26 200 VII
Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (VII) voor het jaar 1999

nr. 2
MEMORIE VAN TOELICHTING

INHOUDSOPGAVE

ALGEMEEN DEEL2
    
I.INLEIDING: NAAR EEN WAARDEVOL EN VERNIEUWEND PUBLIEK DOMEIN2
    
II.DEMOCRATISCHE RECHTSSTAAT5
 1.Voorstellen tot grondwetsherziening6
 2.De democratische rechtsstaat in het perspectief van de elektronische snelweg6
 3.Gelijke behandeling7
 4.Juridisering8
 5.Extern klachtrecht en de eisen voor onafhankelijke klachtvoorziening9
 6.Kiesrecht10
 7.Nieuwe Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten10
    
III.GROTE STEDENBELEID EN INTEGRATIEBELEID11
 1.De complete stad11
 2.Integratiebeleid minderheden14
    
IV.OPENBAAR BESTUUR18
 1.Mede-overheden19
 2.Organisatie van de rijksdienst23
 3.Informatie- en communicatietechnologie24
 4.Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens (GBA)29
    
V.INTEGRITEITSBELEID31
    
VI.VEILIGHEID32
 1.Veiligheidsbeleid33
 2.Politie34
 3.Inspectie politie40
 4.Brandweer en rampenbestrijding40
 5.Informatievoorziening politie en brandweer42
 6.Crisisbeheersing43
    
VII.BINNENLANDSE VEILIGHEIDSDIENST (BVD)44
    
VIII.PERSONEEL EN MANAGEMENT45
 1.Arbeidszaken overheid46
 2.Personeel en management Rijksdienst48
 3.Algemene Bestuursdienst (ABD)50
    
IX.INTERNATIONALE ZAKEN51
 1.Europese Unie52
 2.Andere internationale organisaties54
 3.Bilaterale samenwerking55
    
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING56
1.De begroting in één opslag56
2.Aansluittabel58
3.Beheer59
4.Begrotingspresentatie61
5.Leeswijzer63
    
Wetsartikel 1 (verplichtingen/uitgaven) 
01.Algemeen64
02.Openbaar Bestuur75
03.Integratiebeleid minderheden100
05.Openbare Orde en Veiligheid107
06.Binnenlandse Veiligheidsdienst146
07.Management en Personeelsbeleid149
08.Informatievoorziening en Automatiseringsbeleid176
09.Algemene Bestuursdienst182
    
Wetsartikel 2 (ontvangsten) 
01.Algemeen185
02.Openbaar Bestuur187
03.Integratiebeleid minderheden191
05.Openbare Orde en Veiligheid192
06.Binnenlandse Veiligheidsdienst195
07.Management en Personeelsbeleid195
08.Informatievoorziening en Automatiseringsbeleid197
    
Wetsartikel 3 (agentschappen)199

ALGEMEEN DEEL

I. INLEIDING: NAAR EEN WAARDEVOL EN VERNIEUWEND PUBLIEK DOMEIN

Nederland speelt een niet weg te denken rol in Europa: in de Europese Unie en in de ontwikkeling van de Europese economie. Niet alleen «dankzij de grote invoer van goederen, de natuurlijke vruchtbaarheid van het gebied, de vele bevaarbare rivieren vol vis en de grazige weiden», maar door de bereidheid tot overleg en samenwerking, en vooral door het vermogen om steeds op veranderingen in te spelen. Op de drempel van een volgende eeuw moet Nederland laten zien dat het economisch élan kan combineren met sociale verantwoordelijkheid en duurzaamheid, dat Nederland in staat is om als samenleving in beweging te blijven en steeds weer opnieuw te bepalen wat wij samen willen bereiken. Nederland moet weerbaar en waardevol blijven. Daarin speelt de overheid een niet weg te denken rol. De overheid zorgt voor houvast, voor een publiek raamwerk voor verandering, maar heeft soms ook een rol als aanjager van maatschappelijke dynamiek. De overheid moet initiëren en coördineren, afwegen en presteren, ordenen en moderniseren. Juist omdat onze economische en maatschappelijke omgeving sterk in beweging is, is een overheid nodig die in staat is om – naast de waarborgfunctie – de samenleving steeds opnieuw te versterken. Een overheid die niet alleen een visie heeft op de oorsprong en omvang van maatschappelijke problemen, maar vooral in staat is deze problemen daadkrachtig aan te pakken, samen met de burgers.

De overheid volgt niet alleen ontwikkelingen maar moet ze vaak ook «ordenen», in goede banen leiden. Deze ordeningsopgave moet vooral voortkomen uit maatschappelijke ontwikkelingen die tot actie nopen. Zo schept ordening tevens betrouwbaarheid en daarmee een zekere voorspelbaarheid. Zo ontstaat er ruimte voor verbeelding, voor modernisering en slagvaardigheid van optreden (in dienstverlening en visie-ontwikkeling). Kenmerken die van groot belang zijn om mee te kunnen in de internationale ontwikkelingen. Nederland beschikt over de nodige vitaliteit en veerkracht om een sterke rol te blijven spelen, maar dan moeten enkele, soms hardnekkige achterstanden worden weggewerkt.

In politiek-bestuurlijke zin is er naar veler opvatting sprake van een te laag tempo van besluitvorming. Een te lang volgehouden, op totale consensus mikkende besluitvormingscyclus past niet bij een tijd waarin economische en maatschappelijke veranderingen zich in een steeds sneller tempo voltrekken. Om de vitaliteit van de democratie te waarborgen, moet de besluitvorming, naast het streven naar consensus wel binnen een bepaalde tijdspanne plaatsvinden. De burgers verliezen anders hun belangstelling, het democratisch tekort groeit, en slechts de meest weerbaren (ook financieel) houden het vol. Het gezag van de besluitvorming komt daarmee in het geding.

De overheid moet op veel terreinen in de versnelling, moet niet alleen inhoudelijk richting geven, maar zeker ook een visie hebben op wat bereikt moet worden en aangeven op welke tijdas resultaat moet worden geboekt. Resultaten die in toenemende mate stoelen op «contracten met de samenleving». Want de werkelijke beweging moet vooral uit partnerschap komen: burgers, bedrijven en andere organisaties moeten aangespoord worden eigen initiatieven te nemen en betrokken zijn bij het verkennen van problemen en mogelijke oplossingen. Dat is van belang voor de kwaliteit van de besluitvorming en het draagvlak bij de uitvoering. De overheid zoekt steeds naar partners, en partners zoeken steeds naar de overheid.

Een moderne overheid moet met beide benen in de samenleving staan, oog hebben voor vernieuwing en verandering. Een overheid derhalve die op moderne wijze communiceert met burgers en bedrijven, die oriëntaties aandraagt en zo mede inhoud geeft aan wat men sociale democratie noemt.

Want burgers moeten nauw betrokken zijn bij de beleidsinzet van politiek-bestuurlijke organen en worden aangesproken op hun eigen verantwoordelijkheid als deel van het geheel, de samenleving. Het verlies van betrokkenheid leidt tot onverschilligheid en maatschappelijke fragmentatie.

De overheid verricht vele en verschillende taken op verschillende schaalniveaus. Op al die niveaus en voor al die taken moet voor burgers duidelijk zijn wie, en wanneer, en over wat verantwoording aflegt. Daarom is er een ontwikkeling gaande naar dualisme in politiek en bestuur: het richt de aandacht op wáár in het bestuur de macht is en waar de democratische controle op de macht plaatsvindt. Dat is een onderdeel van de «checks and balances», de macht en tegenmacht, die in het monisme op lokaal en provinciaal niveau aan erosie onderhevig is.

Burgers moeten zich betrokken weten bij de sociale en economische verbanden waar zij deel van uitmaken. De grootst mogelijke samenhang en een kwaliteitsverbetering van de samenleving ontstaan door betrokkenheid in enigerlei vorm van zoveel mogelijk mensen. Dat geldt stellig ook voor individuen en groepen die nog niet zo lang in Nederland wonen. Meedoen is voor hen een belangrijke stap op weg naar integratie, dat wil zeggen het kennen van de regels van het samenlevingsspel.

Wel moeten we steeds rekening houden met de verschillende rollen van de burger in zijn/haar relatie tot zijn/haar overheid. De burger in zijn/haar rol als kiezer aan wie het politieke bestuur verantwoording moet afleggen. Een burger met wie vaker dan eens in de vier jaar een gesprek moet worden aangegaan over wat we samen willen en doen, over de regels in het maatschappelijke verkeer. Maar ook de burger in de rol van afnemer van producten en diensten van de overheid die in die rol een kritische consument is van een «monopolist» die voor die burger goede producten heeft te leveren. Kwaliteitscontrole en onderlinge vergelijkbaarheid van die producten en diensten, wakkert de competitie tussen de overheden aan, en vormt dan de basis van de verantwoording aan de burgers.

Zo ontstaat een duidelijke en vooral transparante werkwijze, waarbij de burger op verschillende manieren (beste praktijken, kwaliteitspanels, onderzoek en dergelijke) invloed kan uitoefenen.

Een voortgang in het streven naar decentralisatie vergroot de kans op participatie van de burger. Een dergelijke gedecentraliseerde structuur werkt vooral goed als er overeenstemming bestaat over de maatschappelijke problemen die aandacht behoeven, over de agenda en de spelregels. Spelregels voor de omgang tussen de rijksoverheid en de mede-overheden, tussen de mede-overheden onderling en tussen de overheid en de partners uit de samenleving. De probleemstelling en de gekozen oplossingsrichting bepalen op hun beurt voor een groot deel de wijze van uitvoering, het proces en de instrumenten. Daarom ook is het partnerschap in de vorm van een offensief bestuursakkoord met de mede-overheden van groot belang. Daar zijn goede ervaringen mee opgedaan, die in de komende tijd verdiept dienen te worden.

Ook in het veiligheidsbeleid is samenwerking met verschillende partners een absolute noodzakelijkheid. De publieke veiligheid is een terrein waarop de overheid nadrukkelijk wordt aangesproken op haar kerntaak. Het publieke domein moet tenslotte integer en veilig zijn, moet zekerheid bieden, een houvast zijn op het spoor naar de toekomst.

We moeten ons blijven realiseren dat Nederland een land is van steden, kleine, middelgrote en grotere. «Men zegt dat geen enkel ander land zoveel steden telt op zo'n klein gebied...». Steden die sociaal, cultureel, economisch en fysiek een eenheid vormen, die met hun soms landelijke omgeving een sterke relatie hebben. Stedelijk beleid wordt voortgestuwd door het concept van de complete stad. De stedelijke werkelijkheid die ons land mede bepaalt: in zijn uiterlijke verschijningsvorm, zijn cultuur, zijn ontwikkeling en zijn internationale positie. Een werkelijkheid die de afgelopen decennia soms werd vergeten, soms genegeerd, maar die nooit blijvend kan worden ontkend. De overheid heeft te lang te weinig oog gehad voor de negatieve sociaal-economische ontwikkeling van de steden. In de grotere steden is een structuur gegroeid van afhankelijkheid, van structurele en dus op sommige plekken hardnekkige sociale uitsluiting. Het vorige kabinet heeft een betekenisvolle start gemaakt met het grote stedenbeleid (GSB). Daarom is versterkte voortzetting van dat beleid een belangrijk uitgangspunt van het kabinetsbeleid. Er is in de komende jaren meer sturing nodig van en door steden, provincies en rijk, meer langere termijn visie, iets meer geloof in maakbaarheid. Zeker hier is partnerschap van belang: structurele samenwerking tussen overheden, bedrijven en andere maatschappelijke verbanden.

Bestuurlijk-politieke vernieuwing vindt haar vertrekpunt in de problemen die (voornamelijk in de grote steden) moeten worden opgelost. De vorm moet passend worden gemaakt voor de inhoud. De zelfstandigheid en de eigen verantwoordelijkheid van de mede-overheden moet verder worden versterkt om verantwoordelijkheid, initiatief en verantwoordingsplicht gestalte te geven. Verschillende vormen van bestuur, met voldoende differentiatie, in een helder bouwwerk van drie lagen, geven antwoord op de behoefte aan identiteit en herkenbaarheid en scheppen ruimte voor ordening en modernisering. De overheid als partner van maatschappelijke actoren, die ook onderling als partners opereren, met heldere competenties die zichtbaar en afrekenbaar zijn.

Bestuurlijk-politieke vernieuwing overbrugt korte, maar óók lange afstanden. De relaties met de Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse koninkrijkspartners dienen aangepast te worden aan de huidige inzichten die zelfredzaamheid naderbij brengen. Als richtsnoer geldt daarbij: afschaffen van bevoogding, verantwoordelijkheden leggen waar ze thuis horen en ruimte scheppen om de eigen problemen het hoofd te bieden. Dat is de werkelijke betekenis van «good governance», ook in de onderlinge relaties.

Zo'n vernieuwingsproces vraagt om respect voor ieders belangen. Het resultaat is zelfredzaamheid waar mogelijk, samenwerking waar gewenst; rechten en plichten in evenwicht.

Ordenen is een combinatie van sturen en verleiden: sturen op de hoofdzaak, verleiden tot eigen verantwoordelijkheid. De 21ste eeuw is in zicht. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wil hierin gezien haar kerntaak een gezaghebbende rol spelen, samen met de andere ministeries en collega-overheden. Dit past in de opdrachten die het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft, te weten de zorg voor een democratische en slagvaardige overheid, en een goed beheerd, betrouwbaar, dynamisch en veilig publiek domein.

Veranderingen in de organisatie van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Een aantal beleidsmatige en daaraan verbonden organisatorische veranderingen vraagt de aandacht.

Het Ministerie van Binnenlandse Zaken heeft per 3 augustus 1998 een nieuwe naam: het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK). Er is voor deze naam gekozen om zo de samenwerking tussen de koninkrijkspartners ook in de naam van het Ministerie herkenbaar te maken.

Per 1 januari 1998 is het Kabinet voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken (KabNA) onderdeel van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, dat wil zeggen de overdracht van de beheersverantwoordelijkheden heeft op die datum plaatsgevonden. Bij de vorming van het nieuwe kabinet is ook de ministeriële verantwoordelijkheid voor het beleid overgegaan naar de Minister van Binnenlandse Zaken, thans de Minister van BZK.

Het belangrijkste doel van de integratie is een versterking van de coördinatie van het Nederlandse beleid voor de samenwerking met de Nederlandse Antillen en Aruba. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft als ministerie van algemeen bestuur veel coördinerende taken, waardoor een keuze voor dit Ministerie voor de hand lag. Er is per 1 juli 1998 een Directoraat-generaal Constitutionele Zaken en Koninkrijksrelaties (DGCZK) ingesteld. Het nieuwe directoraat bestaat uit de directie Constitutionele Zaken en Wetgeving, de directie Koninkrijksrelaties en de afdeling Coördinatie Europese en Internationale Zaken. De beleidsvoornemens ten aanzien van de Nederlandse Antillen en Aruba staan beschreven in hoofdstuk IV van de rijksbegroting.

Als gevolg van de keuze in het regeerakkoord om het centrale beheer van de politie bij de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties onder te brengen wordt het beheer en het budget van het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) overgeheveld van het Ministerie van Justitie naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Sinds 1 mei 1998 is de divisie informatietechnologie van het Korps Landelijke Politiediensten ondergebracht bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken als agentschap «informatie- en communicatietechnologie organisatie» (ITO).

Per 1 januari 1998 is een agentschap, de beheerorganisatie Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens (GBA) ingesteld. Het is het voornemen om op 1 januari 1999 de groeiende samenwerking tussen de beheerorganisatie GBA en de afdeling Reisdocumenten en Bevolkingsadministratie (RDB) te formaliseren in een nieuw geïntegreerd agentschap Basisadministratie Persoonsgegevens en Reisdocumenten (BPR) dat deze beide organisatie-onderdelen omvat.

II. DEMOCRATISCHE RECHTSSTAAT

De overheid is gebonden aan de beginselen van de democratische rechtsstaat. Eerbiediging van de mensenrechten, een overheidsbestuur dat de eisen van rechtsgelijkheid en rechtszekerheid en zorgvuldigheid in acht neemt en uiteraard geen macht zonder tegenmacht. De morele en staatkundige verworvenheden zijn voor een groot deel in de Grondwet terug te vinden. Onze Grondwet vormt zo de basis van onze maatschappij. De overheid moet verantwoording afleggen aan de burger die in toenemende mate hogere eisen stelt aan de wijze waarop dit gebeurt. Onze snel veranderende maatschappij vraagt om een levende Grondwet, een Grondwet die bij de tijd moet blijven. Voor de Grondwet betekent dit dat deze dient te worden aangepast als bepaalde, zeer wezenlijke ontwikkelingen in onze samenleving daartoe aanleiding geven. Er kan daarbij worden gedacht aan de ontwikkeling van de elektronische snelweg, de groeiende mondigheid van de burger en de gewijzigde aanpak van vrede- en veiligheidsvraagstukken als gevolg van het einde van de koude oorlog. Dergelijke ontwikkelingen hebben geleid tot voorstellen tot grondwetsherziening, zoals die bij de Staten-Generaal in behandeling zijn, of tot het voorbereiden van dergelijke voorstellen.

Verder zal de constitutionele agenda voor de komende jaren in het teken staan van ontwikkelingen zoals Europa en de pluriforme samenleving.

Naast de voorstellen die op de Grondwet zelf betrekking hebben, zijn er ook andere ontwikkelingen te noemen die voor de instandhouding van onze democratische rechtsstaat van belang zijn. Het gaat om ontwikkelingen op het terrein van de gelijke behandeling, het klachtrecht, de zelfstandige bestuursorganen, het kiesrecht en de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.

Om de democratische besluitvorming te versterken verdient de juridisering van het openbaar bestuur bijzondere aandacht. Er moet evenwicht bestaan tussen het democratisch gekozen bestuur dat verantwoordelijk is voor de besluitvorming en de rechter die in concrete gevallen de rechtmatigheid van het handelen van het bestuur toetst. Dit draagt bij aan de effectiviteit en de legitimiteit van het bestuur en duidelijkheid voor de burger.

1. Voorstellen tot grondwetsherziening

De herziening van de Grondwet zal een correctief referendum mogelijk maken voor wetgeving op nationaal niveau en besluiten met een algemene strekking op decentraal niveau. Daarnaast zal het kabinet komen met voorstellen over de verkiezing en positie van de Eerste Kamer. Bij de inwerkingtreding van de grondwetsherziening is het streven er op gericht de voor de uitvoering benodigde wetgeving bij de Tweede Kamer in te dienen.

Een aantal voorstellen tot grondwetsherziening zal naar verwachting binnenkort worden ingediend bij de Tweede Kamer voor een tweede lezing: de aanpassing van artikel 12 (huisrecht), de voogdij over de minderjarige Koning, de invoering van het correctief wetgevingsreferendum op centraal en decentraal niveau, de modernisering van de defensieparagraaf, het opnemen van het instituut Nationale ombudsman in de Grondwet en het schrappen van een aantal additionele artikelen. Enkele voorstellen tot grondwetsherziening zijn nog in behandeling in eerste lezing. Het gaat om het voorstel tot aanpassing van artikel 13 (briefgeheim), het voorstel inzake de deconstitutionalisering van de benoeming van de burgemeester en de commissaris van de Koning en het voorstel inzake de zelfstandige bestuursorganen.

2. De democratische rechtsstaat in het perspectief van de elektronische snelweg

Ordelijk maatschappelijk verkeer op de elektronische snelweg en meer in het algemeen in de informatiesamenleving, vereist van de overheid naast een faciliterende rol voor de economische bedrijvigheid, zo mogelijk ook een ordenende rol. Hierbij moet ook rekening worden gehouden met onder meer de maatschappelijke discussie over toepassingen van internet, over de toegankelijkheid voor alle burgers van de elektronische snelweg en de daarmee samenhangende grondrechten. De aanpassing van de juridische infrastructuur aan een elektronische omgeving moet, voor zover mogelijk, gepaard gaan met een op die omgeving toegespitste wijze van handhaving van de in onze democratische rechtsstaat geldende fundamentele waarden en normen. De ontwikkeling van de elektronische snelweg heeft ook zijn invloed op de Grondwet. De grote diversiteit aan toepassingen van nieuwe technologieën en de daarmee samenhangende maatschappelijke omstandigheden vragen om flexibele regelgeving die niet voor elke nieuwe techniek of toepassing behoeft te worden aangepast. Het risico van een snelle veroudering van regels speelt, gelet op de duur van het wetgevingsproces, met name bij formele wetten en de Grondwet. Het verdient daarom de voorkeur de toepasselijke juridische kaders, voorzover de rechtszekerheid dat toelaat, een techniek-onafhankelijke inhoud te geven1.

Dit kan eventueel ook leiden tot een nieuwe invulling van grondrechten, zoals het brief-, telefoon- en telegraafgeheim en de vrijheid van meningsuiting.

In 1997 is reeds het al eerder genoemde voorstel tot wijziging van artikel 13 van de Grondwet, waarin het brief-, telefoon- en telegraafgeheim is vastgelegd, aan de Tweede Kamer aangeboden (kamerstukken II, 1996/1997, 25 443, nr. 2). Een geamendeerde tekst is op 21 januari 1998 door de Tweede Kamer aanvaard. In de nieuwe tekst wordt het bestaande brief-, telefoon- en telegraafgeheim op de oude voet beschermd, maar wordt daarnaast bescherming verleend aan daarmee vergelijkbare communicatietechnieken.

Het ligt daarnaast in het voornemen om in de loop van dit begrotingsjaar een notitie aan het parlement voor te leggen over artikel 7 van de Grondwet. Deze bepaling beschermt het recht van vrije meningsuiting. Afhankelijk van het middel van verspreiding verbindt artikel 7 van de Grondwet een grotere of kleinere beperkingmogelijkheid van dit recht voor de overheid. Het eerste lid betreft de meningsuiting door de drukpers, het tweede lid de meningsuiting door radio en televisie en het derde lid door overige middelen van verspreiding. Gelet op de zich snel ontwikkelende informatie- en communicatietechnologie moet worden onderzocht of artikel 7 van de Grondwet nog adequate bescherming biedt en in hoeverre dit artikel nog is toegesneden op de huidige situatie.

Op een nog breder vlak dan dat van de grondrechten zal de komende periode bezinning moeten plaatsvinden over de gevolgen van informatie- en communicatietechnologie voor de constitutionele verhoudingen in ons land. De toegankelijkheid van overheidsinformatie, kan expansief toenemen, waardoor de betrokkenheid van de burgers zal groeien. De open houding waarvoor de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid pleit in haar rapport «Staat zonder Land» zal zich onder meer uiten in het starten van discussies over dit onderwerp, mede in het verlengde van het project «150 jaar Grondwet». Er kan daarbij reeds worden gewezen op het advies «Dienen en verdienen met ICT» van de Raad voor openbaar bestuur, waarin onder meer naar voren wordt gebracht dat ICT als een strategisch instrument kan worden ingezet om burgers te dienen en daarmee te binden aan het openbaar bestuur.

3. Gelijke behandeling

Om uitvoering te geven aan artikel 1 van de Grondwet en als eerste ondertekenaar van de Algemene wet gelijke behandeling coördineert de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de wetgeving en het beleid op het terrein van de gelijke behandeling.

In de periode 1998/1999 zal de evaluatie van de wetgeving inzake gelijke behandeling plaatsvinden (Algemene wet gelijke behandeling, Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen en artikel 1637ij van het Burgerlijk Wetboek). Hiermee wordt uitvoering gegeven aan artikel 33 van de Algemene wet gelijke behandeling, dat bepaalt dat de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties mede namens de andere ondertekenaars van deze wet, om de vijf jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de werking in de praktijk van deze wetgeving dient uit te brengen.

Op het gebied van leeftijdsdiscriminatie is op 2 maart 1998 een nader kabinetsstandpunt aan de Tweede Kamer gezonden (kamerstukken II, 1997/1998, 25 938, nr. 1). Daarin spreekt het kabinet het voornemen uit te bezien of in de Aanwijzingen voor de regelgeving kan worden vastgelegd dat steeds kritisch wordt onderzocht of er voor het hanteren van onderscheidingen naar persoonlijke kenmerken – waaronder leeftijd – in regelgeving voldoende rechtvaardiging bestaat. Verder wil het kabinet bevorderen dat het onderwerp «leeftijdsdifferentiatie bij feitelijke beloning en verlofuren» op de agenda wordt geplaatst bij de eerstkomende onderhandelingen in de overheidssectoren. In dit verband is ook van belang dat voor de sector gemeenten al een akkoord is gesloten op basis waarvan de jeugdsalarissen met ingang van 1 januari 1999 worden afgeschaft.

Om meer bekendheid te krijgen met knelpunten van het onderscheid naar leeftijd in de verhouding tussen burgers onderling zal het Landelijk Bureau Leeftijdsdiscriminatie (LBL) worden gevraagd een inventarisatie te maken van mogelijke maatschappelijke knelpunten ten gevolge van leeftijdsgrenzen in de particuliere sector.

Leeftijdsdiscriminatie komt in hoge mate voor op het terrein van werving en selectie. Daarom is het wetsvoorstel «verbod onderscheid naar leeftijd bij werving en selectie bij de arbeid» (kamerstukken II, 1997/1998, 25 677) op 14 oktober 1997 ingediend. De parlementaire behandeling van dit wetsvoorstel wordt in het licht van de in het regeerakkoord gemaakte afspraken voortgezet. Daarnaast zal ook de mogelijkheid worden bezien van wetgeving ter bestrijding van discriminatie van mensen met een handicap, waarbij kan worden gewezen op de proeve van een Wet gelijke behandeling mensen met een handicap of chronische ziekte die het kabinet op 31 maart 1998 aan de Tweede Kamer heeft aangeboden. Deze proeve was toegezegd in de reactie van het kabinet op het onderzoeksrapport «Gehandicapt en recht». Over de proeve wordt langs verschillende wegen een discussie aangegaan. Zo zijn de organisaties die destijds een reactie op het onderzoeksrapport hebben gegeven, gevraagd nu ook een reactie op de proeve te geven. De Tweede Kamer zal vóór 1 januari 1999 op de hoogte worden gesteld van de uitkomst daarvan.

4. Juridisering

Om de juridisering van het openbaar bestuur terug te dringen, moeten op een aantal terreinen maatregelen worden genomen. Aandacht dient te worden besteed aan de kwaliteit van het bestuur, in dit geval verbetering van de juridische kwaliteit, snellere besluitvorming en afronding van besluitvorming binnen de daarvoor gestelde termijnen. Verbetering is ook mogelijk bij de inhoudelijke invulling van inspraak- en overlegprocedures. De rechter wordt aan termijnen gebonden. Voorts dient de kwaliteit van wetgeving te worden verbeterd. Ook een heldere wettelijke omschrijving van algemene beginselen van behoorlijk bestuur is belangrijk.

Daarnaast moet op een aantal punten de bestaande wetgeving, waaronder de Algemene wet bestuursrecht, worden bezien:

• het bestuur krijgt meer mogelijkheden om tijdens een beroepsprocedure gebreken te herstellen of het besluit te veranderen;

• procedures worden vereenvoudigd en versneld en de wetgeving moet een betere coördinatie van besluitvorming bevorderen;

• er komt één uniforme, algemeen geldende openbare voorbereidingsprocedure, waarbij de bezwaarschriftenprocedure vervalt;

• de bezwaarschriftenprocedure kan ook vervallen als belanghebbenden en het bestuur het hierover eens zijn;

• rechtsbescherming moet in beginsel alleen openstaan voor belanghebbenden;

• bezien zal worden of het aantal zaken waarin alleen in één instantie beroep mogelijk is kan worden uitgebreid;

• beroep tegen algemeen verbindende voorschriften wordt niet mogelijk gemaakt.

Een afzonderlijk punt van aandacht vormt de juridisering in de verhouding tussen bestuursorganen onderling. Geschillen tussen bestuursorganen, voor zover die in wezen niet meer zijn dan verschillen van inzicht over (uit) te voeren beleid, zouden niet door de rechter moeten worden beslecht. Rechtsbeschermingsprocedures lijken in het licht van het primaat van de politiek geen geschikt middel om dergelijke geschillen op te lossen. Het wordt wenselijk geacht te bezien of deze geschillen niet op andere wijze kunnen worden beslist. In verband daarmee zal op korte termijn een wetenschappelijk onderzoek naar deze vraag worden uitgevoerd. De uitkomsten hiervan dienen in het voorjaar van 1999 beschikbaar te zijn.

5. Extern klachtrecht en de eisen voor onafhankelijke klachtvoorziening

Zorgvuldige behandeling van klachten is van belang voor burger en overheid. Voor de burger betekent het dat hij erop mag vertrouwen dat klachten over de wijze waarop hij is behandeld, serieus behandeld en onderzocht worden. Voor de overheid biedt zorgvuldige klachtbehandeling de kans om systematisch informatie te krijgen over het functioneren van de dienst alsmede de mogelijkheid om het geschonden vertrouwen van de burger te herstellen. Bij de Tweede Kamer is een voorstel aanhangig tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht dat ziet op de behandeling van klachten door de overheid zelf (intern klachtrecht). De overheid moet eerst zelf de gelegenheid hebben haar fout te herstellen. Sluitstuk op zorgvuldige behandeling van klachten is de mogelijkheid van externe controle door een onafhankelijke instantie op gedragingen van de overheid en de wijze waarop klachten worden afgehandeld. Voor de centrale overheid is de Nationale ombudsman in beginsel de externe klachtinstantie. Decentrale overheden moeten op autonome wijze voorzien in een externe klachtinstantie. Sommige decentrale overheden (provincies, waterschappen en een aantal gemeenten) hebben zich op vrijwillige basis aangesloten bij de Nationale ombudsman. De vier grote gemeenten hebben een eigen gemeentelijke ombudsman. Een aantal andere gemeenten beschikt over klachtcommissies. In de Tweede Kamer leeft de breed gedragen politieke wens dat uiteindelijk alle decentrale overheden over een externe klachtvoorziening beschikken. Indien over een aantal jaren blijkt dat er nog «witte vlekken» bestaan, zal de vraag onder ogen moeten worden gezien of er een wettelijke verplichting moet komen. In de tussentijd is het van belang dat duidelijkheid bestaat over de eisen waar externe klachtvoorzieningen aan moeten voldoen. In de nota «Externe klachtvoorzieningen» (kamerstukken II, 1997/1998, 25 854, nr. 1) is weergegeven welke eisen aan externe klachtvoorzieningen kunnen worden gesteld.

Aan de Commissie wetgeving algemene regels van bestuursrecht is gevraagd advies uit te brengen over de wettelijke regelingen van die eisen. De regering wacht dit advies af en zal daarna een wetsvoorstel voorbereiden.

6. Kiesrecht

Er is na de Tweede-Kamerverkiezing van 6 mei 1998 een evaluatie gestart naar de effecten van de verlaging van de voorkeurdrempel en een evaluatie naar de verhoging van het vereiste aantal ondersteuningsverklaringen. Daarnaast worden ter uitvoering van Kamervragen de inspanningen van de betrokken ministeries en de consulaire posten geëvalueerd ten aanzien van de Nederlanders in het buitenland om hen in staat te stellen hun kiesrecht uit te oefenen. De evaluatie die momenteel wordt uitgevoerd naar de effecten van de verlaging van de voorkeurdrempel bij de Tweede-Kamerverkiezing van 6 mei 1998 en de gemeenteraadsverkiezingen van 4 maart 1998, vormt de eerste aanzet tot een bredere evaluatie naar de effecten van deze verlaging bij meerdere verkiezingen.

Bij de evaluatie van de verhoging van het vereiste aantal ondersteuningsverklaringen, worden zowel de ervaringen van de partijen als de ervaringen van de (gemeentelijke) hoofdstembureaus die met het onderzoek van de kandidatenlijsten zijn belast, betrokken. De (extra) kosten die partijen en gemeenten door de verhoging van het vereiste aantal ondersteuningsverklaringen en de toepasselijkheid ten aanzien van «zittende» partijen hebben moeten maken, worden hierbij in kaart gebracht. Bij het onderzoek naar de ervaringen van partijen wordt nadrukkelijk een onderscheid gemaakt tussen partijen die reeds zitting hadden in de gemeenteraad c.q. Tweede Kamer en partijen die dit niet hadden.

Daarnaast wordt onderzocht of de verhoging van het vereiste aantal ondersteuningsverklaringen nieuwe partijen heeft weerhouden van de beslissing om al dan niet te «lichtvaardig» deel te nemen aan de Tweede-Kamerverkiezing.

Onderzoek naar een wijziging van het kiesstelsel voor de Tweede Kamer, waardoor het personele element zou worden versterkt leverde een aantal alternatieve mogelijkheden op voor aanpassing van het kiesstelsel. Deze alternatieven zullen in een notitie aan de Tweede Kamer worden voorgelegd. Als achtergrond voor deze alternatieven geldt de wenselijkheid om te komen tot enige versterking van het regionale element en de herkenbaarheid van personen. Daarbij blijft het grondwettelijk vereiste van evenredige vertegenwoordiging gehandhaafd.

Tenslotte wordt opgemerkt dat er in 1999 in Nederland weer drie verkiezingen worden gehouden: de provinciale-statenverkiezingen (3 maart 1999), de Eerste-Kamerverkiezing (25 mei 1999) en de verkiezingen voor het Europees Parlement (10 juni 1999).

7. Nieuwe Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten

Het wetsvoorstel voor een nieuwe Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (kamerstukken II, 1997/1998, 25 877) omvat een volledig nieuwe regeling. Deze nieuwe regeling schept met inachtneming van de bij het werk van deze diensten noodzakelijke geheimhouding, een helder wettelijk kader waarbinnen de diensten mogen opereren, en voor de controle op dat opereren. De taken van deze diensten, hun bevoegdheden, de verplichting om een jaarverslag op te stellen, en de inzage in de door de diensten verwerkte gegevens, worden geregeld. Ook wordt voorgesteld over te gaan tot instelling van een onafhankelijke commissie van toezicht. Deze zal belast zijn met het toezicht op de rechtmatige uitvoering door de diensten van hun taken op grond van dit wetsvoorstel alsmede op grond van de Wet veiligheidsonderzoeken. De commissie zal ook adviseren bij de interne behandeling van klachten over de diensten. De bevoegdheid van de Nationale ombudsman voor de (externe) behandeling van klachten over de diensten wordt apart vastgelegd in het wetsvoorstel. Tot slot wordt voorgesteld de namen van de diensten aan te passen aan hun wettelijke taakomschrijvingen. De Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) zal omgedoopt worden tot de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst en de Militaire Inlichtingendienst (MID) tot de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst.

III. GROTE STEDENBELEID EN INTEGRATIEBELEID

1. De complete stad

Het Nederlandse grote stedenbeleid

Steden vormen met hun vele en veelsoortige inwoners en intensieve bebouwing een unieke combinatie van economische, sociale en culturele dynamiek. Steden moeten vibreren, spannend zijn en een trots gevoel geven. Ons land heeft een traditie van stedelijkheid. Veel nederzettingen groeiden in het verleden uit tot steden: centra van handel en bedrijvigheid, van cultuur en onderwijs, van wonen en van bestuur. Onze steden zijn daarvan, zowel historisch als feitelijk, het levende bewijs, en vervullen daarom een spilfunctie. Een complete stad is een levend organisme, waarbinnen bewegingen van het ene onderdeel andere functies onvermijdelijk ook beroeren.

De vitaliteit van een stad wordt bepaald door het stedelijk functioneren over de volle breedte; omgekeerd leidt verwaarlozing van een of meer functies tot een neerwaartse gang van de stad als geheel. De toekomst van steden wordt allereerst bepaald door sterk partnerschap tussen inwoners, bestuur, maatschappelijke organisaties en bedrijven. Het beleid van de regering wil sterke stedelijke partnerships kansen geven.

De laatste decennia zijn onze steden van overheidswege betrekkelijk eenzijdig benaderd. Vooral de woonfunctie kreeg, in het bijzonder in kwantitatieve zin, aandacht. Het economische, het maatschappelijke en het culturele leven kregen in verhouding minder of een te geïsoleerde belangstelling. Daarvoor was weinig ruimte, zowel fysiek als financieel. Dat heeft geleid tot het beeld van begin jaren '90, dat in de (grote) steden de werkloosheid hoger, de gezondheid slechter en de maatschappelijke kansen lager waren dan in de rest van Nederland. Daarop sloegen de stadsbestuurders alarm. Hun dringende boodschap werd door het eerste kabinet-Kok goed begrepen. Dat kabinet heeft vervolgens sterk ingezet op de keer ten goede voor de Nederlandse grote steden, niet in het minst met medewerking van de stedelijke besturen zelf. De resultaten van die eerste inspanningen worden inmiddels zichtbaar. Het met de groep van 15 middelgrote steden gesloten convenant bevatte als ijkpunt het moment, dat stadsbewoners en stadsbestuurders weer trots zouden zijn op hun stad. Welnu, dat moment dient zich aan. Er is nu weer sprake van visie, van durf in de steden. Er is hoop, er is veerkracht, er zijn verwachtingen. De Nederlandse economie presteert goed, en daaraan hebben de steden ook deel. Zo is in de periode 1994 tot 1998 de werkloosheid in de grootste vier steden gedaald van 109 000 (2e kwartaal 1994) naar 74 000 (2e kwartaal 1998). Het werkloosheidpercentage is voor de grootste vier steden nu 8,4% ten opzichte van landelijk 3,9%. Op basis van de driejaarsgemiddelden van het CBS kan deze trend ook worden waargenomen voor de G21. Het werkloosheidspercentage op basis van de Enquête Beroepsbevolking 94/96 was 11 voor de G21 (Nederland 7) en is voor de periode 95/97 gedaald naar 9 (Nederland 6).

Veel steden zijn op de goede weg, maar zijn verre van compleet. De jarenlange veronachtzaming van vitale stedelijke functies kan onmogelijk in één kabinetsperiode structureel worden gecorrigeerd. Daarom vragen ook in de komende periode de problemen en de mogelijkheden van de steden expliciet en geïntensiveerd de aandacht. Het aantreden van een Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid – de eerste in die functie op kabinetsniveau binnen de Europese Unie – maakt dat al zichtbaar. Het grote stedenbeleid wordt dan ook voortgezet, met nadruk op continuïteit en consistentie, maar ook op vitaliteit en veerkracht. De aanpak rust op de drie door het vorige kabinet al benoemde pijlers: de economische, de fysieke en de sociale infrastructuur.

Kabinet en stadsbestuurders kunnen de kar overigens niet alleen trekken. Bewoners, maatschappelijke organisaties, het nationale én lokale bedrijfsleven en provincies zijn onmisbare partners binnen de stedelijke gemeenschap. Die hele gemeenschap is nodig om een cultuurverandering te bewerkstelligen. Het ombuigen of beïnvloeden van geldstromen is van belang, oftewel ook investeren in ogenschijnlijjk minder renderende gebieden. De stad herdefinieert in dit proces ook haar verhouding met het omringende landelijk gebied.

Dat de beoogde trendbreuk zichtbaar wordt blijkt nog het duidelijkst uit het gegeven, dat deze partners zich steeds meer en pregnanter aandienen. De oprichting van het zogeheten Overlegplatform Stedelijke Vernieuwing, waarin bedrijven en particuliere organisaties zoeken naar mogelijkheden om met hun bedrijfsvoering bij te dragen aan het oplossen van maatschappelijke problemen, is in dit verband een inspirerende stap voorwaarts.

Het kabinet wil op korte termijn komen tot nieuwe afspraken met de steden (en de VNG) over de inzet van middelen en instrumenten van Rijk en gemeenten voor integrale meerjarige actie- en investeringsprogramma's. Dit is ook bepleit in de memoranda van de G4 en de G21 aan de (in-)formateurs.

Voor die programma's is inmiddels ook het nodige materiaal beschikbaar. Naast het SER-advies «Samen voor de stad» is er veel denkwerk vastgelegd in het rapport «De stedelijke investeringsopgave» van professor Priemus c.s., en ook in het rapport «Deuren openen; investeren in sociale integratie en participatie» van de commissie-Etty en het daarop voortbouwende rapport «Een sociaal en ongedeeld Nederland». Om continuïteit te verzekeren moeten de contouren van nieuwe afspraken nog dit jaar bekend zijn. De Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid heeft inmiddels het overleg met de betrokken steden gestart en een tijdpad uitgezet. Gebiedsgerichte structuurversterking blijft het anker voor de meerjarige programma's.

De beoogde continuïteit zal worden bevorderd doordat de steden hun programma's zullen enten op een langjarige stedelijke visie: welke bedreigingen moeten het komende decennium worden weerstaan, welke kansen kunnen of dienen te worden benut?

Van rijkszijde worden de komende jaren forse bedragen ingezet. Voor de periode 1999–2002 is ten behoeve van het beleidscluster «vitaliteit steden» f 930 miljoen beschikbaar. In de daarop volgende jaren komt er nog eens bijna f 3,9 miljard bij, zodat over de jaren 1999–2010 voor dit beleidsdoel f 4,8 miljard wordt uitgetrokken. Daarnaast zullen nog anderszins (reguliere en extra) middelen neerslaan in de steden, in overeenstemming met de ernst en omvang van de problemen. In ieder geval wordt daarbij gedacht aan de extra middelen die in het regeerakkoord worden uitgetrokken voor onderwijs, veiligheid, zorg, de bestrijding van werkloosheid, sport en cultuur en voor infrastructuur en economische structuurversterking.

De coördinerende bevoegdheid van de voor het grote stedenbeleid verantwoordelijke bewindspersoon is versterkt. Hij heeft budgettaire medeverantwoordelijkheid gekregen voor de rijksuitgaven in de sfeer van het grote stedenbeleid. Door de extra-comptabele opstelling van deze rijksuitgaven wordt de kabinetsinzet ter versterking van de stedelijke functies nu nog meer zichtbaar en toetsbaar. Dit komt de integraliteit van het beleid ten goede. Het kabinet gaat ervan uit dat de regiefunctie van de steden daardoor kan worden versterkt. Mede in combinatie met een Werkfonds, een Leefbaarheidsfonds en het investeringsbudget voor de stedelijke vernieuwing worden de in de beide stedelijke memoranda geformuleerde uitgangspunten voor voortzetting en intensivering van het beleid goeddeels gerealiseerd.

Aan de basis van de reeds behaalde en in 1999 nog te realiseren resultaten ligt het besef ten grondslag dat zakelijke, resultaatsgerichte afspraken het juiste uitgangspunt zijn voor het partnerschap van Rijk en steden om gezamenlijk de ambities van het grote stedenbeleid te kunnen realiseren. Zowel de Sociaal Economische Raad als de commissie-Brinkman, die de G15 heeft gevisiteerd, hebben geconstateerd dat deze benadering een veranderingsproces op gang heeft gebracht dat de relatie Rijk/steden effectiever maakt en op uitvoeringsniveau een integrale en meer vruchtbare aanpak uitlokt. Beide stellen vast dat het grote stedenbeleid moet worden voortgezet. Zowel de SER als de commissie-Brinkman pleiten voor verdere investeringen in de gekozen methodes en aanpak. Niet ten onrechte is bepleit dat ook binnen de vier grootste steden de ontwikkeling van een audit-structuur aandacht verdient. Het kabinet stelt met genoegen vast dat binnen die stedengroep daar ook nadrukkelijk draagvlak voor lijkt te groeien.

