ is geconstateerd dat de verschillen tussen de positie van de academische ziekenhuizen en de algemene ziekenhuizen steeds kleiner worden als gevolg van de OOW-operatie (overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen). Er zijn bestuurlijke afspraken gemaakt waardoor de academische ziekenhuizen ten opzichte van de algemene ziekenhuizen in een gelijkwaardige uitgangspositie op de arbeidsmarkt komen te verkeren.

4. Horizontale toelichting

Op het beleidsterrein WO wordt de komende jaren een taakstelling ingevuld, welke uiteindelijk ruim f 300 miljoen beloopt. Daarenboven worden de collegegelden voortaan jaarlijks geïndexeerd; de hogere collegegeldopbrengsten worden in mindering gebracht op de universitaire budgetten. Een en ander resulteert in een na 1999 dalende budgetontwikkeling.

De mutaties in het begin van de meerjarenperiode zijn terug te voeren op loon- en prijsbijstelling, en hebben daarnaast betrekking op de instelling van het Studeerbaarheidsfonds, de middelen voor de tijdelijke stimuleringsregeling voor aankomende hoogleraren (f 10 miljoen in de jaren 1997 tot en met 2000) en de herstructureringsmiddelen wetenschappelijk onderzoek (f 15 miljoen in 2000 en f 30 miljoen in 2001).

De ramingen voor het internationaal onderwijs zijn bijgesteld in overeenstemming met het Ministerie van Buitenlandse Zaken. De uitgaven voor het internationaal onderwijs zijn voor het grootste deel onderdeel van de Homogene Groep Internationale Samenwerking. Het merendeel van deze OCenW-uitgaven valt te typeren als officiële ontwikkelingshulp (official development assistance).

Daarnaast ontvangt een aantal instellingen een bijdrage op basis van internationale verdragen. De hoogte van deze bijdragen wordt vastgesteld in internationale gremia waar Nederland lid van is.

Bij de overige instellingen van wetenschappelijk onderwijs en onderzoek is deels sprake van wettelijke bekostiging zonder open-einde. Daarnaast is er een aantal gesubsidieerde instellingen die onder niet-wettelijke bekostiging vallen. Bij het bepalen van de subsidie voor deze instellingen wordt rekening gehouden met de geldende subsidievoorwaarden.

De uitkeringen na ontslag (wachtgelden) zijn gebudgetteerd bij de universiteiten, de academische ziekenhuizen, de Open Universiteit Nederland en de Stichting Nederlandse Organisatie voor Internationale Samenwerking in het Hoger Onderwijs. Met ingang van de begroting 1998 zijn ook voor een zestal andere instellingen op de artikelen 22.02 en 22.03 de uitkeringen na ontslag gebudgetteerd (zie de toelichtingen aldaar en bij artikel 22.04).

Tabel 4.1 Totaal uitgaven en ontvangsten (x f 1 miljoen)
  1997199819992000200120022003  
Totale uitgaven 5 244,75 435,35 542,95 525,15 505,95 463,35 443,4  
           
– universiteiten/academische ziekenhuizen 4 421,54 630,44 729,44 764,24 752,94 708,04 689,0  
           
Totaal universiteiten en academische ziekenhuizen – 22.01 4 920,25 103,75 213,85 252,55 240,55 195,85 175, 2  
           
Bekostiging overige instellingen (22.02+22.03) 226,6226,1231,8232,1232,1231,8232,6  
           
Rechtspositionele uitkeringen – 22.04 9,815,713,814,214,715,415,4  
           
Overige uitgaven          
– t.b.v. universiteiten 71,670,572,416,86,53,03,0  
– t.b.v. academische ziekenhuizen 2,47,03,43,64,06,46,4  
– overige instellingen 14,112,37,75,98,110,910,9  
Totaal overige uitgaven – 22.06 88,189,883,526,318,620,320,3  
Totale ontvangsten – 2,7– 3,5– 2,4– 2,4– 2,4– 2,4– 2,4  
Oploop in loon- en prijsbijstelling   115,3153,4195,0221,8267,5  
Gesaldeerde uitgaven in constante prijzen .5 431,85 425,25 369,35 308,55 239,95 173,5  

(1) universiteiten en academische ziekenhuizen

(2) 1997–1999 inclusief «Studeerbaarheidsfonds», 1997–2000 incl. «jonge hoogleraren»

5. Overige kerncijfers

In tabel 5.1 worden de uitgaven gepresenteerd die samenhangen met het beleidsterrein wetenschappelijk onderwijs en elders in deze begroting zijn opgenomen. Het gaat in het bijzonder om de uitgaven voor studiefinanciering. Van de opbrengst van de collegegelden is een schatting opgenomen op basis van het geraamde aantal studenten en de hoogte van het collegegeld. De collegegelden worden sinds 1993 door de studenten rechtstreeks aan de instellingen betaald.

Tabel 5.1 Met beleidsterrein 22 samenhangende financiële kerncijfers (x f 1 miljoen)
  1997199819992000200120022003  
WSF1 689,4572,4442,0372,3249,733 4,4426,4  
opbrengst collegegelden (schatting) 377,0397,5417,5420,4425,2431,1431,1  

1 Exclusief rentedragende leningen en prestatiebeursleningen. Inclusief kasschuiven ov-studentenkaart. De bedragen zijn exclusief de financiering voor studenten in het agrarisch onderwijs. Hiertoe zijn de uitgaven aan WSF met een vaste factor verlaagd.

Tabel 5.2 toont het aantal instellingen in het wetenschappelijk onderwijs.

Tabel 5.2 Aantal instellingen in het wetenschappelijk onderwijs
Universiteiten12
Academische ziekenhuizen8
Theologische universiteiten, Universiteit voor Humanistiek, etc.6
Internationale onderwijsinstellingen4
Open Universiteit Nederland1

Bron: OCenW

In tabel 5.3 zijn de (geraamde) studentenaantallen opgenomen. Het aantal studenten per collegejaar is hierbij omgerekend naar kalenderjaar. Voor de universiteiten zijn de gegevens over 1997 gebaseerd op de 1-december- telling van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), terwijl de rest van de reeks een prognose is. Deze prognose is gebaseerd op de Referentieraming 1998.

Het aantal eerstejaarsstudenten neemt weer toe. In 1997 is het aantal eerstejaars met 4% toegenomen ten opzichte van 1996. Op grond van de huidige stand van de aanmeldingen voor het studiejaar 1998–1999 wordt wederom een lichte stijging verwacht. De prognose is dat het aantal eerstejaars zich de komende jaren zal stabiliseren op circa 28 000 per jaar.

Het totaal aantal ingeschrevenen stabiliseert zich vanaf het jaar 2000 op circa 150 000 studenten. Dit aantal ligt circa 9 000 hoger dan voorzien in de raming voor de begroting van 1998. In deze nieuwe raming is rekening gehouden met de omvang van de instroom 1997–1998 en een beperkte verlenging van de studieduur. Hiervan is sprake als gevolg van invoering van een 5-jarige cursusduur voor technische studies enkele jaren geleden, de voorgenomen verlenging van de cursusduur van bijna alle bèta-studies en de ontwikkeling van duale leerwegen waarbij werken en leren wordt gecombineerd. Dit laat overigens onverlet dat de gemiddelde verblijfsduur in het wetenschappelijk onderwijs afneemt door het beleid dat is gericht op verkorting van de studieduur en intensivering van het onderwijs.

Het aantal behaalde diploma's zal zich de komende jaren naar verwachting stabiliseren op circa 21 000. In het hoge aantal afgestudeerden in 1998 zijn de effecten zichtbaar van de afstudeerpiek die het gevolg was van het gelijktijdig afstuderen van verschillende cohorten door de verkorting van de gemiddelde studieduur.

Tabel 5.3. Aantal studenten naar kalenderjaar/studiejaar (x 1000)
Studiejaar   97/9898/9999/0000/0101/0202/0303/04
Eerstejaars studenten (referentieraming '98)   28,328,428,528,028,027,928,4
Kalenderjaar   1997199819992000200120022003
           
Ingeschrevenen (rr'97, begroting 1998)   157,6151,7146,9143,8142,3141,6140,6
Ingeschrevenen (rr'98)   158,0154,1152,1150,6149,8149,6149,5
waarvan extraneï   4,73,12,72,62,52,52,4
Kalenderjaar1994199519961997199819992000200120022003
           
Afgestudeerden (referentieraming '98)24,025,827,024,823,822,421,420,720,620,7

referentieraming '97: Referentieraming 1997, referentieraming '98: Referentieraming 1998.

Bron: voor de universiteiten het CBS (1997).

Naast nieuwe telgegevens is de raming ook gewijzigd door een aantal correcties. Voor meer informatie over de studentenramingen wordt verwezen naar de Referentieraming 1998.

In tabel 5.4 wordt de ontwikkeling van enkele berekende doelmatigheidskengetallen weergegeven.

Tabel 5.4 Kengetallen (aantallen x 1000, uitgaven x f 1000)
  1997199819992000200120022003  
Gemiddelde instellingsgrootte 13,212,812,712,612,512,512,5  
           
Onderwijsuitgaven per student, excl. WSF/WTS en huisvesting 8,18,78,99,09,08,98,8  
           
Uitgaven huisvesting per student 0,40,40,40,40,40,40,4  
Uitgaven WSF per student 4,53,83,02,21,72,32,9  
Collegegelden per student 2,52,62,82,82,92,92,9  
Onderwijsuitgaven per student, excl. WSF en huisvesting in constante prijzen .8,78,88,78,68,58,4  

Bron: Berekening OCenW.

NB1: De «onderwijsuitgaven» zijn benaderd door uit gegevens over de onderzoeksinspanning te herleiden welk deel van de inzet van wp betrekking heeft (zou hebben) op onderwijs. Aan de hand van de rekeningen 1996 zijn met die verhouding vervolgens de uitgaven voor onderwijs berekend en uitgedrukt als percentage van de totale lasten. Dit percentage is gerelateerd aan de rijksbijdrage exclusief huisvesting en academische ziekenhuizen en vermeerderd met de «overige uitgaven ten behoeve van universiteiten». De getallen zijn illustratief bedoeld; de onzekerheidsmarge is groot, omdat de hier doorgerekende scheiding tussen onderwijs en onderzoek gegeven de lump-sum financiering kunstmatig is. De getallen houden verder geen rekening met dynamiek in de verhouding onderwijs/onderzoek. Voor de gesaldeerde onderwijsuitgaven is in de berekening voor de jaren 1997 t/m 2003 uitgegaan van de reeks (in mln.): 1335,2; 1327,2; 1319,9; 1306,6; 1300,7.

De onderwijsuitgaven per student per jaar tonen een beperkte stijging. Deze ontwikkeling moet worden gezien in samenhang met de daling van de gemiddelde studieduur en de daarvoor noodzakelijke intensivering van onderwijsprogramma's. De stijging tussen 1997 en 1998 wordt daarnaast voor een belangrijk deel verklaard door de uitvoering van de CAO.

Ondanks de stijging tot het jaar 2000 is er wel degelijk sprake van efficiency-winst; dezelfde onderwijsprestatie wordt immers in een kortere periode tot stand gebracht.

Tabel 5.5 Personeelsaantallen (fte x 1000)
  1997199819992000200120022003  
Personeelsaantallen 39,640,040,741,040,840,440,2  

Het verwachte aantal personen dat in dienst is van de gezamenlijke universiteiten is gebaseerd op de laatst bekende realisatie, gekoppeld aan de in de tabel 4.1 getoonde ontwikkeling in het budget van de universiteiten. Omdat de universiteiten zelf verantwoordelijk zijn voor het te voeren personeelsbeleid, kan de getoonde reeks in tabel 5.5 slechts als een zeer indicatieve raming worden beschouwd.

Beleidsterrein 23 ONDERZOEK EN WETENSCHAPSBELEID

Onderzoek en wetenschapsbeleid t.o.v. de totale begroting OCenW

kst-26200-VIII-2-14.gif

1. Algemeen

De middelen die binnen dit beleidsterrrein zijn gereserveerd betreffen allereerst (artikel 23.01 Instellingen voor onderzoek en wetenschapsbeoefening) de bekostiging op basis van wetten, zoals:

– de Wet op het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek (WHW);

– de Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek (NWO-wet);

– de Wet op de Nederlandse organisatie voor toegepast natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO-wet);

– koninklijke besluiten;

– internationale verdragen en statuten van een dertigtal grote(re) en kleinere instellingen van verschillend karakter.

Te onderscheiden zijn:

– de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (KNAW);

– de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO);

– de Nederlandse Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek (TNO);

– de grote technologische instituten (gti's);

– instellingen op het terrein van bibliotheekwezen en informatieverzorging, waaronder de Koninklijke Bibliotheek;

– alfa/gamma onderzoek;

– publieksvoorlichting over wetenschap en technologie;

– maatschappelijke oordeelsvorming;

– internationale onderzoekinstellingen en de Adviesraad voor Wetenschap en Technologie.

Het Rijksinstituut voor oorlogsdocumentatie (RIOD) wordt per 1 januari 1999 ondergebracht bij de KNAW.

Met de beleidslijnen, opgenomen in opeenvolgende Wetenschapsbudgetten, wordt een kader gegeven voor de strategische plannen en de begrotingen van de instellingen. Conform het regeerakkoord wordt het Wetenschapsbudget eens in de vier jaar uitgebracht.

Naast de bekostiging van dertig instituten op artikel 23.01 worden er op artikel 23.04 (Coördinatie wetenschapsbeleid) middelen gereserveerd voor nationale en internationale coördinerende activiteiten met in totaal een omvang van f 57 miljoen. Met deze middelen geeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen invulling aan zijn rol van coördinerend minister voor het wetenschapsbeleid.

2. Beleid

Verkenningen, keuzes en prioriteiten

Een belangrijke hoofdlijn in het beleid betreft het ontwikkelen van keuzes in het wetenschappelijk onderzoek en het stellen van prioriteiten binnen deze keuzes. Het proces van verkenningen richt zich op het ontwikkelen van de basis daarvoor. Dit verkenningsproces is in handen gelegd van de Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT). De agenda voor de verkenningen is opgesteld en er zijn met de AWT afspraken gemaakt over de aanpak van het proces. De AWT zal advies uitbrengen inzake prioriteiten en posterioriteiten. Dat advies is gebaseerd op de uitkomsten van de lopende en nog uit te voeren verkenningen. Het AWT-advies is de input voor een vierjarige beleidscyclus voor het wetenschapsbeleid.

Nieuwe Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek-wet (NWO-wet)

Het komend jaar ligt een ontwerp voor een nieuwe NWO-wet voor behandeling bij de Tweede Kamer. De hoofdlijnen zijn met de brief van 21 april 1997 aan de Tweede Kamer medegedeeld. Daarbij wordt tevens de recent beklonken reorganisatie van NWO verwerkt en de planningsystematiek aangepast aan de vierjarige beleidscyclus van het Wetenschapsbudget.

Wetenschapsbudget 1997

In het Wetenschapsbudget 1997 zijn verschillende prioriteiten geformuleerd op basis van het verkenningenproces. Deze prioriteiten zijn enerzijds verwerkt in stimuleringsprogramma's van NWO en anderzijds in het onderzoek van de universiteiten en andere onderzoekorganisaties, waar onder TNO.

Sommige van de stimuleringsprogramma's zijn in 1998 gestart, andere zullen in 1999 volgen. Deze worden samen met andere departementen gefinancierd.

Voor het onderzoek van de universiteiten is gevraagd om «zichtbaar en meetbaar» aan te geven hoe op die prioritaire gebieden te werk kan worden gegaan. Deze lijn zal in het kader van de verantwoording door de universiteiten worden voortgezet.

Strategienota Nederlandse organisatie voor toegepast natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO-wet)

TNO werkt aan de uitvoering van plannen die neergelegd zijn in de Strategienota 1998, waarover het kabinet in april 1998 een standpunt heeft ingenomen. De uitwerking ervan voor het basisfinancieringsonderzoek bij TNO is neergelegd in het daarvoor bestemde meerjarenplan. Dit plan zal in het najaar van 1998 uitkomen en de Minister van OCenW zal zijn oordeel aan TNO kenbaar maken. Verder zal in 1999 aandacht worden besteed aan de implementatie van het standpunt van het kabinet over het AWT-advies over de grote technologische instituten (gti's), in samenwerking met de ministeries van Economische Zaken en Verkeer en Waterstaat.

Kaderprogramma

In 1999 gaat het vijfde Europese kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling daadwerkelijk van start. Dit programma heeft een geheel nieuwe structuur gekregen. De nieuwe benadering is gericht op partnerschap en dialoog en heeft een meer multidisciplinaire aanpak gekregen. Vanuit Nederland zal grote aandacht worden besteed aan de inzet van Europese structuurfondsen voor onderzoek.

Bilaterale samenwerking

De bilaterale samenwerking met Vlaanderen, de naburige Duitse deelstaten en Duitsland, Frankrijk, Rusland, Hongarije, Indonesië en China wordt voortgezet en waar mogelijk geïntensiveerd. De bilaterale samenwerking met Singapore wordt op gang gebracht. Voor de samenwerking met Azië speelt de op human resources development gerichte Azië-faciliteit, die is opgenomen in de homogene groep internationale samenwerking, een belangrijke rol.

Doelmatigheid en doeltreffendheid van het Nederlandse Onderzoek

Financieringsstromen

Zoals in alle landen zijn de overheid en de bedrijven in Nederland de belangrijkste financiers van het onderzoek. Op het niveau van de overheid is het ministerie van OCenW de grootste financier van wetenschappelijk onderzoek, met een aandeel van meer dan 60% van het totaal van de Rijksoverheid. Hiervan gaat het grootste deel naar de universiteiten in de vorm van de eerste geldstroom. Ook het Ministerie van Economische Zaken is een belangrijke financier, met een aandeel van ruim 15%, evenals het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij met een aandeel van 9%. De overige overheidsmiddelen, ongeveer 15%, komen van de andere ministeries.

Niet alle middelen van de overheid gaan direct naar de uitvoerende onderzoekinstellingen. Een deel van het overheidsbudget wordt verdeeld via enkele intermediaire organisaties. Voor het Ministerie van OCenW zijn de belangrijkste organisaties de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) en de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (KNAW). NWO financiert het tweede geldstroomonderzoek binnen universiteiten en financiert daarnaast eigen onderzoeksinstituten. De KNAW financiert de KNAW-onderzoekers die binnen de universiteiten werkzaam zijn en heeft daarnaast een aantal eigen instituten.

Internationale vergelijking

Onderzoek wordt uitgevoerd in een viertal sectoren: de universiteiten, de (semi)publieke onderzoeksinstituten, de bedrijven en het buitenland. In de meeste landen zijn de bedrijven de belangrijkste financiers van research en development. In Nederland wordt een relatief groot deel van de uitgaven voor research en development gefinancierd door de overheid (in 1995 42%). Het aandeel van de overheidsfinanciering ligt net onder dat van bedrijven (46%). De volgende figuur geeft de verhouding aan tussen de publieke en private financiering in een aantal landen voor het jaar 1995, waarbij het getal 1 aangeeft dat het aandeel publieke financiering even groot is als het aandeel private financiering.

kst-26200-VIII-2-15.gif

De initiatieven van de overheid in de afgelopen jaren zijn sterk gericht geweest op het verhogen van de inspanningen van bedrijven voor research en development (fiscale faciliteiten en diverse beleidsintensiveringen in het Regeerakkoord 1994). De laatste jaren is de omvang van de uitgaven voor research en development in de sector bedrijven sterk toegenomen; van f 5,4 miljard in 1992 naar f 7,5 miljard in 1996. De groei is vooral tot stand gekomen bij bedrijven van 50 tot 200 werknemers en bij bedrijven van 500 tot 1000 werknemers. De volgende tabel laat de ontwikkeling zien van de R&D-uitgaven van bedrijven naar grootteklasse.

R&D-uitgaven bedrijven, naar grootteklasse (x f 1 miljoen)
 19921993199419951996
tot 200 werknemers 5461 0171 1511 715
      
200 – 500 werknemers7325204975515 752
500 – 1000 werknemers246268621626 
1000 en meer werknemers4 4154 3504 2284 528 
Totaal5 3935 6846 3636 8567 467

Output

De resultaten van het wetenschappelijk onderzoek in Nederland zijn voor een belangrijk deel terug te vinden in wetenschappelijke publicaties. De universiteiten, NWO en KNAW nemen het belangrijkste deel van de output voor hun rekening. In het begin van de jaren negentig is als gevolg van de instroom van assistenten in opleiding een toename te zien van het aantal wetenschappelijk publicaties. Vanaf 1994 stagneert de omvang ervan, en in internationale tijdschriften neemt de output zelfs af vanaf 1995. Het aantal dissertaties neemt bij de universiteiten ook voor het eerst af in 1996. Onderstaande tabel geeft de ontwikkeling weer voor de periode 1992–1996.

Omvang wetenschappelijke publicaties (x 1)
 19921993199419951996
Universiteiten44 80848 50050 60749 05049 930
NWO4 1974 3024 1053 852 
KNAW755736827831785
Omvang dissertaties (x 1)
 19921993199419951996
Universiteiten2 1672 3802 4332 5732 480
NWO395419399378 
KNAW2743353534

De productiviteit van het wetenschappelijk onderzoek in Nederland, afgemeten aan het aantal wetenschappelijke publicaties in internationale tijdschriften per wetenschappelijk onderzoeker, ligt rond het internationale gemiddelde, maar vergelijkbare landen als Zweden, België en Denemarken scoren in dit opzicht hoger. Omdat aan de publicaties een proces van (externe) beoordeling vooraf gaat, is opname in dergelijke tijdschriften een (gedeeltelijke) indicator voor kwaliteit. De invloed van alle Nederlandse publicaties in internationale tijdschriften, gemeten aan de hand van het aantal keren dat deze geciteerd worden, ligt over het algemeen zo'n 20% boven het internationale gemiddelde. Nederland doet het vooral goed op het gebied van fysica, chemische technologie, aard- en omgevingswetenschappen, landbouwwetenschappen en diergeneeskunde.

De volgende figuur laat dit op disciplineniveau zien. Daarbij is een combinatie gemaakt tussen het publicatieprofiel van het Nederlandse onderzoek en de citatiescores. Het publicatieprofiel geeft aan in welke mate Nederlandse onderzoekers meer dan wel minder dan gemiddeld in de betreffende discipline publiceren.

Publicatieprofiel en citatiescores Nederlands onderzoek

kst-26200-VIII-2-16.gif

3. Horizontale toelichting

Artikel 23.01 Instellingen voor onderzoek en wetenschapsbeoefening (x f 1 miljoen)
 1997199819992000200120022003
KNAW125,1131,7134,8135,6136,3137,1137,9
NWO511,3538,1549,8554,8557,9561,0564,2
TNO346,4382,6379,6374,8374,8374,5374,5
BPRC5,14,74,74,74,74,74,7
GTI's7,57,97,97,97,97,97,9
Bibliotheken en informatieverzorging60,660,961,862,162,462,763,0
Instellingen voor alfa/gamma onderzoek20,912,013,412,212,112,212,3
Internationale onderzoekinstellingen133,7130,1130,8137,3137,3137,3137,3
COS0,81,01,01,01,01,01,0
AWT1,21,3     
Publieksvoorlichting en technologisch aspectenonderzoek3,74,84,84,84,84,84,8
Rechtspositionele lasten0,91,8– 2,8– 8,2– 13,2– 18,0– 19,2
Stelselwijziging rijkshuisvesting  17,317,317,317,317,3
Totaal artikel 23.011 217,21 276,91 303,01 304,21 303,11 302,31 305,7
Totaal artikel 23.0459,866,157,053,753,751,755,9
Totale uitgaven1 277,01 343,01 360,01 357,91 356,81 354,01 361,6
Totale ontvangsten165,3198,4183,2182,8182,8182,8182,8

Bovenstaande tabel is gecorrigeerd voor de overheveling van de AWT naar artikel 17.13 Adviesraden namelijk f 1,3 miljoen jaarlijks vanaf 1999.

Naast een bedrag van circa f 0,2 miljoen aan ontvangsten als gevolg van het afrekenen van oude projecten, bestaan de ontvangsten uit bijdragen van andere departementen (Economische Zaken en Defensie) aan de financiering van TNO en het aandeel van OCenW in het Fonds Economische Structuurversterking (FES). Genoemde posten van TNO en FES zijn tevens onder de uitgaven van beleidsterrein 23 opgenomen.

Exclusief laatstgenoemde posten zijn de uitgaven als volgt:

Bedragen x f 1 miljoen
  199819992000200120022003
Netto uitgaven beleidsterrein 23 1 144,61 194,21 192,51 191,51 188,51 175,4

Het verloop van de meerjarencijfers wordt onder meer verklaard door de bijstelling in de arbeidsvoorwaardenruimte en de compensatie voor de prijsontwikkeling van de materiële consumptieve overheidsuitgaven.

Met ingang van 1999 zijn de ombuigingen ingevolge het Regeerakkoord verwerkt ten aanzien van de arbeidsproductiviteit collectieve sector en de budgettering incidentele loonsomstijging.

Voorts zijn verhogingen opgenomen voor het programma Economie, Ecologie en Technologie, en het budget voor huisvesting van de Koninklijke Bibliotheek en Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen. De reeks van de instellingen voor alfa/gamma onderzoek vertoont een daling door de opheffing van de Stichting voor onderzoek van het onderwijs en de budgettaire overdracht aan beleidsterrein 26 van de Nederlandse Taalunie. De tijdelijke daling in de jaren 1998 en 1999 voor de reeks voor internationale onderzoekinstellingen wordt verklaard uit de budgettaire overdracht voor drie jaar aan het ministerie van Economische Zaken van de bijdrage uit het ruimtevaartbudget aan het Sciamachy project

Beleidsterrein 25 STUDIEFINANCIERINGSBELEID

Studiefinancieringsbeleid t.o.v. de totale begroting OCenW

kst-26200-VIII-2-17.gifkst-26200-VIII-2-18.gifkst-26200-VIII-2-19.gif

1. Algemeen

Het beleidsterrein studiefinanciering en onderwijsretributies (les- en cursusgeld) omvat de volgende wetten en regelingen:

– Wet op de studiefinanciering (WSF):

In de WSF is bepaald welke studerenden recht hebben op studiefinanciering en hoe die rechten zijn opgebouwd.

– Wet tegemoetkoming studiekosten (WTS):

De WTS bevat bepalingen voor de tegemoetkoming in studiekosten voor de scholieren tot en met 17 jaar die voltijds voortgezet onderwijs of de voltijdse opleiding in de beroepsopleidende leerweg in de zin van de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB, hoofdstuk II), de voltijds-studerenden van 18 jaar en ouder in het voortgezet onderwijs (hoofdstuk III) en de studerenden van 18 jaar en ouder die deeltijds-onderwijs volgen (hoofdstuk IV).

– Les- en cursusgeldwet (LCW):

In de LCW is bepaald vanaf welke leeftijd vo- en mbo-scholieren lesgeldplichtig zijn. Daarnaast staat in de LCW wanneer en op welke wijze de hoogte van het les- en cursusgeld wordt vastgesteld.

2. Beleid

In het Regeerakkoord is veel aandacht voor vernieuwingen op het terrein van studiefinanciering en tegemoetkoming studiekosten. In het algemeen deel van de memorie van toelichting is al opgemerkt dat in het stelsel van studiefinanciering verschillende elementen zijn die niet meer aan de oorspronkelijke doelstellingen voldoen. Daarnaast houdt het stelsel onvoldoende rekening met de groeiende variëteit in het hoger onderwijs.

De maatregelen die in het Regeerakkoord worden aangekondigd zijn reeds uiteengezet in het algemene deel van de memorie van toelichting. Kortheidshalve worden deze hier nog eens samengevat:

– verhoging van het normbudget met f 100 per maand via een uitbreiding van het leendeel;

– afschaffen van de prestatienorm voor de aanvullende beurs in het eerste jaar;

– de voorgenomen verhoging van de prestatienorm in het eerste jaar naar 28 studiepunten gaat niet door;

– het stelsel van studiefinanciering zal zich sterker moeten gaan richten op het uitgangspunt van wederkerend leren. Dit vraagt om het flexibiliseren van studiefinanciering;

– het wijzigen van de leeftijdsgrens voor de studiefinanciering. Wanneer men zich voor de 26e verjaardag heeft ingeschreven behoudt men – binnen de wettelijke kaders – het recht op studiefinanciering;

– de ov-studentenkaart blijft in zijn huidige vorm bestaan. Dat betekent dat studenten vrij blijven in de keuze van de week of de weekend kaart, onafhankelijk van hun woonsituatie;

– de ov-studentenkaart komt met ingang van studiejaar 1999–2000 voor studenten in het hoger onderwijs onder de werking van de prestatiebeurs;

– binnen een jaar komt er een notitie over de vervoersvoorziening op de langere termijn;

– de werking van de regeling tegemoetkoming studiekosten wordt uitgebreid naar inkomensgroepen met een besteedbaar inkomen van circa f 60 000,– . De tegemoetkoming in de overige studiekosten wordt verhoogd. Bij de vormgeving van deze maatregelen zal ook aandacht worden besteed aan de problematiek van de armoedeval;

– het collegegeld en het lesgeld worden verhoogd. Deze verhogingen worden gecompenseerd in de aanvullende beurs en in de tegemoetkoming studiekosten;

– het voorstel van het vorige kabinet om de lesgeldplicht te vervroegen, het zogenaamde pro-rato lesgeld wordt ingetrokken.

3. Horizontale toelichting

In onderstaande tabel zijn de opbouw van de begroting 1999 en de meerjarenramingen 2000–2003 weergegeven.

Tabel 3.1. Opbouw uitgaven – samenvatting (bedragen x f 1 mln)
 1997199819992000200120022003
WSF-relevant2 146,71 699,21 773,21 612,91 780,02 098,62 255,9
Reisvoorziening891,3861,5746,7612,0644,4572,6508,6
WTS452,0425,2480,5560,9621,3707,4718,0
Overig SF8,914,015,617,117,917,917,9
Subtotaal relevant3 498,82 999,83 016,02 802,93 063,63 396,63 500,4
WSF-leningen901,51 442,81 474,21 762,41 404,11 154,11 081,4
Totaal artikel 25.014 400,34 442,64 490,04 565,14 467,54 550,64 581,9
Garanties artikel 25.020,00,10,10,10,10,10,1

In deze tabel zijn de maatregelen uit het Regeerakkoord op totaalniveau verwerkt. In de volgende tabellen worden deze uitgesplitst.

De WSF-uitgaven kunnen in de eerste plaats worden verklaard door een dalend aantal studenten. Daarnaast is sprake van een forse daling van de uitgaven als gevolg van de invoering van de prestatiebeurs. Deze leidt bij de niet-relevante uitgaven – de uitgaven aan rentedragende leningen – tot een tegengestelde ontwikkeling. Hier is vanaf 1997 dan ook een aanzienlijke stijging zichtbaar. De oploop bij de relevante uitgaven in de jaren 2001 tot en met 2003 en de daling in die jaren bij de rentedragende leningen hangen samen met de verwachte omzetting van leningen in beurzen voor de eerste lichtingen met een prestatiebeurs.

Het budget voor de WTS-uitgaven daalt in 1998 ten opzichte van 1997. Dit komt vooral door een daling in de uitgaven voor het zogenaamde overgangsrecht voor de leerlingen van 18 jaar en ouder die voltijds voortgezet onderwijs volgen (vo18+). Verder is er sprake van een lichte daling van het aantal scholieren dat gebruik maakt van deze regeling. Vanaf het jaar 1999 stijgen de WTS-uitgaven met name door de maatregelen uit het Regeerakkoord om de werking van de WTS uit te breiden.

De uitgaven «overig SF» betreffen vergoedingen aan studerenden uit EG-landen.

De uitgaven voor in het verleden verleende garanties voor studieleningen bedragen in 1996 slechts f 47 000. Het uitstaande risico neemt jaarlijks af doordat er op de verstrekte studieleningen wordt afgelost. Voorlopig wordt meerjarig nog uitgegaan van een maximaal te betalen bedrag van f 0,1 miljoen per jaar.

Tabel 3.2 Opbouw begroting ontvangsten – samenvatting (x f 1 mln)
 1997199819992000200120022003
SF-relevant701,8694,6682,1652,5543,3521,0454,9
SF niet relevant110,7178,3193,2200,1197,7182,0162,3
Totaal ontvangsten artikel 25.01812,6872,8875,3852,6741,0703,0617,3
Lesgeld artikel 25.02733,2535,9773,5814,8850,3888,5906,1
Totaal ontvangsten1 545,81 408,81 648,81 667,31 591,31 591,51 523,4

De relevante ontvangsten studiefinanciering betreffen aflossingen op renteloze voorschotten, op rentedragende leningen die vóór 1992 zijn verstrekt en ontvangsten op kortlopende schulden. Na een stijging tot en met 1997 – door de instroom van de laatste cohorten die een lening van vóór 1992 hebben opgenomen – vertoont de meerjarenraming voor de relevante ontvangsten een dalende tendens. Dit verloop van de ontvangsten hangt samen met een dalende instroom van studenten met «relevante» schulden die over enkele jaren geheel stopt. Het aantal debiteuren zal dan ook gaan afnemen omdat degenen met kleine schulden een relatief korte periode hoeven af te lossen.

Vanaf 1992 zijn er uitsluitend nog leningen verstrekt die niet relevant zijn voor het beleidsmatig financieringstekort. De renteteller gaat hierdoor meteen lopen. De aflossingen op deze leningen zijn ook niet relevant voor het beleidsmatig financieringstekort. Deze ontvangsten vertonen wel een stijgende lijn. Ieder jaar komt er een nieuw cohort bij dat gaat aflossen. De eerste jaren stijgt ook de gemiddelde schuld op niet relevante leningen omdat de nu instromende cohorten steeds een jaar langer van de nieuwe rentedragende lening gebruik kunnen maken.

De lesgeldontvangsten nemen in de loop van de jaren toe met uitzondering van 1998. Deze stijging in de ontvangsten hangt samen met de jaarlijkse aanpassing en de driejaarlijkse herijking van het lesgeld. Een keer per drie jaar vindt een herijking van de hoogte van het lesgeld plaats op de dan geldende exploitatie-uitgaven van het secundair onderwijs. Deze uitgaven hangen af van de in dat cursusjaar verwachte aantal leerlingen in het secundair onderwijs. Deze wettelijk voorgeschreven herijking vindt voor het eerst weer plaats in schooljaar 1999/2000 en is in deze begroting verwerkt.

In de tussenliggende periode kan het lesgeld jaarlijks geïndexeerd worden met de ontwikkeling van de regelingslonen voor overheidspersoneel. Het ligt in de rede om deze bijdrage te koppelen aan de algemene prijsontwikkeling. Voor het cursusjaar 1998/1999 is de indexering niet toegepast.

De eenmalige daling van de ontvangsten in 1998 hangt samen met mogelijkheid het lesgeld vanaf schooljaar 1998/1999 gespreid te betalen. Als gevolg hiervan komt een deel van de ontvangsten die betrekking hebben op het jaar van aanvang van de gespreide betaling, pas in het volgende begrotingsjaar binnen.

Uitgaven WSF

Tabel 3.3 Relevante uitgaven WSF (x f 1 mln)
 1997199819992000200120022003
Basisbeurs uitwonend1 288,91 258,91 216,01 162,51 054,5994,9989,3
Basisbeurs thuiswonend329,1349,1362,1363,0352,9350,9350,8
Toeslagen basisbeurs10,010,010,010,010,010,010,0
Subtotaal basisbeurs1 628,01 618,11 588,11 535,51 417,31 355,81 350,1
Aanvullende beurs870,8853,9861,4859,2829,4816,3820,1
Effect prestatiebeurs– 423,2– 437,9– 682,1– 854,6– 636,8– 242,5– 104,8
Studievoortgangscontrole– 89,7– 141,4– 155,5– 151,2– 146,3– 139,5– 138,6
Bijstelling160,9163,1167,5170,5183,2219,5213,1
Otterloo0,079,491,8105,4101,3115,0115,0
Stoeb/ALR0,0– 436,0– 100,0– 100,0– 100,0– 100,0– 100,0
Maatregelen Regeerakkoord:       
– Aanvullende beurs p.regime0,00,00,040,0100,010,010,0
– Leeftijdsgrens 25 jaar0,00,00,05,05,010,035,0
– Prestatienormverhoging0,00,00,00,010,028,028,0
– Compensatie collegegeld0,00,02,03,03,06,08,0
– Verblijfsduurakkoord0,00,00,00,014,020,020,0
Totaal uitgaven2 146,71 699,21 773,21 612,91 780,02 098,62 255,9

In tabel 3.3 is aangegeven wat de uitgaven aan basisbeurs en aanvullende beurs zouden zijn geweest zonder prestatiebeurs. De effecten van de prestatiebeurs zijn afzonderlijk in beeld gebracht.

Het effect van de prestatiebeurs wordt in de eerste jaren steeds groter omdat er jaarlijks een cohort studenten bijkomt dat onder de werking van de prestatiebeurs valt. Vanaf 2001 vinden omzettingen plaats van voorlopige leningen in beurzen door het verstrijken van de diploma-termijn. Dan is er ook een daling zichtbaar in het prestatiebeurseffect.

Ook voor de studievoortgangscontrole is in tabel 3.3 aangegeven wat het effect zou zijn geweest zonder prestatiebeurs. De correctie voor studenten met een prestatiebeurs is onder «effect prestatiebeurs» meegenomen. Door het intrekken van de verhoging van de prestatienorm wordt het de opbrengst van de studievoortgangscontrole kleiner. Dit effect is separaat weergegeven.

In de post bijstelling zijn de uitgaven aan lesgeldvoorschotten geraamd. De ontvangsten en verrekeningen voor lesgeldvoorschotten worden met ingang van deze begroting bij de ontvangsten op kortlopende schulden gepresenteerd. Daarnaast is in de post bijstelling het effect van de ten onrechte betaalde studiefinanciering opgenomen en is een reservering opgenomen voor korting op de bekostiging in het hoger beroepsonderwijs door het verblijfsduurakkoord. Deze laatste reservering leidt tot oplopende uitgaven vanaf 2000.

Als gevolg van de reparatie van de Wet van Otterloo nemen de uitgaven aanvullende beurs toe. Deze toename wordt enerzijds veroorzaakt door compensatie van de meeruitgaven voor een particuliere ziektekostenverzekering voor aanvullende beursgerechtigden. Anderzijds ligt de oorzaak in de verruiming van de reikwijdte van de aanvullende beurs via verlaging van het kortingspercentage en verhoging van de kortingsvrije voet.

De reeks Stoeb/ALR uit het overzicht heeft betrekking op een verschuiving van relevante (beurs) naar niet-relevante (lening) uitgaven. Dit is het gevolg van het feit dat studenten in het kader van de wet «Student op eigen benen» hun kortlopende schulden om kunnen zetten in langlopende schulden. Omdat aflossingen op deze langlopende schulden als niet-relevante ontvangsten worden geboekt, worden alle daarmee samenhangende uitgaven als niet-relevant geboekt.

In deze tabel wordt tevens weergegeven wat het budgettaire effect is van de verschillende maatregelen die worden aangekondigd in het Regeerakkoord en die in het begin van deze paragraaf zijn weergegeven.

De maatregel om de aanvullende beurs in het eerste jaar niet langer als voorwaardelijke lening te verstrekken heeft als effect dat de uitgaven direct relevant zijn voor het financieringstekort. Dit incidentele effect doet zich voor in de jaren 2000 en 2001. Daarnaast heeft deze maatregel een structureel effect omdat er geen studievoortgangscontrolemeting – voorzover betrekking hebbend op de aanvullende beurs in het eerst jaar – meer plaatsvindt.

Bij de compensatie van het collegegeld gaat het in de weergegeven reeks om de relevante uitgaven. Omdat ook de compensatie van de indexering het prestatiebeursregime volgt heeft dit in budgettaire zin ook een niet relevant effect.

In het Regeerakkoord is aangekondigd dat de doorstroom van het mbo naar het hbo geen hinder mag ondervinden. De achtergrond hiervan wordt gevormd door het zogenaamde verblijfsduurakkoord dat in de vorige kabinetsperiode vorm heeft gekregen. Nu het aantal verwante opleidingen beperkt is dreigt een overschrijding van de studiefinancieringsuitgaven. In overleg met het veld is een traject ingezet om het aantal verwante opleidingen uit te breiden. Vooralsnog wordt de f 20 miljoen die voor de facilitering van de verwante doorstroom is uitgetrokken geboekt op dit artikel om de dreigende overschrijding op de studiefinancieringsuitgaven te compenseren.

Tabel 3.4 geeft de opsplitsing van de relevante uitgaven naar onderwijssoort weer.

Tabel 3.4 Uitgaven WSF-relevant naar onderwijssoort exclusief maatregelen Regeerakkoord (x f 1 mln)
 1997199819992000200120022003
wo508,1390,8302,8201,4135,5225,0320,5
hbo625,0666,2478,7361,9524,7820,6854,4
mbo955,01 014,21 021,91 030,51 025,91 025,41 032,4
onverdeeld58,6– 372,0– 32,2– 28,8– 38,1– 46,3– 52,4
Totaal2 146,71 699,21 771,21 564,91 648,02 024,62 154,9

In tabel 3.4 komt helder naar voren dat de relevante uitgaven in het hoger onderwijs dalen ten opzichte van 1997 door de prestatiebeurs. In 2002 hebben de omzettingen in relevante uitgaven een dusdanig niveau bereikt dat het budgettaire effect van de prestatiebeurs dan verdwijnt. De regel «onverdeeld» in deze tabel heeft betrekking op een aantal uitgavencategorieën die niet naar schoolsoort kunnen worden toegedeeld. Het gaat dan met name om het onderdeel Stoeb/ALR en het budgettaire effect van ten onrechte uitbetaalde studiefinanciering.

De uitgaven aan (niet-relevante) leningen kunnen als volgt worden opgesplitst.

Tabel 3.5 Rentedragende leningen WSF (x f 1 mln)
 1997199819992000200120022003
normale betalingen398,4427,5450,6441,6407,9403,1400,9
studievoortgangscontrole89,8141,4165,5161,2148,3142,5141,6
prestatiebeurs413,2437,9682,1854,7636,9242,5104,9
Stoeb/ALR0,0436,0100,0100,0100,0100,0100,0
Maatregelen Regeerakkoord:       
– prestatienorm verhoging0,00,00,00,0– 10,0– 28,0– 28,0
– leeftijdsgrens 25 jaar0,00,00,010,025,020,020,0
– aanvullende beurs p-regime0,00,00,0– 40,0– 100,0– 10,0– 10,0
– compensatie collegegeld0,00,04,09,015,018,022,0
– OV in p-beurs0,00,042,0154,0109,0194,0258,0
– verhogen maximale rentedr. lening0,00,030,072,072,072,072,0
Totaal leningen901,51 442,81 474,21 762,41 404,11 154,11 081,4

Ook in deze tabel wordt apart weergegeven wat het budgettaire effect van de verschillende maatregelen uit het Regeerakkoord is op de niet relevante uitgaven. Op het effect van het onder het prestatiebeursregime brengen van de OV-studentenkaart wordt in de volgende paragraaf teruggekomen.

Bij «studievoortgangscontrole» is nog geen rekening gehouden met het feit dat de prestatiebeurs zorgt voor een ander budgettair effect van deze maatregel. In de eerste plaats doordat de omzettingen voor de prestatiebeursstudenten niet meer elk jaar plaatsvinden, maar na het eerste jaar en na het behalen van de diploma. In de tweede plaats komt dat doordat de omzetting in januari plaatsvindt en niet in december.

De reeks prestatiebeurs laat het effect zien van de als voorwaardelijke lening verstrekte beurzen. De stijgende lijn tot en met het jaar 2000 is het gevolg van de cohortsgewijze invoering van de prestatiebeurs. De «dip» in 1998 wordt veroorzaakt door de verwachte omzettingen in beurzen door de eerste-jaars prestatienorm voor het cohort 1996/1997. De daling in 2001 is het effect van de eerste omzettingen op basis van de diploma-norm.

De reeks Stoeb/ALR is de tegenhanger van de reeks zoals die bij de relevante uitgaven is gepresenteerd en hangt samen met een verschuiving van relevante (beurs) naar niet-relevante (lening) uitgaven.

Reisvoorziening

Tabel 3.6 Reisvoorziening WSF (x f 1 mln)
 1997199819992000200120022003
OVSK contract 94–98860,2701,324,30,00,00,00,0
Reisvoorziening overig11,413,114,014,915,315,715,7
Reisvoorziening na 19980,0136,6608,4580,8545,2542,2542,2
OVSK kasschuiven19,7– 19,70,00,00,00,00,0
Prijsbijstelling0,030,143,040,337,937,737,7
Maatregelen Regeerakkoord:       
– OV-contract verlengen0,00,099,0130,0155,0171,0171,0
– OV in prestatiebeurs0,00,0– 42,0– 154,0– 109,0– 194,0– 258,0
Totaal uitgaven OVSK891,3861,5746,7612,0644,4572,6508,6

De niet relevante uitgaven voor de reisvoorziening zijn opgenomen in tabel 3.5.

Ook in deze tabel wordt het budgettaire effect weergegeven van de maatregelen uit het Regeerakkoord. De keuzevrijheid voor studenten voor een week- of een weekendkaart leidt tot een verhoging van de uitgaven. Deze verhoging wordt enerzijds veroorzaakt door een hogere contractprijs met de ov-bedrijven. Anderzijds is er bij de ramingen vanuit gegaan dat het verplichtende karakter van het ov-contract voor een uit- of thuiswonendenkaart ertoe zou leiden dat meer studenten thuis zouden blijven wonen. Nu dit effect niet optreedt leidt dit tot meeruitgaven. Bij de reeks «OV in prestatiebeurs» is uitgegaan van een cohortsgewijze invoering in het hoger onderwijs vanaf studiejaar 1999–2000. Het budgettaire effect van deze maatregel wordt dus groter naarmate er meer cohorten onder vallen. In het jaar 2001 wordt dit effect enigszins gemitigeerd doordat de voorwaardelijke lening voor het eerste cohort in dat jaar worden omgezet in een gift.

Verder geeft tabel 3.6 de verwachte uitgaven voor een reisvoorziening in de WSF weer.

De post «uitgaven reisvoorziening overig» heeft betrekking op specifieke groepen onder de WSF -gerechtigden, zoals studenten, die een deel van hun studie in het buitenland volgen, studenten die wonen op de Waddeneilanden en gehandicapte studenten. Verwacht wordt dat met name het aantal studerenden uit eerstgenoemde groep jaarlijks toe zal nemen.

De uitgaven aan reisvoorziening WSF kunnen als volgt naar onderwijssoort worden verdeeld.

Tabel 3.7 Uitgaven ov-studentenkaart naar onderwijssoort exclusief kasschuiven, exclusief maatregelen regeerakkoord (x f 1 mln)
 1997199819992000200120022003
wo199,0197,0150,6134,2120,5118,0116,8
hbo362,3371,6295,0273,4252,8248,4248,0
mbo310,4312,6244,1228,4225,1229,1230,8
Totaal871,6881,2689,7636,0598,4595,6595,6

Tegemoetkoming studiekosten

De uitgaven tegemoetkoming studiekosten kunnen worden onderscheiden in drie verschillende regelingen, te weten de ts17-, de vo18+ en de tsd18+.

Tabel 3.8 Tegemoetkoming studiekosten (WTS) – (bedragen x f 1 mln)
 1997199819992000200120022003
TS17–287,0278,7311,7322,1332,6341,7351,6
VO 18+160,8142,2139,6134,0131,1130,9133,2
TSD 18+4,24,34,34,34,34,34,3
Maatregelen Regeerakkoord:       
– afstel pro rato lesgeld0,00,0– 29,6– 33,3– 34,9– 36,9– 38,5
– intensivering WTS0,00,050,0125,0175,0250,0250,0
– weglek lesgelden0,00,04,58,813,217,517,5
Totaal uitgaven WTS452,0425,2480,5560,9621,3707,4718,0

In deze tabel komen drie van de maatregelen uit het Regeerakkoord tot uitdrukking. De reeks die wordt weergegeven in de regel afstel pro rato lesgeld heeft te maken met het feit dat met dit voorstel mensen eerder lesgeldplichtig zouden worden. Voor degenen die een WTS uitkering ontvangen zouden deze extra lesgelduitgaven worden gecompenseerd. Met het afstellen van het wetsvoorstel pro rato, vervalt ook deze compensatie.

De reeks intensiveringen WTS voorziet in het voorstel om de werking van de WTS-regeling uit te breiden naar hogere inkomensgroepen en de tegemoetkoming voor overige studiekosten te verhogen.

De reeks onder weglek van lesgelden heeft te maken met het feit dat de lesgeldbedragen conform de in de LCW vastgelegde systematiek eens in de drie jaar worden geijkt aan de kosten van het onderwijs. Door de investeringen die voorzien zijn in het Regeerakkoord stijgen deze kosten en stijgt daardoor ook het lesgeldbedrag. Ook dit wordt voor bovengenoemde inkomensgroepen in de WTS gecompenseerd.

De reguliere uitgaven WTS stijgen gestaag door de stijging van het lesgeldbedrag. De reeks tsd18+ (hoofdstuk IV WTS) betreft de deeltijdstuderenden van 18 jaar en ouder die volgens hoofdstuk IV van de WTS aanspraak hebben op een tegemoetkoming in de studiekosten. De geraamde uitgaven voor de groep vo18+ worden gedaan in het kader van hoofdstuk III – WTS. Dit betreft de 18-jarige vo-leerlingen die met ingang van 1997 niet langer onder de werking van de WSF vallen, maar in de WTS zijn ondergebracht. De daling van de uitgaven in 1998 ten opzichte van 1997 wordt met name veroorzaakt doordat in 1997 f 18 miljoen aan het zogenaamde overgangsrecht is uitgegeven, terwijl de uitgaven hiervoor in 1998 op f 5 miljoen zijn geraamd. Verder is er sprake van een beperkte daling van het aantal gerechtigden.

De tabellen 3.9, 3.10 en 3.11 geven de ontwikkelingen van de uitgaven per onderwijssoort weer per hoofdstuk van de WTS.

Tabel 3.9 Uitgaven TS17- naar onderwijssoort exclusief maatregelen Regeerakkoord (x f 1 mln)
 1997199819992000200120022003
wo0,1      
hbo0,6      
mbo87,187,392,995,198,7101,8104,8
vo192,7187,3213,2221,0227,8233,5240,2
(v)so6,54,25,65,96,16,46,6
Totaal287,0278,9311,7322,0332,6341,7351,6
Tabel 3.10 Uitgaven VO18+ naar onderwijssoort exclusief maatregelen Regeerakkoord (x f 1 mln)
 1997199819992000200120022003
vo bovenbouw131,7117,1115,9111,4108,7108,4110,4
overig vo19,215,513,912,712,212,112,2
(v)so9,99,69,810,010,210,410,6
Totaal vo18+160,8142,2139,6134,0131,1130,9133,2
Tabel 3.11 Uitgaven TSD18+ naar onderwijssoort exclusief maatregelen Regeerakkoord (x f 1 mln)
 1997199819992000200120022003
wo0,00,00,00,00,00,00,0
hbo1,11,01,01,01,01,01,0
mbo0,00,00,00,00,00,00,0
vo3,13,33,33 33 33 33 3
(v)so0 00,00,00,00,00,00,0
Totaal4,24,34,34,34,34,34,3

Ontvangsten WSF

De relevante ontvangsten kunnen worden onderscheiden in ontvangsten op kortlopende schulden, renteloze voorschotten en rentedragende leningen die vóór 1992 zijn uitgegeven. Hierin zijn ook de rente-ontvangsten op rentedragende leningen van na 1991 begrepen

Tabel 3.12 Ontvangsten studiefinanciering (x f 1 mln)
 1997199819992000200120022003
Kortlopende vorderingen283,6319,5328,9328,7283,0281,5259,1
Renteloze voorschotten108,096,586,076,025,115,010,0
Relevante rentedragende leningen310,2278,6267,1247,8235,1224,5185,8
Totaal relevant701,8694,6682,1652,5543,3521,0454,9
Niet relevante ontvangsten110,7178,3193,2200,1197,7182,0162,3
Totaal ontvangsten SF812,5872,8875,3852,6741,0703,0617,3

Onder ontvangsten op «kortlopende vorderingen» staan ontvangsten op schulden als ontdekt wordt dat er ten onrechte studiefinanciering is uitbetaald. Daarnaast zijn in de reeks kortlopende vorderingen de ontvangsten en verrekeningen op de lesgeldvoorschotten opgenomen. In 1997 bleken de ontvangsten op deze schuldsoort hoger dan de raming door intensievere controle door de IB-Groep. Op grond hiervan wordt voor 1998 opnieuw een stijging van de ontvangsten verwacht.

Bij de ontvangsten op renteloze voorschotten is sprake van een aflopende reeks omdat er geen nieuwe aflossers meer bijkomen maar er wel steeds meer debiteuren zijn die hun hele schuld hebben afgelost. Vanaf het jaar 2001 zal deze afloop in versneld tempo plaatsvinden.

Voor de ontvangsten op rentedragende leningen die vóór 1992 zijn verstrekt, geldt dat na een stijging van de ontvangsten tot 1997, eveneens een aflopende reeks is voorzien. De stijgende lijn tot 1997 is het gevolg van instroom van (ex-) studerenden met een dergelijke schuld in de aflosfase. In 1997 was er voor het eerst sprake van een daling van de ontvangsten op deze post. Ook relevente rentedragende leningen worden sinds 1992 niet meer verstrekt. De groep (ex-)studerenden die op deze schuldsoort aflost wordt gestaag kleiner. Daarom loopt deze raming langzaam af.

Bij de niet relevante ontvangsten (ontvangsten op schulden die ná 1992 zijn verstrekt) wordt juist een oplopende reeks verwacht omdat er ieder jaar nieuwe cohorten bijkomen die gaan aflossen. In de eerste jaren heeft ieder nieuw cohort bovendien weer een jaar langer kunnen lenen dan het voorgaande cohort zodat de gemiddelde schuldstand nog toeneemt. Vanaf het jaar 2000 stabiliseert de reeks zich vervolgens.

Ontvangsten lesgeld

In de volgende tabel zijn de lesgeldontvangsten naar onderwijssoort weergegeven.

Tabel 3.13 Ontvangsten lesgeld (x f 1 mln)
 1997199819992000200120022003
mbo414,7297,8461,0503,2514,3525,7533,8
vo301,0224,9335,9367,4381,4399,2413,6
(v)so17,513,221,123,524,525,626,5
Maatregelen Regeerakkoord:       
– afstel pro rato00– 53,9– 101,6– 105,5– 110,6– 116,2
– afstel pro rato00– 4– 4– 4– 4– 4
– lesgelden0013,426,339,552,552,5
totaal733,2535,9773,5814,8850,2888,5906,1

De stijgende lijn in deze ontvangsten houdt verband met de indexering van het lesgeld die (met uitzondering van 1998/99) jaarlijks plaatsvindt en de driejaarlijkse herijking van het lesgeld.