Tegenover deze gunstige signalen staat echter dat het grote stedenbeleid nog niet voldoende in de haarvaten van de stedelijke samenleving doorwerkt. Nog steeds zijn er wijken en buurten waar achterstanden onvoldoende zijn ingehaald en burgers hun positie en situatie niet verbeterd zien. Zolang deze situatie aan de orde is, is er sprake van een broze stedelijke samenleving en kan er niet van worden uitgegaan dat het verbeteringsproces al stevig genoeg is; het ideaal-systeem van de complete stad wordt immers op den duur bedreigd. Uit de memoranda die de G21 en de G4 hebben uitgebracht met het oog op de kabinetsformatie blijkt dat de betrokken stadsbesturen zich terdege van dat gevaar bewust zijn. Het moge duidelijk zijn, dat hun pleidooi om de uitgangspunten van het grote stedenbeleid niet te verlaten door het kabinet wordt gedeeld. Van belang is dat, nu het einde van de vigerende convenantsperiode nadert, het draagvlak voor het grote stedenbeleid verbreedt en de voortzetting daarvan wordt verzekerd.

Onder nader te stellen condities zullen op deelterreinen of voor specifieke probleemwijken ook andere steden met een vergelijkbare (deel) problematiek gebruik kunnen maken van instrumenten van het grote stedenbeleid.

Europa herwaardeert de steden

Het stedelijk beleid neemt ook op de Europese agenda een steeds meer prominente plaats in. Mede op basis van de resultaten van de informele ministersbijeenkomst te Noordwijk in juni 1997 is in juni 1998 geconcludeerd dat rond het jaar 2000 een niet-bindend raamwerk voor Europees stedelijk beleid door de lidstaten tot stand wordt gebracht. Vanuit het Ministerie zal hieraan volop worden meegewerkt. Nederland is een van de koplopers in de ontwikkeling van het Europese gedachtengoed over stedelijke revitalisering en wil die positie uitbouwen en versterken. De Europese Commissie zal in november 1998, tijdens een tweedaags Urban Forum te Wenen, een actieplan voor stedelijk beleid binnen de Europese Unie presenteren. Op basis van het Nederlands initiatief uit 1997 is inmiddels een uitwisseling van ervaringen «best practices» tussen lidstaten ontstaan die voor alle partijen een toegevoegde waarde heeft. In veel lidstaten is nu ook actief een lijn van integrale aanpak van stedelijke vraagstukken ingezet. Voorbeelden van aanpak van stedelijke vraagstukken in andere lidstaten geven ons ook inspiratie bij het vinden van creatieve oplossingen.

In de conceptverordening Structuurfondsen, zoals op 18 maart 1998 door de Commissie gepubliceerd, wordt voor het eerst structureel een voorziening getroffen voor stedelijk beleid. Het programma richt zich op stedelijke gebieden met name waar sprake is van langdurige werkloosheid, een hoog armoedepeil, een slechte situatie op milieugebied, grote onveiligheid en een laag onderwijspeil. De conceptverordening biedt dus goede kansen om programma's te ontwikkelen die complementair kunnen zijn aan het Nederlandse grote stedenbeleid. In ons land wordt de inzet richting Europa overigens met de steden gezamenlijk voorbereid.

Bovenstaande ontwikkelingen zijn echter niet alleen als ondersteunend aan het Nederlandse grote stedenbeleid te beschouwen. Gerichte aandacht in Europees verband voor steden is van groot belang. Niet alleen leeft een groot deel van de Europese bevolking in stedelijke gemeenschappen, maar ook een belangrijk deel van ons sociale en culturele, én democratisch leven speelt zich in stedelijk verband af.

Van belang is de relatie tussen een hoogwaardige Europese democratie en de blijvende noodzaak een goede basis te behouden voor sociale, economische en culturele ontplooiing. Daar waar segregatie dreigt is het risico van ondemocratische processen levensgroot aanwezig.

2. Integratiebeleid minderheden

2.1. Integratiebeleid

Nederland op weg naar het derde millennium wordt door demografische ontwikkelingen nog meer dan nu het geval een geschakeerde samenleving met een grote diversiteit aan culturen, godsdiensten en etnische groepen. Steeds meer is zichtbaar dat velen uit de nieuwe generaties jongeren uit etnische minderheidsgroepen succesvol hun weg vinden in de samenleving. Dit heeft een belangrijke positieve invloed op het beeld van onze kleurrijke samenleving.

De regering wil dat al deze mensen naar vermogen, op evenredige wijze en op alle maatschappelijke terreinen voluit participeren en meebouwen aan de toekomst van ons land. In de afgelopen periode is op onderdelen vooruitgang geboekt. Niettemin moet worden vastgesteld dat de – mensen uit de – verschillende etnische groepen op een aantal cruciale terreinen nog in onvoldoende mate aan de samenleving deelnemen.

Het werkloosheidspercentage onder etnische minderheden is tussen 1994 en 1997 van gemiddeld 26% teruggebracht naar 20%, maar dat is – zeker in de huidige economische situatie – nog steeds een onaanvaardbaar hoog niveau. Ook op het terrein van het onderwijs is vooruitgang geboekt, zeker door de tweede generatie, maar van een echte inhaalslag ten opzichte van autochtone Nederlanders is nog in onvoldoende mate sprake. In de nota «Criminaliteit in relatie tot integratie van etnische minderheden» is uiteengezet wat bij ongewijzigd beleid de gevolgen kunnen zijn voor de samenleving bij een gebrek aan perspectief voor met name jongeren.

Het kabinet wil het beleid met betrekking tot integratie van minderheden en de vervolmaking van de samenleving krachtig voortzetten. De betekenis die het kabinet hieraan hecht blijkt uit de wijze waarop dit beleidsterrein aandacht heeft gekregen in het regeerakkoord. Dit akkoord geeft op velerlei onderdelen van het integratiebeleid aanzetten voor nieuw beleid of voor intensivering van bestaand beleid. Deze aanzetten worden nader uitgewerkt en beogen op korte termijn tot effectievere resultaten te komen.

De Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid zal de Kamer nog dit jaar berichten hoe de in het regeerakkoord neergelegde beleidsvoornemens tezamen met andere ministeries tot uitvoering worden gebracht.

Inburgering

In aansluiting op het inburgeringsprogramma van nieuwkomers is extra aandacht nodig voor vervolgactiviteiten om te bereiken dat nieuwkomers een reële, volwaardige kans op de arbeidsmarkt krijgen. Daartoe moeten taal-werkstages en arbeidsmarktgerichte opleidingen gelijktijdig of aansluitend beschikbaar komen.

Met de op 7 april 1998 aangenomen Wet Inburgering Nieuwkomers (WIN) is het voor het eerst mogelijk om álle nieuwkomers in ons land die tot de doelgroep behoren te verplichten om een inburgeringsprogramma te volgen. De wet treedt per 30 september 1998 in werking. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering ligt met name op lokaal niveau. Hierbij is een groot aantal actoren betrokken. Omdat het een complex proces betreft, wordt de komende tijd de nodige aandacht besteed aan de implementatie. Hiervoor is in onderling overleg met de betrokken ministeries en de organisaties een implementatietraject uitgezet. Daarnaast wordt een aantal beleidsmatige accenten gelegd op het terrein van de registratie, de kwaliteitsverbetering van de inburgeringsprogramma's en de aansluiting op vervolgonderwijs of arbeidsbemiddeling. Wat betreft het laatste is er extra aandacht nodig om te bereiken dat nieuwkomers een reële, volwaardige kans krijgen op de arbeidsmarkt. De evaluatie, waarvan in de wet is vastgelegd, dat deze binnen drie jaar na inwerkingtreding moet zijn afgerond, start zo spoedig mogelijk.

Oudkomers

In ons land verblijven veel mensen die buiten het bereik van de WIN vallen omdat zij hier al langer wonen. Onder hen bevinden zich velen die over te weinig kennis van de Nederlandse taal en samenleving beschikken om hier zinvol te kunnen participeren. Deze achterstandssituatie moet via taal- en inburgeringsprogramma's ongedaan worden gemaakt. Daarbij wordt voorrang gegeven aan werklozen en opvoeders. Vanwege de werkloosheidswetgeving en de verplichting beschikbaar te zijn voor de arbeidsmarkt is voor werklozen een taal/inburgeringsprogramma verplicht. Voor het budget voor inburgering komt f 50 mln beschikbaar uit de impuls sociale infrastructuur. De Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid ontwikkelt in samenwerking met de Ministers van Onderwijs Cultuur en Wetenschappen, Volksgezondheid Welzijn en Sport en Sociale Zaken en Werkgelegenheid nog dit jaar een plan van aanpak om aan dit voornemen vorm te geven.

Ouderen

Het relatieve aandeel ouderen uit de etnische minderheden in de bevolkingsomvang neemt belangrijk toe. Om meer zicht te krijgen in hun situatie voert het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) een breed onderzoek uit naar ouderen uit de minderheidsgroepen. Hierin staat de vraag centraal hoe het is gesteld met de maatschappelijke positie en leefsituatie van de eerste generatie minderheden. Daarnaast komt aan de orde in hoeverre de bestaande beleidskaders en de ontwikkelingen die zich daarin voordoen voor deze groep toereikend zijn. Op dit onderzoeksrapport dat in de tweede helft van 1998 gereed komt, volgt medio 1999 een kabinetsreactie waarin beleidslijnen worden uitgezet.

Monitor kleine groepen in het integratiebeleid minderheden

De instroom van onder andere asielzoekers heeft de afgelopen jaren geleid tot een toename van vele kleinere nationaliteiten in Nederland. Om meer inzicht te krijgen in de maatschappelijke positie van deze minderheidsgroepen in het integratiebeleid is er een onderzoek gestart voor de verwerving van kerngegevens. Op basis daarvan zal periodiek monitoring plaatsvinden. Een verkennend onderzoek is afgerond, in de tweede helft van 1998 volgt een veldonderzoek onder de omvangrijkste kleine minderheidsgroepen.

Project criminaliteit in relatie tot de integratie van etnische minderheden (CRIEM)

Van de nieuwe generatie allochtone jongeren vinden velen succesvol hun weg in de samenleving. Voor een kleinere groep bestaat echter een verhoogd risico voor problemen op school en op straat en voor toekomstige werkloosheid. Een deel van de jongeren heeft door een gebrek aan opleiding en vormen van achterstelling geen of onvoldoende perspectief op maatschappelijke zelfontplooiing. Hier ligt een belangrijke verklaring voor de vaststelling dat groepen etnische jongeren in zeer onevenredig hoge mate zijn terug te vinden in justitiële statistieken. Bij ongewijzigd beleid kan gevreesd worden voor een structurele ontwikkeling van etnisch bepaalde marginaliseringtendensen en dreigende, blijvende segregatie waardoor het gevaar toeneemt dat jongeren afglijden in criminaliteit. Er doen zich reeds nu verschijnselen voor van monoculturen van etnische jongeren die de integratiedoelstelling in de weg staan. Te veel jongeren uit etnische minderheidsgroepen zijn inmiddels verstrikt geraakt in netwerken buiten onze geordende samenleving.

Om hierin een kentering tot stand te brengen is een integrale aanpak van preventie, behandeling en repressie nodig. In de CRIEM-nota die in april 1998 met de Kamer is besproken (kamerstukken II, 1997/1998, 25 726, nr 1), is deze aanpak ontwikkeld. Deze aanpak richt zich ten eerste op jongeren waarmee het is misgegaan of waarmee het dreigt mis te gaan, daarnaast op voortijdig schoolverlaters en de jongeren die spijbelen. Ten slotte richt de aanpak zich op de groep hele jonge kinderen om te voorkomen dat er een nieuwe generatie opgroeit die met dezelfde problemen als de huidige generatie geconfronteerd wordt.

Met de voorgestelde beleidsmaatregelen wil het kabinet een integrale aanpak met betrokkenheid van alle relevante diensten en een bestuurlijke structuur die een dergelijke aanpak ook verzekert. Daartoe wordt nog dit jaar een aantal pilots ontwikkeld en in uitvoering genomen. Deze pilots dienen als proeftuin om te bezien hoe op structurele manier integraal, effectief en sluitend, in samenwerking met een groot aantal instanties resultaten kunnen worden geboekt.

Voor wat betreft het beleidsspoor «preventie voortijdig schoolverlaten», zal nauwe afstemming plaatsvinden met de pilot trajectbegeleiders, voor risicojongeren van 16 en 17 jaar in het licht van opvang voor risicogroepen, van het Ministerie van OCenW.

2.2. Antidiscriminatiebeleid

In het regeerakkoord is tot uitdrukking gebracht dat discriminatie moreel verwerpelijk is, de stabiliteit van de samenleving bedreigt en in strijd is met de Grondwet. Racisme dient direct en duidelijk te worden veroordeeld en bestreden. Daartoe worden, in samenwerking met andere ministeries, verschillende initiatieven ontwikkeld, in aansluiting op het kabinetsstandpunt over het rapport «Bestrijding van vooroordelen, discriminatie en racisme» (kamerstukken II, 1996/1997, 25 001, nr. 10).

Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties organiseert in samenspraak met lokale overheden in het voorjaar van 1999 een conferentie over de mogelijkheden om op lokaal niveau discriminatie te bestrijden, waarbij ook maatschappelijke organisaties worden betrokken.

Voor het feitelijk bestrijden van discriminatie en racisme is in de eerste plaats een goed inzicht in (de omvang van) de problematiek van belang. Een belangrijk instrument om dit te bereiken is de Monitor Racisme en Extreem Rechts, die in oktober 1997 voor het eerst aan de Tweede Kamer werd aangeboden. Deze periodieke publicatie is gericht op de registratie van diverse uitingen van racisme en rechtsextremisme.

Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zal op nationaal niveau publieksgerichte activiteiten die racisme en xenofobie belichten blijven ondersteunen.

De Algemene wet gelijke behandeling, die een uitvloeisel is van artikel 1 van de Grondwet, bestaat sinds 1994 en zal in 1999 worden geëvalueerd. Een ander belangrijk juridisch instrument om racisme te bestrijden is het wetsvoorstel, dat bij het parlement in behandeling is, om subsidie te ontnemen aan politieke partijen die wegens racisme zijn veroordeeld.

Aan het thema discriminatie op de arbeidsmarkt van het Europees Jaar Tegen Racisme wordt een vervolg gegeven in het kader van het akkoord van de Stichting van de arbeid «Meer werk voor minderheden» en de uitvoering van de Wet Samen. In het zicht van de mogelijke toekomstige tekorten op de arbeidsmarkt, in verband met de vergrijzing, is er voor de sociale partners ook een belangrijke rol weggelegd bij het aannemen van leden uit etnische minderheidsgroepen en bij het bestrijden van racisme en (onbewuste) discriminatie op de werkvloer.

2.3. Huisvesting statushouders

Het beleid is er op gericht om statushouders (toegelaten asielzoekers) zo spoedig mogelijk nadat de statusverlening heeft plaatsgevonden, vanuit de centrale opvangvoorzieningen uit te plaatsen naar woonruimte in gemeenten.

Zoals gebruikelijk wordt de omvang van de halfjaarlijkse taakstellingen voor huisvesting van statushouders voor 1999 vastgesteld op basis van de door de Staatssecretaris van Justitie bekend te maken prognose van het aantal statussen, dat naar verwachting in die periode wordt verleend. De prognose voor de eerste helft van 1999 wordt vóór 1 oktober 1998 in de Staatscourant gepubliceerd.

In het regeerakkoord is aangekondigd dat het aantal statussen wordt beperkt: er komt één status met de rechten die thans aan de A-status zijn verbonden en een tijdelijke status, waaraan specifieke beperkingen kunnen worden verbonden. Het is denkbaar om houders van de tijdelijke status onder het regime van de zorgwet Voorwaardelijke vergunning tot verblijf (VVTV) te laten vallen. Eén en ander vergt aanpassingen van deze wet. Eventueel moet ook de taakstellingensystematiek worden bijgesteld.

De uitplaatsing van statushouders uit de centrale opvang ondervindt vertraging door het weigeren van passende woonruimte door statushouders. Ter minimalisering hiervan zijn begin 1998 de procedures aangescherpt, waarbij geweigerde woonruimte direct door het Centraal orgaan Opvang Asielzoekers (COA) aan andere in de centrale opvang verblijvende statushouders wordt bemiddeld. Hierdoor wordt leegstand in de gemeenten voorkomen.

De gemiddelde uitplaatsingstermijn bij de huisvesting van statushouders in de gemeenten is te lang. Een extern bureau heeft onderzocht welke mogelijkheden er zijn om deze termijn substantieel te verkorten. Hierover worden eind oktober 1998 nadere voorstellen gedaan.

2.4. Nederlandse Antillen en Aruba

De immigratie uit de Antillen van met name jongeren is nog steeds actueel. De samenwerking met het Centrum Voorlichting Antillianen (CVA) wordt dan ook voortgezet. Het CVA wil jongeren die naar Nederland willen vertrekken een perspectief bieden op de Nederlandse Antillen zelf. Aan personen die daadwerkelijk gaan vertrekken, wordt voorlichting over Nederland gegeven. Een goede opvang in Nederland wordt bevorderd door informatie-uitwisseling met gemeenten en instellingen.

Met de Antilliaanse autoriteiten heeft overleg plaatsgevonden over de mogelijkheden om op de Nederlandse Antillen delen van het inburgeringsprogramma aan te bieden. Indien de Antilliaanse autoriteiten hiermee akkoord gaan, gaat op korte termijn een werkgroep aan de slag om daartoe voorstellen te ontwikkelen.

Het ambtelijk overleg over de informatie-uitwisseling tussen de bevolkingsregisters van Nederland en de Koninkrijkspartners wordt in aansluiting op het PIVA-project (Persoonsinformatievoorziening Nederlandse Antillen en Aruba) voortgezet. De noodzakelijke wijzigingen in de Nederlandse regelgeving worden in gang gezet.

Afgesproken is dat de Antilliaanse regering een inventarisatie maakt van de rechtspositie van Europese Nederlanders. Indien daartoe aanleiding bestaat, wordt dit nader besproken.

IV. OPENBAAR BESTUUR

Het openbaar bestuur staat op de drempel van de 21e eeuw. Er zijn nog extra inspanningen nodig om de overheid daarvoor gereed te maken. Het kabinet kiest daarbij voor dynamiek in het bestuur, voor het debat over de betekenis van het politiek primaat in deze tijd, transparantie van overheidsorganisaties en heldere verantwoordingstructuren, de verbetering van de sturing van de uitvoering, de zorg voor draagvlak van beleid, de kwaliteit van de ambtelijke dienst en de aandacht voor de invloed van ICT.

Niet alleen van het rijk, maar ook van de gemeenten en provincies wordt dynamiek en eigen initiatief gevraagd. Van de overheid wordt een duidelijke visie op maatschappelijk problemen en een open en interactieve bestuursstijl verwacht. Betrokkenheid van burgers, bedrijven en andere organisaties bij het verkennen van problemen en van mogelijke oplossingen is goed voor de kwaliteit van de politieke besluitvorming en voor het draagvlak bij de uitvoering. Ter verbetering van de relatie overheid-burgers en het vergroten van de betrokkenheid van burgers bij het bestuur, organiseren lokale overheden bijvoorbeeld stadspanels en buurtgesprekken. Er zijn klachtencommissies, ombudsmannen en bezwarencommissies. Ook wordt er gestreefd naar één loket voor de overheid. Hierbij speelt de informatie- en communicatietechnologie een belangrijke rol.

De verhoudingen tussen de overheid en de samenleving worden allengs meer volwassen. Ook de verhouding tussen de verschillende bestuurslagen ontwikkelt zich verder in die richting.

Een moderne overheid moet met beide benen in de samenleving staan. Een grotere nadruk op de prestaties van de overheid en het afleggen van publieke verantwoording daarover zal het aanzien van de overheid ten goede komen. De overheid heroverweegt zijn instrumenten. Naast regelgeving komt meer de nadruk te liggen op communicatie, draagvlakverwerving en soms onderhandelingen. Het openbaar bestuur wordt meer en meer onderdeel van – internationale – netwerken, de omgeving verandert en de nationale speelruimte wordt beperkt. Ook is er sprake van juridisering (zie ook hoofdstuk II, paragraaf 4). Tezamen met de hiervoor genoemde trends legt dit druk op de overheid en het politiek primaat.

De ramingen voor de algemene uitkeringen uit het gemeente- en provinciefonds vloeien voort uit de tussen het Rijk, de VNG en het IPO afgesproken normeringssystematiek die ook in de vorige regeerperiode van toepassing was. Zoals aangegeven in het regeerakkoord leiden de intensiveringen op de rijksbegroting, voorzover deze de ombuigingen overtreffen, tot een verhoging van de algemene uitkering, ten opzichte van de basisraming. In het regeerakkoord is een bedrag genoemd van f 335 mln in 2002. Inmiddels is duidelijk geworden dat diverse veronderstellingen die bij de opstelling van het regeerakkoord zijn gemaakt bij nadere uitwerking anders blijken uit te pakken. Dit leidt ertoe dat het bedrag naar huidig inzicht oploopt tot f 355 mln in 2002 (stand Miljoenennota). Naast de verhoging ten opzichte van de basisraming, zoals die bestond ten tijde van de opstelling van het regeerakkoord, is er de ontwikkeling van de basisraming zelf. Die raming is neerwaarts beïnvloed door de gunstige maco-economische effecten van het regeringsbeleid en de overige nieuwe inzichten van het CPB voor de middellange termijn. Het regeringsbeleid heeft onder meer een geringere reële loonstijging alsook lagere bijstandsuitgaven tot gevolg. Ook de gemeenten en de provincies hoeven dan minder uitgaven te doen. Gerekend met het gewogen gemiddelde van de loon- en prijsstijging van de overheidsconsumptie (de sectorspecifieke prijsontwikkeling) resulteert een geraamde volumegroei van de algemene uitkering van gemiddeld ongeveer 2% per jaar. Gerekend met de prijsstijging van het BBP resulteert een geraamde reële groei van gemiddeld circa 1,8% per jaar. Deze groeicijfers zijn zeer aanzienlijk hoger dan de in de afgelopen regeerperiode gerealiseerde reële groei van gemiddeld 0,3% per jaar.

1. Mede-overheden

1.1. Monisme/dualisme

Het lokale bestuursmodel is op een aantal punten aan herziening toe. De huidige wijze van aanstelling van de burgemeester is onbevredigend en de taak- en bevoegdhedenverdeling tussen college en gemeenteraad is in theorie nog monistisch, maar in de praktijk steeds meer dualistisch. Een meer dualistisch bestuursstelsel maakt bestuurlijke verantwoordelijkheden meer inzichtelijk en transparant.

Dat komt tegemoet aan de noodzaak nieuwe wegen te vinden voor het publiekelijk afleggen van rekening en verantwoording. Zo blijft het democratisch proces vitaal.

Het kabinet kiest voor een ontwikkeling naar meer dualisme op lokaal niveau, zoals die in de praktijk reeds in gang is gezet. Meer dualisme betekent naar verwachting een ingrijpende wijziging in de bestaande bestuurlijke verhoudingen tussen de gemeentelijke organen. Het is daarom gewenst dat de consequenties van een dergelijke wijziging in samenhang diepgaand worden onderzocht, afgewogen en uitgewerkt. Hiertoe wordt een Staatscommissie ingesteld met als opdracht te onderzoeken op welke wijze de dualisering van het lokale bestuursmodel vorm kan worden gegeven. De commissie dient voor 1 januari 2000 voorstellen te doen, mede over de juridische aspecten en de overige consequenties van dit model, alsmede over de relatie tussen de eventuele invoering van de gekozen burgemeester en dit dualistische model. De Staatscommissie zal ook advies uitbrengen over combinatie of spreiding van verkiezingen.

De mogelijkheid om wethouders te benoemen van buiten de gemeenteraad zal worden geopend door een voorstel tot wijziging van de Gemeentewet.

1.2. Bestuursakkoord nieuwe stijl

In het regeerakkoord is opgenomen dat het kabinet een «bestuursakkoord-nieuwe-stijl» afsluit met VNG en IPO. Dit bestuursakkoord zal een offensief karakter hebben en is gericht op het oplossen van inhoudelijke vraagstukken, onder meer jeugdbeleid, grote stedenbeleid, sociale infrastructuur en inburgering. Er wordt een gezamenlijke beleidsstrategie uitgezet op een aantal brede thema's uit het regeerakkoord. Vanuit Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt hierbij in ieder geval ook gedacht aan veiligheidsbeleid. Tevens zullen de spelregels in het verkeer tussen de verschillende overheden worden vastgelegd, onder andere de wijze van rapportage en evaluatie.

Met dit akkoord wordt bestuurlijk commitment en politiek partnerschap tot uitdrukking gebracht. Daarmee wordt nu een voortvarende start gemaakt, die mogelijk is dankzij het reeds verrichte voorwerk. Het kabinet gaat er vanuit dat bij de verdere voorbereiding en uitvoering van het bestuursakkoord de VNG en het IPO een faciliterende en coördinerende rol zullen vervullen. Het parlement wordt uiteraard geïnformeerd over de ontwikkelingen met betrekking tot het bestuursakkoord nieuwe stijl.

Dit akkoord zal worden voorbereid, bekrachtigd en bewaakt in een periodiek overhedenoverleg met een brede delegatie van het kabinet onder leiding van de minister-president. Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zal hierin een centrale rol vervullen. Dit halfjaarlijkse overleg past in een meer interactieve benadering tussen overheden.

1.3. Vernieuwing bestuurlijke organisatie

Uitgangspunt voor de door het kabinet wenselijk geachte aanpassingen in de bestuurlijke organisatie is en blijft het stelsel van drie volwaardige, democratisch gecontroleerde bestuurslagen. Dit is de leidraad bij de discussie over de herverdeling van (regionale) taken, gemeentelijke herindeling en de verdere uitvoering van de Kaderwet bestuur in verandering. In samenspraak met provincies en grote steden zal de regionale sturing en coördinatie door de rijksoverheid op randstedelijk niveau worden versterkt. Ook elders heeft de rijksoverheid bij bovenprovinciale vraagstukken in laatste instantie een nadrukkelijke interventietaak. Het kabinet wil deze taak in de regelgeving sterker profileren door middel van een wettelijke regeling binnen de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Met het oog op de gewenste versterking van de regionale regie, moet de integrerende en arbitrerende rol van de provincies worden versterkt, zonodig door middel van wettelijke voorzieningen. Daarvoor, maar ook los daarvan, is het nodig dat de bestuurlijke cultuur van de provincies wordt omgebogen in de richting van een modern en besluitvaardig middenbestuur. Dit proces is door de provincies overigens al in gang gezet. Het kabinet hecht veel belang aan een actieve en ideeënrijke opstelling van de provincies. Dat schept goede voorwaarden om in overleg de juiste instrumenten en werkwijzen te ontwikkelen voor een adequate regie en besluitfunctie. Onontbeerlijk hierbij is een positieve opstelling van de gemeenten. Zij zullen zich moeten herkennen in de meerwaarde van de beoogde provinciale rol. Het is daarom belangrijk nog dit kalenderjaar met IPO en VNG te komen tot een gezamenlijke opvatting over de hoofdlijnen van de regiefunctie op regionaal niveau.

Samenwerking tussen gemeenten blijft nuttig, als aanvulling op de bestuurlijke hoofdstructuur. Het is daarbij in de eerste plaats aan gemeenten zelf om te beslissen of samenwerking in specifieke situaties een wenselijke oplossing is.

De bundelings- en integratieverplichting wordt daarom uit de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) geschrapt. Een wetsvoorstel daartoe zal dit begrotingsjaar worden ingediend. Provincies houden een belangrijke rol bij het voorkomen van een ondoorzichtig geheel van samenwerkingsverbanden. De rol van de bij gemeentelijke samenwerkingsverbanden betrokken gemeenteraden moet vanuit democratisch oogpunt van wezenlijke betekenis zijn.

Dit is een nadrukkelijk punt van aandacht bij een meer algemene heroverweging van de Wgr. Bij die heroverweging zullen ook de zogeheten lichte samenwerkingsconstructies en de convenanten worden betrokken.

Taken en bevoegdheden worden zoveel mogelijk op uniforme wijze toegedeeld aan de drie territoriale bestuurslagen binnen deze hoofdstructuur. De wijze waarop provincies respectievelijk gemeenten hun taken en bevoegdheden uitoefenen kan binnen de wettelijke kaders uiteraard verschillen. Met inachtneming van het hier gestelde blijft het streven gericht op het naar provincies en gemeenten decentraliseren van die taken (en de daarbij behorende financiële middelen) die naar hun aard beter door die mede-overheden kunnen worden uitgevoerd.

Centrumgemeenten moeten in staat zijn hun centrumfunctie te vervullen. Indien zich ruimtelijke knelpunten voordoen, of samenwerkende gemeenten er onvoldoende in slagen daar bevredigende oplossingen voor te vinden, kan worden overgegaan tot grenscorrecties tussen gemeenten of tot gemeentelijke herindeling. Ook als het bestuurlijk draagvlak van kleinere gemeenten te gering is voor de uitvoering van (toenemende) gemeentelijke taken, kan worden overgegaan tot gemeentelijke herindeling. Herindelingvoorstellen, waaronder die voor Den Haag en de regio Eindhoven/Helmond, waarmee een aanvang is gemaakt, worden verder in procedure gebracht en in principe overeenkomstig de provinciale voorstellen uitgevoerd. Naar verwachting zullen nog dit kalenderjaar voorstellen worden ingediend voor Twente, West-Overijssel, de Over-Betuwe, Utrecht en enkele samenvoegingen.

Binnen een jaar worden de gebieden waar de laatste jaren geen herindeling heeft plaatsgevonden geanalyseerd op knelpunten om daar eventueel te komen tot versterking van het lokaal bestuur door gemeentelijke herindeling.

Bovendien wordt nagegaan of en hoe vrijwillige gemeentelijke herindeling kan worden gestimuleerd. In dit kader zal in elk geval met VNG en IPO overleg worden gevoerd.

De «Kaderwet Bestuur in Verandering» wordt voor de daaronder vallende gebieden verlengd tot 1 januari 2003, tenzij er in een gebied op vrijwillige basis tijdig gekozen wordt voor een andere oplossing. Voor de regio's Rotterdam, Twente en Zuidoost-Brabant is besluitvorming hierover dit jaar noodzakelijk. In de kaderwetgebieden Amsterdam en Rotterdam wordt vooralsnog gekozen voor (functionele) samenwerking. Derhalve zal de bij de Eerste Kamer aanhangige Interimwet provincie Rotterdam worden ingetrokken. Vóór 1 januari 2002 wordt de samenwerking in beide gebieden beoordeeld op de bereikte resultaten en eventueel aanwezige knelpunten. Op basis van de evaluatie van de in deze regio's levende opvattingen en het democratisch gehalte van het bestuur wordt dan een definitief besluit genomen over toekomstige bestuursvormen. Daarbij is noch wijziging in de bestuursvorm, noch aanpassing van de provinciale of gemeentelijke indeling uitgesloten.

In het kader van het grote stedenbeleid kan gekozen worden voor het al dan niet tijdelijk toedelen van extra bevoegdheden van het rijk en de provincies aan de grote steden, mede op initiatief van die steden. Hiertoe wordt bezien of een wettelijke experimenteermogelijkheid nodig is. In verband daarmee wordt nagegaan of het zgn. doordecentralisatie-artikel uit de Provinciewet (art 107) meer dwingend kan worden geformuleerd. Anderzijds zal worden onderzocht onder welke voorwaarden delegatie van taken door het Rijk aan de grote steden mogelijk is. Daarbij is van belang dat tijdens de parlementaire behandeling van de Gemeentewet is komen vast te staan dat een algemeen geformuleerde delegatiebepaling in de verhouding Rijk-gemeenten op constitutionele bezwaren stuit. Dit traject zal worden gestart met de G4, waarbij wordt ingehaakt op de ervaringen die al enige tijd zijn opgedaan vanwege eerdere besluiten die ertoe hebben geleid dat de G4 op een aantal beleidsterreinen reeds een «provinciale status» hebben.

1.4. Wijze van aanstelling van de burgemeester

Vooruitlopend op de uitkomsten van de Staatscommissie die voorstellen zal doen over de dualisering van het lokale bestuursmodel en tevens zal bezien hoe een eventuele toekomstige invoering van de gekozen burgemeester zich zal verhouden tot een dergelijk model, wordt, overeenkomstig het regeerakkoord, op korte termijn de mogelijkheid geopend van grotere invloed van de burgers op de procedure van de benoeming van de burgemeester. Het wetsvoorstel tot wijziging van artikel 61 Gemeentewet dat bij de Tweede Kamer is ingediend, zal zo spoedig mogelijk zodanig worden aangepast dat de mogelijkheid voor gemeenten een volksraadpleging over kandidaten te houden ten behoeve van de openbare aanbeveling door de gemeenteraad over een te benoemen burgemeester wordt vastgelegd. Het houden van een zodanige volksraadpleging zal actief onder de aandacht van de gemeentebesturen worden gebracht. De discretionaire bevoegdheden van de Kroon blijven conform de huidige Grondwet onaangetast. In dit verband verdient tevens vermelding dat de behandeling van het grondwetsherzieningsvoorstel waarbij de aanstellingswijze van de burgemeester en de commissaris van de Koningin uit de Grondwet wordt geschrapt, zal worden voortgezet.

1.5. Personeelsbeleid voor burgemeesters

In 1999 zal het personeelsbeleid voor burgemeesters verder gestalte krijgen. Het advies aan de Minister van Binnenlandse Zaken «Naar een personeelsbeleid voor burgemeesters» van de stuurgroep personeelsbeleid, dat ook met de Kamer is besproken, geeft daarvoor de richting aan. Het advies bevat aanbevelingen over mobiliteit, professionalisering, en management development. Een werkgroep bestaande uit burgemeesters, kabinetschefs, medewerkers van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, onder leiding van een onafhankelijke voorzitter, stelt een advies op over een nadere uitwerking van de aanbevelingen.

De noodzaak van permanente educatie heeft binnen de beroepsgroep burgemeesters tot voor kort weinig aandacht gekregen. Met het in 1997 gestarte specifieke opleidingsprogramma voor burgemeesters is daar verandering in gekomen. Dit betreft een initiatief van het Nederlands genootschap van Burgemeesters, ondersteund door het Ministerie. De belangstelling voor deelname is groot. De 70 beschikbare opleidingsplaatsen zijn tot nu toe ieder jaar volgeboekt. Uit de evaluatie onder de deelnemers is gebleken dat er behoefte is aan verbreding en verdieping van het programma aanbod. Naast een vervolgprogramma voor cursisten die het basistraject hebben doorlopen, is besloten met ingang van het opleidingsjaar 1999 ook aan de reguliere taken van de burgemeester op het terrein van Openbare Orde en Veiligheid binnen het bestaande opleidingsprogramma meer aandacht te besteden.

2. Organisatie van de rijksdienst

De organisatie van de overheid – en in het bijzonder van de rijksdienst en haar onmiddellijke omgeving – is een belangrijk onderwerp voor het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Met het oog op het belang van de ministeriële verantwoordelijkheid en een doelmatig en effectief functionerende rijksdienst is een aantal aspecten van de (verhouding tussen) de kerndepartementen en de uitvoeringsorganen belicht. Er is een onderzoek verricht naar de zelfstandige bestuursorganen en de herziening van het stelsel van adviescolleges is afgerond. Het is nu zaak om de bereikte verheldering van posities – scheiding van advies, overleg en belangenbehartiging – vast te houden en te onderhouden.

In het dossier van de zelfstandige bestuursorganen is een aantal acties voorzien. In kaart is gebracht hoe het terrein van de zelfstandige bestuursorganen er uitziet en waar in wet- en regelgeving reparaties nodig zijn om de grenzen aan zelfstandigheid van die bestuursorganen helder te definiëren in het licht van de ministeriële verantwoordelijkheid en de vereiste publieke controle op overheidshandelen. Een aantal voorstellen tot wijziging van de regelgeving is inmiddels tot stand gekomen of aanhangig gemaakt. Andere voorstellen zijn in voorbereiding. Over de uitvoering van de «verbeter-voornemens» voor zelfstandige bestuursorganen, wordt aan de Tweede Kamer binnenkort gerapporteerd.

De regering maakt een wetsvoorstel voor een Kaderwet zelfstandige bestuursorganen zo spoedig mogelijk bij de Tweede Kamer aanhangig. Het wetsvoorstel bevat algemene regels inzake zelfstandige bestuursorganen. Daarbij is aansluiting gezocht bij de onderwerpen genoemd in de motie-Scheltema c.s. (kamerstukken II, 1996/1997, 25 268, nr. 4). Het betreft hier onder meer de volgende onderwerpen: de definitie, de rechtsvorm, de instelling, inrichting en samenstelling van zelfstandige bestuursorganen, waaronder de benoeming, bezoldiging en ontslag van bestuurders, de rechtspositie van het personeel, het toezicht op en de sturing van zelfstandige bestuursorganen, het inlichtingenrecht van de Minister van BZK, de jaarlijkse verslaglegging door zelfstandige bestuursorganen en de periodieke evaluatie (zie ook de brief van de Minister terzake, kamerstukken II, 1996/1997, 25 268, nr. 4).

Nieuwe aandachtsvelden bij de organisatie van de rijksdienst zijn actueel geworden. Naast het juridisch kader wordt ook verder gewerkt aan de bestuurlijk-organisatorische aspecten van verzelfstandiging, meer in het bijzonder de sturingsrelatie tussen het kerndepartement en zelfstandige bestuursorganen, toezichtsarrangementen en het gebuik van kwaliteitsinstrumenten.

Juist wanneer overheidstaken op enige afstand (in zelfstandige bestuursorganen) of door de markt worden uitgevoerd, moet het toezicht daarop goed geregeld zijn. Hiervoor zal een kaderstellende visie worden ontwikkeld. Over de verdere aanpak van het thema toezicht zal de Tweede Kamer binnenkort nader worden geïnformeerd.

Tenslotte verdient ook de verhouding tussen markt en overheid de voortdurende aandacht. Naast de kaders voor de toelaatbaarheid van marktactiviteiten door onderdelen van de overheid wordt de komende periode ook aandacht besteed aan de vraag hoe de uitvoering van overheidstaken het best kan worden vormgegeven opdat een verstandig evenwicht wordt bereikt tussen enerzijds de intrinsieke waarden van overheidshandelen en anderzijds de voordelen van marktwerking en concurrentie. In het kader van het project Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit wordt de Tweede Kamer hierover geïnformeerd.

3. Informatie- en communicatietechnologie

Bij de activiteiten op het gebied van informatie- en communicatietechnologie (ICT) geeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties prioriteit aan oplossing van het millenniumvraagstuk.

3.1. Het openbaar bestuur in de informatiemaatschappij

Het toenemend gebruik van Informatie- en Communicatie Technologie biedt nieuwe mogelijkheden voor zowel het openbaar bestuur als voor de burgers. Zonder toegang tot (elektronische) informatie en informatiestromen zouden de economische en maatschappelijke processen in ons land snel stagneren. De moderne samenleving is sterk afhankelijk geworden van informatietechnologie, maar heeft daarmee ook veel nieuwe kansen gekregen.

Dat geldt met name voor een kennisintensieve organisatie als het openbaar bestuur. De overheid is gehouden zo effectief en efficiënt mogelijk te opereren en te zorgen voor een optimale dienstverlening aan haar burgers. Vanuit de maatschappij worden ook steeds hogere eisen gesteld. Het besef dat de overheid er is voor de burger en niet andersom, is sterker geworden. Wanneer de overheid ver achterblijft bij datgene wat technisch mogelijk is, schaadt dat haar imago en uiteindelijk ook haar legitimiteit.

De toegankelijkheid van overheidsinformatie (in het bijzonder wet- en regelgeving) onder meer door toepassing van nieuwe technologieën zoals Internet, dient te worden bevorderd tegen zo beperkt mogelijke kosten. Het is niet alleen van belang dat zoveel mogelijk burgers tot zoveel mogelijk overheidsinformatie toegang hebben, maar dat ook maatwerk kan worden geleverd om met bepaalde boodschappen specifieke doelgroepen te bereiken. Onderzoek naar de organisatie en inzet van middelen en nieuwe instrumenten, moet leiden tot een vergroting van de effectiviteit van de overheidsvoorlichting en tot betere toegankelijkheid van overheidsinformatie.

In de komende periode zal de toepassing van informatie- en communicatietechnologie in de openbare sector, en specifiek bij de rijksoverheid, extra aandacht vragen. Meer samenhang en afstemming is nodig om met succes de voordelen die ICT het openbaar bestuur en de rijksoverheid biedt te benutten en het ontstaan van achterstand te voorkomen. Eerder is in het kader van het Nationaal Actieprogramma Elektronische Snelwegen een nota «Electronic Government» aangekondigd. Naar verwachting zal dit samenhangende actieprogramma nog dit jaar worden gepresenteerd. Bij de verdere uitwerking en de uitvoering, wordt de relevante omgeving, elektronisch via het Internet betrokken. Burgers, wetenschap en bedrijfsleven worden uitgenodigd mee te denken en mee te werken. In het actieprogramma wordt onder meer aandacht besteed aan:

• het verbeteren van de elektronische dienstverlening (één-loket-gedachte);

• de toegang tot en participatie aan de elektronische snelweg voor elke burger;

• de toegankelijkheid van overheidsinformatie tegen zo beperkt mogelijke kosten;

• het op orde brengen van de back-office van de overheid.

Het project Overheidsloket (OL)2000 heeft op gemeentelijk niveau een belangrijke bijdrage geleverd aan de verbetering van de dienstverlening via de één-loket-gedachte. De pilots worden binnenkort formeel afgerond. De toekomstplannen zijn gericht op de implementatie van het OL-concept op grote schaal. Zo worden nu drie haalbaarheidsonderzoeken uitgevoerd op de terreinen Zorg & Welzijn, Bouwen & Wonen en Bedrijven.

Om zoveel mogelijk burgers toegang tot overheidsinformatie te geven is inmiddels het Project Communicatie Overheid-Burger (COB) van start gegaan. Het plan maakt onderdeel uit van het Nationaal Actieprogramma Elektronische Snelwegen. Doel is om binnen een periode van twee jaar alle openbare bibliotheken aan te sluiten op het Internet. Het bibliotheekpersoneel zal worden bijgeschoold om burgers behulpzaam te zijn bij het zoeken naar elektronische overheidsinformatie. Bovendien worden cursussen ontwikkeld om bezoekers wegwijs te maken.

In een democratische samenleving moet overheidsinformatie (in het bijzonder wet- en regelgeving) tegen zo beperkt mogelijke kosten ter beschikking worden gesteld aan de burger. Bevorderd wordt dat de mogelijkheden van ICT benut worden om maatwerk te leveren zodat met bepaalde boodschappen specifieke doelgroepen bereikt kunnen worden. Het doel is om door middel van ICT een bijdrage te leveren aan de vergroting van de effectiviteit van de overheidsdienstverlening en tot betere toegankelijkheid van overheidsinformatie.

Het functioneren van het overheidsapparaat kan belangrijk verbeterd worden met behulp van ICT. In gezamenlijk overleg met de ministeries zullen voorstellen gedaan worden voor het standaardiseren van elektronische uitwisseling, beveiliging, opslag en ontsluiting van overheidsinformatie en het stroomlijnen van basisgegevens. De gezamenlijke inkoop van datacommunicatie-diensten (Overheidsnetwerk 21) zal verbreed worden. Het opzetten van een beveiligd Intranet voor de ministeries, Hoge Colleges van Staat en de Eerste en Tweede Kamer wordt voorbereid. Ten behoeve van de bundeling en het overheidsbreed toegankelijk maken van kennis over de toepassing van ICT binnen de overheid zal een ICT-uitvoeringsorganisatie opgezet worden.

De relatieve achterstand bij ICT-toepassingen voor de bedrijfsvoering van de overheid kan niet aanstonds en in volle breedte worden aangepakt, omdat de oplossing van de millenniumproblematiek de hoogste prioriteit heeft. Dat neemt niet weg dat de verdere uitwerking van het actieprogramma alvast met de relevante omgeving kan worden opgepakt.

3.2. Millenniumvraagstuk

Het gebruik van geautomatiseerde systemen, inclusief software, vormt een onlosmakelijk en wijd verbreid onderdeel van het functioneren van (overheids-) organisaties. Dit geldt zowel voor de bedrijfsvoering als voor de primaire taken die deze organisaties moeten vervullen. Het is duidelijk dat het millenniumvraagstuk een zeer verstorende factor kan vormen voor het functioneren van de rijksoverheid, de zelfstandige bestuursorganen, alsmede de mede-overheden; derhalve zal de oplossing van dit vraagstuk voortvarend worden aangepakt.

Coördinerende rol van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft een coördinerende rol bij de aanpak van het millenniumvraagstuk. Deze rol houdt in, dat constant de voortgang van het millenniumproces bij de ministeries wordt gevolgd en wordt vastgesteld of de betrokken organisatie afwijkt van de in juni 1997 door de ministerraad vastgestelde normplanning, zowel in proces, inhoud als in de tijd. Het Projectbureau Millennium Overheid vervult daarbij een ondersteunende taak.

Elk ministerie is zelf verantwoordelijk voor het oplossen van het millenniumprobleem binnen de eigen organisatie. Voor de onder de ministeries ressorterende zelfstandige bestuursorganen en de organisaties die algemeen maatschappelijke functies vervullen, geldt eveneens dat de verantwoordelijkheid voor het oplossen van het probleem bij de desbetreffende organisaties zelf ligt. De zelfstandige bestuursorganen zijn wel gevraagd te rapporteren over de voortgang aan de desbetreffende ministeries.

Ook de maatschappelijke organisaties die werkzaamheden verrichten op het beleidsterrein van de ministeries maken deel uit van de rapportage over het millenniumprobleem, maar het is daarbij een keuze van het desbetreffende ministerie welke (groepen) organisaties worden gevraagd over de voortgang te rapporteren.

Als coördinerend ministerie volgt BZK de voortgang van het millenniumproces bij de ministeries en stelt afwijkingen vast van de in juni 1997 vastgestelde normplanning.

Daarbij moet worden bepaald wat de consequenties van deze afwijkingen zijn en wat er zou moeten gebeuren om de planning te halen. Na de inventarisatie en analyse van alle objecten is de fase van prioriteitstelling aan de orde om zoveel mogelijk veilig te stellen dat de vitale onderdelen in de overheidssector en bij maatschappelijk vitale sectoren kunnen blijven functioneren.

Per 1 september 1997 is het Projectbureau Millennium Overheid opgericht met de volgende opdracht:

1. het stimuleren van de ministeries en mede-overheden om voldoende aandacht te besteden aan het millenniumprobleem en middelen hiervoor ter beschikking te stellen;

2. ondersteuning van de ministeries en mede-overheden bij het realiseren van de afspraken door:

a. het ontwikkelen van een kennismanagementsysteem;

b. de inrichting van een helpdesk;

c. het voorbereiden en/of sluiten van convenanten/overeenkomsten met marktpartijen, met als doel vraag en aanbod van de IT-capaciteit optimaal op elkaar af te kunnen stemmen;

d. coördinatie bij de analyse van de juridische aspecten;

e. het doen ontwikkelen van noodscenario's bij de aanpak van het millenniumprobleem;

3. het vervullen van de monitoringfunctie bij de ministeries/mede-overheden bij de aanpak van het millenniumprobleem.

Beleidsvoornemens 1999

De politieke en bestuurlijke belangstelling zal sterk gericht zijn op de millenniumbestendigheid binnen de maatschappelijk vitale sectoren en de vitale sectoren bij ministeries en mede-overheden. De afhankelijkheid van deze vitale sectoren van geautomatiseerde systemen, inclusief de software, maakt het functioneren van deze sectoren extra kwetsbaar. Naast het verzorgen van de reguliere taken voor de ministeries en mede-overheden zijn de inspanningen van het Projectbureau Millennium Overheid er mede op gericht om de oplossing van het millenniumprobleem bij de maatschappelijke vitale sectoren te helpen bevorderen.

De Tweede Kamer wordt iedere drie maanden geïnformeerd over de voortgang. De planning is erop gericht om uiterlijk 1 november 1998 inzicht te hebben in de oplossing van het millenniumprobleem. Waar de haalbaarheid hiervan nog onzeker is zullen extra inspanningen gedaan worden om meer greep te krijgen op de planning en de effectuering van noodscenario's.

Het instrument van de contra-expertise zal worden ingezet om de deugdelijkheid van de aanpak van het millenniumprobleem op de specifieke beleidsterreinen intensief te beoordelen en waar nodig te adviseren voor het treffen van (aanvullende) maatregelen ter oplossing van het millenniumprobleem.

3.3. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en het millenniumvraagstuk

Bij de aanpak van de millenniumproblematiek hebben objecten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties die vitaal zijn voor het maatschappelijk functioneren absolute prioriteit. Bij deze «maatschappelijk vitale objecten» is de politieke verantwoordelijkheid voor het goed blijven functioneren bij de eeuwwisseling c.q. het voorzien in adequate alternatieven aan de orde.

Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is niet verantwoordelijk voor de oplossing van de millenniumproblematiek bij geprivatiseerde instellingen (zoals het ABP) en zelfstandige bestuursorganen zoals politieregio's.

De aanpak van het millenniumprobleem bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is onderdeel van de integrale bedrijfsvoering. De aanpak van deze problematiek vindt hiermee plaats binnen de reguliere verantwoordelijkheidsverdeling.

Het zogenaamde Departementale Platform Informatie-uitwisseling (DPI) fungeert als Task Force en bestaat uit de functionarissen die de aanpak binnen elk onderdeel coördineren. Dit platform komt wekelijks onder voorzitterschap van de plaatsvervangend Secretaris-generaal (PSG) bij elkaar, voert intercollegiale toetsing uit en bespreekt voortgang, knelpunten en toetsresultaten. De PSG rapporteert tenminste maandelijks aan de Bestuursraad.

De interdepartementaal vastgestelde planning is leidend voor de aanpak en heeft geleid tot een gedetailleerde departementale planning.

Het Ministerie heeft inmiddels de omvang van het millenniumprobleem in kaart gebracht en vastgesteld welke acties noodzakelijk zijn om geconstateerde problemen op te lossen. Hieruit blijkt dat het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, beschikt over 747 objecten, bestaande uit 16 maatschappelijk vitale, 197 voor de bedrijfsvoering vitale en 534 niet vitale objecten. Inmiddels is voor alle vitale objecten gestart met de oplossing van het probleem.

Het streven is om alle vitale objecten per 1 november 1998 millenniumbestendig, getest en ingevoerd te hebben. Voor alle niet vitale objecten dient dit per 1 mei 1999 te zijn gerealiseerd.

Regelmatig worden de aanpak en voortgang van met name de vitale objecten kwalitatief getoetst. Daarbij hebben de maatschappelijk vitale objecten prioriteit en worden deze objecten door een externe auditor doorgelicht. Via het verantwoordelijk management wordt hierover aan de Secretaris-generaal gerapporteerd.

Als risicogebieden worden onderkend: het nog ontbreken van adequate noodscenario's, de grote mate van afhankelijkheid van leveranciers, het aantrekken van specifieke deskundigheid en de afhankelijkheid van beleidsprocessen van informatie van derden.

De maatschappelijk vitale objecten die bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties absolute prioriteit hebben zijn:

1.

Alarmnummer 112.

Alarmnummer 112 is het netwerk bestaande uit diverse geografisch gespreide telefooncentrales met behulp waarvan de Nederlandse bevolking bij spoedeisende ongevallen of incidenten de hulp kan inroepen van brandweer, politie en/of ambulancehulpverlening.

2.

De bedrijfstelefooncentrales rampenbestrijding.

In het kader van de coördinatie van de rampenbestrijding zijn alle regionale coördinatiecentra van de regionale brandweer voorzien van een bedrijfstelefooncentrale met behulp waarvan het telefoonverkeer van de regionale brandweeralarmcentrales wordt afgewikkeld.

3.

Herkenningsdienstsysteem (HKS) en

4.

Centrale VerwijsIndex (CVI).

Het HKS is een registratie op regionaal niveau ter ondersteuning van rechercheactiviteiten. Het bevat gegevens omtrent overtredingen en gepleegde misdrijven met bekende en onbekende daders onder verwijzing naar een bovenregionale verwijzingsindex (CVI) voor alle HKS-systemen.

5.

Interim Landelijk Mobilofoonnet (ILM).

Het ILM is een landelijk dekkend radionetwerk voor mobilofooncommunicatie, waarop diverse beheer- en bedienstations zijn aangesloten van politie en Koninklijke Marechaussee.

6.

Landelijk Systeem Toegangsintegratie (LIST).

Het LIST is een systeem voor het eenduidig en geïntegreerd bevragen van verschillende landelijke informatiesystemen van zowel politie als derden.

7.

Het Nationaal Noodnet.

Het Nationaal Noodnet is een «gesloten» telefoonnetwerk waarop gebruikers zijn aangesloten die een rol vervullen in het kader van de rampenbestrijding.

8.

Nationaal Schengen Informatiesysteem (NSIS).

Het NSIS is het Nederlandse deel van het internationale Schengen Informatiesysteem. Met dit systeem wordt tussen de Schengen-lidstaten informatie uitgewisseld ten behoeve van het signaleren en opsporen van personen.

9.

Het Waarschuwingsstelsel.

Het Waarschuwingsstelsel is een systeem voor het alarmeren van de bevolking bij (dreigend gevaar voor) incidenten en rampen.

10.

Het Geïntegreerd Meldkamersysteem (GMS).

Het GMS is een systeem dat een centralist in een politiemeldkamer, brandweeralarmcentrale en/of Centraal post ambulancevervoer (CPA) in staat stelt om meerdere systemen op één werkplek af te handelen.

11.

De landelijke infrastructuur politie (PODACS).

PODACS is de landelijke infrastructuur ten behoeve van communicatie tussen politieorganisaties onderling en derden. Op deze infrastructuur zijn diverse politiesystemen en externe databases aangesloten.

12.

Het IPA-salarissysteem.

IPA is het systeem dat maandelijks de salarisuitbetalingen verzorgt van circa 230 000 ambtenaren.

13.

Het informatiesysteem van de Dienst Ziektekostenvoorziening Overheidspersoneel (DZVO).

DZVO, voert ten behoeve van de verschillen sectoren van overheidspersoneel de ZVO-regeling uit.

14.

De mainframeapplicaties van de BVD ten behoeve van de interne documentaire informatievoorziening.

15.

Het nieuwe registratiesysteem voor reisdocumenten, REDENS.

16.

De Gemeenschappelijke Basisadministratie persoonsgegevens (GBA).

Het GBA is de gedeconcentreerde en gedecentraliseerde bevolkingsadministratie van Nederland; gemeenten zijn houders van de basisadministratie van personen, BZK is verantwoordelijk voor de organisatorische en technische infrastructuur om gegevens tussen gemeenten onderling, en tussen gemeenten en andere afnemers van GBA-gegevens uit te wisselen.

4. Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens (GBA)

4.1. Agentschap GBA

De doelstelling van de GBA is om de geautomatiseerde uitwisseling van gegevens tussen gemeenten onderling (de houders van de basisadministratie) en tussen gemeenten en andere instanties op een meer efficiënte en uniforme wijze te laten plaatsvinden.

Om de functie van de GBA in het kader van de fraudebestrijding te optimaliseren wordt een tweesporenbeleid gevoerd. Eén spoor is gericht op een verdere verhoging van de kwaliteit van de gegevens van de GBA en één op de betrouwbaarheid van de gegevens die op basis van eigen aangifte van de burgers worden geregistreerd. In het kader van het kwaliteitsbeleid zijn inmiddels verschillende kwaliteitsbevorderende maatregelen ingevoerd. In 1999 zal bovendien een periodieke audit verplicht worden gesteld voor gemeenten. Om de betrouwbaarheid van de gegevens verder te verhogen zal sectorale wet- en regelgeving worden aangepast om het mogelijk te maken dat de overheidsorganisaties bepaalde prestaties opschorten, indien geen juiste inschrijving in de GBA heeft plaatsgevonden.

Aanvullend hierop vraagt ook de bepaling van de juiste identiteit van burgers de aandacht. Dit is niet alleen nodig bij inschrijving in de GBA, maar onder andere ook bij het verstrekken van verblijfsvergunningen, de uitgifte van (reis)documenten en het verstrekken van uitkeringen. Met een samenhangend pakket van maatregelen zullen gemeenten en andere uitvoeringsorganisaties in staat worden gesteld om brondocumenten te controleren, de juiste identiteit van een burger vast te stellen en dit laatste te verifiëren.

Het voornemen bestaat om op 1 januari 1999 de groeiende samenwerking tussen de beheerorganisatie GBA en de afdeling Reisdocumenten en Bevolkingsadministratie (RDB) te formaliseren in een nieuw geïntegreerd agentschap dat deze beide organisatie-onderdelen omvat. Dit agentschap zal worden opgericht onder de naam «Basisadministratie Persoonsgegevens en Reisdocumenten» (BPR).

4.2. Reisdocumenten

De zorg voor reisdocumenten berust bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Het beleid op dit terrein concentreert zich niet louter op de eisen die aan het eindproduct worden gesteld, maar wordt in toenemende mate ook gekenmerkt door aandacht voor het gehele proces van productie, distributie, uitgifte, beveiliging en toezicht. Belangrijke toetsstenen bij deze procesbenadering zijn de snelheid, veiligheid en doelmatigheid van het uitgifteproces.

De verdere uitwerking van dit beleid zal de komende tijd tot uiting komen bij twee belangrijke ontwikkelingen. De eerste betreft de voorbereiding van de nieuwe generatie reisdocumenten, de tweede betreft de ontwikkeling van een aantal maatregelen ter verbetering van de kwaliteit van de zogenaamde paspoortketen.

Project Nieuwe Generatie Reisdocumenten (NGR)

Er is een project gestart voor het ontwikkelen van nieuwe reisdocumenten (kamerstukken II, 1997/1998, 25 764, nr. 4). Het betreft het paspoort en de Europese Identiteitskaart. De huidige reisdocumenten worden geproduceerd door Enschedé/Sdu. Het contract dat het Ministerie van Binnenlandse Zaken namens de Staat heeft gesloten met Enschedé/Sdu expireert op 31 december 2000. Gezien de noodzaak om over steeds beter beveiligde reisdocumenten te beschikken én door de voortschrijdende technische mogelijkheden is besloten tot de ontwikkeling van een nieuwe generatie reisdocumenten.

Het project NGR is erop gericht om vóór 1 januari 2001 nieuwe, zo optimaal mogelijk beveiligde reisdocumenten tot stand te brengen. Het project richt zich – naast de ontwikkeling van nieuwe reisdocumenten – ook op de processen die voor de totstandkoming en de afgifte van de reisdocumenten nodig zijn en op de coördinatie van deze processen. Er zullen eveneens voorstellen worden ontwikkeld om de onderhavige wet- en regelgeving te herzien.

Verbetering kwaliteit paspoortketen

Voor de verbetering van de kwaliteit van de paspoortketen is een onderling samenhangend stelsel van maatregelen in voorbereiding. Prioriteit hebben die maatregelen, die bijdragen aan het verhogen van de beveiliging van de keten. Het voornemen bestaat in 1999 een viertal maatregelen te realiseren. De eerste betreft de totstandkoming van een basisregister met gegevens over vermiste reisdocumenten, mede ten behoeve van opsporingsinstanties en instellingen voor wie identificatie van personen van groot belang is, zoals banken. De tweede betreft de opzet van een methodische beoordeling van de stand van de beveiliging rond reisdocumenten bij gemeenten. De derde betreft de ontwikkeling van een pakket maatregelen, waaronder opleidingen, om de kwaliteit van het identificatieproces bij gemeenten te verbeteren. Tenslotte is in de sfeer van wet- en regelgeving een aantal maatregelen in voorbereiding ter beteugeling van fraude met en misbruik van reisdocumenten.

V. INTEGRITEITSBELEID

Ten behoud en versterking van de integriteit van het openbaar bestuur zullen in 1999 een aantal maatregelen worden genomen, die het verlengde vormen van een intensief stimuleringsprogramma binnen de openbare sector dat reeds geruime tijd loopt.

Op het terrein van het overheidspersoneel wordt – mede op basis van de tussenrapportage naar aanleiding van de motie-Kamp, die op korte termijn aan de Tweede Kamer zal worden toegestuurd – in 1999 verder gewerkt aan de uitvoering van de motie. In het verlengde van de brief over de aanscherping van regelingen omtrent nevenwerkzaamheden (kamerstukken II, 1997/1998, 25 918, nr.1) wordt bezien of melding van nevenwerkzaamheden op meer niveaus nader geregeld kan worden. Daarnaast wordt overwogen of openbaarmaking van de geregistreerde nevenwerkzaamheden van topambtenaren regel moet worden.

Op het terrein van het bestuur is een nota van wijziging bij het wetsvoorstel Subsidiëring politieke partijen naar de Tweede Kamer gestuurd, waarin een verplichting staat opgenomen om giften van meer dan f 10 000,– openbaar te maken. Ook in 1999 zal het periodiek overleg met de politieke partijen over het voorkomen van integriteitinbreuken worden voortgezet.

Een voorstel tot wijziging van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers, in verband met de invoering van een korting op het wachtgeld wegens het begaan van een ambtsmisdrijf, wordt binnenkort aan de Raad van State voorgelegd. In de aangekondigde herziening van de corruptiebepalingen van het Wetboek van Strafrecht zal de Minister van Justitie een regeling treffen, waarin ontzetting uit het kiesrecht als bijkomende straf kan worden opgelegd.

Op het terrein van veiligheid is het wetsvoorstel ter Bevordering Integere Besluitvorming Openbaar Bestuur (BIBOB) voor advies voorgelegd aan de Raad van State.

Naast de oprichting van een bureau BIBOB bestaat het voornemen om bestuursorganen de bevoegdheid te geven besluiten inzake vergunningen, subsidies en aanbestedingen af te wijzen indien het risico bestaat dat deze (mede) zullen worden gebruikt om:

a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen, te benutten (witwassen);

b. strafbare feiten te plegen.

Het project BIBOB beoogt het openbaar bestuur beter toe te rusten tegen beïnvloeding door en contacten met onbetrouwbare personen of ondernemingen in relatie tot vergunning- en (bedrijfs)subsidieverlening en aanbestedingen. In het kader van een dergelijk mogelijk risico wordt bestuursorganen voor aanbestedingen, subsidies (mits de goedkeuringsprocedure is doorlopen) en limitatief opgesomde vergunningen, de bevoegdheid gegeven het bureau BIBOB om advies te vragen. Het doel hiervan is bestuursorganen hun gewenste integriteit in bovenstaande gevallen te kunnen laten effectueren en te bewaken. Voorts heeft het wetsvoorstel een preventieve werking bij het voorkomen van vervlechting van de onderwereld met de bovenwereld, in ieder geval daar waar de overheid zelf een formele rol vervult.

De afgelopen jaren is er, mede dankzij de inzet van de politiekorpsen, veel aandacht besteed aan het terrein van integriteitsbevordering bij de politie. De in 1995 afgesproken maatregelen met de korpsen, waarover de Tweede Kamer in een brief van 17 maart 1995 (kamerstukken II, 1994/1995, 23 900, nr. 32) is geïnformeerd, zijn vrijwel allemaal geïmplementeerd. Het is zaak de aandacht voor integriteit binnen de korpsen vast te houden. De bureaus interne veiligheid kunnen hier, gelet op hun taakstelling, een bijdrage aan leveren. Zij hebben een taak op zowel preventief als repressief terrein. Bezien wordt of er specifieke instrumenten zijn die de blijvende aandacht voor integriteit verder kunnen waarborgen, bijvoorbeeld een tweejaarlijkse audit door inpassing in het Nederlandse Kwaliteits Politie-model.

De Tweede Kamer wordt in 1999 geïnformeerd over de vraag hoe de politiekorpsen omgaan met de beoordeling van nevenwerkzaamheden. Begin 1999 zullen de vertrouwensfuncties bij de politie worden aangewezen.

De BVD levert een bijdrage aan het ontwikkelen van een preventief integriteitsbeleid door onderzoek naar integriteitsaantasting en activiteiten op het terrein van de beveiligingsbevordering bij de overheid en vitale maatschappelijke sectoren. Het sluitstuk van organisatorische en fysieke maatregelen op het gebied van beveiligingsbevordering is het aanwijzen van vertrouwensfuncties. Daarmee worden waarborgen geschapen voor de persoonlijke integriteit van personen die in kwetsbare functies bij de overheid of vitale sectoren worden aangesteld of werkzaam zijn. Het meldpunt integriteitsaantastingen bij de BVD zal ook in 1999 openstaan. De BVD wordt op verzoek van diverse overheidsinstellingen betrokken bij het in kaart brengen van de kwetsbaarheid voor integriteitsaantastingen. Door het groeiend besef van integriteitsrisico zal naar verwachting het aantal vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken verder stijgen.

In afzonderlijke rapportages, zoals de Trendnota Arbeidszaken Overheid, de nota Mensen en Management en het BVD-jaarverslag, wordt uitgebreider gerapporteerd over de integriteit van de openbare sector.

VI. VEILIGHEID

In het voorjaar van 1999 zal de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties samen met de Minister van Justitie, met in achtneming van de onderscheiden verantwoordelijkheden, en de andere betrokken ministers een integraal veiligheidsplan (IVP) aan de Tweede Kamer sturen.

Doel van dit plan is de inzet van het kabinet in het integrale veiligheidsbeleid voor de komende jaren aan te geven. Het plan geeft de kaders voor de inzet op het terrein van veiligheid voor de afzonderlijke beleidssectoren en organisaties. Met het IVP zal het kabinet het door het vorige kabinet ingezette integrale veiligheidsbeleid continueren en op onderdelen versterken.

Wat betreft de inzet van de politie zal een afzonderlijk Beleidsplan Nederlandse Politie 1999–2002 (BNP) worden voorbereid en aan de Tweede Kamer worden aangeboden. Dit BNP zal een uitwerking bevatten van de belangrijkste doelstellingen voor de politie voor de komende jaren, mede in het licht van het regeerakkoord. In het IVP zullen in breder verband de doelstellingen en prioriteiten van het algemene veiligheidsbeleid worden uitgewerkt.

1. Veiligheidsbeleid

De zorg voor veiligheid is een kerntaak van zowel de rijksoverheid als de provincies en gemeenten. Burgers hebben recht op een veilige leefomgeving. Een veilige leefomgeving heeft vele aspecten; variërend van een inbraakwerende bebouwing tot en met veiligheid en voorkoming van criminaliteit in een woonomgeving nabij een industriegebied. De inzet van het kabinet is om het openbaar bestuur meer regie te laten voeren in het integraal veiligheidsbeleid. Niet alleen bij de uitvoering van wijkveiligheidsplannen in de bij het grote stedenbeleid betrokken gemeenten, maar ook daarbuiten.

Het integrale veiligheidsbeleid heeft zowel fysieke als sociale aspecten en beslaat vele beleidsterreinen. Een ander kenmerk van het integrale veiligheidsbeleid is de ketenbenadering: zowel de preventieve aanpak van onveiligheid als het repressieve sluitstuk, in de vorm van vervolging door het openbaar ministerie, zijn voor een adequate aanpak onontbeerlijk.

Zowel de breedte van het veiligheidsbeleid als de ketenbenadering vragen om samenwerking. Alleen op die manier wordt voldoende kennis gegenereerd over onveiligheid en over mogelijke oplossingen. Bovendien is samenwerking belangrijk voor de noodzakelijke betrokkenheid bij de uitvoering van het geformuleerde beleid.

Het beleid zal vooral door de gemeenten moeten worden geformuleerd. Het zijn de gemeenten die zicht hebben op de onveiligheid in buurten en wijken en die daardoor maatregelen op maat kunnen maken. Zoals ook uit de Integrale Veiligheidsrapportage (IVR) 1998 blijkt, stimuleert het Rijk dat gemeenten het lokale veiligheidsbeleid op een systematische wijze tot stand brengen en daartoe samenwerken met alle betrokken partners in het veiligheidsbeleid. Daartoe behoren uiteraard politie, brandweer en justitie, maar ook de jeugdhulpverleningsorganisaties, de woningbouwverenigingen, het bedrijfsleven en de burgers in de buurten en wijken.

Uit de IVR 1998 is gebleken, dat in gemeenten met 20 000 tot 50 000 inwoners de criminaliteit iets is toegenomen. Een intensivering van het veiligheidsbeleid in die gemeenten is dan ook noodzakelijk. Een voortzetting van het veiligheidsbeleid in de grote steden is eveneens nodig. De criminaliteit in de vier grote steden is in 1996 gedaald met 70 000 delicten ten opzichte van 1994, maar de criminaliteit is nog steeds het grootste in de vier grote steden. Het zijn vooral de grote steden geweest, die het veiligheidsbeleid via een gesystematiseerde aanpak hebben vormgegeven. Deze aanpak heeft waarschijnlijk mede geleid tot een verbetering van de situatie in deze steden. Daarom is het van belang te streven naar een verdere versterking van de synergie tussen het grote stedenbeleid en het integraal veiligheidsbeleid.

In 1999 zullen nadere afspraken worden gemaakt over afstemming van de veiligheidsprioriteiten van de rijksoverheid, provincies en gemeenten, inclusief de politie, brandweer en rampenbestrijding. De voornemens en afspraken zullen worden vastgelegd in het eerder genoemde integraal veiligheidsplan (IVP). Belangrijke prioriteiten zijn in ieder geval jeugd en veiligheid, geweld, verkeershandhaving en inrichting van de openbare ruimte.

Het kabinet zal voorbereidingen treffen voor het uitbrengen van een Integrale Veiligheidsrapportage 2000, met daarin een overzicht van de ontwikkeling van onveiligheidsgevoelens, concrete inbreuken op veiligheid en risico's en dreigingen ten aanzien van veiligheid. De samenwerking op het gebied van veiligheid met onderzoeksbureaus, zoals het Centraal Bureau voor de Statistiek, het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatiecentrum en het Sociaal Cultureel Planbureau, wordt geïntensiveerd. In dit verband wordt gestreefd naar eenduidigheid en afstemming van onderzoeken en definities. Ook zal worden onderzocht welke factoren daadwerkelijk bepalend zijn voor onveiligheid en onveiligheidsgevoelens.

Op het terrein van veiligheid en politie zal er in overleg met de politiekorpsen en de VNG een onderzoeksprogramma worden voorbereid.

Naast de IVR 2000 zullen er instrumenten worden ontwikkeld om het gemeentelijk veiligheidsbeleid te faciliteren. De uitgave «Veiligheidshalve» van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de VNG en ook versterking van het informatiepunt Lokale Veiligheidszorg bij de VNG moeten in die zin worden begrepen.

De relatie met onder meer de politie moet worden versterkt. Gemeenten zullen worden gestimuleerd bij de opstelling van beleids- en beheersstukken door de politieregio's hun wensen voor het veiligheidsbeleid in te brengen. De gemeenten moeten dan al wel een lokaal veiligheidsbeleid hebben geformuleerd. Op deze wijze kunnen gemeenten hun regierol in het lokale veiligheidsbeleid verder vormgeven.

2. Politie

De publieke veiligheid is een terrein dat de overheid terecht als één van haar kernfuncties ziet en waarop zij nadrukkelijk wordt aangesproken. Daarbij speelt de politie een cruciale rol. Die rol is meer dan een repressieve. Meer en meer richt de politie zich door preventie en pro-actie op het voorkomen en tegengaan van onveiligheid en criminaliteit. Dat kan alleen succesvol zijn in nauwe samenwerking met (organisaties van) de burgers, het openbaar bestuur, het Ministerie van Justitie, het openbaar ministerie, en allerlei maatschappelijke verbanden.

De Nederlandse politie staat midden in de samenleving; dat is een groot goed. Het is kenmerkend voor de kwaliteit van ons politieapparaat dat het toegankelijk is voor burgers, dat het zo «burger-nabij» is. Deze kant moet nog verder worden versterkt, onder meer door het stimuleren van wijkgericht werken. De Nederlandse politie werkt nauw samen met de burgers, daarin is zij uniek, en wordt in die zin democratisch gesteund en kritisch gevolgd.

De politie moet hecht verankerd blijven in de verschillende lagen van het openbaar bestuur. De bestuurlijke en politieke verantwoordelijkheid voor het politieoptreden bij ordeverstoringen, hulpverlening en preventie ligt in eerste instantie bij het lokale bestuur, in het bijzonder de burgemeester. Daarnaast is het openbaar ministerie verantwoordelijk voor de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. Om deze verantwoordelijkheden ten volle te kunnen uitoefenen is het een voorwaarde dat bestuur, justitie en politie gezamenlijk optrekken. Dat vraagt om een effectief beheer van het politie-apparaat, een beheer dat het gezag – Justitie en openbaar bestuur – optimaal ten dienste staat. Aan gezagsrelaties wordt niet getornd.

2.1. Centraal beheer van de politie

Zoals in het regeerakkoord is vastgelegd zal het systeem van de Politiewet niet fundamenteel worden gewijzigd. Dit betekent dat zowel de decentrale opbouw van de organisatie als de gezagstoedeling aan het openbaar ministerie en aan de burgemeester in stand blijven. Het zwaartepunt van de politie-organisatie blijft bij de regio liggen. Aan de verhouding centraal-decentraal zal op een andere, nader uit te werken en te beproeven wijze vorm worden gegeven.

De Politiewet 1993 wordt op enkele onderdelen aangepast om aan het licht getreden gebreken te herstellen, en meer duidelijkheid te scheppen over verantwoordelijkheden en bevoegdheden.

De belangrijkste wijziging is dat de verantwoordelijkheid voor het centrale beheer van de politie bij de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt gelegd. Zowel de taak van de strafrechtelijke handhaving als die van de handhaving van de openbare orde vereisen een afgewogen inzet van mensen en middelen. De beschikbare capaciteit is beperkt en moet zorgvuldig benut worden. Door het centrale beheer van de politie in één hand te brengen, kan het bevoegd gezag, de beleidsverantwoordelijke, beter bediend worden. De Minister van BZK ziet erop toe dat Justitie en lokaal bestuur, vanuit hun gezag, door de politie zo goed mogelijk worden bediend om hun veiligheidsdoelstellingen te kunnen realiseren. Daardoor wordt een effectievere taakuitvoering mogelijk.

De regionale korpsen blijven ook in deze nieuwe opzet hun centrale rol behouden, zij blijven de grondstructuur vormen van het politiebestel, regionaal en lokaal ingebed.

Decentrale beslissingen over de inzet van mensen en middelen worden genomen door de korpsbeheerder. Ook hier geldt dat het beheer in dienst staat van het gezag, namelijk de prioriteiten van de officier van justitie en de burgemeester.

In de prioriteitstelling van het gezag moet aandacht zijn voor de hele keten van het veiligheidsbeleid; zowel voor de repressieve kant als voor de preventieve kant. In de preventieve aanpak van onveiligheid heeft het lokale bestuur een grote rol, in samenspraak met Justitie.

Per regio wordt een veiligheidscontract tussen Rijk, politieregio en gemeenten gesloten. Het nakomen van het veiligheidscontract veronderstelt dat het bestuur, naast het openbaar ministerie, een beroep kan doen op inzet van het politieapparaat. Dit heeft gevolgen voor de prioriteitstelling op regionaal niveau en vergt ook afweging van prioriteiten op landelijk niveau.

Uit een oogpunt van versterking van de samenhang in de rechtshandhaving en van versterkte democratische controle is integratie van onderdelen van de bijzondere opsporingsdiensten in de politie-organisatie op landelijk niveau wenselijk. Ook wordt gekeken naar mogelijkheden voor fusie van opsporingsdiensten. Binnen een jaar zal het kabinet hierover voorstellen doen.

2.2. Aanpassingen Politiewet

In het regeerakkoord is afgesproken dat de Politiewet zo zal worden gewijzigd dat de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties – voor zover het de hoofdlijnen betreft na overleg met de Minister van Justitie – beheersmatige en beleidsmatige voorwaarden kan stellen aan de regio's, onder meer over de aanwending van aan de regio's ter beschikking gestelde middelen. Het streven is er op gericht een voorstel van wet houdende wijziging van de desbetreffende wetten zo spoedig mogelijk aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal aan te bieden.

De verantwoordelijkheid voor het beheer van het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) zal bij de Minister van BZK worden gelegd. Aan de Tweede Kamer wordt zo spoedig mogelijk een voorstel voorgelegd tot wijziging van de wetgeving die noodzakelijk is voor de overgang van het beheer van het Korps Landelijke Politiediensten van het Ministerie van Justitie naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De beoogde datum van overdracht van de verantwoordelijkheid voor het beheer van het KLPD is 1 januari 1999. Formeel zal deze verantwoordelijkheid vanaf de datum van inwerkingtreding van de wet door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden uitgeoefend. Indien de wet op 1 januari 1999 nog niet in werking is getreden, zal vooruitlopend op de formele overgang in ieder geval het beheer feitelijk overgaan. Tot die datum blijft het beheer bij de Minister van Justitie, waarbij over belangrijke beheersmatige aangelegenheden wordt besloten in overleg met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

De uit de overgang voorkomende financiële mutaties zullen door beide Ministeries bij eerste suppletore begroting 1999 aan de Kamer worden aangeboden. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Justitie zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de overgang van het beheer van het KLPD naar de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

De overdracht van het beheer, laat onverlet het gezag van het openbaar ministerie over de uitoefening van taken door het KLPD waar het de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde betreft. Het openbaar ministerie blijft met drie leden vertegenwoordigd in de Raad voor het KLPD.

Daarnaast worden binnen enkele onderdelen van het KLPD bijzondere taken verricht waarvoor de Minister van Justitie direct verantwoordelijk is. Het gaat hierbij om taken die niet tot het reguliere takenpakket van de politie behoren en waarbij het openbaar ministerie de taakuitvoering van de politie niet via het gezag kan aansturen (aanwijzingsbevoegdheid artikel 13 Politiewet 1993 en artikel 148 Wetboek van Strafvordering).

Vanwege de directe verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie voor deze taken zullen waarborgen worden gecreëerd. Een vergelijkbare situatie bestaat er ten aanzien van de taakuitvoering van het District Luchtvaart van de Koninklijke Marechaussee, dat de politietaak op burgerluchtvaartterreinen uitvoert. De Minister van Justitie is direct verantwoordelijk voor de taakuitvoering, de Minister van Defensie heeft het beheer. Daarbij beschikt de Minister van Justitie over de volgende instrumenten: algemene en bijzondere aanwijzingen over de uitoefening van de taak, ongevraagde en gevraagde informatie-verstrekking door de korpschef, regelmatig beheersoverleg tussen beide ministers en de aanwijzing van de commandant. Deze set van instrumenten is uitgangspunt voor de vormgeving van de waarborgen van de Minister van Justitie in verband met de bovengenoemde bijzondere taken.

Ten behoeve van de overdracht van het beheer zal een onafhankelijke financiële audit worden uitgevoerd om de financiële stand van zaken in ruime zin in beeld te brengen. Op basis hiervan zal nadere besluitvorming plaatsvinden over de budgettaire uitwerking van de overgang van het beheer. De uit de overgang voorkomende financiële mutaties zullen door beide Ministeries via een begrotingswijziging aan de Kamer worden aangeboden.

In verband met de concentratie van de verantwoordelijkheid voor het centrale beheer en de overgang van het KLPD, zal worden bezien op welke wijze de bovenregionale samenhang in de politie nader vorm kan krijgen. Daarbij moet onder meer gedacht worden aan de interregionale rechercheteams, ook wel kernteams genoemd. In het regeerakkoord is afgesproken dat het beheer van de kernteams bij de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt gelegd. Op dit moment treedt, op basis van een convenant per kernteam, één van de korpsbeheerders uit de betrokken politieregio's op als beheerder van het kernteam. Bij de vormgeving van de centrale beheersverantwoordelijkheid van de kernteams worden de uitkomsten van de thans lopende evaluatie van de kernteams betrokken.

De Politiewet 1993 zal verder op grond van het regeerakkoord zodanig worden gewijzigd dat de korpsbeheerder niet langer door de wet, maar door de regering zal worden aangewezen uit de burgemeesters in de regio. Ter verdere versterking van de democratische legitimatie en verbetering van het functioneren van het regionale college wordt als een mogelijke oplossing het voorstel uitgewerkt om de korpsbeheerder verantwoording te laten afleggen aan een commissie van gemeenteraadsleden uit de regio. Voorts zal worden bezien in hoeverre de positie van gemeenten versterkt kan worden door gemeenten de mogelijkheid te bieden bij het opstellen van beleids- en beheersstukken hun wensen ter zake van het veiligheidsbeleid in te brengen. De voorziene veiligheidscontracten kunnen hier ook een bijdrage aan leveren.

Het aan de Kamer voor te leggen wetsvoorstel bevat eveneens een bepaling ter verduidelijking van de positie van de korpschef.

Op basis van een uitgebreide inventarisatie van de ervaringen, opvattingen en opinies van betrokkenen is een eerste beoordeling van de Politiewet 1993 gegeven (kamerstukken II, 25 195, nr. 1). Naar aanleiding van het overleg met de Kamer is een aantal maatregelen voorgesteld, waarmee de Kamer heeft ingestemd (kamerstukken II, 25 195, nr. 6 en 7). De in het kader van de Evaluatie Politiewet 1993 door het vorige kabinet voorgestelde aanpassingen (o.a. Besluit beheer regionale politiekorpsen, Besluit financiën regionale politiekorpsen, Besluit comptabele regelgeving regionale politiekorpsen en Besluit arbeidsvoorwaarden regionale politie) waarover overeenstemming was met de Kamer worden, voorzover dat nog niet is gebeurd, op korte termijn gerealiseerd.

2.3. Effectiviteit en efficiency bij de regionale politiekorpsen

De politie heeft een belangrijke verantwoordelijkheid waar het gaat om het verhogen van de veiligheid en het terugdringen van de criminaliteit. Door het zichtbaar maken van de resultaten op het gebied van veiligheid wordt de effectiviteit van de politie duidelijk. Burgers mogen van de politie een gerichte inzet verwachten. Daarbij krijgen een genormeerde noodhulp, meer wijkgerichte politiezorg, het terugdringen van jeugdcriminaliteit en een beter niveau van dienstverlening prioriteit. Deze doelstellingen zullen eenduidig gemeten, zichtbaar betere resultaten moeten geven. Om deze veiligheidsresultaten te kunnen realiseren zal de politie efficiënter moeten gaan werken. Vele korpsen laten vernieuwingen zien die tevens een effectiviteits- en efficiency-slag betekenen. Zo zal gewerkt worden aan het tot stand brengen van veiligheidscontracten die worden afgesloten tussen Rijk, politieregio en gemeenten. In deze contracten zal worden vastgelegd welke prestaties verwacht worden van betrokken partijen. In dat kader wordt ook nader ingegaan op de te bereiken verbeteringen wat betreft doelmatigheid, doelgerichtheid en productiviteit.

In de veiligheidscontracten zal ook de versterking van het executieve politiewerk worden vastgelegd. De zichtbaarheid van politie in de stadswijk en op het platteland is daarbij van belang. Dit kan ondermeer door een andere werkwijze waardoor de zichtbaarheid vergroot wordt (te denken valt aan éénmens-surveillance, kantoor-op-straat, etc.). Zo kunnen de voor directe contacten met het publiek beschikbare uren van een politiefunctionaris worden vergroot.

In het regeerakkoord is opgenomen dat voor versterking en uitbreiding van politie en justitie extra middelen worden beschikbaar gesteld. In 2002 moet blijken dat er dan conform de doelstelling uit het regeerakkoord 3000 agenten en surveillanten meer komen dan naar de stand van 1998 het geval is. Over de aanpak zal de Minister van BZK in het uit te brengen Beleidsplan Nederlandse Politie nader ingaan.

In overleg met de regio's wordt de eventuele extra inzet van middelen verbonden aan afspraken om de organisatie efficiënter en effectiever te maken. Hierdoor zullen circa 2000 arbeidsjaren extra vrijgespeeld kunnen worden voor het directe en indirecte executieve werk.

Het zal een belangrijke verbetering tot gevolg hebben in de organisatie, die tot een verhoging zal leiden van de resultaten van het politiewerk. Het tempo van het aanstellen van politiemensen hangt uiteraard af van de situatie op de arbeidsmarkt. Er zal verder een fors beroep worden gedaan op de mogelijkheden om mensen op te leiden. Er zal enige tijd zijn gemoeid met het effectueren van de groei van het aantal politiemensen, onder andere vanwege de opleidingstijd.

De aandacht wordt vaak vooral gericht op het zichtbare werk door de politiemensen op straat. Dat is te eenzijdig. De politie is een professionele organisatie, die net als elke andere organisatie een taakverdeling kent en een diversiteit aan disciplines. Uiteraard is het werk dat voor de buitenwereld onzichtbaar blijft – achter de computer of in de ondersteunende sfeer – onmisbaar voor het zichtbare werk van de politie-ambtenaren. De organisatie als geheel staat voor de dienstverlening aan de burger.

Overigens is het van belang om kwalitatieve politiedoelstellingen en bijbehorende effecten van het politiewerk eenduidig meetbaar te maken. In de loop van dit begrotingsjaar zullen verdere voorstellen worden gedaan.

Onderzoeken naar de financiële positie van de regio's hebben opgeleverd dat er een aantal forse knelpunten moet worden opgelost. Een van de belangrijkste aandachtspunten betreft de hoogte van de normvergoeding. Onderzoek heeft geïndiceerd dat deze normvergoeding niet toereikend is om in alle regio's alle kosten te dekken. Om alle twijfels over de hoogte van de normvergoeding weg te nemen is besloten om samen met het Ministerie van Financiën een nader onderzoek – waarin begrepen de systematiek – in te stellen naar de noodzakelijke omvang van de normvergoeding.

Overwogen wordt om eerder dan is voorzien (was voorzien in 1999) de evaluatie van het systeem van Budget Verdeel Eenheden (BVE's) te houden, mede in het kader van de al eerder gememoreerde noodzaak de transparantie van de Nederlandse politie-organisatie en prestaties zo snel mogelijk te vergroten. De evaluatie beslaat niet alleen de werking van het huidige systeem (technische evaluatie), maar ook de wenselijkheid/mogelijkheid om bij budgetverdeling rekening te houden met beleidswensen, bijvoorbeeld het geven van prioriteit aan één van de componenten van het systeem en de gerichte inzet van stimuleringsmiddelen. Er wordt een interdepartementaal beleidsonderzoek ingesteld naar de kwaliteit en effectiviteit van de politiezorg.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties baseert zich bij zijn oordeel over politieregio's vooral op documenten uit de regionale beleids- en beheerscyclus. Deze cyclus zal nu ook gebruikt worden om inzage te krijgen in de mate waarin regio's hun beleids-inhoudelijke (dus niet alleen financiële) ambities waarmaken. Door het stellen van inrichtingseisen aan de verschillende documenten zullen vergelijkingen tussen korpsen onderling en in de tijd beter mogelijk zijn. Deze grotere vergelijkbaarheid verbetert met name de mogelijkheid voor kwaliteitsverbetering en geeft de regio's een instrument om zich te vergelijken met andere regio's. Dit helpt het lerend vermogen en de zelfsturing van de Nederlandse politie.