De reden van de lager uitvallende ontvangsten in 1998 ten opzichte van 1997 is dat in dat jaar de mogelijkheid tot gespreide betaling van het lesgeld wordt geïntroduceerd. Dit leidt eenmalig tot lagere ontvangsten. Immers, een deel van de ontvangsten komt pas in het volgende begrotingsjaar binnen.

Normbedragen

In de tabellen 3.14, 3.15 en 3.16 zijn de normbedragen voor WSF en WTS weergegeven. Hierbij is nog geen rekening gehouden met de in het regeerakkoord voorziene ophoging van het normbudget studiefinanciering en de intensiveringen in de WTS.

Tabel 3.14 Normbedragen WSF per maand in guldens (peildatum 1 januari 1998)
 wohbombo
basisbeurs12512591
uitwonendentoeslag300300300
aanvullende beurs396396541
uitwonendentoeslag353535
lening373373161
maandbudget1 2281 2281 128
partnertoeslag937937937
een ouder-toeslag750750750
Tabel 3.15 Normbedragen WTS in guldens (schooljaar 1998/1999)
 mbovo(v)so
inkomen < 40 149*   
– studiekosten1 2788050
– lesgeld1 5071 5071 507
inkomen < 51 168*   
– studiekosten000
– lesgeld1 5071 5071 507
inkomen > 51 168*   
– studiekosten000
– lesgeld000

* het betreft het belastbaar inkomen van de ouders over 1995 N.B. Lesgeldvergoeding wordt uitsluitend toegekend aan lesgeldplichtige studerenden

Tabel 3.16 Normbedragen WTS hoofdstuk 3 (VO18+) in guldens (peildatum 1 januari 1998)
basistoelage per maand vo(v)so
uitwonenden 410,92410,92
thuiswonenden 176,25176,25

N.B. De vergoeding voor vo18+ bestaat uit een inkomensafhankelijke toelage als vermeld in tabel 3.15 aangevuld met een basistoelage zoals hierboven vermeld

4. Toelichting op de volume-ontwikkelingen

In onderstaande tabel zijn de geraamde aantallen beursgerechtigde studerenden opgenomen. Dit betreft het aantal studenten met een beurs uitgedrukt in sf-jaarequivalenten (sf-jaren). De effecten van de studievoortgangscontrole (het omzetten van beurs in lening bij niet voldoen aan de vereiste studievoortgang) zijn hierin niet meegenomen. Verder bevat de tabel de aantallen OVSK-gerechtigden en de aantallen WTS-gerechtigden.

In deze tabellen zijn de gevolgen van de maatregelen uit het Regeerakkoord nog niet verwerkt.

Tabel 4.1 Aantallen gerechtigden
 1997199819992000200120022003
Basisbeurs uitwonend245 047243 317242 711236 349219 638212 103211 080
Basisbeurs thuiswonend250 317250 348251 181248 079238 163233 269233 413
Totaal basisbeurs495 364493 665493 892484 428457 801445 372444 493
Aanvullende beurs185 937185 608185 997183 153174 653170 574170 492
Reisvoorziening WSF506 609508 184509 744500 100472 828459 593458 235
TS17–216 864197 489197 880199 724203 079206 898210 674
VO18+45 22543 93143 71042 87741 93241 87042 589
TSD 18+5 6165 7105 8035 8035 7105 7105 710
Lesgeldplichtigen469 468461 059456 976457 811460 916466 066472 323

Het percentage uitwonenden is bepaald aan de hand van de realisatie over 1997. Over alle onderwijssoorten genomen is ongeveer 49% van degenen met een basisbeurs uitwonend. Het uitwonendenpercentage is per schoolsoort verschillend. Zo is van de gerechtigden in het wo ruim 80% uitwonend, in het hbo bijna 55% en in het mbo ongeveer 24%. In het gemiddelde percentage uitwonenden zit wel een voorzichtig dalende tendens. Dit zou te maken kunnen hebben met versnelling van studiepatronen. Omdat het percentage uitwonende ouderejaarsstudenten relatief hoog is, zou het feit dat men sneller afstudeert kunnen leiden tot een lager uitwonendenpercentage.

In de raming van de aantallen gerechtigden is rekening gehouden met de volume-effecten als gevolg van de prestatiebeurs en de beperking van de studiefinancieringsduur. De gevolgen van deze laatste maatregel op de aantallen gerechtigden wordt vanaf 2001 zichtbaar.

De aantallen rechthebbenden op een ov-studentenkaart omvatten de aantallen beursgerechtigden en degenen die uitsluitend recht hebben op integrale rentedragende lening. Vanaf 1997 heeft de groep vo18+ geen recht meer op een ov-studentenkaart.

De aantallen basisbeursgerechtigden uit tabel 4.1 zijn in de volgende tabellen nader gespecificeerd naar onderwijssoort.

Tabel 4.2 Aantal basisbeursgerechtigden
 1997199819992000200120022003
wo109 267105 803103 02997 52387 41783 43882 314
hbo205 936208 002210 941207 815193 013185 616185 044
mbo180 161179 859179 923179 090177 370176 319177 136
Totaal495 364493 665493 892484 428457 801445 372444 493

Bij de aantallen wo-studerenden is een dalende tendens zichtbaar die overeenkomt met de verwachte daling van het aantal inschrijvingen in de komende jaren. Verder speelt mee dat door beleidsmaatregelen in het verleden (27+ en c+1) er steeds meer wo'ers integraal moeten gaan lenen omdat zij niet langer recht hebben op gemengde studiefinanciering. Dit geldt ook in iets mindere mate voor hbo'ers. Door de verwachte toename van het aantal inschrijvingen kunnen de aantallen hbo-gerechtigden in de eerste jaren nog iets stijgen.

Tabel 4.3 Aantallen WTS – hoofdstuk II (TS17-)
 1997199819992000200120022003
wo149000000
hbo1 458000000
mbo41 96238 65638 09037 83438 38739 40440 277
vo bb168 745151 856152 492154 465157 156159 835162 580
(v) so4 5506 9777 2977 4257 5377 6587 817
Totaal216 864197 489197 880199 724203 079206 898210 674

In de ontwikkeling van de aantallen gerechtigden met ts17- is vanaf 1998 een lichte stijging zichtbaar.

Tabel 4.4 Aantallen WTS – hoofdstuk III (vo18+)
 1997199819992000200120022003
vo bovenbouw37 17736 34336 49035 83534 97334 89935 533
overig vo5 4084 8264 3674 0813 9273 8923 911
(v)so2 6402 7622 8532 9613 0323 0793 145

Zoals eerder al is vermeld vallen vo-leerlingen van 18 jaar en ouder vanaf 1 januari 1997 onder de werking van hoofdstuk III van de WTS. In principe krijgt iedere vo-leerling van 18 jaar en ouder een basistoelage. Die kan worden aangevuld met een uitwonendentoeslag. Het uitwonendenpercentage van deze groep ligt zo rond de 8% waardoor circa 4000 gerechtigden voor een uitwonendentoeslag in aanmerking komen. De vergoeding voor het lesgeld en de directe studiekosten is afhankelijk van het inkomen van de ouders. Tot een belastbaar inkomen van circa f 50 000 per jaar bestaat recht op een lesgeldcompensatie, maar geen recht op een tegemoetkoming in de directe studiekosten. Blijft het belastbaar inkomen van de ouder beneden de f 40 000 per jaar, dan bestaat tevens recht op een tegemoetkoming in de overige studiekosten.

Tabel 4.5 Aantallen WTS – hoofdstuk IV (TSD18+)
 1997199819992000200120022003
wo0000000
hbo1 2901 3121 3331 3331 3121 3121 312
mbo0000000
vo4 3264 3984 4704 4704 3984 3984 398
(v)so0000000
Totaal5 6165 7105 8035 8035 7105 7105 710

Vanaf het cursusjaar 1996/97 hebben ook de deeltijdstuderenden tussen 18 en 21 jaar recht op een tegemoetkoming studiekosten mits zij aan bepaalde voorwaarden voldoen.

Tabel 4.6 Aantallen lesgeldplichtigen
 97/9898/9999/0000/0101/0202/0303/04
mbo265 525261 294260 893260 719260 557260 643261 707
vo192 743188 157184 136184 906187 926192 709197 620
(v)so11 20011 60811 94712 18512 43312 71512 996
Totaal469 468461 059456 976457 811460 916466 066472 323

De aantallen lesgeldplichtigen worden met name bepaald door de ontwikkeling van het aantal leerlingen in het voortgezet onderwijs. Volgens de meest recente verwachtingen zal hierin na 1997/1998 een daling optreden die in 2001 wordt gevolgd door een stijging. De aantallen leerlingen in het mbo dalen heel licht en nemen vanaf 2002 weer iets toe. In deze tabel is geen rekening gehouden met het verwachte effect van de fiscale stimulering van het leerlingwezen waardoor een verschuiving optreedt van mbo naar leerlingwezen. Hierdoor zijn er vanaf 1998/1999 zo'n 3000 lesgeldplichtigen minder.

Beleidsterrein 26 OVERIGE PROGRAMMA-UITGAVEN

Overige programma uitgaven t.o.v. de totale begroting OCenW

1. Algemeen

Op het beleidsterrein «Overige programma-uitgaven» worden uitgaven begroot voor veldoverstijgende beleidsprojecten of het faciliteren van beleid. Dit betreft de volgende artikelen:

26.01 Bemiddeling wachtgelders;

26.02 Overige rechtspositionele uitkeringen;

26.03 CASO, Vakbondsfaciliteiten en voorzieningen;

26.05 Internationale betrekkingen.

Naast deze uitgavenartikelen vallen binnen dit beleidsterrein ook artikelen die als intermedium dienen totdat een exacte verdeling over de betrokken beleidsterreinen bekend is, zoals arbeidsvoorwaardelijke bijstellingen uit de Aanvullende post van de Rijksbegroting. Zodra de verdeling van deze middelen over de beleidsterreinen bekend is, worden ze overgeboekt naar de artikelen van die beleidsterreinen. Op deze artikelen worden dus geen feitelijke uitgaven verantwoord. Het betreft de artikelen:

26.06 Loonbijsteling;

26.07 Prijsbijstelling;

26.08 Centraal beheerde middelen;

26.09 Emancipatie-activiteiten;

26.10 Asielzoekers.

2. Beleid

Het beleidsterrein wordt in financieel opzicht in 1999 sterk bepaald door de extra uitgaven voor informatie- en communicatie technologie (ict) die niet aan één onderwijssector zijn toe te rekenen en de uitgaven voor het uitvoeren van de regeling Ziektekostenvoorziening onderwijs en onderzoekspersoneel (zvo).

Hierna worden de artikelen van beleidsterrein 26 kort toegelicht.

Artikel 26.01 Bemiddeling wachtgelders

De geraamde budgetten op artikel 26.01 Bemiddeling wachtgelders staan ten dienste van het totaal aan activiteiten van het Sectorbestuur voor de onderwijsarbeidsmarkt. Deze betreffen de kosten van de arbeidsvoorziening, de projectkosten als ook de kosten voor intensieve bemiddeling en eventueel scholing om wachtgelders aan een baan te helpen.

Artikel 26.02 Overige rechtspositionele uitkeringen

De budgetten voor rechtspositionele uitkeringen die niet aan een beleidsterrein zijn toegekend staan op dit artikel. Na verwerking van het akkoord over het onderzoek «De Jaren Tellen», en verwerking van de taakstellingen uit het regeerakkoord, resteren geen middelen meer op dit artikel. Voor het beleid wordt verwezen naar paragraaf 4, onderdeel wachtgelden in het algemene gedeelte van de Memorie van Toelichting.

Artikel 26.03 CASO, Vakbondsfaciliteiten en voorzieningen

Op artikel 26.03 worden ondermeer de beheerskosten voor CASO geraamd. CASO beheert het systeem dat de salarisadministratie van een groot deel van de bevoegde gezagsorganen voor het onderwijsveld uitvoert. Met de privatisering van CASO in 1995 is een situatie ontstaan waarin CASO beter kan inspelen op de wensen van de marktpartijen. Als onderdeel hiervan worden stapsgewijs de vergoedingen voor de kosten van exploitatie en beheer naar de reguliere bekostiging van de instellingen overgeheveld.

Verder staan op artikel 26.03 de middelen bestemd voor apparaatskosten van USZO (Uitvoeringsinstelling sociale zekerheid voor overheid en onderwijs) voor het uitvoeren van de werkloosheidsregelingen voor de sector Onderwijs en de sector Rijk. Het verscherpt monitoren van USZO naar de uitvoering van het Besluit Werkloosheid Onderwijs- en Onderzoekpersoneel (BWOO) zal worden gecontinueerd. Een optimale verhouding tussen de uitvoeringskosten en de uitvoeringskwaliteit staat hierbij centraal.

Voor het georganiseerde overleg en vakbondswerkzaamheden voor organisaties van onderwijspersoneel is op dit artikel een budget opgenomen. Verder is een budget opgenomen voor projecten op het gebied van leraartekorten, kwaliteitsbevordering en personeelsbeleid voor scholen.

Op het artikelonderdeel ict worden de uitgaven voor het ict-project verantwoord die nog niet aan de onderwijssectoren zijn toe te rekenen. Deze uitgaven hebben betrekking op de aanloop en opstartkosten van ict en de extra gelden op grond van het Regeerakkoord.

Ook het budget voor de kosten voor de regeling Ziektekostenvoorziening onderwijs en onderzoekspersoneel staat op dit artikel.

Artikel 26.05 Internationale betrekkingen

Het internationale OCenW beleid wordt in toenemende mate in samenhang met ander departementen ontwikkeld. Onder regie van Buitenlandse Zaken is OCenW betrokken bij de opstelling van landen- en regiobeleidsplannen. In 1998 is met middelen uit de Homogene Groep Internationale Samenwerking in het bijzonder interdepartementaal inhoud gegeven aan het internationale cultuurbeleid en de Azië-faciliteit gericht op Human Resources Development in deze regio. De uitgaven voor dit beleid maken deel uit van Hoofdstuk V van de Rijksbegroting.

Onder het artikel 26.05 Internationale betrekkingen staan de uitgaven voor de internationale onderwijssamenwerking. De beleidsvoornemens zijn uitgewerkt in het in het Actieplan Onbegrensd Talent. Naast samenwerking met prioritaire regio's en landen zijn ook de volgende beleidstrajecten onderdeel van het actieplan:

– Leren in Nederland;

– Samenwerking in de grensregio's;

– Europese Unie (EU);

– Samenwerking buiten de Europese Unie.

Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting van 26.05 en de Memorie van Toelichting.

Artikel 26.06 Loonbijstelling

Zolang de bedragen voor de feitelijke loonontwikkeling over de beleidsterreinen nog niet vaststaan wordt de loonbijstelling op artikel 26.06 verantwoord. Voor 1999 staat er een tekort op dit artikel. Dit tekort is ontstaan doordat de CAO'96–'98 voor dit bedrag is gedekt uit de loonruimte 1999 die pas bij Voorjaarsnota 1999 zal worden uitgedeeld. Tevens staan de middelen uit het Regeerakkoord voor de verbetering van de carrièreperspectieven van leraren op dit artikel.

Artikel 26.07 Prijsbijstelling

Op dit artikel is de prijsbijstelling 1998 ontvangen van Financiën en uitgedeeld naar de beleidsterreinen.

Artikel 26.08 Centraal beheerde middelen

De taakstellende onderuitputting van f 59,0 miljoen is op artikel 26.08 Centraal beheerde middelen nader ingevuld. Verder wordt het herontwerp van de IB-Groep uit dit artikel gefinancierd.

Artikel 26.09 Emancipatie-activiteiten

Op artikel 26.09 Emancipatie-activiteiten wordt het geld geraamd voor stimulering van Emancipatieprojecten. Voor de uitvoering van de Emancipatienota 1998–2002 «Een Kristal van kansen» is het budget naar de artikelen van de beleidsterreinen overgeboekt.

Artikel 26.10 Asielzoekers

Vanuit dit artikel worden de onderwijsuitgaven voor de asielzoekers uitgedeeld naar de beleidsterreinen.

Artikel 26.01 Overige programma-ontvangsten

Op artikel 26.01 Overige programma-ontvangsten worden de ontvangsten verantwoord die niet aan één onderwijssoort kunnen worden toegerekend.

3. Horizontale toelichting

In meerjarig perspectief toont het beleidsterrein Overige programma-uitgaven het volgend beeld (tabel 3.1):

Tabel 3.1 Meerjarige ontwikkeling (x f 1 miljoen)
 199719981999200020012002
Bemiddeling wachtgelders21,028,628,828,828,628,3
Overige rechtspositionele uitkeringen1,200000
CASO, Vakbondsfaciliteiten en Voorzieningen151,8192,7212,7336,6384,4431,7
Internationale betrekkingen10,320,519,419,419,419,3
Loonbijstelling019,0– 205,3– 98,3– 99,5– 16,9
Prijsbijstelling000000
Centraal beheerde middelen068,734,512,846,426,8
Emancipatie-activiteiten000000
Asielzoekers016,325,718,414,111,7
Totaal184,3345,9115,8317,7393,4533,8

De fluctuatie in het verloop van de meerjarencijfers wordt in hoge mate bepaald door de artikelen CASO, Vakbondsfaciliteiten en Voorzieningen en Loonbijstelling.

De stijging van de uitgaven in 1998 tot 2001 op het artikel CASO, Vakbondsfaciliteiten en Voorzieningen wordt veroorzaakt doordat de middelen voor informatie- en communicatietechnologie (ict) en ziektekostenvoorziening onderwijs en onderzoekspersoneel (zvo) overgeboekt zijn naar dit artikel.

Voor de exploitatielasten die het gevolg zijn van de opgebouwde ict-infrastructuur in de onderwijs is in het Regeerakkoord structureel een bedrag oplopend tot f 240 miljoen per jaar beschikbaar gesteld. Op basis van het Regeerakkoord zullen er verder ICES-middelen beschikbaar komen voor de opbouw van ict-infrastructuur in het onderwijs in de komende kabinetsperiode.

De daling van de loonbijstelling na 1998 is het gevolg van het geparkeerde tekort op dit artikel dat samenhangt met een nog structureel te dekken bedrag voor de koopkracht-reparatie in de onderwijs CAO '96-'98. Verder is op basis van het Regeerakkoord een bedrag oplopend tot f 209,8 miljoen structureel op dit artikel geparkeerd ter verbetering van de carrièreperspectieven van leraren in het onderwijs.

De cijfers bij Overige rechtspositionele uitkeringen, Prijsbijstelling en Emancipatie-activiteiten geven aan dat ten tijde van de vaststelling van de begroting deze post op nul staat. Tijdens de uitvoering van deze begroting kunnen op deze artikelen middelen voorlopig geparkeerd worden, waarna ze direct worden uitgedeeld naar de beleidsterreinen.

Beleidsterrein 27 CULTUUR

Cultuur t.o.v. de totale begroting OCenW

1. Algemeen

Het beleidsterrein Cultuur omvat het beleid van de rijksoverheid voor:

– musea, monumenten, archieven en archeologie;

– podiumkunsten, beeldende kunst, bouwkunst en vormgeving, film, amateurkunst en kunsteducatie;

– omroep, pers, nieuwe media, letteren en bibliotheken;

– internationaal cultuurbeleid.

De bekostiging van de uitgaven op dit beleidsterrein geschiedt in het algemeen op grond van de Wet op het specifiek cultuurbeleid (Stb. 1993, 193) en het daarop gebaseerde Bekostigingsbesluit cultuuruitingen (Stb. 1994, 473). Dit bekostigingsbesluit dient weer als basis voor twee ministeriële uitvoeringsregelingen, namelijk de Regeling subsidies en specifieke uitkeringen cultuuruitingen (Stcrt. 1995, 4) en de Regeling subsidiëring museale instellingen (Stcrt. 1994, 150).

De begrotingswet dient als basis voor de kredieten bestemd voor de rijksdiensten (Rijksarchiefdienst, Rijksakademie van beeldende kunsten, Instituut Collectie Nederland, Rijksdienst voor de Monumentenzorg en Rijksdienst Oudheidkundig Bodemonderzoek). De (spoed)aankopen van bedreigd cultuurbezit ingevolge de Wet tot behoud cultuurbezit geschieden op basis van de begrotingswet. De Monumentenwet (Stb. 1988, 638) dient als basis voor de uitgaven voor restauratie en onderhoud van aangewezen monumenten, alsmede voor uitgaven bestemd voor het vergoeden van schade als gevolg van beschermings- en opgravingswerkzaamheden. De uitgaven op het terrein van de omroep en pers zijn gebaseerd op de Mediawet (Stb. 1987, 249). Het Mediabesluit (Stb. 1987, 573) dient als basis voor de subsidies mediabeleid.

2. Beleid

Het jaar 1999 is het derde jaar dat de Cultuurnota uitgevoerd wordt. De integrale afweging van het beleid en de financiën van het beleidsterrein cultuur voor de onderdelen cultureel erfgoed, kunsten, letteren en bibliotheken is vermeld in de door het kabinet vastgestelde Cultuurnota 1997–2000, «Pantser of ruggengraat». Bij de afweging van het cultuurbeleid heeft het kabinet zich tevens gebaseerd op het advies van de Raad voor cultuur over de Cultuurnota 1997–2000.

De beleidscyclus van de Cultuurnota brengt met zich mee dat eens in de vier jaar het cultuurbeleid in zijn geheel op zijn merites wordt beschouwd. De Raad voor Cultuur die de subsidieaanvragen van de instellingen beoordeelt, doet voornamelijk een kwaliteitsbeoordeling. Omdat instellingen geen rechten kunnen ontlenen aan eerder verstrekte subsidies, worden zij door de systematiek van deze cyclus gestimuleerd om aandacht te blijven schenken aan de kwaliteit van hun dienstverlening. Dit stimuleert hen tot een heldere verwoording en verantwoording van hun beleid. In de hiervoor bestemde beleidsplannen maken de instellingen steeds meer aantoonbaar hoe hun dienstverlening zich verhoudt tot de wensen van hun afnemers.

Het Regeerakkoord spreekt zich positief uit over kunst- en cultuurbeleid. De extra toegevoegde middelen (in 1999 f 15,0 miljoen, in 2000 f 30,0 miljoen, in 2001 f 40,0 miljoen, in 2002 en 2003 f 60,0 miljoen) dienen te worden ingezet voor de ontwikkeling van vernieuwende kunstvormen, podiumkunsten, de Nederlandse film en het Aankoopfonds. Tevens wordt de intensivering gebruikt om een impuls te geven aan jonge beginnende kunstenaars, cultuur en school en de noodzakelijke conservering van audiovisuele collecties. Daarnaast benoemt het Regeerakkoord twee categorieën die zeker aandacht behoeven: jongeren als doelgroep van kunst- en cultuurbeleid en kunst en cultuur van en voor minderheden.

Wet Inkomensvoorziening Kunstenaars

Volgens voorlopige ramingen zullen in 1999 zo'n 5700 kunstenaars gebruik maken van de Wet Inkomensvoorziening Kunstenaars (WIK). Het flankerend beleid bij deze wet heeft tot doel om die WIK-deelnemers die er niet in slagen op eigen kracht een rendabele beroepspraktijk op te bouwen, ondersteuning te bieden bij het verwerven van een zelfstandige inkomenspositie. Daarvoor is een bedrag van f 8,2 miljoen in de begroting 1999 opgenomen. Twee stichtingen zullen worden belast met de uitvoering, het Fonds Podiumkunstwerk en een tweede, nog op te richten organisatie voor flankerend beleid ten behoeve van beeldende kunstenaars in de WIK.

Rijksakademie van Beeldende Kunsten

Volgens de procedure waarlangs eerder de rijksmusea zijn verzelfstandigd, zal ook de Rijksakademie van Beeldende Kunsten (RABK) de private status krijgen met dien verstande dat in dit geval de Wet op de Rijksakademie 1870 zal moeten worden ingetrokken. Het streven is erop gericht dit per 1 januari 1999 te effectueren. De Kamer zal hierover afzonderlijk en op de gebruikelijke wijze worden geïnformeerd.

3. Horizontale toelichting

Tabel 3.1. Totaal uitgaven en ontvangsten (bedragen x f 1000)
 1997199819992000200120022003
Totaal uitgaven2 506 2682 557 7152 591 4812 638 6402 670 1162 710 9462 733 146
27.01 Kunsten529 093551 680555 726557 697541 688535 149531 349
27.02 Bibliotheken, letteren en Nederlandse Taalunie85 82490 93789 49989 25289 13188 80888 808
27.03 Cultuurbeheer393 684393 230362 375366 321366 791372 993372 993
27.04 Media1 486 1181 509 7511 557 2761 583 7761 615 3761 639 8761 665 876
27.05 Garanties rente en aflossing lening0000000
27.07 Overige uitgaven11 54912 11726 60541 59457 13074 12074 120
        
Totaal ontvangsten1 504 3701 513 0401 714 7301 586 2301 613 1301 642 3301 668 330
27.01 Cultuurbeheer11 409115     
27.02 Media1 491 7251 510 0951 713 3001 584 8001 611 7001 640 9001 666 900
27.03 Overige ontvangsten1 2362 8301 4301 4301 4301 4301 430

Uitgaven

Het uitgavenbedrag bij het onderdeel Kunsten is in 1998 f 22,6 miljoen hoger dan in het voorgaande jaar. De verhoging van het budget bestaat met name uit de bijdrage voor loon- en prijsbijstelling van f 14,0 miljoen, de bijdrage aan het project Cultuur en school van f 4,5 miljoen en de bijdrage van f 2 miljoen voor de gevolgen van de gewijzigde arbeidstijdenwet. In 1999 is voor de Wet inkomensvoorziening kunstenaars een extra bedrag van f 8,2 miljoen opgenomen.

De terugval na 2000 wordt voornamelijk veroorzaakt door het wegvallen van de middelen van het amendement Van Nieuwenhoven cs. van f 14,0 miljoen en f 4,5 miljoen voor Cultuur en school. Een deel van deze terugval (f 6 miljoen) wordt gerepareerd door een bijdrage uit het totaalbeeld. Verder dient te worden opgemerkt dat de intensiveringsmiddelen uit het Regeerakkoord vooralsnog op artikel 27.07 worden geboekt.

Bibliotheken, Letteren en Nederlandse Taalunie (NTU) kende in 1997 een lager uitgavenniveau dan geraamd; hiervan is f 1,9 miljoen bestemd voor de Wet behoud cultuurbezit en f 0,5 miljoen voor 't Schrijvershuis. Dit laatste bedrag komt in 1998 weer ter beschikking van Bibliotheken, Letteren en NTU alsmede een bedrag van f 0,8 miljoen voor de invulling van de motie Wolffensperger.

Vanaf 1999 worden de uitgaven voor de Inspectie cultuurbezit, RABK, ROB, RAD, RDMZ en ICN onttrokken aan Cultuurbezit en verantwoord op beleidsterrein 17. Het gaat hier om een bedrag van f 127 miljoen. Het budget neemt toe door de decentralisatie rijkshuisvesting. Hiervoor is een bijdrage beschikbaar van f 91 miljoen.

Met ingang van 1998 tot en met 2001 wordt op het artikel een bedrag van f 1,2 miljoen bijgeboekt ten behoeve van het Energie efficiency programma rijkshuisvesting. Voor de Digitale duurzaamheid bij de Rijksarchiefdienst is een structurele bijdrage van f 0,5 miljoen beschikbaar. De stijging in 2002 is vooral het gevolg van een bijstelling van f 8,0 miljoen voor de Wet behoud cultuurbezit en f 2,0 miljoen voor het oplossen van knelpunten bij de rijksdiensten.

In de ontwikkeling van de uitgaven bij Media is rekening gehouden met nulindexering voor de jaren 1997 en 1998; vanaf 1999 worden de uitgaven geïndexeerd.

Het lagere uitgavenniveau in 1997 wordt veroorzaakt door het niet beschikbaar stellen van f 15,0 miljoen voor het Bedrijfsfonds voor de Pers en lagere uitgaven van f 12,6 miljoen voor de regionale televisie.

Als gevolg van een vertraging in de uitvoering van projecten op Overige uitgaven is f 0,5 miljoen vanuit 1997 naar 1998 overgeheveld. Vanaf 1999 wordt dit artikel verhoogd als gevolg van de toevoeging van intensiveringsgelden naar aanleiding van het Regeerakkoord. Deze gelden zullen bij de eerste gelegenheid naar de desbetreffende artikelen worden overgeboekt.

Voorts is, eveneens voortvloeiend uit het Regeerakkoord, op de artikelen 27.01, 27.02, 27.03 en 27.07 een arbeidsproductiviteitskorting van jaarlijks 0,55% (cumulatief tot en met 2002) toegepast.

Ontvangsten

Bij de Rijksdienst Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) is een desaldering verwerkt van in totaal f 1,2 miljoen (zie ook uitgavenartikel 27.03).

De ontvangsten van Media vertonen in 1999 een piek als gevolg van het via een kasschuif inboeken van f 155,0 miljoen van de opbrengst van de verkoop Nederlands Omroepproductie Bedrijf (NOB). Voor het overige worden de verschillen veroorzaakt door hogere opbrengsten uit radio- en televisiereclame en uit omroepbijdragen.

De ontvangsten op artikel 27.03 Overige ontvangsten cultuur worden vanaf 1999 in overeenstemming gebracht met de werkelijk te verwachten inkomsten als gevolg van in voorgaande jaren te hoog verstrekte subsidievoorschotten.

4. Doelmatigheidsontwikkeling Cultuur

Uit de aard van de financiering van de cultuursectoren blijft het moeizaam om eenduidige relaties te leggen tussen de beschikbaar gestelde gelden voor culturele voorzieningen en de voor het cultuurterrein te kwantificeren outputgegevens. Voor de sector cultuur is vanaf dit jaar het Handboek verantwoording cultuursubsidies operationeel. De, op grond van de Cultuurnota, meerjarig gesubsidieerde instellingen op het terrein van cultuur zijn dit jaar voor het eerst verplicht om het handboek als richtlijn te hanteren bij hun jaarverslaglegging. Dit impliceert dat vanaf het verslagjaar 1997, de jaarrekeningen van de gesubsidieerden in de onderscheiden sectoren van cultuur, ook inzicht moeten kunnen bieden in geverifieerde beleidsmatige en financiële kengetallen. Bezien wordt in hoeverre resultaatsafspraken zijn gehaald en hoe deze vervolgens gekwantificeerd kunnen worden.

Het bovenstaande houdt in dat er op dit moment geen betrouwbare doelmatigheidsgetallen gegeven kunnen worden voor de onderdelen Kunsten, Cultuurbeheer en Letteren, Bibliotheken en Nederlandse Taalunie.

Voor Media zijn de volgende gegevens beschikbaar.

Tabel 4.1 Kengetallen televisie
Ledengebonden zendgemachtigden, NPS en NOS199419951996
Uitzendduur in minuten624 911610 724694 215
    
Baten (x f 1 mln)717784937
Lasten (x f 1 mln)771781932
Saldo baten en lasten– 5435
    
Totale baten per minuut (x f 1,-)1 1481 2831 349
Totale lasten per minuut (x f 1,-)1 2341 2781 342

Bron: Reyn de Blaey, Bedrijfsmatige positie omroepen 1996

Tabel 4.2 Kengetallen radio
Ledengebonden zendgemachtigden, NPS en NOS199419951996
Uitzendduur in minuten1 949 3401 832 4601 982 491
    
Baten (x f 1 mln)210167175
Lasten (x f 1 mln)198188184
Saldo baten en lasten12– 10– 9
    
Totale baten per minuut (x f 1,-)1089188
Totale lasten per minuut (x f 1,-)10210293

Bron: Reyn de Blaey, Bedrijfsmatige positie omroepen 1996

Toelichting

De lagere uitzendduur (in minuten) in 1995 is te verklaren door het uittreden van Veronica uit het publieke bestel per 1 september 1995. De cijfers van Veronica over de periode 1 januari tot en met 31 augustus 1995 zijn hierdoor niet in dit overzicht opgenomen. Het gaat om circa 42 000 minuten televisie en 138 000 minuten radio. Ook de hiermee corresponderende baten en lasten zijn niet in dit overzicht verwerkt.

De stijging van de baten en lasten voor televisie in 1996 ten opzicht van 1995 is te verklaren door enerzijds een uitbreiding van de zendtijd en anderzijds een indexering van de vergoedingen aan de binnenlandse omroep.

Voor kengetallen op het gebied van cultuur (podiumkunsten, film, media, letteren en bibliotheken, musea en monumenten) wordt verwezen naar OCenW in kerncijfers.

Beleidsterrein 17 MINISTERIE ALGEMEEN

Artikelen binnen beleidsterrein 17 Ministerie algemeen

kst-26200-VIII-2-20.gif

Inleiding

Op beleidsterrein 17 geldt vanaf deze begroting een nieuwe artikelindeling (17.10 tot en met 17.15). De mutaties vanaf de vorige begroting hebben echter nog op de oude artikelen plaatsgevonden. Toelichtingen op deze mutaties staan daarom dan ook bij de oude artikelen (17.06 tot en met 17.09). Deze toelichting wordt gevolgd door een toelichting op de beginstanden van de nieuwe artikelen (vanaf pagina 161 van deze toelichting).

Met deze nieuwe artikelindeling wordt de inzichtelijkheid in de apparaatskosten vergroot. De begroting van OCenW onderscheidt namelijk duidelijk apparaatsuitgaven en programma-uitgaven. De van de programma-uitgaven gescheiden apparaatsuitgaven worden nu op één beleidsterrein gepresenteerd. Door verzelfstandigingen (van IB-Groep tot zelfstandig bestuursorgaan en van Cfi en RAD tot agentschap) was de presentatie van de apparaatkosten niet meer adequaat. Daarnaast waren bij de overkomst van Cultuur naar OenW nog apparaatsuitgaven binnen de programmagelden opgenomen (op beleidsterrein 27).

Oude artikelen

Artikel 17.06 Personeel en materieel ministerie

Algemeen

Op dit artikel werden tot nog toe de personele en materiële uitgaven geraamd van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, met inbegrip van het agentschap Centrale Financiën Instellingen (Cfi). Tevens werden op dit artikel de uitgaven geraamd voor de ontslaguitkeringen aan oud-medewerkers van het departement.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 17.061997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 366 749367 561367 545368 030367 401 
Nieuwe mutaties 3 9357 815– 4 335– 15 238– 25 912 
Begrotingsstand voor conversie358 619370 684375 376363 210352 792341 489341 489
overheveling naar 17.10  256 624247 461236 944225 641225 641
overheveling naar 17.12  3 0353 0353 0353 0353 035
overheveling naar 17.14  87 52984 52684 62584 62584 625
overheveling naar 17.15  28 18828 18828 18828 18828 188
Stand ontwerpbegroting 1999  00000
Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 17.0619981999200020012002  
1. Technische mutaties5 5625 3345 4545 9036 314   
1. Bijstelling uit aanvullende posten7 7216 1486 5186 8286 821   
2. Overboekingen (extern)– 1 308– 557– 557– 418    
3. Overboekingen (intern)– 851– 257– 507– 507– 507   
2. Autonome mutaties– 1 627       
1. Diversen– 1 627       
3. Beleidsmatige mutaties 2 481– 9 789– 21 141– 32 226   
1. RA: Arbeidsproductiviteit – 1 967– 3 945– 5 855– 7 810   
2. RA: Doelmatigheid aankoop – 4 600– 9 300– 13 900– 18 500   
3. RA: Externe advisering – 800– 1 700– 2 300– 2 300   
4. RA: Volume taakstelling – 4 200– 8 400– 12 500– 16 600   
5. Stelselwijziging Rijkshuisvesting 14 04813 55613 41412 984   
Totaal3 9357 815– 4 335– 15 238– 25 912   

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

De bijstelling uit aanvullende posten is opgebouwd uit de loonbijstelling 1998 en de prijsbijstelling 1998.

1.2

Het betreft hier overboekingen naar het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieuhygiëne voor de huur van twee dependances van het hoofdgebouw in Zoetermeer. Daarnaast is een bedrag overgeboekt naar het Ministerie van Algemene Zaken als aandeel van ons ministerie voor de variabele kosten voor 1998 van de Postbus 51-infolijn.

1.3

Uit de projectgelden is f 2,4 miljoen ter beschikking gesteld aan de IB-Groep voor de uitvoeringskosten van beleidswijzigingen en f 1,0 miljoen gaat naar de Inspectie van het Onderwijs voor de introductie en verspreiding van de kwaliteitskaart van het onderwijs.

Van beleidsterrein 26 overige programmakosten wordt f 1,1 miljoen overgeboekt naar Cfi voor kosten verbonden aan de jaarlijkse integrale personeelstelling onderwijspersoneel.

Door de beëindiging van de Stichting voor Onderzoek van het Onderwijs zijn de daar vrijkomende onderzoeksgelden toegevoegd aan het onderzoeksbudget van het departement (f 0,5 miljoen). Van de beleidsterreinen 19 (voortgezet onderwijs) en 22 (wetenschappelijk onderwijs) zijn bedragen overgeboekt ter grootte van f 0,8 miljoen en f 0,4 miljoen voor respectievelijk de CEVO/COB en het College van Beroep HO.

Een aantal kleinere overboekingen verlagen het artikel per saldo met f 0,4 miljoen.

2.1

Er heeft een correctie van f 0,5 miljoen plaatsgevonden op een te hoog verstrekt voorschot aan het Vervangingsfonds in 1997. Daarnaast verleent het Vervangingsfonds niet langer btw-compensatie (f 1,1 miljoen) aan de scholen voor de btw-heffing op de schoolbegeleidingsdienst. De bekostiging aan de scholen wordt hiervoor nog aangepast.

3.1 t/m 3.4

In het regeerakkoord zijn vier taakstellende bezuinigingen opgelegd die neerslaan op de apparaatsuitgaven van het gehele beleidsterrein 17. De bezuinigingen zijn vooralsnog verwerkt op dit artikel, en niet doorberekend naar de overige onderdelen van het ministerie. Om tot een verantwoorde vermindering van de uitgaven te komen in de lijn van de in het regeerakkoord genoemde doelmatigheidsbesparingen zullen binnen het ministerie duidelijke keuzen worden gemaakt. Naar verwachting zal in de eerste suppletoire begroting 1999 de verdeling over de artikelen plaatsvinden.

3.5

Per 1 januari 1999 zal de invoering van een nieuw stelsel voor de rijkshuisvesting worden geëffectueerd. Daartoe zijn de middelen voor deze stelselwijziging toegevoegd aan de begrotingen van de departementen.

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 17.06 verplichtingen uitgaven codering
  199719981999 199719981999 econ. funct.
Personeel en materieel Cfi + VF     119 938131 352  12 04.0
Departement personeel     136 600141 744  11 04.0
Departement overig personeel  n.v.t.  700710  12 04.0
Departement materieel     84 18182 378  12 04.0
Post-actieven     17 20014 500  11 04.0
Totaal     358 619370 684     

Met ingang van deze begroting wordt het eindbedrag van artikel 17.06 overgeboekt naar de nieuwe artikelen 17.10, 17.12, 17.14 en 17.15.

Artikel 17.07 Personeel en materieel IB-Groep

Algemeen

Op dit artikel werden tot nu toe de uitgaven geraamd die ter beschikking worden gesteld aan de Informatie Beheer Groep (IB-Groep) voor de uitoefening van haar taken. De IB-Groep behoort niet tot het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen in de strikte betekenis. Het is een zelfstandig bestuursorgaan en voert de wet- en regelgeving uit op het terrein van studiefinanciering, tegemoetkoming studiekosten en lesgelden.

In 1997 is de IB-Groep begonnen aan een ingrijpend en omvangrijk proces van herontwerp. Teneinde een substantiële verbetering van de dienstverlening mogelijk te maken worden alle processen, geautomatiseerde systemen en de organisatie van de IB-Groep volledig herontworpen. Dit project zal naar verwachting eind 2000 zijn voltooid.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 17.071997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 141 016136 509136 973131 843131 981 
Nieuwe mutaties 39 4149 5079 50913 88411 342 
Begrotingsstand voor conversie186 938180 430146 016146 482145 727143 323143 323
overheveling naar artikel 17.15  146 016146 482145 727143 323143 323
Stand ontwerpbegroting 1999  00000
Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 17.0719981999200020012002  
1. Technische mutaties5 4143 0073 0097 3844 842   
1. Bijstelling uit aanvullende posten2 3452 3082 3102 2932 297   
2. Overboekingen (extern)6996996995 0912 545   
3. Overboekingen (intern)2 370       
3. Beleidsmatige mutaties34 0006 5006 5006 5006 500   
1. Deurwaarderskosten9 0006 5006 5006 5006 500   
2. Herontwerp 1e fase25 000  
Totaal39 4149 5079 50913 88411 342   

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

De bijstelling uit aanvullende posten betreft de loon- en prijsbijstelling, en de incidentele loonbijstelling.

1.2

Het ministerie van Financiën, directie Domeinen, heeft het verschil in huurprijs en looptijd tussen het oude en nieuwe huurcontract met deze overboeking van f 0,7 miljoen verrekend.

1.3

Uit de projectgelden is f 2,4 miljoen in 1998 overgeboekt voor de invoeringskosten van beleidswijzigingen op het terrein van studiefinanciering.

3.1

De uitgaven met betrekking tot de incasso van vorderingen zijn toegevoegd aan het budget van de IB-Groep. Voorheen werden deze uitgaven in mindering gebracht op de ontvangsten.

3.2

Het hier opgenomen bedrag van f 25 miljoen in 1998 is een eerste bijdrage van het ministerie in het omvangrijke proces van herontwerp IB-Groep.

Economische en functionele codering

De economische en functionele codering is 12 respectievelijk 0.40.

Met ingang van deze begroting wordt het eindbedrag van artikel 17.07 overgeboekt naar het nieuwe artikel 17.15.

Artikel 17.08 Personeel en materieel Inspectie van het onderwijs

Algemeen

Op dit artikel werden tot nu toe de uitgaven geraamd van de apparaatskosten van de Inspectie van het onderwijs.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 17.081997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 66 27466 29766 15766 30866 308 
Nieuwe mutaties 2 2556 5126 5966 6956 696 
Begrotingsstand voor conversie67 56668 52972 80972 75373 00373 00473 004
Overheveling naar artikel 17.11  72 80972 75373 00373 00473 004
Stand ontwerpbegroting 1999  00000
Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 17.0819981999200020012002  
1. Technische mutaties2 2551 2191 3031 4021 403   
1. Bijstelling uit aanvullende posten1 3241 2881 3721 4711 472   
2. Overboekingen (intern)931– 69– 69– 69– 69   
3. Beleidsmatige mutaties 5 2935 2935 2935 293   
1. Stelselwijziging rijks huisvesting 5 2935 2935 2935 293  
Totaal2 2556 5126 5966 6956 696   

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

De bijstelling uit aanvullende posten betreft de loon- en prijsbijstelling, en de incidentele loonbijstelling.

1.2

Een nieuwe taak voor de Inspectie is de verzorging van de kwaliteitskaart van het onderwijs. Voor de introductiekosten is f 1,0 miljoen uit artikel 17.06 (projectgelden) in 1998 overgeboekt. Artikel 17.08 is vanaf 1999 verlaagd met de salariskosten van een medewerker die is overgegaan naar het ministerie.

3.1

Per 1 januari 1999 zal de invoering van een nieuw stelsel voor de rijkshuisvesting worden geëffectueerd. Daartoe zijn de middelen voor deze stelselwijziging toegevoegd aan de begrotingen van de departementen.

Economische en functionele codering.

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 17.08 verplichtingen uitgaven codering
  199719981999 199719981999 econ. funct.
Personeel Inspectie     51 32152 546  11 04.0
Overig personeel Inspectie  n.v.t.  00  12 04.0
Materieel Inspectie     16 24515 983  12 04.0
Totaal     67 56668 529     

Met ingang van deze begroting wordt het eindbedrag van artikel 17.08 overgeboekt naar het nieuwe artikel 17.11.

Artikel 17.09 Personeel en materieel adviesraden

Algemeen

Op dit artikel werden de personele en materiële uitgaven geraamd van de Onderwijsraad en de Raad voor cultuur.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 17.091997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 8 3898 3898 3628 3628 362 
Nieuwe mutaties 9731 3931 4041 4161 416 
Begrotingsstand voor conversie8 4619 3629 7829 7669 7789 7789 778
Overheveling naar artikel 17.10  6969696969
Overheveling naar artikel 17.13  9 7139 6979 7099 7099 709
Stand ontwerpbegroting 1999  00000
Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 17.0919981999200020012002  
1. Technische mutaties973171182194194   
1. Bijstelling uit aanvullende posten176171182194194   
2. Overboekingen (intern)797       
3. Beleidsmatige mutaties 1 2221 2221 2221 222   
1. Stelselwijziging rijkshuisvesting 1 2221 2221 2221 222  
Totaal9731 3931 4041 4161 416   

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

De bijstelling uit aanvullende posten is opgebouwd uit de loonbijstelling 1998 en de prijsbijstelling 1998.

1.2

Overboeking van uitgavenartikel 27.03 in 1998 ten behoeve van eenmalige inrichtingskosten en tijdelijke tegemoetkoming in de reiskosten buitenland en een formatieplaats tot en met het jaar 2000.

1.3

Per 1 januari 1999 zal de invoering van een nieuw stelsel voor de rijkshuisvesting worden geëffectueerd. Daartoe zijn de middelen voor deze stelselwijziging toegevoegd aan de begrotingen van de departementen.

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 17.09 verplichtingen uitgaven codering
  199719981999 199719981999 econ. funct.
Personeel adviesraden     6 1006 668  11 04.0
Overig personeel adviesraden  n.v.t.  5770  12 04.0
Materieel adviesraden     2 3042 624  12 04.0
Totaal     8 4619 362     

Met ingang van deze begroting wordt het eindbedrag van artikel 17.09 overgeboekt naar het nieuwe artikel 17.11.

Artikel 17.01 Ontvangsten van algemene aard

Op dit artikel worden de ontvangsten geraamd die corresponderen met de uitgaven van beleidsterrein 17.

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 17.011997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 1 2501 2501 2501 2501 250 
Nieuwe mutaties 1 1830000 
Begrotingsstand voor conversie2 1182 4331 2501 2501 2501 2501 250
Overheveling van 27.03  115115115115115
Stand ontwerpbegroting 1999  1 3651 3651 3651 3651 365
Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 17.0119981999200020012002  
3. Beleidsmatige mutaties1 183       
1. Resultaat Cfi 19971 183  
Totaal1 1830000   

Toelichting op de nieuwe mutaties

3.1

Het voordelige resultaat van het agentschap Cfi over 1997 komt voor het opgenomen bedrag ten goede aan het ministerie in 1998.

Economische en functionele codering

De economische en functionele codering is 16 respectievelijk 04.0.

Nieuwe artikelen

Hierna wordt een toelichting gegeven op de nieuwe artikelen. De verschillende tabellen geven ook zicht op de herkomst van de budgetstanden in de ontwerpbegroting.

Artikel 17.10 Bestuursdepartement

Algemeen

Op dit artikel worden de uitgaven geraamd van het kerndepartement (decentrale budgetten, centrale budgetten, wachtgelduitgaven, flankerend beleid). Het artikel is opgebouwd uit onderdelen van het oude artikel 17.06 (personeel en materieel ministerie) en een deel van artikel 26.05 internationaal beleid (CROSS). De andere overhevelingen zijn het gevolg van de korting van de arbeidsproductiviteit, die vooralsnog op dit artikel geparkeerd staat.

Opbouw uitgaven (x f 1000)
Artikel 17.101997199819992000200120022003  
Overheveling van artikel 17.06  256 624247 461236 944225 641225 641  
Overheveling van artikel 17.09  6969696969  
Overheveling van artikel 23.01  – 9– 19– 28– 38– 38  
Overheveling van artikel 26.03  – 115– 214– 297– 396– 396  
Overheveling van artikel 26.05  620617613610610  
Overheveling van artikel 27.03  – 342– 676– 1 026– 1 368– 1 368  
Stand ontwerpbegroting 1999  256 847247 238236 275224 518224 518  

Kerngegevens personeel & materieel bestuursdepartement

– aantal fte per 31.12.971 416,4
– personele uitgaven 1997f 154,3 miljoen
– personele uitgaven per ftef 108 938,–
– materiële uitgaven 1997f 64,4 miljoen
– materiële uitgaven per ftef 45 467,–

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 17.10 verplichtingen uitgaven codering
  199719981999 199719981999 econ. funct.
Bestuursdepartement (incl. Cross) personeel       144 193 11 04.0
Bestuursdepartement (incl. Cross) overig personeel  n.v.t.    710 12 04.0
Bestuursdepartement (incl. Cross) materieel       97 364 12 04.0
Post-actieven       12 500 11 04.0
Stelselwijziging rijkshuisvestiging       14 117 12 04.0
Taakstelling regeerakkoord       – 12 037 01 04.0
Totaal       256 847    

Artikel 17.11 Inspecties

Algemeen

Op dit artikel worden de uitgaven geraamd voor personeel en materieel van de Inspectie van het onderwijs en de Inspectie cultuurbezit. Dit nieuwe artikel is opgebouwd uit het oude artikel 17.08 «personeel en materieel inspectie van het onderwijs» en uit een gedeelte van artikel 27.03 «cultuurbeheer».

Opbouw uitgaven (x f 1000)
Artikel 17.111997199819992000200120022003  
Overheveling van artikel 17.08  72 80972 75373 00373 00473 004  
Overheveling van artikel 27.03  1 1571 1541 1541 1541 154  
Stand ontwerpbegroting 1999  73 96673 90774 15774 15874 158  

Kerngegevens personeel & materieel inspecties

– aantal fte per 31.12.1997463,3
– personele uitgaven 1997f 50,9 miljoen
– personele uitgaven per ftef 109 819,–
– materiële uitgaven 1997f 16.2 miljoen
– materiële uitgaven per ftef 35 064,–

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 17.11 verplichtingen uitgaven codering
  199719981999 199719981999 econ. funct.
Personeel Inspectie onderwijs       52 079 11 04.0
Materieel Inspectie onderwijs  n.v.t.    15 437 12 04.0
Personeel Inspectie Cultuurbezit       825 11 08.1
Materieel Inspectie Cultuurbezit       270 12 08.1
Stelselwijziging rijkshuisvestiging       5 355 12 13.9
Totaal       73 966    

Artikel 17.12 Cultuurinstellingen (RDMZ, ROB, RABK, ICN)

Algemeen

Op dit artikel worden de uitgaven geraamd voor de Rijksdienst voor de monumentenzorg, de Rijksdienst voor het oudheidkundig bodemonderzoek, Rijksakademie van beeldende kunsten en het Instituut collectie Nederland. Het voornemen is om de RABK per 1 januari 1999 te privatiseren.

Opbouw uitgaven (x f 1000)
Artikel 17.121997199819992000200120022003  
Overheveling van artikel 17.06  3 0353 0353 0353 0353 035  
Overheveling van artikel 27.01  4 8084 8084 8084 8084 808  
Overheveling van artikel 27.03  64 90464 45764 44564 29964 299  
Stand ontwerpbegroting 1999  72 74772 30072 28872 14272 142  

Kerngegevens personeel & materieel cultuurinstellingen

ICN 
aantal fte per 31.12.9785,9
personele uitgaven 1997f 7,835 miljoen
personele uitgaven per ftef 91 000
materiële uitgaven 1997f 4,732 miljoen
materiële uitgaven per ftef 55 000
  
RDMZ 
aantal fte per 31.12.97158,5
personele uitgaven 1997f 15,268 miljoen
personele uitgaven per ftef 96 000,-
materiële uitgaven 1997f 5,943 miljoen
materiële uitgaven per ftef 37 000,-
  
ROB 
aantal fte per 31.12.97104,7
personele uitgaven 1997f 9,659 miljoen
personele uitgaven per ftef 92 000,-
materiële uitgaven 1997f 5,356 miljoen
materiële uitgaven per ftef 51 000,-

Economische en functionele coderingen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 17.12 verplichtingen uitgaven codering
  199719981999 199719981999 econ.  
ICN-personeel       7 835 11 08.1
ICN-materieel       7 322 12 08.1
RDMZ-personeel       15 268 11 08.1
RDMZ-materieel       7 193 12 08.1
ROB-personeel  n.v.t.    9 659 11 08.1
ROB-materieel       7 506 12 08.1
RABK-personeel       3 035 11 08.1
RABK-materieel       1 875 12 08.1
Alg. salarismaatregelen onverdeeld       1 505 11 08.1
Stelselwijziging rijkshuisvesting       11 549 12 08.1
Totaal       72 747    

Artikel 17.13 Adviesraden

Algemeen

Op dit artikel worden de uitgaven geraamd voor de adviesraden van het ministerie. Dit zijn: de onderwijsraad, de raad voor cultuur en de adviesraad voor het wetenschaps- en technologiebeleid. Op het oude artikel 17.09 «personeel en materieel adviesraden» werden de uitgaven geraamd voor de onderwijsraad en de raad voor cultuur. Op het nieuwe artikel worden ook de uitgaven voor het adviesorgaan voor het wetenschaps- en technologiebeleid geraamd. Dit adviesorgaan was onderdeel van artikel 23.01.

Opbouw uitgaven (x f 1000)
Artikel 17.131997199819992000200120022003  
Overheveling van artikel 17.09  9 7139 6979 7099 7099 709  
Overheveling van artikel 23.01  1 4821 4981 5071 5141 521  
Stand ontwerpbegroting 1999  11 19511 19511 21611 22311 230  

Kerngegevens personeel & materieel adviesraden

Exclusief de uitgaven voor het adviesorgaan voor het wetenschaps- en technologiebeleid

– aantal fte per 31.12.9755,1
– personele uitgaven 1997f 6,0 miljoen
– personele uitgaven per ftef 109 452,–
– materiële uitgaven 1997f 2,4 miljoen
– materiële uitgaven per ftef 43 865,–

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 17.13 verplichtingen uitgaven codering
  199719981999 199719981999 econ. funct.
Onderwijsraad       4 289 12 04.0
Raad voor cultuur  n.v.t.    4 271 12 08.0
Adviesraad voor wetenschap en technologie       1 306 12 04.6
Stelselwijziging rijkshuisvesting       1 329 12 13.9
Totaal       11 195    

Artikel 17.14 Agentschappen

Algemeen

Op dit nieuwe artikel worden de bijdragen van het departement aan de agentschappen «Rijksarchiefdienst» en «Centrale financiën instellingen» geraamd. (zie ook wetsartikel 3 van deze begroting: Agentschappen, op pagina 286).

De uitgaven van Cfi stonden voorheen op artikel 17.06 «personeel en materieel ministerie», die van de RAD op artikel 27.03 «cultuurbeheer».