Om op landelijk niveau meer richting te geven aan de activiteiten van de politie zullen meerjarige (landelijke) prioriteiten worden gesteld. Deze prioriteiten moeten zichtbaar in de beleids- en beheerscyclus van de regio's worden opgenomen. Het opstellen van deze prioriteiten vergt afstemming met andere ministeries, de korpsbeheerders en het openbaar ministerie die vanuit hun eigen verantwoordelijkheden de te behalen resultaten kunnen beïnvloeden. De doelstellingen voor de (landelijke) prioriteiten zullen zoveel mogelijk op product- en effectniveau worden geformuleerd. Voor de realisatie zal periodiek afstemmingsoverleg worden ingevoerd.

Het totale pakket bestaat uit een mix van maatregelen gericht op meer doelmatig, doelgericht (prioriteiten) en productiegericht (prestaties) werken. Hier worden afspraken over gemaakt in veiligheidscontracten. Rapportage hierover vindt ondermeer plaats door middel van documenten uit de beleids- en beheerscyclus:

– uitbreiding van de politiecapaciteit;

– doorlichting en waar nodig verbetering van de financiële positie van de regio's.

Dit pakket stelt eisen aan de informatievoorziening op regionaal en op centraal niveau. Er zal worden doorgegaan met de inzet van instrumenten die de producten en effecten van politiezorg zichtbaar maken (bijvoorbeeld met behulp van de politiemonitor bevolking).

Zoals in het regeerakkoord staat zal de Minister van BZK bezien of organisatoren van grootschalige publieksevenementen met een recreatief karakter zullen worden verplicht bij te dragen in de kosten van de vooraf noodzakelijk ingeschatte politie-inzet.

2.4. Politie-onderwijs en Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie (LSOP)

Als gevolg van de keuze om het centrale beheer van de politie bij de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties onder te brengen, zullen over het Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie (LSOP) nadere afspraken worden gemaakt met de Minister van Justitie in het licht van de vanuit het gezag te stellen eisen aan de inhoud en kwaliteit van opleidingen.

Het project Toekomstig onderwijs voor de politie (TOP) is gestart met het doel de kwaliteit van het politieonderwijs te verbeteren en het onderwijs beter af te stemmen op de ontwikkelingen in de politieorganisatie en de beroepsuitoefening in de praktijk. Door een extern bureau zijn scenario's opgesteld voor het toekomstig politie-onderwijs. Belangrijke aandachtspunten daarbij zijn de samenwerking met het reguliere onderwijs, de rol die de korpsen moeten (blijven) spelen bij het politieonderwijs en de (toekomstige) arbeidsmarkt-problematiek. In nauwe samenwerking met het LSOP, de beraden van korpsbeheerders, korpschefs en Hoofdofficieren van Justitie is een en ander in de vorm van deelprojecten nader uitgewerkt.

Het reorganisatieproces binnen het LSOP moet leiden tot een structurele verbetering van de doelmatigheid en kwaliteit van de onderwijsproductie en van de prijs-kwaliteitverhouding. Er wordt in 1999 verder gewerkt door het gezamenlijk opbouwen van een professionele opleidings- en kennisorganisatie en door de aanpassing van het financieringsstelsel. Gestreefd wordt naar de invoering van een nieuw stelsel van financiering, waarin het LSOP door de regio's wordt bekostigd op basis van integrale kostprijzen.

Afhankelijk van de besluitvorming rond het project Toekomstig onderwijs voor de politie, zal in 1999 een begin worden gemaakt met de aanpassing van de locatiestructuur binnen het LSOP, ter vergroting van efficiëntie en effectiviteit. In dit verband dienen ook de taken en structuur van het LSOP in ogenschouw te worden genomen; besluiten omtrent de vernieuwing van het onderwijs voor de politie kunnen hier van invloed op zijn en mogelijk consequenties hebben voor de vigerende LSOP-wet.

3. Inspectie politie

In 1999 zal de Inspectie voor de politie verder uitvoering geven aan de taken die zij op basis van artikel 53a van de Politiewet 1993 heeft. Deze taken zijn:

1. Het toetsen van de wijze waarop de beheerders van de politiekorpsen voorzien in de kwaliteit van de taakuitvoering, de resultaten en het beheer van de politie (artikel 53a lid 1a).

2. Het toetsen van specifieke onderdelen van de taakuitvoering dan wel het beheer van de politie (artikel 53a lid1b).

3. Het verrichten van onderzoek, indien daar in bijzondere gevallen reden toe is, naar ingrijpende gebeurtenissen waarbij de politie betrokken is (artikel 53a lid 1c).

De Inspectie zal het toezicht voortzetten op de wijze waarop de korpsbeheerders invulling geven aan het afgesproken stelsel van kwaliteitszorg in 1999. Dit stelsel bestaat uit een cyclus van zelf-evaluaties, korpsaudits en visitaties.

De uitkomst van deze processen zal een integraal beeld opleveren van de kwaliteit van de politiekorpsen. De cyclus neemt enkele jaren in beslag. Met de korpsen is afgesproken dat alle korpsen uiterlijk begin 2000 zullen zijn gevisiteerd. Ter ondersteuning van dit traject, zijn er afspraken gemaakt met het door de beraden van korpsbeheerders, hoofdofficieren van justitie en hoofdcommissarissen ingestelde Platform kwaliteitszorg en het Kwaliteitsbureau Politie, over de daarbij te hanteren handleidingen voor korpsaudits en visitaties en over de planning van de audits en de visitaties die de korpsen zullen ondergaan.

Het toezicht zal worden ingevuld door het bestuderen van de beleidsplannen, jaarverslagen en visitatierapporten van de politiekorpsen en door het afleggen van werkbezoeken aan de korpsen. Dit wordt nauw afgestemd met het Platform Kwaliteitszorg en het Kwaliteitsbureau Politie. De verslaglegging over het toezicht gebeurt in het jaarverslag van de inspectie voor de politie dat de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties mede namens de Minister van Justitie aan de Staten-Generaal aanbiedt.

4. Brandweer en rampenbestrijding

Door een toenemende verdichting van de samenleving en ruimtelijke en industriële ontwikkelingen neemt de kans op rampen en de daarmee samenhangende slachtoffers steeds meer toe. Deze ontwikkeling stelt steeds hogere eisen aan de kwaliteit van de huidige organisatie van de brandweerzorg en rampenbestrijding.

Onderzoeken tonen aan dat de huidige organisatie ondanks de inspanningen van de laatste jaren zeker voor wat betreft de rampenbestrijding zich op een kritiek minimum-niveau bevindt. Ook de organisatie van de geneeskundige hulpverlening bij zware ongevallen en rampen is nog niet goed van de grond gekomen.

Om hierin verbetering aan te brengen zijn de projecten Versterking Brandweer en Geneeskundige Hulpverlening bij Ongevallen en Rampen gestart. Beide projecten, maar ook diverse onderzoeken maken duidelijk dat extra investeringen in de kwaliteit en kwantiteit van het personeelsbestand nodig zijn om het niveau van veiligheidszorg voor de burger en het personeel in de toekomst tenminste op peil te houden.

Voor de brandweerorganisatie als elementaire factor binnen de voorbereiding op de rampenbestrijding is die investering noodzakelijk. De brandweer is een organisatie die voor het overgrote deel bestaat uit vrijwilligers. Hoewel dit een groot goed is dat behouden moet worden, is het tevens een kwetsbaar punt. Er is gebrek aan personeel om de rampenbestrijding te doen groeien naar een operationeel, organisatorisch en bestuurlijk goed voorbereide organisatie die samen met haar partners als politie, geneeskundige- en gemeentelijke diensten in staat is de burger de veiligheid te bieden die hij vraagt. Voldoende kwalitatieve en kwantitatieve groei van het (ondersteunend) personeel leidt tevens tot een verlichting van de druk die op de huidige vrijwilligers wordt gelegd. Op deze wijze wordt de kans vergroot dat het vrijwilligerskarakter van de brandweerorganisatie gericht op de dagelijkse brandweerzorg ook daadwerkelijk wordt behouden. Soortgelijke problemen doen zich ook voor bij de organisatie van de geneeskundige hulpverlening bij zware ongevallen en rampen. Zonder een personele investering komt deze niet van de grond.

Het veld, dat in grote mate betrokken is geweest bij de uitvoering en totstandkoming van beide projecten, ondersteunt de visie dat een extra investering in de rampenbestrijding noodzakelijk is. Tevens geeft het aan dat beide projecten nu een kantelmoment kennen. Nog nooit is binnen het brandweer- en geneeskundige veld en bij het lokaal bestuur zoveel steun bereikt voor de gewenste versterking van de voorbereiding op de rampenbestrijding. Met een financiële impuls vanuit het Rijk kan, samen met een impuls van de gemeenten flink doorgepakt worden. Zonder die financiële impulsen dreigen evenwel alle inspanningen van de afgelopen jaren, om te komen tot een betere organisatie van de rampenbestrijding en de investeringen in een goede relatie met het veld, in één klap teniet te worden gedaan. De noodzakelijke financiële impuls is dermate prioritair dat gezocht moet worden naar maatregelen om deze te kunnen geven binnen de huidige kaders. Daartoe zal binnen het begrotingsartikel «Openbare Veiligheid» in het najaar van 1998 een herschikking van middelen worden voorgesteld. De Tweede Kamer zal nader worden geïnformeerd over de posterioriteitstelling.

De bij de rampenbestrijding betrokken diensten zijn nu niet allemaal op dezelfde schaal georganiseerd. Op het moment dat dit wel het geval is, kan de voorbereiding op de rampenbestrijding effectiever en efficiënter plaatsvinden. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties gaat na welke (financiële en operationele) voordelen te behalen zijn als de brandweerregio's en de regio's ingevolge de Wet geneeskundige hulpverlening bij rampen territoriaal gelijk worden gesteld met de huidige politieregio's.

Er is diverse malen geconstateerd dat de bestuurlijke aandacht voor de voorbereiding op de rampenbestrijding met name op lokaal niveau veelal beperkt is. Aanscherping van de rol van de commissaris van de Koningin is hiervoor een oplossing. Diens aanwijzingsbevoegdheid moet zich uitstrekken van de planvorming, tot de gehele voorbereiding op de rampenbestrijding.

Bovenstaande elementen zullen worden uitgewerkt in een beleidsnota die in het najaar 1998 aan de Tweede Kamer wordt gezonden. In deze nota wordt ook ingegaan op de consequenties van de herschikking van beschikbare middelen voor het staand beleid en op de extra inzet die van de zijde van de gemeenten nodig is.

De afgelopen jaren is bij grote infrastructurele projecten in de pro-actieve en preventieve zin ervaring opgedaan met het ontwikkelen van integrale veiligheidsvisies. Daarbij is gebleken dat er behoefte bestaat aan veiligheidsnormen die al in de besluitvormingsfase moeten worden gehanteerd. Daarom zal de ontwikkeling van een beleid ten aanzien van risico's verder ter hand worden genomen. Hierbij wordt nauw overlegd met de Ministers van Verkeer en Waterstaat, van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Ook vanuit het Rijk moet structurele aandacht voor veiligheidsaspecten bij grote infrastructurele projecten verder worden bevorderd. Het blijft van groot belang ook bij de mede-overheden de aandacht voor pro-actie en preventie blijvend te versterken. Instrumenten hiervoor zijn onder andere vormen van veiligheidseffectrapportages.

Voor een goed beleid ten aanzien van risico's is kennis en inzicht een basisvoorwaarde. Er is een monitor ruimtelijke ordening ontwikkeld waarmee het inzicht in de ontwikkelingen op dat terrein wordt vergroot. De komende periode zal blijvend aandacht worden besteed aan het verwerven van strategische kennis en inzicht over het voorkomen en beperken van de gevolgen van zware ongevallen en rampen. Evaluaties met betrokkenen bij zware ongevallen en rampen vergroot de kennis en het inzicht: door te leren van gemaakte fouten kan in de toekomst een beter risicobeleid worden gevoerd. Een onafhankelijk en gecoördineerd ongevallenonderzoek kan informatie opleveren over oorzaak en gevolg van ongevallen en incidenten. Het Ministerie zal nut en noodzaak van een onderzoeksraad nader onderzoeken, waarbij met name de relatie met bijvoorbeeld de huidige inspecties en de Transportongevallenraad in oprichting van belang is.

5. Informatievoorziening politie en brandweer

In de afgelopen kabinetsperiode is een grote stap voorwaarts gezet in de verbetering van de informatie-architectuur bij de Nederlandse politie, de brandweer en het ambulancevervoer. Voor de financiering daarvan heeft het vorige Kabinet meerjarig f 20 mln. beschikbaar gesteld vanaf 1996. Daar bovenop is bij Kaderbrief 1997 nog een extra budget beschikbaar gekomen van f 567 mln. voor de projecten Communicatiesysteem 2000 (C2000) en Geïntegreerd Meldkamersysteem (GMS).

De aanbesteding van het netwerkdeel van het project C2000 zal naar verwachting in het vierde kwartaal van 1998 plaatsvinden. Bij de keuze van de leverancier worden ook de gebruikers betrokken. Zodra die keus is bepaald en het leveringscontract is getekend, zal worden begonnen met de aanleg van het radionetwerk in de regio Amsterdam-Amstelland.

Naar aanleiding van overleg met alle betrokkenen over de verdere landelijke inrichting van het netwerk, is een nieuw model ontwikkeld dat in voldoende mate rekening houdt met de communicatieproblematiek van landelijk opererende diensten en dat de regio's iets meer tijdsruimte biedt bij het bepalen van het moment van aansluiting. De landelijke inrichting van het netwerk zal plaatsvinden in drie opeenvolgende kringen vanuit de startregio. De startregio is in dit model het middelpunt van een cirkel die in drie stappen steeds ruimer wordt totdat het gehele land wordt bestreken.

In een kring worden eerst alle bouwactiviteiten (masten, kabels, computers, enz.) gerealiseerd. Tegelijkertijd worden de meldkamers voorbereid op de aansluiting op het netwerk. Daarbij worden voorzieningen getroffen om gedurende enige tijd zowel de oude, als vanaf dat moment ook de nieuwe communicatiemiddelen te kunnen gebruiken. Volgens de huidige inzichten zullen die bouwactiviteiten gaan plaatsvinden in de periode tweede kwartaal 2000 tot het tweede kwartaal 2002.

Agentschap ITO

Per 1 mei 1998 is het agentschap «informatie- en communicatietechnologie organisatie» (ITO) ingesteld (kamerstukken II, 1996/1997, 25 827, nr. 1).

Met de korpsbeheerders is overeenstemming bereikt over een samenwerkingsconvenant tussen de Staat en de politieregio's over de werkzaamheden van dit agentschap en de oprichting van een IT-Raad.

De overgang naar een agentschapstatus moet er toe bijdragen dat de IT-organisatie een spilfunctie kan vervullen in het ontwikkelen en beheren van communicatie- en informatiesystemen voor de politie en de daarmee samenwerkende organisaties. Ter bevordering van het bereiken van deze doelstelling is de IT-organisatie door het Rijk belast met de realisatie van het project C2000 en het beheren en landelijk verbreiden van het GMS-systeem. In principe zullen alle ten laste van de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie gefinancierde ontwikkel- en beheersactiviteiten ten dienste van de politie en de daarmee samenwerkende organisaties worden opgedragen aan de IT-organisatie.

6. Crisisbeheersing

Het afgelopen jaar heeft in het teken gestaan van de afronding van de implementatie van het Nationaal Handboek Crisisbesluitvorming (NHC). Dit handboek beschrijft op hoofdlijnen eenduidige coördinatie- en crisisbesluitvormingsstructuren voor de rijksoverheid. Uitgangspunt is dat ieder ministerie zelf verantwoordelijk is voor het eigen crisisbeheersingsbeleid en de organisatorische inbedding daarvan. Ieder ministerie maakt op basis van deze hoofdlijnen specifieke afspraken en treft voorzieningen, zoals het inrichten van een Departementaal Coördinatiecentrum (DCC), en legt bevoegdheden en verantwoordelijkheden vast in een departementaal handboek crisisbeheersing.

Met het aldus opzetten en vormgeven van crisisnetwerken bij de overheid op rijksniveau is een belangrijke stap gezet in de herziening van het crisisbeheersingsbeleid.

Het eindbeeld van de voorzieningen die door de ministeries zijn getroffen, is gedifferentieerd. De verschillen in crisisgevoeligheid van beleidsterreinen maken dit noodzakelijk. Niet ieder ministerie heeft een DCC met een gelijke opzet, maar heeft wel een aantal basisvoorzieningen, waarbij de uitwerking en detaillering kan verschillen.

In 1999 en komende jaren staat het onderhoud van deze crisisbesluitvormingsstructuren op rijksniveau centraal. Bovendien zal in 1999 verder worden gewerkt aan een optimale aansluiting op de structuren op provinciaal en regionaal niveau.

Evenals bij de opbouw van de crisisbesluitvormingsstructuren zal het Nationaal Coördinatiecentrum (NCC) ook bij het onderhoud en de verdere uitbouw daarvan een initiërende en coördinerende rol spelen.

Een belangrijk aspect van het onderhouden van de crisisbesluitvormingsstructuren is het oefenen van betrokkenen. Ook oefeningen in crisisbesluitvorming in internationaal verband zullen de nodige aandacht krijgen.

Met het oog op de aansluiting tussen de verschillende overheidslagen zullen afspraken worden gemaakt over de informatievoorziening aan het rijksniveau. Hierover zal overleg plaatsvinden met relevante belangenorganisaties als IPO, VNG en de Unie van Waterschappen.

VII. BINNENLANDSE VEILIGHEIDSDIENST (BVD)

De Binnenlandse Veiligheidsdienst heeft tot taak bij te dragen aan de verdediging en de versterking van de nationale en internationale veiligheid. Concreet betekent dit dat de BVD gegevens verzamelt over verschijnselen in de samenleving die een aantasting van een veiligheidsbelang kunnen betekenen, veiligheidsonderzoeken uitvoert naar personen die een vertrouwensfunctie (gaan) vervullen en adviezen verstrekt omtrent de beveiliging van gegevens en vitale voorzieningen. Bij de uitvoering van zijn taak staan de BVD bijzondere inlichtingenmiddelen ter beschikking, alsmede een netwerk van relaties met zusterdiensten.

Onderwerpen die de aandacht van de BVD krijgen omdat zij een veiligheidsbelang (kunnen) aantasten zijn onder andere: inbreuken op de democratische rechtsorde door krachten in binnen- en buitenland die de integratie van minderheden doelbewust ontmoedigen, ontregeling van de politieke besluitvorming, terrorisme en ander politiek geweld, bedreigingen van zowel (onderdelen van) de Nederlandse samenleving als de internationale positie en reputatie van de Nederlandse staat door de georganiseerde misdaad, ongewenste handel in conventionele wapens, proliferatie van massavernietigingswapens en inlichtingenactiviteiten van vreemde mogendheden binnen Nederland.

Op nationaal vlak werkt de BVD bij de uitvoering van zijn taken in toenemende mate samen met de politie en bijzondere opsporingsdiensten. De samenwerking met de politiekorpsen verloopt via de Regionale Inlichtingendiensten. Met de directie Centrale Recherche Informatiedienst (CRI) van het Korps Landelijke Politiediensten, de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD), de Economische Controledienst (ECD) en de Rijksrecherche bestaan eveneens samenwerkingsrelaties.

Daarnaast kenmerkt het werkterrein van de BVD zich door een groeiende internationalisering. Immers, veel veiligheidsvraagstukken zoals terrorisme, vormen van politiek en religieus extremisme en spionage hebben internationale dimensies. Hierop wordt ingespeeld door uitbreiding en versterking van het bestaande internationale relatienetwerk en inzet van vaste en reizende liaisons in het buitenland. Betrekkelijk nieuw zijn de relaties met de inlichtingen- en veiligheidsdiensten van de landen in Midden- en Oost-Europa. Met het doel te komen tot gesaneerde en democratisch ingebedde inlichtingen- en veiligheidsdiensten in deze landen, heeft de BVD enkele jaren geleden het initiatief genomen tot een jaarlijkse Midden-Europa conferentie (MEC). Deze conferentie en de daarmee samenhangende activiteiten en contacten dragen bij aan het integratieproces in Europa. Ook met de voorgenomen vestiging van een nieuwe BVD-liaison in Moskou wordt ingespeeld op de groeiende internationalisering.

Bij de opheffing van de Inlichtingendienst Buitenland (IDB) per 1 januari 1994 hebben BVD en MID een aantal activiteiten van deze dienst overgenomen of geïntensiveerd voor zover die vallen binnen hun bestaande wettelijke taakomschrijving. De activiteiten die hierin niet pasten, zijn gestopt. Inmiddels is het kabinet tot het inzicht gekomen dat alsnog in deze mogelijkheid moet worden voorzien, mede op verzoek van een aantal fracties in de Tweede Kamer. Bij de herziening van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten wordt hiertoe een voorziening getroffen. Deze nieuwe taak is van groot belang mede gezien de complexe internationale veiligheidssituatie. Daar adequate uitvoering te zijner tijd de nodige voorbereiding vergt, is de BVD begonnen met het opstellen van een plan van aanpak en andere oriënterende voorbereidingsactiviteiten waarvoor vanaf 1998 extra middelen ter beschikking zijn gesteld. Vanzelfsprekend wordt niet eerder overgegaan tot de daadwerkelijke uitvoering van werkzaamheden die voortvloeien uit de nieuwe inlichtingentaak buitenland, dan nadat het wetsvoorstel tot wet is verheven.

De snelle ontwikkelingen op het gebied van ICT vormen voor de BVD een belangrijk aandachtspunt. Zo is er in toenemende mate sprake van gebruik van cryptografie in het (data)communicatieverkeer. Om te kunnen blijven voorzien in de behoefte aan informatie over de aandachtsgebieden van de BVD is het noodzakelijk dat de BVD rechtmatig en op operationeel verantwoorde wijze toegang blijft hebben tot het (data)communicatieverkeer. Daarnaast zal de BVD in operationeel-technische zin in moeten blijven spelen op de ontwikkelingen op ICT-gebied en hierin nieuwe investeringen moeten doen. Overigens bieden de ICT-ontwikkelingen nieuwe mogelijkheden waar het gaat om de beveiliging van staatsgeheimen en vitale objecten en bedrijven.

De afhandeling van de verzoeken tot inzage van mogelijke BVD-dossiers in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) vraagt voortdurend de aandacht. In de voorgaande jaren lag daarbij de nadruk op initiële verzoeken, momenteel gaat het met name om grote aantallen bezwaar- en beroepschriften.

VIII. PERSONEEL EN MANAGEMENT

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft voor het onderwerp personeel en management een coördinerende verantwoordelijkheid voor de acht sectoren van overheidspersoneel en een directe verantwoordelijkheid voor de interne organisatie van de rijksdienst. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is werkgever voor de arbeidsvoorwaardensectoren Politie en Rijk.

In het onderstaande wordt in «Arbeidszaken overheid» eerst ingegaan op de coördinerende taken. «Personeel en management rijksdienst» bespreekt vervolgens een aantal thema's voor de interne organisatie van de rijksdienst en de arbeidsvoorwaardensector Rijk.

Voor meer informatie wordt verwezen naar de Trendnota Arbeidszaken Overheid 1999, de nota Mensen & Management in de Rijksdienst 1998 en de Arbeidsmarktmonitor Rijksdienst, die tegelijk met deze begroting zijn uitgebracht.

In het regeerakkoord staat dat de eisen die de samenleving aan de overheid stelt steeds hoger worden. Het is dan ook van groot belang dat de overheid betrouwbaar is en haar beleidsvoornemens waarmaakt.

Dit betekent dat een kwalitatief hoogwaardige overheidsorganisatie nodig is die doelgericht en slagvaardig uitvoering kan geven aan de politieke besluitvorming. Een organisatie die daarnaast in openheid verantwoording weet af te leggen van haar optreden en functioneren.

Het zijn de mensen die het moeten doen. Het kabinet wil de dynamiek en creativiteit in de overheidsorganisatie stimuleren, en tegelijkertijd voor het personeel ontplooiing en afdoende zekerheden bieden. Behoud en waar nodig versterking van de ambtelijke professie kan verder vorm krijgen door gerichte scholing, het belonen van prestaties en het bevorderen van de algemene inzetbaarheid van het personeel. Daarnaast kan een zekere mate van differentiatie van arbeidsvoorwaarden behulpzaam zijn, ondermeer door flexibilisering van de beloning en arbeidstijd van topambtenaren.

Deze veranderingen zijn nodig voor een effectieve organisatie en een goede concurrentiepositie van de overheid op de arbeidsmarkt. Een verdergaande versterking van het personeels- en lijnmanagement zal de gewenste veranderingen moeten ondersteunen.

1. Arbeidszaken overheid

1.1. Verdere normalisering

In de afgelopen jaren zijn in het proces van normalisering, dat wil zeggen het marktconform maken van de ambtelijke arbeidsverhoudingen, belangrijke stappen gezet. Deze waren met name gericht op die elementen van de ambtelijke rechtspositie die de werking van de arbeidsmarkt zouden kunnen verstoren. Bijvoorbeeld het in belangrijke mate gelijktrekken van het bruto-netto-traject voor ambtenaren en werknemers in de marktsector en het privatiseren van de pensioenregeling en het Algemeen burgerlijk pensioenfonds (ABP). Ook het brengen van het overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen past in dat traject.

In die operatie is de eerste stap gezet door het van toepassing worden van de WAO met ingang van 1 januari 1998. Verder wordt ter bevordering van de arbeidsmobiliteit tussen de publieke en de marktsector, vooruitlopend op de invoering van de «Overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen» (OOW) uiterlijk in 2001, het mogelijk gemaakt dat opgebouwde WW-rechten van de ene naar de andere sector kunnen worden meegenomen. Dit betekent dat de WW en de ZW voor overheidspersoneel uiterlijk per 2001 zullen worden ingevoerd.

Een en ander doet de vraag rijzen of het ook mogelijk is om in meer algemene zin te komen tot modernisering van de arbeidsrechtelijke verhoudingen. De publiekrechtelijke aanstelling wordt dan vervangen door een civielrechtelijke arbeidsovereenkomst met de daarbij behorende gevolgen voor de regeling van de rechtsbescherming. Hierover is, ter uitvoering van de motie Zijlstra (kamerstukken II, 1997/1998, 25 282, nr. 8) advies gevraagd aan de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid (ROP). Naar verwachting zal de ROP daarover eind 1998 advies uitbrengen, zodat daarover in de loop van 1999 een nader kabinetsstandpunt kan worden bepaald. Let wel, hoe de verhouding tussen de overheidswerkgevers en de overheidswerknemers ook precies vorm zal krijgen, de positie van de werknemers van de overheid zal nooit helemaal hetzelfde worden als die van werknemers in de marktsector. De overheid blijft immers ook als werkgever tevens overheid. Dit betekent bijvoorbeeld dat de overheidswerkgever, anders dan de werkgever in de marktsector, gebonden is aan internationale verdragen.

1.2. Demografische ontwikkelingen bij de overheid

De landelijke trend van een gemiddeld wat oudere beroepsbevolking, vinden we ook terug in de samenstelling van het ambtenarenbestand. In de opbouw van dat bestand is dat zelfs nog wat sterker te zien. Dit is het gevolg van het in het verleden gevoerde beleid van aanvankelijk bewuste groei van het apparaat uit overwegingen van werkgelegenheid, gevolgd door een periode van inkrimping, verzelfstandiging en afslanking – uit overwegingen van terugdringing van collectieve lasten. De overheid heeft daardoor relatief grote cohorten werknemers van boven de 45 jaar en relatief kleine cohorten jongeren. Werkgevers bij de overheid moeten daarom een op ouderen gericht beleid voeren en verder ontwikkelen, en ook een extra inzet plegen om instroom van jongeren te bevorderen. De vraag naar arbeidskrachten door de overheid zal de komende decennia toenemen omdat deze relatief grote oudere cohorten werknemers moeten worden vervangen. Dit gebeurt in een tijd waarin naar verwachting de groei van het arbeidsaanbod wat zal gaan stagneren, als gevolg van de nationale demografie. De overheid is niet de enige werkgever die deze vervangingsvraag heeft. Ook de marktsector maakt vergelijkbare ontwikkelingen door. De overheid moet daarom aandacht besteden aan zijn concurrentiepositie op de arbeidsmarkt. Het imago van de overheid als werkgever behoeft hier zeker een extra impuls. De werkinhoud, werkomstandigheden, arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaarden moeten van concurrerend niveau ten opzichte van de markt zijn. De toenemende vervangingsvraag betekent ook dat de werkgevers er belang bij hebben om werknemers zo lang mogelijk te behouden voor het arbeidsproces. Hiervoor zijn twee redenen: het vermindert de arbeidsvraag en het haalt ook wat druk van de te verwachten stijging van lasten in allerlei uittredingsregelingen. Om die reden heeft het kabinet dit jaar ook een Interdepartementaal Beleidsonderzoek gestart naar de arbeidsparticipatie van ouderen bij de rijksoverheid.

1.3. Scholing

Nederland moet het hebben van zijn talent, van de kwaliteit van zijn beroepsbevolking. Dat geldt in versterkte mate voor de overheid, waar het takenpakket vraagt om veel hoog opgeleide werknemers. De kwaliteit van overheidsdiensten staat en valt met de kwaliteit van de ambtenaren. Scholing als middel om werknemers aan het werk te houden door hen breder inzetbaar te maken, wordt ook voor de overheidswerkgevers van een steeds groter belang om effectief te kunnen blijven inspelen op een alsmaar complexer wordende samenleving. Ook is scholing een belangrijk instrument waarmee maatwerk kan worden geleverd om het aantal bij de overheid werkzame etnische minderheden, arbeidsgehandicapten, jongeren, laagopgeleiden en langdurig werklozen te vergroten en ook in de toekomst slagvaardig om te kunnen gaan met werknemers die op latere leeftijd met pensioen gaan.

Het is in eerste instantie aan de overheidswerkgevers en -werknemers zelf om scholingsinitiatieven te ontplooien. Beiden hebben te winnen bij het vergroten van de inzetbaarheid van personeel. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in zijn rol als coördinator van arbeidsvoorwaarden, stimuleert en faciliteert de initiatieven van de sociale partners. Voor werkgevers in de marktsector zijn er in 1997 additionele fiscale faciliteiten getroffen om de kosten van scholing terug te dringen. Voor 1999 wordt in 1998 een soortgelijk fiscaal instrument voor de overheidswerkgevers voorgesteld. Niet alleen op nationaal niveau, maar ook op Europees niveau neemt de aandacht voor «employability» toe. De Europese Commissie bereidt in 1998 een herziene vormgeving van de Europese Structuurfondsen voor, waarin financiële middelen voor scholing worden gereserveerd.

1.4. Decentralisatie arbeidsvoorwaardenvorming

Met de invoering van het sectorenmodel in 1993 is een einde gekomen aan het centralistische model van arbeidsvoorwaardenvorming in de overheidssector, waarin de Minister van BZK het overleg over de belangrijkste arbeidsvoorwaarden voor de gehele overheidssector voerde. Het arbeidsvoorwaardenoverleg werd gedecentraliseerd naar een achttal sectoren (Rijk, Onderwijs en Wetenschappen, Defensie, Politie, Rechterlijke Macht, Gemeenten, Provincies en Waterschappen). In dit sectorenmodel is de mogelijkheid opgenomen van een verdere decentralisatie. De Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid heeft een aantal criteria ontwikkeld aan de hand waarvan voorstellen tot verdere decentralisatie beoordeeld kunnen worden. Die punten zijn: de mogelijkheid beter in te kunnen spelen op de specifieke situatie van een subsector, de mogelijkheid de subsector naar aard en omvang voldoende te kunnen onderscheiden van de sector, het bestaan aan zowel werkgevers- als werknemerszijde van een bestuurlijke eenheid die bereid en in staat is de onderhandelingen te voeren en gemaakte afspraken te implementeren en het bestaan van procedures met betrekking tot het overleg en duidelijkheid over de onderwerpen waarover het overleg wordt gevoerd.

Met name in de sector Onderwijs en Wetenschappen heeft de vorming van subsectoren inmiddels alle aandacht. Zo zullen binnen die sector subsectoren worden gevormd voor onder andere de universiteiten en de HBO-instellingen. Hiermee zal bij de arbeidsvoorwaardenvorming beter ingespeeld kunnen worden op de bijzondere situaties binnen die subsectoren.

2. Personeel en management Rijksdienst

In de sector Rijk worden heel diverse taken uitgevoerd. Deze kunnen uiteenlopen van het aanleggen van een rijksweg tot het schrijven van een beleidsnota. De zogenaamde integrale managers zijn verantwoordelijk voor het adequaat (doen) verrichten van deze taken.

Op het terrein van personeelsmanagement zullen de managers de komende periode te maken krijgen met vraagstukken op het terrein van arbeidsmarktpositie, mobiliteit, scholing en arbeidsvoorwaarden. Ook inzicht in de ontwikkeling van de eigen loonkosten zal de aandacht vragen.

Het regeerakkoord geeft aan dat een sterke rijksdienst van belang is voor de effectiviteit en efficiency van het overheidsbeleid en daarom voortdurende aandacht vraagt. Voorts stelt het regeerakkoord dat voor de kwaliteit van de rijksdienst een hoogwaardig en flexibel ambtenarenapparaat een eerste vereiste is. Aangegeven wordt aan welke aspecten in dit verband bijzondere aandacht moet worden besteed. Bovendien worden duidelijke eisen van efficiency gesteld aan de rijksdienst. Met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden wordt gesteld dat op het onderdeel ziektekosten meer marktconformiteit en een zekere versobering van de flo-regeling (functioneel leeftijdsontslag) moet worden bereikt. Beide onderwerpen worden geagendeerd voor het overleg met de centrales van overheidspersoneel in het Sectoroverleg Rijk (SOR).

2.1. Loonkostenontwikkelingen in de sector Rijk

In de sector Rijk wordt circa negen miljard gulden aan personeelskosten uitgegeven. Er is een project gestart dat er toe moet leiden dat de loonkostenontwikkeling in beeld wordt gebracht en geanalyseerd. Daarbij zal een onderscheid worden gemaakt tussen de verschillende loonkostencomponenten en zal worden bepaald in welke mate deze componenten door de manager zijn te beïnvloeden.

Onder het project worden twee activiteiten gevangen. De eerste activiteit behelst het analyseren van de gerealiseerde loonkosten. Bij deze analyse zullen de loonkosten op Rijks-, departements- en departementsonderdeelniveau worden gesplitst naar de verschillende componenten waaruit deze zijn opgebouwd: bruto salaris, eindejaarsuitkering, vakantiegeld, gratificatie, bindingspremie, sociale lasten, etc. De mutaties per component zullen worden geanalyseerd en zoveel mogelijk van een verklaring worden voorzien. Mobiliteit en vergrijzing zijn hierbij voor de hand liggende verklaringen. Tevens zal worden vastgesteld welke bijdrage de component levert aan de totale loonkostenontwikkeling en de mate waarin de component beïnvloedbaar is door het beleid.

De tweede activiteit is het opstellen van prognoses van deze loonkostenontwikkeling. Op basis van de componenten kan voor het Rijksniveau en wellicht ook voor het departementale niveau een raming worden gemaakt bij ongewijzigd beleid. Het betreft hier een raming op macroniveau. In de jaarlijks te verschijnen nota Mensen en Management in de Rijksdienst wordt een start gemaakt met bovengenoemde activiteiten. Deze start zal bestaan uit de herschikking van de informatievoorziening; er geldt immers: meten is weten. De kwaliteit van deze «onzichtbare stap» is bepalend voor de diepgang van de prognoses en analyses in de latere fasen. Naast een goed georganiseerde informatievoorziening is het essentieel dat gegevens-aanleverende organisaties (ministeries, ABP, USZO, etc.) rekening houden met de control-rol van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op het terrein van het personeelsmanagement. De decentralisatie van het personeelsmanagement geeft de ministeries ruime bevoegdheden en mogelijkheden dit beleid naar eigen inzicht in te vullen. Dit schept echter ook de verantwoordelijkheid om het Ministerie in staat te stellen de cohesie binnen de rijksdienst periodiek te volgen.

2.2. Arbeidsmarktpositie sector Rijk

Mede gelet op de komende verkrapping op de arbeidsmarkt zal ook de sector Rijk haar concurrentiepositie op de arbeidsmarkt moeten behouden en versterken. Daartoe is het nodig zicht te hebben op de factoren die de arbeidsmarktpositie bepalen. Tegelijk met deze begroting is de arbeidsmarktmonitor sector Rijk uitgebracht. Hierin geeft de rijkswerkgever inzage in zijn positie op de arbeidsmarkt en doet hij suggesties voor de wijze waarop arbeidsvoorwaarden, organisatie- en personeelsbeleid en gerichte arbeidsmarktcommunicatie die positie behouden dan wel versterken. De rijksoverheid wordt evenals andere werkgevers geconfronteerd met een verkrappende arbeidsmarkt. Het belang van een goede communicatie met het relevante aanbod neemt toe, ook door de stijgende vervangingsvraag. Met het oog hierop is in 1998 onder voorzitterschap van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een interdepartementale campagne gestart voor het in huis halen van een generatie die schaars vertegenwoordigd is onder het rijkspersoneel. Het doel van dit project «Traineeproject Rijksoverheid» is om in 1998 en 1999 circa 300 pas afgestudeerde HBO'ers en WO'ers te werven voor traineeships bij de ministeries en Hoge Colleges van Staat.

2.3. Mobiliteit en doorstroming van vrouwen naar hogere functies bij de rijksoverheid

In vervolg op de afspraken uit de arbeidsvoorwaardenovereenkomst 1997–1999 zal in 1999 van start worden gegaan met een mobiliteitsbank voor de sector Rijk. De mobiliteitsbank is onderdeel van het kabinetsbeleid, dat is gericht op verbreding van de inzetbaarheid van het rijkspersoneel. Als het rijkspersoneel aangeeft zelf van baan of ministerie te willen wisselen, dan wel van werkgeverszijde van hen verlangd wordt van baan of ministerie te wisselen, moet elk ministerie in staat zijn deze wens te faciliteren met een volledig en inzichtelijk aanbod van vacatures. De mobiliteitsbank is een instrument om vraag en aanbod bij elkaar te brengen.

Het onderzoeksrapport «Evenredig? Nog even niet!, een onderzoek naar de normering van participatie van vrouwen in hogere functies bij de rijksdienst» doet aanbevelingen om de doorstroom van vrouwen naar hogere functies te bevorderen. In het vierde kwartaal van 1998 verschijnt het kabinetsstandpunt over dit onderzoek, waarin met alle ministeries afspraken worden gemaakt over een betere vertegenwoordiging van vrouwen in hogere functies en over een actieplan om deze verbetering te realiseren.

2.4. Modernisering van de arbeidsvoorwaarden sector Rijk

In de arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 1997 – 1999 is modernisering van arbeidsvoorwaarden als thema opgenomen. Dit wordt nader geconcretiseerd door de ontwikkeling van twee aspecten.

Het eerste aspect is de deregulering. Centrale raam- en kaderregelingen geven ruimte aan managers om binnen de context van de centrale regeling op decentraal niveau een nadere invulling te geven. Op deze wijze kunnen arbeidsvoorwaarden beter worden afgestemd op de specifieke kenmerken van de bedrijfsvoering van de verschillende onderdelen van de rijksdienst.

Het tweede aspect is differentiatie van arbeidsvoorwaarden. Dit wil zeggen dat er meer individuele keuzemogelijkheden worden geboden in de samenstelling van het arbeidsvoorwaardenpakket.

Deregulering en differentiatie zullen in een toenemende mate een beroep doen op de integrale manager in de sector Rijk. Arbeidsvoorwaarden zullen meer als een strategisch instrument ingezet kunnen worden. De eisen die de integrale manager stelt aan instrumenten voor personeelsmanagement zullen daarbij evenredig toenemen. Strategische planning, organisatie-ontwikkeling en toekomstige personeelsbehoefte zijn daarbij enkele vragen waar het personeelsmanagement meer dan voorheen mee in aanraking zal komen.

2.5. Scholing sector Rijk

Een kwalitatief hoogwaardige overheid moet over kwalitatief hoogwaardig personeel kunnen beschikken. Daarom moet de rijksdienst investeren in haar eigen personeel. Het management moet zich nadrukkelijk richten op het bevorderen van de lerende organisatie én aandacht houden voor loopbaanbeleid en management development. Ook voor werknemers zelf is het van belang om in zichzelf te investeren. Van werknemers wordt gevraagd zich aantrekkelijk te houden voor de in- en externe arbeidsmarkt. Dit betekent dat werknemers hun kwaliteiten moeten ontwikkelen en benutten zodat zij breed inzetbaar zijn. Gezien de verkrappende arbeidsmarkt zal scholing van medewerkers een steeds belangrijker instrument van de integrale manager vormen om zijn taken te verwezenlijken. De nota Mensen en Management 1998 geeft aan op welke wijze de werkgever meer zicht krijgt op scholing (via een scholings-informatie-infrastructuur), op welke wijze verder geïnvesteerd moet worden in personeel en in hoeverre daarbij specifiek aandacht uitgaat naar vrouwen, allochtonen, ouderen en laagbetaalden.

3. Algemene Bestuursdienst (ABD)

Nederland mag zich verheugen in het bezit van een kwalitatief goede overheid die relatief klein is en die zich qua productiviteit kan meten met vergelijkbaar hoog ontwikkelde economieën. Daar heeft de burger ook recht op. De activiteiten voor de Algemene Bestuursdienst zijn er op gericht dit niveau in ieder geval vast te houden maar ook te versterken, zodat de rijksdienst van vandaag de vragen van de toekomst kan beantwoorden.

Ieder beleidsveld kent zijn eigen dynamiek. Daarbij behoren top-ambtenaren met bijpassende competenties en managementstijlen. De ABD maakt het mogelijk gericht de eisen die door de samenleving aan overheidstaken worden gesteld, te vertalen in individuele kwaliteiten die voor het ambtelijk topkader essentieel zijn. Integriteit, professionaliteit en kwaliteit, zowel op individueel als collectief niveau zijn voorwaarden om te komen tot een maximaal maatschappelijk rendement van het optreden van de rijksdienst. De ABD werkt aan een professioneel systeem van management development en mobiliteit waarmee ambtenaren in staat worden gesteld hieraan te voldoen, hun bestuurlijke en leidinggevende kwaliteiten verder uit te bouwen en met integriteit en wendbaarheid de publieke zaak te dienen. De verdere ontwikkeling van de ABD zal de grootst mogelijke aandacht krijgen.

Voor topambtenaren wordt gestreefd naar flexibele arbeidsvoorwaarden (in beloning en arbeidstijd), waar mogelijk gekoppeld aan afspraken over resultaten. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties krijgt hierbij een centrale rol. Dit zal onder andere tot uitdrukking komen door topambtenaren in vaste dienst aan te stellen bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De aanstelling in een bepaalde functie bij een ministerie gebeurt in principe in tijdelijke dienst, in overeenstemming met de betreffende minister. Tevens wordt het minder moeilijk topambtenaren die niet voldoen in een specifieke functie te ontslaan dan wel over te plaatsen. Tot slot zal de mobiliteit tussen rijksdienst, grote gemeenten, Nederlandse ambtenaren bij de EU en andere internationale organisaties worden bevorderd. De verantwoordelijkheid van de minister van BZK voor de kwaliteit van de rijksdienst wordt door bovenstaande punten versterkt.

In 1997 is de ABD conform de wens van de Tweede Kamer geëvalueerd. In april 1998 is het evaluatierapport aangeboden aan de Tweede Kamer.

Uit de evaluatie blijkt dat de ABD een brede erkenning heeft verworven. De doelstellingen, opzet, opbouw en ontwikkelingsrichting worden gezien als passend in de Nederlandse verhoudingen en zijn een goede impuls voor verbetering van de kwaliteit van de rijksdienst. Het brede ambitieniveau wordt ondersteund.