Opbouw uitgaven (x f 1000)
Artikel 17.141997199819992000200120022003  
Overheveling van artikel 17.06  87 52984 52684 62584 62584 625  
Overheveling van artikel 27.03  61 04260 97661 18661 18661 186  
Stand ontwerpbegroting 1999  148 571145 502145 811145 811145 811  

Kerngegevens personeel & materieel agentschappen

Cfi 
– aantal fte per 31.12.97536,7
– personele uitgaven 1997f 47,7 miljoen
– personele uitgaven per ftef 88 789,–
– materiële uitgaven 1997f 43,9 miljoen
– materiële uitgaven per ftef 81 839,–
  
RAD 
– aantal fte per 31.12.97333,0
– personele uitgaven 1997f 28,113 miljoen
– personele uitgaven per ftef 84 000,-
– materiële uitgaven 1997f 11,971 miljoen
– materiële uitgaven per ftef 36 000,-

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 17.14 verplichtingen uitgaven codering
  199719981999 199719981999 econ. funct.
Cfi-personeel en materieel  n.v.t.    87 529 12 04.0
RAD-personeel en materieel       40 084 12 08.1
Stelselwijziging rijkshuisvesting       20 958 12 13.9
Totaal       148 571    

Artikel 17.15 zelfstandige uitvoeringsorganisaties

Algemeen

Op dit artikel worden de begrote bijdragen van OCenW aan de apparaatsuitgaven van de Informatie Beheergroep (IB-Groep), Dienst ziektekostenvoorziening overheidspersoneel (DZVO), Uitvoeringsinstelling sociale zekerheid voor overheid en onderwijs (USZO) en het Vervangingsfonds (VF) verantwoord.

De budgetten van de IB-Groep stonden eerst op artikel 17.07. Het budget VF stond op artikel 17.06. De uitgaven voor DZVO en USZO waren geraamd op artikel 26.03

Opbouw uitgaven (x f 1000)
Artikel 17.151997199819992000200120022003  
Overheveling van artikel 17.06  28 18828 18828 18828 18828 188  
Overheveling van artikel 17.07  146 016146 482145 727143 323143 323  
Overheveling van artikel 26.03  45 91342 86739 82239 82239 822  
Stand ontwerpbegroting 1999  220 117217 537213 737211 333211 333  

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 17.15 verplichtingen uitgaven codering
  199719981999 199719981999 econ. funct.
IBG       146 016 12 04.0
USZO  n.v.t.    42 633 12 01.1
DZVO       3 280 12 01.1
VF       28 188 12 04.0
Totaal       220 117    

Beleidsterrein 18 PRIMAIR ONDERWIJS

Artikelen binnen beleidsterrein 18 Primair onderwijs

kst-26200-VIII-2-21.gif

Artikel 18.01 Personele uitgaven

Algemeen

Dit artikel is opgebouwd uit vier onderdelen:

1. De wettelijk verplichte formatie

2. Het aanvullend formatiebeleid

3. Vervanging/Bedrijfsgezondheidszorg

4. Rechtspositionele uitkeringen

Ad 1.

De wettelijk verplichte formatie voor het primair onderwijs is gebaseerd op de Wet op het primair onderwijs (WPO) en de Wet op de expertisecentra (WEC), formatiebesluiten die op deze wetten zijn gebaseerd en het rechtspositiebesluit onderwijspersoneel. Op 1 augustus 1998 zijn deze wetten in de plaats gekomen van de Wet op het basisonderwijs (WBO) en de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs (ISOVSO).

Het basisonderwijs en het onderwijs op de speciale scholen voor basisonderwijs (het speciaal onderwijs categorie 11) is geregeld in de WPO. Het voortgezet speciaal onderwijs categorie 1 (voorheen: vso lom en mlk) is ondergebracht in de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO). Het overige (voortgezet) speciaal onderwijs wordt in de WEC ondergebracht.

Onder de WPO vallen tevens de personele uitgaven voor het Nederlands onderwijs in het buitenland en voor scholen voor trekkende bevolking.

Ad 2.

Het aanvullend formatiebeleid betreft de jaarlijkse uitvoering van de artikelen 120 derde lid van de WPO en artikel 93a, vierde lid van de WEC. Deze artikelen bieden de mogelijkheid op grond van bijzondere omstandigheden goed te keuren, dat er meer formatie aan een school verbonden is dan de formatie toegekend krachtens het formatiebesluit. Een van deze bijzondere omstandigheden is bijvoorbeeld de aanwezigheid van gehandicapte leerlingen in het basisonderwijs.

Ad 3.

In het kader van het Formatiebudgetsysteem wordt de vervanging vanaf 1 augustus 1992 in een zelfstandig fonds, het Vervangingsfonds, geregeld. Hiermee samenhangend is gelijktijdig een stelsel van bedrijfsgezondheidszorg ingevoerd.

Ad 4.

Vanaf 1995 zijn de budgetten voor rechtspositionele uitkeringen overgeboekt van artikel 18.04 naar artikel 18.01. Deze overboeking houdt verband met de oprichting van het Participatiefonds.

De projecten en beleidsprogramma's die op dit artikel betrekking hebben zijn:

– Groepsgrootte en kwaliteit basisonderwijs;

– Weer samen naar school.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 18.011997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 8 934 8709 304 1959 436 6759 519 4339 620 330 
Nieuwe mutaties 193 470295 287402 459686 658923 178 
Stand ontwerpbegroting 19998 348 6319 128 3409 599 4829 839 13410 206 09110 543 50810 764 838
Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 18.0119981999200020012002  
1. Technische mutaties236 286348 047397 880452 321457 186   
1. Bijstelling uit aanvullende posten251 817344 507396 490452 830453 416   
2. Overboekingen (extern)– 6 000       
3. Desalderingen– 900– 900– 900– 900– 900   
4. Overboekingen (intern)– 8 6314 4402 2903914 670   
2. Autonome mutaties– 42 816– 42 960– 64 421– 36 763– 9 108   
1. Diversen16 315– 26 208– 48 597– 16 892– 6 692   
2. Formatie– 27 015854 3234 72611 201   
3. Gemiddelde personeelslasten– 47 742– 48 040– 57 726– 69 395– 83 127   
4. Leerlingenvolume15 62631 20337 57944 79869 510   
3. Beleidsmatige mutaties0– 9 80069 000271 100475 100   
1. Herbesteding 1.25– 15 162– 16 444– 16 490– 16 519– 16 602   
3. Leerlingenvolume15 16216 44416 49016 51916 602   
4. RA: bijstelling incidenteel    – 18 900   
5. RA: groepsgrootte  94 000311 000544 000   
6. RA : wachtgelden – 9 800– 25 000– 39 900– 50 000  
Totaal193 470295 287402 459686 658923 178   

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

De bijstelling uit de aanvullende posten van f 344,5 miljoen heeft voornamelijk betrekking op loonbijstellingen in verband met:

– de doorwerking in latere jaren van salarisverhogingen in 1998 in het kader van de CAO 1996–1998 f 62,7 miljoen;

– Vervangingsfonds f 31,9 miljoen;

– seniorenbeleid f 33,5 miljoen;

– premies ouderdomspensioen/nabestaandenpensioen (op/np) van – f 2,9 miljoen;

– onder andere de Premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (PEMBA) en wijzigingen in de pseudo premies en de overhevelingstoeslag f 154,2 miljoen;

– een uitdeling voor de incidentele loonsomstijging van f 9 miljoen;

– de intensiveringen op de onderwijsbegroting zullen leiden tot meer werkgelegenheid en derhalve tot een dalend aantal wachtgelders. Voor het beleidsterrein po leidt dit tot een besparing oplopend tot f 50 mln in 2002.

Verder heeft de bijstelling uit de aanvullende post voor f 11 miljoen betrekking op wachtgelden als gevolg van nieuwe voedingsafspraken met het Participatiefonds. Daarnaast zijn onder de noemer «leerlingenvolume asielzoekers» de beschikbare budgetten voor asielzoekers verdeeld over de desbetreffende artikelen (f 45,1 miljoen in 1999).

Een nadere toelichting staat bij beleidsterrein 26.

1.2

De externe overboeking in 1998 is een bedrag dat naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken is overgeboekt voor de uitvoering van het beleid «Jeugd en Veiligheid».

1.3

Met het Vervangingsfonds zijn afspraken gemaakt over het omleggen van de claims inzake ongevallen ambtenaren, die door het bureau Schade-afwikkeling van het Ministerie van Financiën zijn verhaald. Tot nu toe worden deze claims ontvangen door OCenW. In het kader van de premiedifferentiatie-regeling van het Vervangingsfonds is het logischer deze claims te laten ontvangen door het Vervangingsfonds, zodat het VF bij de uitvoering van de premiedifferentiatie-regeling hiermee rekening kan houden. Voor de desbetreffende scholen wordt zodoende een prikkel ingebouwd die ontbreekt als OCenW de gelden ontvangt. Teneinde de aanpassing budgettair neutraal te laten verlopen is afgesproken dat het vervangingsbudget overeenkomstig wordt verlaagd. Hiervoor is een desaldering tussen uitgaven en ontvangsten van f 0,9 miljoen opgenomen. (Zie ook het ontvangstenartikel 18.01 punt 1.3)

1.4

Onder de noemer «overboekingen intern» hebben zich de volgende mutaties voorgedaan met andere beleidsterreinen:

– van beleidsterrein 19 (voortgezet onderwijs) heeft een overboeking plaatsgevonden van f 0,1 miljoen. Dit geld is toegevoegd aan het budget voor studie- en beroepskeuzebegeleiding op scholen voor voortgezet speciaal onderwijs. Hiermee krijgen de vso-scholen compensatie voor de btw-effecten. Zie voor een verdere toelichting beleidsterrein 19;

– eveneens van beleidsterrein 19 (voortgezet onderwijs) is f 0,05 miljoen overgeboekt, waardoor het budget voor de onderwijsvoorzieningen voor Nederlandse taal en cultuur (ntc) voor voorgezet onderwijs in het buitenland wordt verhoogd van f 0,55 naar f 0,6 miljoen. De reden hiervoor is dat het aantal leerlingen ntc-vo aanzienlijk hoger blijkt te zijn dan waarvan bij de vaststelling van het budget was uitgegaan;

– Op grond van besluitvorming in de 2e suppletoire begroting 1995 en de begroting 1996 komt de dekking voor de vergoedingsregeling voor stages uit de bijdragen van de betrokken c.q. belanghebbende beleidsterreinen. De stagevergoeding wordt vervolgens via de hogescholen weer specifiek beschikbaar gesteld aan de scholen voor primair, voortgezet en beroepsonderwijs die daadwerkelijk stagiaires opnemen. Ten opzichte van de raming in 1995 liggen de uitgaven in 1999 hoger dan geraamd. Als dekking voor de gestegen uitgaven wordt f 0,3 miljoen overgeboekt van artikel 18.01 naar 21.04 (hbo).

Daarnaast heeft zich binnen beleidsterrein 18 een aantal verschuivingen voorgedaan tussen de onderdelen personeel, materieel, verzorgingsinstellingen en overige uitgaven:

– het budget voor Onderwijs in eigen taal en cultuur(OETC) van f 3,0 miljoen op artikel 18.02 maakt deel uit van het totale budget voor Onderwijs in allochtone levende talen (OALT) en is derhalve overgeboekt naar artikel 18.01 waar de uitputting plaatsvindt;

– het budget voor «eerste opvang asielzoekers» binnen artikel 18.02 maakt deel uit van het totale budget voor het Gemeentelijk onderwijs achterstandenbeleid (GOA) (f 0,4 miljoen). Eveneens onderdeel van het GOA-budget zijn de op artikel 18.05 geraamde WRR-gelden en zigeunerprojecten (f 19,6 miljoen). Uitputting van dit budget vindt plaats op artikel 18.01. Derhalve zijn de budgetten overgeboekt;

– het weer samen naar school (wsns) beleid heeft een opbrengst op de materiële uitgaven gegenereerd, omdat het aantal leerlingen in het so-lom/mlk/iobk is gedaald. Conform de gemaakte afspraken in het wsns-akkoord wordt deze opbrengst weer herbesteed. Derhalve is deze opbrengst overgeboekt van artikel 18.02 naar artikel 18.01 van waaruit de uitgaven voor het wsns-beleid worden gedaan (f 0,5 miljoen);

– voor de voeding van het Participatiefonds zijn middelen uitgedeeld op artikel 18.01. Een juiste verdeling van deze middelen over de artikelen van primair onderwijs leidt tot een overboeking van artikel 18.01 naar artikel 18.03 (– f 2,2 miljoen);

– in het kader van de eerste stap van de groepsgrootte-verkleining is het totale budget op artikel 18.01 geboekt. Het aandeel van de materiële uitgaven hierin wordt overgeboekt van artikel 18.01 naar artikel 18.02 (– f 16,9 miljoen).

2.1

Onder de noemer «diversen» hebben zich de volgende mutaties voorgedaan:

– uitgaande van een bijgesteld verwacht beroep op de regeling bestuurlijke krachtenbundeling voor de komende schooljaren (vanaf 1998) heeft een herschikking van het budget over de jaren 1998 en verder plaastgevonden. Het budget voor 1999 is zodoende met f 3 miljoen verhoogd.

– het budget voor studie en beroepskeuzebegeleiding voor het beleidsterrein primair onderwijs is op basis van uitvoeringsgegevens bijgesteld (f 0,2 miljoen).

– het budget voor regionale verwijzigingscommissies (rvc's) is grotendeels overgeboekt naar beleidsterrein 19 (voortgezet onderwijs). Dit budget is voor de rvc's die per 1 augustus 1998 in het voortgezet onderwijs starten (– f 7 miljoen).

– In de jaren 1999 en 2000 doet zich een meevaller voor op de begroting van primair onderwijs onder diversen waarvan het incidentele dan wel structurele karakter nog niet geheel kan worden ingeschat. Bij Najaarsnota zal hierover meer duidelijkheid bestaan.

2.2

De mutatie formatie van f 0,1 miljoen heeft betrekking op:

– Groepsgrootte f 1,1 miljoen

Voor de uitgaven die samenhangen met het beleid om de groepsgrootte in de onderbouw te verkleinen is met ingang van 1 augustus 1997 een structureel bedrag van f 270 miljoen uitgetrokken. Dit bedrag is meerjarig een constante reeks, terwijl de uitgaven van de groepsgrootteverkleining langzaam oplopen (ten gevolge van een stijgend leerlingaantal). Deze mutatie maakt deel uit van een kasritmeverschuiving tussen de jaren 1997 tot en met 2002 en zorgt er voor dat het beschikbare budget en de uitgaven per jaar met elkaar in evenwicht komen.

– Formatie basisonderwijs en speciaal onderwijs – f 6,7 miljoen

Deze mutatie wordt veroorzaakt doordat realisatiegegevens voor de formatie in 1997 tot enkele bijstellingen in 1998 en volgende jaren leiden. Voor het (voortgezet) speciaal onderwijs betreft het een bijstelling van f 4,3 miljoen. Voor het basisonderwijs betreft het een mutatie van – f 11 miljoen, die voornamelijk betrekking heeft op een ramingstechnische bijstelling als gevolg van een meer nauwkeurige bepaling van de directieformatie. Deze was in de begroting 1997 gebaseerd op realisatiegegevens van voorgaande jaren uit het systeem van CASO. Thans is de raming van de directieformatie gebaseerd op het aantal toekenningen dat door het ministerie van OCenW is afgegeven.

– Ratio's en vacatureruimte f 5,2 miljoen

Realisatiecijfers over 1997 duiden op een grotere vacatureruimte dan geraamd. Dit wordt veroorzaakt door een wijziging in het declaratiegedrag van de scholen. De doorwerking naar latere jaren heeft geleid tot een mutatie van – f 16 miljoen in 1999.

Verder is er binnen de totalen van de onderwijsdeelname jaarlijks sprake van (leerling-)bewegingen, bijvoorbeeld door verhuizing, die bij ongewijzigd beleid leiden tot autonome budgettaire effecten (f 22 miljoen).

Dat zich budgettaire effecten voordoen, hangt onder andere samen met de niet-lineaire systematiek voor formatietoekenning in het basisonderwijs. Een basisschool kan bij wijze van spreken door één extra leerling nét in een volgende schaal terechtkomen, terwijl de school waar deze leerling vandaan kwam daardoor niet in een lagere schaal terecht komt. Onderdelen waar dit speelt zijn de benodigde personeelsratio's in het basisonderwijs en het aan de scholen jaarlijks toe te kennen schoolprofielbudget.

– Adv/bapo en Participatiefonds (PF) f 0,5 miljoen

Het akkoord over de benodigde beleidsmaatregelen in reactie op het rapport «De jaren tellen» heeft onder meer geleid tot:

1) een ophoging van de budgetten voor het PF (op basis van de middenvariant van het NIDI),

2) het vervangen van de voorwaardelijke herbezettingsregeling adv/bapo door een stimuleringsregeling en

3) het verlagen van de eigen bijdrage voor de regeling «Bevorderen arbeidsparticipatie ouderen (bapo)

Het budget voor het Participatiefonds was al in een eerder stadium verhoogd.

Ter dekking van de meerkosten als gevolg van de wijziging van de adv/bapo-regeling is het budget voor seniorenbeleid aangewend dat in het kader van de CAO 1996–1998 beschikbaar was gesteld (zie ook de toelichting van de mutaties onder aanvullende posten 1.1). Per saldo is f 0,5 miljoen gemuteerd.

2.3

De neerwaartse bijstelling van de gemiddelde personeelslasten met f 48,0 miljoen is gebaseerd op nieuwe inzichten met betrekking tot het benodigde budget voor de incidentele loonsomcomponent (ilc) en een nieuwe berekening van het aantal personeelsleden in de meerjarenraming en de effecten daarvan op de verdeling van het personeel over de salarisschalen en de daarmee samenhangende werkgeverslasten. Daarbij is rekening gehouden met de in de begroting aanwezige budgetten, die gevoelig zijn voor veranderingen in het personeelsbestand.

2.4

Op grond van de ontwikkeling van het aantal leerlingen is aan de begroting voor 1999 f 31,2 miljoen toegevoegd. Dit is exclusief de toevoeging voor asielzoekers via de aanvullende post (zie hiervoor de toelichting bij 1.1). Een toelichting op de ontwikkeling van het aantal leerlingen is gegeven in paragraaf 3 horizontale toelichting op het beleidsterrein (tabel 3.2 en 3.3).

3.1

Ter dekking van de mutatie «leerlingenvolume aanvullend formatiebeleid basisonderwijs» (zie ook 3.3), wordt f 16,4 miljoen uit de herbesteding van de opbrengst van de maatregel «aanscherping gewicht 1.25» aangewend.

3.3

Een toename van de instroom van gehandicapte leerlingen in het basisonderwijs heeft een toename in de vraag naar personeel op basis van de regeling Aanvullend formatiebeleid tot gevolg en derhalve een overschrijding van dit budget. Dekking wordt geleverd uit de herbesteding van de opbrengst uit de maatregel «aanscherping gewicht 1.25» (zie ook 3.1).

3.4

De bijstelling van de incidentele loonsomcomponent (ilc) in 2002 is het gevolg van afspraken in het regeerakkoord, waarbij het budget voor ilc op 0,6% wordt geraamd.

3.5

Voor de verdere verkleining van de groepsgrootte in de onderbouw van het basisonderwijs is in het regeerakkoord geld beschikbaar gesteld. Met deze mutatie wordt het budget dat betrekking heeft op de personele componenten aan artikel 18.01 toegevoegd. Meer informatie over de groepsgrootteverkleining staat in de beleidsterreingewijze toelichting van primair onderwijs (met name in paragraaf 2.1).

3.6

De intensiveringen uit het regeerakkoord zullen leiden tot meer werkgelegenheid en derhalve tot een dalend aantal wachtgelders. Voor het beleidsterrein po leidt dit tot een besparing oplopend tot f 50 mln in 2002.

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 18.01 verplichtingen uitgaven codering
  199719981999 199719981999 econ. funct.
BO gemeentelijk     2 214 2942 419 5012 555 705 43C 04.2
BO bijzonder lonen onderwijzend personeel     4 392 7644 839 0015 111 409 43A 04.2
BO bijzonder lonen overig     35 82500 43A 04.2
BO Ned. onderwijs in het buitenland  n.v.t.  20 78423 41124 685 43G 04.0
(V)SO gemeentelijk     561 655615 476635 894 43C 04.36
(V)SO bijzonder lonen onderwijzend personeel     898 647984 7611 017 431 43A 04.36
(V)SO bijzonder lonen overig     224 662246 190254 358 43A 04.36
Totaal 000 8 348 6319 128 3409 599 482    

Artikel 18.02 Materiële uitgaven

Algemeen

Dit artikel heeft betrekking op de uitgaven die op grond van de artikelen 113 tot en met 119 en 100 van de Wet op het primair onderwijs en de artikelen 88j, 88k, 89, 90 en 97 van de Interimwet speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs (ISOVSO), die overgenomen worden in de Wet op de expertisecentra (WEC), worden gedaan aan gemeenten en schoolbesturen.

Dit artikel omvat de uitgaven, die nodig zijn voor de exploitatie (materiële instandhouding en andere voorzieningen) van een gebouw. Te denken valt aan verlichting, verwarming, schoonhouden. Dit artikel omvat tevens de uitgaven voor het verzorgen van het onderwijs zoals meubilair, leermiddelen etc.

Ontvangsten als gevolg van afwikkeling van oude dienstjaren worden geboekt op het ontvangsten-artikel 18.01. Nabetalingen oude jaren worden ten laste van het uitgavenartikel van het lopende jaar gebracht.

De projecten en beleidsprogramma's die op dit artikel betrekking hebben zijn:

– Groepsgrootte en kwaliteit basisonderwijs;

– Weer samen naar school (WSNS).

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 18.021997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 1 201 1991 248 8271 260 7121 271 2141 277 284 
Nieuwe mutaties 77 97442 76581 15697 854114 811 
Stand ontwerpbegroting 19991 195 6871 279 1731 291 5921 341 8681 369 0681 392 0951 411 470
Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 18.0219981999200020012002  
1. Technische mutaties69 76420 33522 03623 67319 243   
1. Bijstelling uit aanvullende posten3 9957 4426 9886 7736 702   
2. Overboekingen (intern)65 76912 89315 04816 90012 541   
2. Autonome mutaties8 2102 4303 1205 1819 568   
1. Leerlingenvolume4 2102 4303 1205 1819 568   
2. Materiële kenmerken4 000       
3. Beleidsmatige mutaties020 00056 00069 00086 000   
1. RA: groepsgrootte  6 00019 00036 000   
2. RA: managem./leermid/schoonm. 20 00050 00050 00050 000  
Totaal77 97442 76581 15697 854114 811   

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

De bijstelling uit aanvullende posten heeft betrekking op:

– de doorwerking naar 1999 van de prijsbijstelling 1998 (f 4,2 miljoen);

– toename van het leerlingenvolume door instroom van asielzoekers (f 3,3 miljoen).

Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar beleidsterrein 26.

1.2

De interne overboekingen hebben betrekking op:

– groepsgrootte f 16,9 miljoen;

Dit betreft het aandeel van de materiële instandhouding in het totale budget dat op artikel 18.01 beschikbaar is gesteld voor de groepsgrootte-verkleining in het basisonderwijs. Dit deel is derhalve overgeboekt van artikel 18.01 naar artikel 18.02.

– onderwijs in eigen taal (OET) – f 3,0 miljoen;

Dit budget maakt deel uit van het totale OALT-budget en is derhalve overgeboekt naar artikel 18.01 waar de uitputting plaatsvindt.

– eerste opvang asielzoekers – f 0,4 miljoen;

Dit budget maakt deel uit van het totale GOA-budget en is derhalve overgeboekt naar artikel 18.01 waar de uitputting plaatsvindt.

– weer samen naar school – f 0,5 miljoen;

Het wsns-beleid heeft een opbrengst op de materiële uitgaven gegenereerd, omdat het aantal leerlingen so-lom/mlk/iobk is gedaald. Conform de afspraken in het wsns-akkoord wordt deze opbrengst weer herbesteed. Daartoe is dit budget overgeboekt naar 18.01 waar de uitputting plaatsvindt.

– buitenlandse scholen – f 23 000;

De materiële uitgaven voor de buitenlandse scholen worden op artikel 18.01 gedaan. Voor de prijscompensatie wordt een budget overgeboekt naar 18.01.

2.1

Op grond van de ontwikkeling van het aantal leerlingen is aan de begroting voor 1999 f 2,4 miljoen toegevoegd. Dit is exclusief de toevoeging voor asielzoekers via de aanvullende post (zie hiervoor de toelichting bij 1.1).

Een toelichting op de ontwikkeling van het aantal leerlingen is gegeven in paragraaf 3 van de horizontale toelichting op het beleidsterrein (tabel 3.2 en 3.3).

2.2

De mutatie van f 4,0 miljoen in 1998 onder materiële kenmerken betreft een bedrag dat van 1997 naar 1998 is doorgeschoven voor de gewenningsregeling in verband met de invoering van de bekostingingssystematiek voor de materiële instandhouding met het vereenvoudigd Londostelsel.

3.1

Voor de verdere verkleining van de groepsgrootte in de onderbouw van het basisonderwijs is in het regeerakkoord geld beschikbaar gesteld. Met deze mutatie wordt het budget dat betrekking heeft op de materiële componenten aan artikel 18.02 toegevoegd. Meer informatie over de groepsgrootteverkleining staat in de beleidsterreingewijze toelichting van primair onderwijs (met name in paragraaf 2.1).

3.2

Deze mutatie is op basis van het regeerakkoord tot stand gekomen. Dit budget is beschikbaar gesteld om de materiële voorzieningen voor management, leermiddelen en schoonmaak te kunnen verbeteren.

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 18.02 verplichtingen uitgaven codering
  199719981999 199719981999 econ. funct.
BO gemeentelijk     314 042340 578343 645 43C 04.2
BO bijzonder     676 050729 561736 133 43A 04.2
BO Ned. onderwijs in het buitenland  n.v.t.  000 43G 04.0
(V)SO gemeentelijk     55 13355 04955 781 43C 04.36
(V)SO bijzonder     150 462153 985156 033 43A 04.36
Totaal     1 195 6871 279 1731 291 592    

De verdeling gemeentelijk/bijzonder is gebaseerd op het aantal leerlingen dat op de peildatum 1 oktober 1995 ingeschreven was bij openbare en bijzondere scholen.

Artikel 18.03 Onderwijsverzorging

Algemeen

Bij het artikel 18.03 zijn de uitgaven ondergebracht die het gevolg zijn van de Wet op de onderwijsverzorging. Via dit artikel worden de schoolbegeleidingsdiensten bekostigd.

Vanaf 1 januari 1998 worden de schoolbegeleidingsdiensten niet meer rechtstreeks via het Rijk bekostigd, maar ontvangen de gemeenten een specifieke uitkering ten laste van de onderwijsbegroting. Als na vier jaar bij evaluatie blijkt dat een adequaat aanbod aan schoolbegeleiding in stand blijft, gaan de middelen daarna naar het Gemeentefonds.

De ontvangsten die met dit artikel verband houden worden geboekt op het ontvangstenartikel 18.01.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 18.031997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 104 341106 467106 010106 023106 023 
Nieuwe mutaties 2 1972 1972 1972 1972 021 
Stand ontwerpbegroting 1999104 505106 538108 664108 207108 220108 044108 044
Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 18.0319981999200020012002  
1. Technische mutaties2 1972 1972 1972 1972 197   
1. Overboekingen (intern)2 1972 1972 1972 1972 197   
3. Beleidsmatige mutaties    – 176   
1. RA bijstelling incidenteel    – 176  
Totaal2 1972 1972 1972 1972 021   

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

Voor de voeding van het Participatiefonds zijn middelen uitgedeeld op artikel 18.01. Een juiste verdeling van deze middelen over de artikelen van primair onderwijs leidt tot een overboeking van f 2,2 miljoen van artikel 18.01 naar artikel 18.03.

3.1

De bijstelling van de incidentele loonsomcomponent (ilc) in 2002 is het gevolg van afspraken in het regeerakkoord, waarbij het budget voor ilc op 0,6% wordt geraamd.

Economische en functionele codering

De economische en functionele codering is 43C respectievelijk 04.5.

Artikel 18.05 Overige uitgaven

Algemeen

Artikel 18.05 heeft betrekking op de volgende projectactiviteiten in het primair onderwijs:

Versterking van kwaliteit in het basisonderwijs (f 11,0 miljoen)

Ook in 1999 vindt uitvoering plaats van de in de beleidsnotitie «Een impuls voor het basisonderwijs» aangekondigde maatregelen. In het plan «Groepsgrootte en kwaliteit» zijn deze maatregelen verder beschreven en uitgewerkt. Het accent ligt ook het komende jaar op de onderbouw en op het taal- en rekenonderwijs. Het gaat om de uitwerking van leerlijnen en tussendoelen, kwalitatief goede leerlingvolgsystemen, de kwaliteit van leermethoden, opleiding en begeleiding van leerkrachten en het benutten van informatie- en communicatietechnologie.

Het expertisecentrum Nederlands werkt aan een geïntegreerde aanpak van het taalonderwijs en functioneert als motor voor het doen ontwikkelen van goede onderwijsmethoden. Het stimuleert als kenniscentrum tevens de verbetering van opleiding en begeleiding van leraren. Het gebruik van de ontwikkelde visies, de methoden en materialen in en door scholen krijgt de volle aandacht.

Het Freudenthal Instituut functioneert als expertisecentrum voor het reken- en wiskundeonderwijs en gaat door met de ontwikkeling van leerlijnen en tussendoelen voor dit onderwijs.

In 1998 is een gids verschenen met de beoordeling van een aantal rekenen-/wiskundemethoden. Met deze handreiking kunnen scholen een verantwoorde keuze maken voor een nieuwe methode. In het komende jaar zal een tweede gids verschijnen met de beoordeling van methoden voor Nederlands.

Het Procesmanagement Primair Onderwijs heeft onder andere tot taak maatregelen uit «Groepsgrootte en kwaliteit» te implementeren en ondersteuning te bieden aan scholen.

Het Procesmanagement Primair Onderwijs begeleidt sinds 1 januari 1997 ook de implementatie van het Weer samen naar school-proces. Ook de besturen-, vak- en ouderorganisaties, die samenwerken met het PMPO, ontvangen een bijdrage voor hun werk tijdens het implementatieproces wsns. Centraal staat in 1999 de begeleiding van samenwerkingsverbanden bij het ontwikkelen van de zorgstructuur en het zorgplan, zodat de scholen een goede start maken bij de in werking treding van de Wet op het primair onderwijs.

Ouderorganisaties (f 2,8 miljoen)

De vier grote ouderorganisaties LOBO, NKO, Ouders en COO en VOO ontvangen jaarlijks subsidie, waarmee zij in staat worden gesteld de deskundigheid van ouders op het gebied van de medezeggenschap te bevorderen. De subsidie per organisatie bestaat uit een vast bedrag en een bedrag per leerling naar rato van het aantal leerlingen met een denominatieve of openbare achtergrond.

Leerlinggebonden financiering (f 4,4 miljoen)

Ter voorbereiding en ondersteuning van de implementatie van de leerlinggebonden financiering voor gehandicapte leerlingen in het basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs, de zogenaamde eerste fase, wordt het in 1997 verschenen meerjarige beleidsplan «Rugzak» ook in 1999 uitgevoerd.

Nederlandse gebarentaal (f 1,5 miljoen)

Met de doveninstituten/belangenorganisaties voor doven is in juni 1998 een convenant afgesloten om op termijn te komen tot de standaardisatie van de Nederlandse Gebarentaal en de invoering van tweetalig onderwijs. Hiertoe zal in de periode tot 2001 een aantal stimuleringsactiviteiten worden gefinancierd.

De ontvangsten die met dit artikel verband houden, worden geboekt op het ontvangstenartikel 18.01.

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 18.051997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 46 53354 29356 41957 28854 955 
Nieuwe mutaties – 746– 24 515– 24 913– 20 009– 18 816 
Stand ontwerpbegroting 199952 24745 78729 77831 50637 27936 13936 114
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 18.051997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 56 99559 32558 60158 60758 607 
Nieuwe mutaties – 8 849– 18 047– 18 231– 16 836– 16 828 
Stand ontwerpbegroting 199958 87748 14641 27840 37041 77141 77941 779
Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 18.0519981999200020012002  
1. Technische mutaties– 8 849– 18 047– 18 231– 16 836– 16 731   
1. Bijstelling uit aanvullende posten5241 2581 0499441 049   
2. Overboekingen (extern) 204204204204   
3. Overboekingen (intern)– 9 373– 19 509– 19 484– 17 984– 17 984   
3. Beleidsmatige mutaties    – 97   
1. RA bijstelling incidenteel    – 97  
Totaal– 8 849– 18 047– 18 231– 16 836– 16 828   

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

Uit de aanvullende post is f 1,3 miljoen overgeboekt voor uitvoering van het «Prick»-experiment ofwel het project professionalisering van het takenpakket van het onderwijspersoneel. Het project heeft tot doel na te gaan in welke mate de aanstelling van meer onderwijsondersteunend personeel de werkdruk van de huidige leraren kan verminderen. Het project kent twee varianten:

1. toekenning van middelen om extra onderwijsondersteunend personeel in te zetten en

2. toekenning van middelen om aan 52+ leraren extra adv toe te kennen (en voor die leraren vervangend personeel aan te stellen).

De scholen die meedoen aan het experiment werken met één van beide varianten.

1.2

Dit betreft een overboeking van f 0,2 miljoen van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport om de subsidie van de Landelijke Stichting Educatie Molukkers (LSEM) centraal vanuit het primair onderwijs te coördineren.

1.3

Dit betreft de volgende overboekingen naar artikel 18.05:

– de overheveling van het op artikel 17.06 (personeel en materieel ministerie) staande budget van f 0,1 miljoen voor de scholenbouwprijs;

– een overboeking van f 0,5 miljoen van artikel 19.05 (voortgezet onderwijs) om de subsidie van de Landelijke Stichting Educatie Molukkers (LSEM) centraal vanuit het primair onderwijs te coördineren;

– ter uitvoering van de beleidsnota «kristal van kansen» is f 0,8 miljoen overgeboekt van artikel 26.09 (emancipatie-activiteiten);

– voor onderzoek door de Stichting voor Onderwijsonderzoek is f 0,5 miljoen overgeboekt van beleidsterrein 23 (onderzoek en wetenschapsbeleid).

en de volgende overboekingen van artikel 18.05:

– de projectmiddelen voor Cultuur en school van f 1,5 miljoen (t/m 2000) zijn overgeboekt naar artikel 27.01 (kunsten) van het beleidsterrein cultuur;

– de middelen voor internationale activiteiten voor Suriname, Marokko en Turkije van f 0,4 miljoen zijn overgeboekt naar artikel 26.05 (internationale betrekkingen);

– voor een 3-jarige samenwerkingsovereenkomst tussen een school in Rotterdam en op Saba heeft een overboeking plaatsgevonden van f 25 000,– naar artikel 26.05 (internationale betrekkingen);

– de op artikel 18.05 staande budgetten voor WRR-gelden en zigeunerprojecten (f 19,6 miljoen) maken deel uit van het budget voor de Wet op het Gemeentelijk Onderwijs Achterstandenbeleid (GOA). Uitputting van dit GOA-budget vindt plaats op artikel 18.01 (personeel). Derhalve zijn deze budgetten overgeboekt.

Toelichting op de verplichtingenmutaties

De nieuwe mutaties bij de verplichtingen betreffen de mutaties die bij de uitgaven zijn toegelicht en enkele extra mutaties:

De verplichtingenstand van artikel 18.05 is met f 6,9 miljoen verlaagd zonder kaseffecten. Er heeft een verschuiving van een deel van het verplichtingenbudget van 1999 en latere jaren naar 1998 plaatsgevonden. Deze latere jaren zijn in totaal met een vergelijkbaar bedrag verlaagd ten opzichte van de verhoging in 1998. De grootste mutaties worden hier toegelicht:

– voor de voorbereiding, implementatie en ondersteuning van de eerste fase van de leerlinggebonden financiering is f 3,4 miljoen gereserveerd voor 1999 en is de verplichtingenstand 1999 verlaagd;

– voor de ontwikkeling en invoering van de Nederlandse gebarentaal in het (doven)onderwijs is f 1,6 miljoen gereserveerd voor 1999 en is de verplichtingenstand 1999 verlaagd;

– de installatie en de financiering van de Stuurgroep Beleidsgericht Onderzoek Primair Onderwijs (BOPO) vergt voor de periode 1998 t/m 2000 f 2,0 miljoen per jaar. De verplichtingenstand 1999 en 2000 is hierdoor met f 2,0 miljoen per jaar verlaagd.

– bijdrage aan de uitvoeringskosten van de cursus Nederlandse taal voor zittende OALT-leraren in de jaren 1998/1999 en 1999/2000.

– een aantal kleinere verplichtingen van in totaal f 0,9 miljoen die voor 1998 waren gepland worden in 1999 aangegaan.

3.1

De bijstelling van de incidentele loonsomcomponent (ilc) in 2002 is het gevolg van afspraken in het regeerakkoord, waarbij het budget voor ilc op 0,6% wordt geraamd.

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 18.05 verplichtingen uitgaven codering
  199719981999 199719981999 econ. funct.
Overige uitgaven BO 41 79836 63023 822 47 10238 51733 022 43A 04.2
Overige uitgaven (V)SO 10 4499 1575 956 11 7759 6298 256 43A 04.36
Totaal 52 24745 78729 778 58 87748 14641 278    

Artikel 18.01 Ontvangsten primair onderwijs

Algemeen

Op dit artikel worden de ontvangsten geboekt die verband houden met de uitgavenartikelen 18.01 tot en met 18.05.

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 18.011997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 43 46843 36834 76834 76834 768 
Nieuwe mutaties – 900– 900– 900– 900– 900 
Stand ontwerpbegroting 199951 21342 56842 46833 86833 86833 86833 868
Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 18.0119981999200020012002  
1. Technische mutaties– 900– 900– 900– 900– 900   
1. Desalderingen– 900– 900– 900– 900– 900  
Totaal– 900– 900– 900– 900– 900   

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

Met het Vervangingsfonds zijn afspraken gemaakt over het omleggen van de claims inzake ongevallen ambtenaren, die door het bureau Schade-afwikkeling van het Ministerie van Financiën zijn verhaald. Tot nu toe worden deze claims ontvangen door OCenW. In het kader van de premiedifferentiatie (pd)-regeling van het Vervangingsfonds is het logischer deze claims te laten ontvangen door het Vervangingsfonds, zodat deze bij de uitvoering van de pd-regeling hiermee rekening kan houden. Voor de desbetreffende scholen wordt zodoende een prikkel ingebouwd die ontbrak zolang OCenW de gelden ontvangt. Teneinde de aanpassing budgettair neutraal te laten verlopen is afgesproken dat het vervangingsbudget overeenkomstig wordt verlaagd. Hiervoor is een desaldering tussen uitgaven en ontvangsten van f 0,9 miljoen opgenomen. (zie ook artikel u18.01 punt 1.3)

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de ontvangsten (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 18.01 ontvangsten ontvangsten codering
  199719981999 econ. funct.
BO teveel betaalde voorschotten p+m gemeentelijk 11 9648 4928 492 43C 04.2
BO teveel betaalde voorschotten p+m bijzonder 25 75518 19118 191 43A 04.2
Overige ontvangsten BO (niet wettelijk) 2 7839 0358 935 43A 04.2
Ontvangsten onderwijsverzorging 1 65320002000 43A 04.5
(V)SO teveel betaalde voorschotten p+m gemeentelijk 2 4291 2771 277 43C 04.36
(V)SO teveel betaalde voorschotten p+m bijzonder 6 6293 5733 573 43A 04.36
Totaal 51 21342 56842 468    

Beleidsterrein 19 VOORTGEZET ONDERWIJS

Artikelen binnen beleidsterrein 19 Voortgezet onderwijs

kst-26200-VIII-2-22.gif

Artikel 19.01 Personele uitgaven

Met ingang van de begroting voor 1998 is dit artikel onderdeel van artikel 19.06 Personele en materiële uitgaven.

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 19.01 verplichtingen uitgaven codering
  199719981999 199719981999 econ. funct.
MAVO gemeentelijk 12 863   12 736   43C 04.33
MAVO bijzonder 137 818   136 454   43A 04.33
SG AVO gemeentelijk 386 503   382 677   43C 04.35
SG AVO bijzonder 1 134 396   1 123 166   43A 04.35
SG AVO/VBO gemeentelijk 1 244 038   1 231 723   43C 04.35
SG AVO/VBO bijzonder 2 943 182   2 914 047   43A 04.35
VBO gemeentelijk 13 476   13 341   43C 04.34
VBO bijzonder 197 233   195 281   43A 04.34
VBO aan verticale scholen-gemeenschappen gem. 30 014   29 717   43C 04.34
VBO aan verticale scholen-gemeenschappen bijz. 25 726   25 471   43A 04.34
Totaal 6 125 24900 6 064 61300    

Artikel 19.02 Materiële uitgaven

Met ingang van de begroting voor 1998 is dit artikel onderdeel van artikel 19.06 Personele en materiële uitgaven.

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 19.02 verplichtingen uitgaven codering
  199719981999 199719981999 econ. funct.
MAVO gemeentelijk 1 448   1 375   43C 04.33
MAVO bijzonder 19 760   18 766   43A 04.33
SG AVO gemeentelijk 47 185   44 811   43C 04.35
SG AVO bijzonder 128 525   122 058   43A 04.35
SG AVO/VBO gemeentelijk 180 821   171 722   43C 04.35
SG AVO/VBO bijzonder 426 203   404 756   43A 04.35
VBO gemeentelijk 2 640   2 507   43C 04.34
VBO bijzonder 35 602   33 811   43A 04.34
VBO aan verticale scholen-gemeenschappen gem. 5 110   4 853   43C 04.34
VBO aan verticale scholen-gemeenschappen bijz. 4 429   4 206   43A 04.34
Totaal 851 72300 808 86500    

Artikel 19.03 Onderwijsverzorging

Algemeen

Op dit artikel zijn de budgetten ondergebracht voor de ramingen van de uitgaven voor de activiteiten zoals vermeld in de Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten (WSLOA).

De ontvangsten voor de instellingen die onder dit uitgavenartikel vallen, worden geraamd op het ontvangstenartikel 19.01 Ontvangsten voortgezet onderwijs.

De belangrijkste ontwikkelingen op dit artikel zijn:

– de aanpassing van de budgetten als gevolg van de prijs- en loonbijstelling en de wijziging van het premiebeeld 1998;

– een aanpassing in het kader van «De jaren tellen».

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 19.031997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 111 218116 134106 427100 65397 623 
Nieuwe mutaties 2 8643 0312 9963 0143 011 
Stand ontwerpbegroting 1999107 462114 082119 165109 423103 667100 634100 634

Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 19.03 19981999200020012002 
1. Technische mutaties 2 8643 0312 9963 0143 011 
1. Bijstelling uit aanvullende posten 2 8643 0312 9963 0143 011 
Totaal 2 8643 0312 9963 0143 011 

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

De bijstelling uit aanvullende posten bestaat uit een bijstelling als gevolg van algemene salarismaatregelen en het gewijzigde premiebeeld 1998 (f 1,6 miljoen structureel vanaf 1998) en de prijsbijstelling 1998 (f 0,1 miljoen structureel vanaf 1998). In het kader van «De jaren tellen» zijn budgetten voor wachtgelden, samenwerkingsverbanden en seniorenbeleid centraal geparkeerd. Uit deze budgetten zijn bedragen naar dit artikel overgeboekt. Deze bedragen zijn bestemd voor het aandeel van de instellingen voor onderwijsverzorging (in 1998 f 1,1 miljoen en vanaf 1999 structureel f 1,3 miljoen).

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 19.03 verplichtingen uitgaven codering
  199719981999 199719981999 econ. funct.
Instellingen leerplanontwikkeling     27 91829 5050 43A 04.5
Instellingen toetsontwikkeling  n.v.t.  28 84230 1230 43A 04.5
Landelijke pedagogische centra     48 97351 8480 43A 04.5
Instellingen voor nabetalingen     1 7292 6062 606 43A 04.5
Activiteiten i.h.k.v. artikel 2 WSLOA     00116 559 43A 04.5
Totaal 000 107 462114 082119 165    

Artikel 19.05 Overige uitgaven

Algemeen

Op dit artikel zijn de ramingen opgenomen van de uitgaven voor diverse vernieuwingsen ontwikkelingsprojecten van het voortgezet onderwijs. Met deze vernieuwingsbudgetten wordt de implementatie van een aantal grote onderwijsvernieuwingsoperaties, zoals mavo/vbo en profiel tweede fase, binnen het voortgezet onderwijs ondersteund. De belangrijkste ontwikkelingen binnen het voortgezet onderwijs zijn hieronder nader toegelicht.

De ontvangsten voor de scholen en instellingen die onder dit uitgavenartikel vallen, worden geraamd op het ontvangstenartikel 19.01 Ontvangsten voortgezet onderwijs.

Minderhedenbeleid/overige doelgroepen

Met ingang van 1 augustus 1998 is de Wet gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid (GOA) in werking getreden. Deze wet legt de basis om maatwerk te leveren op lokaal niveau. De middelen voor het bestrijden van onderwijsachterstanden zijn overgeheveld van de rijksoverheid naar de gemeenten in de vorm van een specifieke uitkering. Samen en in overleg met de scholen heeft de gemeente een vierjarig plan gemaakt voor het bestrijden van achterstanden op basis waarvan de beschikbare middelen worden ingezet.

Intercultureel onderwijs

Binnen het kader van het intercultureel onderwijs (ICO) zijn er, in nauwe samenwerking met de projectgroep ICO, activiteiten in gang gezet om intercultureel onderwijs bij de scholen te bevorderen. De speerpunten van de projectgroep waren hierbij materiaalontwikkeling, intercultureel leren in de klas en school en omgeving. In 1998 zullen de activiteiten zich met name richten op school en omgeving. Eind 1998 zal de projectgroep haar activiteiten overdragen aan de reguliere intermediaire organisaties binnen het onderwijs. Een startconferentie daarvoor heeft in juni 1998 plaatsgevonden. Op basis van concept-overdrachtsplannen wordt nu met deze organisaties overleg gevoerd ter voorbereiding op de officiële overdrachtsconferentie in november 1998.

Nederlands als tweede taal (NT2)

Met ingang van 1998 is de procesvoering van NT2-beleid voor het voortgezet onderwijs opgedragen aan het Procesmanagement voortgezet onderwijs (PMVO). Voor de periode 1998 tot en met 2001 is er door het PMVO een plan van aanpak opgesteld. In dit plan is uiteengezet dat de implementatie van ontwikkelde NT2-materialen en -methoden een speerpunt is. Uit onderzoek van de inspectie is namelijk gebleken dat de implementatie van materialen de afgelopen jaren nog een punt van veel zorg was. Ter uitvoering van het plan van aanpak stelt het PMVO jaarlijks in samenwerking met het Katholiek Pedagogisch Centrum te 's-Hertogenbosch een uitvoeringsplan op. Het uitvoeringsplan voor 1999 wordt in het najaar van 1998 opgesteld.

Basisvorming

In 1999 ligt de nadruk bij deze onderwijsvernieuwing op de uitvoering van het beleid rondom kerndoelen en toetsen, in het bijzonder op deskundigheidsbevordering en afstemming. In 1999 komt ook de evaluatie van de basisvorming beschikbaar. Deze evaluatie voert de Inspectie uit.

Mavo/vbo

Per 1 augustus 1999 zal een begin worden gemaakt met de invoering van de vier leerwegen in het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs. De vormgeving van het leerwegondersteunend onderwijs en het praktijkonderwijs zal verder worden uitgewerkt. Daartoe dienen onder andere pilotprojecten, samenwerkingsverbanden en nascholingstrajecten. Tevens zullen examenprogramma's worden ontwikkeld en zal besluitvorming plaatsvinden over de infrastructurele aspecten bij de vernieuwing van het mavo/vbo/vso.

Profiel tweede fase

In 1999 zullen de profielen in de tweede fase van havo/vwo en het studiehuis algemeen worden ingevoerd. In 1998 heeft een eerste groep scholen daarmee al een begin gemaakt.

Examens

Onder dit budget zijn de middelen gereserveerd voor schoolexamens vbo voor de beroepsgerichte vakken en de verdere ontwikkeling van examenprogramma's, beide in relatie tot de beleidsontwikkelingen rond mavo/vbo en profiel tweede fase.

Internationalisering

De internationalisering van scholen zal zich onder invloed van de invoering van het Europese programma Socrates kwantitatief, maar vooral ook kwalitatief ontwikkelen. In het voortgezet onderwijs en ook in het primair onderwijs moet de komende jaren een infrastructuur tot stand komen voor de internationale samenwerking, waardoor internationalisering een vanzelfsprekend onderdeel van de schoolpraktijk zal worden. Naast de uitwisselingsprogramma's (voor docenten) wordt in de Europese programma's veel aandacht besteed aan de bevordering van de kennis van moderne vreemde talen. Voor de uitvoering van deze programma's is voor de periode 1998 tot en met 2001 jaarlijks een bedrag beschikbaar van circa f 10 miljoen.

Emancipatie

In de emancipatienota «Een kristal van kansen» wordt het onderwijsemancipatiebeleid voor de komende vier jaar (1998–2002) beschreven. Centraal staat het verankeren van emancipatie in kansrijke innovaties in het voortgezet onderwijs. Emancipatie moet steeds meer een kenmerk van kwaliteit worden. Daartoe zullen activiteiten ontplooid worden die tot doel hebben diversiteit niet alleen in sekse, maar ook in leeftijd, etniciteit, seksuele voorkeur, religie en sociaal-economische achtergrond (kortom, de waarde van verschillen tussen mensen) te benutten. Daarnaast worden er activiteiten ontplooid voor de preventie van seksuele intimidatie.

Overige uitgaven

Ten aanzien van de overige onder dit artikel gereserveerde middelen wordt kortheidshalve verwezen naar de subsidiebijlage (bijlage 6) bij deze begroting.

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 19.051997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 52 20446 58947 21046 84645 712 
Nieuwe mutaties 12 41415 94515 41016 64514 271 
Stand ontwerpbegroting 199952 79064 61862 53462 62063 49159 98359 983

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 19.051997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 55 51950 63047 79846 84645 712 
Nieuwe mutaties 12 41415 94515 41016 64514 271 
Stand ontwerpbegroting 199956 77567 93366 57563 20863 49159 98359 983

Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 19.0519981999200020012002   
1. Technische mutaties12 4145 9455 4106 6454 271   
1. Bijstelling uit aanvullende posten3 0624 8954 3604 0951 721   
2. Overboekingen (extern)4 000  
3. Overboekingen (intern)5 3521 0501 0502 5502 550   
3. Beleidsmatige mutaties 10 00010 00010 00010 000   
1. Onderwijsvernieuwing vo 10 00010 00010 00010 000   
Totaal12 41415 94515 41016 64514 271   

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

De bijstelling uit aanvullende posten bestaat uit:

– loon- en prijsbijstellingen f 1,7 miljoen structureel vanaf 1998;

– budget voor zogenaamde «Prick»-experimenten in het kader van het seniorenbeleid f 1,3 miljoen in 1998, f 3,1 miljoen in 1999, f 2,6 miljoen in 2000 en f 2,4 miljoen in 2001. Bij dit experiment kunnen leraren vanaf 52 jaar voor 10% van hun taak worden vrijgesteld, waarvoor onderwijs ondersteunend personeel kan worden aangesteld.

1.2

Naar het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij is f 2,0 miljoen overgeboekt voor natuur- en milieu-educatie.

Het Ministerie van Financiën heeft f 6,0 miljoen overgeboekt voor het Joods Educatief Centrum.

1.3

Het betreft hier de volgende overboekingen:

– een budget van f 5,3 miljoen dat op het reguliere artikel 19.06 voor mavo/vbo was gereserveerd, is overgeboekt naar artikel 19.05 (projectenartikel) voor projectmatige activiteiten in het mavo/vbo. In verband met deze aanwending is een overboeking noodzakelijk;

– van beleidsterrein 23 (owb) f 1,6 miljoen structureel vanaf 1998 voor veldonderzoek. Het betreft hier de voormalige onderzoeksmiddelen van het per 31 december 1996 opgeheven instituut SVO, die in het kader van herstructurering gerealloceerd worden;

– naar beleidsterrein 17 (po) f 0,5 miljoen structureel vanaf 1999 voor het landelijk steunpunt educatie molukkers;

– naar beleidsterrein 27 (cultuur) f 1,5 miljoen in 1998, 1999 en 2000 voor het project «Cultuur en school»;

– van beleidsterrein 26 (overige programma uitgaven) f 1,5 miljoen structureel vanaf 1999 voor de uitvoering van de emancipatienota «Kristal van kansen».

3.1

Voor onderwijsvernieuwing in het voortgezet onderwijs is vanaf 1999 structureel f 10 miljoen extra beschikbaar voor de ontwikkeling van nieuwe examen(programma's) in het kader van mavo/vbo en profiel tweede fase.

Economische en functionele codering

De economische en functionele codering is 43A respectievelijk 04.30.

Artikel 19.06 Personele en materiële uitgaven

Algemeen

Op dit artikel zijn de verwachte personele en materiële uitgaven geraamd voor de volgende scholen:

– de categorale scholen voor vbo;

– de categorale scholen voor mavo;

– de categorale scholen voor havo;

– de categorale scholen voor vwo;

– vbo aan scholengemeenschappen voor vo/bve;

– de scholengemeenschappen voor avo/vwo/vbo;

– de scholengemeenschappen voor havo en vwo (al dan niet met een school voor mavo).

De ontvangsten voor de scholen die onder dit uitgavenartikel vallen, worden geraamd op het ontvangstenartikel 19.01 Ontvangsten voortgezet onderwijs.

De belangrijkste ontwikkelingen op dit artikel zijn:

– de aanpassing van de budgetten aan de nieuwe leerlingenraming;

– de aanpassing van de budgetten door aanvullende afspraken op de CAO 1996–1998;

– toevoeging van budgetten in het kader van «De jaren tellen»;

– toevoeging van een budget voor het vrijroosteren van leerkrachten in het mavo/vbo/vso;

– toevoeging van de budgetten voor de voorhoede scholen en omscholing in het kader van ict;

– aanpassing van de budgetten in verband met verlaging van de lessentaak en een wijziging van de Bapo-regeling;

- alle mutaties voortvloeiend uit het Regeerakkoord.

Met ingang van de begroting 1998 vervangt dit artikel de voormalige artikelen 19.01 (personele uitgaven) en 19.02 (materiële uitgaven).

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 19.061997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 7 257 3577 331 3517 480 1777 636 1427 758 706 
Nieuwe mutaties 232 543414 526416 260377 681493 252 
Stand ontwerpbegroting 199907 489 9007 458 8777 896 4378 013 8238 251 9588 270 792

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 19.061997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 7 079 0577 261 5857 392 8107 525 7297 674 518 
Nieuwe mutaties 204 563414 526416 260377 681493 252 
Stand ontwerpbegroting 199907 283 6207 676 1117 809 0707 903 4108 167 7708 187 598

Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 19.0619981999200020012002
1. Technische mutaties219 381331 287310 054309 794313 267
1. Bijstelling uit aanvullende posten202 007331 206309 978309 671313 053
2. Overboekingen (extern)– 12 264– 65– 65– 65– 54
3. Overboekingen (intern)29 638146141188268
2. Autonome mutaties– 34 818– 23 672– 5 3692 14511 658
1. Diversen– 15 9734 35910 02513 77917 632
2. Formatie– 18 386– 24 173– 12 957– 14 327– 15 391
3. Leerlingenkenmerken1 2001 1001 9001 000500
4. Leerlingenvolume– 1 659– 4 958– 4 3371 6938 917
3. Beleidsmatige mutaties20 000106 911111 57565 742168 327
1. Mavo/Vbo20 00030 000   
2. RA: achterstand onderhoud 48 00024 000 120 000
3. RA: adminstratie/beheer/bestuur 14 40028 80028 80028 800
4. RA: budgettering incidenteel – 13 189– 26 225– 40 058– 54 473
5. RA: vernieuwing 30 70096 00096 00096 000
6. RA : wachtgelden – 3 000– 11 000– 19 000– 22000
Totaal204 563414 526416 260377 681493 252

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

De bijstelling uit aanvullende posten bestaat uit de volgende onderdelen:

– Loon- en prijsbijstelling:

– loon- en prijsbijstelling (f 110,3 miljoen in 1998 tot f 124,1 miljoen in 2002).

Het betreft hier algemene salarismaatregelen, gewijzigd premiebeeld en aanvullende afspraken op de CAO 1996–1998;

– In een allonge bij het Voedingsrapport zijn met het Vervangingsfonds meerjarige afspraken gemaakt (f 10,5 in 1998 en vanaf 1999 structureel f 5,1 miljoen);

– In het kader van «De jaren tellen» zijn centraal geparkeerde budgetten voor wachtgelden, samenwerkingsverbanden en seniorenbeleid overgeboekt naar dit artikel (f 48,8 miljoen in 1998 en circa f 79,5 miljoen in 1999, 2000, 2001 en f 82,2 miljoen in 2002);

– CAO/VO 1998/1999 (verlaging lessentaak en aanpassing Bapo-regeling): f 26,4 miljoen in 1998, f 90,6 miljoen in 1999 en vanaf 2000 structureel f 75 miljoen;

– De intensiveringen op de onderwijsbegroting zullen leiden tot meer werkgelegenheid en derhalve tot een daling aan wachtgelders. Voor het beleidsterrein voortgezet onderwijs leidt dit tot een besparing oplopend tot f 22 mln in 2002.

– Een bijstelling in verband met het aantal asielzoekers (f 6,0 miljoen in 1998, f 34,2 miljoen in 1999, f 29,5 miljoen in 2000 en vanaf 2001 structureel circa f 27 miljoen).

Voor een toelichting op de bijstelling uit aanvullende posten wordt kortheidshalve verwezen naar beleidsterrein 26.

1.2

Naar het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieuhygiëne is voor de huisvesting van de CEVO/COB te Utrecht in 1998 f 0,3 miljoen en van 1999 tot en met 2002 f 65 000,– overgeboekt. Naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken is voor het project «Jeugd en veiligheid» in 1998 een bedrag van f 12,0 miljoen overgeboekt.

1.3

Een budget van f 5,3 miljoen dat op dit artikel voor mavo/vbo was gereserveerd, is overgeboekt naar artikel 19.05 (projectenartikel) voor projectmatige activiteiten in het mavo/vbo. In verband met deze aanwending is een overboeking noodzakelijk. Naar beleidsterrein 17 is in 1998 f 0,8 miljoen overgeboekt voor apparaatskosten CEVO/COB en naar beleidsterrein 21 f 0,2 miljoen structureel vanaf 1998 voor stagevergoeding. Verder is van beleidsterrein 26 f 36,0 miljoen naar dit artikel overgeboekt. Dit bedrag is bestemd voor de voorhoedescholen en omscholing in het kader van ict.

2.1

Deze post bestaat voornamelijk uit de toevoeging van het budget voor de Regionale Verwijzingscommissie (f 4 miljoen in 1998, f 15 miljoen in 1999 t/m 2001, f 14 miljoen in 2002) en een meevaller op de loonbijstelling als gevolg van het toepassen van het kasritme lumpsum (f 19,0 miljoen in 1998).

Daarnaast heeft er een ramings-technische wijziging op de loonbijstellingsbudgetten plaatsgevonden. In de tijd gezien is het saldo hierop nihil.

2.2

Deze mutatie bestaat uit de volgende onderdelen:

– een meevaller op cumi-uitgaven (–f 9,0 miljoen structureel vanaf 1998);

– een verlaging van de uitgaven voor aanvullende formatie (–f 9,4 miljoen in 1998, –f 15,1 miljoen in 1999, –f 3,9 miljoen in 2000, –f 5,3 miljoen in 2001 en –f 6,4 miljoen in 2002).

2.3

Op grond van de meest recente ontwikkelingen is het fusiescenario bijgesteld (691, 643 en 625 scholen respectievelijk per 1 augustus 1997, 1998 en 1999). Er verschuiven meer leerlingen naar brede scholengemeenschappen dan aanvankelijk is geraamd. Voor deze scholengemeenschappen geldt een iets hogere bekostigingsformule. Dit leidt tot een beperkte wijziging.

2.4

Het gaat hier om het effect van de meest recente leerlingtelling en de daaruit voortvloeiende wijziging in de leerlingprognose. Dit leidt ten opzichte van de vorige begroting tot de hierboven vermelde mutatie.

3.1

Bij de behandeling van het wetsontwerp mavo/vbo/vso in het najaar van 1997 is aan de Kamer toegezegd dat een soortgelijke voorziening voor docenten zal worden getroffen als bij het beleidstraject voor het profiel tweede fase. In dat kader wordt voor het vrijroosteren van leerkrachten, zodat zij zich kunnen voorbereiden op de invoering van leerwegen f 50,0 miljoen beschikbaar gesteld. Hiervan wordt in 1998 f 20,0 miljoen betaald. Het restant zal in 1999 worden betaald.

3.2

In het kader van het Regeerakkoord is voor het achterstallig onderhoud f 192,0 miljoen in vier jaar beschikbaar gesteld.

3.3

Voorts is voor de kosten van administratie, beheer en bestuur vanaf 1 augustus 1999 structureel f 28,8 miljoen extra beschikbaar gesteld.

3.4

Ten opzichte van de in de begroting opgenomen post voor incidenteel is op basis van het Regeerakkoord jaarlijks 0,2% afgeboekt.

3.5

In het Regeerakkoord is overeengekomen dat voor vernieuwingen in het voortgezet onderwijs een extra impuls van f 96,0 miljoen wordt ingezet.

3.6

Tevens is in het Regeerakkoord overeengekomen dat de voorgenomen intensiveringen in het onderwijs leiden tot een dalend aantal wachtgelders en lagere uitgaven. Voor het beleidsterrein VO leidt dit tot een besparing oplopend tot f 22 mln in 2002.

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 19.06 verplichtingen uitgaven codering
  199719981999 199719981999 econ. funct.
MAVO gemeentelijk 014 98015 492 014 56715 352 43C 04.33
MAVO bijzonder 0169 272175 057 0164 610173 480 43A 04.33
SG AVO gemeentelijk 0465 872481 794 0453 041477 454 43C 04.35
SG AVO bijzonder 01 355 6721 402004 01 318 3351 389 376 43A 04.35
SG AVO/VBO gemeentelijk 01 529 4371 581 708 01 487 3151 567 462 43C 04.35
SG AVO/VBO bijzonder 03 617 6203 741 258 03 517 9893 707 562 43A 04.35
VBO gemeentelijk 017 22717 816 016 75217 655 43C 04.34
VBO bijzonder 0250 163258 712 0243 273256 382 43A 04.34
VBO aan verticale scholen-gemeenschappen gem. 037 45038 729 036 41838 381 43C 04.34
VBO aan verticale scholen-gemeenschappen bijz. 032 20733 307 031 32033 007 43A 04.34
Totaal 07 489 9007 745 877 07 283 6207 676 111    

Artikel 19.01 Ontvangsten voortgezet onderwijs

Algemeen

De uitgaven voor de scholen en instellingen die onder dit ontvangstenartikel vallen, worden geraamd op de uitgavenartikelen 19.03 Onderwijsverzorging, 19.05 Overige uitgaven en 19.06 Personele en materiële uitgaven.

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 19.011997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 18 4508 9008 9008 1008 100 
Nieuwe mutaties 8 0000000 
Stand ontwerpbegroting 199933 91326 4508 9008 9008 1008 1008 100

Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 19.0119981999200020012002   
2. Autonome mutaties8 000  
1. Afrekeningen8 000  
Totaal8 0000000   

Toelichting op de nieuwe mutaties

2.1

Bij controle door de Accountantsdienst is gebleken dat een deel van de aanvragen in het kader van de regeling «tegemoetkoming lumpsum» met onjuiste gegevens zijn berekend. De teveel verstrekte voorschotten worden in 1998 verrekend. Dit leidt tot een bijstelling van de ontvangstenraming met f 8,0 miljoen.

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de ontvangsten (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 19.01 ontvangsten ontvangsten codering
  199719981999 econ. funct.
Teveel betaalde voorschotten        
– MAVO gemeentelijk 584813 43C 04.33
– MAVO bijzonder 660540149 43A 04.33
– AVO/VWO gemeentelijk 1 8161 487411 43C 04.35
– AVO/VWO bijzonder 5 2844 3261 195 43A 04.35
– AVO/VWO/VBO gem. 5 9614 8801 348 43C 04.35
– AVO/VWO/VBO bijzonder 14 09811 5443 187 43A 04.35
– VBO gemeentelijk 21317448 43C 04.35
– VBO bijzonder 1 101901249 43A 04.35
– Overige ontvangsten 4 7222 5502 300 43C 04.34
Totaal 33 91326 4508 900    

Beleidsterrein 20 BEROEPSONDERWIJS EN VOLWASSENENEDUCATIE

Artikelen binnen beleidsterrein 20 Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

kst-26200-VIII-2-23.gif

Artikel 20.01 Personele en materiële uitgaven

Algemeen

Dit artikel heeft betrekking op de scholen voor beroepsonderwijs en educatie. Vanaf 1997 vallen onder het beroepsonderwijs de beroepsopleidende leerweg (voornamelijk het oude mbo), en de beroepsbegeleidende leerweg (voornamelijk het voormalig leerlingwezen). De educatie betreft het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs, de basiseducatie en de inburgeringstrajecten.

Daarnaast bevat dit artikel de uitgaven voor de landelijke organen voor beroepsonderwijs, het Koninklijk Onderwijs Fonds voor de scheepvaart, de nautische opleidingsschepen en de nautische internaten. Eveneens zijn de uitgaven voor school- en staatsexamens opgenomen, voorzover het de logistieke ondersteuning door de Informatie Beheer Groep te Groningen betreft. Verder zijn op dit artikel gelden opgenomen voor afrekeningen en correcties op in voorgaande jaren verstrekte bestemmingsbedragen. Tevens zijn met ingang van 1998 de gelden voor de Beleidsagenda Educatie en Beroepsonderwijs op dit artikel opgenomen. Op het ontvangstenartikel 20.01 staan de met dit artikel samenhangende ontvangsten.

De onder dit artikel ressorterende instellingen vinden vanaf 1 januari 1996 hun juridische grondslag in de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB).

De belangrijkste ontwikkelingen op artikel 20.01 vormen de intensiveringen uit het regeerakkoord voor het beroepsonderwijs vanaf 1999, de aanpassing van de budgetten aan de nieuwe leerlingenraming, de overdracht in-service onderwijs (waarvan reeds 5/12 in 1997) en extra middelen voor inburgering en beroepsonderwijs vanaf 1998 van ieder f 30 miljoen.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 20.011997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 3 725 3773 826 3563 843 0373 876 2243 906 964 
Nota van wijziging 60 00060 00060 00060 00060 000 
Geautoriseerd totaal 3 785 3773 886 3563 903 0373 936 2243 966 964 
Nieuwe mutaties 154 154170 403171 179142 560171 189 
Stand ontwerpbegroting 19993 591 8733 939 5314 056 7594 074 2164 078 7844 138 1534 117 909

Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 20.0119981999200020012002   
1. Technische mutaties110 62197 40490 32984 87980 095   
1. Bijstelling uit aanvullende posten102 402123 114116 989112 839109 255   
2. Overboekingen (extern)10 255– 1 000– 1 000– 1 000– 1 000   
3. Desalderingen– 19 500– 19 500– 19 500– 19 500– 19 500   
4. Overboekingen (intern)17 464– 5 210– 6 160– 7 460– 8 660   
2. Autonome mutaties20 53314 7995 891– 6 655– 20 028   
1. Leerlingenvolume20 53314 7993 777– 8 775– 22 149   
2. Verschil prijsbijstelling  2 1142 1202 121   
3. Beleidsmatige mutaties23 00058 20074 95964 336111 122   
1. Intertemporele compensatie23 000       
2. RA: budgettering incidenteel – 6 700– 12 641– 19 164– 25 778   
3. RA: indexatie cursusgeld – 1 200– 2 400– 3 500– 4 700   
4. RA: inventaris 38 400  57 600   
5. RA : vernieuwing/implementatie WEB 30 70096 00096 00096 000   
6. RA: wachtgelden – 3 000– 6 000– 9 000– 12000   
Totaal154 154170 403171 179142 560171 189   

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

De bijstelling uit de aanvullende posten bestaat uit de loonbijstelling in het kader van de aanvullende afspraken op de CAO 1996–1998, en de CAO 1998. Het budget is tevens verhoogd voor asielzoekers, seniorenbeleid en is de verdeling van de prijsbijstelling op deze post opgenomen.

1.2

Voor de implementatie van de Wet inburgering nieuwkomers is f 1,0 miljoen overgeboekt naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken.

1.3

Deze desaldering betreft de maatregel Inkoop Diensten uit de begroting van 1991. Deze maatregel hield in dat de educatie-instellingen de inkomsten voor scholingsactiviteiten verricht voor derden (f 30,0 miljoen) moesten afdragen aan OCenW. In 1991 is aan de maatregel geen vorm gegeven door de uitgaven aan de educatie-instellingen met dit bedrag te verlagen, maar door de ontvangsten te verhogen. In de praktijk betekende deze maatregel echter een betaling van bve aan bve en daarom vindt er een correctie plaats. Zie voor deze post tevens het ontvangstenartikel. Daarnaast is er een desaldering van f 10,5 miljoen aan cursusgelden. Deelnemers die een vavo opleiding volgen, die voldoet aan de 850-urennorm, hoeven geen cursusgeld meer te betalen, maar betalen lesgeld. Lesgeld komt in tegenstelling tot cursusgeld niet binnen bij de instelling. Om het verlies aan inkomsten voor de instelling te compenseren is de raming van het budget navenant verhoogd. Een verhoging van de ontvangstenraming is opgenomen bij beleidsterrein 25 (Studiefinancieringsbeleid).

1.4

In 1998 is f 23 miljoen overgeboekt van beleidsterrein 26 (overige programma uitgaven) voor de ict-impuls. Tevens is structureel f 9 miljoen overgeboekt naar beleidsterrein 21 (hoger beroepsonderwijs) ten behoeve van de integratie van het onderwijs voor verpleging en verzorging.

Van artikel 20.03 is de btw-gewenningsregeling overgeboekt (f 3,7 miljoen in 1998). Zie hiervoor ook de toelichting bij artikel 20.03. De overige overboekingen naar diverse beleidsterreinen hebben betrekking op enkele kleine activiteiten, zoals een overboeking van f 0,3 miljoen naar beleidsterrein 17 (ministerie algemeen) voor ondersteuning bij de uitvoering van projecten.

2.1

De mutatie voor leerlingvolume betreft een toename in het aantal deelnemers ten opzichte van eerdere ramingen in het beroepsonderwijs.

2.2

De prijsbijstelling voor de jaren 2000 en verder betekent een correctie van nadelige effecten die voortvloeien uit wijzigingen in de berekeningssystematiek voor de prijscompensatie.

3.1

Door deze intertemporele compensatie zijn de resterende middelen van f 23 miljoen voor versterking van de financiële positie van bve-instellingen in 1998 beschikbaar.

3.2

Deze mutatie betreft de doorwerking van het kabinetsbeleid om de incidentele loonontwikkeling te beperken tot 0,6%.

3.3

Onderdeel van het kabinetsbeleid is indexering van de eigen bijdragen van burgers voor door de overheid te leveren diensten. Dit leidt tot een verhoging van de cursusgeldontvangsten bij de instellingen oplopend tot f 4,7 mln in 2002. Deze verhoging wordt in mindering gebracht op de bekostiging van de instellingen.

3.4

Het kabinet stelt extra middelen beschikbaar ter verbetering van de apparatuursituatie in de bve-sector. Het aandeel voor het landbouwonderwijs staat op de begroting van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.

3.5

Het kabinet stelt extra middelen (f 96 mln) beschikbaar voor de instellingen om de nieuwe taken van de Wet educatie beroepsonderwijs beter te implementeren. Deze middelen moeten ook ten goede komen aan de aanpak van de bestrijding van het voortijdig schoolverlaten in de bve-sector. Het aandeel voor het landbouwonderwijs staat op de begroting van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.

3.6

De intensiveringen uit het regeerakkoord zullen leiden tot meer werkgelegenheid en derhalve tot een dalend aantal wachtgelders. Voor het beleidsterrein bve leidt dit tot een besparing oplopend tot f 12 miljoen in 2002.

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 20.01 verplichtingen uitgaven codering
  199719981999 199719981999 econ. funct.
Beroepsonderwijs     2 795 9623 113 0443 223 017 43A 04.34
Educatie     415 421399 964412 034 43C 04.5
Landelijke organen     155 084166 186169 841 43A 04.37
Overkoepelende en ondersteunende organisaties  n.v.t.  64 03251 94451 305 43A 04.37
             
Inburgering     152 164195 732188 702 43C 04.5
             
Examens     9 21012 66111 860 12 04.30
Totaal     3 591 8733 939 5314 056 759    

Artikel 20.03 Overige uitgaven

Algemeen

Op dit artikel worden overige uitgaven geraamd conform artikel 2.2.3. van de Wet educatie beroepsonderwijs (WEB) en artikel 4 van de Wet overige OCenW-subsidies. De uitgaven betreffen:

1. Primair proces met accent op innovatie van leermiddelen en methoden (BVE-2000).

2. Clusterprogrammering Rijksoverheid voor de beleidsuitvoering van Kennis en beweging (waaronder het project Aantrekkelijk technisch beroepsonderwijs) en Veiligheid op school.

3. Overige uitgaven, geraamd voor projecten en regelingen op het gebied van examenontwikkeling, internationale activiteiten, onderzoek en beleidsevaluatie en scholing voor bevoegdheidscursussen leraren beroepsonderwijs en volwasseneneducatie.

Voorzover subsidieregelingen aan de orde zijn, zijn deze in de subsidiebijlage opgenomen. De gelden voor de beleidsagenda zijn met ingang van 1998 volledig opgenomen in artikel 20.01.

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 20.031997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 105 394107 259106 91599 93295 932 
Nieuwe mutaties – 23 313– 11 084– 9 198– 8 062– 5 196 
Stand ontwerpbegroting 199977 25782 08196 17597 71791 87090 73682 911

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 20.031997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 104 821117 379108 75599 93295 932 
Nieuwe mutaties – 23 590– 10 184– 9 158– 8 002– 5 196 
Stand ontwerpbegroting 199985 07881 231107 19599 59791 93090 73687 911

Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 20.0319981999200020012002   
1. Technische mutaties– 26 590– 9 984– 8 788– 7 492– 4 544   
1. Bijstelling uit aanvullende posten5157534947   
2. Overboekingen (extern)– 12 000       
3. Overboekingen (intern)– 14 641– 10 041– 8 841– 7 541– 4 591   
3. Beleidsmatige mutaties3 000– 200– 370– 510– 652   
1. Intertemporele compensatie3 000       
2. Budgettering incidenteel – 200– 370– 510– 652   
Totaal– 23 590– 10 184– 9 158– 8 002– 5 196   

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

De bijstelling uit de aanvullende post bestaat uit de verdeling van de prijsbijstelling 1998.

1.2

Deze overboeking betreft middelen voor «Veiligheid op school» die zijn overgeboekt naar het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

1.3

De overboekingen betreffen grotendeels de aanvullende impuls ten behoeve van de huisvesting (artikel 20.04) voor een bedrag van f 9,3 miljoen in 1998 en f 6,4 miljoen in de jaren 1999 en verder. Deze impuls hangt samen met de OKF-operatie.

Daarnaast is het bedrag voor de btw-gewenningsregeling van f 3,7 miljoen in 1998, aflopend tot nihil in 2002 ten onrechte op dit artikel in de stand miljoenennota opgenomen en daarom overgeboekt naar artikel 20.01. Het betreft een tijdelijke compensatie aan de onderwijsinstellingen, omdat de adviesbureaus voor ondersteuning en beroep onder het btw-regime vallen.

Tevens zijn ten behoeve van het overgangstraject stagevergoeding leraar in opleiding, verlenging contract Maritiem Simulator Trainings Centrum Terschelling en het project financiering Bèta-techniek gelden overgeboekt naar beleidsterrein 21 (hoger beroepsonderwijs) voor in totaal f 2,2 miljoen.

Ten behoeve van kortlopend onderwijsonderzoek is van beleidsterrein 23 (owb) een bedrag van f 0,5 miljoen overgeboekt. Tevens is een bedrag f 1,7 miljoen overgeboekt van beleidsterrein 26 ten behoeve van emancipatie-activiteiten.

3.1

Deze intertemporele compensatie betreft de bijdrage van het Ministerie van Sociale Zaken voor de regionale meld- en coördinatiefunctie. Deze bijdrage was reeds in 1997 overgeboekt en is nu beschikbaar voor 1998.

3.2

Deze mutatie betreft de doorwerking van het kabinetsbeleid om de incidentele loonontwikkeling te beperken tot 0,6%.

Economische en functionele codering

De economische en functionele codering is 43A respectievelijk 04.30.

Artikel 20.04 Huisvesting

Algemeen

Dit artikel heeft betrekking op de uitgaven voor voorzieningen in de huisvesting voor de bve-sector. Deze uitgaven zijn onder andere bestemd voor investeringen, diverse huisvestingsvergoedingen, annuïteiten, rente en aflossing (inclusief garantie), tijdelijke voorzieningen in gebouwen of terreinen waaronder huur en erfpacht. Voorts omvat dit artikel de uitgaven voor verzekeringspremies.

De bekostiging van de huisvesting is nader uitgewerkt in het huisvestingsbesluit WVO/WCBO, Regeling huisvesting vo-bve. Met ingang van 1 juli 1997 is de regeling bekostiging huisvesting bve-sector in werking getreden. De huisvestingsmiddelen maken deel uit van de lumpsum.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 20.041997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 372 429375 330375 330375 330375 330 
Nieuwe mutaties 11 0098 1258 1258 1258 125 
Stand ontwerpbegroting 1999378 288383 438383 455383 455383 455383 455383 455
Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 20.0419981999200020012002   
1. Technische mutaties11 0098 1258 1258 1258 125   
1. Bijstelling uit aanvullende posten2 0492 0652 0652 0652 065   
2. Overboekingen (intern)8 9606 0606 0606 0606 060   
Totaal11 0098 1258 1258 1258 125   

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

De bijstelling uit de aanvullende posten bestaat uit de verdeling van de prijsbijstelling 1998.

1.2

De overboeking betreft de aanvullende impuls ten behoeve van de huisvesting voor een bedrag van f 9,3 miljoen in 1998 en f 6,4 miljoen in de jaren 1999 en verder. Deze impuls hangt samen met de OKF-operatie. Daarnaast is een gering bedrag overgeboekt naar artikel 20.01 ten behoeve van twee kleine instellingen. De huisvestingsmiddelen van f 0,4 miljoen voor deze instellingen worden toegevoegd aan hun lumpsum voor personele en materiële exploitatie.

Economische en functionele codering

De economische en functionele codering is 43A respectievelijk 04.30.

Artikel 20.01 Ontvangsten beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

Algemeen

Op dit artikel worden onder meer de ontvangsten geraamd voor afrekeningen van in voorgaande jaren verstrekte voorschotten en correcties op in voorgaande jaren verstrekte bestemmingsbedragen. Daarnaast zijn op dit artikel de te ontvangen examengelden voor voortgezet onderwijs, beroepsonderwijs en volwasseneneducatie, alsmede het hoger beroepsonderwijs opgenomen, voorzover dit staatsexamens betreffen. Verder worden op dit artikel de te ontvangen subsidies van het Europees Sociaal Fonds voor onder meer het project «bestrijding voortijdig schoolverlaten» verantwoord.

De uitgaven met betrekking tot dit ontvangstenartikel worden geraamd op de uitgavenartikelen 20.01, 20.03 en 20.04.

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 20.011997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 81 70778 70778 70778 70778 707 
Nieuwe mutaties – 30 000– 30 000– 30 000– 30 000– 30 000 
Stand ontwerpbegroting 199987 37751 70748 70748 70748 70748 70748 707

Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 20.0119981999200020012002   
1. Technische mutaties– 30 000– 30 000– 30 000– 30 000– 30 000   
1. Desalderingen– 30 000– 30 000– 30 000– 30 000–  30 000   
Totaal– 30 000– 30 000– 30 000– 30 000– 30 000   

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

Deze desaldering betreft de maatregel Inkoop Diensten uit de begroting van 1991. Zie voor deze post tevens het uitgaven artikel 20.01.

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de ontvangsten (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 20.01 uitgaven codering
  199719981999 econ. funct.
Teveel betaalde voorschotten beroepsonderwijs 13 04714 50411 504 43A 04.34
Teveel betaalde voorschotten educatie 31 5591 3751 375 43C 04.5
Teveel betaalde voorschotten landelijke organen 198175175 43A 04.37
Examengelden 3 4351 6531 653 16 04.30
Ontvangsten Europees Sociaal Fonds 39 13834 00034 000 43A 04.30
Totaal 87 37751 70748 707    

Beleidsterrein 21 HOGER BEROEPSONDERWIJS

Artikelen binnen beleidsterrein 21 Hoger beroepsonderwijs

kst-26200-VIII-2-24.gif

Artikel 21.01 Personele en materiële uitgaven

Algemeen

Dit artikel omvat de rijksbijdragen die de hogescholen ontvangen voor de exploitatie van de initiële opleidingen, de voortgezette opleidingen en de opleidingen op grond van de overgangsbepalingen van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW). Deze exploitatievergoeding heeft betrekking op de personele en materiële uitgaven van de hogescholen. De vergoeding voor de huisvestingslasten is opgenomen in artikel 21.05.

De kosten voor de nieuwe instroom in het wachtgeld komen rechtstreeks ten laste van dit artikel. In de toelichting bij artikel 21.03 wordt ingegaan op de wachtgelders die zijn ingestroomd voor 1 juli 1996.

Ook de aanvullende vergoeding voor de opleidingen tot leraar basisonderwijs (de zogenoemde pabo-up middelen) vormen onderdeel van dit artikel.

De berekeningswijze op grond waarvan de rijksbijdrage aan de hogescholen wordt bepaald, is volgens artikel 2.6, eerste lid, van de WHW, vastgelegd in hoofdstuk 3 van het Bekostigingsbesluit WHW.

De toekenning voor de aanvullende vergoeding voor de opleidingen tot leraar basisonderwijs (de «pabo-up») vindt vanaf 1998 plaats op basis van de Regeling aanvullende vergoeding opleidingen leraar basisonderwijs. Dit betekent dat de pabo-up niet meer automatisch wordt toegekend, maar verbonden is aan voorwaarden. In 1998 is minimaal een kwart van de pabo-up bestemd voor goedgekeurde projecten op het gebied van informatie- en communicatietechnologie; voor de daaropvolgende jaren is dit minimaal de helft. De resterende pabo-up is bestemd voor activiteiten ten behoeve van de algemene vernieuwing van het curriculum, deskundigheidsbevordering en samenwerking.

De raming van de pabo-up in 1999 bedraagt f 27 miljoen.

De bekostiging van de post-conservatoriale opleidingen voor het behalen van de aantekeningen begeleiden en kamermuziek en de pedagogisch-didactische aantekeningen op het diploma uitvoerend musicus in het muziekvakonderwijs is tot en met 1998 gecontinueerd. Met ingang van 1999 wordt het totaal van de hiervoor beschikbare middelen ingezet ten behoeve van de voortgezette opleidingen muziek. Wijzigingen in de structuur van het muziekvakonderwijs leiden per 1 januari 1999 tot een aangepaste Regeling bekostiging hoger onderwijs, waarin ook de inzet van de hiervoor bedoelde middelen is verwerkt.

Het inservice-onderwijs alsmede een aantal paramedische opleidingen zijn in 1996 en 1997 overgedragen van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Voor het inservice- onderwijs is een budget van f 9 miljoen toegevoegd aan artikel 21.01. De beschikbare middelen worden via een subsidieregeling gedurende een korte overgangsfase met het oog op de overname van (delen van) de oude door het Ministerie van VWS bekostigde opleidingen specifiek ingezet. Voor de paramedische opleidingen is een budget van f 14,2 miljoen toegevoegd aan artikel 21.01. Het voornemen is om de bekostiging van deze opleidingen op budgettair neutrale wijze onder te brengen in de reguliere bekostiging van de hogescholen. Tot die tijd vindt de bekostiging plaats op basis van de reeds eerder vastgestelde opleidingsbudgetten.

Binnen het totale budget van f 2 031,3 miljoen in 1999 is een bedrag van f 40 miljoen geraamd voor wachtgelduitgaven en een bedrag van f 7,8 miljoen voor flankerend beleid kunstvakonderwijs. Het resterende budget is bestemd voor rijksbijdragen aan hogescholen. Dit is inclusief de aanvullende vergoeding voor de lerarenopleidingen basisonderwijs, de rijksbijdrage voor de voortgezette opleidingen kunstvakonderwijs, de overgangsregeling voor het inservice-onderwijs en de paramedische opleidingen, alsmede eventuele nabetalingen op eerdere rijksbijdragen.

In het beschikbare meerjarenbudget zijn de ombuigingsmaatregelen uit het Regeerakkoord verwerkt. Dit betreft de indexering van het collegegeld, de korting voor arbeidsproductiviteitsstijging en de verlaging van de compensatie voor incidentele loonsomstijging. Deze maatregelen worden bij de mutaties toegelicht.

In het beschikbare budget is tevens de meerjarige doorwerking van eerdere loonbijstellingen verwerkt. In 1999 leidt dit tot hogere uitgaven omdat een deel van deze bijstellingen pas in de loop van 1998 zijn ingegaan. Deze eerdere loonbijstellingen betreffen de maatregelen behorende bij de CAO 1996–1998 (salarisstijging, eindejaarsuitkering, kwaliteitsbeleid en arbeidsduurverkorting), alsmede de oploop van de werkgeverspremie voor de pensioenen (het zogenoemde ABP-complex) en de aanpassing van de tegemoetkoming ziektekosten (izk). Tevens is in het meerjarenbudget de resterende vergoeding voor incidentele loonsomstijging 1999 tot en met 2003 verwerkt.

Nieuwe loonbijstellingen in 1999, alsmede de prijscompensatie voor 1999, zijn nog niet in de begroting verwerkt.

In voorgaande begrotingen is als gevolg van de afspraken over de verblijfsduur in het hbo reeds melding gemaakt van een vermindering van de normatieve exploitatievergoeding in het jaar 2001 ten gunste van het budget voor de studiefinanciering van f 23,0 miljoen.

Deze afspraken over de verblijfsduur leiden mogelijk tot een besparingsverlies op de studiefinancieringsuitgaven. Dit eventuele besparingsverlies wordt op voorhand in mindering gebracht op het hbo-budget. Vanaf het jaar 2002 bedraagt de vermindering f 68,5 miljoen per jaar. De besparing in de studiefinanciering die het directe gevolg is van inspanningen gericht op een verkorting van de gemiddelde verblijfsduur, wordt in mindering gebracht op deze vermindering van het hbo-budget.

Daarnaast is in de begroting 1997 een oplopende bezuiniging op het kunstvakonderwijs opgenomen (oplopend van f 4 miljoen in 1998 tot f 25 miljoen vanaf 2001). In de memorie van toelichting bij beleidsterrein 21 is hier nader op ingegaan.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 21.011997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 1 921 7381 996 2342 033 5552 040 1812 028 169 
Nieuwe mutaties 34 80035 01830 94431 8529 309 
Stand ontwerpbegroting 19991 905 0191 956 5382 031 2522 064 4992 072 0332 037 4782 047 205
Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 21.0119981999200020012002   
1. Technische mutaties34 80059 14461 02162 40259 054   
1. Bijstelling uit aanvullende posten42 99056 78958 29059 56454 330   
2. Overboekingen (intern)-8 1902 3552 7312 8384 724   
2. Autonome mutaties 023 00055 00052 000   
1. Leerlingen volume 023 00055 00052 000   
3. Beleidsmatige mutaties – 24 126– 53 077– 85 550– 101 745   
1. Besparingsverliezen 4 0004 000     
2. Compensatie rijksbijdrage 1997    11 500   
3. RA: arbeidsproductiviteit – 11 963– 24 329– 36 338– 48 303   
4. RA: budgettering incidenteel – 4 363– 8 848– 13 212– 17 542   
5. RA: indexatie collegegeld – 11 800– 23 900– 36 000– 47 400   
Totaal34 80035 01830 94431 8529 309   

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

De bijstelling van f 56,8 miljoen uit de aanvullende post heeft betrekking op de doorwerking van salarismaatregelen uit 1997, de wijziging van de franchise ouderdoms- en nabestaandenpensioen (op/np), de faop-premies en het seniorenbeleid. Daarnaast betreft de bijstelling vanaf 1998 de Pemba-operatie, de wijziging van de overhevelingstoeslag en pseudo-premies, de wijziging van de ABP-premies en de tegemoetkoming ziektekosten (zkoo), alsmede de prijsbijstelling 1998. Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar artikel 26.06.

In deze mutatie zijn ook de uitverdieneffecten opgenomen in verband met de bezuinigingsmaatregelen voor het kunstvakonderwijs. Dit betreft een reeks van in totaal f 50 miljoen verspreid over de periode tot en met 2004.

1.2

De interne overboeking bestaat uit de volgende mutaties:

– een overboeking van artikel 20.01 van f 9 miljoen ten behoeve van de hbo-opleidingen verpleging en verzorging, die door het Ministerie van VWS zijn overgedragen. Bij de overdracht was in eerste instantie het volledige budget geboekt ten gunste van beleidsterrein 20.

– een overboeking naar artikel 21.04 van f 3,5 miljoen voor de compensatie van het budget voor overige uitgaven. Daarnaast is in 1998 voor de financiering van de curriculumvernieuwing van de opleidingen hbo-verpleegkunde een bedrag van f 0,4 miljoen overgeboekt naar genoemd artikel.

– een overboeking naar artikel 21.03 van f 1,3 miljoen in 1998 aflopend naar f 0,7 miljoen in 2003. Dit betreft een correctieboeking op loonbijsteIlingen die eerder volledig ten gunste van artikel 21.01 zijn geboekt.

– een overboeking naar artikel 21.04 van f 1,8 miljoen voor de (mede)- financiering van het project bèta/techniek in de jaren 1998 tot en met 2001.

– een overboeking in 1998 van artikel 21.04 van f 1 miljoen ten laste van het budget internationalisering ter dekking van een besparingsverlies van die omvang op de bezuiniging kunstvakonderwijs (zie artikel 21.04).

– een overboeking van f 11 miljoen in 1998 naar artikel 21.03 ter compensatie van het wachtgeldbudget (zie artikel 21.03).

– een overboeking naar artikel 21.04 van f 0,3 miljoen voor elk van de jaren 1998 en 1999 voor de uitvoering van het beurzenprogramma kunstvakonderwijs door de Nuffic (Netherlands Universities Foundation for International Cooperation).

2.1

De hogere studentenramingen in het hbo leiden tot een verhoging van het macro-budget, zoals reeds is aangegeven in de Voorjaarsnota 1998. In 2003 bedraagt de verhoging f 49 miljoen, vanaf 2004 f 46 miljoen. Of en de mate waarin deze middelen worden ingezet voor specifieke financiële knelpunten in het hbo, zoals de lerarenopleidingen, zal worden bepaald na inventariserend overleg met de hogescholen.

3.1

In overleg met de Tweede Kamer is de korting op de rijksbijdrage voor niet EU-studenten kunstvakonderwijs beperkt tot f 3 000,– en wordt een beurzenprogramma ingesteld. Ten opzichte van de oorspronkelijk geraamde bezuiniging ontstaat een besparingsverlies van f 4 miljoen in 1999 en 2000 die is opgevangen binnen de OCenW-begroting.

3.2

In verband met de late en onvolledige vaststelling van de rijksbijdrage 1997 vindt in 1998 een herberekening plaats aan de hand van de definitieve aantallen onderwijsvragende studenten. Tevens ontvangen de hogescholen een tegemoetkoming van f 11,5 miljoen naar rato van deze herberekende rijksbijdrage. In de huidige meerjarenraming is voorzien dat deze vordering van de hogescholen niet eerder dan in 2002 kan worden uitbebetaald.

3.3

Bij de overheid is – net als in de marksector – sprake van een jaarlijkse stijging van de arbeidsproductiviteit. Deze productiviteitsstijging zal, ingevolge het Regeerakkoord, jaarlijks voor 0,55% worden afgeroomd. Deze korting op de rijksbijdrage bedraagt in het jaar 2002 dus 2,2%.

3.4

De vergoeding voor incidentele loonontwikkeling wordt in deze kabinetsperiode vastgesteld op 0,6%. In de voorgaande meerjarenbegroting was reeds een vergoeding voor incidentele loonontwikkeling verwerkt van 0,8% voor de periode 1999 tot en met 2002. Dit betekent dat de vergoeding met 0,2% per jaar wordt verlaagd.

3.5

In het Regeerakkoord is een algemene indexatie opgenomen van de eigen bijdragen van burgers voor door de overheid te leveren diensten. De collegegelden waren tot nu toe niet gekoppeld aan de algemene prijsontwikkeling maar werden stapsgewijs verhoogd, laatstelijk met f 500,– in drie stappen tot 1998. Vanaf 1999 is geen verdere collegegeldverhoging voorzien anders dan de verhoging die samenhangt met de algemene prijsontwikkeling.

Economische en functionele codering

De economische en functionele codering is 43A respectievelijk 04.44.

Artikel 21.03 Rechtspositionele uitkeringen

Algemeen

De wachtgelduitgaven zijn sinds 1993 gebudgetteerd, hetgeen betekent dat de gerealiseerde wachtgelduitgaven betaald worden uit de budgetten behorende tot het beleidsterrein hbo. Het wachtgeldbudget is complementair aan het exploitatiebudget, wat inhoudt dat eventuele over- of onderschrijdingen van het wachtgeldbudget in een begrotingsjaar verrekend worden met het exploitatiebudget (artikel 21.01).

Met ingang van 1 juli 1996 geldt voor de instroom in het wachtgeld een nieuwe verrekeningsmethodiek. De kosten voor de nieuwe instroom in het wachtgeld komen rechtstreeks ten laste van de rijksbijdragen van de hogescholen (artikel 21.01). Daarbij wordt onderscheid gemaakt in enerzijds wettelijke en anderzijds bovenwettelijke uitkeringskosten, die ontstaan naar aanleiding van een ontslag. De hogescholen dragen in dit systeem zelf de bovenwettelijke uitkeringskosten van de ontslagen die zij veroorzaken, terwijl de wettelijke uitkeringskosten gezamenlijk door het collectief van de hogescholen worden gedragen.

Aangezien de kosten voor de nieuwe instroom in het wachtgeld rechtstreeks ten laste komen van de rijksbijdrage, maken deze kosten onderdeel uit van begrotingsartikel 21.01. Op artikel 21.03 zijn alleen nog de (aflopende) kosten opgenomen van het wachtgeldbestand dat vóór 1 juli 1996 is ingestroomd.

De uitkeringen vinden plaats op grond van het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel.

Daarnaast omvat het artikel een bedrag van f 16 miljoen voor flankerend arbeidsmarktbeleid gericht op het voorkomen en terugdringen van wachtgelduitgaven.

Deze middelen worden besteed op basis van het plan van aanpak dat werkgevers en werknemers binnen de vastgestelde kaders overeenkomen. Dit is vastgelegd in het zogenaamde Convenant II uit 1993.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 21.031997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 133 000118 000105 00094 00080 000 
Nieuwe mutaties 12 2901 1451 019912776 
Stand ontwerpbegroting 1999171 980145 290119 145106 01994 91280 77668 660

Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 21.0319981999200020012002   
1. Technische mutaties12 2901 1451 019912776   
1. Overboekingen (intern)12 2901 1451 019912776   
Totaal12 2901 1451 019912776   

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

Begin 1998 heeft er ten laste van dit artikel een betaling plaatsgevonden van f 8 miljoen aan het mobiliteitsfonds ten behoeve van de financiering van de frictiepools. In diezelfde periode is ook een bedrag van f 3 miljoen ingezet voor het lopende pilot-project bij een hogeschool om dreigende ontslagen met langdurige wachtgeldgevolgen zoveel mogelijk te voorkomen. Deze betaling betreft de tweede tranche van het overeengekomen overbruggingsarrangement.

Gelet op het beschikbare budget en het geraamde uitgavenniveau van ruim f 134 miljoen voor wachtgelders die zijn ingestroomd vóór 1 juli 1996, moet er op grond van de budgetafspraken in het wachtgeldakkoord een bedrag van f 11 miljoen worden gecompenseerd ten laste van de exploitatievergoeding (zie artikel 21.01).

Indien in de loop van 1998 een tweede betaling aan het Mobiliteitsfonds noodzakelijk is, dan zal dit op dezelfde wijze worden gemuteerd.

Naast deze mutatie van f 11 miljoen in 1998 heeft er ten laste van artikel 21.01 een correctieboeking plaatsgevonden voor de loonbijstelling van f 1,3 miljoen in 1998 aflopend naar f 0,8 miljoen in 2002. Eerder was de totale loonbijstelling uit de aanvullende post bijgeboekt bij artikel 21.01.

Economische en functionele codering

De economische en functionele codering is 43A respectievelijk 04.9.

Artikel 21.04 Overige uitgaven

Algemeen

Dit artikel omvat de middelen die aan de instellingen voor hoger beroepsonderwijs worden toegekend ten behoeve van specifieke activiteiten, zoals onder meer middelen voor vernieuwing en internationalisering, techniek, samenwerkingsprojecten mbo-hbo, emancipatie-activiteiten en allochtonenbeleid. Tevens omvat dit artikel de middelen voor de stagevergoeding voor de lerarenopleidingen (f 9,1 miljoen), commissies en overige uitgaven. Voorts zijn in dit artikel opgenomen de middelen voor buitengewone uitgaven voor specifieke instellingen (f 7,1 miljoen), het Maritiem Simulator Trainings Centrum op Terschelling (f 3,6 miljoen per jaar) en de (terugbetaling van de) projectgelden HBO-Raad (f 14,1 miljoen).

De belangrijkste ontwikkelingen op dit artikel zijn:

Kwaliteit en studeerbaarheid

In 1998 hebben de hogescholen en universiteiten, voor de derde en laatste tranche van het studeerbaarheidsfonds, opnieuw projectvoorstellen ingediend. De betaling vindt deels plaats in 1999; hiervoor is f 82,8 miljoen beschikbaar. Een nadere toelichting is opgenomen in de paragraaf «beleidsterrein hbo».

Informatie- en communicatietechnologie

In het kader van het beleidsplan «Investeren in voorsprong» zijn in 1997 en 1998 activiteiten gestart voor de integratie van informatie- en communicatietechnologie in de lerarenopleidingen. Meer in het bijzonder gaat het om de uitvoering van het door de adviescommissie COMMITT voorgestelde actieprogramma «Teaching and learning for the future». In 1997 en 1998 is hiervoor 26 miljoen per jaar beschikbaar gesteld. Over de voortzetting van de activiteiten in 1999 en de daarvoor beschikbare middelen moet nog besluitvorming plaatsvinden.

Doelgroepenbeleid

Naast de zorg voor de verbetering van de toegankelijkheid in het algemeen wordt in het hbo speciaal aandacht gevestigd op de positie van allochtone studenten, de deelname van vrouwelijke studenten aan harde economische en technische opleidingen en van mannelijke studenten aan lerarenopleidingen basisonderwijs.

Een nadere toelichting is opgenomen in de paragraaf «beleidsterrein hbo».

Vernieuwing HBO

Uit het vernieuwingsfonds worden bijdragen aan projecten gefinancierd op het grensvlak van onderwijs en arbeid, die direct of indirect bijdragen aan de vernieuwing van het primaire proces in het hbo. Een daartoe ingestelde commissie vernieuwingsfonds adviseert de minister over de toekenning van de bijdragen. Het huidige arrangement loopt tot en met 1998. Over de voortzetting van het vernieuwingsfonds vanaf 1999, danwel een alternatieve wijze van ondersteuning van vernieuwingsactiviteiten, vindt nadere besluitvorming plaats. Daarbij zal in ieder geval het sectorbeleid, waaronder de lerarenopleidingen, een belangrijk aandachtspunt zijn. De komende jaren is hier gemiddeld f 7 miljoen per jaar voor gereserveerd.

Samenwerkingsprojecten mbo-hbo

Het verbeteren van de aansluiting mbo-hbo en het bevorderen van verwante doorstroomtrajecten is een belangrijke ontwikkeling in de komende jaren. In de paragraaf «beleidsterrein hbo» wordt hier nader op ingegaan. Voor de noodzakelijke landelijke en regionale activiteiten om de aansluiting te verbeteren zijn extra middelen beschikbaar. Voor mbo en hbo samen is dit f 7 miljoen in 1999, waarvan de helft is opgenomen op beleidsterrein 20 (bve) en de helft op beleidsterrein 21 (hbo).

Techniek

Voor de verbetering van de aansluiting tussen technische opleidingen en de arbeidsmarkt, zowel kwalitatief als kwantitatief, wordt door de onlangs opgerichte stichting Axis een actieplan opgesteld en uitgevoerd. In de paragraaf «beleidsterrein hbo» is dit toegelicht. Het jaarwerkplan voor 1999 wordt eind 1998 vastgesteld. De bijdrage van OCenW in 1999 is geraamd op f 5,3 miljoen.

Internationalisering

In 1999 zal verdere uitvoering worden gegeven aan de onderscheiden activiteiten in het Activiteitenprogramma onbegrensd talent, waaronder de uitvoering van enkele regelingen over de samenwerking in de EU en de samenwerking met Indonesië.

Projectgelden HBO-Raad

Bij tweede suppletoire begroting 1996 is tijdelijk een bedrag van f 31 miljoen aan liquide middelen bij de HBO-Raad onttrokken en grotendeels toegevoegd aan de exploitatievergoeding ter demping van de wachtgelduitgaven (zie ontvangsten- en uitgavenartikel 21.01). De liquide middelen zullen in de jaren na 1996 weer ter beschikking worden gesteld aan deze Raad voor de uitvoering van de projecten. Voor 1999 zal dit een bedrag zijn van f 14,1 miljoen.

Stagevergoeding

Vergoeding voor lerarenopleidingen om deze in staat te stellen een stagevergoeding uit te keren aan scholen voor basis-, voortgezet en beroepsonderwijs. Bedrag per onderwijsvragende in totaal over 4 jaar f 1 000,–. Het voorbudget 1999 is f 9,1 miljoen.

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 21.041997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 107 518139 04924 50729 10074 776 
Nieuwe mutaties – 15 372– 73 6389 0239 9454 490 
Stand ontwerpbegroting 1999269 17092 14665 41133 53039 04579 26632 090

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 21.041997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 142 612143 12747 50141 59438 594 
Nieuwe mutaties 47 66110 57710 52610 3204 865 
Stand ontwerpbegroting 1999172 183190 273153 70458 02751 91443 45943 084

Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 21.0419981999200020012002   
1. Technische mutaties42 16111 45811 14511 1425 890   
1. Bijstelling uit aanvullende posten7979161311   
2. Desalderingen6 700       
3. Overboekingen (intern)35 38211 37911 12911 1295 879   
2. Autonome mutaties5 500       
1. Diversen5 500       
3. Beleidsmatige mutaties – 881– 619– 822– 1 025   
1. RA: arbeidsproductiviteit – 646– 454– 603– 752   
2. RA: budgettering incidenteel – 235– 165– 219– 273   
Totaal47 66110 57710 52610 3204 865   

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

De totale bijstelling uit de aanvullende post heeft betrekking op de prijsbijstelling 1998. Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar artikel 26.06.

1.2

De desaldering in 1998 van f 6,7 miljoen (zie het ontvangstenartikel 21.01) heeft betrekking op de voorlopige afrekening van een aantal afgeronde projecten die de HBO-Raad in opdracht van het Ministerie van OCenW heeft uitgevoerd. Als belangrijkste worden genoemd stimulering internationalisering, plankader innovatieprojecten en nieuwe taken. De middelen zullen dit begrotingsjaar worden aangewend ter dekking van de overige uitgaven, de stagevergoeding, onderwijsemancipatie en commissies.

1.3

De interne overboeking van f 35,4 miljoen in 1998 bestaat uit de volgende mutaties:

– een overboeking van f 26 miljoen in 1998 van artikel 26.03. In het kader van «Investeren in voorsprong» is evenals vorig begrotingsjaar f 26 miljoen beschikbaar gesteld voor informatie- en communicatietechnologie lerarenopleidingen;

– een overboeking naar artikel 22.06 vanaf 1998 van f 0,1 miljoen in verband met de medefinanciering van de Landelijke Studentenvakbond;

– een structurele overboeking van de artikelen 18.01 (f 0,3 miljoen), 19.05 (f 0,2 miljoen), 20.03 (f 0,1 miljoen) en 22.03 (f 0,9 miljoen) als bijdrage in de dekking van de kosten voor de stagevergoeding aan lerarenopleidingen;

– een overboeking van artikel 20.03 voor de jaren 1998 tot en met 2002 van f 0,4 miljoen als bijdrage in de exploitatiekosten van het Maritiem Simulatortrainingscentrum in Terschelling;

– een overboeking van artikel 21.01 van f 3,5 miljoen. Gelet op onder meer de in de jaren tot en met 1997 aangegane (meerjarige) verplichtingen dient de omvang van de onverplichte ruimte van het budget voor overige uitgaven – binnen het gelijknamige artikel – op een adequaat niveau te worden gebracht. Derhalve is een bedrag van f 3,5 miljoen gecompenseerd ten laste van de normatieve exploitatievergoeding. Daarnaast is in 1998 een bedrag van f 0,4 miljoen geboekt ten laste van artikel 21.01 (zie de toelichting bij artikel 21.01) voor curriculumvernieuwing hbo-verpleegkunde; dit bedrag was in 1997 toegevoegd aan artikel 21.01;

– een overboeking van artikel 20.03, 21.01 en 22.06 van elk f 1,8 miljoen voor de medefinanciering van het project bèta/techniek gedurende de jaren 1998 tot en met 2001;

– een overboeking naar artikel 21.01 van f 1 miljoen in 1998 ten laste van het budget voor internationalisering ter dekking van een besparingsverlies van die omvang op de bezuiniging kunstvakonderwijs;

– een overboeking van artikel 21.01 van f 0,3 miljoen voor elk van de jaren 1998 en 1999 voor de uitvoering van het beurzenprogramma kunstvakonderwijs door de Nuffic;

– een overboeking naar artikel 22.06 van f 54 000 in 1998 en f 28 000,– vanaf 1999 als bijdrage in de financiering van het Informatiecentrum Richtlijnen Algemeen Stelsel;

– een overboeking in 1998 van f 0,6 miljoen naar artikel 22.03 als bijdrage in de dekking van de toenemende kosten van het Universitair Asielfonds;

– een overboeking naar beleidsterrein 21 van f 0,7 miljoen vanaf 1998 uit de centrale middelen voor emancipatie.

2.1

In de slotwet 1997 is een autonome verlaging verwerkt van f 5,5 miljoen omdat in dat uitvoeringsjaar een aantal projecten in het kader van internationale structurele samenwerking, export hoger onderwijs en grenslanden (totaal f 4,3 miljoen) enerzijds en projecten voor de leraar-in-opleiding (totaal f 1,2 miljoen) anderzijds niet is toegekend. Om deze projecten in het begrotingsjaar 1998 alsnog te kunnen toekennen, is voor het begrotingsjaar 1998 een verhoging van eveneens f 5,5 miljoen opgenomen.

3.1 en 3.2

De jaarlijkse stijging van de arbeidsproductiviteit zal, ingevolge het Regeerakkoord, jaarlijks met 0,55% worden afgeroomd. Tevens zal de vergoeding voor de incidentele looncomponent beperkt worden tot 0,6%. Beide uitgavenbeperkingen uit het regeerakkoord zijn toegelicht bij artikel 21.01.

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 21.04 verplichtingen uitgaven codering
  199719981999 199719981999 econ. funct.
Overige uitgaven 267 97090 94664 211 170 983189 073152 504 43A 04.44
Internationale samenwerking 1 2001 2001 200 1 2001 2001 200 43A 01.5
Totaal 269 17092 14665 411 172 183190 273153 704    

Artikel 21.05 Huisvesting

Algemeen

Dit artikel omvat de huisvestingsvergoeding voor de hogescholen. Deze vergoeding is complementair aan de vergoeding voor personele en materiële lasten (zie artikel 21.01). De huisvestingsvergoeding is een uitvloeisel van de decentralisatie van de huisvestings- en bestedingsbeslissingen naar de hogescholen per 1 januari 1994. Vanaf deze datum ontvangen de hogescholen, net als voor de personele en materiële lasten, een normatieve vergoeding voor de huisvestingslasten.

De wettelijke grondslag van dit artikel is het Bekostigingsbesluit WHW.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 21.051997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 366 182366 182366 182366 182366 182 
Nieuwe mutaties 1 6451 6451 6451 6451 645 
Stand ontwerpbegroting 1999366 165367 827367 827367 827367 827367 827367 827

Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 21.0519981999200020012002   
1. Technische mutaties1 6451 6451 6451 6451 645   
1. Bijstelling uit aanvullende posten1 6451 6451 6451 6451 645   
Totaal1 6451 6451 6451 6451 645   

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

De bijstelling uit de aanvullende post betreft de prijscompensatie 1998.