In 1999 wordt extra aandacht geschonken aan de leden van de ABD. Daarnaast worden de verschillende beleidsonderdelen (benoemingenbeleid, loopbaanadvisering, individuele ontwikkeling, interdepartementale synergie en research en development) verder versterkt en tot uitvoering gebracht.

De ABD zal eind 1999 worden uitgebreid met de functionarissen in schaal 16 (circa 450 rijksambtenaren). In een later stadium worden de functionarissen in schaal 15 aan de ABD toegevoegd. Voor de aspirant-leden gelden dezelfde uitgangspunten en doelstellingen die nu reeds voor de huidige groep ABD-ambtenaren zijn geformuleerd.

In 1998 wordt gestart met de voorbereidingen voor de uitbreiding naar activiteiten met schaal 16. Het bureau ABD zal hiertoe worden versterkt.

IX. INTERNATIONALE ZAKEN

De internationale dimensie van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties groeit. Steeds meer beleidsterreinen van het Ministerie krijgen te maken met de gevolgen van internationale ontwikkelingen. In voorkomend geval speelt het Ministerie een actieve rol bij het in gang zetten van deze ontwikkelingen, zoals bij deelname aan de beleidsvoorbereiding en besluitvormingsprocessen van de Europese Unie (EU) of andere internationale instellingen. Andere ontwikkelingen echter, worden niet zozeer door het Ministerie geïnitieerd, maar vloeien voort uit bijvoorbeeld beleidsterreinen van andere ministeries of uit snelle technische ontwikkelingen in het bedrijfsleven.

Hieronder wordt de ontwikkeling van de Europese en internationale dimensie van de beleidsterreinen van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties nader toegelicht. Daarbij wordt ingegaan op de Europese Unie, de andere voor het Ministerie relevante internationale organisaties, en de bilaterale samenwerking.

1. Europese Unie

Een onderwerp dat de komende jaren hoog op de Europese agenda zal blijven staan, is de uitbreiding van de Europese Unie. De Nederlandse inbreng in de uitbreidingsonderhandelingen wordt door het Ministerie van Buitenlandse Zaken gecoördineerd. Voor het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is vooral het opzetten van een institutionele infrastructuur («deugdelijk bestuur») in de kandidaat-lidstaten van belang. Een dergelijke infrastructuur is noodzakelijk, willen de kandidaat-lidstaten in de toekomst in staat zijn de EU-regelgeving op een juiste manier toe te passen en te onderhouden. Dat is ook voor het functioneren van de EU op de lange termijn cruciaal. De aandacht van het Ministerie richt zich niet alleen op de inrichting van het bestuur, maar ook op bijvoorbeeld de organisatie van het justitie- en politie-apparaat, de opleiding van bestuursfunctionarissen, en de positie van minderheden.

De Ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie hechten er aan dat de bovengenoemde zaken, alsmede het zogenaamde Justitie en Binnenlandse Zaken (JBZ)-acquis, op een adequate wijze in het uitbreidingsproces een plaats krijgen. Het Ministerie zal zich terzake actief opstellen.

Naast de uitbreiding, vormt ook het Verdrag van Amsterdam een belangrijk aandachtspunt. De ratificatie van dit Verdrag zal ook voor het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties gevolgen hebben. Niet van alle verdragsbepalingen is op voorhand te zeggen hoe groot de invloed op de beleidsterreinen van het Ministerie zal zijn. Een relatief groot aantal bepalingen wordt pas concreet van belang als de Europese Commissie (of in een aantal gevallen één van de Lidstaten) met voorstellen komt. Te denken valt aan de bepalingen over de (operationele) politiesamenwerking, de positie van derdelanders, anti-discriminatie, en de versterkte verankering van de grondrechten en de democratie.

Vermeldenswaard is ook de bepaling in het Verdrag van Amsterdam over transparantie. Vooruitlopend op de ratificatie van het Verdrag van Amsterdam zijn er tijdens het Britse voorzitterschap al een aantal transparantiemaatregelen genomen. Per 1 januari 1999 zal een openbaar register van raadsdocumenten van start gaan, en in de JBZ-pijler is reeds besloten tot onder meer het publiceren van agenda's en het opstellen van voortgangsrapportages.

De horizontale bepaling betreffende non-discriminatie in het Verdrag van Amsterdam biedt ondermeer mogelijkheden om actief in te zetten op de bestrijding van racisme op Europees niveau.

De Europese Commissie heeft, voortbouwend op het Europees Jaar tegen Racisme (1997) en vooruitlopend op de ratificatie van het Verdrag van Amsterdam, een actieplan voor de bestrijding van racisme voorgesteld. Het Ministerie steunt dit initiatief. Bij de strijd tegen racisme op Europees niveau kan het in 1997 opgerichte en vanaf 1998 werkzame Waarnemingscentrum voor Racisme en Vreemdelingenhaat een grote rol spelen.

De politiële en justitiële samenwerking blijft als vanouds veel aandacht vragen. Dit wordt nog versterkt door het eerder genoemde uitbreidingsproces en het Verdrag van Amsterdam. De samenwerking op het gebied van Justitie en Binnenlandse Zaken is opgezet om de doelstellingen van de EU, met name het vrije verkeer van personen, te verwezenlijken. Het doel van de JBZ-samenwerking is in het Verdrag van Amsterdam gedefinieerd als het totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid voor de burger. Die ruimte wordt door de komende uitbreiding groter en het zal de nodige inzet vergen om de huidige verworvenheden van de JBZ-samenwerking ook in die nieuwe constellatie te behouden. De JBZ-samenwerking wordt ondermeer versterkt door de officiële inwerkingtreding van het Europol-verdrag op 1 oktober 1998.

Naast nieuwe impulsen voor de JBZ-samenwerking door de uitbreiding van de EU en het Verdrag van Amsterdam, worden ook de reguliere werkzaamheden voortgezet.

Het in 1997 door de Europese Raad van Amsterdam aangenomen actieprogramma inzake georganiseerde criminaliteit blijft richtinggevend voor een brede aanpak van de georganiseerde misdaad. Belangrijke elementen daarin zijn de grote aandacht voor preventie en praktische samenwerking. Samen met het Ministerie van Justitie zal worden uitgedragen dat dit programma met prioriteit moet worden uitgevoerd.

De aanbevelingen uit het actieprogramma zijn neergelegd in het meerjarig werkprogramma voor de activiteiten op het gebied van JBZ-samenwerking. Het actieprogramma is tevens verwerkt in het toetredingspact inzake georganiseerde criminaliteit, dat met de kandidaat-lidstaten van de EU is gesloten.

In het werkprogramma zijn ook opgenomen de reguliere activiteiten op het gebied van terrorismebestrijding, bestaande uit het regelmatig in kaart brengen van terroristische dreigingen en de uitwisseling van actuele informatie.

De veiligheid van de burger wordt verder gewaarborgd door de samenwerking op het gebied van rampenbestrijding en crisisbeheersing. Daarbij kan gewezen worden op het Europese Actieprogramma voor rampenbestrijding. Op basis van dit programma worden uiteenlopende Europese samenwerkingsprojecten medegefinancierd. In mei 1999 zal Nederland bijvoorbeeld een Europees congres over geneeskundige hulpverlening bij rampen organiseren.

Tijdens het Nederlands Voorzitterschap van de Europese Unie is stedelijke ontwikkeling als onderwerp op de Europese agenda gezet en dit heeft inmiddels door toedoen van het Britse voorzitterschap een vervolg gekregen. In een bijeenkomst te Glasgow op 8 en 9 juni 1998, werd preciezer in kaart gebracht welke onderwerpen de lidstaten van belang achten voor een goede stedelijke ontwikkeling. Verder zal de Europese Commissie op 26 en 27 november 1998 in Wenen de resultaten van een in 1997 gestart Europees debat over het thema stedelijke ontwikkeling bekend maken.

Naast deze activiteiten is het Ministerie betrokken bij de bepaling van de Nederlandse inbreng in de onderhandelingen over de Europese structuurfondsverordeningen voor de periode 2000–2006. In samenwerking met de steden is het streven dat in de nieuwe structuurfondsverordeningen voldoende ruimte wordt gemaakt voor het aanpakken van stedelijke problematiek.

De informatiemaatschappij en de ontwikkelingen op het gebied van ICT staan al langere tijd op de Europese agenda en vormen steeds meer een belangrijk aandachtspunt. Voor het Ministerie zijn met name de invloed op de informatievoorziening van en door de overheid, alsmede de toegankelijkheid en de veiligheidsaspecten van belang. Het Ministerie staat een integrale benadering voor; naast aandacht voor de marktontwikkeling, dient ook het belang van de burger en de staat voortdurend meegewogen te worden.

Wat betreft het ambtenarenapparaat, vraagt de pensioenproblematiek de nodige aandacht. Onder het Nederlandse voorzitterschap is aandacht besteed aan het begrotingsgefinancierde communautaire stelsel en werd in Europees verband afgesproken dat een actuariële studie zou worden verricht. De Nederlandse regering dringt erop aan dat deze studie zo spoedig mogelijk wordt gestart.

Ook voor de Europese instellingen geldt dat versoberingsoperaties, die in de lidstaten al zijn verricht, hun doorwerking dienen te krijgen. In 1999 zal tijdens het Duitse voorzitterschap een doorbraak mogen worden verwacht.

In het kader van de informele Conferentie van Ministers voor de openbare dienst streeft BZK naar de verhoging van de mobiliteit tussen de overheidsdiensten van de lidstaten en de Europese Commissie en gemeenschappelijke kwaliteitsverbetering. Ook de juridische infrastructuur voor het vrij verkeer van ambtenaren in Europa heeft zich in 1998 verder ontwikkeld. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de Trendnota Arbeidszaken Overheid 1999.

Met het oog op de toekomst, waarin landen uit Midden- en Oost-Europa tot de EU zullen toetreden, wordt ook bijgedragen aan opleidingsmogelijkheden voor bestuursfunctionarissen uit die landen.

2. Andere internationale organisaties

Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is van oudsher betrokken bij de werkzaamheden van de Raad van Europa (RvE) op het gebied van de bevordering van de grondrechten en de democratische beginselen op het Europese continent. De RvE speelt bijvoorbeeld een belangrijke rol bij racisme-bestrijding. Nederland zal een nadere afstemming tussen de activiteiten van de RvE op dit gebied en de werkzaamheden van het Waarnemingscentrum voor Racisme en Vreemdelingenhaat van de EU ondersteunen. Vermelding verdient hier ook het Kaderverdrag inzake de bescherming van nationale minderheden van de RvE, dat Nederland binnenkort hoopt goed te keuren.

Naast aandacht voor de positie van etnische minderheden volgt het Ministerie ook aandachtig de activiteiten van de RvE op het gebied van grensoverschrijdende samenwerking.

Sinds 1994 wordt uitwerking gegeven aan het programma «Partnerschap voor Vrede» (PvV), waarin de samenwerking tussen de NAVO en de landen uit Midden- en Oost-Europa vorm krijgt. Voor het Ministerie is vooral de civiele samenwerking van belang. Deze samenwerking betreft rampenbestrijding en crisisbeheersing. In 1999 krijgt deze samenwerking een nieuwe dimensie door het van start gaan van het Euro-Atlantic Disaster Response Coordination Centre. Dit centrum, dat ondergebracht wordt bij het NAVO-hoofdkwartier, zal de wederzijdse hulpverlening bij rampen op het grondgebied van de NAVO-landen en de PvV-landen voorbereiden en in voorkomend geval ook coördineren.

In het Public Management Committee (PUMA) van de OESO vindt overleg plaats over bestuurlijk management in de overheidssector. PUMA leverde bijdragen aan de beleidsvorming over de integriteit van overheidsfunctionarissen, het resultaatgericht bestuur (performance management) en vernieuwing en onderhoud van regelgeving. Vanuit het Ministerie zullen het komende jaar bijdragen worden geleverd aan een OESO-project over inhoud en processen van ontwikkelingen in de functie en rol van de overheid in een veranderende omgeving en aan een project over verbetering van het uitvoeringsinstrumentarium. Het Nederlandse voorzitterschap van de PUMA, dat sinds twee jaar wordt vervuld door de Directeur-generaal van de ABD, zal in maart 1999 eindigen.

De aandacht voor de pensioenproblematiek van de EU is reeds genoemd, maar ook andere volkenrechtelijke organisaties waarvan Nederland lid is kampen met deze problematiek. Voor de OESO, de NAVO, de WEU, de Raad van Europa en de ESA zal medio 1999 een herziening worden voltooid. De discussie over de herziening van het VN-systeem loopt nog.

3. Bilaterale samenwerking

De bilaterale samenwerking met diverse landen verdient aandacht. Daarbij kan worden gedacht aan de grensoverschrijdende samenwerking met de buurlanden. Op grond van bestaande verdragen met Duitsland en België zullen concrete problemen die zich in de grensgebieden voordoen worden aangepakt. Daarbij speelt het Ministerie een coördinerende rol. Onlangs is een interdepartementale werkgroep ingesteld die zal kijken naar de mogelijkheden voor het grensoverschrijdende bedrijventerrein Heerlen-Aken. Ook de initiatieven die de gemeenten Kerkrade en Herzogenrath hebben genomen zullen daarbij worden meegenomen.

De bilaterale samenwerking omvat ook het sluiten en uitvoeren van overeenkomsten inzake politiesamenwerking en rampenbestrijding. Zeer recent is de politiële samenwerking met Frankrijk geïntensiveerd.

Daarnaast speelt ook de bilaterale samenwerking met de landen uit Midden- en Oost-Europa een steeds grotere rol. Naar verwachting zal het belang van de samenwerking op het gebied van het openbaar bestuur toenemen, dit ter ondersteuning van het «pre-accessie» traject voor de Midden-Europese kandidaat-lidstaten van de EU. Daarnaast blijft politiële samenwerking belangrijk. Met Polen en Hongarije zijn bilateraal «Memorandums of Understanding» ondertekend, waarin afspraken zijn gemaakt over opleidingen en trainingen voor politie-ambtenaren uit deze landen en samenwerking tussen politiekorpsen. Ook andere landen uit Midden- en Oost-Europa hebben hun wens voor een dergelijke samenwerking kenbaar gemaakt. Bekeken zal worden op welke manier daar gehoor aan kan worden gegeven. Met Hongarije zijn bovendien bilaterale afspraken gemaakt over gezamenlijke activiteiten op het gebied van en rampenbestrijding.

De voortzetting van de samenwerking met Indonesië inzake de opleiding van lokale en regionale bestuursambtenaren, waarover het parlement in de memorie van toelichting van 1998 is geïnformeerd, is door de huidige financiële en politieke situatie in Indonesië onzeker geworden.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

1. De begroting in één oogopslag

De meerjarencijfers en de toelichting op de belangrijkste ontwikkelingen per hoofdbeleidsterrein

Uitgaven (x f 1 mln)
 199819992000200120022003
01 Algemeen172149141135129129
02 Openbaar Bestuur1 0921 0921 1031 1191 1321 131
03 Integratiebeleid minderheden219245225212205207
05 Openbare Orde en Veiligheid5 4995 8115 9956 0536 2346 292
06 Binnenlandse Veiligheidsdienst848585858585
07 Management en Personeelsbeleid336325312293284284
08 Informatievoorziening en Automatiseringsbeleid423430272727
09 Algemene Bestuursdienst355555
Totaal7 4477 7467 8967 9298 1018 160

01. Algemeen

In 1998 worden incidentele uitgaven geraamd, waaronder millenniumproblematiek, integratie KabNA en overige uitgaven in de sfeer van kwaliteitsverbetering van de bedrijfsvoering. Met ingang van 1999 zijn de toebedeelde huisvestingsmiddelen ten gevolge van de stelselwijziging voor de rijkshuisvesting opgenomen. Tevens is, vanaf 1999, de raming verlaagd als gevolg van taakstellingen in het regeerakkoord. De taakstellingen betreffen een afroming in verband met een stijging van de arbeidsproductiviteit, een taakstelling op het personele volume, vergroting van de doelmatigheid van de departementale aankoop en terugdringing van externe advisering. Vooralsnog is de BZK-brede verlaging van de raming geparkeerd op dit hoofdbeleidsterrein.

02. Openbaar Bestuur

De stijging in de meerjarencijfers vanaf 2000 wordt veroorzaakt door hogere uitgaven voor Melkert-banen. Deze verhoging hangt samen met een vermindering van de afdrachtskorting SPAK in de komende jaren.

03. Integratiebeleid minderheden

Het verloop in de meerjarencijfers wordt voor een belangrijk deel veroorzaakt door fluctuaties in het aantal uitkeringen op basis van de Wet gemeentelijke zorg voor houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (Zorgwet VVTV), hetgeen samenhangt met het aantal asielzoekers dat een tijdelijke vergunning tot verblijf krijgt.

05. Openbare Orde en Veiligheid

De stijging in de meerjarencijfers 1998–2003 wordt veroorzaakt door de toevoeging van regeerakkoordgelden in het kader van veiligheid, een autonome groei in de uitgaven van de Dienst Geneeskundige Verzorging Politie (DGVP) (als gevolg van een groeiende politiesterkte), de oploop in het budget voor de vervanging van de radiocommunicatiesystemen (C2000), de jaarlijkse sterktegroei bij de politie, toevoeging van een budget voor fraudebestrijding en de toegevoegde loon- en prijsbijstelling. Tegenover de uitgavenstijging bij de DGVP staan overigens premie-ontvangsten tot gelijke hoogte.

06. Binnenlandse Veiligheidsdienst

De verhoging van het meerjarencijfer vanaf 1998 houdt hoofdzakelijk verband met de implementatie van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Wiv).

07. Management en Personeelsbeleid

De daling van het meerjarencijfer vanaf 1998 wordt voornamelijk veroorzaakt door een geleidelijk afnemend beroep op de zogeheten Indische pensioenregelingen vanwege demografische ontwikkelingen.

08. Informatievoorziening en Automatiseringsbeleid

De verlaging van het meerjarencijfer van 1999 ten opzichte van 1998 hangt samen met de afronding van een aantal projecten op basis van de derde Beleidsnota Informatievoorziening Openbare Sector (BIOS-3). De verlaging vanaf 2000 hangt samen met de afronding van de werkzaamheden van het Projectbureau Millennium Overheid (PMO) in de loop van het jaar 2000.

09. Algemene Bestuursdienst

De structurele verhoging van de meerjarencijfers vanaf 1999 ten opzichte van 1998 houdt verband met de uitbreiding van de doelgroep van de Algemene Bestuursdienst tot functionarissen vanaf schaal 16.

Ontvangsten ( x f 1 mln)
 199819992000200120022003
01 Algemeen25172222
02 Openbaar Bestuur82123999210987
03 Integratiebeleid minderheden444444
05 Openbare Orde en Veiligheid335345357370383396
06 Binnenlandse Veiligheidsdienst000000
07 Management en Personeelsbeleid151414141414
08 Informatievoorziening en Automatiseringsbeleid333000
Totaal464506479482512503

01. Algemeen

De hogere raming in 1998 en 1999 wordt veroorzaakt door de raming van dividendontvangsten van Roccade en Sdu in deze jaren. Vanwege de onzekerheid over het structurele karakter en het niveau van deze ontvangsten is voor de jaren vanaf 2000 geen raming opgenomen.

02. Openbaar Bestuur

De wijziging van de meerjarenraming wordt voornamelijk veroorzaakt door een aanpassing van de meerjarige raming van de legesontvangsten voor reisdocumenten. De piek in 1999 wordt veroorzaakt door de afrekening van de Melkert-banen bij de gemeenten over het jaar 1997.

05. Openbare Orde en Veiligheid

De stijging in de meerjarencijfers 1998–2003 wordt veroorzaakt door een autonome groei in de premieontvangsten van de DGVP (als gevolg van een groeiende politiesterkte).

08. Informatievoorziening en Automatiseringsbeleid

Het eindigen van de meerjarenraming op dit hoofdbeleidsterrein hangt samen met de agentschapstatus van het project Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens (GBA) met ingang van 1998 als gevolg waarvan de ontvangsten niet meer op dit hoofdbeleidsterrein worden verantwoord. Voor de jaren 1999 en 2000 zijn nog incidentele ramingen opgenomen in verband met een deel van de opbrengst van de uitvoering van het project OverheidsTelefonie 2000 (OT2000) voor een gezamenlijke, overheidsbrede aanbesteding van telefooncontracten.

2. Aansluittabel

Hieronder treft u de aansluiting aan tussen de stand voor het begrotingsjaar 1999, zoals opgenomen in de Miljoenennota 1998, en de stand voor 1999 in de onderhavige ontwerp-begroting.

Uitgaven(bedragen x f 1 mln)
Totaal hoofdstuk VII 1999 volgens Miljoenennota 1998 (kamerstukken II, 1997/1998, 25 600, nr. 2, bijlage 5, blz. 142) (exclusief middelen Internationale Samenwerking) 7 221,0
Middelen Internationale Samenwerking 0,5
Doorwerking Voorjaarsnota 1998 (kamerstukken II, 1997/1998, 25 975, nr. 1, blz. 19) 248,9
   
Nadere bijstellingen:  
• Overboeking RGD-gelden (artikel 01.01)22,8 
• Taakstelling regeerakkoord 1998– 6,6 
• Loonbijstelling (artikel 01.03)100,1 
• Prijsbijstelling (artikel 01.04)6,2 
• Uitkering Zorgwet VVTV (artikel 03.04)14,0 
• Toevoeging regeerakkoordgelden veiligheid (artikel 05.23)122,8 
• Versterking buitengrenzen (artikel 05.23)7,0 
• Instroom asielzoekers (artikel 05.23)9,0 
• Aanpak fraudebestrijding (artikel 05.24)6,8 
• Overboeking agentschap ITO (artikel 05.27)19,0 
• Overboeking ZVO Onderwijs en Defensie (artikel 07.20)– 28,0 
• Overboeking gemeentefonds (artikel 08.01)– 0,9 
• Overboeking Projectbureau Millennium Overheid (artikel 08.01)6,0 
• Diversen inclusief afrondingsverschil– 2,3 
Totaal van de bijstellingen 275,9
Totaal wetsvoorstel uitgaven begroting 1999 (inclusief middelen Internationale Samenwerking) 7 746,3

Ontvangsten(bedragen x f 1 mln)
Totaal hoofdstuk VII 1999 volgens Miljoenennota 1998 (kamerstukken II, 1997/1998, 25 600, nr. 2, bijlage 5, blz. 144) 432,3
Doorwerking Voorjaarsnota 1998 (kamerstukken II, 1997/1998, 25 975, nr. 1, blz. 20) 53,3
   
Nadere bijstellingen:  
• Dividendontvangsten (artikel 01.08)15,0 
• Afrekening Melkert-banen (artikel 02.03)43,7 
• Bijstelling paspoortraming (artikel 02.04)– 36,3 
• Diversen– 2,0 
Totaal van de bijstellingen 20,4
Totaal wetsvoorstel ontvangsten begroting 1999 506,0

3. Beheer

3.1. Invoering van de Euro

Ter voorbereiding op de invoering van de Euro is er sinds eind 1995 een Taskforce Euro binnen het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) werkzaam. Door de verschillende onderdelen van het Ministerie van BZK is geïnventariseerd welke wet- en regelgeving en geautomatiseerde systemen aangepast dienen te worden voor de introductie van de Euro. In het najaar 1998 zullen voor de geautomatiseerde systemen plannen van aanpak worden opgesteld. Op basis van de plannen van aanpak worden ook de kosten die gepaard gaan met invoering van de Euro voor het ministerie in kaart gebracht. De zelfstandige bestuursorganen, waarvoor het Ministerie van BZK verantwoordelijk is, zullen binnenkort worden aangeschreven met het verzoek aan te geven hoe ver zij gevorderd zijn met de voorbereidingen voor de introductie van de Euro.

Overigens zal de Tweede Kamer periodiek door het Ministerie van Financiën geïnformeerd worden over de actuele stand van zaken bij de verschillende ministeries.

3.2. Millenniumaanpak

De aanpak van het millenniumprobleem binnen het Ministerie van BZK is onderdeel van de integrale bedrijfsvoering. Een Task Force (het Departementale Platform Informatie-uitwisseling) is ingesteld. In hoofdstuk IV, paragraaf 3, van het algemeen deel van de memorie van toelichting is aangegeven op welke wijze binnen het ministerie de millenniumproblematiek wordt aangepakt.

3.3. Kwaliteitsverbetering (financieel) beheer

In 1998 is de financiële functie bij het Ministerie van BZK doorgelicht. Op basis van deze doorlichting wordt in de tweede helft van 1998 een gericht kwaliteitsverbeteringsprogramma opgestart. Kernelementen uit dit programma zijn:

a. het wegwerken van de witte vlekken in het financiële beheer. Hierbij is met name het actualiseren van de beschreven administratieve organisatie aan de orde. Bijzondere aandacht zal hierbij worden gegeven aan de inkoopfunctie en een adequate administratieve verankering van een aantal uitvoeringsregelingen (een en ander mede op basis van de bevindingen van de Accountantsdienst). In dat kader is in 1997 ook de rol en positie van het Audit Committee aan een herijking onderworpen en aanzienlijk aangescherpt. De Accountantsdienst heeft een goedkeurende verklaring afgegeven bij de financiële verantwoording over 1997 van het Ministerie van Binnenlandse Zaken;

b. het versnellen en verbeteren van de verantwoording;

c. het (verder) ontwikkelen en administratief adequaat verankeren van kengetallen;

d. het gericht bevorderen van systematische beleidsevaluatie (ex ante en ex post);

e. het herijken van de financiële aansturingsrelaties met agentschappen en ZBO's;

f. het verder investeren in de bevordering van financiële kennis en kunde zowel in de lijn als bij de financiële staf.

3.4. Bestaffingsonderzoek

In 1998 is een aantal concrete projecten gestart gericht op een doorlichting van de staffuncties binnen het Ministerie van BZK. De bestaffingsoperatie dient ertoe om te komen tot een effectief en efficiënt ingerichte staforganisatie als basisvoorziening voor het primaire proces. Inzet is een kwaliteitsimpuls, een grotere efficiency en een omvang die aansluit bij de «kerndepartement» gedachte. Uiterlijk eind 1998 zullen naar verwachting de concrete resultaten van deze operatie beschikbaar zijn.

3.5. Archiefparagraaf

1999 zal in het teken staan van de kwaliteitsverbetering van de documentaire informatievoorziening binnen het gehele ministerie. Naast een organisatorische herstructurering van de documentaire informatievoorziening zijn de inspanningen in dit kader er met name op gericht een start te maken met de digitalisering van de documenthuishouding binnen het ministerie. Het voornemen bestaat in de toekomst zowel de documentstroom als de documentopslag geheel danwel gedeeltelijk langs elektronische weg te laten plaatsvinden. Voorwaarde is de duurzame toegankelijkheid van archiefdocumenten. Het is geen sinecure de digitalisering van de documenthuishouding efficiënt af te stemmen op de werkprocessen binnen het ministerie. Het is dan ook de centrale opgave de voortgaande digitalisering in goede banen te leiden waarbij doelmatigheid, efficiency en effectiviteit worden bevorderd, de publieke verantwoordingsfunctie gewaarborgd is en blijft en uitvoering kan worden gegeven aan rijksbrede wet- en regelgeving op het terrein van informatievoorziening.

In het Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn (PIVOT) zal in 1999 de fase aanbreken waarin de concrete ombouw van actuele archieven naar de nieuwe ordeningsmethodiek zal plaatsvinden op de beleidsterreinen waar het institutioneel onderzoek inmiddels is afgerond en het basisselectiedocument is vastgesteld.

3.6. Agentschappen

De IT-organisatie maakte tot 1 mei 1998 als «divisie IT-organisatie» onderdeel uit van het agentschap Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) van het Ministerie van Justitie. Per 1 mei 1998 is de IT-organisatie als zelfstandig agentschap overgegaan naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken. In deze begroting is thans de eerste volledige agentschapbegroting van de IT-organisatie opgenomen. In 1998 is er sprake van een gesplitste begroting en rekening voor de IT-organisatie. Voor de periode tot 1 mei 1998 zal verantwoording van lasten en baten plaatshebben als onderdeel van het KLPD. Voor de periode vanaf 1 mei 1998 tot 31 december 1998 heeft verantwoording plaats bij het Ministerie van BZK. De budgettaire verwerking hiervan heeft bij suppletore begroting 1998 plaats (inclusief de indicatieve openingsbalans). In het regeerakkoord is bepaald dat het agentschap KLPD van het Ministerie van Justitie naar het Ministerie van BZK overkomt. De beoogde datum van overdracht van de verantwoordelijkheid voor het beheer van het KLPD is 1 januari 1999. Technische verwerking daarvan geschiedt bij eerste suppletore begroting 1999.

Het agentschap BPR (Basisadministratie Persoonsgegevens en Reisdocumenten) start met ingang van 1 januari 1999; dit agentschap betreft een integratie van de beheerorganisatie GBA, die reeds per 1 januari 1998 is gestart als agentschap met de afdeling Reisdocumenten en bevolkingsadministratie (RDB).

Voorts vallen nog onder de verantwoordelijkheid van de Minister van BZK het agentschap IVOP (Informatievoorziening Overheidspersoneel) en het agentschap CAS (Centrale Archiefselectiedienst).

3.7. KabNA

Per 1 januari 1998 is het voormalige KabNA beheersmatig onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Binnenlandse Zaken gebracht. Met het aantreden van het nieuwe kabinet geldt dit ook voor de politieke verantwoordelijkheid. Vooruitlopend hierop is per 1 juli 1998 het voormalige KabNA reeds ondergebracht in het nieuwe Directoraat-Generaal Constitutionele Zaken en Koninkrijksrelaties (DGCZK) van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

In 1998 zullen de uitgaven zoals die geraamd zijn op hoofdstuk IV, de KabNA-begroting, ten laste van dat hoofdstuk worden verantwoord. Ook de onderhavige ontwerp-begroting 1999 van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hoofdstuk VII) en die van hoofdstuk IV, de ontwerp-begroting van Koninkrijksrelaties, zijn nog opgesteld conform de oude opzet. Vanaf 1 januari 1999 wordt uitgegaan van een nieuwe begrotingsopzet. Die ziet er als volgt uit: op hoofdstuk IV zullen alleen de zogeheten samenwerkingsmiddelen, oftewel de programma-uitgaven van het voormalige KabNA, worden gehandhaafd. De personele en materiële apparaatsuitgaven van het nieuwe DGCZK, inclusief die van het voormalige KabNA, zullen worden geraamd en verantwoord op hoofdstuk VII. De personele en materiële apparaatsuitgaven van de Kabinetten van de Gouverneurs van de Nederlandse Antillen en Aruba zullen worden geraamd en verantwoord op de begroting van de Hoge Colleges van Staat en Kabinet der Koningin (hoofdstuk II).

Hoewel de ontwerp-begrotingen 1999 van genoemde begrotingshoofdstukken dus nog conform de oude begrotingsopzet zijn opgesteld, wordt de financieel-administratieve infrastructuur in de tweede helft van 1998 geheel ingericht op de beoogde eindsituatie, zodat per 1 januari 1999 de uitgavenrealisatie al kan worden verantwoord conform de nieuwe begrotingsopzet. De uit de nieuwe begrotingsopzet voortvloeiende budgettaire overhevelingen tussen de begrotingshoofdstukken II, IV en VII zullen bij eerste suppletore begroting 1999 worden geformaliseerd.

4. Begrotingspresentatie

4.1. Artikelindeling

De artikelindeling heeft de volgende wijziging ondergaan. Delen van de uitgavenartikelen 02.04 «Diverse bijdragen aan provincies en gemeenten» en 02.05 «Bevordering doelmatig bestuur» zijn opgenomen in een nieuw artikel 02.12 «Grote stedenbeleid». De uitgavenartikelen 07.12 «Rechtspositie post-actieven Suriname en Nederlandse Antillen», 07.13 «Rechtspositie post-actieven Nederlands en West Nieuw-Guinea», 07.14 «Rechtspositie post-actieven Indonesië» en 07.15 «Rechtspositie post-actieven bijzondere voorzieningen» zijn met ingang van de begroting 1999 samengevoegd tot een nieuw artikel 07.22 «Rechtspositie post-actieven (voormalige) overzeese gebiedsdelen».

4.2. Volume- en/of prestatiegegevens

In de financiële verantwoording 1997 (kamerstukken II, 1997/1998, 26 025, nr. 9) is, naar aanleiding van het begrotingsonderzoek bij de begroting 1998, aandacht besteed aan de plaats en positie van kengetallen binnen en buiten de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Tevens is daarin een tijdsplanning voor de ontwikkeling en verbetering van kengetallen opgenomen. In dit verband is aangegeven dat kengetallen primair dienen als hulpmiddel bij het ontwikkelen, bijsturen en beoordelen van beleid. Derhalve worden talloze kengetallen opgenomen in beleidsnota's, brochures, evaluaties en dergelijke. Voorbeelden hiervan zijn de Trendnota Arbeidszaken Overheid, Mensen en Management in de rijksdienst en de Rapportages BIS op het terrein van politie. Deze kengetallen zijn van groot belang. Wanneer het relevant en mogelijk is worden deze kengetallen ook opgenomen in de diverse begrotingsstukken, maar wanneer de bevoegdhedenverdeling dit niet wenselijk maakt zijn andere publicatiemogelijkheden een goede optie. Bij deze bevoegdhedenverdelingsvraag is de sturingsvraag van groot belang. Immers slechts indien het Ministerie van BZK sturing kan en moet geven aan productieprocessen kan het ministerie de doelmatigheid beïnvloeden. Alsdan is het zinvol doelmatigheidskengetallen in de begroting op te nemen. Wanneer deze doelmatigheidsbeïnvloeding ontbreekt is het opnemen in de begroting niet zinvol. Maar publikatie elders wél.

Stand van zaken volume- en/of prestatiegegevens:

In onderstaand overzicht wordt voor het totaal van de uitgavenbegroting aangegeven welke artikelonderdelen met volume- en/of prestatiegegevens zijn toegelicht. Hierbij zijn de artikelonderdelen die niet zinvol zijn toe te lichten buiten beschouwing gelaten. Uit het overzicht blijkt dat 99% is toegelicht met volume- en/of prestatiegegevens. In de tijdsplanning voor kengetallen is vermeld dat gestreefd wordt naar 100% onderbouwing in de ontwerp-begroting 1999. In deze begroting is deze doelstelling niet volledig gerealiseerd. Bij uitgavenartikel 01.15 ontbreken thans nog de ramingskengetallen, deze zullen in de ontwerp-begroting 2000 worden opgenomen.

In de ontwerp-begroting 1997 is een eerste start gemaakt met de ontwikkeling van doelmatigheidskengetallen. Bij doelmatigheidskengetallen is het de bedoeling informatie op te nemen over de kosten per product of activiteit. In deze ontwerp-begroting zijn doelmatigheidskengetallen opgenomen bij de Zorgwet VVTV (uitgavenartikel 03.04), remigratiebeleid (uitgavenartikel 03.05), ZVR (uitgavenartikel 07.20) en bij de vier agentschappen. Tevens wordt op het terrein van politie gemeld welke acties lopen om de politieprestaties transparanter en beter meetbaar te maken. Dit is een lichte stijging ten opzichte van de begroting 1998 toen bij twee artikelen en drie agentschappen doelmatigheidskengetallen zijn opgenomen.

In het voorjaar 1998 is, conform tijdsplanning, bij alle artikelen bezien of het mogelijk is doelmatigheidskengetallen op te nemen in de begroting. Voor een groot aantal artikelen op de begroting van het Ministerie van BZK moet deze vraag negatief worden beantwoord. Met name de typische beleidsartikelen laten zich niet in een kengetal vangen. Daarnaast speelt hierbij de bovengenoemde sturingsvraag: heeft het ministerie de mogelijkheid om de doelmatigheid te beïnvloeden? Voor met name de uitgaven op het politieterrein is deze discussie nog niet afgerond. De uitkomst hangt vooral samen met de voorziene wijziging van de Politiewet.

Inmiddels is rijksbreed in het kader van de begrotingen gestart met de ontwikkeling van doeltreffendheidskengetallen. Ook in deze begroting zijn voor de eerste maal doeltreffendheidskengetallen opgenomen. Een doeltreffendheidskengetal geeft informatie over de effecten of eventuele neveneffecten dat beleid op de samenleving heeft. De doeltreffendheidskengetallen zijn opgenomen bij de Melkert-banen (uitgavenartikel 02.04) en bij de bekendheid van het nieuwe alarmnummer 112 (uitgavenartikel 05.27).

(bedragen x f 1 mln)
 Aantal artikelonderdelenBedrag
Totaal1137 746,3
Toegelicht met ramingskengetallen*467 142,1
Zo mogelijk in de toekomst toe te lichten33,2
Niet zinvol toe te lichten64601,0

* In dit aantal zijn begrepen ook die artikelonderdelen waarbij slechts een deel van het geraamde bedrag zinvol is toe te lichten. Het aantal «niet zinvol toe te lichten» artikelonderdelen is hiervoor gecorrigeerd.

4.3. Begrotingsbeheer

Beleidsevaluatie. Voor het zesde achtereenvolgende begrotingsjaar is, onder coördinatie van de directie Financieel-economische Zaken, het interdepartementale beleidsevaluatieprogramma totstandgekomen. Het programma geeft een systematisch overzicht van de afgeronde beleidsevaluatieonderzoeken en van de lopende en nieuw te starten onderzoeken. Tevens wordt aangegeven op welke wijze de resultaten van het afgeronde onderzoek bij verdere beleidsontwikkeling worden betrokken. Het beleidsevaluatieprogramma is als bijlage 7 bij deze ontwerp-begroting opgenomen.

Subsidie- en M&O-beleid. In het kader van het geïntegreerd subsidiebeleid is voor de subsidieverlening door het Ministerie van BZK geconcludeerd dat de subsidies voldoen aan de criteria efficiency, effectiviteit en actualiteit. Daarbij geldt dat bij deze subsidies nauwelijks sprake is van M&O-gevoeligheid. Voor het M&O-beleid met betrekking tot de overige uitgaven en regelingen wordt kortheidshalve verwezen naar bijlage 3 bij de toelichting bij de financiële verantwoording 1997, waarin per regeling het gevoerde en te voeren beleid ter voorkoming van misbruik en oneigenlijk gebruik aan de orde wordt gesteld.

Tarieven. De doorberekening van kosten en het in rekening brengen van tarieven geschiedt door het Ministerie van BZK op basis van volledige kostendekkendheid.

Inkoopfunctie. Door het Ministerie van BZK is veel inspanning gestoken in de opbouw en professionalisering van de inkoopfunctie. Niet alleen het toenemend belang van Europese regelgeving op het gebied van overheidsaanschaffingen, maar ook de toegenomen aandacht voor integriteitsvraagstukken vormden daarbij een belangrijke impuls. De belangrijkste eisen voor het verloop van de inkoopprocessen zijn thans verankerd in de administratieve organisatie van het ministerie. Uitgangspunt is daarbij het behoud van de gedecentraliseerde verantwoordelijkheid voor de inkoopactiviteiten, echter onder centrale regie van de Coördinerend Directeur Aanschaffingen.

5. Leeswijzer

In deze ontwerp-begroting is de volgende indeling van de toelichting per artikel gehanteerd:

* Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel. In dit tekstblok wordt aangegeven welk(e) type beleid en uitgaven op het artikel worden geraamd en welke de speerpunten van het beleid zijn en op welke regeling(en) de uitgaven zijn gebaseerd.

* De onderverdeling naar artikelonderdelen. Indien een artikel in meerdere artikelonderdelen is gesplitst wordt in een staatje de meerjarige raming op artikelonderdeelniveau gegeven. In de daarop volgende tekstblokken is per artikelonderdeel nadere informatie opgenomen over het beleid en de uitgaven en zo nodig de regeling(en) waarop de uitgaven zijn gebaseerd.

* De cijfers. In tabelvorm wordt per artikel de realisatie 1997, de vermoedelijke uitkomsten 1998, de raming 1999 en de meerjarencijfers 2000–2003 vermeld. Indien uitsluitend de verplichtingenrealisatie 1997 afwijkt van de uitgavenrealisatie 1997 is in de tabel de verplichtingenrealisatie 1997 tussen haakjes opgenomen. Nieuwe mutaties (= nog niet eerder opgenomen in een begrotingsstuk): per mutatie wordt in een paar woorden de kern van de mutatie weergegeven. Onder de tabel wordt vervolgens nader ingegaan op de voorgestelde mutaties.

De voorgestelde mutaties zijn gespecificeerd in:

beleidsmatige mutaties: mutaties die het gevolg zijn van beleidswijzigingen (de zogenaamde in- en extensiveringen van beleid);

autonome mutaties: niet beïnvloedbare van buitenaf gekomen mutaties, zogenaamde mee- en tegenvallers in het beleid;

beheersmatige (= boekhoudkundige) mutaties:mutaties die niet beleidsmatig van aard zijn, zoals mutaties uit hoofde van loon- en prijsbijstelling, desalderingen, overboekingen tussen artikelen of begrotingen en mineure kasverschuivingen die het gevolg zijn van een ander betalingstempo van lopende verplichtingen dan eerder geraamd.

* De kengetallen. Indien relevant is een zogenaamde p x q onderbouwing in tabelvorm opgenomen. Voor enkele artikelen is op andere wijze ingegaan op relevante informatie over kengetallen.

Een lijst van gebruikte afkortingen, vindplaats van regelingen en trefwoorden is opgenomen als bijlagen 14, 15 en 16 bij deze begroting.

Wetsartikel 1 (verplichtingen/uitgaven)

01. Algemeen

Uitgaven (x f 1 000)
 199819992000200120022003
Raming hoofdbeleidsterrein 01172 011148 811141 114134 694128 494128  494

Op dit hoofdbeleidsterrein worden de kosten geraamd die geen betrekking hebben op specifieke onderwerpen van beleid, dan wel niet aan een van de overige beleidsterreinen kunnen worden toegerekend. Het betreft ondermeer de personele en materiële kosten van de Centrale Stafdiensten, de kosten van subsidies en de functionele kosten van het Koninklijk Huis. Tevens zijn op dit hoofdbeleidsterrein vooralsnog de in het regeerakkoord opgenomen taakstellingen verwerkt.

01.01. Personeel en materieel Algemeen

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

Op dit artikel worden zowel de personele als de materiële uitgaven geraamd van de Centrale Stafdiensten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK). De organisatorische integratie van het voormalige KabNA heeft per 1 juli 1998 plaatsgevonden. De hiermee samenhangende naamswijziging in BZK is inmiddels ingevoerd en verwerkt in onderhavige begroting. De personele en materiële uitgaven van het voormalige KabNA zijn (nog) niet begrotingstechnisch verwerkt. De noodzakelijke budgettaire overheveling van de personele en materiële apparaatsuitgaven (zie ook onder 3.7 KabNA) zal bij eerste suppletore begroting plaatsvinden.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1 000) en de economische en functionele codering
U01.01/Artikelonderdeel1997199819992000200120022003Econ.Funct.
22 Ambtelijk personeel37 32240 54940 98740 66040 75040 75040 7501101.1
23 Overig personeel6 6715 0394 3944 3984 3984 3984 3981201.1
24 Post-actieven23 14321 94120 79722 90122 42022 42022 4201101.1
25 Materieel29 79673 19959 80157 63257 95457 95457 9541201.1
26 Buitenland uitgaven1154964964964964964961101.42
Totaal97 047141 224126 475126 087126 018126 018126 018  

Artikelonderdeel 22. Ambtelijk personeel. Op dit artikelonderdeel worden de uitgaven voor het ambtelijk personeel van de Centrale Stafdiensten geraamd. Deze hebben betrekking op de navolgende organisatie-onderdelen en formatieve sterkten per 1999:

 
U01.0119981999
• Departementsleiding en de algemene leiding30,026,0
• Stafafdeling Centrale Stafdiensten14,714,1
• Stafafdeling Constitutionele Zaken, Wetgeving & Internationale Aangelegenheden (CZWI)*28,530,1
• Afdeling Facilitaire Zaken87,888,8
• Afdeling Documentair Management en Ondersteuning46,046,0
• Directie Communicatie, Documentatie en Bibliotheek42,944,7
• Directie Organisatie en Informatievoorziening45,247,2
• Directie Financieel-economische Zaken42,045,0
• Directie Personeelszaken51,050,6
• Accountantsdienst25,127,6
Totaal413,2420,1

* De stafafdeling CZWI is per 1 juli 1998 geïntegreerd in het nieuwe Directoraat-Generaal Constitutionele Zaken en Koninkrijksrelaties (DGCZK).