Tezamen met de decentralisatie van de huisvesting zijn de uitstaande bouwleningen aan de betreffende hogescholen overgedragen. In de gevallen waarin deze leningen onder rijksgarantie waren afgesloten, blijft deze garantie gedurende de resterende looptijd van kracht (zie onderstaand overzicht). Op nieuw aan te gane leningen wordt geen rijksgarantie verstrekt.

Overzicht risico-ontwikkeling met betrekking tot garantieovereenkomsten van het Rijk (x f 1 000)
 1997199819992000200120022003
Garantieplafond0000000
Uitstaand risico per 1 januari41 86735 54430 51526 48223 05319 93016 931
Vervallen of te vervallen garanties– 6 323– 5 029– 4 033– 3 429– 3 123– 2 999– 2 907
Verleende of te verlenen garanties0000000
Uitstaand risico per 31 december35 54430 51526 48223 05319 93016 93114 024

Economische en functionele codering

De economische en functionele codering is 43A respectievelijk 04.44.

Artikel 21.01 Ontvangsten hoger beroepsonderwijs

Algemeen

Dit artikel betreft de ontvangsten voor het beleidsterrein hoger beroepsonderwijs. Een gering deel heeft betrekking op de geraamde ontvangsten als gevolg van de afwikkeling van de jaarrekeningen van hogescholen. Het restant (ruim f 5 miljoen) betreft de raming van ontvangsten voor teveel betaalde uitkeringen.

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 21.011997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 6 0045 2045 2045 2045 204 
Nieuwe mutaties 8 700  
Stand ontwerpbegroting 19994 68814 7045 2045 2045 2045 2045 204

Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 21.0119981999200020012002   
1. Technische mutaties6 700       
1. Desalderingen6 700       
2. Autonome mutaties2 000       
1. Afrekeningen2 000  
Totaal8 700       

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

De desaldering van f 6,7 miljoen heeft betrekking op de voorlopige afrekening van een aantal afgeronde projecten die de HBO-Raad in opdracht van het ministerie van OCenW heeft uitgevoerd. Deze middelen zullen in het begrotingsjaar 1998 opnieuw worden ingezet ter financiering van diverse projecten (zie uitgavenartikel 21.04).

2.1

Deze mutatie heeft betrekking op een verrekening van een te hoog berekende premie voor invaliditeitsuitkeringen, waarvan de financiering per 1 januari 1995 is ondergebracht bij het Fonds Arbeidsongeschiktheidsverzekering Overheidspersoneel.

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de ontvangsten (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 21.01 ontvangsten ontvangsten codering
  199719981999 econ. funct.
Ontvangsten jaarrekeningen hogescholen 1 87483838 43A 04.44
Overige ontvangsten 2 81413 8665 166 43A 04.9
Ontvangsten internationale samenwerking 000 43A 01.5
Totaal 4 68814 7045 204    

Beleidsterrein 22 WETENSCHAPPELIJK ONDERWIJS

Artikelen binnen beleidsterrein 22 Wetenschappelijk onderwijs

kst-26200-VIII-2-25.gif

Artikel 22.01 Universiteiten

Algemeen

Op dit artikel zijn de verwachte uitgaven geraamd voor de universiteiten en academische ziekenhuizen als bedoeld in de onderdelen a, b en i van de bijlage behorende bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW), uitgezonderd de openbare universiteit te Wageningen.

Universiteiten

Volgens artikel 1.3 van de WHW hebben de universiteiten tot taak het verzorgen van wetenschappelijk onderwijs en het verrichten van wetenschappelijk onderzoek. Op grond van de WHW hebben de universiteiten aanspraak op bekostiging door de overheid.

De berekeningswijze op grond waarvan de rijksbijdrage aan de universiteiten wordt bepaald, is volgens artikel 2.6, eerste lid, van de WHW, vastgelegd in hoofdstuk 2 van het Bekostigingsbesluit WHW.

In het landelijk beschikbare budget voor universiteiten zijn verhogingen begrepen in verband met de uitbreiding van de capaciteit eerstejaars studenten voor geneeskunde en tandheelkunde en voor het met de Vereniging Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU) gesloten convenant om de deelname aan de universitaire lerarenopleidingen (ulo) te vergroten. Voor de uitvoering van het ulo-convenant wordt in de periode tot 2005 – in relatie tot het aantal opgeleide leraren – f 6,4 miljoen extra gereserveerd.

De op het beleidsterrein in te vullen taakstellingen hebben gevolgen voor het landelijk beschikbare budget voor de universiteiten. Deze bezuinigingen worden naar evenredigheid over de Rijksbijdrage aan de universiteiten (onderwijs-, verwevenheids- en onderzoeksdeel, deel academische ziekenhuizen) en de overige instituten hoger onderwijs verdeeld, met uitzondering van de taakstelling op de incidentele looncomponent, die niet aan het deel academische ziekenhuizen wordt toegekend. Daarnaast hebben de universiteiten extra inkomsten als gevolg van de jaarlijkse indexering van de collegegelden. Deze lopen op van f 6,9 miljoen in 1999 tot f 27,7 miljoen structureel. Deze extra inkomsten worden in mindering gebracht op de rijksbijdrage aan de universiteiten.

In het landelijk beschikbare budget is de meerjarige doorwerking van eerdere loonbijstellingen verwerkt. In 1999 leidt dit tot hogere uitgaven omdat een deel van deze bijstellingen pas in de loop van 1998 zijn ingegaan. Deze eerdere bijstellingen betreffen de maatregelen uit hoofde van de CAO sector O&W 1996–1998 (salarisverhoging, eindejaarsuitkering, kwaliteitsbeleid en arbeidsduurverkorting) alsmede de oploop van de werkgeverspremie voor de pensioenen (het zogeheten ABP-complex) en de aanpassing van de tegemoetkoming in de ziektekosten (ZKOO). Tevens is in het meerjarenbudget de resterende vergoeding voor incidentele loonsomstijging 1999 tot en met 2003 verwerkt.

Academische ziekenhuizen

Het budget «academische ziekenhuizen» maakt onderdeel uit van de rijksbijdrage van de universiteiten, en is conform de in de WHW (artikel 1.4) verankerde taak bedoeld voor het wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en onderzoek aan de universiteiten waaraan zij zijn verbonden.

Overig

Op artikel 22.01 zijn naast de hiervoor genoemde bedragen onder meer middelen geraamd voor liquiditeitsbijstelling, technische bijstellingen op het gebied van de arbeidsvoorwaarden en herstructureringsmiddelen wetenschappelijk onderzoek.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
Artikel 22.011997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 5 018 9745 146 8265 209 5245 227 1135 211 373 
Nieuwe mutaties 84 72566 94742 92513 402– 15 476 
Stand ontwerp-begroting 19994 920 1815 103 6995 213 7735 252 4495 240 5155 195 8975 175 172
Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 22.01 19981999200020012002 
1. Technische mutaties 84 725100 043101 049100 719100 541 
1. Bijstelling uit aanvullende posten 91 047106 240104 758104 434104 267 
2. Overboekingen (intern) – 6 322– 6 197– 3 709– 3 715– 3 726 
2. Autonome mutaties  – 800– 800– 800– 800 
1. Diversen  – 800– 800– 800– 800 
3. Beleidsmatige mutaties  – 32 296– 57 324– 86 517– 115 217 
1. Ophoging numerus fixus   7 00010 00013 000 
2. RA: arbeidsproductiviteit  – 18 653– 37 329– 56 055– 73 988 
3. RA: budgettering incidenteel  – 6 743– 13 495– 20 262– 26 729 
4. RA: indexatie collegegeld  – 6 900– 13 500– 20 200– 27 500 
Totaal 84 72566 94742 92513 402– 15 476 

Toelichting op de nieuwe mutaties:

1.1

Deze reeks betreft de bijstelling als gevolg van salarismaatregelen 1998, waaronder de CAO sector O&W 1996–1998 en de prijsmaatregelen 1998.

1.2

De interne overboekingen hebben betrekking op:

– overboekingen binnen beleidsterrein 22 als gevolg van ontvangen middelen voor salarismaatregelen (CAO sector O&W 1996–1998);

– een overboeking naar artikel 22.06 ter compensatie voor de ophoging in 1998 en 1999 van het budget «Stimulering internationalisering».

2.1

Verlaging uitgavenartikel 22.01 ter compensatie van de lagere ontvangstenraming.

3.1

Bijstelling van de meerjarenraming als gevolg van de verhoging van de capaciteit eerstejaars studenten voor geneeskunde en tandheelkunde.

3.2.

Bij de overheid is – net als in de marktsector – sprake van een jaarlijkse stijging van de arbeidsproductiviteit. Deze productiviteitsstijging zal, ingevolge het Regeerakkoord, jaarlijks voor 0,55% worden afgeroomd. Deze korting op de rijksbijdrage bedraagt in het jaar 2002 dus 2,2%.

3.3.

De vergoeding voor incidentele loonontwikkeling wordt in deze kabinetsperiode vastgesteld op 0,6%. In de voorgaande meerjarenbegroting was reeds een vergoeding voor incidentele loonontwikkeling verwerkt van 0,8% in de periode 1999 tot en met 2002. Dit betekent dat de vergoeding met 0,2% per jaar wordt verlaagd.

3.4.

In het Regeerakkoord is een algemene indexatie opgenomen van de eigen bijdragen van burgers voor door de overheid te leveren diensten. De collegegelden waren tot nu toe niet gekoppeld aan de algemene prijsontwikkeling, maar werden stapsgewijs verhoogd, laatstelijk met f 500,- in drie stappen tot 1998. Vanaf 1999 is geen verdere collegegeldverhoging voorzien anders dan de verhoging die samenhangt met de algemene prijsontwikkeling.

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 22.01 verplichtingen uitgaven codering
  199719981999 199719981999 econ. funct.
Universiteiten  nvt  4 112 1294 244 2364 328 482 43A 04.43
Academische ziekenhuizen     808 052859 463885 291 43A 04.6
Totaal 000 4 920 1815 103 6995 213 773    

Artikel 22.02 Instituten internationaal onderwijs en onderzoek

Algemeen

Op dit artikel zijn de verwachte uitgaven geraamd voor de instituten voor internationaal onderwijs en onderzoek:

– Stichting Nederlandse Organisatie voor Internationale samenwerking in het Hoger Onderwijs (NUFFIC);

– International Institute for Infrastructural, Hydraulic and Environmental Engineering (IHE);

– Institute for Housing and Urban Development Studies (IHS);

– Stichting Maastricht School of Management (RVB/MSM);

– Institute of Social Studies (ISS);

– Internationaal Instituut voor Lucht- en Ruimtekaartering en Aardkunde (ITC);

– Stichting Afrika Studiecentrum (ASC);

– United Nations University Maastricht (UNU).

Op de uitgaven voor 1999 van de instituten voor internationaal onderwijs en onderzoek zijn subsidievoorwaarden van toepassing.

In 1997 was voor de NUFFIC als eerste instelling onder dit artikel een budgetreeks aan de subsidie toegevoegd op het gebied van uitkeringen na ontslag. Met ingang van 1 januari 1998 zijn eveneens budgetreeksen op dit gebied aan de subsidies van het IHE, het ISS, het ITC en het ASC toegevoegd (zie ook de toelichting bij artikel 22.04).

In mei 1998 vond de evaluatie plaats van de in 1994 in gang gezette samenwerking tussen de vijf instituten voor internationaal onderwijs en onderzoek (IHE, IHS, RVB/MSM, ISS en ITC) en de Landbouwuniversiteit Wageningen, genaamd SAIL (Samenwerkingsverband Instituten internationaal onderwijs en LUW). Tegelijkertijd was de financiering van programma's en instituten op het gebied van internationaal onderwijs onderwerp van interdepartementaal beleidsonderzoek onder regie van het ministerie van Financiën. De resultaten van de onderzoeksrapporten zijn inmiddels aan het Kabinet voorgelegd. Dit zal in 1999 niet tot wijziging van de budgetten leiden. Op het artikel zal, voor de uitgaven die niet worden toegerekend aan de Homogene Groep Internationale Samenwerking, een korting worden aangebracht als uitvloeisel van de taakstellingen uit het Regeerakkoord. Deze taakstelling, die structureel f 0,8 miljoen bedraagt en naar ratio over de instellingen wordt verdeeld, zal bij Voorjaarsnota 1999 worden geëffectueerd.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
Artikel 22.021997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 95 80995 10595 39295 56395 563 
Nieuwe mutaties 1 7395 6515 2664 8734 173 
Stand ontwerp-begroting 1999100 64797 548100 756100 658100 43699 73699 736
Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 22.0219981999200020012002   
1. Technische mutaties1 7395 6515 2664 8734 173   
1. Bijstelling uit aanvullende posten1313131313   
2. Overboekingen (extern)1 6541 6671 6821 6901 690   
3. Overboekingen (intern)723 9713 5713 1702 470   
Totaal1 7395 6515 2664 8734 173   

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

Deze reeks betreft de prijsbijstelling 1998.

1.2

Dit is een overboeking van het Ministerie van Buitenlandse Zaken door bijstellingen van de subsidies als gevolg van salarismaatregelen, incidentele looncomponent en prijsbijstelling 1997.

1.3

Dit is het saldo van diverse mutaties binnen beleidsterrein 22, waaronder de toevoeging van budgetreeksen op het gebied van uitkeringen na ontslag ten laste van artikel 22.04.

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 22.02 verplichtingen uitgaven codering
  199719981999 199719981999 econ. funct.
Nederlandse Organisatie voor Internationale samenwerking in het Hoger Onderwijs (NUFFIC)     17 79114 31013 316 43A 04.43
International Institute for Infrastructural, Hydraulic and Environmental Engineering (IHE)     14 25614 29214 740 43A 04.43
Institute for Housing and Urban Development Studies (IHS)     4 3214 3324 348 43A 04.43
Stichting Maastricht School of Management (RVB/MSM)  nvt  3 9223 9333 949 43A 04.43
Institute of Social Studies (ISS)     15 91815 96717 029 43A 04.43
Internationaal Instituut voor Lucht- en Ruimtekaartering en Aardkunde (ITC)     38 54538 64640 982 43A 04.43
Stichting Afrika Studiecentrum (ASC)     4 6144 6294 947 43A 04.43
United Nations University     1 2801 2851 290 43A 04.43
Overige      154155 43A 04.43
Totaal1     100 64797 548100 756    

1 Hierin is begrepen voor Internationale Samenwerking:87 12187 37887 717

Artikel 22.03 Overige instituten hoger onderwijs

Algemeen

Op dit artikel zijn de verwachte uitgaven geraamd voor de volgende instituten en activiteiten:

– Open Universiteit Nederland

– Universiteit voor Humanistiek

– Katholieke Theologische Faculteit Tilburg

– Katholieke Theologische Universiteit Utrecht

– Katholieke Theologische Universiteit Nijmegen

– Theologische Universiteit der Gereformeerde Kerken in Nederland (Kampen)

– Theologische Universiteit der Christelijke Gereformeerde Kerken (Apeldoorn)

– Nederlandse Hervormde Kerk

– Evangelisch-Lutherse Kerk

– Remonstrantse Broederschap

– Algemene Doopsgezinde Sociëteit

– Unie van Baptisten Gemeenten in Nederland

– Oud Katholieke Kerk

– Bond van Vrije Evangelische Gemeenten in Nederland

– Nederlands-Israëlitisch Genootschap

– Europees Universitair Instituut Florence

– Nederlandse deelneming aan studiecentra en commissies van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO)

– Nederlands Vlaams Instituut Caïro

– Japan-Nederland Instituut

– Netherlands America Commission for Educational Exchange (NACEE)

– Stichting Handicap en Studie

– Stichting UAF Steunpunt (SUS) / UAF (Universitair Asiel Fonds)

– Liaison Comité

– Interstedelijk Studentenoverleg

– Landelijke Studenten Vakbond

De volgende wettelijke regelingen zijn van toepassing op de bekostiging van de instellingen van hoger en postacademisch onderwijs:

– voor de Open Universiteit Nederland de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, Stb. 1992, 593;

– voor de theologische opleidingen en voor de opleidingen vanwege kerkgenootschappen de nog gehandhaafde bepalingen uit de Wet op het wetenschappelijk onderwijs 1960, zoals gewijzigd bij Wet van 23 december 1988, Stb. 682, Rijksbijdrage wetenschappelijk theologisch en levensbeschouwelijk onderwijs.

Daarnaast is ook een aantal subsidies en bijdragen aan instellingen en commissies opgenomen die inhoudelijk nauw verwant zijn aan de onder artikel 22.03 vallende activiteiten.

Open Universiteit Nederland

De wijze waarop de rijksbijdrage aan de Open Universiteit Nederland wordt berekend, is neergelegd in hoofdstuk 4 van het Bekostigingsbesluit ter uitvoering van artikel 2.6 van de WHW. Het totaalbudget is als volgt samengesteld (bedragen in miljoenen guldens en gebaseerd op het salarisniveau per 1 december 1998 en het prijsniveau 1997):

– Basisvoorziening 57,1

– Prestatiegebonden deel 14,3

– Wachtgelden 1,2

– Investeringen 1,0

– Totaal 73,6

Universiteit voor Humanistiek en theologische opleidingen

De bekostiging van de Universiteit voor Humanistiek en de theologische opleidingen is gebaseerd op een overgangsmodel dat met de betrokken kerkgenootschappen en de Universiteit voor Humanistiek was overeengekomen. Voor het jaar 1999 wordt de uitkomst constant gehouden op het niveau 1998.

Ambtsopleidingen kerkgenootschappen

De bekostiging van de ambtsopleidingen van een aantal kerkgenootschappen verloopt deels via reguliere middelentoewijzing aan openbare universiteiten. Het restant wordt rechtstreeks aan de betrokken kerkgenootschappen toegekend. Met de Nederlandse Hervormde Kerk is een convenant gesloten over de bekostiging van de ambtsopleiding.

Deelname aan internationale instellingen

De bekostiging van de NACEE is gebaseerd op de Fulbrightovereenkomst van 1949 tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika. Ook de bijdragen aan de OESO en het Europees Universitair Instituut Florence zijn gebaseerd op internationale afspraken.

De subsidies aan het Nederlands Vlaams Instituut te Caïro en het Japan-Nederland Instituut worden via de Rijksuniversiteit Leiden verstrekt. Op deze instituten zijn subsidievoorwaarden van toepassing.

Stichting UAF Steunpunt (SUS) / UAF (Universitair Asiel Fonds)

Bij het opstellen van de meerjarenramingen van het UAF is van een stabilisatie in studentenaantallen uitgegaan. Het aantal vluchteling-studenten dat echter een beroep doet op de SUS-regeling (WSF voor de leeftijd 27–30 jaar en tegemoetkoming studiekosten voor deeltijdstudenten) stijgt fors. Daarom is het budget voor het UAF in ieder geval vanaf 1999 structureel verhoogd met een bedrag van f 1 miljoen.

Interstedelijk Studentenoverleg (ISO) en Landelijke Studenten Vakbond (LSVb)

Met de ISO en de LSVb wordt jaarlijks overleg gevoerd over de hoogte van het budget dat betrekking heeft op de activiteiten van ISO en LSVb gericht op het verbeteren van de kwaliteit van het hoger onderwijs. Van het bedrag dat maximaal beschikbaar is voor beide organisaties, is een klein gedeelte (circa f 25 000,–) bedoeld als reguliere subsidie ter bestrijding van de kosten van de organisatie en de reiskosten van vrijwilligers en kaderleden.

Uitkeringen na ontslag

In 1994 is voor de Open Universiteit Nederland als eerste instelling onder dit artikelnummer een budgetreeks op het gebied van uitkeringen na ontslag aan de rijksbijdrage toegevoegd.

Met ingang van 1 januari 1998 zijn nu ook budgetreeksen voor het betalen van de kosten van uitkeringen na ontslag aan de subsidies van de Universiteit voor Humanistiek en de Theologische Universiteit der Gereformeerde kerken in Nederland toegevoegd (zie ook de toelichting bij artikel 22.04).

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
Artikel 22.031997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 127 450127 507128 542129 369130 169 
Nieuwe mutaties 1 1203 4932 8902 3771 892 
Stand ontwerp-begroting 1999125 946128 570131 000131 432131 746132 061132 861
Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 22.0319981999200020012002  
1. Technische mutaties1 1204 0123 9273 9353 947   
1. Bijstelling uit aanvullende posten1 1091 1091 1101 1111 112   
2. Overboekingen (intern)112 9032 8172 8242 835   
3. Beleidsmatige mutaties – 519– 1 037– 1 558– 2 055   
1. RA: arbeidsproductiviteit   – 381– 762– 1 144– 1 510   
2. RA: budgettering incidenteel – 138– 275– 414– 545  
Totaal1 1203 4932 8902 3771 892   

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

Deze reeks betreft de verhoging van de subsidie voor het Universitair Asiel Fonds en de prijsbijstelling 1998.

1.2

De interne overboekingen hebben betrekking op:

– overboeking naar beleidsterrein 21 van f 832 000,– per jaar in verband met de stagevergoeding lerarenopleidingen;

– overboeking van beleidsterrein 21 van f 642 000,– in verband met de verhoging van de subsidie voor het Universitair Asiel Fonds in 1998;

– saldo van diverse mutaties binnen beleidsterrein 22, waaronder de toevoeging van budgetreeksen op het gebied van uitkeringen na ontslag ten laste van artikel 22.04.

3.1.

Voor deze maatregel wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 22.01.

3.2.

Voor deze maatregel wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 22.01.

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 22.03 verplichtingen uitgaven codering
  199719981999 199719981999 econ. funct.
Open Universiteit Nederland     72 80073 52573 602 43A 04.43
Universiteit voor Humanistiek     5 9616 0976 513 43A 04.43
Katholieke instellingen wetenschappelijk theologisch onderwijs     21 69722 19522 626 43A 443
Theologische universiteit der Gereformeerde Kerken in Nederland     7 1537 3177 657 43A 443
Theologische universiteit der Christelijke Gereformeerde Kerken     1 0301 0521 074 43A 443
Nederlandse Hervormde Kerk     6 0086 0736 190 43A 04.43
Evangelisch-Lutherse Kerk     250257264 43A 04.43
Remonstrantse Broederschap     136140143 43A 04.43
Algemene Doopsgezinde Sociëteit     117120124 43A 04.43
Unie van Baptisten Gemeenten in Nederland  nvt  135139142 43A 04.43
Oud Katholieke Kerk     135139142 43A 04.43
Bond van Vrije Evangelische Gemeenten in Nederland     135139142 43A 04.43
Nederlands-Israëlitisch Genootschap     240245253 43A 04.43
Europees Universitair Instituut Florence     1 8492 3242 423 43G 04.40
Von Karman Instituut Brussel     33500 43G 04.40
Nederlandse deelneming aan studiecentra en commissies van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO)     130155155 43A 04.40
Nederlands Vlaams Instituut Caïro     140140140 43A 04.40
Japan-Nederland Instituut     195195195 43A 04.40
Netherlands America Commission for educational exchange     850850850 43A 04.40
Stichting Handicap en Studie     644658673 43A 04.40
Stichting UAF Steunpunt (SUS)/UAF (Universitair Asiel Fonds)     5 5256 5375 279 43A 04.40
Liaison Comité     151616 43A 04.40
Interstedelijk Studentenoverleg     181181181 43A 04.40
Landelijke Studenten Vakbond     285200200 43A 04.40
Overige      – 1242 016 43A 04.40
Totaal     125 946128 570131 000    

Artikel 22.04 Rechtspositionele uitkeringen

Algemeen

Na budgettering van de kosten van uitkeringen na ontslag voor de universiteiten en academische ziekenhuizen (1 januari 1991), de Open Universiteit Nederland (1 januari 1994) en de Stichting Nederlandse Organisatie voor Internationale samenwerking in het Hoger Onderwijs NUFFIC (1 januari 1997), zijn met ingang van 1 januari 1998 deze uitgaven ook voor zes zogenoemde overige instellingen voor wetenschappelijk onderwijs gebudgetteerd. Daarmee zijn de instellingen zelf verantwoordelijk voor de financiering van deze uitgaven binnen hun totale subsidie.

Behalve de drie Katholieke instellingen voor wetenschappelijk theologisch onderwijs (KIWTO's, Katholieke Theologische Universiteit Utrecht, Theologische Faculteit Tilburg en Faculteit der Godgeleerdheid bij de Katholieke Universiteit Nijmegen) zijn nu alle instellingen voor wetenschappelijk onderwijs gebudgetteerd, voor zover het Besluit werkloosheid onderwijs-en onderzoekpersoneel (BWOO) op (het personeel van) die instellingen van toepassing is.

De budgetreeks voor de KIWTO's zal pas in de uitvoering van de begroting 1999 aan de subsidies (artikel 22.03) worden toegevoegd omdat thans de verdeling over de drie instellingen nog niet bekend is.

Ten laste van dit begrotingsartikel worden nog de kosten van oude ontslaguitkeringsrechten betaald van ex-personeel van niet meer of niet meer rechtstreeks door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen gesubsidieerde instellingen.

Daarnaast komen ten laste van dit artikel onder andere ook nog de kosten van pensioenrechten van kerkelijke hoogleraren.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
Artikel 22.041997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 17 77617 75917 71117 71917 719 
Nieuwe mutaties – 2 095– 3 962– 3 464– 3 064– 2 364 
Stand ontwerp-begroting 19999 78315 68113 79714 24714 65515 35515 355
Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 22.0419981999200020012002  
1. Technische mutaties– 2 095– 3 962– 3 464– 3 064– 2 364   
1. Overboekingen (intern)– 2 095– 3 962– 3 464– 3 064– 2 364  
Totaal– 2 095– 3 962– 3 464– 3 064– 2 364   

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

Saldo van diverse mutaties binnen beleidsterrein 22, waaronder de toevoeging van budgetreeksen op het gebied van uitkeringen na ontslag ten gunste van de artikelen 22.02 en 22.03

Economische en functionele codering

De economische en functionele codering is 43A respectievelijk 04.43.

Artikel 22.05 Garantie voor rente en aflossing investeringen academische ziekenhuizen

Op dit artikel worden de verplichtingen van het Rijk geraamd voor garanties op leningen van investeringen in ruimtelijke voorzieningen van academische ziekenhuizen.

De garanties zijn aangegaan in de periode dat de Garantieregeling academische ziekenhuizen 1987 van kracht was. De regeling is met ingang van 15 april 1991 ingetrokken.

Overzicht risico-ontwikkeling met betrekking tot garantieovereenkomsten van het Rijk (x f 1000)
 1997199819992000200120022003
Garantieplafond0000000
Uitstaand risico per 1 januari1 244 8391 205 0821 168 0491 131 2321 094 5231 057 9621 021 765
vervallen of te vervallen garanties– 39 757– 37 033– 36 817– 36 709– 36 561– 36 197– 35 888
verleende of te verlenen garanties  
uitstaand risico per 31 december1 205 0821 168 0491 131 2321 094 5231 057 9621 021 765985 877

Economische en functionele codering

De economische en functionele code is 63A respectievelijk 04.6.

Artikel 22.06 Overige uitgaven

De op dit artikel geraamde bedragen kunnen als volgt worden gespecificeerd (in miljoenen guldens).

 
 1997199819992000200120022003
1. Universiteiten en academische ziekenhuizen       
a. Studeerbaarheidsfonds56,056,055,5    
b. Jonge hoogleraren10,010,010,010,0   
c. Adviseurs0,21,00,10,10,10,10,1
d. Ontwikkelingsgeneeskunde2,24,0     
e. Innovatiebudget wo5,03,38,38,38,3  
f. Overige uitgaven6,35,12,32,32,39,69,6
Totaal 179,779,476,220,710,79,79,7
2. Overige instellingen van wetenschappelijkonderwijs en onderzoek       
a. Diverse instituten/commissies0,10,10,60,60,60,60,6
b. Stimulering internationalisering7,79,45,84,16,39,09,0
c. Beurzen en toelagen0,71,01,01,01,01,01,0
Totaal 28,510,57,45,77,910,610,6
Totaal-Generaal88,289,983,626,418,620,320,3

Ter toelichting dient het volgende.

1.a Studeerbaarheidsfonds

De hier opgenomen middelen dienen voor verdere ondersteuning van projecten gericht op verbetering van kwaliteit en studeerbaarheid.

1.b Jonge hoogleraren

Het betreft hier middelen voor de tijdelijke stimuleringsregeling voor aanstelling van jonge hoogleraren, uit te voeren door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO).

Eind 1997 is de procedure gestart voor het toekennen van plaatsen op het terrein der geesteswetenschappen. Voor het derde en vierde jaar van de regeling is gekozen voor drie disciplines: psychologie en pedagogiek, biologie en werktuigbouwkunde.

1.c Adviseurs

Dit budget dient ter dekking van de kosten voor adviseurs, die adviseren over voorgestelde en in uitvoering zijnde investeringsprojecten van academische ziekenhuizen en die worden ingeschakeld voor incidentele onderzoeken.

1.d Ontwikkelingsgeneeskunde

Met ingang van 1999 is de directe financiële bijdrage ten laste van de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen aan het programma ontwikkelingsgeneeskunde beëindigd. Dit vindt in belangrijke mate plaats bij de academische ziekenhuizen.

1.e Innovatiebudget wo

In de ontwerp-begroting 1998 is aangekondigd dat voor een aantal actuele beleidsprioriteiten een innovatiebudget wo zou worden ingericht, waaruit snel en op maat nieuwe ontwikkelingen kunnen worden gestimuleerd. Om de bijdrage van het innovatiebudget aan de beleidsontwikkeling optimaal te laten zijn, zal de inzet van dit budget meerjarig worden vastgelegd. Uit het innovatiebudget worden in elk geval de volgende activiteiten gesubsidieerd:

dualisering

Hierbij gaat het om de uitvoering van de ministeriële regeling stimulering experimenten duale opleidingen wo, waarin f 11,8 miljoen is opgenomen voor dergelijke experimenten (1998 f 2,8, 1999 f 4,5 en 2000 f 4,5 miljoen).

aansluiting tussen vwo en wo

Voor de periode 1999–2001 ontvangen universiteiten hiervoor jaarlijks f 0,2 miljoen, onder voorwaarde dat zij een even grote eigen bijdrage leveren.

1.f Overige uitgaven

De geraamde budgetten zijn onder meer voor onvoorziene gebeurtenissen en risico's in het veld van wetenschappelijk onderwijs en onderzoek.

Tevens is in deze budgetten een bedrag van f 0,2 miljoen voorzien voor de financiering van schade van een grote omvang als gevolg van brand, storm en dergelijke voor de aangewezen instellingen van wetenschappelijk onderwijs en een bedrag van f 0,3 miljoen voor lasten van rente en afschrijving bij academische ziekenhuizen.

2.a Diverse instituten en commissies

Dit budget betreft de kosten van het ingevolge artikel 7.64 van de WHW ingestelde College van Beroep.

2.b Stimulering internationalisering

Deze middelen dienen ervoor om door middel van gerichte stimuleringssubsidies de internationale positie van Nederland en het Nederlands wetenschappelijk onderwijs verder te versterken.

Hiertoe behoren onder meer de volgende activiteiten:

– Japan prijswinnaarsprogramma (een programma om de kennis over Japan bij leidinggevenden in het bedrijfsleven te stimuleren): f 1,3 miljoen;

– grenslandenbeleid in het kader van de Regeling stimulering grensoverschrijdende samenwerking hoger onderwijs 1997–2000: f 3,3 miljoen in 1999 en f 3,0 miljoen in 2000;

– DUO-fellowship-programma met Noordrijnland-Westfalen: f 150 000,– per jaar gedurende de periode 1998–2000;

– «export ho» in het kader van de Stimuleringsregeling aantrekken buitenlandse studenten 1997–2000: f 1,3 miljoen per jaar voor de jaren 1999 en 2000.

2.c Beurzen en toelagen

Het begrote bedrag heeft betrekking op verplichtingen van beurzen en toelagen voor studenten aan het Europees Universitair Instituut te Florence en voor vertegenwoordigers van de organisaties in de Studentenkamer. Voor de laatste categorie is een bedrag van f 285 000,– beschikbaar.

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
Artikel 22.061997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 85 42584 54029 86720 27820 278 
Nieuwe mutaties – 33 983– 67 297– 20 515– 4 73516 
Stand ontwerp-begroting 1999130 28451 44217 2439 35215 54320 29420 294
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
Artikel 22.061997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 85 42584 54029 86720 27820 278 
Nieuwe mutaties 4 426– 993– 3 536– 1 73516 
Stand ontwerp-begroting 199988 13489 85183 54726 33118 54320 29420 294
Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 22.0619981999200020012002   
1. Technische mutaties4 426– 993– 3 536– 1 73516   
1. Bijstelling uit aanvullende posten6055121314   
2. Overboekingen (extern)116       
3. Overboekingen (intern)4 250– 1 048– 3 548– 1 7482   
Totaal4 426– 993– 3 536– 1 73516   

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

Deze reeks betreft de prijsbijstelling 1998.

1.2

Overboeking van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer voor haar aandeel in de Hoger Onderwijs Milieuprijs 1998.

1.3

De interne overboekingen hebben betrekking op:

– een overboeking naar beleidsterrein 27 voor de bijdrage van f 1,8 miljoen per jaar gedurende de periode 1997–2000 in verband met het ondersteunen van projecten die tot doel hebben waardevolle collecties van cultuurhistorisch en/of wetenschappelijk belang bij wetenschappelijke instellingen te behouden (academisch erfgoed);

– een overboeking naar beleidsterrein 23 van f 95 000,– per jaar in verband met een gasthoogleraarschap aan de universiteit van Ann Arbor te Michigan in de Verenigde Staten van Amerika;

– een overboeking naar beleidsterrein 21 in verband met de bijdrage van f 1,8 miljoen per jaar gedurende de periode 1998–2001 in de financiering van het project «bèta-techniek» (stimulering van vernieuwing van de technische universiteiten en de bijdrage aan de Stichting Axis, die belast is met de uitvoering van het onderwijsbrede convenant bèta/techniek);

– een overboeking van beleidsterreinen 17 en 21 in verband met bijdragen van f 108 000,– in 1998 en f 56 000,– per jaar vanaf 1999 voor de structurele voorziening in de voortgang van het Informatiecentrum Richtlijnen Algemeen Stelsel (IRAS);

– een saldo van diverse mutaties binnen beleidsterrein 22, waaronder compensatie voor de ophoging in 1998 en 1999 van het budget «Stimulering internationalisering» ten laste van artikel 22.01.

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 22.06 verplichtingen uitgaven codering
  199719981999 199719981999 econ. funct.
Overige uitgaven universiteiten 100 53323 62711 860 71 60070 45073 767 43A 04.43
Overige uitgaven academische ziekenhuizen 2 4437 000400 2 4437 000400 43A 04.6
Beleidsgerichte onderzoeken 60   60   12 04.40
Diverse commissies en voorzieningen 27 24820 8154 983 14 03112 4019 380 43A 04.40
Totaal1 130 28451 44217 243 88 13489 85183 547    

1 Hierin is begrepen voor Internationale Samenwerking:   300 1 300 1 300

Artikel 22.01 Ontvangsten wetenschappelijk onderwijs

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
Artikel 22.011997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 3 4703 2203 2203 2203 220 
Nieuwe mutaties 0– 800– 800– 800– 800 
Stand ontwerp-begroting 19992 6703 4702 4202 4202 4202 4202 420
Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 22.01  19981999200020012002   
2. Autonome mutaties   – 800– 800– 800– 800   
1. Diversen   – 800– 800– 800– 800   
Totaal  0– 800– 800– 800– 800   

Toelichting op de nieuwe mutaties

2.1

Compensatie van de lagere ontvangstenraming ten laste van het uitgavenartikel 22.01.

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de ontvangsten (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 22.01 ontvangsten   ontvangsten codering
      199719981999 econ. funct.
Ontvangsten universiteiten  nvt  2 6703 4702 420 43A 04.43
Totaal1     2 6703 4702 420    

1 Hierin is begrepen voor internationale samenwerking 2 294 2 315 2 324

Beleidsterrein 23 ONDERZOEK EN WETENSCHAPSBELEID

Artikelen binnen beleidsterrein 23 Onderzoek en Wetenschapsbeleid

kst-26200-VIII-2-26.gif

Artikel 23.01 Instellingen voor onderzoek en wetenschapsbeoefening

Algemeen

Met het budget voor instellingen voor onderzoek en wetenschapsbeoefening worden op basis van wetten, koninklijke besluiten, internationale verdragen en statuten een dertigtal grote(re) en kleinere instellingen van verschillend karakter bekostigd. Dit budget omvat f 1 303,0 miljoen voor 1999. In dit bedrag zijn de nog nader te verdelen ombuigingen voor het Regeerakkoord ten aanzien van de arbeidsproductiviteit collectieve sector en budgettering incidentele loonsomstijging opgenomen.

De Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO)

Volgens de huidige NWO-wet is de primaire taak van de NWO het bevorderen van kwaliteit in het wetenschappelijk onderzoek. Dit zal ook in de toekomst een zeer belangrijke taak blijven. De laatste jaren is echter, zowel bij de organisatie zelf als bij het ministerie, de overtuiging gegroeid dat meer aandacht en middelen moeten worden besteed aan onderzoek dat gewenst is op basis van prioriteiten die vanuit de samenleving worden aangereikt. Die prioriteitsstelling komt tot stand op basis van het in 1992 ingezette verkenningsproces.

De NWO heeft een hoofdrol bij de uitvoering van dit wetenschapsbeleid. Zoals op 21 april 1997 aan de Tweede Kamer is medegedeeld bestaat het voornemen om aan deze belangrijke taakuitbreiding van de NWO ook een wettelijke basis te geven door de huidige NWO-wet te wijzigen. Over de koerswijziging in de richting van meer maatschappelijk georiënteerd onderzoek bestaat overeenstemming tussen de minister en de NWO.

Voor NWO als geheel is een bedrag van f 549,8 miljoen gereserveerd. Onderdelen van de organisatie ontvangen ook middelen uit de derde geldstroom. De zogenaamde stimuleringsmiddelen nemen daarbij een bijzondere positie in. Oorspronkelijk had het ministerie deze middelen in eigen beheer, maar een aantal jaren geleden is het beheer van deze middelen overgedragen aan de NWO. Met deze middelen worden onderzoeksprogramma's opgezet op terreinen van grote maatschappelijke betekenis. De middelen worden aangevuld met bijdragen van andere departementen en van de NWO.

Koninklijke Nederlandse Academie van wetenschappen (KNAW)

De KNAW heeft een drievoudige taak. Zij is een internationaal forum voor de uitwisseling van gereputeerde geleerden, zij adviseert de regering over vragen van wetenschapsbeoefening en zij beheert een aantal onderzoeksinstituten. Daarnaast financiert zij het succesvolle Academieonderzoekersprogramma. Verreweg het grootste deel van de KNAW-begroting (f 134,8 miljoen) is bestemd voor beide laatstgenoemde onderwerpen.

Nederlandse Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek (TNO)

In 1998 heeft TNO het strategisch plan 1999–2002 uitgebracht. Dit plan bevat de strategie van de organisatie voor de komende periode en de hoofdlijnen van de meerjarenprogramma's basis- en doelfinanciering. Het Kabinet heeft zijn standpunt over het plan ingenomen en het niveau voor de periode 1999–2002 vastgelegd.

(bruto bedragen x f 1 000, loon en prijsgevoelig)
Basisfinanciering145 846
Doelfinanciering Defensie99 227
Doelfinanciering EZ83 140
Doelfinanciering velddepartementen totaal48 974
Geoormerkt voor VROM12 715
LNV6 816
SZW10 006
VenW6 660
VWS12 777
OCenW overig2 379

Grote technologische instituten (gti's)

Uit de post gti's worden de bijdragen bekostigd aan de begrotingen van respectievelijk Verkeer en Waterstaat en Economische Zaken voor het speurwerk van de Stichting Nationaal Luchtvaartlaboratorium in Amsterdam en voor de financiering van het achtergrondonderzoek van het Maritiem Research Instituut Nederland (MARIN) in Wageningen. Verder vallen hieronder de (rechtstreekse) bijdragen aan de Stichting Waterloopkundig Laboratorium en Grondmechanica Delft voor het instandhouden van het speurwerk van deze laboratoria.

Bibliotheken en informatieverzorging

Onder de categorie Bibliotheken en informatieverzorging, waarvoor in 1999 een budget van f 61,8 miljoen beschikbaar is, vallen als grootste posten de Koninklijke Bibliotheek (KB), de bibliotheek van de KNAW en de exploitatie van de landelijke functie van de centrale bibliotheek van de TU-Delft. Deze bibliotheken leveren als houder van centrale catalogi en/of leverancier van documenten – diensten in aanvulling op de basisvoorzieningen van wetenschappelijke bibliotheken in Nederland.

Instellingen voor alfa- en gamma-onderzoek

Het budget voor instellingen voor alfa- en gamma-onderzoek bedraagt f 13,4 miljoen. Hieruit worden onder meer bekostigd het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, de Stichting Parlementaire Geschiedenis en het instituut voor Nederlandse Lexicologie.

Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie

Per 1 januari 1999 zal het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD) een instituut van de KNAW worden. Dit is het gevolg van de uitwerking van het Regeringsstandpunt over het advies «De toekomst van het RIOD» van de commissie Kossmann. Ter uitvoering van het nieuwe onderzoeksprogramma is de begroting structureel met f 1 miljoen verhoogd.

Voor de geschiedschrijving van de terugkeer en opvang van Nederlandse oorlogsslachtoffers in Nederland als joden, zigeuners, ex-politieke gevangenen, Jehovagetuigen, dwangarbeiders, Nederlands-Indische oorlogsslachtoffers en repatrianten uit Nederlands-Indië is de Stichting SOTO opgericht. Deze stichting zal voor 1 oktober 1998 een voorstel bij het Kabinet indienen voor de opzet van deze geschiedschrijving.

Stichting Parlementaire Geschiedenis

De Stichting Parlementaire Geschiedenis beheert een subsidie voor het centrum voor parlementaire geschiedenis van de Katholieke Universiteit Nijmegen. Het centrum beschrijft de parlementaire geschiedenis na 1945.

Instituut voor Nederlandse Lexicologie

De Nederlandse bijdrage aan het Instituut voor Nederlandse Lexicologie (INL) van f 2 miljoen wordt via de Taalunie verstrekt. Nu het Woordenboek der Nederlandse Taal voltooid is zal het INL een geïntegreerde taalbank van het Nederlands van de 8ste tot 21ste eeuw ontwikkelen. Tevens maakt het INL een begin met het woordenboek van het 20ste en vroeg 21ste eeuws Nederlands, dat in electronische en grafische vorm beschikbaar zal komen.

Internationale Onderzoekinstellingen

Nederland is lid van de volgende Europese wetenschappelijke samenwerkingsorganisaties:

CERN:Europese Organisatie voor Kern- en Hoge-Energiefysica
ESA:Europese Ruimte-Agentschap
ESO:Europese Organisatie voor Astronomisch onderzoek op het Zuidelijk Halfrond
EMBL:Europees Moleculair Biologisch Laboratorium
EMBC:Europese Moleculaire Biologie-Conferentie

CERN

De Nederlandse bijdrage van circa 4,5% van het totale beschikbare budget beloopt voor 1999 circa f 57 miljoen. Vanaf 1997 zijn de bijdragen van de 19 Europese lidstaten met ongeveer 10% verlaagd. Onder druk van de lidstaten worden bovenmatige gunstige secundaire arbeidsvoorwaarden ingeperkt. Dit vergt een taai onderhandelingsproces waarin de Nederlandse delegatie de leiding heeft.

De grootste versneller, de Large Electron Positron Collider, wordt in het jaar 2000 gesloten. De fysici krijgen in het jaar 2005 de beschikking over de nieuwe Large Hadron Collider. De kosten zijn ongeveer f 3750 miljoen die binnen het constante jaarbudget over 10 jaar gefinancierd moeten worden. CERN heeft de ambitie het topinstituut in de wereld op het gebied van de deelfysica te blijven; CERN heeft de reputatie uitstekend werkende versnellers binnen de gestelde tijd en het beschikbare budget te bouwen. Vanzelfsprekend zijn tegenvallers niet geheel uit te sluiten. Daarom zal de organisatie zich maximaal moeten inspannen om de reputatie waar te maken en de ambitie te vervullen.

ESA

De ESA-begroting voor 1999 bedraagt ongeveer f 5,7 miljard, waaraan Nederland bijdraagt met circa f 173 miljoen (3%). Het aandeel van OCenW hierin is ongeveer f 57,7 miljoen, inclusief de middelen voor nationaal flankerend beleid en de OCenW bijdrage aan European Organisation for the exploitation of Meteorological Satellites. Binnen het Nederlandse ruimtevaartbeleid zal OCenW de komende jaren het geld met name inzetten voor het astronomische programma, de aardobservatieprogramma's en het microzwaartekrachtprogramma van ESA.

ESO

De Nederlandse bijdrage aan de organisatie van 7,5% beloopt voor 1999 circa f 11,4 miljoen. Nederlandse sterrenkundigen maken goed gebruik van de faciliteiten van ESO in Chili. De bouw van de zogenaamde Very Large Telescope verloopt volgens schema. De eerste van vier eenheden is in mei 1998 succesvol getest. In 2001 zullen alle vier de telescopen operationeel zijn.

EMBL

Het EMBL in Heidelberg is een Europees onderzoeksinstituut voor moleculaire biologie. Het leidt talentvolle jonge onderzoekers uit Europa op tot toponderzoekers, ontwikkelt nieuwe apparatuur voor moleculair biologisch onderzoek en verzorgt de toegang tot en de aanpassing van faciliteiten die voor de ontwikkeling van dit onderzoeksterrein van belang zijn.

De bijdrage van OCenW bedraagt voor 1999 f 3,7 miljoen. Dit is 4,3% van de totale bijdrage van de lidstaten.

EMBC

Het EMBC budget bedraagt circa f 20,9 miljoen. De bijdrage van Nederland (4,3%) is f 0,9 miljoen. Het geld is bestemd voor opleidings- en trainingsprogramma's en de uitwisseling tussen landen van jonge onderzoekers in de moleculaire biologie. De activiteiten worden uitgevoerd door de leden van de European Moleculair Biology Organization, een organisatie van vooraanstaande Europese moleculair biologen.

Adviesraden

Commissie van overleg sectorraden

Een bedrag van f 0,9 miljoen is bestemd voor programmeringsstudies, alsmede voor verkenningen en methodiekontwikkeling. Deze middelen zijn ondergebracht in het Coördinatiefonds Sectorraden. Verder wordt uit deze post het secretariaat van de Commissie van Overleg Sectorraden (COS) betaald. Conform de instellingsbeschikking dient de COS elke zes jaar te worden geëvalueerd inzake voortgang en voortzetting van de activiteiten. Hiertoe is in 1998 een externe commissie ingesteld onder voorzitterschap van drs. W.J. Deetman.

Publieksvoorlichting en maatschappelijke oordeelsvorming

Stichting Wetenschap en Techniek Nederland

De Stichting Wetenschap en Techniek Nederland (WeTeN) is een onafhankelijke organisatie die wordt gesubsidieerd door de ministeries van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en Economische Zaken. De subsidie bedraagt f 6,8 miljoen per jaar, waarvan het OCenW-deel f 3 miljoen en het EZ-deel f 3,8 miljoen bedraagt. Het OCenW-aandeel is bijgesteld voor loonbijstellingsmaatregelen tot en met 1998. Een onderdeel van de subsidie betreft f 1,0 miljoen voor het fonds «De Voorziening», dat is bedoeld om kleinere onafhankelijke organisaties voor wetenschap- en techniekvoorlichting met een meerjarensubsidie van basissteun te voorzien. In 1998 wordt de relatie tussen de overheid en de stichting WeTeN op basis van de inwerkingtreding van de Wet overige OCenW-subsidies formeel geregeld. Eind 1998 wordt de stichting WeTeN geëvalueerd waarvoor f 50 000,– op de begroting van OCenW is gereserveerd.

Rathenau Instituut

Het Rathenau Instituut richt zich op het maatschappelijk debat en op de oordeelsvorming met betrekking tot de maatschappelijke consequenties van ontwikkelingen in wetenschap en technologie ten behoeve van vooral het parlement. Het door het Rathenau Instituut verrichte en vooral uitgezette onderzoek heeft daarbij een ondersteunende functie. De taken van het platform Wetenschap en Ethiek zullen aan het Rathenau worden toegevoegd. Het budget van het Rathenau Instituut van f 3,9 miljoen is opgenomen in de begroting van de KNAW. In de tweede helft van 1998 zal het Rathenau Instituut worden geëvalueerd.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
Artikel 23.011997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 1 237 1551 251 9341 258 3941 262 5471 266 734 
Nieuwe mutaties 39 74452 52747 26942 07037 091 
Begrotingsstand voor conversie1 217 1841 276 8991 304 4611 305 6631 304 6171 303 8251 307 202
Overheveling i.v.m. conversie*  – 1 473– 1 479– 1 479– 1 476– 1 483
Stand ontwerpbegroting 19991 217 1841 276 8991 302 9881 304 1841 303 1381 302 3491 305 719
Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 23.01 19981999200020012002  
1. Technische mutaties 39 74440 07139 85139 75439 942  
1. Bijstelling uit aanvullende posten 17 28719 39719 14719 05019 138  
2. Desalderingen 30 53928 75628 76628 76628  766  
3. Overboekingen (intern) – 8 082– 8 082– 8 062– 8 062– 7 962  
3. Beleidsmatige mutaties  12 4567 4182 316– 2 851  
1. RA: arbeidsproductiviteit  – 3 911– 7 863– 11 866– 15 916  
2. RA: budgettering incidenteel  – 1 061– 2 147– 3 246– 4 363  
3. Stelselwijziging rijkshuisvesting  17 42817 42817 42817 428  
Totaal 39 74452 52747 26942 07037 091  

* In het kader van de herziening van de artikelstructuur voor apparaatskosten wordt het budget van de Adviesraad voor het Wetenschaps- en technologiebeleid (AWT) voor zover dit betrekking heeft op de adviestaak, met ingang van 1999 van artikel 23.01 overgeheveld naar artikel 17.13.

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

In deze mutatie zijn opgenomen de bijstellingen voor een extra structurele loonsverhoging van 0,75% voor het onderwijspersoneel, wijzigingen premiebeeld, mutaties zkoo, seniorenbeleid, kabinetsbijdrage arbeidsvoorwaarden gepremieerde en gesubsidieerde sectoren en de bijstellingen van de uitgaven die gevoelig zijn voor de prijsontwikkeling van de materiële consumptieve overheidsuitgaven. Kortheidshalve wordt voor een verdere toelichting verwezen naar beleidsterrein 26 (overige programma-uitgaven).

1.2

Deze desaldering betreft de bijstelling van de doelfinanciering van Economische Zaken en Defensie aan TNO met gelijktijdige verhoging van het ontvangstenartikel.

1.3

Deze mutatie bestaat uit:

– Overboeking van artikel 23.01 naar artikel 26.05 (internationale betrekkingen) van de bijdrage aan de Nederlandse Taalunie van rond f 5,2 miljoen in verband met een andere interne taakverdeling, waardoor de bijdrage onder de budgetverantwoordelijkheid van beleidsterrein 26 valt.

– Overboeking van artikel 23.01 naar diverse beleidsterreinen van in totaal f 3,2 miljoen in verband met de opheffing van de Stichting voor Onderzoek van het Onderwijs.

– Overbrenging van f 0,4 miljoen projectmatige bedragen uit artikel 23.04 en verwerking daarvan in de begroting van de Taalunie.

3.1

Betreft de ombuiging ingevolge het Regeerakkoord ten aanzien van de arbeidsproductiviteit collectieve sector.

3.2

Betreft de ombuiging ingevolge het Regeerakkoord ten aanzien van de budgettering incidentele loonsomstijging.

3.3

Per 1 januari 1999 wordt een nieuw stelstel voor de rijkshuisvesing ingevoerd. Daarom zijn de middelen voor deze stelselwijziging toegevoegd aan de begrotingen van de departementen.

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 23.01 verplichtingen uitgaven codering
  199719981999 199719981999 econ. funct.
Nationale Onderzoekinstellingen     1 009 3421 080 2051 087 452 43A 04.6
Wetenschappelijke bibliotheekinstellingen     60 55260 90061 800 43A 04.40
RIOD     4 9724 4635 734 43A 04.6
EMBC     829950950 43G 04.6
EMBL  nvt  3 6503 6003 700 43G 04.6
CERN     52 23255 50057 000 43G 04.6
ESO     12 05912 30011 400 43G 04.6
ESA     64 93457 70057 700 43G 04.6
Nederlandse Taalunie     6 64600 43A 04.0
Adviesraad Wetenschaps- en Technologiebeleid     1 9681 2810 12 04.6
Stelselwijziging rijkshuisvesting       17 252 12 13.9
Totaal     1 217 1841 276 8991 302 988    

Artikel 23.04 Coördinatie wetenschapsbeleid

Algemeen

Met het budget coördinatie wetenschapsbeleid geeft de Minister van OCenW invulling aan zijn rol van coördinerend minister voor wetenschapsbeleid. Het geld wordt ingezet voor nationaal coördinerende activiteiten (f 6,2 miljoen) en voor internationale samenwerking. Het budget voor internationale faciliteiten is f 9,2 miljoen en voor bilaterale samenwerking f 19,2 miljoen. Verder bevat dit artikel het OCenW aandeel in het programma Economie Ecologie en Technologie. In het bedrag voor 1999 van afgerond f 57,0 miljoen is de ombuiging voor het Regeerakkoord ten aanzien van de arbeidsproductiviteit collectieve sector verwerkt.

Nationale coördinatie

Het geld voor nationale coördinatie wordt grotendeels ingezet voor de implementatie van voorstellen die mede gebaseerd zijn op de in opeenvolgende Wetenschapsbudgetten opgenomen beleidslijnen.

Internationale samenwerking

Voor de internationale samenwerking is in 1999 een bedrag beschikbaar van f 28,4 miljoen. Dit wordt onder meer ingezet voor internationale onderzoekfaciliteiten en voor bilaterale samenwerking.

Internationale onderzoekfaciliteiten

De doelstelling van het budget internationale onderzoekfaciliteiten is het ondersteunen van kansrijke initiatieven voor de vestiging van internationale onderzoeksinstituten in Nederland of van internationale initiatieven met een aanmerkelijk belang voor het Nederlands onderzoek. Het budget voor 1999 is f 9,2 miljoen. De conclusie uit een evaluatie van lopende projecten was dat deze initiatieven, zeker bij de toekenning van kleinere subsidies voor een beperkte tijd, vaak moeilijk blijvend te verankeren zijn in de bestaande infrastructuur en dat echte mede-investeringen van buitenlandse overheden moeilijk te realiseren zijn. Daarom is met de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek afgesproken voorlopig geen nieuwe voorstellen in behandeling te nemen. Het hier genoemde budget beslaat dan ook uitsluitend de bestaande verplichtingen van in eerdere jaren toegekende subsidies.

Bilaterale samenwerking

Bilateraal wordt vanuit OCenW samengewerkt met een beperkt aantal selectief gekozen landen en op gebieden van wederzijds belang. Het doel van deze selectieve, geconcentreerde aanpak is om structurele en langdurige samenwerking te bevorderen. Samengewerkt wordt met Frankrijk, met Hongarije en Rusland en met Indonesië en China, alsmede met de grenslanden (Vlaanderen, Duitsland en de Duitse Deelstaten). De bilaterale onderzoeksamenwerking is regelmatig punt van bespreking in het internationale beleidsoverleg van de grote onderzoekorganisaties met de departementen, alsmede in nationale stuurgroepen en bilaterale gemengde commissies. De samenwerkingsovereenkomsten met Rusland en Hongarije zijn in 1997 geëvalueerd, wat uitgemond is in nieuwe Memoranda of Understanding met betrokken landen.

Economie, ecologie en technologie

EET is een programma van Economische Zaken en OCenW, uit de gelden van «cluster 3» van het vorige Regeerakkoord (sociale woningbouw, economische infrastructuur, natuur en milieu). In dit programma worden projecten gesteund die op termijn voor doorbraken zorgen die zowel economisch rendabel als ecologisch gunstig of tenminste verantwoord zijn. Het gaat hierbij om het doorbreken van de paradox dat economische rentabiliteit leidt tot extra milieubeslag en ecologische doorbraken economisch onrendabel zouden zijn. Verkleining van het milieubeslag in grondstoffenverbruik en afval gaat in EET samen met versterking van de economie.

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
Artikel 23.041997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 53 10855 07852 07452 21850 418 
Nieuwe mutaties – 1 62648– 228– 412– 598 
Stand ontwerpbegroting 199951 87051 48255 12651 84651 80649 82055 889
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
Artikel 23.041997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 67 75556 92953 97654 12052 287 
Nieuwe mutaties – 1 62648– 228– 412– 598 
Stand ontwerpbegroting 199959 77566 12956 97753 74853 70851 68955 889
Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 23.0419981999200020012002  
1. Technische mutaties– 526235135135135   
1. Overboekingen (extern)601       
2. Desalderingen– 888       
3. Overboekingen (intern)– 239235135135135   
3. Beleidsmatige mutaties– 1 100– 187– 363– 547– 733   
1. EET5 000       
2. Intertemporele compensatie3 000       
3. RA: Arbeidsproductiviteit – 187– 363– 547– 733   
4. TNO– 4 100       
5. Temporisering EET– 5 000  
Totaal– 1 62648– 228– 412– 598   

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

Voor het project Bodemonderzoek spoor 1 hebben VROM en LNV in totaal f 340 000 overgeboekt. Verder is een overboeking van f 260 000 van Financiën in het kader van Opvang oorlogsslachtoffers opgenomen.

1.2

De desaldering betreft uitgaven in het kader van het Fonds Economische Structuurversterking voor het project Kennisinfrastructuur mainport Rotterdam. Onder het ontvangstenartikel is dezelfde verlaging opgenomen van f 0,9 miljoen.

1.3

Deze overboekingen zijn diverse kleine overboekingen onder meer voor projecten Taalunie zoals boven genoemd.

3.1

De mutatie betreft een eenmalige verhoging van de OCenW-bijdrage aan het programma Economie, ecologie en technologie in 1998.

3.2 + 3.4

Intertemporele compensatie in 1998 ten behoeve van 1997 in het kader van de uitvoering van het Wetenschapsbudget.

3.3

Betreft de ombuiging ingevolge het Regeerakkoord ten aanzien van de productiviteit collectieve sector.

3.5

Deze mutatie betreft de temporisering van de uitgaven in het kader van de departementale uitgavenplanning.

Economische en functionele codering

De economische en functionele codering is 43A respectievelijk 04.6

Artikel 23.01 Ontvangsten onderzoek en wetenschapsbeleid

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
Artikel 23.011997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 168 375154 421153 989153 989153 989 
Nieuwe mutaties 30 01228 75628 76628 76628 766 
Stand ontwerpbegroting 1999165 282198 387183 177182 755182 755182 755182 755
Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 23.0119981999200020012002   
1. Technische mutaties29 65128 75628 76628 76628 766   
1. Desalderingen29 65128 75628 76628 76628 766   
2. Autonome mutaties361       
1. Diversen361  
Totaal30 01228 75628 76628 76628 766   

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

Tegenover de genoemde gedesaldeerde ontvangsten staan de gedesaldeerde uitgaven op de artikelen 23.01 en 23.04. Voor de toelichting wordt daarnaar verwezen.

2.1

Bijstelling van de raming afrekening projecten in verband met de afwikkeling van de opheffing van de Stichting voor Onderzoek van het Onderwijs.

Economische en functionele codering

De economische en functionele codering is 47A respectievelijk 04.6.

Beleidsterrein 24 HUISVESTING

Artikel 24.01 Huisvesting primair onderwijs

Algemeen

Dit artikel heeft betrekking op de uitgaven voor voorzieningen in de huisvesting voor het basisonderwijs en het (voortgezet) speciaal onderwijs.

De uitgaven voor het basisonderwijs geschieden op grond van de artikelen 64a t/m 91 van de Wet op het basisonderwijs (WBO), alsmede de daarvan afgeleide algemene maatregelen van bestuur, te weten het Huisvestingsbesluit WBO, het Bouwbesluit WBO, het Besluit oude eigendoms- en huurscholen WBO en het Bekostigingsbesluit WBO/OWBO.

De uitgaven voor het (voortgezet) speciaal onderwijs geschieden op grond van de artikelen 88i, 88j en 88k van de Interimwet speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs (ISOVSO), alsmede de daarvan afgeleide algemene maatregelen van bestuur, te weten het Huisvestingsbesluit ISOVSO, het Bouwbesluit ISOVSO en het Huisvestingsbesluit ISOVSO/OISOVSO.

Op grond van de wijziging op de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het (voortgezet) speciaal onderwijs, alsmede de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) in verband met de decentralisatie van huisvestingsvoorzieningen is de verantwoordelijkheid voor de huisvesting primair onderwijs ingaande 1 januari 1997 naar de gemeenten gedecentraliseerd. Uitgaven in verband met de nazorg voor het afrekenen van oude vergoedingsjaren en de afwikkeling van bezwaren en beroepen tegen deze afrekenbeschikkingen komen echter nog ten laste van het ministerie van OCenW op het onderhavige artikel.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 24.011997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 00000 
Nieuwe mutaties 1 0000000 
Stand ontwerpbegroting 199920 8571 00000000
Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 24.0119981999200020012002  
1. Technische mutaties– 5 000       
1. Overboekingen (intern)– 5 000       
3. Beleidsmatige mutaties6 000       
1. Intertemporele compensatie6 000  
Totaal1 0000000  

Toelichting op de nieuwe mutaties

De nieuwe mutaties op het onderhavige artikel betreffen een intertemporele compensatie (kasschuif) van 1997 naar 1998 van f 6,0 miljoen in verband met het verder afrekenen en afwikkelen van afrekenberoepen en een interne overboeking van f 5,0 miljoen naar artikel 24.02 op grond van een stringent begrotingsbeleid.

Economische en functionele codering

De economische en functionele codering is 43C respectievelijk 04.2.

Artikel 24.02 Huisvesting voortgezet onderwijs, beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

Algemeen

De bekostiging van de huisvesting is nader uitgewerkt in het huisvestingsbesluit WVO/WCBO, bekostigingsbesluit WVO en de jaarlijks gepubliceerde programma's van eisen.

Op grond van respectievelijk de wijziging van de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het (voortgezet) speciaal onderwijs, alsmede de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de decentralisatie van huisvesting en de wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met decentralisatie van huisvestingsbeslissingen en vervallen van het economisch claimrecht is ingaande 1 januari 1997 de verantwoordelijkheid voor de huisvesting van het voortgezet onderwijs naar de gemeenten en voor de huisvesting van het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie naar de bve-instellingen gedecentraliseerd. Uitgaven in verband met de nazorg voor het afrekenen van oude vergoedingsjaren vo/bve en de afwikkeling van bezwaren en beroepen bve komen echter nog ten laste van dit artikel.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 24.021997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 00000 
Nieuwe mutaties 4 0300000 
Stand ontwerpbegroting 19991 2484 03000000
Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 24.0219981999200020012002  
1. Technische mutaties14 030  
1. Overboekingen (extern)0       
2. Desalderingen9 030       
3. Overboekingen (intern)5 000       
2. Autonome mutaties– 10 000       
1. Diversen– 10 000  
Totaal4 0300000   

Toelichting op de nieuwe mutaties

De nieuwe mutaties op het onderhavige artikel betreffen toevoegingen van verkoop onroerend goed opbrengsten van f 9,0 miljoen en een interne overboeking van artikel 24.01 van f 5,0 miljoen in verband met uitgaven voor het afrekenen en afwikkelen van huisvestingsberoepen, alsmede een verlaging van f 10,0 miljoen voor dekking van de uitgaven voor het informatie- en communicatietechnologie project.

Economische en functionele codering

De economische en functionele codering is 43C respectievelijk 04.30.

Artikel 24.01 Ontvangsten huisvesting

Algemeen

Dit artikel heeft betrekking op de ontvangsten gerealiseerd in verband met het afrekenen van huisvestingsvoorzieningen en verkopen van onroerend goed geïnitieerd vóór 1 januari 1997.

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 24.011997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 00000 
Nieuwe mutaties 9 0590000 
Stand ontwerpbegroting 199928 0459 05900000
Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 24.0119981999200020012002  
1. Technische mutaties9 030       
1. Desalderingen9 030       
2. Autonome mutaties29  
Totaal9 0590000   

Toelichting op de nieuwe mutaties

De nieuwe mutaties op het onderhavige artikel betreffen voor 1998 nog verwachte verkoop onroerend goed opbrengsten en gerealiseerde ontvangsten inzake het afrekenen vo.

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de ontvangsten (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 24.01 ontvangsten ontvangsten codering
  199719981999 econ. funct.
Teveel betaalde voorschotten bve 84400 43A 04.4
Teveel betaalde voorschotten vo 4 664290 43A 04.3
Verkoop onroerend goed 22 5379 0300 69A 04.44
Totaal 28 0459 0590    

Beleidsterrein 25 STUDIEFINANCIERINGSBELEID

Artikelen binnen beleidsterrein 25 Studiefinancieringsbeleid

kst-26200-VIII-2-27.gif

Artikel 25.01 Studiefinanciering

Algemeen

De uitgaven op dit artikel vloeien voort uit de Wet op de studiefinanciering (WSF) en de Wet tegemoetkoming studiekosten (WTS). In de WSF-uitgaven zijn tevens de uitgaven ten behoeve van de reisvoorziening begrepen.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 25.011997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 4 303 7564 119 2594 004 9483 831 1083 854 353 
Nieuwe mutaties 138 799370 700560 200636 380696 240 
Stand ontwerpbegroting 19994 400 2654 442 5554 489 9594 565 1484 467 4884 550 5934 581 940
Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 25.0119981999200020012002  
1. Technische mutaties99 099172 476304 985280 534396 683   
1. Bijstelling uit aanvullende posten56 79956 27684 985102 834118 383   
2. Overboekingen (extern)42 300116 200220 000177 700278 300   
2. Autonome mutaties72 300139 524123 71517 54618 957   
1. Diversen32 00085 96467 65556 28645 597   
2. Leerlingenkenmerken42 30073 60081 300– 19 300–  12 300   
3. Leerlingenvolume– 2 000– 20 040– 25 240– 19 440– 14 340   
3. Beleidsmatige mutaties– 32 60058 700131 500338 300280 600   
1. Deurwaarderstraject– 3 000– 3 000– 3 000– 3 000– 3 000   
2. RA: WTS 50 000125 000175 000250 000   
3. RA: aanvullende beurs uit p-beurs 1e jaars  40 000100 00010 000   
4. RA: afstel prestatienormverhoging   10 00028 000   
5. RA: afstel pro rato lesgeld – 29 600– 33 300– 34 900– 36 900   
6. RA: compensatie indexering collegegeld 2 0003 0003 0006 000   
7. RA: leeftijdsgrens inschrijving tot en met 25 jaar  5 0005 00010 000   
8. RA: OV-kaart in prestatiebeurs – 42 000– 154 000– 109 000– 194 000   
9. RA: verlenging OV-contract 99 000130 000155 000171 000   
10. RA: verblijfsduurakkoord   14 00020 000   
11. RA : compensatie herijking lesgeld in WTS 4 5008 80013 20017 500   
12. Uitstel ophoging prestatienorm  10 00010 0002 000   
13. Uitstel pro rato lesgeld– 29 600– 22 200   
Totaal138 799370 700560 200636 380696 240   

1.1

De bijstelling uit aanvullende posten bevat de overboeking van de post prijsbijstelling van Financiën naar de begroting van OCenW. Dit zijn vergoedingen voor de prijsstijging 1998 voor zowel de relevante uitgaven (waaronder ook de OV-studentenkaart) als de niet relevante uitgaven (rentedragende leningen, waaronder de prestatiebeursuitgaven). Niet relevante uitgaven worden zo genoemd omdat ze niet relevant zijn voor het financieringstekort.

1.2

De externe overboekingen van Financiën zijn ten behoeve van de niet relevante uitgaven; deze zijn hoger dan geraamd. Dit komt ten eerste door hogere prestatiebeursuitgaven (circa f 66 miljoen in 1998). Dit bedrag is het saldo van lagere uitgaven basisbeurs als gevolg van lagere aantallen gerechtigden en hogere uitgaven aanvullende beurs als gevolg van een hoger gemiddeld bedrag per aanvullende beurs gerechtigde.

Ten tweede zijn de uitgaven voor de normale rentedragende leningen lager dan in de begroting was opgenomen (f 40 miljoen in 1998). De normale rentedragende lening bestaat enerzijds uit de lening die de student kan afsluiten om zijn maandbudget aan te vullen; deze is ten opzichte van de oorspronkelijke begroting toegenomen. Anderzijds bestaat de lening uit het resultaat van de studievoortgangscontrole. Deze controle houdt in dat beursuitgaven worden omgezet in een rentedragende lening als studenten niet voldoen aan de temponorm (minimaal 50% van de studiepunten). Het aantal omzettingen naar een rentedragende lening is kleiner dan eerder werd begroot.

Voorts zijn de niet relevante uitgaven verhoogd als gevolg van de maatregel Stoeb/ALR. Dit heeft betrekking op een verschuiving van relevante (beurs) naar niet-relevante (lening) uitgaven. In het kader van de Wet «student op eigen benen» kunnen studenten hun kortlopende schulden omzetten in een langlopende schuld. Omdat aflossingen op deze langlopende schulden als niet-relevante ontvangsten worden geboekt, worden alle daarmee samenhangende uitgaven eveneens niet-relevant geboekt. De omzetting van kortlopend naar langlopende schuld is in 1998 f 16 miljoen meer dan verwacht.

Verder zijn in het Regeerakkoord 1998 een aantal voornemens geuit, die ook gevolgen hebben voor de niet relevante uitgaven studiefinanciering. Het gaat om de volgende maatregelen:

– afstel van de prestatienorm verhoging;

– wijziging van de leeftijdsgrens voor studiefinanciering;

– afschaffen van de prestatienorm voor de aanvullende beurs in het eerste jaar;

– compensatie van de verhoging van het collegegeld in de aanvullende beurs;

– OV-kaart onder de werking van de prestatiebeurs brengen;

– verhoging van het normbudget met f 100,– per maand via een uitbreiding van het leendeel.

Voor een toelichting bij elke maatregel afzonderlijk wordt verwezen naar de beleidsmatige mutaties.

Het effect op de niet-relevante uitgaven is weergegeven in onderstaande tabel

 
Maatregelen Regeerakkoord199819992000200120022003
Prestatienormverhoging0,00,00,0– 10,0– 28,0– 28,0
Leeftijdsgrens 25 jaar0,00,010,025,020,020,0
Aanvullende beurs p.regime0,00,0– 40,0– 100,0– 10,0– 10,0
Compensatie collegegeld0,04,09,015,018,022,0
OV-kaart in prestatiebeurs0,042,0154,0109,0194,0258,0
Verhogen maximale rentedragende lening0,030,072,072,072,072,0
Totaal niet-relevant0,076,0205,0111,0266,0334,0

Tot slot heeft er een overboeking plaatsgevonden van – f 0,2 miljoen naar het Gemeentefonds ten behoeve van leerlingen in het voortgezet onderwijs afkomstig uit de waddengemeenten.

2.1

De post «diversen» bestaat ten eerste uit extra uitgaven ten behoeve van de indexering van de ov-kaart over 1998; een reeks van f 30 miljoen in 1998 tot f 17 miljoen in 2003.

Ten tweede is er in «diversen» een extra bedrag opgenomen voor de uitgaven lesgeldvoorschotten (voor mbo-studerenden van 18 jaar en ouder). De extra uitgaven zullen overigens leiden tot extra lesgeldontvangsten, zowel later dit jaar als volgend jaar.

Ten derde bevat «diversen» uitgaven voor het ontdekte achterstallig lager recht op de niet relevante uitgaven. Dit houdt in dat een deel van de niet relevante uitgaven ten onrechte zijn uitgekeerd. Deze uitgaven leiden tot een schuldopbouw bij studerenden. Op het moment dat de onterechte uitgaven worden ontdekt, wordt de uitgave die in eerste instantie als niet relevant in de boeken stond, omgezet in een relevante uitgave. Het totaal ontdekte achterstallig lager recht is groter dan oorspronkelijk was begroot; de relevante uitgaven zijn hierdoor gestegen.

Ten vierde is de mutatie het gevolg van het uitstel van de pro rato maatregel; kwartaalsgewijs invoeren van lesgeldplicht voor 16-jarigen. De maatregel zou oorspronkelijk niet alleen lesgeldontvangsten opleveren in 1998, maar ook meer uitgaven betekenen omdat een deel van de nieuwe lesgeldplichtigen lesgeldcompensatie zou ontvangen in de WTS. Nu de maatregel is uitgesteld, worden de daarmee samenhangende WTS uitgaven doorgeschoven naar 1999 (zie ook onder punt 3.5).

Tot slot is onder «diversen» een bedrag opgenomen ten behoeve van de reeks Stoeb/ALR (zie ook onder 1.2). De omzettingen van kortlopende naar langlopende schulden is voor 1998 hoger, dit betekent dus naast een verhoging van de niet-relevante uitgaven gelijktijdig een verlaging van de relevante uitgaven met eenzelfde bedrag: – f 16 miljoen.

2.2

De eerste ontwikkeling in leerlingen kenmerken komt voort uit de uitgaven aanvullende beurs. Gebleken is dat aanvullende beursgerechtigden een fors hoger gemiddeld bedrag krijgen uitgekeerd dan verwacht (f 25 miljoen in 1998). De ontwikkeling op de aanvullende beurs is structureel en zet zich door tot en met 2003.

Ook in de WTS doet zich een tendens voor in de leerlingenkenmerken. De uitgaven voor ts17- en voor vo18+ zijn in 1998 hoger dan begroot. In beide gevallen is dit voornamelijk het gevolg van een hoger bedrag per ts17- en vo18+ gerechtigde. De hogere uitgaven in 1998 lijken zich door te zetten in de komende jaren.

De uitgaven basisbeurs zijn f 10 miljoen lager dan verwacht. Dit komt door een lager aantal rechthebbenden die gemiddeld een iets hoger bedrag krijgen.

Tot slot is in 1998 een meevaller van f 10 miljoen op de studievoortgangscontrole opgetreden als gevolg van het pas in januari verwerken van een deel van de controle. In december 1997 was hierdoor een tegenvaller ontstaan.

2.3

In de leerlingenaantallen doen zich enkele ontwikkelingen voor. Ten eerste zijn er minder basisbeursgerechtigden dan verwacht. Dit leidt tot lagere uitgaven basisbeurs. Ten tweede is het aantal ts17- gerechtigden aanzienlijk hoger en zijn de gemiddelde WTS uitgaven per gerechtigde eveneens hoger dan verwacht. De aantallen vo18+ en tsd-gerechtigden (beide WTS) zijn lager, dit leidt tot minder WTS uitgaven. Tot slot is er een toenemend aantal EG-studerenden, dit zijn studenten uit het buitenland die voor hun studie in Nederland een collegegeldvergoeding krijgen. Deze extra uitgaven komen ten behoeve van de post «SF overig».

3.1

Deze verlaging is het gevolg van de overheveling van het budget voor deurwaarderskosten naar artikel 17.07.

3.2

In het regeerakkoord 1998 wordt een aantal maatregelen op het terrein van de studiefinanciering aangekondigd. De mutaties 3.2 tot en met 3.11 geven het financiële effect van deze maatregelen op de begroting van OCenW weer.

Mutatie 3.2 heeft betrekking op uitbreiding van de werking van de WTS naar inkomensgroepen met een besteedbaar inkomen van ca. f 60 000,–. Bovendien zal de tegemoetkoming in de overige studiekosten worden verhoogd.

3.3

Voor studerenden die onder de werking van de prestatiebeurs vallen zal de prestatienorm voor de aanvullende beurs in het eerste jaar afgeschaft worden. Dit heeft tot gevolg dat de aanvullende beurs, die nu nog als voorwaardelijke lening wordt verstrekt, meteen in de vorm van een beurs wordt verstrekt. Dit leidt tot een verschuiving van niet-relevante naar relevante ontvangsten. Ook bij deze mutatie geldt dat de niet-relevante tegenhanger van deze mutatie vermeld is in de tabel bij mutatie 1.2.

3.4

Deze mutatie geeft het besparingsverlies weer dat optreedt als gevolg van het niet doorgaan van de verhoging van de prestatienorm in het eerste jaar naar 28 studiepunten. De niet relevante tegenhanger van deze mutatie is vermeld in de tabel bij mutatie 1.2.

3.5

Als gevolg van het feit dat het wetsvoorstel pro rato lesgeld zal worden ingetrokken, vervalt ook de compensatie in de WTS. Dit leidt tot een neerwaartse bijstelling van de uitgaven WTS.

3.6

In het Regeerakkoord is het voornemen de collegegelden te indexeren opgenomen. Verhoging van het collegegeld zal worden gecompenseerd in de aanvullende beurs. Dit leidt tot hogere uitgaven aanvullende beurs, die deels in de vorm van een voorwaardelijke lening uitgegeven worden (zie mutatie 1.2) en deels in de vorm van een beurs. De meeruitgaven aan beurs worden via deze mutatie verwerkt.

3.7

Het wijzigen van de leeftijdsgrens van de studiefinanciering leidt tot hogere uitgaven. Ook voor deze maatregel geldt dat dit enerzijds tot hogere uitgaven aan voorwaardelijke lening leidt (zie mutatie 1.2) en anderzijds tot hogere beursuitgaven. De meeruitgaven aan beurs worden via deze mutatie verwerkt.

3.8

Met ingang van studiejaar 1999/2000 komt de ov-kaart onder de werking van de prestatiebeurs. Dit leidt enerzijds tot hogere uitgaven aan voorwaardelijke lening (zie mutatie 1.2) en anderzijds tot lagere beursuitgaven. De lagere uitgaven aan beurs worden via deze mutatie verwerkt.

3.9

De ov-kaart blijft in zijn huidige vorm bestaan. Dat betekent dat studenten vrij blijven in de keuze van de week- of de weekend kaart, onafhankelijk van de woonsituatie. Continuering van de huidige vorm van de ov-kaart leidt tot meerkosten van gemiddeld f 90 miljoen per jaar gedurende de contractperiode.

Daarnaast zal het effect dat meer studerenden thuis zullen gaan wonen om op die manier in aanmerking te komen voor de hoger gewaardeerde thuiskaart zich niet voordoen. Naast de meerkosten van het contract leidt dit tot een besparingsverlies op de uitwonendentoeslag van ca. f 70 miljoen structureel.

3.10

In het Regeerakkoord is aangekondigd dat de doorstroom van mbo-afgestudeerden naar het hbo geen belemmeringen mag ondervinden. Hiervoor is f 20 miljoen gulden uitgetrokken.

3.11

Door de intensiveringen in het onderwijs die aangekondigd zijn in het Regeerakkoord, zal het lesgeld stijgen. Compensatie van deze stijging in de WTS leidt tot hogere uitgaven.

3.12

Bij Voorjaarsnota 1998 was er nog sprake van dat de verhoging van de prestatienorm voor het eerste jaar in het hoger onderwijs met nog een jaar uitgesteld zou worden (ingangsdatum 1 september 1999). Het daarbij behorende besparingsverlies voor de jaren 2000–2003 is weergegeven in deze mutatie. Zoals uit mutatie 3.4 blijkt is de verhoging van de prestatienorm nu volledig van de baan.

3.13

Het betalen van lesgeld vanaf de leeftijd van 16 jaar (pro rato) leidt naast extra ontvangsten ook tot extra uitgaven in de vorm van een lesgeldvergoeding. Bij Voorjaarsnota 1998 was er nog sprake van uitstel van het wetsvoorstel naar het schooljaar 1999/2000. Hierdoor worden de kosten niet in 1998, maar (ten dele) in 1999 gemaakt. Zoals ook uit mutatie 3.5 blijkt wordt het wetsvoorstel pro rato ingetrokken.

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 25.01 verplichtingen uitgaven codering
  199719981999 199719981999 econ. funct.
WSF relevant     2 145 6561 697 9221 772 029 41 04.4
WSF niet relevant     901 4731 442 7771 474 182 72E 04.4
OV-kaart     891 278861 504746 713 43D 04.4
WTS     451 988425 352480 460 41 04.4
Overig     8 87014 00015 575 41 04.4
Internationale samenwerking     1 0001 0001 000 43A 01.5
Totaal     4 400 2654 442 5554 489 959    

Artikel 25.02 Garanties rentedragende leningen

Algemeen

Op dit artikel worden de uitgaven geraamd die het gevolg zijn van in het verleden afgegeven garanties op leningen studiefinanciering die bij private bankinstellingen zijn afgesloten.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 25.021997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 100100100100100 
Geautoriseerd totaal 100100100100100 
Stand ontwerpbegroting 199947100100100100100100

Toelichting

Op dit artikel doen zich geen mutaties voor. Jaarlijks wordt nog een klein bedrag gereserveerd voor beroepen op garanties die in het verleden zijn afgegeven op leningen. In 1997 is er f 47 000 uitgegeven aan garanties.

Economische en functionele codering

De economische en functionele codering is respectievelijk 63D en 04.4.

Artikel 25.01 Ontvangsten studiefinanciering

Algemeen

De ontvangsten op dit artikel bestaan uit kortlopende en langlopende WSF-schulden. De kortlopende schulden bestaan uit ten onrechte uitbetaalde studiefinanciering in vorige jaren (achterstallig lager recht). Tot de categorie langlopende schulden behoren de aflossingen op renteloze voorschotten en rentedragende leningen en de rente-ontvangsten op rentedragende leningen.

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f1000)
Artikel 25.011997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 828 300813 400788 100722 400686 100 
Nieuwe mutaties 44 50061 91264 52518 60016 900 
Stand ontwerpbegroting 1999812 644872 800875 312852 625741 000703 000617 300
Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 25.0119981999200020012002  
1. Technische mutaties38 50036 50031 70025 30019 000   
1. Overboekingen (extern)38 50036 50031 70025 30019 000   
2. Autonome mutaties6 00025 41232 825– 6 700– 2 100   
1. Diversen6 00025 41232 825– 6 700– 2 100  
Totaal44 50061 91264 52518 60016 900   

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

De externe overboekingen houden verband met fors hogere niet relevante ontvangsten. Dit zijn de hoofdsom-aflossingen op leningen die vanaf 1 januari 1992 zijn verstrekt. In tegenstelling tot de leningen die tót 1992 zijn verstrekt, zijn deze «nieuwe» leningen direct rentedragend op het moment dat het geld wordt opgenomen. De ontvangsten op de hoofdsom zijn daardoor niet relevant, de rente ontvangsten zijn wél relevant.

2.1

De opwaartse autonome bijstelling van de ontvangstenraming is het saldo van diverse ontwikkelingen. Ten eerste zijn de ontvangsten op de relevante rentedragende leningen lager. Dit zijn de oude leningen, verstrekt tot 1 januari 1992, die uitsluitend relevante ontvangsten opleveren. Uit de begrotingsuitvoering van 1997 en begin 1998 is gebleken dat met name de termijnontvangsten op de RL65 en voor een klein deel de extra ontvangsten flink zijn achter gebleven bij de raming (– f 88 miljoen).

Ten tweede zijn de ontvangsten op de kortlopende schulden aanzienlijk hoger dan begroot; f 94 miljoen in 1998. Vooral de ontvangsten als gevolg van vorderingen op ten onrechte betaalde studiefinanciering (achterstallig lager recht) zijn gestegen ten opzichte van de oorspronkelijke begroting.

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de ontvangsten (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 25.01 ontvangsten ontvangsten codering
  199719981999 econ. funct.
Ontvangsten kortlopende schulden 283 782319 500328 912 98 04.4
Ontvangsten langlopende schulden 528 862553 300546 400 82 04.4
Ontvangsten internationale samenwerking 000 43A 01.5
Totaal 812 644872 800875 312    

Artikel 25.02 Ontvangsten lesgelden

Algemeen

Op dit artikel worden de lesgeldontvangsten op grond van de Les- en cursusgeldwet geboekt.

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 25.021997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 613 200849 200888 338917 299953 599 
Nieuwe mutaties – 77 300– 75 700– 73 500– 67 000– 65 100 
Stand ontwerpbegroting 1999733 197535 900773 500814 838850 299888 499906 099
Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 25.0219981999200020012002  
1. Technische mutaties10 50010 50010 50010 50010 500   
1. Desalderingen10 50010 50010 50010 50010 500   
2. Autonome mutaties– 29 90030 000– 4 700– 7 500– 13 500   
1. Diversen 24 000– 22 400– 24 200– 24 600   
2. Leerlingenkenmerken– 19 60015 20023 10023 30022 400   
3. Leerlingenvolume– 10 300– 9 200– 5 400– 6 600– 11 300   
3. Beleidsmatige mutaties– 57 900– 116 200– 79 300– 70 000– 62 100   
1. RA: afstel bijdrage in administratiekosten gespreid betalen – 4 000– 4 000– 4 000– 4 000   
2. RA: afstel pro rato lesgeld – 53 900– 101 600– 105 500– 110 600   
3. RA: lesgelden indexatie 13 40026 30039 50052 500   
4. Uitstel pro-rato lesgeld– 57 900– 71 700  
Totaal– 77 300– 75 700– 73 500– 67 000– 65 100   

Toelichting op de nieuwe mutaties.

1.1

De mutatie «desaldering» heeft betrekking op extra lesgeldontvangsten van vavo-studerenden. Voorheen betaalden vavo-studerenden cursusgeld, met ingang van schooljaar 1998/1999 worden zij lesgeldplichtig. De extra opbrengsten leiden tot extra uitgaven voor beroepsonderwijs en volwasseneducatie (bve): de onderwijsinstellingen worden door bve gecompenseerd voor het cursusgeld dat zij door de lesgeldplicht mislopen.

2.1

De autonome mutatie «diversen» bestaat uit twee mutaties. Ten eerste een mutatie in verband met de herijking van het lesgeld. In de begroting 1998 is een separate mutatie opgenomen door stijging van de onderwijskosten. Deze stijging is nu opgenomen in de herijking van het lesgeld zoals dit onder 2.2 «leerlingenkenmerken» wordt toegelicht.

De tweede autonome mutatie heeft betrekking op het uitstel van het wetsvoorstel pro rato. Deze mutatie is een aanvulling op de mutatie die onder punt 3.1 is opgenomen. In tegenstelling tot de beleidsmatige mutatie onder 3.1 betreft het hier een mutatie als gevolg van volume ontwikkelingen.

2.2

De mutatie leerlingenkenmerken heeft twee oorzaken. Ten eerste is er in de begroting 1998 uitgegaan van een lager lesgeldbedrag vanaf 1999. In dat jaar wordt het lesgeld herijkt en de nieuwe lesgeldnorm komt dit jaar hoger uit dan in de begroting 1998.

Ten tweede wordt er in de lesgeldraming vanuit gegaan dat de totale lesgeldontvangsten van een schooljaar over meerdere kalenderjaren worden ontvangen. Inzicht van de laatste jaren heeft geleerd dat het te ontvangen lesgeld voor het eerste kalenderjaar van een schooljaar iets lager is dan voorheen werd begroot. Dit is in de begroting 1999 bijgesteld waardoor er eenmalig een daling in de lesgeldontvangsten zichtbaar is.

2.3

De ontvangsten zijn naar beneden bijgesteld door een lager aantal lesgeldplichtigen dan geraamd.

3.1

Uit het Regeerakkoord 1998 valt af te leiden dat het wetsvoorstel vervroegen ingangsdatum lesgeldplicht (kortweg «pro rato lesgeld») zal worden ingetrokken (zie ook mutatie 3.2). Door dit wetsvoorstel zou tevens de bijdrage in de administratiekosten voor studerenden die het lesgeld gespreid betalen geregeld worden. Aangezien dit niet doorgaat leidt dit tot minderontvangsten van f 4 miljoen structureel vanaf 1999.

3.2

Zoals ook vermeld bij mutatie 3.1 valt uit het Regeerakkoord af te leiden dat het wetsvoorstel «pro rato lesgeld» zal worden ingetrokken. Als gevolg hiervan treedt een besparingsverlies op bij de ontvangsten lesgeld.

3.3

Als gevolg van de intensiveringen in het onderwijs die voorzien zijn in het Regeerakkoord 1998, leidt herijking van het lesgeldbedrag aan de personele en materiële kosten tot een stijging van het lesgeld en derhalve tot hogere lesgeldontvangsten.

3.4

Bij Voorjaarsnota 1998 was er nog sprake van uitstel van het wetsvoorstel «pro rato lesgeld». Dit uitstel heeft geleid tot een verschuiving van de lesgeldontvangsten; voor 1998 en 1999 is de oorspronkelijk hogere ontvangst afgeboekt. Zoals ook uit mutatie 3.1 en 3.2 blijkt, wordt het wetsvoorstel «pro rato lesgeld» ingetrokken.

Economische en functionele codering

De economische en functionele codering is respectievelijk 16 en 04.4.

Beleidsterrein 26 OVERIGE PROGRAMMA-UITGAVEN

Artikelen binnen beleidsterrein 26 Overige programma uitgaven

kst-26200-VIII-2-28.gif

* Artikelen met een stand van 0 (26.02, 26.07 en 26.09) of een negatieve stand (26.06) zijn niet in deze grafiek opgenomen.

Artikel 26.01 Bemiddeling wachtgelders

Algemeen

De maatregelen voor arbeidsbemiddeling en scholing van wachtgelders worden sinds 1 januari 1996 mede ontworpen en uitgevoerd door organisaties als het Participatiefonds, de Stichting Mobiliteitsfonds hbo en de Stichting SOFOKLES. De coördinatie is in handen van het Sectorbestuur voor de onderwijsarbeidsmarkt.

Het Sectorbestuur verricht tevens adviestaken op het gebied van het arbeidsmarktbeleid en -informatievoorziening en verricht onderzoek naar de wachtgeldproblematiek. Het op dit artikel geraamde budget staat ten dienste van het totaal aan activiteiten van het Sectorbestuur en de sub-sectoren.

De voorziene uitgaven op dit artikel zijn bestemd voor:

a. Externe ondersteuning ten behoeve van projectontwikkeling en informatievoorziening, onderzoek en beleidsadvisering; kosten voor arbeidsvoorzieningsorganisaties; kosten voor het Sectorbestuur voor de onderwijsarbeidsmarkt;

b. Additionele middelen voor een decentraal te ontwikkelen aanbod op het gebied van bemiddeling en scholing;

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 26.011997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 28 27028 68228 86328 86328 863 
Nieuwe mutaties 350135– 82– 299– 516 
Stand ontwerpbegroting 199920 99428 62028 81728 78128 56428 34728 347
Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 26.0119981999200020012002  
1. Technische mutaties350350350350350   
1. Bijstelling uit aanvullende posten350350350350350   
3. Beleidsmatige mutaties – 215– 432– 649– 866   
1. RA: arbeidsproductiviteit – 158– 317– 476– 635   
2. RA: budgettering incidenteel – 57– 115– 173– 231  
Totaal350135– 82– 299– 516   

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

Deze mutatie betreft de loonbijstelling uit de aanvullende post van artikel 26.06 Loonbijstelling.

3.1

Deze mutatie betreft de doorwerking van het Regeerakkoord om de arbeidsproductiviteitsstijging jaarlijks met 0,55% af te romen.

3.2

De incidentele looncomponent wordt conform Regeerakkoord verlaagd naar 0,6% per jaar.

Economische en functionele codering

De economische en functionele codering is 43A respectievelijk 04.05.

Artikel 26.02 Overige rechtspositionele uitkeringen

Algemeen

Op dit artikel zijn bedragen geraamd van rechtspositionele uitkeringen die nog niet aan enig beleidsterrein zijn toegekend.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 26.021997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 200 310209 026243 208290 708290 708 
Nieuwe mutaties 200 310209 026243 208290 708290 708 
Stand ontwerpbegroting 19991 204000000
Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 26.0219981999200020012002   
1. Technische mutaties– 162 084– 191 847– 190 041– 194 063– 169 063   
1. Bijstelling uit aanvullende posten– 162 084– 191 847– 190 041– 194 063– 169 063   
2. Autonome mutaties– 38 226– 1 379– 21 167– 48 745– 57 645   
1. Diversen– 15 3001 500500     
2. Wachtgelden– 22 926– 2 879– 21 667– 48 745– 57 645   
3. Beleidsmatige mutaties – 15 800– 32000– 47 900– 64 000   
1. RA: budgettering incidenteel – 200– 400– 600– 800   
2. RA: inverdieneffecten – 15 600– 31 600– 47 300– 63 200   
Totaal– 200 310– 209 026– 243 208– 290 708– 290 708   

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

De mutatie betreft uitdelingen naar diverse beleidsterreinen ter dekking van diverse rechtspositionele uitgaven:

– naar de beleidsterreinen po, vo en bve, waarmee de uitdeling de autonome wachtgeldraming van deze beleidsterreinen op het niveau brengt, dat is afgesproken naar aanleiding van het onderzoek «De jaren tellen»;

– naar het beleidsterrein vo voor het terugbrengen van de lessentaak tot 26 uur in 1998;

– naar de beleidsterreinen po, vo, bve, hbo, wo, en owb voor het te voeren seniorenbeleid;

– naar het beleidsterrein hbo ter dekking van de uitverdieneffecten bij het kunstvakonderwijs;

– naar de beleidsterreinen po, vo en bve en artikel 26.03 voor uitgaven in het kader van het Prick-experiment.

Tevens zijn in deze mutatie begrepen de verdeling van de taakstellingen Regeerakkoord wachtgelden en incidenteel die op dit artikel zijn geboekt (zie mutatie 3.1 en 3.2).

Onderverdeling technische mutaties naar categorie (exclusief verdeling taakstelling Regeerakkoord)(bedrag x f 1 mln)
Categorie19981999200020012002
Wachtgelden74,298,1110,1128,6124,7
Lessentaak vo (zie ook art. 26.06)42,00,00,00,00,0
Seniorenbeleid39,795,095,095,095,0
Uitverdieneffecten3,28,011,413,48,4
Prick-experimenten3,06,55,55,05,0
Totaal162,1207,6222,0242,0233,1

De verdeling over de beleidsterreinen is opgenomen in de onderstaande tabel.

Onderverdeling technische mutaties naar beleidsterrein (exclusief verdeling taakstelling Regeerakkoord) (bedrag x f 1 mln)
Beleidsterrein19981999200020012002
Primair onderwijs18,545,761,582,582,6
Voortgezet onderwijs93,383,382,583,283,5
Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie36,846,742,739,035,2
Hoger beroepsonderwijs6,816,620,022,017,0
Wetenschappelijk onderwijs5,312,712,712,712,7
Onderzoek en wetenschapsbeleid0,92,12,12,12,1
Overige programma-uitgaven0,50,50,50,50,0
Totaal uitdeling162,1207,6222,0242,0233,1

In de twee bovenstaande tabellen is de verdeling van de taakstelling regeerakkoord die op dit artikel geboekt zijn over de verschillende beleidsterreinen niet opgenomen. De bovenstaande uitdeling tezamen met de hierna volgende verdeling van de Regeerakkoord taakstellingen, tellen op tot de mutatie bijstelling aanvullende post.

De taakstelling Regeerakkoord betreft met name de vermindering van de wachtgelduitgaven die voortvloeien uit het Regeerakkoord. Op artikel 26.06 is ook een vermindering van de wachtgelden voorzien. Deze middelen tezamen zijn als volgt verdeeld over de beleidsterreinen primair onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs en volwasseneneducatie:

Verdeling wachtgeldmutaties naar beleidsterreinen (Regeerakkoord en andere intensiveringen(bedrag x f 1 mln)
 19981999200020012002
Artikel 26.02: onderdeel RA – 15,8– 32,0– 47,9– 64,0
Artikel 26.06: onderdeel wachtgelden  – 10,0– 20,0– 20,0
Totaal te verdelen over beleidsterreinen – 15,8– 42,0– 67,9– 84,0
Waarvan:     
Primair onderwijs – 9,8– 25,0– 39,9– 50,0
Voortgezet onderwijs – 3,0– 11,0– 19,0– 22,0
Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie – 3,0– 6,0– 9,0– 12,0
Totaal uitdeling – 15,8– 42,0– 67,9– 84,0

2.1/2.2

Uit de gereserveerde middelen voor wachtgelden zijn de wachtgeldramingen op de diverse beleidsterreinen opgehoogd (zie mutatie 1.1).

3.1

De incidentele looncomponent wordt conform Regeerakkoord verlaagd naar 0,6% per jaar.

3.2

De voorgenomen intensiveringen uit het Regeerakkoord in het po, vo en bve leiden naar verwachting tot meer werkgelegenheid en daarmee tot een dalend aantal wachtgelders. De verwachte daling van de wachtgelduitgaven is in totaal f 63,2 miljoen.

Economische en functionele codering

De economische en functionele codering is 43A respectievelijk 04.9.

Artikel 26.03 CASO, vakbondsfaciliteiten en voorzieningen

Algemeen

Deelbudget Uitvoeringsinstelling sociale zekerheid voor overheid en onderwijs (USZO)

De middelen op dit deelbudget zijn bestemd voor de apparaatskosten van de werkloosheidsregelingen voor de sector Onderwijs en de sector Rijk. Deze regelingen worden voor OCenW door USZO uitgevoerd.

Door de nieuwe artikelindeling voor beleidsterrein 17 zijn de apparaatskosten van USZO met ingang van de begroting 1999 overgeboekt naar artikel 17.15 Zelfstandige uitvoerende organisaties.

Deelbudget CASO

De uitgaven voor 1999 worden begroot op f 9,3 miljoen. Dit bedrag is bestemd voor:

– de beleidsinformatie die OCenW aan het CASO-systeem ontleent;

– de personeelskosten van de beheerorganisatie CASO (die in 1995 is geprivatiseerd) en de kosten van de systeemaanpassingen als gevolg van wijzigingen in de arbeidsvoorwaardenregelingen en levering van beleidsinformatie aan het departement.

De technische en functionele opwaardering die in de afgelopen drie jaar heeft plaatsgevonden is binnen het budget en conform de planning afgerond. Het budget is daarom met de jaarlijkse kosten van die opwaardering, te weten f 5 miljoen verlaagd. Als gevolg van de opwaardering is rekening gehouden met een verlaging van de uitgaven met f 1 miljoen.

Deelbudget Vakbondsfaciliteiten en voorzieningen

Deze middelen worden bestemd voor de volgende activiteiten:

– De Integrale Personeelstelling Onderwijspersoneel (IPTO);

– Projecten op het gebied lerarentekorten: om- en nascholing; instroom PABO's en instroom stille reserve en taakbelasting;

– Projecten op het gebied van kwaliteitsbevordering: vitaal leraarschap; loopbaanfasering en competentiebeoordeling; oprichting beroepsgroep en lerarenregister; startbekwaamheden en beroepsprofielen;

– Projecten op het gebied van invoering van een integraal personeelsbeleid op scholen

– De personele en logistieke kosten van het secretariaat van het georganiseerd overleg (GO) betreffende onderwijssector, ondergebracht bij het centrum voor arbeidsverhoudingen overheidspersoneel (CAOP);

– Facilitering van organisaties van onderwijspersoneel voor werkzaamheden voor het georganiseerd overleg en vakbondswerkzaamheden. Dit is gebaseerd op de Regeling georganiseerd overleg (GO) en vakbondsfaciliteiten (ca f 20 miljoen), alsmede een bijdrage aan cursorische activiteiten van werknemersorganisaties ten behoeve van het personeel (leden en niet-leden) in het kader van de Wet Medezeggenschap Onderwijspersoneel, conform de CAO 1995/1996 (f 2,5 miljoen);

– De regeling Ziektekostenvoorziening overheidspersoneel (zvo) werd voor wat betreft de in- en postactieven tot 1998 voor alle overheidssectoren uitgevoerd door Biza (dienst ZVO te Emmen); sinds 1998 is de regeling gesectoraliseerd. Programma- en apparaatskosten alsmede een budget voor aansprakenbelasting zijn verdeeld over de sectoren (sector O&W f 75 miljoen; vanaf 2000 f 93 miljoen). Kosten van de regeling Ziektekosten voor Onderwijs- en Onderzoekspersoneel (ZVOO; Staatsblad 1997, 357) worden uit dit deelbudget betaald.

De apparaatskosten van de dienst ZVO zijn met ingang van de begroting 1999 overgeboekt naar het nieuwe artikel 17.15 Zelfstandige uitvoerende organisaties.

Deelbudget informatie- en communicatie technologie (ict)

Op het artikelonderdeel ict worden de uitgaven voor het ict-project verantwoord die nog niet aan de onderwijssectoren zijn toe te rekenen. Deze uitgaven hebben betrekking op de aanloop en opstartkosten van ict en de additionele bedragen op grond van het Regeerakkoord.

Samengevat ontstaat het volgende cijferbeeld van dit artikel:

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 26.031997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 83 99978 87775 88572 88572 885 
Nieuwe mutaties 125 366179 583303 338351 017398 224 
Begrotingsstand voor conversie118 030209 365258 460379 223423 902471 109471 109
Overheveling naar 17.15  – 45 798– 42 653– 39 525– 39 426– 39 426
Stand ontwerpbegroting 1999118 030209 365212 662336 570384 377431 683431 683
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 26.031997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 83 99978 87775 88572 88572 885 
Nieuwe mutaties 108 718179 583303 338351 017398 224 
Begrotingsstand voor conversie151 779192 717258 460379 223423 902471 109471 109
Overheveling naar 17.15  – 45 798– 42 653– 39 525– 39 426– 39 426
Stand ontwerpbegroting 1999151 779192 717212 662336 570384 377431 683431 683
Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 26.0319981999200020012002   
1. Technische mutaties89 658139 591159 941159 896159 396   
1. Bijstelling uit aanvullende posten1 7781 7811 8011 7561 256   
2. Overboekingen (extern) 12 83015 66015 66015 660   
3. Overboekingen (intern)87 880124 980142 480142 480142 480   
2. Autonome mutaties6 960       
1. Diversen6 960       
3. Beleidsmatige mutaties12 10039 992143 397191 121238 828   
1. ICT10 000       
2. Intertemporele compensatie2 100       
3. RA: ICT exploitatie 40 300144 000192000240 000   
4. RA: arbeidsproductiviteit – 266– 518– 752– 1 003   
5. RA: budgettering incidenteel – 42– 85– 127– 169   
Totaal108 718179 583303 338351 017398 224   

1.1

Deze mutatie heeft betrekking op de aan beleidsterrein 26 uitgedeelde loon- en prijsbijstelling en middelen ter dekking van de rechtspositionele uitgaven (zie toelichting op 26.02 , 26.06 en 26.07).

1.2

Dit is een overboeking afkomstig van het Ministerie van Binnenlandse Zaken inzake actualisatie programma-uitgaven Ziektekostenvoorziening onderwijs en onderzoekspersoneel

1.3

Deze reeks betreft een saldo van diverse interne overboekingen:

– een overboeking van f 1,1 miljoen naar het begrotingsartikel 17.06 voor de uitgaven van Cfi voor IPTO (Integrale Personeelstelling Onderwijspersoneel);

– van artikel 26.06 is structureel een bedrag van f 3,3 miljoen voor het apparaatsdeel en f 71,7 miljoen in 1998 (oplopend tot f 89,2 miljoen in 2000) bestemd voor het programmadeel van de Ziektekostenvoorziening onderwijs en onderzoekspersoneel overgeboekt.

– in het kader van ict is f 101 miljoen in 1998 en f 50 miljoen in 1999 en latere jaren overgeboekt van artikel 26.08 (centraal beheerde middelen) naar dit artikel. Daarnaast is in 1998 f 51 miljoen overgeboekt naar beleidsterrein 18 (po) respectievelijk f 35 miljoen naar beleidsterrein 19 (vo) voor de uitvoering van de subsidieregeling ict. Ter dekking van de uitgaven voor de informatica-opleiding vo is f 1 miljoen overgeboekt naar beleidsterrein 19 (vo).

2.1

Dit zijn ict-middelen die zijn doorgeschoven van 1997 naar 1998. Een bedrag van f 6 miljoen is bestemd voor de subsidieregeling ict voor de beleidsterreinen 18 (po) en 19 (vo). Het resterende bedrag ad f 1 miljoen is bestemd voor de opstart- en aanloopkosten ict.

3.1

De Stichting Computerbemiddeling die zorgdraagt voor de levering van «gebruikte» computers aan onderwijsinstellingen wordt voor een deel rechtstreeks gesubsidieerd door het Ministerie van OCenW. Het bedrag van f 10 miljoen bestaat voor een deel uit een bijdrage voor bureau- en salariskosten (f 0,6 miljoen). Het resterende bedrag bestaat uit een vergoeding voor het upgraden van de «gebruikte» computers.

3.2

Deze mutatie (intertemporele compensatie ad f 2,1 miljoen) betreft een restant van het liquidatiesaldo Arbeidsmarkt- en Opleidingsfonds dat van 1997 naar 1998 is doorgeschoven. Deze middelen zijn beschikbaar voor sociale partners in po, vo en bve voor activiteiten op het gebied van arbeidsmarkt en opleiding.

3.3

In het onderwijs dient men van jongsaf te leren spelen en werken met de moderne informatie- en communicatietechnologie. Dit om straks internationaal de boot niet te missen. Voor de exploitatielasten die het gevolg zijn van de opgebouwde ict-infrastructuur in het onderwijs wordt structureel een bedrag oplopend tot f 240 miljoen per jaar beschikbaar gesteld.

3.4

Deze mutatie betreft de doorwerking van het Regeerakkoord om de arbeidsproductiviteitsstijging jaarlijks met 0,55% af te romen.

3.5

De incidentele looncomponent wordt conform Regeerakkoord verlaagd naar 0,6% per jaar.

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 26.03 verplichtingen uitgaven codering
  199719981999 199719981999 econ. funct.
Vakbondsfaciliteiten en voorzieningen     29 62129 10328 189 43A 04.5
Ziektekostenvoorziening onderwijs en onderzoekspersoneel            
– programma-deel      71 98184 811 43A 01.1
– apparaatskosten      3 2800 12 01.1
CASO  nvt  18 56915 3829 362 12 04.0
USZO     94 54942 0110 12 01.1
ICT     9 04030 96090 300 43A 04.0
Totaal     151 779192 717212 662    

Artikel 26.05 Internationale betrekkingen

Algemeen

Onder dit artikel zijn de uitgaven voor de internationale onderwijssamenwerking opgenomen, zowel voor multilaterale als bilaterale samenwerking. Toegevoegd is het artikelonderdeel Nederlandse Taalunie. Daarnaast is het artikelonderdeel Internationalisering opgesplitst waarbij de programma-uitgaven zichtbaar worden gemaakt. Samenwerking met Midden en Oost Europa is een apart artikelonderdeel hiervan.

Ten laste van het artikelonderdeel bilaterale samenwerking zullen activiteiten worden uitgevoerd voor prioritaire landen en regio's, zoals die zijn weergegeven in de nota «Onbegrensd Talent». De volgende beleidstrajecten zijn onderdeel van het actieplan:

– Leren in Nederland

Om de leerlingen en studenten voor te bereiden op de internationale leef- en werkomgeving van de toekomst gaat de aandacht vooral uit naar de ontwikkeling van mobiliteit. Door middel van een mobiliteitsmonitor worden de ontwikelingen op dit terrein gevolgd. Met de inrichting in 1998 van de nationale programma's voor stimulering in het po/vo en bve-veld is een hernieuwde impuls gegeven aan de internationalisering van deze onderwijsvelden.

– Samenwerking in de grensregio's

Het accent ligt op de intensivering van de samenwerking tussen hoger onderwijs instellingen op het gebied van informatie over planning (nieuwe) opleidingen en intensivering van de taalverwerving. Specifiek aandachtspunt is het bevorderen van mobiliteit.

– Europese Unie

Op de agenda van de Europese Unie staat in de eerste plaats de vormgeving van nieuwe generatie communautaire programma's voor onderwijs (Socrates) en opleiding (Leonardo) en het daarvoor beschikbare budget. Ook de bijdrage die onderwijs kan leveren aan de vergroting van de werkgelegenheid in de EU is onderwerp van overleg.

Ook op de Nederlandse overheid doet de Europese Commissie, ten behoeve van de tien kandidaat-lidstaten uit Midden-Europa, een beroep om tot een intensieve samenwerking tussen overheidsinstellingen te komen om de aanpassing en toepassing van de regelgeving van de EU (onder meer het «acquis communautair») te helpen tot stand te brengen. Nederland zal een antwoord op deze uitdaging moeten geven, hetgeen bijvoorbeeld betekent dat de betrokken Nederlandse diensten zich op passende wijze zullen moeten inrichten. Teneinde de coördinatie van de EU en de bilaterale inzet in de pre-accessieproces te verzekeren, vindt door Buitenlandse Zaken aangestuurd interdepartementaal overleg plaats.

– Samenwerking buiten de Europese Unie

De samenwerking richt zich op een aantal prioritaire landen. Een goede inbedding in het buitenlands beleid van de regering staat daarbij voorop. De middelen die in het kader van de culturele verdragen beschikbaar zijn worden daarvoor ingezet.

In het kader van het actieplan zijn ook budgetten geoormerkt op andere artikelen van de begroting van OCenW. Zie hiervoor de financiële paragraaf bij de nota.

Op het artikelonderdeel multilaterale samenwerking staan de uitgaven voor het OESO/INES-project «Students achievements» alsmede de bijdrage voor het Centrum voor Moderne Talen te Graz van de Raad van Europa en enkele kleinere projecten in het kader van de EU en de Unesco.

Ten laste van het artikelonderdeel internationalisering worden de volgende activiteiten gebracht die voortvloeien uit het actieplan «Onbegrensd Talent»: het ontwikkelen van een beleidsmonitor, de internationalisering van de bve-sector en het inzetten van «native speakers in de klas».