Uitbreidingen in de formatie hebben voornamelijk betrekking op de integratie van het Kabinet voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken (KabNA) met het Ministerie van Binnenlandse Zaken.

De uitgaven die met bovengenoemde formatie gemoeid zijn bedragen voor 1999 f 41 mln. Hierin is tevens een bedrag van f 0,7 mln opgenomen ter financiering van het in 1996 in gang gezette traineeproject.

Artikelonderdeel 23. Overig personeel. Op dit artikelonderdeel worden de overige (niet gedecentraliseerde) personeelsuitgaven voor het gehele Ministerie van BZK geraamd. Daarnaast worden de decentrale opleidingskosten van de Centrale Stafdiensten op dit artikel geraamd. Het betreft de volgende onderwerpen (bedragen x f 1 000):

 
U01.0119981999
• Opleidingsuitgaven Centraal658658
• Personeelsontwikkeling2 2152 215
• Exploitatie bedrijfsrestaurant638641
• Personeelsfonds11
• Overige personele uitgaven1 208560
• Herplaatsingskosten Centrale Stafdiensten319319
Totaal5 0394 394

De opleidingsuitgaven centraal houden verband met centrale, vakspecifieke opleidingsactiviteiten die niet in het centrale opleidingsprogramma zijn opgenomen zoals financiën, automatisering, bedrijfshulpverlening en communicatie.

De uitgaven personeelsontwikkeling betreffen activiteiten in het kader van het centrale Management Development programma van het Ministerie van BZK.

De bijdrage exploitatie bedrijfsrestaurant betreft het bedrag dat het Ministerie van BZK bijdraagt in de exploitatie van het bedrijfsrestaurant. Op dit moment wordt gewerkt aan een aanbesteding voor de cateringactiviteiten. Verwacht wordt dat in de tweede helft van 1998, gezamenlijk met het Ministerie van Justitie, een nieuw contract kan worden afgesloten.

De overige personele uitgaven betreffen de decentrale opleidingsactiviteiten in het kader van de ontwikkeling van de medewerkers. Hierover kunnen de directies en afdelingen zelf beschikken.

Met ingang van 1998 is een budget herplaatsingskosten voor de Centrale Stafdiensten gecreëerd. Dit budget wordt gebruikt voor om-, her- en bijscholing, bovenformatieve plaatsing en eventueel outplacement van herplaatsingskandidaten.

Artikelonderdeel 24. Post-actieven. Op dit artikelonderdeel worden de centrale uitgaven aan wachtgelden en non-activiteitswedden geraamd. De grondslagen op basis waarvan de uitkeringen worden geraamd zijn de volgende:

* Rijkswachtgeldbesluit;

* Uitkeringsregeling 1996;

* Wet uitkering wegens vrijwillig vervroegd uittreden (VUT);

* Regeling wachtgeld en uitkering bij privatisering.

Naast deze uitgaven worden de exploitatielasten van de Stichting Uitvoeringsinstelling Sociale Zekerheid voor Overheid en Onderwijs (USZO) voor deze uitkeringsregelingen geraamd.

Artikelonderdeel 25. Materieel. Ten laste van dit artikelonderdeel worden de materiële uitgaven geraamd voor het Ministerie van BZK. Het betreft uitgaven voor (bedragen x f 1 000):

 
U01.0119981999
– Exploitatie en logistiek in verband met huisvesting11 92010 426
– Centrale uitgaven voor voorlichting, documentatie en bibliotheek3 4781 503
– Financiële en personele informatievoorziening3 5143 089
– Intern organisatie-, informatie- en automatiseringsbeleid7 5087 149
– Documentair management en ondersteuning3 2113 170
– Personeelszorg en voorzieningen1 6511 741
– Constitutionele Zaken, Wetgeving & Internationale Aangelegenheden2 7791 306
– Overig (o.a. integratie KabNA, bestaffingsonderzoek en decentrale uitgaven onderdelen CS)19 0388 667
– Millennium20 100 
– Stelselwijziging rijkshuisvesting 22 750
Totaal73 19959 801

Hieronder worden de speerpunten voor 1999 toegelicht:

* Plan IBP-Busquets. Het schetsplan voor de renovatie van het entreegebied is afgerond en geaccordeerd. De investeringskosten van het plan worden geraamd op f 28,9 mln. Het Rgd-aandeel hiervan bedraagt f 25,6 mln en het gebruikersaandeel (begroting ministeries) bedraagt f 3,3 mln. De Ministeries van BZK en van Justitie dragen ieder voor de helft bij in het gebruikersaandeel.

In de plannen van Busquets zijn de herinrichting van het entreegebied, de afronding van de toegangsbeveiliging (inclusief invoering van een bedrijfskaart), de realisatie van een gezamenlijke bibliotheekruimte voor de Ministeries van BZK en van Justitie, de realisatie van een gezamenlijke pers/conferentiezaal en de renovatie van het bedrijfsrestaurant op hoofdlijnen opgenomen. Aan het project wordt toegevoegd de realisatie van een liftinstallatie voor de openbare parkeergarage ad f 0,5 mln. In 1998 zal het ontwerp worden afgerond, waarna de plannen kunnen worden uitgewerkt.

Op dit moment loopt er tegelijkertijd een opdracht aan een zestal internationale architecten om het Schedeldoekshavencomplex in totaliteit te verbouwen en een verdichting van het grondoppervlak te bestuderen. Voordat een definitieve beslissing tot uitvoering van het plan IBP-Busquets zal worden genomen zullen de voorstellen van de architecten worden beoordeeld. Deze beoordeling zal in 1998 plaats vinden. Indien voor een van de andere ontwerpen gekozen wordt zal het plan Busquets niet in uitvoering worden genomen.

* Project kennismanagement. Medio 1997 is een start gemaakt met een project kennismanagement. Doel daarvan is het systematisch afstemmen van de kennis van medewerkers op de kennisbehoefte van de organisatie van het Ministerie van BZK. Op dit moment wordt door middel van meerdere pilots bezien welke organisatorische en technische maatregelen voor het Ministerie van BZK het meest adequaat zijn. Naar verwachting vindt begin 1999 besluitvorming plaats over een bredere invoering ervan.

* Internet. In 1999 beschikken alle medewerkers van het Ministerie van BZK (pand Schedeldoekshaven) over een volledige Internet aansluiting op de werkplek.

* Stelselwijziging rijkshuisvesting. De ministerraad heeft vorig jaar besloten tot de invoering van een nieuw stelsel voor de rijkshuisvesting. De budgettaire consequenties (vanaf 1999) zijn in meerjarig verband opgenomen.

Artikelonderdeel 26. Buitenland uitgaven. Op dit artikelonderdeel worden de kosten van de vertegenwoordigers van het Ministerie van BZK in Brussel geraamd. Hieronder vallen onder andere de salariskosten, vergoedingen en representatiekosten.

De cijfers

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U01.011997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 98 46997 03099 10299 62499 624 
1e suppletore begroting 1998 20 6986 2224 4103 9983 998 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:       
Beleidsmatige mutaties       
1. millennium 20 100     
Beheersmatige mutaties       
2. Postbus 51-infolijn – 12     
3. stelselwijziging rijkshuisvesting  22 75022 75022 75022 750 
4. Wet veiligheidsonderzoeken – 800– 800– 800– 800– 800 
5. toedeling loon-/prijsbijstelling 1998 582443446446446 
Stand ontwerp-begroting 1999102 433139 037125 645125 908126 018126 018126 018

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U01.011997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 100 65697 86099 28199 62499 624 
1e suppletore begroting 1998 20 6986 2224 4103 9983 998 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:       
Beleidsmatige mutaties       
1. millennium 20 100     
Beheersmatige mutaties       
2. Postbus 51-infolijn – 12     
3. stelselwijziging rijkshuisvesting  22 75022 75022 75022 750 
4. Wet veiligheidsonderzoeken – 800– 800– 800– 800– 800 
5. toedeling loon-/prijsbijstelling 1998 582443446446446 
Stand ontwerp-begroting 199997 047141 224126 475126 087126 018126 018126 018

De toelichting bij de cijfers

1. een overboeking van het Ministerie van Financiën (aanvullende post) in verband met het millenniumvraagstuk. Over de verdeling over de diverse artikelen zal nog nadere besluitvorming plaatsvinden.

2. een overboeking naar het Ministerie van Algemene Zaken in verband met een aandeel in de kosten Postbus 51-infolijn.

3. een overboeking van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer/Rijksgebouwendienst ten gevolge van de invoering van een nieuw stelsel voor de rijkshuisvesting.

4. een reallocatie naar artikel 06.01 in verband met de Wet veiligheidsonderzoeken.

De kengetallen

(bedragen x f 1 000)
U01.01  1997 1998 1999
RAMINGSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
Artikelonderdeel 22Gemiddelde bezetting ambtelijk personeel405,3 413,1 420,2 
 Gemiddelde salariskosten 92,01 97,9 97,6
 Toegelicht begrotingsbedrag 37 292 40 453 41 012
Artikelonderdeel 23Aantal medewerkers dat een opleiding uit het centrale opleidingsprogramma volgt300 350 350 
 Gemiddelde kosten per deelnemer aan centrale opleidingsprogramma 6,7 6,3 6,3
 Toegelicht begrotingsbedrag 2 011 2 215 2 215
Artikelonderdeel 24*Aantal uitkeringsgerechtigden uitkeringsregelingen post-actieven607 624 564 
 Gemiddelde uitkeringskosten uitkeringsregelingen post-actieven 38,1 35,2 36,9
 Toegelicht begrotingsbedrag 23 143 21 941 20 797
Artikelonderdeel 25Gemiddelde bezetting pand Schedeldoekshaven in fte's1 040 1 039 1 039 
 Exploitatie-uitgaven huisvesting per fte**[12]4,6[12]4,6[12]4,6
 Bewakings- en beveiligingskosten per fte***[35]0,6[37]0,5[37]0,5
 Uitgaven catering per fte[2]1,4[2]1,5[2]1,5
 Automatisering (inrichting & onderhoud standaard werkplek) per fte****[31,5]6,2[31,5]6,4[31,5]6,4
 Toegelicht begrotingsbedrag 16 328 16 398 16 398
Totaal toegelicht begrotingsbedrag 78 774 81 007 80 422

* Exclusief de op artikelonderdeel 24 geraamde exploitatielasten USZO.

** Tussen [ ] staat het aantal interne fte's weergegeven dat aan het budget is gerelateerd.

*** Hierin zijn tevens de fte's voor het pand Schedeldoekshaven van Justitie verwerkt.

**** Kengetal is alleen gebaseerd op het pand Schedeldoekshaven. Opleidingskosten en specifiek binnen een onderdeel gebruikte systemen zijn niet meegenomen.

01.03. Loonbijstelling

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

Ten laste van dit artikel worden de uitgaven geraamd uit hoofde van een eventuele negatieve of positieve loonbijstelling.

De cijfers

Opbouw (verplichtingen =) uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U01.031997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 25 44727 25626 22424 90724 907 
1e suppletore begroting 1998 24 08530 02331 08233 90334 620 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:       
Beleidsmatige mutaties       
1. taakstelling uitgavenbeperking regeerakkoord  – 6 600– 13 500– 20 100– 26 300 
2. Jongerenproject – 3 892– 14 187– 17 933– 7 393  
Beheersmatige mutaties       
3. PMO 6 000     
4. loonbijstelling 1998 117 347130 490135 760125 102119 366 
5. verdeling loonbijstelling 1998 – 164 948– 169 681– 171 723– 172 896– 175 271 
Stand ontwerp-begroting 1999Nihil4 039– 2 699– 10 090– 16 477– 22  678– 22 678

De toelichting bij de cijfers

1. een verlaging van de raming samenhangend met een deel van de in het regeerakkoord voorziene maatregelen op de begrotingen. De maatregelen betreffen een afroming in verband met een stijging van de arbeidsproductiviteit, een taakstelling op het personele volume, vergroting van de doelmatigheid van de departementale aankoop en terugdringing van externe advisering. Een definitieve invulling zal bij eerste suppletore begroting 1999 worden voorgesteld.

2. een reallocatie naar artikel 07.02 voor de uitvoering van het instroomproject Jongeren in de rijksdienst. De middelen hiervoor zijn vanuit de aanvullende post Arbeidsvoorwaardenruimte via de loonbijstelling aan de begroting van het ministerie toebedeeld.

3. een reallocatie van artikel 08.01 in verband met het Projectbureau Millennium Overheid (PMO). In de eerste suppletore begroting is ten laste van dit artikel voorgefinancierd. Thans wordt de financiering van het PMO definitief geregeld op artikel 08.01.

4. een overboeking van het Ministerie van Financiën in verband met de toedeling van de loonbijstelling 1998.

5. de verdeling van de loonbijstelling 1998.

De economische code van dit artikel is 01, de functionele code is 13.9.

01.04. Prijsbijstelling

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

Ten laste van dit artikel worden de uitgaven geraamd uit hoofde van een eventuele negatieve of positieve prijsbijstelling.

De cijfers

Opbouw (verplichtingen =) uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U01.041997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 41 98544 56944 84145 19245 192 
1e suppletore begroting 1998 – 41 985– 44 569– 44 841– 45 192– 45 192 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:       
Beheersmatige mutaties       
1. prijsbijstelling 1998 5 5836 1756 0906 1086 173 
2. verdeling prijsbijstelling 1998 – 5 536– 6 122– 6 035– 6 053– 6 117 
Stand ontwerp-begroting 1999Nihil475355555656

De toelichting bij de cijfers

1. een overboeking van het Ministerie van Financiën in verband met de toedeling van de prijsbijstelling 1998.

2. de verdeling van de prijsbijstelling 1998.

De economische code van dit artikel is 01, de functionele code is 13.9.

01.05. Onvoorzien

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

Ingevolge artikel 5, zesde lid, van de Comptabiliteitswet 1976 is een artikel voor onvoorziene uitgaven opgenomen.

De cijfers

Opbouw (verplichtingen =) uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U01.051997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 1919191919 
Stand ontwerp-begroting 1999Nihil191919191919

De toelichting bij de cijfers

De economische code van dit artikel is 01, de functionele code is 13.9.

01.07. Subsidies en onderzoeken

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

Op dit artikel worden de kosten geraamd met betrekking tot diverse subsidies en strategisch onderzoek.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1 000) en de economische en functionele codering
U01.07/Artikelonderdeel1997199819992000200120022003Econ.Funct.
03 Subsidies en bijdragen aan de Stichting Koninklijk Paleis te Amsterdam35535535535535535535543F01.1
12 Subsidies aan de Oorlogsgravenstichting4 5594 1144 1184 1394 1464  1464 14643G01.1
14 Overige subsidies en bijdragen3636363636363643F01.11
15 Subsidies aan internationale organisaties43G01.1
16 Strategievormend onderzoek1 3141 9321 9381 9391 9391 9391 9391201.11
Totaal6 2646 4376 4476 4696 4766 4766 476  

Artikelonderdeel 03. Subsidies en bijdragen aan de Stichting Koninklijk Paleis te Amsterdam. Bij Koninklijk besluit van 15 juli 1980 (Stb. 435) is het Paleis op de Dam ten laste van het Rijk aan de Koningin ter beschikking gesteld. Mede gezien de ministeriële verantwoordelijkheid voor de functionele kosten van het Koninklijk Huis, wordt aan de Stichting Koninklijk Paleis te Amsterdam subsidie verleend. Op grond van de subsidiebeschikking van 25 mei 1992 is deze subsidie geraamd op f 0,355 mln per jaar.

Artikelonderdeel 12. Subsidies aan de Oorlogsgravenstichting. Sinds 1 januari 1997 vindt de subsidiëring van de Oorlogsgravenstichting (OGS) plaats op grond van de subsidieregeling van 24 juni 1997, nr. BW97/U566 (Stcrt. 1997, nr. 128). Uitgangspunt voor het vaststellen van de hoogte van de subsidie voor 1999 en volgende jaren is het bedrag uit de begroting voor het jaar 1998, dat bestemd is voor personele en materiële uitgaven in Nederland en Indonesië.

De OGS heeft de zorg voor twee erevelden in Nederland (Loenen en Grebbeberg) en zeven erevelden in Indonesië (Menteng Pulo, Ancol, Pandu, Kembang Kuning, Kalibanteng, Leuwigajah en Candi). Daarnaast draagt de OGS bij in de kosten voor het onderhoud van ruim 50 000 oorlogsgraven (veelal Commonwealth-graven) verspreid over de gehele wereld.

Voor haar werkzaamheden heeft de OGS in Nederland 27 personen in dienst en in Indonesië ongeveer 127.

Artikelonderdeel 14. Overige subsidies en bijdragen. Op dit artikelonderdeel worden met name de subsidies aan de Vereniging voor Administratief Recht en het Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten geraamd.

Artikelonderdeel 15. Subsidies aan internationale organisaties. Voor 1999 worden geen subsidies voorzien aan internationale organisaties. Het artikelonderdeel wordt gehandhaafd met het oog op eventuele toekomstige subsidieverstrekking.

Artikelonderdeel 16. Strategievormend onderzoek. Op dit artikelonderdeel worden de uitgaven geraamd voor onderzoek en strategische beleidsontwikkeling.

De cijfers

Opbouw (verplichtingen =) uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U01.071997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 6 4556 4616 4826 4896 489 
1e suppletore begroting 1998 – 108112112112112 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:       
Beheersmatige mutaties       
1. Integraal Veiligheidsbeleid  – 220– 220– 220– 220 
2. toedeling loon-/prijsbijstelling 1998 9094959595 
Stand ontwerp-begroting 19996 2646 4376 4476 4696 4766 4766 476
 (8 268)  

De toelichting bij de cijfers

1. een reallocatie naar artikel 05.24 in verband met beëindiging van de projectstructuur Integraal Veiligheidsbeleid en opname hiervan binnen het Veiligheidsbeleid Openbare Orde en Veiligheid.

01.09. Functionele kosten Koninklijk Huis

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

Deze uitgaven vinden hun grondslag in artikel1, lid 4 van de Wet financieel statuut Koninklijk Huis en omvatten personele en materiële uitgaven.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1 000) en de economische en functionele codering
U01.09/Artikelonderdeel1997199819992000200120022003Econ.Funct.
01 Personeel11 11011 66011 70011 73511 76411 76411 7641101.1
02 Non-activiteitswedden, wachtgelden en vervroegd uittreden5525965965965965965961101.1
03 Materieel2 8933 3533 0663 0993 0993 0993 0991201.1
Totaal14 55515 60915 36215 43015 45915 45915 459  

De cijfers

Opbouw (verplichtingen =) uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U01.091997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 14 35714 39714 46214 48914 489 
1e suppletore begroting 1998 944644646646646 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:       
Beheersmatige mutaties       
1. toedeling loon-/prijsbijstelling 1998 308321322324324 
Stand ontwerp-begroting 199914 55515 60915 36215 43015 45915 45915 459

01.14. Vervreemding aandelen Roccade Informatica Groep NV

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

De staat heeft 100% deelneming in Roccade Informatica Groep NV (voorheen N.V. RCC). In verband met het voornemen het volledige aandelenpakket te vervreemden, zijn eind 1997 met een potentiële koper onderhandelingen gevoerd die uiteindelijk niet tot resultaat hebben geleid. Thans wordt een in dit kader gebruikelijk vooronderzoek ter voorbereiding van een beursgang uitgevoerd.

De in verband met de vervreemding van de aandelen samenhangende uitgaven en ontvangsten zullen op het onderhavige artikel alsmede ontvangstenartikel 01.09 worden geraamd. Naar verwachting zal de raming voor 1998 bij tweede suppletore begroting 1998 nader worden bijgesteld.

De cijfers

Opbouw (verplichtingen =) uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U01.141997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 MemorieMemorieMemorieMemorieMemorie 
1e suppletore begroting 1998 1 300  
Stand ontwerp-begroting 19991691 300MemorieMemorieMemorieMemorieMemorie
 (525)  

De toelichting bij de cijfers

De economische code van dit artikel is 12, de functionele code is 01.34.

01.15. Adviesraden

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

Op dit artikel worden de apparaats- en onderzoeksuitgaven en vacatiegelden geraamd met betrekking tot de Raad voor het openbaar bestuur (Rob), de Raad voor de financiële verhoudingen (Rfv) en de Kiesraad. Uitgangspunt voor de Rob en de Rfv is de deskundigheid en onafhankelijkheid van de leden. Beide raden hebben een gemeenschappelijk voorzitter.

De Kiesraad adviseert de Minister van BZK met betrekking tot kieswetaangelegenheden. Daarnaast fungeert de Kiesraad als centraal stembureau bij verkiezingen.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1 000) en de economische en functionele codering
U01.15/Artikelonderdeel1997199819992000200120022003Econ.Funct.
01 Raad voor het openbaar bestuur7181 2501 0561 0521 0521 0521 0521201.1
02 Raad voor de financiële verhoudingen9791 9701 9821 9761 9761 9761 9761201.1
03 Kiesraad211161161161161161161201.1
Totaal1 7183 3363 1543 1443 1443 1443 144  

Artikelonderdeel 01. Raad voor het openbaar bestuur. Op dit artikelonderdeel worden de uitgaven ten behoeve van de Rob geraamd.

Artikelonderdeel 02. Raad voor de financiële verhoudingen. Op dit artikelonderdeel worden de uitgaven ten behoeve van de Rfv geraamd.

Artikelonderdeel 03. Kiesraad. Op dit artikelonderdeel worden de uitgaven ten behoeve van de Kiesraad geraamd.

De cijfers

Opbouw (verplichtingen =) uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U01.151997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 3 0223 0223 0123 0123 012 
1e suppletore begroting 1998 297113113113113 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:       
Beheersmatige mutaties       
1. toedeling loon-/prijsbijstelling 1998 1719191919 
Stand ontwerp-begroting 19991 7183 3363 1543 1443 1443 1443 144
 (1 989)      

02. Openbaar Bestuur

Uitgaven (x f 1 000)
  199819992000200120022003
Raming hoofdbeleidsterrein 02 1 092 2111 092 1661 103 0571 118 8051  132 4301 131 120

De algehele taakstelling voor de zorg voor de inrichting en het functioneren van het openbaar bestuur, omvat binnen het Directoraat-Generaal Openbaar Bestuur (DGOB) tevens specifieke coördinerende verantwoordelijkheden voor het integratiebeleid minderheden en de informatievoorziening (zie respectievelijk de hoofdbeleidsterreinen 03 en 08). Op deze manier wordt benadrukt dat de zorg voor de positie van minderheden en een goed gebruik van (bestaande en beschikbaar komende) informatievoorzieningsmogelijkheden van belang zijn voor een zo goed mogelijk functioneren van het openbaar bestuur.

Het openbaar bestuur in Nederland, in het bijzonder in de stedelijke gebieden, wordt geconfronteerd met omvangrijke en indringende problemen, onder meer op het terrein van volkshuisvesting, ruimtelijke ordening, verkeer, economie, werkgelegenheid, etcetera.

Het kabinet pakt de vraagstukken zoals werkloosheid, leefbaarheid, scholing en veiligheid, die veelal worden samengevat onder de noemer grootstedelijke problematiek, op verschillende manieren aan. Door het versterken van de hoofdstructuur, te weten het Rijk, de provincies en de gemeenten, zal het openbaar bestuur effectiever, efficiënter en democratischer kunnen functioneren en derhalve beter in staat zijn problemen op te lossen.

Ook in 1999 blijven de ontwikkelingen op het gebied van het openbaar bestuur kenmerkend voor het beleid. De kernactiviteiten hierbij zijn grote stedenbeleid, rol en positie provincies, alsmede stimulering van de kwaliteit van de publieke dienstverlening en verbetering van de relatie overheid/burger. Op het terrein van het grote stedenbeleid gaat het daarbij onder meer om activiteiten met betrekking tot de versterking van de economische structuur in achterstandswijken en bevordering van de leefbaarheid en veiligheid. Met ingang van 1999 worden de programma-uitgaven in verband met het grote stedenbeleid geraamd en verantwoord op een nieuw artikel 02.12 in verband met de bijzondere aandacht van het kabinet voor dit beleid. Deze bijzondere aandacht blijkt ook uit de benoeming van een minister zonder portefeuille voor het grote stedenbeleid. Op het hoofdbeleidsterrein Openbaar Bestuur worden naast uitgaven voor bestuurlijke organisatie, grote stedenbeleid, bevordering werking politiek systeem (subsidiëring politieke partijen), tevens uitgaven geraamd die samenhangen met enkele voorzieningen met betrekking tot de financiële rechtspositie van (actieve en gewezen) gekozen en niet-gekozen bestuurders (leden Europees Parlement, gewezen ministers en burgemeesters). Ook komen uitgaven in verband met de uitgifte van reisdocumenten ten laste van dit hoofdbeleidsterrein.

02.01. Schadeloosstelling, uitkering en pensioen leden Europees Parlement

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

Op grond van de Wet schadeloosstelling, uitkering en pensioenen leden Europees Parlement ontvangen de leden van het Europees Parlement een schadeloosstelling, die gelijk is aan die van de leden van de Tweede Kamer. Het aantal Nederlandse leden van het Europees Parlement bedraagt 31. Gewezen leden van het Europees Parlement ontvangen gedurende maximaal zes jaar een wachtgelduitkering.

In 1999 worden er verkiezingen voor het Europees Parlement gehouden. Door deze verkiezingen zal het aantal personen dat vanaf juni 1999 aanspraak zal maken op een wachtgelduitkering waarschijnlijk hoger worden. De wachtgelduitkering bedraagt voor hen het eerste jaar 80%, daarna 70% van het laatstgenoten salaris. Tevens zal deze wachtgeldaanspraak in tegenstelling tot die van de huidige wachtgeldgerechtigden gebaseerd zijn op de, per 1 januari 1997 gewijzigde, hogere schadeloosstelling.

De cijfers

Opbouw (verplichtingen =) uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U02.011997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 5 0375 8105 6515 5095 359 
1e suppletore begroting 1998 7991898787 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:       
Beheersmatige mutaties       
1. toedeling loonbijstelling 1998 115161156152148 
Stand ontwerp-begroting 19994 9625 2316 0625 8965 7485 5945 594
 (5 026)  

De toelichting bij de cijfers

De economische code van dit artikel is 11, de functionele code is 01.1.

De kengetallen

(bedragen x f 1 000)
U02.01 1997 1998 1999
RAMINGSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
• Schadeloosstelling31 31 31 
Gemiddeld uitkeringsbedrag 139 141 144
Toegelicht begrotingsbedrag 4 317 4 453 4 595
• Wachtgelden4 4 10 
Gemiddeld uitkeringsbedrag 85 96 96
Toegelicht begrotingsbedrag 339 384 989
• Pensioenen19 18 21 
Gemiddeld uitkeringsbedrag 15 21 21
Toegelicht begrotingsbedrag 287 375 458
• Uitvoeringskosten USZO 18 19 20
Toegelicht begrotingsbedrag 4 962 5 231 6 062

02.02. Uitkering gewezen ministers

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

Op grond van de Algemene Pensioenwet Politieke Ambtsdragers (APPA) is een regeling van kracht voor politieke ambtsdragers en hun nabestaanden, waarin toekenning van een uitkering en pensioen is neergelegd.

Bij de meerjarenraming is rekening gehouden met de (mogelijke) gevolgen van de verkiezingen in 1998 en 2002, als ook met het eindigen van het recht op uitkering op grond van artikel 7 en 7a van de APPA. Neveninkomsten zijn van invloed op het uitkeringsvolume. Verder is op grond van demografische ontwikkelingen rekening gehouden met een stijging van het aantal APPA-pensioenen.

De uitvoering van de APPA-uitkeringen berust bij de Stichting USZO.

De uitvoering van de APPA-pensioenen wordt gedaan door de Stichting Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP).

De cijfers

Opbouw (verplichtingen =) uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U02.021997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 8 1628 6248 6248 6248 624 
1e suppletore begroting 1998 8084848484 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:       
Beheersmatige mutaties       
1. toedeling loonbijstelling 1998 – 18– 9– 9– 9– 9 
Stand ontwerp-begroting 19996 2178 2248 6998 6998 6998 6998 699
 (6 271)  

De toelichting bij de cijfers

De economische code van dit artikel is 11, de functionele code is 01.30.

De kengetallen

Aangegeven is het aantal uitkeringsgerechtigden, dat een uitkering ontvangt. De aantallen zijn opgegeven door de Stichting USZO casu quo de Stichting ABP.

(bedragen x f 1 000)
U02.02 1997 1998 1999
RAMINGSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
• Uitkeringen13 24 30 
Gemiddeld uitkeringsbedrag 53,8 100,5 92,5
Toegelicht begrotingsbedrag 699 2 412 2 774
• Pensioenen180 180 185 
Gemiddeld uitkeringsbedrag 29,4 30,9 30,6
Toegelicht begrotingsbedrag 5 287 5 667 5 665
Totaal 5 986 7 979 8 439

02.03. Diverse vergoedingen openbare ambtsdragers en herindelingswachtgelden

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

Het artikel heeft met name betrekking op wachtgelduitgaven die (zijn) ontstaan als gevolg van gemeentelijke herindelingen (burgemeesters, wethouders en ambtenaren) en in verband met herschikking gemeenschappelijke regelingen. Tevens komen diverse kosten die verband houden met het functioneren van burgemeesters ten laste van dit artikel.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1 000) en de economische en functionele codering
U02.03/Artikelonderdeel1997199819992000200120022003Econ.Funct.
03 Algemene uitgaven (commissarissen der Koningin)45      1201.1
07 Verplichtingen verband houdende met opheffing van gemeenten en met voormalige drostambten, alsmede uitkeringen en onderstanden aan overige gerechtigden2 4962 9812 0811 8811 6811 4811 2814101.1
08 Wachtgelden in verband met herschikking gemeenschappelijke regelingen3373433553152852652504101.1
11 Wachtgelden burgemeesters3 2825 8165 0833 2952 7912 3722 3734101.1
12 Kosten functioneren burgemeesters9621 3431 1171 1221 1471 1681 1821 201.1
Totaal7 12210 4838 6366 6135 9045 2865 086  

Artikelonderdeel 03. Algemene uitgaven (commissarissen der Koningin). Met de inwerkingtreding per 1 januari 1994 van de Provinciewet is de provincie belast met de uitvoering van de rechtspositie van de commissaris der Koningin. De bezoldiging en de vergoedingen in verband met de uitoefening van het ambt van commissaris komen sindsdien ten laste van de provincie. In de jaren tot en met 1997 zijn echter nog enkele uitgaven – als uitvloeisel van verplichtingen die vóór 1994 zijn aangegaan – ten laste van dit artikelonderdeel verantwoord. Naar verwachting doen deze nakomende uitgaven zich vanaf 1998 niet meer voor.

Artikelonderdeel 07. Verplichtingen verband houdende met opheffing van gemeenten en met voormalige drostambten, alsmede uitkeringen en onderstanden aan overige gerechtigden. Ten laste van dit artikelonderdeel worden de wachtgelden van ambtenaren en de uitkeringen aan «boventallige wethouders» gebracht, voor zover deze zijn ontstaan ten gevolge van een gemeentelijke herindeling met een datum van herindeling die ligt vóór 1 januari 1988. De bekostiging van deze wachtgelden ten laste van de rijksbegroting berust op de Wet algemene regelingen gemeentelijke indeling.

In de wet van 7 september 1989, houdende wijziging van de wachtgeldbepalingen in de Wet algemene regelingen gemeentelijke indeling is vastgelegd dat de wachtgelden die het gevolg zijn van gemeentelijke herindelingen met een datum van herindeling van 1 januari 1988 of later niet langer ten laste komen van de rijksbegroting, maar ten laste van de betrokken gemeenten.

Aan de wijziging van de wachtgeldbepalingen is gekoppeld dat vanuit het onderhavige artikelonderdeel middelen worden overgeheveld naar de begroting van het Gemeentefonds en wel zodanig dat het verschil tussen wat op de post beschikbaar is en wat benodigd is om aan de «oude» verplichtingen te voldoen jaarlijks wordt overgeheveld.

Artikelonderdeel 08. Wachtgelden in verband met herschikking gemeenschappelijke regelingen. Ten laste van dit artikelonderdeel worden de wachtgelden gebracht, die zijn ontstaan ten gevolge van het proces van aanpassing aan de eisen die de Wet gemeenschappelijke regelingen stelt. In deze wet is bepaald dat bedoeld proces vóór 1 januari 1990 dient te zijn afgerond.

De bekostiging van de wachtgelden berust op genoemde wet. Het aanpassingsproces is inmiddels afgerond. Het aantal wachtgeldgerechtigden en de desbetreffende bedragen zullen dan ook geleidelijk afnemen.

Artikelonderdeel 11. Wachtgelden burgemeesters. Ten laste van dit artikelonderdeel komen de wachtgelden van burgemeesters, die zijn ontstaan als gevolg van gemeentelijke herindeling of vanwege andere oorzaken. De geraamde hogere uitgaven vanaf 1998 houden verband met de gevolgen van de gemeentelijke herindelingen in de provincie Drenthe per 1 januari 1998. Deze instroom van wachtgeldgerechtigde burgemeesters (met een wachtgelduitkering in het eerste jaar van 100%) is er de oorzaak van dat vanaf 1998 het gemiddelde wachtgeldbedrag per burgemeester aanzienlijk toeneemt.

De bekostiging van de wachtgelden van de burgemeesters berust op artikel 46 van het Rechtspositiebesluit burgemeesters 1994.

Artikelonderdeel 12. Kosten functioneren burgemeesters. In artikel 34 van het Rechtspositiebesluit burgemeesters 1994 is geregeld dat de reis- en verblijfkosten van burgemeesterskandidaten door het Rijk op declaratiebasis worden vergoed voor bezoeken aan de Minister van BZK, de commissarissen der Koningin, dan wel aan de vertrouwenscommissie. Grondslag voor deze vergoeding vormt het Reisbesluit binnenland van 1993.

Voor deze te declareren reizen is een bedrag beschikbaar van f 0,050 mln (ongeveer 1 000 reizen voor een gemiddeld te declareren bedrag van circa f 50). Ook de kosten verbonden aan bedrijfsgeneeskundige begeleiding van burgemeesters komen ten laste van dit artikelonderdeel. Hiermee is in 1999 een bedrag gemoeid van ongeveer f 0,050 mln (ten behoeve van ongeveer 50 keuringen). Onder meer als gevolg van toenemende aandacht voor bijvoorbeeld ziekteverzuimbegeleiding, kan het aantal (her)keuringen in de komende jaren toenemen.

Tevens komen diverse kosten van activiteiten in verband met het functioneren van burgemeesters ten laste van dit artikelonderdeel. Hiertoe behoren onder meer activiteiten in het kader van deskundigheidsbevordering (f 0,1 mln), bijdragen aan het Genootschap van Burgemeesters (f 0,020 mln), bijdragen aan scholing en vorming van (aankomende) burgemeesters (f 0,050 mln), uitgaven in het kader van concrete rechtspositionele maatregelen, dan wel externe (individuele) begeleiding van burgemeesters in bijzondere situaties (f 0,247 mln), alsmede uitgaven om in het kader van het personeelsbeleid voor burgemeesters te werken aan de professionalisering, mobiliteit en een Management-Development beleid voor burgemeesters (ongeveer f 0,5 mln).

Tenslotte worden op dit artikelonderdeel nog enkele uitgaven geraamd die voortvloeien uit mogelijke activiteiten ter bevordering van de integriteit van het openbaar bestuur.

De cijfers

Opbouw (verplichtingen =) uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U02.031997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 10 4088 5256 4785 6975 097 
1e suppletore begroting 1998 – 59892767171 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:       
Beheersmatige mutaties       
1. overheveling naar gemeentefonds 400– 200– 100   
2. toedeling loon-/prijsbijstelling 1998 273219159136118 
Stand ontwerp-begroting 19997 12210 4838 6366 6135 9045 2865 086
 (7 069)  

De toelichting bij de cijfers

1. een overboeking van/naar het gemeentefonds in verband met wachtgelden gemeentelijke herindeling (artikelonderdeel 07). De f 0,4 mln in 1998 betreft het saldo van de in de financiële verantwoording 1997 gemelde f 0,650 mln wegens vertraging in te verrichten nabetalingen uit hoofde van AOW/AWW/ANW-compensatie voor een deel van de wachtgelden, minus f 0,250 mln onderuitputting.

De kengetallen

(bedragen x f 1 000)
U02.03  1997 1998 1999
RAMINGSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
Artikelonderdeel 07Ambtenaren/wethouders54 52 48 
 Gemiddeld uitkeringsbedrag 43 *57 43
 Toegelicht begrotingsbedrag 2 346 *2 981 2 081
Artikelonderdeel 08Ambtenaren7 7 7 
 Gemiddeld uitkeringsbedrag 48 49 51
 Toegelicht begrotingsbedrag 337 343 355
Artikelonderdeel 11Burgemeesters46 50 46 
 Gemiddeld uitkeringsbedrag 70 **116 110
 Toegelicht begrotingsbedrag 3 226 5 816 5 083
Uitvoeringskosten USZO 206 200 200

* De stijging van de uitgaven (tegenover de daling in het aantal wachtgeldgerechtigden) wordt veroorzaakt door naar verwachting in 1998 te verrichten nabetalingen uit hoofde van AOW/AWW/ANW-compensatie.

** De stijging van het gemiddelde uitkeringsbedrag wordt verklaard door de instroom van nieuwe wachtgeldgerechtigden (met een hoog uitkeringspercentage van 100% in het eerste jaar).

02.04. Diverse bijdragen aan provincies en gemeenten

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

Op dit artikel worden verschillende bijdragen aan gemeenten geraamd in het kader van het grote stedenbeleid, alsmede ten behoeve van projecten ter stimulering van de economische structuur en/of de werkgelegenheid.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1 000) en de economische en functionele codering
U02.04/Artikelonderdeel1997199819992000200120022003Econ.Funct.
10 Incidentele bijdragen aan gemeenten733 080983 845964 242976 841997 2571 016  0381 016 03843C06.9
11 Uitvoeringskosten diverse regelingen1831201.1
Totaal733 263983 845964 242976 841997 2571 016 0381 016 038  

Artikelonderdeel 10. Incidentele bijdragen aan gemeenten. Dit artikelonderdeel kan als volgt worden gespecificeerd (x f 1000):

 
U02.041997199819992000200120022003
* aardgasbatenfonds 19928 5524 000     
* werkgelegenheidsimpuls 199449 44649 44750 00050 00050 00050 00050 000
* Melkert-banen496 901811 536914 242926 841947 257966 038966 038
* Urban19 99820 000     
* impuls grote stedenbeleid125 00075 000     
* nabetaling Fonds Sociale Vernieuwing 862     
* leefbaarheid/veiligheid/stadseconomie20 00020 000     
* doorvertaling G63 0003 000     
* kansenzones10 000      
* wateroverlast183  
Totaal733 080983 845964 242976 841997 2571 016 0381 016 038

* Aardgasbatenfonds 1992. In samenhang met het kabinetsbesluit over de decentralisatie-impuls zijn door het Rijk in 1992 verplichtingen aangegaan tot een bedrag van ruim f 179 mln ter medefinanciering van 32 gemeentelijke projecten die de economische structuur versterken. Het betreft bijdragen aan het oostelijk deel van Zuid-Limburg, het ISP-gebied (Integraal structuurplan noorden des lands) en tien regio's van stedelijke knooppuntgebieden (26 gemeenten). De daadwerkelijke uitgaven in de afgelopen jaren zijn afgestemd op het feitelijke investeringsverloop bij de betreffende gemeenten. Naar verwachting zullen in 1998 de laatste betalingen worden verricht.

* Werkgelegenheidsimpuls 1994. In 1994 zijn, voor in totaal 73 investeringsprojecten met een hoog werkgelegenheidseffect, aan dertien stedelijke knooppuntgebieden (32 gemeenten) bijdragen toegezegd tot een (totaal)bedrag van circa f 500 mln op annuïteitenbasis. Uitgaande van de vergoeding door het Rijk van de jaarlijkse gemeentelijke financieringslasten, was hiermee een (verplichtingen-) bedrag gemoeid van in totaal ongeveer f 850 mln met een kaseffect van circa f 50 mln per jaar gedurende de periode 1994 tot en met 2010. Omdat de uitvoering van enkele investeringsprojecten niet in 1994 maar pas in 1995 van start is gegaan, zullen de laatste annuïteitenbetalingen (voor een bedrag van in totaal f 3,677 mln) niet in het jaar 2010, maar pas in 2011 plaatsvinden.

* Regeling extra werkgelegenheid langdurig werklozen (zogenaamde Melkert-banen). In het kader van de bestrijding van de langdurige werkloosheid zijn de zogenoemde Melkert-banen tot stand gekomen; een werkgelegenheidsimpuls door het creëren van arbeidsplaatsen voor langdurig werklozen, oplopend tot een aantal van 40 000 plaatsen in 1998.

Voor de gemeentelijke sector ging het om 20 000 banen op het gebied van de openbare veiligheid, toezicht, onderwijs, kinderopvang, beheer openbare ruimte en beheer publieke monumenten.

Deze werkgelegenheidsimpuls heeft een dubbele doelstelling. Beoogd wordt door het scheppen van nieuwe (reguliere) arbeidsplaatsen in de collectief gefinancierde sector de uitstroom naar regulier werk te intensiveren van personen die een uitkering ontvangen op grond van de Algemene Bijstandswet en aanverwante regelingen. Door de nieuwe arbeidsplaatsen bij voorrang te creëren in gemeenten die te maken hebben met een cumulatie van maatschappelijke problemen wordt tegelijkertijd bijgedragen aan het verminderen van de veiligheidsproblemen en de slechte leefomstandigheden in een aantal wijken die voornamelijk zijn geconcentreerd in de grote steden.

Echter met ingang van 1998 kunnen alle gemeenten deelnemen aan de regeling Extra werkgelegenheid voor langdurig werklozen 1996, 1997 en 1998. Door de overkomst van 6 170 banen uit de zorgsector (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) zijn in 1998 in totaal 26 170 banen toegewezen aan de gemeenten. De daadwerkelijke realisatie van de tranche 1998 (9 000 banen) vindt in de loop van het jaar plaats. Als gevolg hiervan is gekozen voor gedifferentieerde bevoorschotting. Vanaf 1 januari 1999 zullen naar verwachting alle plaatsen volledig bezet zijn.

* Urban-investeringsimpuls. Als extra investeringsimpuls ter bevordering van het sociaal en economisch fundament van de vier grote steden, is in het kader van het grote stedenbeleid in de jaren 1996 tot en met 1998 een bedrag van f 20 mln per jaar bij wijze van voorschot beschikbaar gesteld. Het betreft met name bijdragen voor investeringen in het herstel van kleinschalige, ambachtelijke stedelijke economie (onder meer via de vestiging van kleine bedrijven in of nabij woonwijken). Deze middelen vormen een aanvulling op het bedrag van circa f 46 mln dat door de Europese Unie in het kader van het Urban-programma beschikbaar is gesteld.