Het budget voor beurzen in het kader van culturele verdragen wordt jaarlijks per begrotingsmutatie overgeboekt van dit artikel, ten laste van de artikelonderdelen bilaterale en internationale samenwerking, naar artikel 22.02. De overboeking maakt de uitvoering van de beurzenprogramma's door de Nuffic mogelijk.

Van het artikelonderdeel Midden- en Oost-Europa zijn de apparaatskosten van CROSS overgeboekt naar het nieuwe artikel 17.10 Bestuursdepartement.

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 26.051997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 13 47114 16314 16214 16214 162 
Nieuwe mutaties 7 3435 8235 9005 8965 793 
Begrotingsstand voor conversie9 18820 81419 98620 06220 05819 95519 955
Overheveling naar 17.10  – 620– 617– 613– 610– 610
Stand ontwerpbegroting 19999 18820 81419 36619 44519 44519 34519 345
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 26.051997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 13 49114 18314 16214 16214 162 
Nieuwe mutaties 7 0445 8485 9005 8965 793 
Begrotingsstand voor conversie10 32520 53520 03120 06220 05819 95519 955
Overheveling naar 17.10  – 620– 617– 613– 610– 610
Stand ontwerp begroting 199910 32520 53519 41119 44519 44519 34519 345
Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 26.0519981999200020012002   
1. Technische mutaties5 6445 8525 9075 9075 807   
1. Bijstelling uit aanvullende posten4346464646   
2. Overboekingen (intern)5 6015 8065 8615 8615 761   
2. Autonome mutaties1 400       
1. Diversen1 400       
3. Beleidsmatige mutaties – 4– 7– 11– 14   
1. RA: arbeidsproductiviteit – 4– 7– 11– 14   
Totaal7 0445 8485 9005 8965 793   

Toelichting op de nieuwe mutaties

Verplichtingen

Beleidsmatig is in de verplichtingensfeer een bedrag van f 0,324 miljoen gulden gemuteerd. Dit bedrag betreft een correctie op de stand van de meerjarige verplichtingen. Door wijzigingen op verplichtingen uit het jaar 1996 en door verplichtingen die in het jaar 1997 voor het jaar 1998 zijn aangegaan, is deze correctie noodzakelijk.

Uitgaven

1.1

Deze mutatie betreft de loon- en prijsbijstelling voor het jaar 1998 en volgende jaren. De gelden zijn afkomstig uit de aanvullende posten van beleidsterrein 26.

1.2

Deze mutatie heeft betrekking op de volgende vier interne overboekingen:

a. Een structurele overboeking in verband met de overdracht van de landenportefeuille van artikel 18.05 naar dit artikel van f 0,4 miljoen gulden per jaar, voor het jaar 1998 en volgende jaren. Het budget is bestemd voor de bilaterale samenwerking met Marokko, Turkije en Suriname.

b. Een overboeking voor de jaren 1998 en 1999 van artikel 18.05 naar dit artikel. Het betreft het aandeel in het project Saba.

c. Het budget voor de Nederlandse Taalunie (f 5,2 miljoen) is in 1998 structureel overgeboekt van artikel 23.01 naar dit artikel, omdat de directie Internationaal beleid met ingang van het jaar 1998 de budgetverantwoordelijkheid heeft. De begrotingsgelden zijn als apart artikelonderdeel binnen dit artikel zichtbaar.

d. In het kader van emancipatie-activiteiten die voortvloeien uit de beleidsnota «Kristal van kansen» zijn structureel middelen van artikel 26.09 naar dit artikel overgeboekt.

2.1

Deze mutatie van f 1,4 miljoen gulden betreft de eindejaarsmarge van het jaar 1997 die wordt aangewend om de extra uitgaven, verbonden aan een tweetal activiteiten, in het jaar 1998 te kunnen financieren. Het betreft het OECD/INES-project «Students achievements», waarvoor f 0,9 miljoen gulden is geoormerkt en het samenwerkingsprogramma met Zuid-Afrika, voor de intensivering van dit programma is f 0,5 miljoen gulden geoormerkt.

3.1

Deze mutatie betreft de doorwerking van het Regeerakkoord om de arbeidsproductiviteitsstijging jaarlijks met 0,55% af te romen.

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 26.05 verplichtingen uitgaven codering
  199719981999 199719981999 econ. funct.
Bilaterale samenwerking 1 1545 5595 961 1 4245 5635 986 43A 04.0
Multilaterale samenwerking 3 6371 350488 3 7331 408508 43A 04.0
Emancipatie-activiteiten – 24208209 16208209 43A 04.0
Nederlandse Taalunie 05 2175 217 05 2175 217 43A 04.0
Internationalisering 4 104225200 4 835225200 43A 04.0
Midden- en Oost-Europa 04 9644 000 04 6234 000 43A 04.0
Internationale samenwerking 3173 2913 291 3173 2913 291 43A 01.5
Totaal 9 18820 81419 366 10 32520 53519 411    

Artikel 26.06 Loonbijstelling

Algemeen

Het artikel loonbijstelling vervult dezelfde functie op de OCenW-begroting als de overeenkomstige zogenaamde aanvullende post op de Rijksbegroting. De bijstelling van de begroting voor de nominale loonontwikkeling wordt in eerste instantie geraamd op deze post. Na de vaststelling van de feitelijke loonontwikkeling per begroting worden de daarbij vastgestelde bedragen overgeheveld naar het artikel Loonbijstelling. Zolang de verdeling van deze bedragen over de beleidsterreinen binnen de OCenW-begroting niet vaststaat, worden ze op dit artikel verantwoord.

De beginstand van dit artikel is opgebouwd uit verschillende onderdelen. Het belangrijkste element uit deze stand zijn de reserveringen voor de Ziektekostenvergoeding Overheidspersoneel.

De belangrijkste elementen van de eindstand van dit artikel (negatief) zijn de bij Voorjaarsnota 1999 te ontvangen loonbijstelling 1999 van Financiën onder andere ter dekking van de koopkrachtreparatie in de onderwijs CAO '96–'98, de reservering voor incidentele loonsommutatie po vanaf 2002 en de middelen voor verbetering van de carrièreperspectieven van leraren in het onderwijs.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 26.061997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 114 931130 253167 895183 485274 858 
Nieuwe mutaties – 95 902– 335 569– 266 157– 283 021– 258 003 
Stand ontwerpbegroting 1999019 029– 205 316– 98 262– 99 53616 85590 870
Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 26.0619981999200020012002   
1. Technische mutaties– 281 470– 409 988– 420 046– 444 310– 443 670   
1. Bijstelling uit aanvullende posten– 206 490– 333 639– 337 566– 371 830– 371 190   
2. Overboekingen (extern) – 1 369      
3. Overboekingen (intern)– 74 980– 74 980– 92 480– 92 480– 92 480   
4. Verdeling wachtgelden  10 00020 00020 000   
2. Autonome mutaties– 7 291– 13 570– 16 809835– 22 674   
1. Gemiddelde personeelslasten– 7 291– 3 5703 19120 835– 2 674   
2. Wachtgelden – 10 000– 20 000– 20 000– 20  000   
3. Beleidsmatige mutaties192 85977 989160 698160 454208 341   
1. RA: budgettering incidenteel – 111– 302– 546– 1 459   
2. RA: leraren 78 100161 000161 000209 800   
3. wachtgelden 10 00010 000     
4. Verschuiving arb.voorw.ruimte192 859       
Totaal– 95 902– 335 569– 266 157– 283 021–  258 003   

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

Uit de aanvullende post van de Rijksbegroting is compensatie voor de loonbijstelling 1998 ontvangen, alsmede compensatie voor extra uitgaven ten gevolge van de wet Pemba. De samenstelling van de ontvangen bijstelling uit de aanvullende post is opgenomen in onderstaande tabel.

Onderverdeling ontvangen aanvullende post naar categorie(bedrag x f 1 mln)
Categorie19981999200020012002
Loonbijstelling96,5120,2138,5139,5140,4
Pemba-compensatie255,8265,1264,1266,6269,4
Totaal aanvullende post352,3385,3402,6406,1409,8

Naar de verschillende beleidsterreinen zijn middelen uitgedeeld ter dekking van de gestegen loonkosten. Voor het jaar 1999 zijn deze middelen als volgt uitgesplitst:

Onderverdeling uitgedeelde aanvullende post naar categorie(bedrag x f 1 mln)
Categorie 1999
Totaal v.d. bijstelling sector onderwijs en wetenschappen: 662,3
– Effecten Pemba252,3 
– Koopkrachtreparatie180,9 
– Vermindering van de lessentaak in het vo (vanaf 1999)90,6 
– Vergoeding stijging ZKOO-regeling73,0 
– Vergoeding voor stijging premie vervangingsfonds37,0 
– Effecten van premiewijzigingen (OP/NP, FAOP, OT, Pseudopremies)19,5 
– Incidenteel PO9,0 
   
Loonbijstelling sector rijk 11,4
   
Loonbijstelling overige sectoren 45,2
Totaal 718,9
Onderverdeling uitgedeelde aanvullende post naar beleidsterrein (exclusief mutatie wachtgelden)(bedrag x f 1 mln)
Beleidsterrein19981999200020012002
Ministerie Algemeen10,99,29,710,110,1
Primair onderwijs225,3254,9296,9335,0336,6
Voortgezet onderwijs106,6219,5203,3204,1205,6
Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie63,470,068,768,668,9
Hoger beroepsonderwijs34,738,736,836,135,9
Wetenschappelijk onderwijs80,188,086,586,185,9
Onderzoek en wetenschapsbeleid15,016,015,715,615,7
Overige programma-uitgaven1,31,31,21,21,2
Cultuur21,521,321,421,121,1
Totaal uitdeling558,8718,9740,2777,9781,0

De uitdeling uit de aanvullende post van de Rijksbegroting enerzijds, en de uitdeling naar de verschillende beleidsterreinen anderzijds leidt per saldo tot de gegeven mutatie:

(bedrag x f 1 mln)
 19981999200020012002
Totaal ontvangen aanvullende post352,3385,3402,6406,1409,8
Totaal uitdeling558,8718,9740,2777,9781,0
Saldo bijstelling– 206,5– 333,6– 337,6– 371,8– 371,2

Het saldo heeft betrekking op de nog te ontvangen loonbijstelling voor 1999 uit de aanvullende post van de Rijksbegroting.

1.2

Dit is een overboeking naar het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij voor het kwaliteitsbeleid voor ouderen in het kader van de CAO '96–'98.

1.3

De interne overboeking is onder te verdelen in een structureel bedrag van f 3,3 miljoen voor het apparaatsdeel van de Ziektekostenvoorziening onderwijs en onderzoekspersoneel. Het resterende bedrag van f 71,7 miljoen in 1998, oplopend tot f 89,2 miljoen in 2000 is bestemd voor het programmadeel van de Ziektekostenvoorziening onderwijs en onderzoekspersoneel. De bedragen zijn overgeboekt naar artikel 26.03.

1.4

Deze mutatie betreft de verdeling van de mutaties wachtgelden (mutaties 2.2 en 3.3) over de beleidsterreinen. De verdeling van de mutatie is toegelicht bij artikel 26.02.

2.1

De onder 1.1 genoemde, aan de beleidsterreinen uitgedeelde, loonbijstelling is in totaal iets lager uitgevallen dan de beschikbaar gekomen bedragen. Het artikel kan met deze bedragen worden verlaagd. Tevens is er een taakstelling op de incidentele loonsommutatie geboekt.

2.2

Bij Voorjaarsnota is een vermindering van de wachtgelduitgaven ingeboekt in verband de verwachte verruiming van de arbeidsmarkt in verband met de klassenverkleining in het po en de lessentaakvermindering in het vo. Zie ook mutatie 3.3.

3.1

De incidentele looncomponent wordt conform Regeerakkoord verlaagd naar 0,6% per jaar.

3.2

In het Regeerakkoord is een bedrag opgenomen oplopend tot f 209,8 miljoen structureel ter verbetering van de carrièreperspectieven van leraren in het onderwijs. Deze gelden zijn nog niet verdeeld en staan nu nog geparkeerd op dit artikel.

3.3.

In het Regeerakkoord is de verdere klassenverkleining voorzien per 1 augustus 2000. De reeds ingeboekte vermindering van de wachtgelden (zie mutatie 2.2) schuift daarmee een jaar op. De totale mutatie is verdeeld over de beleidsterreinen. Zie hiervoor de toelichting bij artikel 26.02

3.4

Het bedrag dat in 1997 op dit artikel is bijgeboekt voor koopkrachtreparatie van in totaal f 192,9 miljoen is via de eindejaarsmarge doorgeschoven naar 1998, en in dat jaar ingezet voor de koopkrachtreparatie.

Economische en functionele codering

De economische en functionele codering is 43Z respectievelijk 04.9.

Artikel 26.07 Prijsbijstelling

Algemeen

Dit artikel heeft dezelfde functie als het artikel loonbijstelling, maar dan voor de uitdeling van de prijscompensatie. De ontvangen prijsbijstelling uit de aanvullende post van de Rijksbegroting is uitgedeeld naar de beleidsterreinen. Het artikel is dus leeggeboekt.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 26.071997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 00000 
Nieuwe mutaties 00000 
Stand ontwerpbegroting 19990000000

Het Kabinet heeft de prijsbijstelling bepaald op 25% van de feitelijke prijsontwikkeling.

(bedrag x f 1 mln)
 19981999200020012002
Prijsbijstelling 199825,724,424,224,524,9

Binnen OCenW is dezelfde lijn gevolgd: aan elk beleidsterrein is 25% van de feitelijke prijsontwikkeling toegevoegd.

Onderverdeling uitgedeelde prijsbijstelling naar beleidsterrein(bedrag x f 1 mln)
Beleidsterrein19981999200020012002
Ministerie Algemeen0,70,70,70,70,7
Primair onderwijs4,04,14,24,24,2
Voortgezet onderwijs2,12,12,02,02,0
Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie3,43,53,33,33,3
Hoger beroepsonderwijs3,23,23,13,13,1
Wetenschappelijk onderwijs5,85,75,75,75,8
Onderzoek en wetenschapsbeleid1,41,31,31,31,3
Studiefinancieringsbeleid3,12,42,22,12,1
Overige programma-uitgaven0,70,10,40,81,1
Cultuur1,31,31,31,31,3
Totaal uitdeling25,724,424,224,524,9

Economische en functionele codering

De economische en functionele codering is 43Z respectievelijk 04.9.

Artikel 26.08 Centraal beheerde middelen

Algemeen

Op dit artikel worden in de eerste plaats uitgaven geraamd die pas worden verdeeld over de artikelen als aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Dit geldt voor de besteding van projectgelden bij het ministerie of de IB-Groep, waarbij in geval van extra uitgaven in de bedrijfsmatige en automatiseringssfeer als gevolg van beleidsontwikkelingen een onderbouwd bestedingsplan overlegd moet worden.

In de tweede plaats komt op dit artikel een aantal boekhoudkundige mutaties tot uitdrukking die veroorzaakt worden door het niet altijd synchroon lopen van bezuinigingen waartoe het kabinet besluit en de bedragen die door de feitelijk genomen maatregelen worden gegenereerd. Eventuele verschillen worden niet op de betrokken artikelen verwerkt (dat zou de kwaliteit van de raming aantasten), maar op dit centrale artikel bijgehouden.

Ook bezuinigingen die nog niet zijn ingevuld, worden eerst op dit artikel gezet.

Op dit artikel worden geen feitelijke uitgaven gedaan. Uitgaven zijn pas mogelijk nadat de benodigde bedragen via een suppletoire begroting zijn overgeboekt naar het van toepassing zijnde artikel.

Per ultimo 1998 bestaat dit artikel uit de f 110 miljoen voor de millenniumproblematiek dat uit de aanvullende post van de Rijksbegroting komt en nog centraal gereserveerd staat. Verder is er nog op dit artikel een taakstellende onderuitputting geparkeerd.

Voor 1999 en latere jaren zijn de middelen bestemd voor het Herontwerp IB-Groep en een bedrag van f 18 miljoen voor de leraren in opleiding.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 26.081997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 96 223– 104 955– 31 38093 050193 099 
Nieuwe mutaties – 27 557139 49844 162– 46 647– 167 304 
Stand ontwerpbegroting 1999068 66634 54312 78246 40325 795232 155
Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 26.0819981999200020012002   
1. Technische mutaties– 41 173– 51 457– 51 218– 60 818– 50 491   
1. Bijstelling uit aanvullende posten110 307– 337– 98302629   
2. Overboekingen (extern)– 1 480– 1 120– 1 120– 1 120– 1 120   
3. Overboekingen (intern)– 150 000– 50 000– 50 000– 60 000– 50 000   
3. Beleidsmatige mutaties13 616190 95595 38014 171– 116 813   
1. ICT32 500       
2. Lerarenopleiding (LIO's) 18 00018 00018 00018 000   
3. OV-kaart 126 00090 00039 00038 000   
4. Reservering WBC1 900       
5. Taakstelling e.a.– 20 78445 2553 680– 29 229– 148 113   
6. RA: verschillenreeks 11 700– 6 300– 7 600– 18 700   
7. Dekking tekorten – 10 000– 10 000– 6 000– 6 000   
Totaal– 27 557139 49844 162– 46 647– 167 304   

Toelichting op nieuwe mutaties

1.1

Deze mutatie bestaat uit de ontvangen prijscompensatie voor dit artikel. Tevens heeft er een bijstelling uit de aanvullende post van de Rijksbegroting van f 110 miljoen voor de millenniumproblematiek plaatsgevonden.

1.2

Dit is een overboeking naar het Ministerie van Justitie voor de wet bescherming persoonsgegevens.

1.3

De interne overboekingen hebben alle betrekking op informatie- en communicatietechnologie (ict). In 1998 is f 101,0 miljoen en in de jaren 1999 tot en met 2003 is f 50,0 miljoen van artikel 26.08 overgeboekt naar het ict-onderdeel van artikel 26.03. Het gaat hierbij om de ict-impuls en een deel van de structurele kosten. Ook naar de beleidsterreinen bve en hbo zijn in 1998 bedragen overgeboekt voor ict (respectievelijk f 23,0 miljoen en f 26,0 miljoen). Een gemaakte reservering van f 10,0 miljoen ten behoeve van de problematiek bij cultuur is incidenteel in 2001 overgeboekt.

3.1

Deze mutatie betreft de f 30 miljoen aan ict-middelen die zijn doorgeschoven van 1997 naar 1998.

3.2

Deze mutatie betreft het continueren van het experiment met de leraren in opleiding.

3.3

Deze mutatie betreft de dekking van het tekort dat is ontstaan als gevolg van het nieuwe contract met de OV-bedrijven vanaf 1999. In de vorige begroting werd uitgegaan van een dekking uit meevallers. Deze hebben zich niet voorgedaan.

3.4

Het bedrag van f 1,9 miljoen is via de eindejaarsmarge gereserveerd voor de aankopen uit de Wet tot behoud van het cultuurbezit.

3.5

Belangrijke component van deze mutatie is de al in de Voorjaarsnota gemelde taakstellende onderuitputting van f 59,0 miljoen in 1998. Dekking van het totaal van bijstellingen van de begroting van OCenW in latere jaren leidt tot verlaging van deze stand van dit artikel. Ter vermindering van de tekorten in 1998, 1999 en 2000 zijn voorts bedragen die niet in 2001 en 2002 benodigd zijn, naar voren gehaald.

3.6

Het totaalbedrag van de bij het Regeerakkoord aan OCenW toegekende middelen komt niet geheel overeen met de optelsom van de verschillende prioriteiten. De verschilreeks is hier opgenomen.

3.7

Een tekort op de wachtgelden van f 10 mln in 1999 en 2000 en een bijstelling van de cultuurbegroting vanaf 2001 zijn gedekt op dit artikel.

Economische en functionele codering

De economische en functionele codering is 43Z respectievelijk 04.9.

Artikel 26.09 Emancipatie-activiteiten

Algemeen

Op dit artikel worden middelen geraamd voor emancipatie-activiteiten.

Het geld is bedoeld als «aanjaagpremie» om emancipatoir beleid te initiëren op de diverse beleidsterreinen. Jaarlijks wordt het beschikbare bedrag daartoe verdeeld.

Deze verdeling gaat in de vorm van co-financiering (50% regulier budget en 50% additionele middelen).

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 26.091997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 1215 6255 6255 6255 625 
Nieuwe mutaties – 121– 5 625– 5 625– 5 625– 5 625 
Stand ontwerpbegroting 19990000000
Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 26.0919981999200020012002   
1. Technische mutaties– 121– 5 625– 5 625– 5 625– 5 625   
1. Bijstelling uit aanvullende posten118181818   
2. Overboekingen (intern)– 122– 5 643– 5 643– 5 643– 5 643   
Totaal– 121– 5 625– 5 625– 5 625– 5 625   

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

Deze mutatie bestaat uit de ontvangen prijscompensatie voor dit artikel.

1.2

De interne overboeking vanuit dit centrale budget naar de artikelen van de beleidsterreinen is ten behoeve van de beleidsnota «Kristal van kansen». Daarmee wordt dit artikel leeggeboekt.

Economische en functionele codering

De economische en functionele codering is 43Z respectievelijk 04.9.

Artikel 26.10 Asielzoekers

Algemeen

Op dit artikel worden de uitgaven opgenomen voor de asielzoekers. Tot en met de begroting 1997 stonden de uitgaven voor asielzoekers geboekt op een afzonderlijke aanvullende post in de Rijksbegroting en werden de budgetten jaarlijks overgeboekt naar de OCenW begroting. Nu de raming een meer stabiel karakter heeft, wordt het budget meerjarig naar OCenW overgeboekt.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 26.101997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 17 44185 67673 88870 43470 434 
Nieuwe mutaties – 1 141– 59 947– 55 484– 56 357– 58 697 
Stand ontwerpbegroting 1999016 30025 72918 40414 07711 73711 737
Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 26.1019981999200020012002   
1. Technische mutaties– 1 141– 59 776– 55 188– 55 934– 58 134   
1. Bijstelling uit aanvullende posten2 859– 55 776– 51 188– 51 934– 54 134   
2. Overboekingen (extern)– 4 000– 4 000– 4 000– 4 000– 4 000   
3. Beleidsmatige mutaties – 171– 296– 423– 563   
1. RA: budgettering incidenteel – 171– 296– 423– 563   
Totaal– 1 141– 59 947– 55 484– 56 357– 58 697   

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

Deze mutatie betreft een generale bijstelling in verband met gewijzigde aantallen van asielzoekers.

(bedrag x f 1 mln)
 19981999200020012002
Aanvullende post19,332,925,719,515,3

De verdeling van de aanvullende post over de beleidsterreinen is opgenomen in de onderstaande tabel.

 
Beleidsterrein19981999200020012002
Primair onderwijs8,548,441,938,937,8
Voortgezet onderwijs6,034,229,627,426,7
Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie0,95,14,44,13,9
Wetenschappelijk onderwijs1,01,01,01,01,0
Totaal uitdeling16,488,776,971,469,4

1.2

Dit is een overboeking naar het Ministerie van Justitie voor het huisvestingscomponent in de kosten van asielzoekers in het basisonderwijs.

3.1

De incidentele looncomponent wordt conform Regeerakkoord verlaagd naar 0,6% per jaar.

Economische en functionele codering

De economische en functionele codering is 43Z respectievelijk 04.9.

Artikel 26.01 Overige programma-ontvangsten

Algemeen

Het betreft de ontvangsten die niet aan één onderwijssoort kunnen worden toegerekend.

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 26.011997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 219219219219219 
Nieuwe mutaties 8 0000000 
Stand ontwerpbegroting 19994 2958 219219219219219219
Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 26.0119981999200020012002   
2. Autonome mutaties8 000       
1. Afrekeningen8 000       
Totaal8 0000000   

Toelichting op de nieuwe mutaties

2.1

Het bedrag van f 8,0 miljoen heeft betrekking op in het verleden teveel betaalde faop-premies, welke nog met USZO worden verrekend.

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de ontvangsten (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 26.01 ontvangsten    ontvangsten codering
      199719981999 econ. funct.
Ontvangsten nader te verdelen  219219219 06 13.9
Ontvangsten overige programmakosten  4 0768 000  43A 04.0
Ontvangsten internationale samenwerking       43A 01.5
Totaal  4 2958 219219    

Beleidsterrein 27 CULTUUR

kst-26200-VIII-2-29.gif

Artikel 27.01 Kunsten

Algemeen

De op dit artikel geraamde uitgaven zijn bestemd voor activiteiten en instellingen op het gebied van de podiumkunsten (muziek, opera, dans, toneel en mime), film, beeldende kunst, bouwkunst en vormgeving, amateurkunst en kunsteducatie. Verder worden uit dit artikel bijdragen verschaft aan bovensectorale subsidies op het terrein van de kunsten.

Voorzover op dit artikel subsidieregelingen aan de orde zijn, zijn deze in de subsidiebijlage (bijlage 6) opgenomen.

Op grond van de Wet op het specifiek cultuurbeleid (Stb. 1993, 193) en het Bekostigingsbesluit cultuuruitingen (Stb. 1994, 473) worden de uitgaven gedaan.

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 27.011997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 101 44491 73391 972508 046507 927 
Nota van wijziging 10 00010 00010 00010 00010 000 
Geautoriseerd totaal 111 444101 733101 972518 046517 927 
Nieuwe mutaties – 2 23816 39319 00822 45016 030 
Begrotingsstand voor conversie126 446109 206118 126120 980540 496533 957536 157
Overheveling naar 17.12  – 4 808– 4 808– 4 808– 4 808– 4 808
Stand ontwerpbegroting 1999126 446109 206113 318116 172541 688535 149531 349
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 27.011997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 532 530522 753522 109508 046507 927 
Nota van wijziging 10 00010 00010 00010 00010 000 
Geautoriseerd totaal 542 530532 753532 109518 046517 927 
Nieuwe mutaties 9 15027 78130 39622 45016 030 
Begrotingsstand voor conversie529 093551 680560 534562 505546 496533 957536 157
Overheveling naar 17.12  – 4 808– 4 808– 4 808– 4 808– 4 808
Stand ontwerpbegroting 1999529 093551 680555 726557 697541 688535 149531 349
Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 27.0119981999200020012002   
1. Technische mutaties7 15025 23430 23026 47522 372   
1. Bijstelling uit aanvullende posten14 44814 23214 22813 91013 907   
2. Overboekingen (extern)– 10 0008 20013 20014 60010 500   
3. Desalderingen – 1 400– 1 400– 1 400– 1 400   
4. Overboekingen (intern)2 7024 2024 202– 635– 635   
3. Beleidsmatige mutaties2 0002 5471661 975– 342   
1. Arbeidstijdenwet2 0002 0002 000     
2. Compensatie terugval budget   6 0006 000   
3. RA: arbeidsproductiviteit – 2 386– 4 767– 6 958– 9 275   
4. Stelselwijziging rijkshuisvesting 2 9332 9332 9332 933   
Totaal9 15027 78130 39628 45022 030   

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

De bijstelling uit aanvullende posten bestaat uit salarismaatregelen 1998 van f 14,0 miljoen voor de gepremieerde en gesubsidieerde sectoren en de prijsbijstelling 1998 van f 0,2 miljoen. Voor deze onderdelen wordt verwezen naar de toelichting op beleidsterrein 26.

1.2

Deze mutatie betreft een overboeking van het ministerie van Financiën voor het flankerend beleid van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars (WIK).

1.3

Deze mutatie betreft het verlagen van zowel de uitgaven als de ontvangsten (zie ontvangstenartikel 27.03) tot een meer realistischer niveau van de terugontvangsten in het kader van de vaststelling van subsidies uit voorgaande jaren.

1.4

Overboekingen van beleidsterrein 18 primair onderwijs (f 1,5 miljoen), beleidsterrein 19 voortgezet onderwijs (eveneens f 1,5 miljoen), artikel 27.03 cultuurbeheer (f 1,0 miljoen) alsmede artikel 27.07 overige uitgaven cultuur (f 0,5 miljoen) voor het project «Cultuur en school».

Daarnaast bestaat deze mutatie uit een bijdrage van f 313 000,– aan de Wet behoud cultuurbezit ten gunste van artikel 27.03, f 1,5 miljoen naar de artikelen 27.02 en 27.04 voor de invulling van de motie Wolffensperger (1998) en een overboeking van f 15 000,– in verband met een subsidie-uitruil met de Gemeente Amsterdam ten laste van artikel 27.03.

3.1

De bijstelling van f 2,0 miljoen betreft een bijdrage uit artikel 26.08 in verband met het gedeeltelijk oplossen van de gevolgen van de per 1 januari 1996 gewijzigde Arbeidstijdenwet voor de sector podiumkunsten.

3.2

Met deze toevoeging uit het totaalbeeld wordt een deel van de daling van het kunstenbudget na 2000 ongedaan gemaakt.

3.3

Naar aanleiding van het Regeerakkoord wordt een arbeidsproductiviteitskorting van jaarlijks 0,55% (cumulatief tot en met 2002) toegepast.

3.4

Per 1 januari 1999 wordt een nieuw stelstel voor de rijkshuisvesting ingevoerd. Daarom zijn de middelen voor deze stelselwijziging toegevoegd aan de begrotingen van de departementen.

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 27.01 verplichtingen uitgaven codering
  199719981999 199719981999 econ. funct.
Podiumkunsten 47 03414 61414 316 312 317315 094316 469 43 F 08.1
Film 680809809 26 48826 89633 594 43F 08.1
Beeldende kunst, vormgeving en bouwkunst 50 75447 76544 090 133 211135 481142 361 43F 08.1
Amateurkunst en kunsteducatie 12 7596 49010 990 37 98636 53937 533 43F 08.1
Overige subsidies kunsten* 15 21939 52843 113 19 09137 67025 769 43F 08.1
Totaal 126 446109 206113 318 529 093551 680555 726    

* incl. arbeidsproductiviteitkorting RA

Per 1 januari 1999 worden de uitgaven voor de Rijksakademie voor beeldende kunsten verantwoord op artikel 17.12.

Artikel 27.02 Bibliotheken, letteren en Nederlandse Taalunie

Algemeen

Op dit artikel treft men de uitgaven aan ten behoeve van de Friese taal en cultuur, het landelijk openbaar bibliotheekwerk, de nederlandstalige letteren en de Nederlandse Taalunie. De uitgaven zijn mede gebaseerd op de Wet op het specifiek cultuurbeleid (Stb. 1993, 193) en het Bekostigingsbesluit cultuuruitingen (Stb. 1994, 473).

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 27.021997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 31 12431 44584 74588 35488 354 
Nieuwe mutaties 511– 700– 230777454 
Stand ontwerpbegroting 199935 14031 63530 74584 51589 13188 80888 808
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 27.021997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 87 93588 07088 14888 35488 354 
Nieuwe mutaties 3 0021 4291 104777454 
Stand ontwerpbegroting 199985 82490 93789 49989 25289 13188 80888 808
Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 27.0219981999200020012002   
1. Technische mutaties2 5021 7531 7531 7411 741   
1. Bijstelling uit aanvullende posten1 7521 7531 7531 7411 741   
2. Overboekingen (intern)750       
3. Beleidsmatige mutaties500– 324– 649– 964– 1 287   
1. RA: arbeidsproductiviteit – 324– 649– 964– 1 287   
2. Vertraging projecten500       
Totaal3 0021 4291 104777454   

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

De bijstelling uit aanvullende posten bestaat uit de loonbijstelling 1998 en de prijsbijstelling 1998.

1.2

De interne overboeking bestaat uit een overboeking van artikel 27.01 Kunsten in verband met de invulling van de motie Wolffensperger.

3.1

Naar aanleiding van het Regeerakkoord wordt een arbeidsproductiviteitskorting van jaarlijks 0,55% (cumulatief tot en met 2002) toegepast.

3.2

De vertraging projecten heeft betrekking op de in 1997 geplande verbouwing van 't Schrijvershuis, die eerst in 1998 zal plaatsvinden.

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 27.02 verplichtingen uitgaven codering
  199719981999 199719981999 econ. funct.
Nederlandse Taalunie* 2 7851 5891 656 1 6091 5891 656 31 08.2
Bibliotheken* 13 45614 15514 965 49 75252 87453 130 31 08.2
Letteren* 6 8204 1461 930 22 75224 72922 519 31 08.1
Rechtspositionele uitkeringen* 11 35211 03911 488 11 00511 03911 488 43F 13.9
Werkgelegenheids- en investeringsprojecten 727706706 706706706 43F 08.2
Totaal 35 14031 63530 745 85 82490 93789 499    

* incl. arbeidsproductiviteitkorting RA

Artikel 27.03 Cultuurbeheer

Algemeen

Op dit artikel worden de uitgaven geraamd ten behoeve van de musea, de monumentenzorg, de archieven, de archeologie en de overige activiteiten op het gebied van cultureel erfgoed. Voor de te verstrekken subsidies, alsmede voor spoedaankopen geldt de Wet op het specifiek cultuurbeleid als basis voor de uitgaven.

Voorzover op dit artikel subsidieregelingen aan de orde zijn, zijn deze in de subsidiebijlage (bijlage 6 ) opgenomen.

De Monumentenwet (Stb. 1988, 638) dient als basis voor de uitgaven voor restauratie en onderhoud van aangewezen monumenten, alsmede voor uitgaven bestemd voor het vergoeden van schade als gevolg van beschermings- en opgravingswerkzaamheden van een monumententerrein.

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 27.031997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 192 778188 256188 453305 324305 815 
Nieuwe mutaties 93 585197 35697 213100 801104 024 
Begrotingsstand voor conversie252 532286 363385 612285 666406 125409 839409 839
Overheveling i.v.m. conversie  – 125 523– 125 911– 125 759– 125 271– 125 271
Stand ontwerpbegroting 1999252 532286 363260 089159 755280 366284 568284 568
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 27.031997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 388 315388 737388 935386 665387 156 
Nieuwe mutaties 4 915100 399103 297105 885111 108 
Begrotingsstand voor conversie393 684393 230489 136492 232492 550498 264498 264
Overheveling i.v.m. conversie  – 126 761– 125 911– 125 759– 125 271– 125 271
Stand ontwerpbegroting 1999393 684393 230362 375366 321366 791372 993372 993
Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 27.0319981999200020012002   
1. Technische mutaties– 5398 88112 67116 53114 235   
1. Bijstelling uit aanvullende posten6 5276 4896 5796 6626 666   
2. Overboekingen (extern)– 6 6891 8935 5935 5935 593   
3. Desalderingen– 1 237– 1 237– 1 237– 1 237– 1 237   
4. Overboekingen (intern)8601 7361 7365 5133 213   
2. Autonome mutaties1 2001 7001 7001 700500   
1. Diversen1 2001 7001 7001 700500   
3. Beleidsmatige mutaties4 25489 81888 92687 65496 373   
1. Intertemporele compensatie4 254       
2. RA: arbeidsproductiviteit – 1 144– 2 277– 3 402– 4 535   
3. Stelselwijziging rijkshuisvesting 90 96291 20391 05690 908   
4. Wet tot behoud Cultuurbezit    10 000   
Totaal4 915100 399103 297105 885111 108   

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

De bijstelling uit de aanvullende posten bestaat met name uit de middelen ter compensatie van de algemene salarismaatregelen 1998 en een budget voor prijscompensatie.

1.2

Deze bijstelling van in totaal -f 6,7 miljoen in 1998 wordt voor een belangrijk deel veroorzaakt door een overboeking van f 7,7 miljoen naar het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in verband met de uitvoering van de plannen in het kader van het Deltaplan voor het cultuurbehoud en het Energie efficiency programma rijkshuisvesting.

Van het Ministerie van Financiën wordt vanaf 1999 f 4,6 miljoen ontvangen voor de huurpenningen Naturalis. In 1999 is verder nog sprake van een overboeking naar het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer voor het Rijksarchief Zeeland (f 3,7 mln).

1.3

Als gevolg van minder uitgevoerde opdrachten door derden bij de Rijksdienst Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) wordt f 0,8 miljoen minder uitgegeven.

Door een afname van het aantal langdurig zieken bij de rijksdiensten vindt een bijstelling plaats van – f 0,5 miljoen. Het corresponderende ontvangstenartikel 27.01 is met het totaalbedrag van – f 1,2 miljoen bijgesteld.

1.4

Deze mutatie bestaat in hoofdlijnen uit de volgende bijstellingen:

– een verhoging van f 1,8 miljoen afkomstig van artikel 22.06 Overige uitgaven wetenschappelijk onderwijs voor de financiering van de behoudsprojecten universitaire collecties (tot en met 2000);

– een bijdrage van f 0,3 miljoen voor de Wet behoud cultuurbezit ten laste van artikel 27.01 Kunsten;

– overboeking van f 1,0 miljoen naar artikel 27.01 voor het project Cultuur en school, alsmede een bijdrage van f 15 000,– voor de Hollandsche schouwburg te Amsterdam;

– overboeking van f 0,8 miljoen naar artikel 17.09 Raad voor cultuur ten behoeve van eenmalige inrichtingskosten en tijdelijke tegemoetkoming in de reiskosten buitenland en een formatieplaats tot en met het jaar 2000.

– overboeking van f 0,3 miljoen van artikel 17.06 Personeel en materieel ministerie voor materieel Cultuurbeheer en personeel van de Rijksdienst Monumentenzorg (RDMZ).

2.1

Bijstelling van f 1,2 miljoen ten behoeve van het Energie efficiency programma rijkshuisvesting. Deze mutatie loopt tot en met het jaar 2001.

Met ingang van 1999 wordt structureel f 0,5 miljoen bijgeboekt voor de Digitale duurzaamheid.

3.1

Deze beleidsmatige mutatie van f 4,3 miljoen bestaat uit intertemporele compensatie voor de Wet behoud cultuurbezit en Broekpolder.

3.2

Naar aanleiding van het Regeerakkoord wordt een arbeidsproductiviteitskorting van jaarlijks 0,55% (cumulatief tot en met 2002) toegepast.

3.3

Per 1 januari 1999 wordt een nieuw stelstel voor de rijkshuisvesing ingevoerd. Daarom zijn de middelen voor deze stelselwijziging toegevoegd aan de begrotingen van de departementen.

3.4

Verhoging van f 10,0 miljoen ten laste van artikel 26.08 waarvan f 8,0 miljoen bestemd is voor de Wet behoud cultuurbezit en f 2,0 miljoen voor het oplossen van knelpunten bij de rijksdiensten.

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 27.03 verplichtingen uitgaven codering
  199719981999 199719981999 econ. funct.
Materieel musea 21 71644 63240 619 15 23015 48812 881 12 08.1
Personeel Musea 7 2508 6580 7 6788 0900 11 08.1
Subsidies Musea 44 11036 63134 053 174 033170 044177 650 43A 08.1
Materieel RDMZ 5 5304 9730 10 9135 2830 12 08.1
Personeel RDMZ 12 51615 5900 14 79714 8670 11 08.1
Subsidies Monumentenzorg 111 927112 700116 287 98 609101 54999 826 6 3A 08.1
Materieel ROB 11 5165 3760 18 0497 4380 12 08.1
Personeel ROB 8 1059 7400 9 1388 7350 11 08.1
Subsidies Archeologie 72301301 3902471 302 43A 08.1
Materieel RAD 3 9089 8090 12 06711 8750 12 08.1
Personeel RAD 23 98028 1040 27 38726 7710 11 08.1
Subsidies Archieven 1 9023 3223 322 5 3935 0475 208 43A 08.1
Bijstellingen  964963 09 626964 01 08.1
Algemene Salarismaatregelen*  5 5633 218 08 1703 218 01 08.1
Stelselwijziging rijkshuisvesting   61 326   61 326 12 08.1
Totaal 252 532286 363260 089 393 684393 230362 375    

* incl. productiviteitskorting RA

Vanaf 1 januari 1999 worden de uitgaven voor de Inspectie cultuurbezit verantwoord op artikel 17.11.

De uitgaven voor de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek en het Instituut Collectie Nederland worden verantwoord op artikel 17.12.

De uitgaven voor de Rijksarchiefdienst worden verantwoord op artikel 17.14.

Artikel 27.04 Media

Algemeen

Op dit artikel treft men de vergoeding aan ten behoeve van de omroepinstellingen (landelijk, regionaal en wereldomroep), de beheertaken, het muziekcentrum voor de omroep en de overige uitgaven op het terrein van de media. De uitgaven zijn gebaseerd op de Mediawet (Stb. 1987, 249) en voorzover het de aan de opbrengst rente omroepreserves gekoppelde subsidies mediabeleid betreft, de Wet op het specifiek cultuurbeleid.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 27.041997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 1 487 4211 517 2461 559 2941 594 4241 594 424 
Nieuwe mutaties 22 33040 03024 48220 95245 452 
Stand ontwerpbegroting 19991 486 1181 509 7511 557 2761 583 7761 615 3761 639 8761 665 876
Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 27.0419981999200020012002   
1. Technische mutaties22 11539 74524 19720 66745 167   
1. Desalderingen21 36539 74524 19715 96745  167   
2. Overboekingen (intern)750  4 700    
3. Beleidsmatige mutaties215285285285285   
1. Ruimte ten behoeve van subsidie European Journalism Centre215285285285285   
Totaal22 33040 03024 48220 95245 452   

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

Bijstelling als gevolg van hogere opbrengsten omroepbijdragen en hogere renteontvangsten op de algemene omroepreserve. Voor 1998 betreft het tevens een bijstelling van f 10,7 miljoen in verband met een onttrekking aan de algemene omroepreserve. Het corresponderende ontvangstenartikel 27.02 is met hetzelfde bedrag verhoogd.

1.2

De interne overboeking bestaat uit een overboeking van artikel 27.01 Kunsten in verband met de invulling van de motie Wolffensperger.

3.1

De ruimte voor het European Journalism Centre is afkomstig van artikel 26.08 Centraal beheerde middelen.

Economische en functionele codering

De economische en functionele codering is 16 respectievelijk 8.4.

Artikel 27.05 Garanties, rente en aflossing lening

Algemeen

De verleende garanties hebben betrekking op aangegane leningen ten behoeve van de ontsluiting van het buitenmuseum van het Zuiderzeemuseum, de aankoop van panden voor de Nederlandse Operastichting en de Stichting het Nederlands Filmmuseum en ten behoeve van het Nederlands Bibliotheek- en Lectuurcentrum.

Door een indemniteitsregeling van maximaal f 500 miljoen per jaar is het mogelijk de kosten van het verzekeren van enkele tentoonstellingen van uitzonderlijk belang in overwegende mate van overheidswege structureel gefinancierde museale instellingen omlaag te brengen.

De garanties worden verstrekt op grond van een ministeriële beschikking en de Welzijnswet.

De garanties volgens de indemniteitsregeling worden verstrekt op basis van de Subsidieregeling indemniteit bruiklenen (Stcrt. 16 januari 1996, nr.11).

In het kader van het Besluit rijkssubsidiëring restauratie monumenten (BRRM) is een verlaging van het subsidie à fonds perdu met 10 procent voor alle monumentencategorieën voorzien. Teneinde het investeringsvolume op het terrein van de monumentenzorg constant te houden, heeft het Rijk een garantie-overeenkomst afgesloten met het Nationaal Restauratiefonds (NRF) met een plafond van f 1,5 miljard. Hierdoor is het NRF in staat leningen met een lage rente te verstrekken, waardoor per saldo de financieringslasten voor eigenaren van monumenten niet zullen toenemen.

Met ingang van 1998 is de garantie vervallen, verstrekt op de aangegane lening ten behoeve van de ontsluiting van het buitenmuseum van het Zuiderzeemuseum.

Overzicht garanties

Ontsluiting buitenmuseum Zuiderzeemuseum(bedragen x f 1000)
Artikel 27.051997199819992000200120022003
Garantieplafond0000000
Uitstaand risico per 1 januari115000000
Vervallen of te vervallen garanties115000000
Verleende of te verlenen garanties0000000
Uitstaand risico per 31 december0000000
Indemniteitsregeling(bedragen x f 1000)
Artikel 27.051997199819992000200120022003
Garantieplafond500 000500 000500 000500 000500 000500 000500 000
Uitstaand risico per 1 januari028 50000000
Vervallen of te vervallen garanties028 50000000
Verleende of te verlenen garanties28 500000000
Uitstaand risico per 31 december28 500000000
Nederlandsche Operastichting(bedragen x f 1000)
Artikel 27.051997199819992000200120022003
Garantieplafond0000000
Uitstaand risico per 1 januari2 7732 4272 0811 7341 3881 041694
Vervallen of te vervallen garanties346346347346347347347
Verleende of te verlenen garanties0000000
Uitstaand risico per 31 december2 4272 0811 7341 3881 041694347
Bibliotheken(bedragen x f 1000)
Artikel 27.051997199819992000200120022003
Garantieplafond0000000
Uitstaand risico per 1 januari2 3942 2702 1462 0221 8981 7741 650
Vervallen of te vervallen garanties124124124124124124124
Verleende of te verlenen garanties0000000
Uitstaand risico per 31 december2 2702 1462 0221 8981 7741 6501 526
Stichting Nederlands Filmmuseum(bedragen x f 1000)
Artikel 27.051997199819992000200120022003
Garantieplafond0000000
Uitstaand risico per 1 januari2 4202 3632 3012 2332 1592 0822005
Vervallen of te vervallen garanties57626874777777
Verleende of te verlenen garanties0000000
Uitstaand risico per 31 december2 3632 3012 2332 1592 08220051 928
Nationaal Restauratiefonds(bedragen x f 1000)
Artikel 27.051997199819992000200120022003
Garantieplafond0000000
Uitstaand risico per 1 januari1 500 0001 500 0001 500 0001 500 0001 500 0001 500 0 001 500 000
Vervallen of te vervallen garanties0000000
Verleende of te verlenen garanties0000000
Uitstaand risico per 31 december1 500 0001 500 0001 500 0001 500 0001 500 0001 500  0001 500 000

Economische en functionele codering

De economische en functionele codering is 63Z respectievelijk 08.0.

Artikel 27.07 Overige uitgaven

Algemeen

De op dit artikel geraamde uitgaven hebben betrekking op de beleidsuitgaven voor het gehele Directoraat-Generaal voor Culturele Zaken.

Hieronder vallen onderzoeksopdrachten aan derden ten behoeve van de actuele beleidsvoering op het terrein van de cultuur.

Tot april 1997 werden uit dit artikel bijdragen verstrekt aan projecten ter bevordering van de werkgelegenheid in de cultuursector, alsmede participatie in (onderzoek naar) aanvullende financieringsconstructies voor culturele investeringsprojecten. Dit onderdeel is overgebracht naar artikel 27.03.

Tenslotte zijn uitgaven ten laste van dit artikel bestemd voor de uitvoering van het internationaal cultuurbeleid, zowel via culturele activiteiten en programma's in multilateraal verband (Raad van Europa, EU en UNESCO), als door veldorganisaties binnen het cultuurterrein.

Ook culturele voorlichting aan het buitenland valt onder dit artikel.

Voorzover op dit artikel subsidieregelingen aan de orde zijn, zijn deze in de subsidiebijlage (bijlage 6) opgenomen.

De Wet op het specifiek cultuurbeleid dient als basis voor de uitgaven.

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 27.071997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 12 10612 10712 10616 09016 090 
Nieuwe mutaties – 5 2509 65124 73641 04058 030 
Stand ontwerpbegroting 199910 7816 85621 75836 84257 13074 12074 120
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 27.071997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 12 11812 11912 11816 09016 090 
Nieuwe mutaties – 114 48629 47641 04058 030 
Stand ontwerpbegroting 199911 54912 11726 60541 59457 13074 12074 120
Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 27.0719981999200020012002   
1. Technische mutaties– 501– 504– 5041 069– 1 931   
1. Bijstelling uit aanvullende posten7471718484   
2. Overboekingen (extern)– 75– 75– 75– 75– 75   
3. Overboekingen (intern)– 500– 500– 5001 060– 1 940   
3. Beleidsmatige mutaties50014 99029 98039 97159 961   
1. Intertemporele compensatie500       
2. RA: arbeidsproductiviteit – 10– 20– 29– 39   
3. RA: intensivering 15 00030 00040 00060 000   
Totaal– 114 48629 47641 04058 030   

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

De bijstelling uit aanvullende posten bestaat uit de toedeling van loon- en prijsbijstelling (zie ook de uitgavenartikelen 26.06 en 26.07).

1.2

Overboeking naar het Ministerie van Buitenlandse Zaken (BuiZa) in verband met de kosten voor lokaal personeel vakdepartementen. Als gevolg van de per 1 januari 1998 ingaande wijzigingen in de financiële rechtspositie van lokaal geworven personeelsleden, werkzaam op ambassades en consulaten-generaal in het buitenland, heeft BuiZa een module laten ontwikkelen. Deze module stelt dat ministerie in staat om op basis van de op de posten betaalde feitelijke lonen en andere betalingen te berekenen welke afdrachten er plaats moeten vinden aan loonbelasting en/of sociale premies en/of ziekenfondspremies.

1.3

Overboeking van f 0,5 miljoen naar artikel 27.01 ten behoeve van Cultuur en school, alsmede een bijstelling van f 1,9 miljoen als gevolg van de overname van de verantwoordelijkheid van het Bureau werkgelegenheid en investeringsprojecten naar artikel 27.03 (2001 en 2002). In 2001 wordt er aan dit artikel f 3,0 miljoen toegevoegd voor het project «Rotterdam culturele hoofdstad» ten laste van artikel 26.08.

3.1

Ten behoeve van de kosten van f 250 000,–, gemoeid met een renovatieproject in Suriname en die van het onderzoek «Evaluatie werkplan monumentenzorg» (eveneens f 250 000,–) is een bedrag van f 0,5 miljoen (via de eindejaarsmarge) doorgeschoven vanuit 1997.

3.2

Naar aanleiding van het regeerakkoord wordt een arbeidsproductiviteitskorting van jaarlijks 0,55% (cumulatief tot en met 2002) toegepast.

3.3

Verhoging als gevolg van de toevoeging van intensiveringsgelden, eveneens naar aanleiding van het Regeerakkoord. Deze gelden zullen via een nota van wijziging naar de desbetreffende artikelen worden overgeboekt.

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 27.07 verplichtingen uitgaven codering
  199719981999 199719981999 econ. funct.
Emancipatiebeleid en Boekmanstichting 1 306375375 2 0461 8341 834 43D 08.2
Kosten van onderzoek 1 3821 5071 391 1 2431 7701 520 43Z 08.0
Internationaal cultuurbeleid 2 8918131 043 1 8862 0922 086 43A 08.0
  1 311300300 1 315300300 43G 08.0
  809310310 2 2712 4012 401 43Z 08.0
Internationale samenwerking 3 0822 4512 245 2 7882 6202 370 43A 01.5
Werkgelegenheids- en investeringsprojecten 000 000 43Z 08.2
Overige uitgaven* 01 10016 094 01 10016 094 43Z 08.0
Totaal 10 7816 85621 758 11 54912 11726 605    

* incl. arbeidsproductiviteitskorting en intensiveringsgelden RA

Artikel 27.01 Ontvangsten Cultuurbeheer

Algemeen

Op dit artikel worden geraamd de ontvangsten van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg en de overige rijksdiensten op het terrein van cultureel erfgoed.

De ontvangsten zijn gebaseerd op de begrotingswet.

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 27.011997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 1 3521 3521 3521 3521 352 
Nieuwe mutaties – 1 237– 1 237– 1 237– 1 237– 1 237 
Begrotingsstand voor conversie11 409115115115115115115
Overheveling i.v.m. conversie  – 115– 115– 115– 115– 115
Stand ontwerpbegroting 199911 40911500000
Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 27.0119981999200020012002   
1. Technische mutaties– 1 237– 1 237– 1 237– 1 237– 1 237   
1. Desalderingen– 1 237– 1 237– 1 237– 1 237– 1 237   
Totaal– 1 237– 1 237– 1 237– 1 237– 1 237   

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

Als gevolg van minder uitgevoerde opdrachten door derden bij de Rijksdienst Oudheidkundig Bodemonderzoek wordt f 0,8 miljoen minder uitgegeven.

Door een afname van het aantal langdurig zieken bij de rijksdiensten vindt een bijstelling plaats van –f 0,5 miljoen.

Het corresponderende uitgavenartikel 27.03 is met het totaalbedrag van –f 1,2 miljoen bijgesteld.

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de ontvangsten (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikel 27.01 ontvangsten ontvangsten codering
  199719981999 econ. funct.
Musea 485300 16 08.1
Monumentenzorg 897600 16 08.1
Archeologie 10 027250 16 08.1
Archieven     16 08.1
Totaal 11 4091150    

Vanaf 1 januari 1999 worden de ontvangsten van de Inspectie cultuurbezit, de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek en het Instituut Collectie Nederland en de Rijksarchiefdienst verantwoord op ontvangstenartikel 17.01.

Artikel 27.02 Ontvangsten media

Algemeen

Op dit artikel worden de ontvangsten geraamd ter dekking van de uitgaven op het gebied van de media. Het betreft opbrengsten uit omroepbijdragen, radio- en televisiereclame, rente en overige ontvangsten. De ontvangsten zijn gebaseerd op de Mediawet.

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 27.021997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 1 643 7301 518 5551 560 6031 595 7331 595 733 
Nieuwe mutaties – 133 635194 74524 19715 96745 167 
Stand ontwerpbegroting 19991 491 7251 510 0951 713 3001 584 8001 611 7001 640 9001 666 900
Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 27.0219981999200020012002   
1. Technische mutaties21 36539 74524 19715 96745 167   
1. Desalderingen21 36539 74524 19715 96745 167   
3. Beleidsmatige mutaties–155 000155 000      
1. Uitstel verkoop NOB– 155 000155 000  
Totaal– 133 635194 74524 19715 96745 167   

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

De desalderingen betreffen bijstellingen als gevolg van hogere opbrengsten omroepbijdragen en hogere rente-ontvangsten op de algemene omroepreserve; voor 1998 betreft het tevens een bijstelling van de onttrekking aan de algemene omroepreserve (-f 10,7 miljoen). Het corresponderende uitgavenartikel 27.04 is met hetzelfde bedrag verhoogd.

3.1

Het ingeboekte bedrag van f 155 miljoen uit de verkoop van het Nederlands Omroepproductie Bedrijf (NOB) is doorgeschoven van 1998 naar 1999.

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de ontvangsten (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikel 27.02 ontvangsten ontvangsten codering
  199719981999 econ. funct.
Onttrekking algemene omroepreserve 41 9242 3950 16 08.4
Opbrengst omroepbijdragen 1 0320001 144 0001 184 000 16 08.4
Opbrengst radio- en tv-reclame 336 000350 000363 000 16 08.4
Opbrengst rente 18 60013 70011 300 26 08.4
Overige ontvangsten media 63 2010155 000 16 08.4
Totaal 1 491 7251 510 0951 713 300    

Artikel 27.03 Overige ontvangsten

Algemeen

Op dit artikel worden verantwoord de middelen die worden ontvangen als gevolg van afrekeningen van in voorgaande jaren te hoog verstrekte subsidievoorschotten en de gelden die worden ontvangen en als zodanig niet plaatsbaar zijn op enig ander onderdeel.

De ontvangsten zijn gebaseerd op de Wet op het specifiek cultuurbeleid.

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 27.031997199819992000200120022003
Stand ontwerpbegroting 1998 2 8302 8302 8302 8302 830 
Nieuwe mutaties 0– 1 400– 1 400– 1 400– 1 400 
Stand ontwerpbegroting 19991 2362 8301 4301 4301 4301 4301 430
Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 27.0319981999200020012002   
1. Technische mutaties – 1 400– 1 400– 1 400– 1 400   
1. Desalderingen – 1 400– 1 400– 1 400– 1 400   
Totaal0– 1 400– 1 400– 1 400– 1 400   

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

Deze mutatie betreft een bijstelling van de ontvangsten, onder gelijktijdige verlaging van de uitgaven (zie artikel 27.01), tot een meer realistischer niveau van de terugontvangsten in het kader van de vaststelling van subsidies uit voorgaande jaren.

Economische en functionele codering

De economische en functionele codering is 06 respectievelijk 13.9.

WETSARTIKEL 3 AGENTSCHAPPEN

AGENTSCHAP Centrale Financiën Instellingen (Cfi) (x f 1000)

 
art.omschrijving1999
1Agentschap Centrale Financiën Instellingen (Cfi) 
 Totale baten90 365
 Totale lasten90 365
 Saldo van baten en lasten0
   
 Totale kapitaalontvangsten5 500
 Totale kapitaaluitgaven9 465

Algemeen

Opgedragen werkzaamheden

Sinds 1 januari 1996 is Cfi het agentschap van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen dat;

• de rechtmatige en doelmatige distributie verzorgt van de financiële middelen aan de door de Minister van OCenW bekostigde instellingen voor onderwijs, onderzoek en verzorging, op basis van wet- en regelgeving,

• instellingsgerelateerde gegevens verzamelt, beheert en beschikbaar stelt, ten behoeve van de ontwikkeling, uitvoering en evaluatie van beleid,

• overige opgedragen taken uitvoert zoals de comptabele functie voor de apparaatsuitgaven van het Bestuursdepartement.

Evaluatie agentschap

In 1998 wordt door het bestuursdepartement een evaluatie uitgevoerd over de eerste twee jaren van Cfi als agentschap waarbij onder meer aandacht zal worden geschonken aan de eis dat Cfi als agentschap aantoonbaar doelmatiger is gaan werken. Vooruitlopend op deze evaluatie zijn Cfi en de secretaris-generaal zich opnieuw aan het oriënteren op de wijze waarop Cfi zich verantwoordt over de prestaties. Het productassortiment zoals dat in de Organisatieregeling Cfi is vastgelegd, wordt opnieuw geformuleerd opdat de naamgeving van de producten beter aansluit bij de praktijk. Hierbij wordt tevens aandacht geschonken aan de ontwikkeling van nieuwe prestatie-indicatoren met een betere meetmethodiek om zodoende de transparantie te vergroten in de voortgang en kwaliteit van de productie. De nieuwe producten en prestatie-indicatoren worden opgenomen in de begroting 2000. De baten voor dit nieuwe productassortiment worden berekend met het kosteninformatiemodel dat in 1997 is ontwikkeld. Mede ten gevolge van de evaluatie en het nieuwe productassortiment wordt onderzocht in hoeverre het model verder kan worden ontwikkeld.

Begroting van baten en lasten van het agentschap Cfi (x f 1000)
Omschrijving1997199819992000200120022003Codering
        econfunct.
Baten         
Opbrengst:         
moederdep.89 10088 76087 46584 42584 54684 54684 546  
tweeden en derden2 6212 8002 6002 6002 6002 6002 600  
rentebaten594100300300300300300  
bijzondere baten563  
          
Totale baten92 87891 66090 36587 32587 44687 44687 446  
          
Lasten         
personeel47 65345 63247 10047 10047 10047 10047 1001104.0
materieel33 33440 44537 76534 72534 84634 84634 8461204.0
afschrijvingen5 6655 5835 5005 5005 5005 5005 5001504.0
Dotatie aan voorzieningen2 043000000  
Totale lasten88 69591 66090 36587 32587 44687 44687 446  
Saldo van baten en lasten4 183000000  

Toelichting op de begroting van baten en lasten

Algemeen

Uitgangspunt bij de begroting is dat de baten de lasten volledig dekken. Investeringen in toekomstige jaren zullen vanuit de financiële reserves of liquide middelen die ontstaan uit de jaarlijkse afschrijvingen, op basis van de aanschaffingsprijs incl. BTW) worden betaald.

De volgorde in de toelichting op de begroting van baten en lasten is gelijk aan de gepresenteerde volgorde in de rekening van baten en lasten.

Baten

De baten van Cfi vallen uiteen in de volgende categorieën:

Opbrengst moederdepartement

Een toelichting op de baten van het moederdepartement is verderop in de begroting opgenomen in de tabel «aansluiting begroting Cfi en begroting OCenW»

Opbrengsten tweeden en derden

De opbrengst van derden bestaat uit diverse componenten. Cfi ontvangt van het Participatiefonds een vergoeding van f 2,4 miljoen voor de uitvoering van de instroomtoets. Daarnaast ontvangt Cfi conform de WOB onkostenvergoedingen voor verstrekte informatie van f 0,2 miljoen. Het betreft hier informatie die op verzoek beschikbaar wordt gesteld aan externe organisaties als scholen, onderzoeksinstellingen, gemeenten en dergelijke. De opbrengsten voor tweeden worden verkregen voor de werkzaamheden die Cfi verricht in verband met de helpdesk inburgering voor de ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Rentebaten

De rentebaten zijn berekend op basis van het gemiddelde verwachte saldo op de rekening courant bij Financiën en de vergoeding daarvoor in de vorm van creditrente. Gegeven de huidige en de toekomstige liquiditeitspositie van Cfi (zie ook de begroting van kapitaaluitgaven en ontvangsten) verwacht Cfi een rente baten van f 0,3 miljoen.

Lasten

Personeel

De stijging van de personele lasten van 1998 op 1999 wordt veroorzaakt door de inzet van vast personeel op een aantal grote projecten zoals invoering onderwijsnummer, euro en millennium. De continuïteit van de primaire processen wordt gewaarborgd door de inzet van tijdelijk personeel. De behaalde efficiency-voordelen op automatisering worden geïnvesteerd in een kwaliteitsverbetering van het vaste personeel. Hierdoor komen de personele lasten op een structureel hoger niveau te liggen.

Materieel

Het merendeel van de lasten heeft betrekking op beheer en exploitatie van systemen. Daarnaast bevat deze post de kosten van onderhoud van hardware, meubilair en overige inventaris.

De daling van de geraamde materiële exploitatiekosten in 2000 ten opzichte van 1999 wordt veroorzaakt door het definitief buiten gebruik stellen van oude systemen.

Afschrijvingen

Inventarisatie van de vaste activa heeft geresulteerd in een berekening van een verwachte lineaire afschrijving van gemiddeld f 5,5 miljoen in 1999. De relatief hoge uitgaven voor overige kapitaalgoederen in 1998, 1999 en 2000 worden gefinancierd uit de niet bestede afschrijvingsgelden van 1997 en eerdere jaren.

Aansluiting baten en lastenbegroting Cfi en begroting OCenW

Cfi voert een begroting op basis van het baten en lastenstelsel, het moederdepartement voert een begroting op basis van het kasstelsel. Door dit verschil in uitgangspositie kan de begroting van baten en lasten van Cfi verschillen met de begroting van Cfi in de apparaatskostenbegroting van het ministerie van OCenW op kasbasis. Het verschil in 1999 is te herleiden naar de aflossing van de vordering Flankerend Beleid. Deze vordering betreft de voorziening die in 1994 is getroffen voor de verwachte uitgaven aan de decentralisatie van de huisvestingstaken. De vordering is opgenomen op de beginbalans van Cfi. Het bovenstaande kan als volgt worden samengevat:

 
Omschrijving1999
Baten moederdepartement87 465
Aflossing vordering Flankerend beleid700
Kasstroom OCenW88 165

Begroting van kapitaaluitgaven en kapitaalontvangsten Cfi (x f 1000)

De kapitaaluitgaven zijn gebaseerd op een meerjarenraming van de vervangingsinvesteringen. Het relatief hoge bedrag voor geplande investeringen in 1999 hangt samen met de reeds toegelichte intensivering bij afschrijvingen.

 
Omschrijving1997(Slotwet)199819992000200120022003
Liquide middelen 1 januari17 60825 44721 79018 52517 10017 86018 110
1a. Saldo van baten en laten4 183000000
1b. Gecorrigeerd voor afschrijvingen/mutaties voorzieningen6965 5835 5005 5005 5005 5005 500
1c. Gecorrigeerd voor mutatie in het werkkapitaal4 274700700600300400 
1. Kasstroom uit operationele activiteiten9 1536 2836 2006 1005 8005 9005 500
2a. Uitgaven onroerende zaken       
2b. Uitgaven overige kapitaalgoederen – 9 940– 9 4657 525– 5 040– 5 650– 3 900
2c. Gecorrigeerd voor desinvesteringen– 2 038  
2. Kasstroom uit investeringsactiviteiten– 2 038– 9 940– 9 4657 525– 5 040– 5 650– 3 900
3a. Opname leningen van moederdepartement       
3b. Investeringsbijdrage van het departement724000000
3c. Aflossingen langlopende leningen  
3. Netto kasstroom uit financieringsactiviteiten724000000
Liquide middelen 31 december25 44721 79018 52517 10017 86018 11019 710

RELATIE PRODUCTCATEGORIE EN KWALITEIT

De kwaliteit van functioneren van Cfi wordt gemeten door per productcategorie prestatie-indicatoren te benoemen die te normeren zijn en waarvan de ontwikkeling is te monitoren. De ervaringen die de afgelopen jaren zijn opgedaan met de prestatie-indicatoren hebben geleid tot een kwaliteitsslag op het gebied van herkenbaarheid, stuurbaarheid en meetbaarheid. Hierdoor is de set met prestatie-indicatoren die in de begroting 1998 en eerder was opgenomen, in deze begroting enigszins gewijzigd. Bij de productcategorie Uitvoering van regelingen wordt bij indicator «verloren beroepen/bezwaren» het aantal verloren beroepen vanaf 1998 niet meer gemeten. Door de bezwaarschiftencommissie toe te voegen in de procesgang worden deze beroepen over het algemeen via een schikking op het bezwaarschrift afgehandeld. Bij de productcategorie Informatievoorziening (aan het onderwijsveld) zijn nieuwe indicatoren ontwikkeld waardoor een beter inzicht wordt gekregen in de telefonische en mondeling dienstverlening aan het onderwijsveld. Tevens is de meetmethodiek verbeterd zodat de transparantie in de voortgang en kwaliteit van de productie is vergroot. In overleg met het bestuursdepartement worden deze prestatie-indicatoren het komende jaar nog verder aangevuld. Hiervoor wordt onder andere gebruik gemaakt van de resultaten die voortkomen uit de evaluatie van het agentschap Cfi.

 
Te leveren productcategoriePrestatie-indicatorRealisatie 1997Doel 1999
1. Uitvoering van regelingen:   
reguliere vergoedingen, aanvullende vergoedingen en niet bekostigingsbeslissingen)– tijdig afgehandelde beslissingen – verloren bezwaarschriften70% 0,61%100% 0,35%
    
2. Informatievoorziening:   
– aan onderwijsveld – aantal afhakers – tijdig afgehandelde telefoongesprekken – tijdig afgehandelde informatiebrieven10% > 95% 70%< 10% > 95% 100%
– Aan ministerie– tijdige levering conform protocollen70%80%
    
3. Overige productcategorieën:   
– compt. functie voor apparaatsuitgaven ministerie– positieve managementletterjaja
– werken voor tweeden en derden– het werken voor tweeden en/of derden moet nut en/of toegevoegde waarde hebben voor de minister van OCenW als primaire opdrachtgever, kan alleen als nevenproduct van een bij Cfi belegde taak, en mag niet concurrentievervalsend zijn.jaja

Productcategorieën en hun kosten

Met ingang van de begroting 1999 neemt Cfi het kosteninformatiemodel (kim) in gebruik ter vervanging van het huidige kostprijsmodel. Hierdoor is een trendbreuk zichtbaar t.o.v. de kostprijzen in 1998. De belangrijkste doelstellingen van kim zijn:

• Het vergroten van het inzicht in de lasten ter verbetering van de efficiency.

• Het vervaardigen van kosteninformatie voor het opstellen van begrotingen.

• Het vergroten van de transparantie van de kostentoerekening aan de agentschapsproducten.

• Het verbeteren van de interne kostenbeheersing.

Onderstaand overzicht maakt zichtbaar op basis van welk produktievolume en kosten per produktcategorie het bestuursdepartement en Cfi afspraken maken over de uit te voeren taken.

Productcategorie
(bedragen in mln.)1997199819992000200120022003Volumekengetallen
Reguliere bekostiging43,3 (74 107)(8 678)45,6 (87 000)(7 500)44,6 (87 000)(7 500)42,6 (87 000)(7 500)42,7 (87 000)(7 500)42,7 (87 000)(7 500)42,7 (87 000)(7 500)aangegane verplichtingencorrespondentie
         
Niet-reguliere bekostiging16,2 (56 120)(2 46316,5 (41 000)(1 800)11,1 (41 000)(1 800)10,8 (41 000)(1 800)10,8 (41 000)(1 800)10,8 (41 000)(1 800)10,8 (41 000)(1 800)aangegane verplichtingencorrespondentie
         
Niet-bekostigingsbeslissingen12,4 (493)(1 493)(586)10,6 (350)(1 600)(700)15,5 (350)(1 600)(700)15,1 (350)(1 600)(700)15,1 (350)(1 600)(700)15,1 (350)(1 600)(700)15,1 (350)(1 600)(700)beroepenbezwaarschriftencorrespondentie
         
Informatievoorziening aan bestuursdepartement6,5 (10)4,8 (10)8,8 (10)8,6 (10)8,6 (10)8,6 (10)8,6 (10)afnemende directies
         
Informatievoorziening aan veld8,5 (86 262)(39)8,3 (85 000)(45)3,3 (85 000)(45)3,2 (85 000)(45)3,2 (85 000)(45)3,2 (85 000)(45)3,2 (85 000)(45)telefoongesprekkengele katernen
         
Informatie/gegevenslevering aan derden2,7 (842)2,6 (400)3,9 (400)3,8 (400)3,8 (400)3,8 (400)3,8 (400)leveringen
         
Uitvoering regelingen «derden»2,4 (4 217)(168)(400)2,6 (3 750)(150)(400)2,4 (3 750)(150)(400)2,4 (3 750)(150)(400)2,4 (3 750)(150)(400)2,4 (3 750)(150)(400)2,4 (3 750)(150)(400)instroomtoetsenbezwaarschriftencorrespondentie
         
Comptabele functie APK bestuursdepartement0,8 (43 966)0,8 (40 000)0,8 (40 000)0,8 (40 000)0,8 (40 000)0,8 (40 000)0,8 (40 000)betalingen
TOTAAL92,991,890,487,387,487,487,4(kosten in mln.)

Legenda: Vetgedrukte getallen zonder haakjes: bedragen in miljoenen guldens, overige getallen tussen haakjes: aantallen verplichtingen, brieven enz.

AGENTSCHAP Rijksarchiefdienst

1. Taken en ambities

Het agentschap Rijksarchiefdienst heeft op grond van artikel 25 van de Archiefwet 1995 drie kerntaken:

1. Het toezicht op het beheer van de nog niet naar een rijksarchiefbewaarplaats overgebrachte archiefbescheiden van de rijksadministratie;

2. Het beheer van de in een rijksarchiefbewaarplaats berustende archieven;

3. De voorbereiding en uitvoering van de archiefwetgeving.

Deze kerntaken voert de Rijksarchiefdienst uit conform het beleidsplan 1997–2000 «De muren geslecht». Daarin presenteert de dienst zich als een instelling, die anticipeert op de ontwikkelingen inzake het archief- en informatiebeheer bij de rijksoverheid. Sleutelwoorden hierbij zijn: doelmatigheid, digitalisering en bestuurlijke samenwerking.

De uitvoering in 1999 van de drie bovengenoemde kerntaken wordt in deze begroting nader toegelicht.

Ad 1. Toezicht

Sedert medio 1997 wordt het toezicht op het archiefbeheer van de rijksadministratie door een centrale afdeling Rijksarchiefinspectie te 's-Gravenhage uitgevoerd. Daardoor zijn de functies van inspecteurs bij de onderscheiden rijksarchieven in de provincie komen te vervallen. Deze oplossing is niet alleen efficiënt, maar leidt ook tot meer effectiviteit in het toezicht. Per 1 januari zal de formatie bestaan uit 5 formatieplaatsen, opgebracht uit de formatie van de twaalf rijksarchieven. Het doel van het toezicht is om ervoor te zorgen dat er een regelmatige instroom plaats vindt van archieven en dat de kwaliteit ervan, zowel in materiële zin als in toegankelijkheid, voldoende is.

De Rijksarchiefinspectie tracht dat niet alleen te bereiken door gerichte inspecties, waarbij de zorgdragers op eventuele tekortkomingen in het archiefbeheer worden gewezen, maar ook door het ontwikkelen van kwaliteitssystemen op dit gebied. De affaires inzake de LiRo-archieven en de archieven van de inlichtingendiensten hebben de alertheid vergroot op de gevolgen van nalatigheid in de archiefzorg. Van de Rijksarchiefinspectie wordt verwacht dat ze misstanden op dit gebied tijdig signaleert.

De Rijksarchiefinspectie zal zich daarom het komend jaar inzetten om de invoering van een kwaliteitsborgingssysteem bij de zorgdragers te bevorderen. Een dergelijk systeem houdt in dat iedere zorgdrager voor zichzelf formuleert waaraan een goed archiefbeheer binnen zijn eigen organisatie dient te voldoen. Dat doet niet alleen recht aan de eigen verantwoordelijkheid en zal bij juiste toepassing ongetwijfeld leiden tot kwaliteitsverbetering, maar het heeft tevens tot gevolg dat het toezicht door de Rijksarchiefinspectie zich kan concentreren op de naleving van de kwaliteitseisen. Een meer marginale toetsing derhalve. De introductie van dit kwaliteitssysteem bij de rijksadministratie zal samen met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden uitgevoerd.

Ad 2. Beheer

Onder beheer verstaat de Rijksarchiefdienst het bewaren, bewerken en ter beschikking stellen van de archieven, die in een rijksarchiefbewaarplaats berusten. Het beheer wordt uitgevoerd door het Algemeen Rijksarchief en de rijksarchieven in de provincies.

Bewaren

In het kader van het programma Deltaplan Cultuurbehoud heeft de Rijksarchiefdienst zich tot doel gesteld om in het jaar 2000 al zijn archieven (ruim 170 kilometer) goed verantwoord verpakt en geconserveerd te hebben. Daarmee is echter nog geen einde gekomen aan de behoudsactiviteiten. Om gebruiksslijtage tegen te gaan – en uit oogpunt van zekerheid – is het nodig dat de belangrijkste bestanden worden gereproduceerd op andere dragers, zoals microfilms en digitale media. Een bestandopname in 1997 en 1998 heeft voorts alle materiële schade aan de informatiedragers in beeld gebracht zonder dat dit nog heeft geleid tot een herstel daarvan.

Om dit laatste efficiënt aan te pakken is in 1998 begonnen met de reorganisatie van de restauratiecapaciteit binnen de Rijksarchiefdienst, waarbij gestreefd wordt naar één landelijk restauratieatelier, dat voor alle rijksarchieven werkzaamheden zal verrichten. Een dergelijke oplossing is niet alleen efficiënt maar ook effectief, omdat daardoor er meer mogelijkheden zijn voor specialisaties. Over de reorganisatievoorstellen zal in 1999 definitief worden beslist.

Een bijzonder bewaarprobleem vormen de digitale archieven. Het is noodzakelijk dat de Rijksarchiefdienst voldoende kennis bezit om in de toekomst digitale archieven te beheren.

De afgelopen jaren heeft de dienst zich op dit terrein, zowel nationaal als internationaal, geprofileerd. Samen met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is het programma Digitale Duurzaamheid gestart. Aan de organisatie van de zogeheten internationale DLM-fora – symposia waarbij op Europees niveau kennisuitwisseling plaatsvond – heeft de dienst steeds een zeer belangrijke bijdrage geleverd.

Met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (het coördinerend ministerie voor overheidsinformatie) zijn in 1998 nadere afspraken gemaakt over ieders taak op het gebied van de digitalisering van de overheidsinformatie. De Rijksarchiefdienst zal zich met de rest van het archiefveld in het bijzonder bezig houden met het ontwikkelen van een digitaal depot, het samenstellen van regels met betrekking tot het beheer van digitale archieven en zal samen met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kwaliteitsystemen ontwikkelen inzake digitale archieven.

Voor dit doel blijft de dienst participeren in het Europese project Nedlib, een samenwerkingsverband met de grote Europese nationale bibliotheken. Een project dat bijdraagt aan de ontwikkeling van een depot voor elektronische uitgaven en archieven. Naast dit onderdeel van het digitale depot zal de Rijksarchiefdienst tegelijkertijd ook samen met de grote gemeenten verder bouwen aan andere aspecten van het digitale depot.

Bewerken

In een systeem, waarin de rijksadministratie verplicht wordt zijn archieven in goede, geordende en toegankelijke staat te bewaren, behoeven de archieven die aan de Rijksarchiefdienst worden overgedragen, niet meer intensief bewerkt te worden. Bewerking in de vorm van archiefinventarissen is nog nodig voor achterstanden in de eigen bewaarplaatsen en voor particuliere archieven, voor zover deze ongeordend worden overgedragen. De bewerking van archieven verschuift door de toenemende vraag naar snelle en digitale informatie, naar het maken van databanken en het verzenden van historische informatie on-line. De Rijksarchiefdienst werkt sinds enige jaren aan het meest prestigieuze project in zijn 200-jarig bestaan: «de digitale Sleutel tot de familiegeschiedenis». Dit project voorziet in een geautomatiseerde index op alle huwelijksakten van de burgerlijke stand over de periode 1811–1922. Via het Internet zal het waarschijnlijk in 1999 mogelijk zijn om vele honderdduizenden namen uit het verleden thuis op te vragen. In het project wordt gebruik gemaakt van de diensten van honderden vrijwilligers. In 2002 wordt dit project afgerond.

Ter beschikking stellen

Hét loket bij uitstek om de informatie in archieven op te vragen blijft nog steeds de studiezaal van de rijksarchieven. In het beleidsplan van de dienst is gekozen voor een gebruikersgerichte strategie. Derhalve is besloten om de studiezalen minimaal 40 uur per week open te laten zijn, waarvan tenminste acht uren buiten de reguliere kantooruren. Bovendien nopen de groeiende bezoekersaantallen tot een nieuwe visie op het front-office-concept, waarmee beoogd wordt de noodzakelijke bezetting van de studiezalen kwalitatief en kwantitatief optimaal ten nutte van de gebruiker te laten komen. Realisatie van dit concept kan doelmatig plaatsvinden daar waar nieuwbouw tot stand komt, zoals bij het rijksarchief in Zeeland of een verbouwing bij het Algemeen Rijksarchief. Op andere plaatsen zullen de noodzakelijke aanpassingen in het gebouw worden afgewogen tegen de kosten en meerwaarde.

Daarnaast bereidt de Rijksarchiefdienst zich voor op de informatieverstrekking on-line.

Op diverse gebieden is de Rijksarchiefdienst bezig digitaal naar buiten te treden met de door de dienst beheerde informatie. De eigen website zal in 1999 verder worden uitgebreid, waarmee de geïnteresseerde burger steeds meer de mogelijkheid krijgt om via het scherm informatie thuis op te zoeken. Wil men in 1999 weten, wélk archief wáár ligt, dan is weldra de kans groot om dat via het web te traceren. Het is echter vooralsnog toekomstmuziek om de ruim 170 strekkende kilometer papieren archief, waarover de twaalf rijksarchieven gezamenlijk beschikken, via netwerken beschikbaar te stellen. Wel zal de dienst zich in toenemende mate inspannen om zodanige toegangen op veel geraadpleegde archieven te maken dat het gebruik daardoor eenvoudiger wordt.

Een belangrijk speerpunt in de beschikbaarstelling van het materiaal is het onderwijs. De Rijksarchiefdienst beheert een indrukwekkende verzameling informatie en vindt dat deze zeer goed gebruikt kan worden binnen het onderwijs. Het betreft een schier onuitputtelijke bron voor zowel oppervlakkige als diepgravende onderzoeken zoals bedoeld in het voortgezet onderwijs. Of het nu (inter)nationaal of regionaal materiaal betreft, de rijksarchiefdienst en zijn partners zijn in staat om specifieke informatie te leveren. In 1998 zijn de eerste stappen gedaan met onder meer een project Archief in de Klas in Friesland, waarbij voorouderonderzoek aan de hand van de burgerlijke stand is gedaan. In 1999 gaat de Rijksarchiefdienst op deze weg verder, waarbij steeds samenwerking wordt gezocht met andere instellingen. Zo zal worden meegewerkt aan het eindexamenpakket voor 2002 (VOC).

Ad 3. Wetgeving

Aan de Rijksarchiefdienst is ook opgedragen om mee te werken aan de regelgeving op het gebied van het archiefbeheer. Dit wordt in nauw overleg met het ministerie (in het bijzonder de directie Wetgeving & Juridische Zaken) uitgevoerd. In 1999 moet de laatste tranche van de uitvoeringsbesluiten inzake de eisen van goede en geordende staat zijn beslag krijgen. Begin 1999 bereiken de beheersregels voor digitale archivering het Staatsblad.

Organisatie

Samenwerkingsverbanden

In toenemende mate wil de Rijksarchiefdienst zijn doelstellingen realiseren door met andere instellingen nauw samen te werken. Ze is hierin gestimuleerd door de Cultuurnota «Pantser of ruggengraat», en hierin bevestigd door de brief van de staatssecretaris van Cultuur aan de Tweede Kamer van 19 maart 1998 (TK 1997–1998, 25 013, nr. 21) over samenwerking tussen archieven. De meest verregaande samenwerking is die, waar een fusie tussen een rijks- en gemeentearchief wordt beoogd. Dat is een betrekkelijk nieuw fenomeen. Op lokaal niveau slaan gemeenten en/of waterschappen al veel langer de handen ineen op het gebied van archiefbeheer. De eerste keer dat een rijksarchief samenwerking aanging met een lokale archiefdienst was in Groningen in 1997. Daar was toen een nieuwe huisvesting voor zowel het gemeente- als het rijksarchief nodig. Men heeft toen echter niet gezocht naar een organisatorische samenwerking, maar slechts de publieksruimten willen integreren. Niet veel later stevende men in Utrecht direct af op een volledige bestuurlijke en organisatorische integratie van rijks- en gemeentearchief. Het bijbehorende bestuursconvenant noemt als voornaamste doel van de samenwerking «met een zo efficiënt mogelijke inzet van de middelen een zo effectief mogelijk beheer en gebruik van de aanwezige historische informatie mogelijk te maken.» Een openbaar lichaam Het Utrechts Archief geeft sinds 1 mei 1998 vorm aan deze samenwerking. Na Utrecht zijn in Zeeland en Overijssel soortgelijke processen gestart die in 1999 vorm zullen krijgen. Samenwerking in Friesland, Limburg en Gelderland behoort eveneens tot de mogelijkheden.

Een andere vorm van samenwerking wordt de federatie van het Nederlands archiefwezen die naar verwachting begin van 1999 zijn intrede zal doen. De Rijksarchiefdienst voorziet grote mogelijkheden en heeft een actieve inbreng in zijn ontstaansgeschiedenis.

Wat de Rijksarchiefdienst denkt te bereiken met de bestuurlijke vernieuwing is een doelmatiger beheer van de collectie en een verbetering in de presentatie naar de gebruiker, aangezien de beheerde informatie beter en efficiënter kan worden aangeboden. Hiermee wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan het beleid om door samenwerking tot een sterker archiefwezen te komen.

Huisvesting

De Rijksarchiefdienst kent een twaalftal vestigingen verspreid over provinciehoofdsteden van het land. Daarvan zijn in die Limburg en Groningen in respectievelijk 1996 en 1997 opnieuw gehuisvest. In Groningen zijn gemeente- en rijksarchief nu samengebracht in één gebouw. Voor het rijksarchief in Zeeland wordt de oplevering van een nieuw gebouw voorzien begin 2000. Hier zullen ook de gemeentearchieven van Middelburg en Veere in worden gehuisvest.

2. Begroting 1999

Het financieel kader van de Rijksarchiefdienst voor de periode 1997 – 2000 is op hoofdlijnen vastgesteld in het managementcontract 1997–2000 met het departement.

De begroting van baten en lasten van het agentschap Rijksarchiefdienst (bedrag x f 1 000)
        Codering
 1997199819992000200120022003econ.funct.
Totale baten43 82143 68444 08443 77743 77743 77743 77712.308.1
opbrengsten departement39 87639 73440 08439 77739 77739 77739 777  
opbrengsten derden3 9213 9504 0004 0004 0004 0004 000  
rente24000000  
buitengewone baten0000000  
          
Totale lasten45 25243 68444 08443 77743 77743 77743 777  
apparaatskosten         
* personeel29 35129 35029 35029 35029 35029 35029 35016.108.1
* materieel12 46610 93411 23410 82710 72710 62710 527  
rente0000000  
afschrijvingen         
* materieel3 2943 4003 5003 6003 7003 8003 900  
* immaterieel0000000  
dotaties aan voorzieningen0000000  
buitengewone lasten141000000  
Saldo van baten en lasten– 1 431000000  

Toelichting per post

Baten

Opbrengsten van het moederdepartement

Het moederdepartement betaalt voor de in managementcontract gemaakte resultaatafspraken over te leveren producten en diensten. De afspraken hebben betrekking op de bijdrage van de Rijksarchiefdienst aan de realisatie van het in de cultuurnota «Pantser of ruggengraat» vastgelegde cultuurbeleid.

Opbrengsten van derden

In de volgende tabel is het aandeel in de baten dat verkregen wordt van derden toegelicht.

Opbrengsten van derden (bedragen x f 1000) agentschap Rijksarchiefdienst
 1997199819992000200120022003
Opbrengsten diensten archiefbeheer2 5682 5602 6002 6002 6002 6002 600
Opbrengsten dienstverlening studiezaal574580580580580580580
Opbrengsten toegankelijk maken91110110110110110110
Opbrengsten educatieve activiteiten104110110110110110110
Opbrengsten faciltiteiten584590600600600600600
Totale opbrengsten van derden3 9213 9504 0004 0004 0004 0004 000

De opbrengsten van derden vertoonden in 1996 en 1997 een stijgende lijn. Deze lijn kan waarschijnlijk niet worden voortgezet. Voorzover het inkomsten uit de publieksdienstverlening betreft, zullen zij blijven stijgen. Waar het echter om inkomsten uit het ter beschikking stellen van diensten gaat, kan dit vanwege de aanscherping van het rijksbrede beleid wellicht minder worden. De inkomsten uit vrije depotruimte zullen de komende jaren verminderen door de toenemende instroom van archiefmateriaal. De gebruikte tarieven zijn gebaseerd op de werkelijke kosten zoals deze in de administratie van de Rijksarchiefdienst zijn opgenomen. Zij worden sinds 1997 jaarlijks geëvalueerd en aangepast aan autonome prijsontwikkeling.

Voorts zijn er inkomsten uit de bezoekersfaciliteiten in de gebouwen en uit de studiezalen, publicaties en educatieve activiteiten. Hierbij speelt de wettelijk verplichte kosteloze raadpleging een grote rol. Er worden slechts in additionele zin middelen gegenereerd.

Lasten

Personeelskosten

Dit betreft de salarissen en sociale lasten van de formatieve medewerkers. Deze kosten zijn gebaseerd op de bezetting van de formatie in 1998, prijspeil 1997. Aanpassing van de begroting zal nog plaatsvinden voor de compensatie voor de loonontwikkeling in 1998 en 1999.

Vanwege de verkorting van de overbrengingstermijn hevelen alle ministeries, de Eerste en Tweede Kamer, de Raad van State en de Algemene Rekenkamer formatieplaatsen (in totaal 20,5 fte over de periode 1994–2001) over. De begroting zal in die gevallen worden bijgesteld.

In de volgende tabel is de prognose van de personeelsbezetting van de Rijksarchiefdienst in de periode 1997–2003 opgenomen, waarbij een onderscheid is gemaakt tussen formatieve en niet-formatieve full time equivalenten (fte's).

Overzicht personeelssterkte agentschap Rijksarchiefdienst
 Werkelijke bezettingPersoneelsomvang  
 1-4-19981997199819992000200120022003
Taakomschrijving        
* lager personeel112116116116116116116116
* middelbaar personeel143151151153155157159159
* hoger personeel5961616161616161
         
 314328328330332334336336
Projectplaatsen Deltaplan en PIVOT15161616161600
         
Niet-formatief personeel102100959595959595
Totaal431444439441443445431431

Materiële kosten

De materiële kosten bestaan uit de directe lasten van de verschillende producten en diensten. De huisvestingskosten gaan over de kosten van exploitatie en klein onderhoud van de gebouwen.

Afschrijvingen

De ontwikkeling van de afschrijvingslasten bepalen de noodzakelijke investeringen in vernieuwing en de eerste inrichting als gevolg van nieuwbouw. Deze investeringen laten bij de afschrijvingslasten de komende jaren een stijgende lijn zien.

De volgende afschrijvingstermijnen worden gehanteerd:

  aantal jaren
Kantoormeubilair10
Automatiseringsapparatuur3
Software3
Depotinrichting:vaste stellingen25
 verrijdbare stellingen15
Apparatuur verfilming en fotografie5
Apparatuur conservering en restauratie10
Readers en readerprinters5
Inrichting studiezaal10

Rente

Deze post is «pm» opgenomen.

Kapitaaluitgaven

De kapitaaluitgaven richten zich op investeringen in de vervanging van de huidige exploitatie, ten gevolge van eerste inrichting, in stellingmateriaal en voor de vernieuwingen op het gebied van de informatietechnologie. De investeringen die als gevolg van nieuw- en verbouw moeten worden gedaan gaan over de eerste inrichting en niet over investeringen in de gebouwen zelf. Deze laatste zijn in de begroting van het Ministerie van VROM, onderdeel Rijksgebouwendienst, opgenomen.

Kapitaalontvangsten

De kapitaaluitgaven worden gefinancierd vanuit een toevoeging aan de liquide middelen voor de afschrijvingen. In 1999 wordt een investeringsbijdrage van het departement ontvangen voor de eerste inrichting in het Rijksarchief Zeeland.

De begroting van kapitaaluitgaven en -ontvangsten van het agentschap Rijksarchiefdienst (bedrag x f 1000)
 1997199819992000200120022003
Totale kapitaaluitgaven2 1183 4004 0573 6003 7003 8003 900
Uitgaven onroerende goederen0000000
Uitgaven overige kapitaalgoederen2 1183 4004 0573 6003 7003 8003 900
Aflossingen       
        
Totale kapitaalontvangsten3 2943 4004 0573 6003 7003 8003 900
Investeringsbijdrage departement005570000
Leningen departement0000000
Toevoeging aan liquide middelen3 2943 4003 5003 6003 7003 8003 900

In het volgende overzicht, het kasstroomoverzicht, wordt de samenhang tussen de staat van baten en lasten en de staat van kapitaaluitgaven en -ontvangsten weergegeven:

Toelichting op de begroting van kapitaaluitgaven en -ontvangsten van het agentschap Rijksarchiefdienst Kasstroomoverzicht (bedragen x f 1000)
 1997199819992000200120022003
Liquide middelen 1 januari1 1361 2201 2201 2201 2201 2201 220
        
Saldo van baten en lasten– 1 431000000
Afschrijvingen/mutaties voorzieningen3 0043 4003 5003 6003 7003 8003 900
Mutaties werkkapitaal629000000
Kasstroom uit operationele activiteiten2 2023 4003 5003 6003 7003 8003 900
        
Uitgaven onroerende goederen0000000
Uitgaven overige kapitaalgoederen3 0453 4004 0573 6003 7003 8003 900
Desinvesteringen– 927000000
Kasstroom uit investeringsactiviteiten2 1183 4004 0573 6003 7003 8003 900
        
Investeringsbijdrage departement005570000
Leningen departement0000000
Aflossingen0000000
Kasstroom uit financieringsactiviteiten005570000
        
Liquide middelen 31 december1 2201 2201 2201 2201 2201 2201 220

3. Prestaties en kengetallen

Bij de Rijksarchiefdienst wordt gewerkt met een planning & controlcyclus die inzicht geeft in de kosten en prestaties van de twaalf rijksarchieven. De afgelopen jaren is gebleken dat een aantal van de verzamelde gegevens om diverse redenen minder betrouwbaar zijn dan ze lijken. De ontwikkeling van een nieuwe versie van het archiefbeheersysteem, alsmede ontwikkelde geautomatiseerde hulpmiddelen voor de bepaling van werkvoorraden materieel beheer zullen er nog in 1998 aan bijdragen dat de nauwkeurigheid voor een aanzienlijk onderdeel zodanig vergroot wordt dat een goede vergelijking tussen de verschillende dienstonderdelen in 1999 mogelijk is.

Voor de kostentoerekening wordt de inzet van medewerkers met een projectadminstratie, ondersteund door tijdregistratie, bewaakt. Deze inzet wordt over de hoofdgroepen van producten en diensten verdeeld. Daarmee is het ook mogelijk de totale personele en directe materiële lasten toe te rekenen aan de diverse hoofdgroepen van producten en diensten.

Kengetallen producten en diensten agentschap Rijksarchiefdienst
 1997199819992000200120022003
Indicatoren resultaten producten en diensten       
Collectievorming       
Netto instroom archiefbescheiden in m3 5007 2007 2009 000120001200012000
        
Materieel Beheer       
Depotruimte in m254 300275 600275 600287 000287 000287 000287 000
Bezettingsgraad71747673757777
Verpakken archief in m14 28215 00015 00015 000200020002000
Verfilmen archief in m4251 0001 0001 1001 1001 1001 100
Conservering in stuks7 1009 0009 0009 0009 0009 0009 000
        
Toegankelijkheid       
Toegankelijk maken in m6 9007 8007 5007 5007 5007 5007 500
        
Dienstverlening       
Aantal bezoekers33 03035 00036 00036 00036 00036 00036 000
Aantal bezoeken139 500142000144 000144 000144 000144 000144 000
Aantal bezoeken op afstand (internet)3 50050 00060 00060 00070 00070 00070 000
Aantal uren openstelling1 987200020002000200020002000
 
 1997199819992000200120022003
Totale lasten toegerekend aan producten       
        
Directe lasten       
Toezicht300 600447 100446 700445,500445 200444 800445 100
Collectievorming1 195 3001 194 6001 193 4001 189 5001 481 8001 480 5001 481 300
Materieel beheer6 346 2006 624 2006,523 4006 216 5005 822 3005 721 4005 788 600
Toegankelijk maken4 868 8004 892 6004 587 0004 550 1004 538 0004 525 8004 533 900
Dienstverlening5 774 6005 732 8005 705 1005 620 5005 886 4005 858 7005 877 200
Educatie1 038 7001 152 7001 438 4001 414 9001 700 7001 692 9001 698 100
Beleidsvorming en onderzoek6 457 2006 163 5006 663 5006 663 5006 370 0006 370 0006 370 000
Indirecte lasten       
Bedrijfsondersteuning5 870 2005 576 5005 576 5005 576 5005 283 0005 283 0005 283 000
Huisvesting4 050 5084 050 0004 100 0004 150 0004 200 0004 250 0004 050 000
Organisatie5 589 7754 100 0004 000 0004 000 0004 000 0004 000 0004 000 000
Afschrijvingen3 294 0003 400 0003 500 0003 600 0003 700 0003 800 0003 900 000
Faciliteiten325 122350 000350 000350 000350 000350 000350 000
Totaal45 111 00543 684 00044 084 00043 777 00043 777 40043 777 10043 777 200

Toelichting

Toezicht

Voor toezicht zijn nog geen kengetallen geformuleerd, de functie is eind 1997 van start gegaan en nog beperkt van omvang.

Collectievorming

Om de gevolgen van de verkorting van de overbrengingstermijn op te kunnen opvangen is de afgelopen jaren het toezicht functioneel van de collectievorming gescheiden. Sedert eind 1997 wordt de collectievorming voor het rijksbrede deel landelijk aangestuurd. Hiermee verwacht de Rijksarchiefdienst van zijn kant afdoende maatregelen te hebben genomen om zonder verhoging van de kosten zijn taken uit te kunnen voeren. De verkorting uit zich in een toenemende instroom van papieren archieven.

De toenemende kosten voor de collectievorming zijn gerelateerd aan de verwachte overdracht van fte's door ministeries in het kader van de verkorting van de overbrenging.

Materieel beheer

Vanwege het gereedkomen van de nieuwbouw in Zeeland wordt de opslagcapaciteit in 2000 hoger. De bezettingsgraad geeft aan in hoeverre de bergingscapaciteit/huisvesting op macroniveau toereikend is. Zij wordt beïnvloed door de in- en uitstroom van archieven, herverpakking/inventarisatie, typen stellingen en nieuwbouw. Bezettingsgraad en depotruimte in strekkende meters zijn een verbijzondering van het kengetal kosten per meter in beheer.

Tot in 2000 wordt herverpakt in zuurvrije dozen. Dan zal de collectie van ruim 170 km vrijwel volledig verpakt zijn. Na 2000 zal alleen nog in het kader van het normaal beheer worden verpakt. Het betreft dan ca. 2 km per jaar.

Permanent worden delen van de collectie verfilmd énerzijds om het raadplegen voor de klant te vergemakkelijken en anderzijds om het verval door frequente raadpleging te verminderen. Naast «mechanische» conserveringsmethoden als de verpakking en verfilming van archieven is er de – relatief arbeidsintensieve – restauratie/conservering van individuele archiefstukken. De raming van de productie in stuks voor deze activiteit is lastig omdat individuele behandelingen sterk verschillen.

In 1998 rondt de dienst een gestandaardiseerde opmeting van de materiële staat van de beheerde collectie af. In 1999 zal dan een uniform en gekwantificeerd beeld bestaan van wat er nodig is om de bestanden die de Rijksarchiefdienst beheert voor de komende 100 jaar zeker te stellen.

Toegankelijk maken

Een deel van de collectie is in het verleden ongestructureerd overgedragen. Jaarlijks wordt een deel van deze collectie uitgedrukt in strekkende meters – toegankelijk gemaakt. Van belang is daarbij de relatie met de vraag vanuit de samenleving. De exacte omvang van de achterstand is door verschillende meetmethoden onduidelijk. In 1999 zal dit uniform worden gemaakt zodat effectief en efficiënt gepland kan worden. De dienst houdt verder via het archievenoverzicht het zicht op de totale collectie archieven bij.

Naast het voorgaande wordt een deel van de capaciteit gebruikt om vraaggerichte toegangen te fabriceren.

Dienstverlening

Raadpleging van archiefbescheiden in het licht van de openbaarheid en cultuurparticipatie vindt hoofdzakelijk plaats op de studiezalen in de twaalf dienstonderdelen. Deze zijn hiertoe jaarlijks minimaal 2000 uur open. De druk op de studiezalen wordt uitgedrukt in aantallen bezoekers en bezoeken. In toenemende mate wordt de collectie op afstand – via Internet – benaderbaar. Het streven is om hiermee nieuwe groepen gebruikers te bereiken. In de prognose voor aantallen bezoekers/bezoeken is met een bescheiden groei rekening gehouden.

Beleidsvorming en onderzoek

De bijdrage van het departement is met ingang van 1999 structureel verhoogd met een bedrag van f 0,5 miljoen voor nader onderzoek en ontwikkeling van systemen naar de problematiek van de digitalisering. Daarnaast blijft er een hoge inspanning nodig om de systemen te kunnen ontwikkelen op het gebied van archiefbeheer en -benutting.

Indirecte lasten

De indirecte lasten zijn afzonderlijk zichtbaar in deze begroting. Het aandeel in de totale kosten ligt nog net onder de 40%. Het forse beslag van de twaalf vestigingen en daarbij horende gebouwen en bedrijfsinventaris, bijna 15 % van de totale kosten, wordt hiermee zichtbaar. De kosten van bedrijfsondersteuning en organisatie, ongeveer 25%, zijn hiervan afgeleid. De raming gaat er vanuit dat het aandeel van de indirecte kosten in de totale kosten gelijk blijft.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

L. M. L. H. A. Hermans

Afkortingen

ABPAlgemeen burgerlijk pensioenfonds
adv/bapoarbeidsduurverkorting/bevordering arbeidsparticipatie ouderen
afbaanvullend formatiebeleid
aio'sassistenten in opleiding
AMvBalgemene maatregel van bestuur
anwalgemene natuurwetenschappen
ATCAccountability, toezicht en controle
aobadviesbureau voor opleiding en beroep
APSalgemeen pedagogisch studiecentrum
ASCStichting Afrika studiecentrum
avoalgemeen voortgezet onderwijs
AWTadviesraad voor het wetenschaps- en technologiebeleid
bblberoepsbegeleidende leerweg
Biza(Ministerie van) binnenlandse zaken
bolberoepsopleidende leerweg
BRMMbesluit rijkssubsidiëring restauratie monumenten
bsmbekostigingssysteem materieel
Buiza(Ministerie van) buitenlandse zaken
bveberoepsonderwijs en volwasseneneducatie
bwoobesluit werkloosheid onderwijs en onderzoekpersoneel
CAOcollectieve arbeidsovereenkomst
CAOPcentrum voor arbeidsverhoudingen overheidspersoneel
CBScentraal bureau voor de statistiek
CCCcross-curriculaire vaardigheden
CERNEuropese organisatie voor kern- en hoge energiefysica
CEVOcentrale examencommissie vaststelling opgaven
CFICentrale Financiën Instellingen
CINOPCentrum voor Innovatie van opleidingen
CITOcentraal instituut voor toetsontwikkeling
cjpcultureel jongerenpaspoort
CommittCommittee on Multimedia In Teacher Training
COBcommissie opgaven basisvorming
COLOcentraal orgaan van de landelijke opleidingsorganen
COScommissie van overleg sectorraden
DCEDirectie cultureel erfgoed
DZVOdienst ziektekostenvoorziening overheidspersoneel
ECHOExpertisecentrum voor allochtonen in het hoger onderwijs
ECNExpertisecentrum Nederlands
EEREuropese Economische Ruimte
EETeconomie, ecologie en technologie
EMBCEuropese moleculaire biologie conferentie
EMBLEuropees moleculair biologisch laboratorium
EMUEuropese monetaire unie
ESAEurpese ruimte agentschap
ESOEuropese organisatie voor astronomsich onderzoek op het zuidelijk halfrond
EUEuropese unie
EZ(Ministerie van) economische zaken
Faopfonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel
fbsformatie budgetsysteem
FESFonds economische structuurversterking
ftefulltime equivalent
gplgemiddelde personeelslasten
GOAWet gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid
gti'sgrote technologisch instituten
havohoger algemeen voortgezet onderwijs
hbohoger beroepsonderwijs
hgishomogene groep internationale samenwerking
HOOPhoger onderwijs en onderzoek plan
HORHarmonisatienota onderwijsretributies
IB-GroepInformatie beheergroep
ICESinterdepartementale commissie voor de economische structuur
ICNinstituut collectie Nederland
icointercultureel onderwijs
ictinformatie- en communicatietechnologie
IHEInternational institute for infrastructural, hydraulic and environmental engineering
IHSInstitute for housing and urban development studies
ilkintercultureel leren in de klas
INLInstituut voor Nederlandse lexicologie
iobkin hun ontwikkeling bedreigde kinderen
iptointegrale personeelstelling
IRASinfromatiecentrum richtlijnen algemeen stelsel
ISOInterstedelijk studentenoverleg
ISOVSOinterimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs
ISSInstitute of social studies
ITCInternationaal instituut voor lucht- en ruimtekaartering en aardkunde
KBkoninklijke bibliotheek
kimkosteninformatiemodel
KIWTOKatholieke instelling voor wetenschappelijk onderwijs
KLSKortlopende schulden
KNAWKoninklijke Nederlandse academie van wetenschappen
ksekwalificatiestructuur educatie
LCWLes- en cursusgeldwet
LDCLandelijk diensten centrum
lgfleerlinggebonden financiering
lio'sleraren in opleiding
LNV(Ministerie van) landbouw, natuurbeheer en visserij
lob'slandelijke organen beroepsonderwijs
LOBOLandelijke oudervereniging voor het bijzonder onderwijs op algemene grondslag
lom(kinderen met) leer- en opvoedingsmoeilijkheden
lpclandelijke pedagogische centra
LSEMLandelijke stichting educatie Molukkers
LSVbLandelijke studenten vakbond
LUWLandbouwuniversiteit Wageningen
MARINmaritiem research instituut Nederland
mavomiddelbaar algemeen voortgezet onderwijs
mbomiddelbaar beroepsonderwijs
mlkmoeilijk lerende kinderen
MSTCmaritiem simulator trainings centrum Terschelling
MUBmodernisering universitaire bestuursorganisatie
NACEENetherlands America commission for educational exchange
NIDINederlands interdisciplinair demografisch instituut
NKONederlandse katholieke ouderorganisatie
nmenatuur- en milieu-educatie
NOBNederlands omroepproductie bedrijf
NOSNederlandse omroepstichting
notnederlands
npnabestaandenpensioen
NRFnationaal restauratiefonds
NT2Nederlands als tweede taal
ntcNederlandse taal en cultuur
NTUNederlandse taalunie
NufficNetherlands Universities Foundation for International Cooperation
NWONederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek
OALTWet onderwijs in allochtone levende talen
odaofficial development assistance
OECDorganisation for economic cooperation and development
OESOorganisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling
oetconderwijs in eigen taal en cultuur
okfomgekeerde kapitaalsfinanciering
OOWoverheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen
opouderdomspensioen
OVSKOV-studentenjaarkaart
owbonderzoek en wetenschapsbeleid
pabopedagogische academie basisonderwijs
pbaplanning van het bouwvolume academische ziekhuizen
pembapremiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheids-verzekeringen
PFparticipatiefonds
pisaprogramme for international student assessment
pmbprestatie bekostigingsmodel
pmlprocesmanagement lerarenopleidingen
pmpoprojectmanagement primair onderwijs
pmvoprojectmanagement voortgezet onderwijs
poprimair onderwijs
PROMITTcommissie programme on multi media in teacher training
PWTpublieksvoorlichting over wetenschap en techniek
RABKRijksakademie van beeldende kunsten
RADRijksarchiefdienst
rbaregionaal bureau arbeidsvoorziening
R&Dresearch en development
RDMZrijksdienst voor de monumentenzorg
rmcregionale meld- en coördinatiefunctie
RIODRijksinstituut voor oorlogsdocumentatie
ROAresearchcentrum voor onderwijs en arbeidsmarkt
ROBRijksdienst oudheidkundig bodemonderzoek
roc'sregionale opleidingscentra
RVB/MSMStichting Maastricht school of management
rvc'sregionale verwijzingscommissies
SAILSamenwerkingsverband instituten internationaal onderwjs en LUW
sbd'sschoolbegeleidingsdiensten
SBOsectorbestuur voor de onderwijsarbeidsmarkt
SCPsociaal cultureel planbureau
sfStudiefinanciering
SLOInstituut voor leerplanontwikkeling
sospeciaal onderwijs
SOCStrategische overwegingen component
sprsstudieplanning en registratiesysteem
Stoeb/ALRStudent op eigen benen / Achterstallig lager recht
SUSStichting UAF steunpunt
svospeciaal voortgezet onderwijs
SVOStichting voor onderzoek van het onderwijs
SZW(ministerie van) sociale zaken en werkgelegenheid
TIMSSThird international mathematics and science study
TNONederlandse organisatie voor toegepast natuurwetenschappelijk onderzoek
T&BToerusting en bereikbaarheid
TSDTegemoetkoming deeltijdstuderenden
tutechnische universiteit
TWAOtijdelijke wet arbeidsbemiddeling onderwijs
UAFUniversitair asiel fonds
ulo'suniversitaire lerarenopleidingen
UNESCOUnited Nations Educational Scientific and Cultural Organization
UNUUnited nations university Maastricht
USZOUitvoeringsinstelling sociale zekerheid overheid en onderwijs
vavovoortgezet algemeen volwassenen onderwijs
VAZVereniging academische ziekenhuizen
vbovoorbereidend beroepsonderwijs
VFvervangingsfonds
VHTOStichting vrouwen en hoger technisch onderwijs
vmbovoorbereidend middelbaar beroepsonderwijs
VNGvereniging Nederlandse gemeenten
vovoortgezet onderwijs
voavoorbereidende en ondersteunende activiteiten
VROM(Ministerie van) volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieu
VSNUvereniging samenwerkende Nederlandse universiteiten
vsovoortgezet speciaal onderwijs
V&W(Ministerie van) verkeer en waterstaat
vwovoorbereidend wetenschappelijk onderwijs
VWS(Ministerie van) volksgezondheid, welzijn en sport
WAGWWet arbeid gehandicapte werknemers
WBCWet tot behoud van cultuurbezit
WBOWet op het basisonderwijs
WCBOWet op het cursorisch beroepsonderwijs
WEBWet educatie en beroepsonderwijs
WECWet op de expertisecentra
WeTeNStichting Wetenschap en Techniek Nederland
WEVWet inzake evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende functies in het onderwijs
WGRWet gemeenschappelijke regio's
WHWWet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
WIKWet inkomensvoorziening kunstenaars
WisWachtgeld informatie systeem
WMOWet medezeggenschap onderwijs
wowetenschappelijk onderwijs
WOBWet openbaarheid bestuur
WPOWet op het primair onderwijs
WRRwetenschappelijke raad voor het regeringsbeleid
WSFWet studiefinanciering
WSLOAWet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten
wsnsweer samen naar school
WTSWet tegemoetkoming studiekosten
WVOWet op het voortgezet onderwijs
wvoiwerkgeversvereniging van de onderzoeksinstellingen
zbozelfstandig bestuursorgaan
zmlzeer moeilijk lerende (kinderen)
zvoziektekostenvoorziening onderwijs en onderzoekspersoneel
ZVOORegeling ziektekoste voor onderwijs- en onderzoekspersoneel

XNoot
1

wordt met ingang van 1 januari 1999 een stichting

XNoot
1

Speciaal onderwijs categorie 1 omvat onderwijs aan leerlingen met leer en opvoedingsmoeilijkheden (LOM), moeilijk lerende kinderen (MLK) en de daaraan verbonden afdelingen voor in hun ontwikkeling bedreigde kleuters (IOBK).

Naar boven