* Impuls grote stedenbeleid (1997–1998). In het bijzonder ter versterking van de economische structuur in met name de achterstandswijken van de grote steden heeft het kabinet voor 1997 een bedrag van f 125 mln en voor 1998 van f 75 mln beschikbaar gesteld. Toekenning is geschied aan de hand van door de steden voorgestelde projecten, met inachtneming van de criteria, die zijn vastgelegd in de aan hen gerichte brief van 7 mei 1997, die ook aan de Tweede Kamer ter kennis is gebracht (nr. GSB97/U179, d.d. 13 mei 1997).

* Nabetalingen Fonds stimulering sociale vernieuwing.In 1998 is een nabetaling verricht aan twee gemeenten (Smallingerland en Tilburg) in het kader van het onderdeel maatschappelijke opvang en hulpverlening.

In 1994 hebben twee instellingen voor maatschappelijke opvang bezwaar ingediend bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de hoogte van hun bijdrage. Vervolgens zijn de instellingen in hoger beroep gegaan bij de Raad van State. De uitspraak van de Raad van State heeft er toe geleid dat de twee instellingen recht hebben op een hoger bedrag voor de periode 1994 tot en met 1997. Omdat de gelden voor maatschappelijke opvang in die periode via het Fonds stimulering sociale vernieuwing aan de centrumgemeenten werden uitgekeerd en omdat het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport geen subsidierelatie met de instellingen en dus geen wettelijke basis had om over deze periode betalingen uit te voeren aan instellingen en/of gemeenten, is deze nabetaling in overleg met het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport via de begroting van het Ministerie van BiZa verricht.

* Tot en met 1998 worden op dit artikel tevens de uitgaven geraamd met betrekking tot de regeling Leefbaarheid/veiligheid/stadseconomie voor de G19 en de doorvertaling naar de G6. Vanaf 1999 worden deze uitgaven geraamd op het nieuwe artikel U02.12 Grote stedenbeleid.

Artikelonderdeel 11. Uitvoeringskosten diverse regelingen. Met betrekking tot de uitvoering van de diverse bijdrageregelingen aan gemeenten zullen zich kosten voordoen in de sfeer van monitoring, onderzoek en dergelijke. Vooralsnog wordt voor deze uitgaven bij dit artikelonderdeel een memorieraming opgenomen.

De cijfers

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U02.041997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 797 818785 252802 120818 290833 894 
1e suppletore begroting 1998 22 422107 784102 836103 960103 960 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:       
Beleidsmatige mutaties       
1. grote stedenbeleid  – 23 000– 23 000– 23 000– 23 000 
Beheersmatige mutaties       
2. afdrachtskortingen – 24 671– 30 361– 30 183–  27 727– 25 112 
3. toedeling loonbijstelling 1998 26 82931 56732 06832 73433 296 
4. technische verplichtingenbijstelling  20 00020 00020 00020 000 
Stand ontwerp-begroting 1999766 234822 398891 242903 841924 257943 038943 038

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U02.041997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 867 265855 252872 120888 290903 894 
1e suppletore begroting 1998 114 422130 784125 836126 960126 960 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:       
Beleidsmatige mutaties       
1. grote stedenbeleid  – 23 000– 23 000– 23 000– 23 000 
Beheersmatige mutaties       
2. afdrachtskortingen – 24 671– 30 361– 30 183–  27 727– 25 112 
3. toedeling loonbijstelling 1998 26 82931 56732 06832 73433 296 
Stand ontwerp-begroting 1999733 263983 845964 242976 841997 2571  016 0381 016 038

De toelichting bij de cijfers

1. een reallocatie naar het nieuwe artikel 02.12 Grote stedenbeleid.

2. een verlaging van de raming als gevolg van een tweetal afdrachtskortingen (de korting «vermindering lage lonen» en de korting «vermindering langdurig werklozen»).

De kengetallen

A. RAMINGSKENGETALLEN

(bedragen x f 1 000)
U02.04/Melkert-banen 1997 1998 1999
  aantalbedragaantalbedragaantalbedrag
Melkert-banen 1997:95-banen à f 39 000 vanaf 1-1-1997 (x 85 %)2 50082 875    
 96-banen à f 35 000 vanaf 1-1-1997 (x 85 %)7 500223 125    
 97-banen à f 35 000 vanaf 1-1-1997 (x 85 %)4 842144 050    
 97-banen à f 35 000 vanaf 1-6-1997 (x 85 %)1 48925 840    
 97-banen à f 35 000 vanaf 1-1-1997 (x 75 %)74119 451    
 97-banen à f 35 000 vanaf 1-6-1997 (x 75 %)981 500    
 nabetaling aan één gemeente over 1996 60    
 beschikbaar voor afrekening over 1997   *1 988  
Melkert-banen 1998:95-banen à f 40 000 vanaf 1-1-1998 (100% in 1998)  2 500100 000  
 96-banen à f 35 000 vanaf 1-1-1998 (100% in 1998)  7 500262 500  
 97-banen à f 35 000 vanaf 1-1-1998 (84% in 1998 en 16% in 1999)  7 170210 7987 170(40 152)
 98-banen à f 35 000 vanaf 1-1-1998 (75% in 1998 en 25% in 1999)  9 000236 2509 000(78 750)
Melkert-banen 1999:95-banen à f 40 000    2 500100 000
 96-banen à f 35 000    7 500262 500
 97-banen à f 35 000    7 170250 950
 98-banen à f 35 000 (75 % in 1999)    9 000236 250
 beschikbaar voor afrekening over 1998     **64 542
Toegelicht begrotingsbedrag 496 901 811 536 914 242

* Melkert-banen 1997: In hoeverre een nabetaling in 1998 over de Melkert-banen 1997 plaats zal vinden is afhankelijk van de realisatie 1997. De toegevoegde desaldering bij eerste suppletore begroting 1998 is een saldo van deze verwachte nabetalingen met de te verwachten terugontvangsten na afrekening over 1997. Voor zover met de afrekening 1997 een afwijkend bedrag is gemoeid, zal bij tweede suppletore begroting 1998 een bijstelling van de raming plaatsvinden.

** Melkert-banen 1998: In hoeverre een nabetaling in 1999 over de Melkert-banen 1998 zal plaatsvinden is afhankelijk van de uiteindelijke realisatie 1998. Voor zover met de afrekening 1998 een hoger bedrag is gemoeid dan de restpost ad f 64,5 mln zal bij suppletore begroting 1999 een bijstelling van de raming plaatsvinden.

NB: De bedragen tussen haakjes zijn de maximaal mogelijke nabetalingen indien in voorgaand jaar 100% realisatie heeft plaatsgevonden.

B. DOELTREFFENDHEIDSKENGETALLEN

De doelstelling: Extra werkgelegenheid voor langdurig werklozen. Deze doelstelling is zo verwoord in het regeerakkoord van 1994 onder de kop 40 000 banenplan. Bij de start van het 40 000 banenplan in 1995 was de verdeling 20 000 door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en 20 000 door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in te vullen. Inmiddels heeft, als gevolg van een moeizame realisatie in de zorgsector, een verschuiving plaatsgevonden waardoor de taakstelling nu 26 170 bedraagt voor het Ministerie van BZK en 13 830 voor het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

 
U02.04/Melkert-banen 199719981999
  AantalAantalAantal
Taakstelling 17 17026 17026 170
Realisatie 17 32726 17026 170
In procenten ten opzichte van taakstelling*100,9%100%100%
DoelgroepenAlgemene Bijstandswet12 03418 17618 176
 Inkomensvoorziening Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte Werklozen487272
 Inkomensvoorziening Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte Zelfstandigen111717
 Subsidieregeling Experimenten Activering van Uitkeringsgelden (Stcrt. 1995, 13 en Stb. 1997, 79)1 3171 9891 989
 GEEN**8001 2081 208
 Wet Inschakeling Werkzoekenden (Stb. 1997, 760 en 805)3 8305 7585 758
 Totaal***18 04027 24727 247
Publieke DoelsectorenOpenbare Veiligheid8 47111 57111 571
 Beheer Openbare ruimten3 4274 6814 681
 Beheer publieke monumenten123168168
 Kinderopvang2 2113 0213 021
 Onderwijs3 5674 8734 873
 Sport241330330
 Overig 2 6042 604
 Totaal***18 04027 24727 247
UrenRuimte28 570 88043 456 88043 456 880
 Realisatie (verwachting)****22 630 00038 006 34043 239 536
 In procenten79,2%87,5%99,5%

* Het percentage van de realisatie komt in 1997 boven de 100% omdat de arbeidsplaatsen voor 1998 al in 1997 mochten worden ingevuld.

** De doelgroep «GEEN» verwijst naar de uitzonderingsgevallen welke door een gemeentebestuur aangewezen kunnen worden als langdurig werklozen in het kader van de regeling.

*** Dit zijn te verwachten realisatie aantallen personen per ultimo van het jaar. Doordat de arbeidsplaatsen 32-uurs plaatsen betreft en het mogelijk is om 36-uurs functies te creëren is dit omgerekend gelijk aan de taakstelling in 32-uurs plaatsen.

**** Deze realisatie is in uren over het gehele jaar genomen en is direct van invloed op de hoogte van de budgetbehoefte.

02.05. Bevordering doelmatig bestuur

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

Op dit artikel worden de uitgaven geraamd in verband met de realisering en ondersteuning van projecten en activiteiten die in meer algemene zin kunnen leiden tot een betere inrichting en kwaliteit van het openbaar bestuur. Op deze wijze zijn en worden activiteiten in gang gezet met een zeer divers karakter. Daarbij is veelal sprake van een stimuleringsfunctie.

Voor 1999 gaat het hierbij onder meer om onderzoek naar de effecten van gemeentelijke herindeling, alsmede om activiteiten ter verbetering van de kwaliteit van het openbaar bestuur. Hierbij kan gedacht worden aan onderzoek en projecten naar de versterking van de kwaliteit van de publieke dienstverlening, de verbetering van de kwaliteit van het functioneren van de overheden en de verbetering van de relatie overheid/burger.

Eveneens worden op dit artikel uitgaven geraamd voor het periodiek onderhoud Gemeentefonds en Provinciefonds. Jaarlijks ontvangt de Tweede Kamer een periodieke onderhoudsrapportage, in de vorm van een bijlage bij de begrotingen van het Gemeentefonds en Provinciefonds. Het periodiek onderhoud bestaat uit het signaleren en onderzoeken van kostenontwikkelingen en zo nodig bijstellen van het verdeelsysteem van de fondsen. Verder komen ten laste van dit artikel nog uitgaven in verband met bijdragen aan de internationale organisaties, zoals Institut International de Science Administratives en International Union of Local Authorities; het Europees handvest minderheidstalen (inzake de Friese taal); bijdragen voor de instandhouding van enkele informatiesystemen waaraan gegevens kunnen worden ontleend over gemeentelijke herindelingen en over gemeenschappelijke regelingen.

Tenslotte worden ten laste van dit artikel uitgaven geraamd in verband met de door de Ministers van Binnenlandse Zaken van Nederland en van Indonesië in 1997 ondertekende samenwerkingsovereenkomst. Dit betreft een overeenkomst inzake de ontwikkeling en uitvoering van de training voor lokale ambtenaren en bestuurders uit Indonesië.

De onderverdeling naar verschillende activiteiten

(bedragen x f 1 000)
U02.05199719981999
• Organisatie Rijksdienst354425425
• Monitoring en uitvoeringskosten grote stedenbeleid (GSB)2 0701 470 
• Vernieuwing bestuurlijke organisatie1 0191 4751 000
• Trendnota Openbaar Bestuur 800400
• Overige activiteiten (waaronder samenwerkingsovereenkomst met Indonesië)2 9882 687587
Totaal begrotingsbedrag6 4316 8572 412

Organisatie Rijksdienst. De taken met betrekking tot de organisatie van de rijksdienst zijn gericht op het totstandbrengen van rijksbrede beleidskaders voor de bestuurlijke vraagstukken (inrichting en werkwijze) van de rijksdienst en de rapportage over de ontwikkelingen hieromtrent.

Voorbeelden van onderwerpen zijn: rapportages over de totstandkoming van kernministeries, verzelfstandigingsbeleid, verbetering van de kwaliteit van overheidsdienstverlening, de inrichting van toezichtsarrangementen. Er is een rijksbrede verkenning verricht van deze toezichtsarrangementen. Deze zal de basis vormen voor nadere analyses en de uitwerking van een rijksbreed toepasbare checklist. Het gebruik van bekende en de ontwikkeling van nieuwe kwaliteitsinstrumenten wordt gestimuleerd, in het bijzonder ter verbetering van de sturing van uitvoerende overheidsdiensten op afstand. De ervaringen met deze instrumenten binnen de rijksdienst worden uitgewisseld. Aan de Tweede Kamer zal over de ontwikkelingen worden gerapporteerd.

Monitoring en uitvoeringskosten grote stedenbeleid (GSB). Maatregelen ter versterking van het sociaal en economisch fundament van de grote steden, zijn vastgelegd in het bestuursconvenant tussen regering en de grote steden. In het convenant zijn kwalitatieve en kwantitatieve doelstellingen geformuleerd in termen van meetbare output van de gezamenlijke inspanning om de positie van de steden duurzaam te verbeteren. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan aspecten als verbetering werkgelegenheid, doorstroming uit gesubsidieerde arbeid, vermindering schooluitval, verbetering van absolute en relatieve veiligheid.

Teneinde de feitelijke vorderingen van de gewenste beleidseffecten te toetsen, wordt mede op basis van onafhankelijk onderzoek regelmatig gerapporteerd over (de ontwikkeling van) de stand van zaken in een aantal bij het GSB betrokken steden. Bijdragen van het Ministerie van BZK ten behoeve van deze monitoring-activiteiten komen ten laste van dit begrotingsartikel. Deze uitgaven worden met ingang van 1999 geraamd op het nieuwe artikel 02.12 Grote stedenbeleid.

Bestuurlijke organisatie. Uitgangspunt voor de bestuurlijke organisatie is en blijft het stelsel van de drie volwaardige, democratisch gecontroleerde bestuurslagen van gemeenten, provincies en rijk. Dit uitgangspunt is richtinggevend bij de verdeling van (regionale) taken, gemeentelijke herindeling en de verdere uitvoering van de Kaderwet bestuur in verandering. De «Kaderwet Bestuur in verandering» wordt voor de desbetreffende gebieden verlengd tot 2003, tenzij er in een gebied op vrijwillige basis gekozen wordt voor een andere oplossing. Voor de regio's Rotterdam, Zuidoost-Brabant en Twente moeten hiertoe nog besluiten worden genomen. De Interimwet Rotterdam, die aanhangig is in de Eerste Kamer, zal worden ingetrokken.

Dit begrotingsjaar zal een analyse worden opgesteld van de knelpunten in die gebieden waar de laatste jaren geen herindeling heeft plaatsgevonden. Op grond van de resultaten wordt beslist of tot versterking van het lokaal bestuur zal worden overgegaan door middel van gemeentelijke herindeling. In dit kader zal in elk geval met VNG en IPO overleg worden gevoerd. Herindelingsvoorstellen, waaronder die voor Den Haag en de regio Eindhoven/Helmond, waarmee een aanvang is gemaakt, worden verder in procedure gebracht en in principe uitgevoerd conform de provinciale voorstellen.

Samenwerking tussen gemeenten blijft nuttig als aanvulling op de bestuurlijke hoofdstructuur. Het is daarbij in de eerste plaats aan gemeenten zelf om te beslissen of samenwerking in bepaalde situaties een wenselijke oplossing is. Daarom zal nog dit begrotingsjaar een wetsvoorstel worden ingediend om de bundelings- en integratieverplichting uit de Wet gemeenschappelijke regelingen te laten vervallen. Provincies moeten voorkomen dat een ondoorzichtig geheel van samenwerkingsverbanden ontstaat. Een meer algemene heroverweging van deze wet wordt in procedure genomen.

Publicatie Openbaar Bestuur. In jaarlijkse rapportages zal – naar verwachting voor het eerst in 1999 – inzicht worden gegeven in voor politiek en samenleving belangrijke ontwikkelingen binnen het openbaar bestuur.

Een algemene publicatie over het openbaar bestuur kan zich niet alleen concentreren op een onderdeel van het systeem, zoals het rijk of de gemeenten. Er wordt gestreefd ontwikkelingen te signaleren bij de overheid en in de samenleving, die bepalend zijn voor de kwaliteit van het bestuur in de komende jaren.

Het kan gaan om thema's als de ontwikkelingen binnen de lokale democratie, trends binnen de bestuurlijke organisatie, aard van de samenwerkingsverbanden tussen bestuurslagen, bestuurskernen, de aansturing van zelfstandige bestuursorganen, de betrokkenheid van de burger bij het bestuur, de financiële functie van gemeenten, kwaliteitsbeleid en interactief bestuur. Ook vraagstukken als de verhouding tussen overheid en markt en de invloed van informatie- en communicatietechnologie (ICT) op het bestuur kunnen in beeld komen. Ook het aspect van de multiculturele samenleving zal bij verschillende thema's in kaart worden gebracht.

Deze onderwerpen hebben te maken met de structuur, werking en prestaties van het bestuur. De uit te brengen rapportages zullen informatie van kwantitatieve en kwalitatieve aard bevatten. Deze wordt samenhangend gepresenteerd en van probleemstellende beschouwingen voorzien.

De cijfers

Opbouw (verplichtingen =) uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U02.051997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 5 9072 9343 3403 4313 431 
1e suppletore begroting 1998 9344702 979481481 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:       
Beleidsmatige mutaties       
1. grote stedenbeleid  – 1 000– 1 000– 1 000– 1 000 
Beheersmatige mutaties       
2. toedeling prijsbijstelling 1998 168999 
Stand ontwerp-begroting 19996 4316 8572 4125 3282 9212 9212 921
 (6 729)      

De toelichting bij de cijfers

1. een reallocatie naar het nieuwe artikel 02.12 Grote stedenbeleid ten behoeve van monitoring en uitvoeringskosten GSB.

De economische code van dit artikel is 12, de functionele code is 01.1.

02.06. Bevordering werking politiek systeem

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

De subsidies begroot op dit artikel hebben als doel de werking van het politiek systeem in Nederland te bevorderen door middel van bijdragen aan politiek-wetenschappelijke instituten, vormings- en scholingsactiviteiten van politieke partijen en aan politieke jongerenorganisaties alsmede in de landen van Midden- en Oost-Europa.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1 000) en de economische en functionele codering
U02.06/Artikelonderdeel1997199819992000200120022003Econ.Funct.
01 Subsidies aan politiek-wetenschappelijke instituten3 3732 785     43F01.1
02 Subsidies aan vormingsactiviteiten politieke partijen3 2672 459     43F01.1
03 Emancipatiesubsidies347343200    43F01.1
04 Bilaterale hulp politieke partijen Midden- en Oost-Europa1 7672 00043G01.1
05 Jongerenorganisaties1 1481 450     43F01.1
06 Subsidiëring politieke partijen 3 66210 17010 37110 37110 37110 37143F01.1
Totaal9 90212 69910 37010 37110 37110 37110 371  

Artikelonderdelen 01 en 02. Subsidies aan politiek-wetenschappelijke instituten en subsidies aan vormingsactiviteiten politieke partijen. Aan de wetenschappelijke instituten en de instituten voor politieke vorming en scholing van in de Eerste en Tweede Kamer vertegenwoordigde politieke groeperingen kan onder bepaalde voorwaarden subsidie worden verleend.

Momenteel is het wetsvoorstel Subsidiëring politieke partijen in voorbereiding. Het is de bedoeling dat dit wetsvoorstel in de loop van 1998 van kracht wordt. Tevens zal het totale beschikbare subsidiebedrag verhoogd worden van circa f 8,3 mln tot ongeveer f 10,3 mln (zie artikelonderdeel 06).

Artikelonderdeel 03. Emancipatiesubsidies. Ondermeer met het oog op de verkiezingen van provinciale staten in 1999, de resultaten van de verkiezingen van gemeenteraden en Tweede Kamer en de resultaten van onderzoek naar het proces van kandidaatstelling zijn onder meer middelen beschikbaar gesteld voor ondersteuning van projecten die worden uitgevoerd door het samenwerkingsverband Vrouwen in politiek en openbaar bestuur. Verder wordt ondersteuning verleend aan het vervolg op de projecten die in 1998 worden gestart om het zogenoemde draaideureffect tegen te gaan: vrouwen en allochtonen verdwijnen eerder uit de gemeenteraad dan andere raadsleden. In een pilot die dit jaar start, wordt getracht in vier gemeenten deze groepen te coachen en te trainen.

Artikelonderdeel 04. Bilaterale hulp politieke partijen Midden- en Oost-Europa. Aan de rechtspersoon, die zich uitsluitend of in hoofdzaak bezig houdt met politieke vormings- en scholingsactiviteiten ten behoeve van een in de Tweede Kamer der Staten-Generaal vertegenwoordigde politieke groepering en als zodanig door die groepering is aangewezen, kan een rijkssubsidie worden verleend als bijdrage in de uitgaven, die in verband met activiteiten ten behoeve van algemene Vorming en Scholing van het Politiek Kader van politieke partijen in Albanië, Bulgarije, Estland, Hongarije, Kroatië, Letland, Litouwen, de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Moldavië, Polen, Roemenië, Slovenië, Slowakije en Tsjechië en de Oekraïne, Rusland, Joegoslavië (Servië-Montenegro), Bosnië-Herzegovina en Wit-Rusland nodig zijn.

De subsidie is gebaseerd op de subsidieregeling Algemene Vorming en Scholing Politiek Kader in Midden- en Oost-Europa 1993–1996. Deze subsidieregeling is bij besluit van 12 november 1996 met twee jaar verlengd tot 31 december 1998. Eventuele verdere verlenging van de subsidieregeling is mede afhankelijk van nader overleg met het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Vooralsnog is daarom voor de jaren 1999 en volgende een memorieraming opgenomen.

Artikelonderdeel 05. Jongerenorganisaties. De subsidieverlening aan de politieke jongerenorganisaties heeft plaats op grond van de Tijdelijke subsidieregeling voor politieke jongerenorganisaties.

In afwachting van de totstandkoming van een wettelijke regeling waarin de verschillende subsidiestromen aan politieke instituten en aanverwante organisaties bijeengebracht worden, zal deze subsidieregeling gelden tot het tijdstip van inwerkingtreding van een wettelijke regeling subsidiëring politieke partijen. Naar verwachting zal deze regeling in de loop van 1998 in werking treden (zie verder artikelonderdeel 06).

Artikelonderdeel 06. Subsidiëring politieke partijen. Naar verwachting zal in de loop van 1998 de Wet subsidiëring politieke partijen in werking treden. Op grond daarvan zullen de subsidieverstrekkingen genoemd onder de artikelonderdelen 01, 02 en 05 worden gebundeld tot een «brede doeluitkering» subsidiëring politieke partijen.

De cijfers

Opbouw (verplichtingen =) uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U02.061997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 10 40510 15410 15510 15510 155 
1e suppletore begroting 1998 2 175100100100100 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:       
Beheersmatige mutaties       
1. toedeling loon-/prijsbijstelling 1998 119116116116116 
Stand ontwerp-begroting 19999 90212 69910 37010 37110 37110 37110 371
 (9 941)  

De kengetallen

(bedragen x f 1 000)
U02.06  1997 1998 1999
RAMINGSKENGETALLEN aantalbedragaantalbedragaantalbedrag
Artikelonderdeel 01 (tot 01-10-1998)basisbedrag circa f 0,15 mln per instituut *131 464  
 zetels à circa f 14 000  65683  
 zetels à circa f 11 000  40341  
 zetels à circa f 9 000  34233  
 zetels à circa f 7 000  1264  
 Totaal artikelonderdeel 01 3 373 2 785  
Artikelonderdeel 02 (tot 01-10-1998)basisbedrag circa f 0,06 mln per instituut *13585  
 zetels à circa f 20 000  65975  
 zetels à circa f 16 000  40480  
 zetels à circa f 13 000  34329  
 zetels à circa f 10 000  1290  
 Totaal artikelonderdeel 02 3 267 2 459  
Artikelonderdeel 04basisbedrag circa f 0,047 mln per instituut *12570  
 bedrag per zetel circa f 9 500  1501 430  
 Totaal artikelonderdeel 04 1 767 2 000  
Artikelonderdeel 06 (na 01-10-1998)       
algemene subsidie:partijen à basisbedrag f 75 000  1018810**750
 per kamerzetel à f 24 000  151906151***3 624
subsidie politiek-wetenschappelijke instituten à f 160 000  10400101 600
 per kamerzetel à f 12 000  1514531511 812
subsidie jongerenorganisaties:beschikbaar subsidiebedrag   1 450 1 450
 Totaal artikelonderdeel 06   3 397 9 236
Beschikbaar voor nabetalingen op grond van afrekening van subsidievoorschotten over voorgaande jaren   1 715 934
Toegelicht begrotingsbedrag  8 407 12 356 10 170

* De budgetopbouw op grond van basisbijdrage + bedragen per zetel had (in het kader van het opstellen van de begroting voor het jaar 1997) slechts betekenis voor de berekening van de maximale subsidie-uitgaven (subsidieplafond). Bij de uiteindelijke vaststelling van de daadwerkelijke subsidiebedragen zijn – naast het subsidieplafond – slechts de door de politieke partijen feitelijk verrichte subsidiale uitgaven van belang. Een onderverdeling naar basis- en zetelbedragen is bij de realisatie in 1997 daarom niet relevant. Derhalve is volstaan met het weergeven van de gerealiseerde totaaluitgaven.

** Betreft 9 partijen in de Tweede Kamer + 1 partij in de Eerste Kamer die niet in de Tweede Kamer is vertegenwoordigd.

*** Betreft 150 zetels van de Tweede Kamer + 1 zetel in de Eerste Kamer die niet in de Tweede Kamer is vertegenwoordigd.

02.07. Paspoortbeleid

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

Het Ministerie van BZK is belast met de productie en distributie van reisdocumenten. Het overgrote deel van de middelen die op dit artikel zijn geraamd, is bedoeld om de productie en distributie van paspoorten en Europese identiteitskaarten te bekostigen. Daarnaast worden op dit artikel uitgaven ten behoeve van het project Nieuwe generatie reisdocumenten (NGR) geraamd, alsmede bijdragen van het Ministerie van BZK ten behoeve van het agentschap BPR (Basisadministratie Persoonsgegevens en Reisdocumenten).

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1 000) en de economische en functionele codering
U02.07/Artikelonderdeel1997199819992000200120022003Econ.Funct.
01 Productie- en distributiekosten34 58729 19129 40127 07731 33327  13425 8241201.1
02 Project (nieuwe generatie) reisdocumenten 3 2805 0855 000585  1201.1
03 Bijdragen aan het agentschap BPR  1 6501 6501 6501 6501 6500301.1
Totaal34 58732 47136 13633 72733 56828 78427 474  

Artikelonderdeel 01. Productie- en distributiekosten. Naast de reguliere (vaste en variabele) kosten die verbonden zijn aan de productie en distributie van paspoorten en Europese identiteitskaarten, komen bovendien ten laste van dit artikelonderdeel uitgaven ten behoeve van:

* activiteiten voor service en onderhoud van automatiseringssystemen bestemd voor ondersteuning van het distributieproces en voor verdere verbetering van de verantwoordingsprocessen;

* communicatie-activiteiten, zoals folders ten behoeve van publieksvoorlichting, instructiemateriaal voor verstrekkende instanties, (her)druk en verspreiden van handboeken over regelgeving in het kader van de uitvoering van de Paspoortwet;

* activiteiten ten behoeve van voorkoming van fraude en bevordering beveiliging, alsmede voor de veilige verwerking (zoals afvoer en vernietiging) van verschreven documenten;

* (naar verwachting voor het laatst in het jaar 1998) activiteiten in het kader van het PIVA-project ter verbetering van de inrichting van de bevolkingsadministratie op de Nederlandse Antillen en Aruba in het kader van de bevordering van een veilige en betrouwbare afgifte van reisdocumenten.

Artikelonderdeel 02. Project (nieuwe generatie) reisdocumenten. Aangezien op 31 december 2000 het contract expireert dat het Ministerie van Binnenlandse Zaken met Enschedé/Sdu heeft gesloten inzake de ontwikkeling, productie en distributie van de huidige reisdocumenten, is begin 1998 een project NGR ingesteld. Dit project heeft ten doel voor 1 januari 2001 nieuwe, zo optimaal mogelijk beveiligde reisdocumenten tot stand te brengen. Het project richt zich, naast de ontwikkeling van nieuwe reisdocumenten, ook op de processen die voor de totstandkoming en de afgifte van reisdocumenten nodig zijn en op de coördinatie en het beheer van deze processen. Tenslotte zal de onderhavige wet- en regelgeving worden herzien. Bij de uitwerking van deze processen is de invalshoek primair de verbetering van de beveiliging rond deze processen om fraude met en misbruik van reisdocumenten zoveel mogelijk tegen te gaan. Met deze activiteiten in het kader van het project NGR is in totaal een bedrag van ongeveer f 14 mln gemoeid.

Artikelonderdeel 03. Bijdragen aan het agentschap BPR. De activiteiten van de afdeling Reisdocumenten en Bevolkingsadministratie (RDB) worden per 1 januari 1999 geïntegreerd in het agentschap BPR. Ten laste van dit artikelonderdeel komen de bijdragen van het Ministerie van BZK voor personele en materiële exploitatie-uitgaven die verband houden met de activiteiten van het agentschap op het terrein van de reisdocumenten. Overigens wordt voor de begroting van het agentschap BPR met bijbehorende toelichtingen verwezen naar Wetsartikel 3 (agentschappen).

De cijfers

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U02.071997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 16 74421 89922 55530 33630 336 
1e suppletore begroting 1998 6 8925 7365 5001 000415 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:       
Autonome mutaties       
1. bijstelling raming (op basis van VB-rapport)  – 2 000– 1900500– 3 700 
Beheersmatige mutaties       
2. overgang RDB naar agentschap BPR  1 6501 6501 6501 650 
3. toedeling prijsbijstelling 1998 6884778283 
Stand ontwerp-begroting 199926 17423 70427 36927 88233 56828 78427 474

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U02.071997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 25 51130 66628 40030 33630 336 
1e suppletore begroting 1998 6 8925 7365 5001 000415 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:       
Autonome mutaties       
1. bijstelling raming (op basis van VB-rapport)  – 2 000– 1 900500– 3 700 
Beheersmatige mutaties       
2. overgang RDB naar agentschap BPR  1 6501 6501 6501 650 
3. toedeling prijsbijstelling 1998 6884778283 
Stand ontwerp-begroting 199934 58732 47136 13633 72733 56828 78427 474

De toelichting bij de cijfers

1. een verlaging/verhoging van de raming op basis van de uitkomsten van het ramingsmodel conform het in 1997 uitgevoerde onderzoek door VB Accountants.

2. een reallocatie van artikel 02.10 in verband met de jaarlijkse bijdrage inzake de voorgenomen overgang van de afdeling RDB naar het agentschap BPR (ten behoeve van personele en materiële uitgaven).

De kengetallen

(bedragen x f 1 000)
U02.07 1997 1998 1999
RAMINGSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
Productie/distributie      
Vaste kosten 9 228 9 450 9 450
Variabele kosten      
paspoorten à f 7,25 («oude» model)0,845 mln6 126    
paspoorten à f 8,90 (verbeterd model)0,491 mln4 370    
strategische reserve paspoorten à f 8,900,3 mln2 670    
paspoorten à f 9,12  1,3 mln11 8561,5 mln13 680
Europese identiteitskaarten à f 4,50 («oude» model)0,7 mln3 150    
Europese identiteitskaarten à f 4,90 (verbeterd model)0,51 mln2 499    
strategische reserve Europese identiteitskaarten à f 4,900,31 mln1 519    
Europese identiteitskaarten à f 4,90  0,9 mln4 4101 mln4 900
Met ramingskengetallen toegelicht begrotingsbedrag 29 562 25 716 28 030
       
Diverse kosten:      
Nieuwe generatie reisdocumenten   3 280 5 085
Overige kosten 5 025 3 475 1 371
Bijdrage agentschap BPR     1 650
Totaal 34 587 32 471 36 136
   
DOELMATIGHEIDSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
Aantal reisdocumenten3,156 mln 2,2 mln 2,5 mln 
Gemiddelde kosten per reisdocument 0,009 0,012 *0,011
Totale productie/distributiekosten 29 562 25 716 28 030

* De productiekosten bestaan uit een vaste en een variabele component. De vaste component bestaat uit een basisbedrag dat verschuldigd is onafhankelijk van het aantal te vervaardigen reisdocumenten. Omdat deze basisprijs gelijk blijft, daalt bij hogere productie-aantallen de gemiddelde prijs per reisdocument.

02.10. Personeel en materieel Openbaar Bestuur

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

Op dit artikel worden zowel de personele als de materiële uitgaven geraamd van DGOB. De uitgaven hebben betrekking op de hoofdbeleidsterreinen 02 (Openbaar Bestuur), 03 (Integratiebeleid minderheden) en artikel 08.01 (Bevordering informatievoorziening overheid).

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1 000) en de economische en functionele codering
U02.10/Artikelonderdeel1997199819992000200120022003Econ.Funct.
01 Ambtelijk personeel27 27126 65324 86825 03425 08725 08725  0871101.1
02 Overig personeel5114924924924924924921201.1
03 Post-actieven1789129129129129129121101.1
04 Materieel2 5493 5442 9372 9442 9462 9462 9461201.1
Totaal30 50931 60129 20929 38229 43729 43729 437  

Artikelonderdeel 01. Ambtelijk personeel. Op dit artikelonderdeel worden de uitgaven geraamd voor de loonkosten van (actief en niet-actief) personeel met een ambtelijke aanstelling. Voor wat betreft de loonkosten van het Advies- en Coördinatiepunt Informatiebeveiliging wordt jaarlijks in de uitvoering circa f 0,7 mln overgeheveld van uitgavenartikel 08.01. Voor 1998 is dit reeds bij eerste suppletore begroting 1998 gebeurd.

Artikelonderdeel 02. Overig personeel. Op dit artikelonderdeel worden de uitgaven geraamd voor inhuur van personeel, zonder ambtelijke aanstelling. Tevens komen ten laste van dit artikelonderdeel de uitgaven voor vorming en opleiding.

Artikelonderdeel 03. Post-actieven. Op dit artikelonderdeel worden de uitgaven geraamd voor de uitkeringen met betrekking tot non-activiteitswedden en wachtgelden betrekking hebbend op personeel werkzaam (geweest) bij DGOB.

Artikelonderdeel 04. Materieel. Op dit artikelonderdeel worden de (materiële) exploitatie-uitgaven DGOB geraamd. Het betreft onder andere uitgaven voor huisvesting, aanschaf en onderhoud van kantoormachines en meubilair, reiskosten, representatie, kantoorbenodigdheden, vergaderkosten, abonnementen en drukwerk, etcetera.

De cijfers

Opbouw (verplichtingen =) uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U02.101997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 27 32427 31427 22127 27327 273 
1e suppletore begroting 1998 4 0763 3203 5873 5893 589 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:       
Beheersmatige mutaties       
1. agentschap BPR  – 1 650– 1 650– 1 650– 1 650 
2. toedeling loon-/prijsbijstelling 1998 201225224225225 
Stand ontwerp-begroting 199930 50931 60129 20929 38229 43729 43729 437
 (30 633)  

De toelichting bij de cijfers

1. een reallocatie naar artikel 02.07 in verband met de overgang van de afdeling RDB naar het agentschap BPR.

De kengetallen

(bedragen x f 1 000)
U02.10  1997 1998 1999
RAMINGSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
Artikelonderdeel 01Gemiddelde bezetting ambtelijk personeel261,5 *244,9 **230,9 
 Gemiddelde salariskosten ambtelijk personeel 104,28 108,8 107,7
 Toegelicht begrotingsbedrag 27 271 26 653 24 868
Artikelonderdeel 03Aantal wachtgeldgerechtigden6 10 12 
 Gemiddeld uitkeringsbedrag 30 50 50
 Met ramingskengetallen toegelicht begrotingsbedrag 178 500 600
 Reservering ten behoeve van toekomstige wachtgelders   412 312
 Toegelicht begrotingsbedrag 178 912 912

* Exclusief GBA.

** Exclusief GBA en RDB.

02.11. Waarde-overdracht pensioenen politieke ambtsdragers

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

Op dit artikel worden de uitgaven geraamd met betrekking tot de regeling pensioenwaarde-overdracht en waarde-overname. De regeling is bestemd voor (gewezen) ministers, staatssecretarissen en leden Europees Parlement. Het betrokken wetsvoorstel is in behandeling bij de Tweede Kamer (kamerstukken II, 1997/1998, 26 043).

De cijfers

Opbouw (verplichtingen =) uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U02.111997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998  
1e suppletore begroting 1998 8002 4002 2009001 300 
Stand ontwerp-begroting 1999 8002 4002 2009001 3001 500

De toelichting bij de cijfers

De economische code van dit artikel is 11, de functionele code is 01.30.

De kengetallen

(bedragen x f 1 000)
U02.11 1997 1998 1999
RAMINGSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
Leden Europees Parlement   3 
Ministers/Staatssecretarissen  3 5 
Gemiddelde waarde-overdracht pensioenen   300 300
Toegelicht begrotingsbedrag   800 2 400

02.12. Grote stedenbeleid

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

In verband met het belang dat het kabinet hecht aan het grote stedenbeleid is een minister zonder portefeuille in het bijzonder belast met dit beleid. Teneinde de programma-uitgaven op de begroting van BZK die samenhangen met het grote stedenbeleid zichtbaar te maken is een nieuw artikel gevormd. De middelen hiervoor, die tot nu toe worden geraamd en verantwoord op de artikelen U02.04 en U02.05, zijn gerealloceerd naar dit nieuw gevormde artikel met ingang van 1999.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1 000) en de economische en functionele codering
U02.12/Artikelonderdeel1997199819992000200120022003Econ.Funct.
01 Bijdragen aan grote steden  23 00023 00023 00023 00023 00043C06.9
02 Uitvoeringskosten diverse regelingen  1 0001 0001 0001 0001 0001201.1
Totaal  24 00024 00024 00024 00024 000  

De onderverdeling naar verschillende activiteiten

(bedragen x f 1 000)
U02.121997199819992000200120022003
• leefbaarheid/veiligheid/stadseconomie  20 00020 00020 00020 00020 000
• doorvertaling G6  3 0003 0003 0003 0003 000
• Fonds leefbaarheid grote steden  pmpmpmpmpm
• Monitoring en uitvoeringskosten grote stedenbeleid (GSB)  1 0001 0001 0001 0001 000
   24 00024 00024 00024 00024 000

Leefbaarheid/veiligheid/stadseconomie. In het kader van het grote stedenbeleid is door het vorige kabinet aan de 19 grote steden (dit zijn de vier grote steden G4 plus de zogenaamde G15) een investeringsruimte gedurende de convenantperiode van f 230 mln toegezegd voor de financiering van wijkplannen ter bevordering van de leefbaarheid/veiligheid/stadseconomie. Dit bedrag, dat door de gemeenten wordt voorgefinancierd, wordt door het Rijk uitgekeerd in 23 annuïteiten (in de periode 1996 tot en met 2018) van f 20 mln per jaar. Met de plannen worden onder meer de volgende doelen beoogd: verbetering van de leefomgeving, toename van de veiligheid in de wijk en van veiligheidsgevoelens van burgers, het vergroten van betrokkenheid van burgers, het bevorderen van het harmonieus samenleven van verschillende groepen, en het instandhouden en verbeteren van bedrijvigheid in de buurt.

Tot en met het jaar 1998 zijn deze uitgaven geraamd op artikel 02.04.

Doorvertaling G6. Analoog aan de regeling «Leefbaarheid/veiligheid/stadseconomie» voor de G19, is aan de zogenoemde G6 ten behoeve van de financiering van (wijk)plannen – als eenmalige impuls – een investeringsruimte gedurende de convenantperiode van in totaal circa f 35 mln toegezegd (uit te keren in 23 annuïteiten van f 3 mln per jaar). De beoogde doelen zijn eveneens analoog aan de doelen zoals vermeld bij de regeling «Leefbaarheid/veiligheid/stadseconomie» voor de G19.

Tot en met het jaar 1998 zijn deze uitgaven geraamd op artikel 02.04.

Fonds leefbaarheid grote steden. Het kabinet heeft besloten tot een nieuwe beleidsimpuls gericht op een verdere verbetering van de leefbaarheid in de grote steden. Daartoe is een «Fonds leefbaarheid» gevormd (vanaf 1999) voor investeringen in onder meer de sociale infrastructuur en leefbaarheid.

PM vooralsnog geraamd op de aanvullende post bij het Ministerie van Financiën.

Monitoring en uitvoeringskosten grote stedenbeleid. Maatregelen ter versterking van het sociaal en economisch fundament van de grote steden, zijn vastgelegd in het bestuurconvenant tussen regering en de grote steden. In het convenant zijn kwalitatieve en kwantitatieve doelstellingen geformuleerd in termen van meetbare output van de gezamenlijke inspanning om de positie van de steden duurzaam te verbeteren. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan aspecten als verbetering werkgelegenheid, doorstroming uit gesubsidieerde arbeid, vermindering schooluitval, verbetering van absolute en relatieve veiligheid.

Teneinde de feitelijke vorderingen van de gewenste beleidseffecten te toetsen, wordt mede op basis van onafhankelijk onderzoek regelmatig gerapporteerd over (de ontwikkeling van) de stand van zaken in een aantal bij het grote stedenbeleid betrokken steden. Bijdragen van het ministerie ten behoeve van deze monitoring-activiteiten komen vanaf het jaar 1999 ten laste van dit begrotingsartikel. Tezamen met de uitvoeringskosten (waaronder communicatie-activiteiten) is hiermee in 1999 in totaal circa f 1 mln gemoeid.

De cijfers

Opbouw (verplichtingen =) uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U02.121997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998  
1e suppletore begroting 1998  
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:       
Beleidsmatige mutaties       
1. leefbaarheid/veiligheid/stadseconomie  23 00023  00023 00023 000 
2. monitoring en uitvoeringskosten GSB  1 0001 0001 0001 000 
3. Fonds leefbaarheid grote steden  pmpmpmpm 
Stand ontwerp-begroting 1999  24 00024 00024 00024 00024 000
   +pm+ pm+ pm+ pm+ pm

De toelichting bij de cijfers

1. een reallocatie van artikel U02.04 ten behoeve van de regelingen Leefbaarheid/veiligheid/stadseconomie.

2. een reallocatie van artikel U02.05 ten behoeve van monitoring en uitvoeringskosten grote stedenbeleid.

3. een verhoging van de raming in verband met een beleidsimpuls van het kabinet gericht op een verbetering van de leefbaarheid in de grote steden in de vorm van een Fonds leefbaarheid voor investeringen in onder meer de sociale infrastructuur en leefbaarheid.

03. Integratiebeleid minderheden

Uitgaven (x f 1 000)
 199819992000200120022003
Raming hoofdbeleidsterrein 03219 044245 195224 474212 327205 335207 189

Het integratiebeleid minderheden is gericht op de totstandkoming van een samenleving waarin legaal in Nederland verblijvende personen uit etnische minderheidsgroepen ieder afzonderlijk en als groep volwaardig in de samenleving moeten kunnen participeren. Het betreft hier een proces van sociale integratie: een wederkerig proces van acceptatie, waarbij zowel door de nieuwe burgers als door de samenleving waarin zij zich hebben gevestigd, inspanningen moeten worden geleverd. Gegeven dit accent op integratiebeleid is de naam van het hoofdbeleidsterrein en het artikel 03.01 aangepast.

De Minister voor GSI is verantwoordelijk voor de coördinatie van het integratiebeleid minderheden. Tot deze coördinerende taak behoort tevens de verantwoordelijkheid voor de uitplaatsing van asielgerechtigden (statushouders) naar, en hun verdere inburgering in gemeenten. Daartoe behoort de verantwoordelijkheid voor de verstrekking van uitkeringen aan gemeenten in verband met hun zorg voor houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (VVTV-ers), en voor de uitvoering van de Wet inburgering nieuwkomers (WIN). Tevens heeft de Minister voor GSI de verantwoordelijkheid voor het remigratiebeleid en voor de uitvoering van de betreffende regelingen. Deze regelingen bevorderen de mogelijkheid tot remigratie voor personen die naar hun land van herkomst wensen terug te keren.

03.01. Algemeen integratiebeleid minderheden

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

De uitgaven geraamd op dit artikel zijn bedoeld om via bijdragen aan wetenschappelijke onderzoeken, inspraak en speerpuntenbeleid achterstanden van etnische minderheden te voorkomen en achterstelling te bestrijden.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1 000) en de economische en functionele codering
U03.01/Artikelonderdeel1997199819992000200120022003Econ.Funct.
01 Wetenschappelijk onderzoek minderhedenbeleid1 8771 5961 5961 5961 5961 5961 5961206.361
02 Inspraak minderheden3 8754 0084 0284 0504 0584 0584 05843F06.36
05 Specifiek minderhedenbeleid3 0897 3716 37187187187187143F06.36
06 Inburgering nieuwkomers 1 0001 0001 0001 0001 0001 0001201.1
Totaal8 84113 97512 9957 5177 5257 5257 525  

Artikelonderdeel 01. Wetenschappelijk onderzoek minderhedenbeleid. Voor het evalueren van maatregelen die in het kader van het integratiebeleid zijn getroffen, en voor het verwerven van inzicht in de ontwikkeling van de positie van etnische minderheden in Nederland is periodiek onderzoek nodig. Op dit artikelonderdeel worden de uitgaven geraamd voor dit onderzoek.

De volgende activiteiten zijn te vermelden:

* het rapportagesysteem Toegankelijkheid en Evenredigheid is een monitor met betrekking tot de ontwikkelingen in de positie van minderheden en geeft aan of maatregelen nodig zijn om de toegankelijkheid voor minderheden van voorzieningen te verbeteren met het oog op evenredig participeren ten aanzien van wonen, weten en werken;

* de periodieke evaluatie door het Sociaal en Cultureel Planbureau van de effectiviteit van het minderhedenbeleid;

* de survey Sociale positie en voorzieningengebruik allochtonen, waarin de positie van de vier grootste minderheidsgroepen – Turken, Marokkanen, Surinamers en Antillianen – periodiek kwantitatief in beeld wordt gebracht, waardoor vergelijking in ontwikkeling mogelijk is en zicht wordt verkregen op de lange-termijnontwikkelingen in de sociale positie van deze groepen;

* een jaarlijkse uitgave van kerncijfers met betrekking tot de positie van etnische minderheden, te verzorgen door het Centraal Bureau voor de Statistiek;

* Monitor racisme en extreem-rechts;

* verschillende ad hoc onderzoeken voortvloeiend uit de behoefte aan beleidsinformatie.

Artikelonderdeel 02. Inspraak minderheden. Ten behoeve van het overleg over de hoofdlijnen van het integratiebeleid minderheden zijn er zeven samenwerkingsverbanden van minderheidsgroepen die op landelijk niveau zijn georganiseerd.

Op dit artikelonderdeel worden uitgaven geraamd voor:

* de subsidiëring van de samenwerkingsverbanden van minderheidsgroepen op grond van het Besluit subsidiëring samenwerkingsverbanden minderheidsgroepen;

* de jaarlijkse LAO-prijs (Landelijk Advies- en Overlegstructuur);

* het gemeenschappelijk secretariaat van de samenwerkingsverbanden.

Artikelonderdeel 05. Specifiek integratiebeleid minderheden.Ter voorkoming van achterstanden en ter bestrijding van achterstelling van minderheden is voor wat betreft het integratiebeleid minderheden in de jaren negentig een aantal speerpunten vastgesteld: werkgelegenheid, onderwijs en beroepseducatie, rechtspositie, antidiscriminatiebeleid en integratiebeleid minderheden in relatie tot Europa.

Op dit artikelonderdeel worden de volgende uitgaven geraamd:

1. Gerelateerd aan de speerpunten van het integratiebeleid minderheden wordt jaarlijks een communicatieplan opgesteld. Doel van het plan is: vergroten van het maatschappelijk draagvlak voor integratiebeleid minderheden en bevordering van de informatietoestroom voor het integratiebeleid minderheden. Voorzien is onder meer in (de organisatie van) congressen, conferenties en studiebijeenkomsten, zoals bijeenkomsten met gemeentelijke coördinatoren integratiebeleid minderheden en andere (overleg)partners.

2. Om initiatieven van derden met betrekking tot de speerpunten van het integratiebeleid minderheden te stimuleren, stelt het Ministerie van BZK kleine, incidentele bijdragen beschikbaar.

3. CRIEM (Criminaliteit in relatie tot de Integratie van Etnische Minderheden). De CRIEM-nota is op 8 april 1998 besproken in de Tweede Kamer. Hierin wordt de aard en omvang en oorzaken van de criminaliteit onder etnische minderheden aan de orde gesteld. Tevens wordt er geconstateerd dat het huidige beleid niet tot een trendbreuk heeft kunnen leiden. Voorgesteld wordt een preventief integratiebeleid langs drie sporen om zo het marginaliseringsproces onder jongeren uit etnische minderheidsgroepen te voorkomen en tegen te gaan. Deze sporen richten zich op de jongeren waar het al mee is misgegaan of dreigt mis te gaan, de jongeren die spijbelen en voortijdig schoolverlaten en de groep hele jonge kinderen om te voorkomen dat er een nieuwe generatie opgroeit die met dezelfde problemen geconfronteerd wordt. De voorgestelde aanpak maakt gebruik van bestaande, succesvolle initiatieven, maar is vernieuwend in die zin dat het zich richt op een structurele, sluitende, en vooral integrale aanpak. Hierbij is een nadere uitwerking van de regierol van cruciaal belang waarin alle actoren zoals gemeenten, provincie, jeugdzorg, politie en het OM samenwerken. Via een aantal pilots in verschillende gemeenten wordt deze aanpak in praktijk gebracht. Deze pilots gaan in 1998 van start en worden in 1999 afgerond. Op dit artikelonderdeel worden uitgaven geraamd voor de opzet, begeleiding en uitvoering van de pilots.

Artikelonderdeel 06. Inburgering nieuwkomers. Op 30 september 1998 is de WIN en de onderliggende regelgeving in werking getreden. Op dit artikelonderdeel worden uitgaven geraamd voor de ondersteuning van de gemeenten en andere betrokken instellingen bij de uitvoering van de wet- en regelgeving. Daarbij gaat het om voorlichting, informatie en ondersteuning ten behoeve van de verschillende onderdelen van de wet- en regelgeving. Daarnaast zal de in de wet aangekondigde evaluatie op dit onderdeel worden geraamd.

De cijfers

Opbouw (verplichtingen =) uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U03.011997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 6 0606 0756 0966 1046 104 
1e suppletore begroting 1998 7 8146 8151 3151 3151 315 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:       
Beheersmatige mutaties       
1. toedeling loonbijstelling 1998 101105106106106 
Stand ontwerp-begroting 19998 84113 97512 9957 5177 5257 5257 525
 (6 243)      

03.03. Wet Rietkerk-uitkering

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

De op dit artikel geraamde uitgaven hebben betrekking op de Wet Rietkerk-uitkering. Ter herdenking van het feit dat het in 1986 vijfendertig jaar geleden was dat een groep van ruim 4 000 gezinnen en alleenstaanden (van Molukse afkomst) door de zorg van de Nederlandse regering naar Nederland kwamen, heeft de regering besloten aan de in de wet omschreven personen uit deze groep een herdenkingsuitkering en -penning toe te kennen. De uitvoering vindt plaats door de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen (SAIP).

De cijfers

Opbouw (verplichtingen =) uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U03.031997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 6 7006 3006 0005 7005 400 
Stand ontwerp-begroting 19996 6246 7006 3006 0005 7005 4005 100
 (6 655)      

De toelichting bij de cijfers

De economische code van dit artikel is 41, de functionele code is 06.36.

De kengetallen

(bedragen x f 1 000)
U03.03 1997 1998 1999
RAMINGSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
Netto-uitkeringen f 2 0002 0934 1862 0754 1502 0004 000
Netto-uitkeringen f 1 0001 2141 2141 2001 2001 1001 100
Met ramingskengetallen toegelicht begrotingsbedrag 5 400 5 350 5 100

03.04. Zorgwet VVTV

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

Aan de Minister voor GSI zijn taken en verantwoordelijkheden toebedeeld op het terrein van de integratie van minderheden, waaronder (de coördinatie van) het inburgeringsbeleid en de uitvoering van de Zorgwet VVTV.

Op basis van de Zorgwet VVTV ontvangen gemeenten, via het Centraal Orgaan voor de Opvang van Asielzoekers (COA), een vergoeding ter financiering van de zorgplicht die de gemeenten hebben ten aanzien van de vergunninghouders. Deze vergoeding heeft de volgende bestemmingen: huisvesting, ziektekostenverzekering, wettelijke aansprakelijkheidsverzekering, buitengewone kosten en een persoonlijke toelage voor de vergunninghouder. Voorts ontvangen de gemeenten een inrichtingskostenvergoeding. Het zorgdeel van de wet is in werking getreden per 1 juli 1995.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1 000) en de economische en functionele codering
U03.04/Artikelonderdeel1997199819992000200120022003Econ.Funct.
01 Uitkeringen aan gemeenten100 356127 000146 531129 382115 320106 320106 32043C06.36
02 Uitvoeringskosten Zorgwet VVTV4765631201.1
Totaal100 832127 563146 531129 382115 320106 320106 320  

Artikelonderdeel 01. Uitkeringen aan gemeenten. Op dit artikelonderdeel wordt het totaal van de vergoedingen die de gemeenten op grond van de Zorgwet VVTV ontvangen geraamd.

Artikelonderdeel 02. Uitvoeringskosten Zorgwet VVTV. Op dit artikelonderdeel wordt een deel van de uitvoeringskosten geraamd met betrekking tot de Zorgwet VVTV, waaronder de vergoeding aan het COA in verband met het feitelijk verstrekken van de uitkeringen door het COA aan de gemeenten. Voor 1999 wordt voor deze uitgaven een memorieraming opgenomen. In de loop van het uitvoeringsjaar wordt het benodigde budget gerealloceerd van artikel 02.10.

De overige uitvoeringskosten (personele en materiële apparaatsuitgaven BZK) worden geraamd op artikel 02.10.

De cijfers

Opbouw (verplichtingen =) uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U03.041997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 183 000169 000122 000102 000102 000 
1e suppletore begroting 1998 – 62000– 37 000– 11 000– 5 000– 14 000 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:       
Autonome mutaties       
1. aanpassing ramingsmodel 6 00014 00018 00018 00018 000 
Beheersmatige mutaties       
2. toedeling prijsbijstelling 1998 563531382320320 
Stand ontwerp-begroting 1999100 832127 563146 531129 382115 320106 320106 320
 (100 369)      

De toelichting bij de cijfers

1. een verhoging van de raming in verband met de toename van het aantal asielzoekers.

De kengetallen

(bedragen x f 1 000)
U03.04 1997 1998 1999
RAMINGSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
Volwassenen à f 1 203 p/m; kinderen à f 441 p/m      
Gemiddeld per VVTV-er à ca. f 950 p/m      
Bezetting (gehuisvest; 12 maanden)5 75065 550    
Taakstelling (nog te huisvesten; gemiddeld 6 maanden)3 25018 520    
Gemiddelde bezetting (à f 11 400 per jaar)  9 951113 445  
Gemiddelde bezetting (à f 12 800 per jaar incl. inrichtingskosten)    11 350145 280
       
Inrichtingskosten à f 2 7994 50012 600    
Nabetalingen over voorgaande jaren 3 686    
Beschikbaar voor inrichtingskosten en nabetalingen over voorgaande jaren   13 555  
Beschikbaar voor nabetalingen over voorgaande jaren     1 251
       
Met ramingskengetallen toegelicht begrotingsbedrag 96 670 113 445 145 280
Totaal 100 356 127 000 146 531
DOELMATIGHEIDSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
Uitvoeringskosten 476 563 *(600)
Aantal VVTV-ersca 7 500 9 951 11 350 
Uitvoeringskosten per VVTV-er 0,06 0,06 0,05
Toegelicht begrotingsbedrag 476 563 (600)

* Wordt tijdens de begrotingsuitvoering gerealloceerd van artikel 02.10.

De uitvoeringskosten per VVTV-er dalen licht vanaf 1997. De uitvoeringskosten van het COA bestaan voor een deel uit kosten die fluctueren met het aantal verleende statussen (variabele kosten), maar ook met kosten die gelijk blijven, ongeacht het aantal verleende statussen (vaste kosten). Aangezien het aantal VVTV-ers stijgt, dalen de uitvoeringskosten per VVTV-er.

03.05. Remigratiebeleid

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

Het remigratiebeleid is er op gericht remigratie mogelijk te maken voor personen die wensen terug te keren naar het land van herkomst, en die deze wens niet zelfstandig kunnen verwezenlijken.

Voor het remigratiebeleid is een eerste uitgangspunt dat de beslissing om te remigreren een vrijwillige, persoonlijke en verantwoorde keuze van betrokkene moet zijn. Ondersteuning van regeringszijde is gewenst omdat er geen belang mee is gediend indien personen vanwege allerlei belemmeringen zich genoodzaakt voelen in Nederland te blijven en af te zien van terugkeer naar hun herkomstland.

Een tweede uitgangspunt is dat na terugkeer in het land van herkomst er voor de remigrant een redelijke mate van bestaanszekerheid zal moeten zijn. Mede hierom is in het Remigratiewetsvoorstel aansluiting gezocht bij de kabinetsvoornemens om herintegratie in het land van herkomst te faciliteren. Het wetsvoorstel ligt thans bij de Eerste Kamer.

Ten derde is het van groot belang dat er voor personen die remigratie overwegen, goede mogelijkheden bestaan om zich objectief te laten voorlichten.

De Sociale Verzekeringsbank (SVB) is belast met de uitvoering van de remigratieregelingen. De voorlichting over de remigratieregelingen wordt verzorgd door het Nederlands Migratie Instituut (NMI).

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1 000) en de economische en functionele codering
U03.05/Artikelonderdeel1997199819992000200120022003Econ.Funct.
01 Uitkeringen aan belanghebbenden50 50466 21074 74876 94879 14881 44883 60243G06.36
02 Uitvoeringskosten remigratieregelingen2 3692 4992 5242 5302 5372 5452 5451206.36
03 Voorlichtingskosten remigratieregelingen2 0202 0972 0972 0972 0972 0972 0971206.36
Totaal54 89370 80679 36981 57583 78286 09088 244  

Artikelonderdeel 01. Uitkeringen aan belanghebbenden. Op dit artikelonderdeel worden de uitgaven geraamd die gemoeid zijn met de uitkeringen aan belanghebbenden op grond van de remigratieregelingen.

Artikelonderdeel 02. Uitvoeringskosten remigratieregelingen. Op dit artikelonderdeel wordt een deel van de uitvoeringskosten geraamd met betrekking tot de remigratieregelingen, waaronder de vergoeding aan de SVB in verband met het feitelijk verstrekken van de uitkeringen door de SVB aan de belanghebbenden.

De overige uitvoeringskosten (personele en materiële apparaatsuitgaven BZK) worden geraamd op artikel 02.10.

Artikelonderdeel 03. Voorlichtingskosten remigratieregelingen. Op dit artikelonderdeel worden de uitgaven geraamd met betrekking tot de voorlichting over de remigratieregelingen, waaronder de subsidie aan het NMI in verband met het geven van voorlichting door het NMI over de remigratieregelingen aan de belanghebbenden.

De cijfers

Opbouw (verplichtingen =) uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U03.051997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 72 00078 51080 71082 91085 210 
1e suppletore begroting 1998 – 1 494534534534534 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:       
Beheersmatige mutaties       
1. toedeling loon-/prijsbijstelling 1998 300325331338346 
Stand ontwerp-begroting 199954 89370 80679 36981 57583 78286 09088 244
 (58 746)      

De kengetallen

(bedragen x f 1 000)
U03.05 1997 1998 1999
RAMINGSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
Remigratie-uitkering à gemiddeld f 10 7804 65050 130    
Uitkering basisremigratieregeling à gemiddeld f 5 80064374    
Remigratie-uitkering à gemiddeld f 11 400  5 76365 700  
Uitkering basisremigratieregeling à gemiddeld f 8 500  60510  
Remigratie-uitkering à gemiddeld f 11 840    6 26374 153
Uitkering basisremigratieregeling à gemiddeld f 8 500    70595
       
Ten behoeve van uitvoeringskosten (incl. voorlichting) 4 389 4 596 4 621
       
Met ramingskengetallen toegelicht begrotingsbedrag 50 504 66 210 74 748
Totaal 54 893 70 806 79 369
DOELMATIGHEIDSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
Aantal uitkeringen4 714 5 823 6 333 
Gemiddelde uitvoeringskosten (inclusief voorlichting) per uitkering 0,9 0,8 0,7
Toegelicht begrotingsbedrag 4 389 4 596 4 621

De uitvoeringskosten per uitkering dalen vanaf 1997. De verwachting is dat het aantal uitkeringen met 1619 groeit ten opzichte van 1997 tot een aantal van 6333 uitkeringen. De stijging van het aantal uitkeringen drukt de gemiddelde uitvoeringskosten.

05. Openbare Orde en Veiligheid

Uitgaven (x f 1 000)
 199819992000200120022003
Raming hoofdbeleidsterrein 055 499 2615 811 0995 995 2706 053 2146 233 8636 291 574

Orde en veiligheid behoren tot de basisvoorwaarden voor het functioneren van onze samenleving. De zorg voor openbare orde en veiligheid is een van de kerntaken van het Ministerie van BZK.

Meer in het bijzonder is de Minister van BZK uit hoofde van deze kerntaak verantwoordelijk voor het voorkomen en beheersen van onveiligheid. De aandacht is daarbij zowel gericht op het terugdringen van bestaande onveiligheid als op het tijdig signaleren en voorkomen van nieuwe vormen van onveiligheid. De politie-, alsmede de brandweer- en rampenbestrijdingsorganisatie vervullen hierbij een cruciale rol.

In het regeerakkoord is opgenomen dat voor versterking en uitbreiding van politie en justitie extra middelen worden beschikbaar gesteld. Over de verdeling tussen politie en justitie heeft overleg plaatsgevonden.

Het aandeel voor het Ministerie van BZK bedraagt voor 1999: f 122,8 mln, voor 2000: f 198,8 mln, voor 2001: f 255 mln en vanaf 2002: f 375 mln.

Op dit moment wordt gewerkt aan concrete uitwerkingen. Daarover kan thans het volgende worden opgemerkt. Conform de afspraken in het regeerakkoord zal een groot deel van de middelen worden ingezet voor de uitbreiding van het aantal agenten en surveillanten met 3000. Hierbij wordt als indicatieve planning aangehouden 500 in het jaar 2000 oplopend naar 3 000. Hiertoe worden middelen aan de regio's beschikbaar gesteld. Daarnaast worden extra middelen ingezet om de opleidingscapaciteit te realiseren.

Voorts worden middelen ingezet ter leniging van de financiële knelpunten van de politieregio's. Onder andere toepassing artikel 4 politiewet en een beperkte structurele verhoging van de normvergoeding, die overigens lang niet het niveau zal bereiken van de uitkomsten van het normonderzoek waar uitgegaan wordt van een minimaal noodzakelijke verhoging met f 5 900. In lijn met de afspraken zal in samenwerking met Financiën zo spoedig mogelijk een nader onderzoek naar de toereikendheid van de normvergoeding worden gedaan, rekening houdend met de in het regeerakkoord opgenomen uitbreiding van de capaciteit en de productiviteit met in totaal 5 000 arbeidsjaren. In afwachting van de definitieve uitwerking zijn deze middelen geraamd op artikel 05.23. Tevens is in het regeerakkoord een taakstelling/versobering overeengekomen ten aanzien van de FLO-regeling. Deze zal nog nader moeten worden ingevuld.

Op dit hoofdbeleidsterrein worden uitgaven geraamd samenhangend met:

* het scheppen van de voorwaarden voor een goed functioneren van de 25 politieregio's. Onder deze voorwaarden zijn ook begrepen het politie-onderwijs en de geneeskundige verzorging van de politie;

* het scheppen van de voorwaarden voor een adequaat bestuurlijk en operationeel functioneren van de brandweer- en rampenbestrijdingsorganisatie. Hieronder begrepen het crisisbeheersingsbeleid zoals dat mede gestalte wordt gegeven binnen het Nationaal Coördinatiecentrum (NCC) en het onderwijs op het terrein van de brandweerzorg en de rampenbestrijding;

* het bewerkstelligen van een slagvaardige en operationele communicatie- en informatiestructuur binnen de gehele sector van de openbare orde en veiligheid;

* het ontwikkelen van een samenhangend veiligheidsbeleid.

Het Project Versterking Brandweer (PVB), dat in 1995 is opgezet, heeft geresulteerd in belangrijke aanbevelingen en voorstellen voor concrete acties gericht op versterking van de brandweer en rampenbestrijdingsorganisatie. Onderdeel van deze versterking is een eerste personeelsuitbreiding, met name gericht op de regionale beleidscapaciteit en de managementondersteuning. Hiertoe zijn met ingang van 1998 door middel van herschikking structureel extra middelen aan de brandweerregio's ter beschikking gesteld. Naar verwachting zal de extra toedeling leiden tot herziening van het Besluit doeluitkering bestrijding rampen en zware ongevallen (BDUR).

Op het terrein van de geneeskundige hulpverlening bij rampen wordt gewerkt aan de opbouw van een organisatie die in staat is slagvaardig op te treden bij grootschalige ongevallen en rampen. Hiertoe is in samenwerking met het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in 1996 het Project Geneeskundige Hulpverlening bij Ongevallen en Rampen (PGHOR) van start gegaan. Naast versterking van de bestuurlijke en organisatorische component, zal ook de materiële component van de geneeskundige hulpverleningsketen worden versterkt door middel van verstrekking van uitrusting en transportfaciliteiten. Dit zal er met name op gericht zijn om de opschaling van kleinschalige naar grootschalige hulpverlening geleidelijker te laten verlopen.

Voor de implementatie van de uitkomsten en resultaten van voornoemde projecten is een financiële impuls noodzakelijk. Daartoe zal binnen het begrotingsartikel «Openbare Veiligheid» in het najaar 1998 een herschikking van middelen worden voorgesteld.

Om de veiligheid in brede zin te waarborgen, zijn adequate voorzieningen noodzakelijk. Hierbij moet naast materiële zaken ook gedacht worden aan immateriële zaken, zoals een doeltreffende structuur, gericht op een snelle en adequate besluitvorming in geval van crises. Een actief crisisbeheersingsbeleid zal bij mede-overheden en ministeries verder worden gestimuleerd. Het NCC speelt hierbij, vanuit haar taak bij de coördinatie van het overheidsoptreden in crisisomstandigheden, een belangrijke rol.

Ter verbetering van de bereikbaarheid en ter versterking van de onderlinge samenwerking van de hulpverleningsdiensten zijn in de afgelopen kabinetsperiode twee belangrijke infrastructurele automatiseringsprojecten gestart te weten de vervanging van de radionetwerken (Communicatiesysteem 2000 (C2000)) en de bouw van een Geïntegreerd Meldkamersysteem (GMS). De gunning voor een landelijk radionetwerk voor mobiele communicatie ten behoeve van de Nederlandse brandweer, ambulancehulpverlening en politie zal in het derde kwartaal van 1998 plaatsvinden. Het GMS is inmiddels opgeleverd en de acceptatietests zijn afgerond. Momenteel wordt het systeem in de praktijk beproefd, wordt onderzocht of het systeem in de praktijk voldoet, worden de koppelingen getest met andere in de meldkamer in gebruik zijnde systemen en wordt er een draaiboek gemaakt voor de landelijke invoering.

Sinds 1 mei 1998 is er sprake van het agentschap ITO binnen de begroting van het Ministerie van BZK. Tot dat moment maakte de ITO onderdeel uit van het agentschap KLPD op de begroting van het Ministerie van Justitie. Conform het regeerakkoord zal beheer en budget van het KLPD worden overgedragen van het Ministerie van Justitie naar het Ministerie van BZK. De noodzakelijke wetswijziging is in voorbereiding.

De ITO heeft als taak het ontwikkelen en beheren van informatie- en datacommunicatiesystemen (waaronder C2000) binnen het OOV-veld. De komende jaren zal veel worden gevergd van de ITO. Zowel beleidsmatig, ICT wordt een steeds belangrijkere factor ook binnen het OOV-veld, als voor wat betreft de bedrijfsvoering. De aansturing van het agentschap ITO zal de komende periode (1998/1999) verder geoptimaliseerd moeten worden.

Naast opgaven ten aanzien van de organisatie en het functioneren van politie, brandweer en rampenbestrijding zal de inhoud van het veiligheidsbeleid op rijksniveau verder worden versterkt. In 1999 zal invulling worden gegeven aan nadere afspraken over afstemming van veiligheidsprioriteiten van de rijksoverheid, provincies en gemeenten, inclusief politie, brandweer en rampenbestrijding. Daartoe zal een integraal veiligheidsprogramma worden opgesteld. Belangrijke prioriteiten daarin zijn in ieder geval jeugd en veiligheid, geweld, verkeershandhaving en inrichting openbare ruimte. De interdepartementale samenwerking op het gebied van integraal veiligheidsbeleid zal in dit verband worden versterkt.

Naast voornoemde omvangrijke projecten vinden ook korter lopende en specifieker gerichte activiteiten plaats. Als belangrijke zijn te noemen de analyse van zowel nationale als internationale ontwikkelingen op het terrein van fysieke veiligheid, de aandacht voor de veiligheid bij de bouw van omvangrijke infrastructurele voorzieningen en het stimuleren van en het houden van toezicht op de geoefendheid met betrekking tot de brandweer en de rampenbestrijding, alsmede de vergroting van de bestuurlijke aandacht voor het beleidsterrein.

05.09. Dienst Geneeskundige Verzorging Politie

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

In het Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1994 is de ziektekostenregeling vastgelegd voor de politie. De Dienst Geneeskundige Verzorging Politie (DGVP) voert de ziektekostenregeling uit en fungeert als een verplichte ziektekostenverzekeraar voor alle werknemers bij de politie en voor diegenen die met pensioen zijn of gebruik hebben gemaakt van VUT/VVU of andere regelingen. De gezinsleden van de GVP-verzekerden zijn meeverzekerd, voorzover zij geen eigen aanspraken op een ziektekostenregeling hebben of anderszins zijn uitgesloten.

Het Rijk kent volgens de bepalingen van het besluit en volgens nader door de Minister van BZK vast te stellen regels de vergoeding van of tegemoetkomingen in de door de rechthebbende gemaakte ziektekosten toe.

De DGVP gaat in beginsel uit van een kostendekkende premieheffing. Deze premieheffing wordt gemeenschappelijk opgebracht door de deelnemers en door de werkgevers.

Voor de met de op dit artikel geraamde uitgaven samenhangende ontvangsten wordt verwezen naar ontvangstenartikel 05.01.

De cijfers

Opbouw (verplichtingen =) uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U05.091997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 290 069297 859305 859314 073322 389 
1e suppletore begroting 1998 11 74815 50919 50623 75228 376 
Stand ontwerp-begroting 1999283 295301 817313 368325 365337 825350 765364 200

De toelichting bij de cijfers

De economische code van dit artikel is 43B, de functionele code is 05.2.

De kengetallen

(bedragen x f 1 000)
U05.09 1997 1998 1999
RAMINGSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
Aantal rechthebbenden138 366 138 300 139 000 
Gemiddeld uitkeringsbedrag per rechthebbende* 2,047 2,182 2,255
Toegelicht begrotingsbedrag 283 295 301 817 313 368

* De stijging van het gemiddelde uitkeringsbedrag wordt veroorzaakt door de autonome ontwikkeling ten aanzien van het aantal ziektekosten- verstrekkingen.

05.15. Financiële rechtspositie rampenbestrijding

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

Artikel 16 van de Intrekkingswet Bescherming Bevolking voorziet in een wachtgeld dan wel een uitkering aan voormalig noodwachtpersoneel. Op dit artikel worden tevens de uitgaven betreffende het werkgeversaandeel in de ziektekostenvoorziening voor voormalige noodwachtambtenaren, die een invaliditeits- of ouderdomspensioen genieten, geraamd.

De cijfers

Opbouw (verplichtingen =) uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U05.151997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 6 4696 4696 4696 4696 469 
1e suppletore begroting 1998 – 1 000  
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:       
Autonome mutaties       
1. internationale verdragen  – 1 000– 1 000– 1 000– 1 000 
Stand ontwerp-begroting 19995 0145 4695 4695 4695 4695 4695 469

De toelichting bij de cijfers

1. een reallocatie naar artikel 05.21 in verband met verplichtingen voortvloeiende uit internationale verdragen inzake de rampenbestrijding.

De economische code van dit artikel is 43E, de functionele code is 03.5.

De kengetallen

(bedragen x f 1 000)
U05.15 1997 1998 1999
RAMINGSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
Aantal wachtgelders*92 85 85 
Bedrag per eenheid (p) 39,05 41 41
Toegelicht begrotingsbedrag** 3 593 3 485 3 485

* Gemiddeld aantal uitkeringsgerechtigden.

** Het verschil tussen het toegelicht begrotingsbedrag en de stand ontwerp-begroting 1999 betreft de meerjarenreeks werkgeversaandeel in de ziektekostenvoorziening van voormalige noodwachtambtenaren.

05.20. Bijdragen LSOP

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

De onder de verantwoordelijkheid van de Ministers van Justitie en van BZK vallende politieopleidingen/-instituten zijn met ingang van 1 juli 1992 (Stb. 1992, 320) in het Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie (LSOP) opgegaan. In de LSOP-wet is onder meer de rechtspersoonlijkheid van dit instituut geregeld. Het LSOP heeft tot taak zorg te dragen voor de landelijke werving, de selectie en de verzorging van de aangewezen basis- en vervolgopleidingen van ambtenaren van politie of andere aan te wijzen categorieën van personen.

Naast de primaire opleidingen tot surveillant, agent en politieofficier worden onder meer vervolgopleidingen verzorgd op het gebied van management, verkeer, recherche en handhaving van de openbare orde.

Ter bekostiging van de door de Ministers van Justitie en van BZK aan het LSOP opgedragen taken wordt jaarlijks een bijdrage verstrekt. Deze bijdrage is afhankelijk van het aantal geleverde prestaties door het LSOP binnen de grenzen van de beschikbare middelen. Gelet op beider verantwoordelijkheid wordt de bijdrage, op grond van de bepalingen in hoofdstuk II van de Politiewet 1993, door de Ministers van Justitie en van BZK gezamenlijk vastgesteld. Uit praktisch oogpunt vervult het Ministerie van BZK de betaalfunctie aan het LSOP.

Het aandeel van het Ministerie van Justitie wordt tijdens de begrotingsuitvoering aan het Ministerie van BZK betaald.

Als gevolg van de keuze om het centrale beheer van de politie bij de minister van BZK onder te brengen zal ook de volledige (in plaats van de met Justitie gedeelde) beheersbevoegdheid van het LSOP bij BZK komen te liggen. De LSOP-wet, die thans wordt geëvalueerd, zal op dit punt moeten worden aangepast. Daarnaast zal het Justitiebudget voor het LSOP worden overgeheveld naar de begroting van BZK.

De jaarlijkse bijdrage aan het LSOP bestaat uit een algemene bijdrage, bestemd voor de financiering van de reguliere kosten van de aan het LSOP opgedragen taken. Ook kan een bijzondere bijdrage worden verstrekt, bestemd voor de financiering van specifieke ontwikkelingen in de taakuitvoering van het LSOP.

De jaarlijkse reguliere opleidingscapaciteit van het LSOP bedraagt circa 1 040 plaatsen.

Een aantal relevante ontwikkelingen is:

* In de LSOP-wet is vastgelegd dat een evaluatie moet worden uitgevoerd. Deze evaluatie zal in 1998 zijn beslag krijgen.

* Een tweede ontwikkeling betreft de verbetering van de bedrijfsvoering en de financiële grondslag van het LSOP.

* De in 1996 en 1997 uitgevoerde onderzoeken naar de kostprijsnormering zijn een belangrijk aspect in de verbetering van de financiering en de bedrijfsvoering. Deze onderzoeken hebben een vervolg gekregen in de vorm van een rapport waarin voorstellen worden gedaan voor een tijdelijke financiering van het LSOP gedurende de jaren 1998 en 1999. Aan de hand van deze aanbevelingen is met ingang van 1998 de financiering van het LSOP aangepast. Mede met het oog op het project Toekomstig Onderwijs Politie zal voor het jaar 2000 een integraal vernieuwd financieringsstelsel moeten worden ontwikkeld.

* Het LSOP is een veranderingsproces ingegaan teneinde de organisatie te stroomlijnen en beter in te kunnen spelen op de vraag naar opleidingen uit het politieveld. In dat kader is onder andere aan de orde een herbezinning op het aantal onderwijscentra. Daarnaast bestaan er plannen om te komen tot een centrale onderzoeksafdeling en de inrichting van een onafhankelijke examinering. Het veranderingsproces neemt een aantal jaren in beslag en moet aansluiten bij de brief aan de Tweede Kamer van 22 november 1996 «Toekomstig Onderwijs Politie» (kamerstukken II, 1996/1997, 25 016, nrs. 5 en 18).

De cijfers

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U05.20t/m 19961997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998  67 79167 93567 97867 97867 978 
1e suppletore begroting 1998  135 23832 46232 53132 53532 535 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:        
Beheersmatige mutaties        
1. geweldbeheersing/ conferentie Kwaliteit  658350150   
2. toedeling loon-/prijsbij- stelling 1998  1 8911 8801 8851 8861 886 
3. technische bijstelling  1 881734   
Stand ontwerp-begroting 199969 58740 187207 459102 700102 548102 399102 399102 399

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U05.20 1997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998  69 33267 79167 93567 97867 978 
1e suppletore begroting 1998  33 44432 46232 53132 53532 535 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:        
Beheersmatige mutaties        
1. geweldbeheersing/conferentie Kwaliteit  658350150   
2. toedeling loon-/prijsbij- stelling 1998  1 8911 8801 8851 8861 886 
Stand ontwerp-begroting 1999 109 774105 325102 483102 501102 399102 399102 399

De toelichting bij de cijfers

1. een reallocatie van artikel 05.24 voor de financiering van de ontwikkeling van extra toetsen geweldbeheersing en het organiseren van een conferentie Kwaliteit.

De economische code van dit artikel is 43A, de functionele code is 03.2.

De kengetallen

(bedragen x f 1 000)
U05.20 1997 1998 1999
RAMINGSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
– Aantallen cursusmensdagen basisopleidingen  307 000 307 000 
Bedrag per cursusmensdag   0,100 0,100
Toegelicht begrotingsbedrag   30 700 30 700
– Aantallen cursusmensdagen vervolgopleidingen  108 800 108 800 
Bedrag per cursusmensdag   0,331 0,331
Toegelicht begrotingsbedrag   36 013 36 013
– Aantallen (deel)selecties  9 200 9 200 
Gemiddeld bedrag per (deel)selectie   0,685 0,685
Toegelicht begrotingsbedrag   6 302 6 302
– Exploitatie lokalen   13 000 13 000
– Hotel/catering*   21 300 21 300
Met ramingskengetallen toegelicht begrotingsbedrag   73 015 73 015
Totaal   107 315 107 315

* Van genoemd bedrag wordt f 10,5 mln in rekening gebracht aan de regionale politiekorpsen.

Het LSOP kent verrekeningsindicatoren zoals cursusmensdagen, lunches, diners, overnachtingen, selecties, enz. die een beperkte indicatie geven over de geleverde prestaties. Op basis van de contra-expertise op het kostprijsnormeringsonderzoek is geconstateerd dat een nieuw financieringsstelsel moet worden ontwikkeld dat beter inzicht geeft in de prestaties enerzijds en de daarmee samenhangende kosten anderzijds. Gelet hierop zijn vooralsnog geen adequate prestatie-indicatoren beschikbaar.

05.21. Openbare Veiligheid

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

Het openbare veiligheidsbeleid vindt zijn grondslag in de Brandweerwet 1985, de Wet rampen en zware ongevallen en de Wet geneeskundige hulpverlening bij rampen (Wghr). De verdragen inzake de wederzijdse hulpverlening bij rampen gesloten met Duitsland en België, het Ondersteuningsverdrag met Hongarije en het groeiende contact met de overige Visegradlanden vormen naast de verplichtingen, die onder meer voortvloeien uit het NAVO- en het EU-lidmaatschap, het internationale kader.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1 000) en de economische en functionele codering
U05.21/Artikelonderdeel1997199819992000200120022003Econ.Funct.
01 Crisisbeheersing571751751751751751751203.5
02 Specifieke uitgaven rampenbestrijding50 90364 32364 89765 62865 39665 39665 44643F03.4
03 Investeringen rampenbestrijding45 30545 68423 23510 70323 11423 13423 0725203.4
04 Brandweerzorg11 5158 3343 1933 2253 1223 1023 1143103.4
Totaal107 780118 51691 50079 73191 80791 80791 807  

Artikelonderdeel 01. Crisisbeheersing. Crisisbeheersing omvat het geheel van maatregelen en voorzieningen dat de overheid in samenwerking met andere organisaties treft met het oog op (acute) noodsituaties als waarborg voor de veiligheid in brede zin. Naast de materiële voorbereiding vereist crisisbeheersing vooral een snelle en adequate besluitvorming en een eenduidige en doeltreffende besluitvormingsstructuur. Het Ministerie van BZK heeft een coördinerende, stimulerende en initiërende rol in de totstandkoming van een actief crisisbeheersingsbeleid bij de ministeries en medeoverheden. Door middel van het ontwikkelen en uitwerken van scenario-speldagen zal aan dit onderdeel van crisisbeheersing bij andere ministeries vorm worden gegeven.

Ook in internationaal verband verdient crisisbeheersing de nodige aandacht. In het vervolg op het rapport Internationaal Kader Crisisbeheersing zal aan de hand van scenario's worden nagegaan welke internationale verplichtingen van Nederlandse ministeries bij crisisbeheersing een rol spelen. Het door de ministeries gezamenlijk gekozen scenario vormt de basis van een interdepartementale oefening crisisbeheersing die tezamen met het NCC wordt georganiseerd.

Artikelonderdelen 02 en 03. Specifieke uitgaven rampenbestrijding en Investeringen rampenbestrijding.

(bedragen x f 1 mln)
U05.21*1997**1998**1999
Specifieke uitgaven rampenbestrijding (artikelonderdeel 02)   
a. uitkering aan partners rampenbestrijding31,841,244,5
b. exploitatie rampenbestrijdingsorganisatie10,111,110,9
c. beleidsontwikkeling en voorlichting7,49,97,2
d. opleiding en oefening0,71,11,3
e. rechtspositionele voorzieningen rampbestrijders0,91,01,0
    
Investeringen rampenbestrijding (artikelonderdeel 03)   
f.  uitrusting4,929,210,6
g. infrastructuur4,112,17,4
h. waarschuwingsstelsel36,34,45,3
Totaal budget rampenbestrijding96,2110,088,2

* Rekeningcijfers 1997.

** Meerjarencijfers begroting 1999.

a. Uitkering aan partners rampenbestrijding. Onder de uitkering aan de partners in de rampenbestrijding zijn begrepen de uitkering aan de regionale brandweer en de gemeenschappelijke gezondheidsdiensten op grond van het BDUR en de uitkering aan het Nederlandse Rode Kruis op grond van het Besluit bijdrage Rode Kruis. Daarnaast ontvangt Reddingsbrigades Nederland een bijdrage in de kosten van exploitatie van de vlettenvloot die wordt ingezet in geval van een ramp of de ernstige vrees voor het ontstaan ervan en een vergoeding voor het deelnemen aan oefeningen met regionale brandweren.

Met het PVB en het PGHOR wordt een impuls gegeven aan de kwaliteit van de brandweer en de geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen. Ook in materieel en financieel opzicht wordt dit ondersteund. In dit kader is artikelonderdeel 02 verhoogd. Een structurele verdeling van de beschikbare extra middelen aan de brandweerregio's en de gemeenschappelijke gezondheidsdiensten zal, onder andere op basis van een onderzoek dat in 1998 plaatsvindt, worden aangebracht. Daarbij zal ernaar gestreefd worden dat met de middelen die op basis van het BDUR worden verstrekt, nog gerichter dan tot nu toe sturing wordt gegeven aan de kwaliteit van de rampenbestrijdingsorganisatie.

De rol van het Rode Kruis in de geneeskundige hulpverlening bij rampen zal naar verwachting als gevolg van het PGHOR wijzigen. Hierdoor wordt ook een herziening van het Besluit bijdrage Rode Kruis noodzakelijk.

b. Exploitatie rampenbestrijdingsorganisatie. De uitgaven hebben in hoofdzaak betrekking op de kosten van de instandhouding van de rampenbestrijdingsorganisatie en betreffen met name:

– de exploitatiekosten van de telecommunicatievoorzieningen van de regionale coördinatiecentra, zoals het Nationaal Noodnet en de brandweerverbindingsnetten en de exploitatiekosten van het waarschuwingsstelsel (WAS);

– de kosten van het beheer van het bij de rampenbestrijding in gebruik zijnde materieel. Het Logistiek Centrum te Zoetermeer is belast met de logistiek en het beheer hiervan;

– de bijdrage die het Ministerie van BZK levert in de kosten van het Nationaal Meetnet Radioactiviteit (NMR) dat tezamen met het Rijksinstituut voor Milieuhygiëne is ontwikkeld.

c. Beleidsontwikkeling en voorlichting.

PGHOR. Met het PGHOR wordt een kwaliteitsimpuls gegeven aan de geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen. De doelstelling van het project, dat gezamenlijk met het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport wordt uitgevoerd, is te komen tot een eenduidige bestuurlijke en organisatorische infrastructuur voor de totale geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen, die in staat is geleidelijk op te schalen van kleinschalig naar grootschalig optreden. De beleidsvoornemens ter verbetering van de geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen zijn verwoord in de nota Met Zorg Verbonden, die in juni 1997 aan de Tweede Kamer is aangeboden.

Een kwaliteitszorgsysteem en een registratie- en informatiesysteem zijn ontwikkeld en geïnventariseerd is welke gelden nodig zijn om een goede infrastructuur neer te zetten. Verder zijn regionale processen op gang gebracht die tot doel hebben een geschikte bestuurlijke en organisatorische omgeving te creëren van waaruit de implementatie van de verbeteringen kan plaatsvinden. Deze regionale processen hebben geleid tot regionale plannen van aanpak. 1999 zal staan in het teken van de regionale implementatie van de GHOR-verbeteringen.

Op landelijk niveau zijn activiteiten beschreven ter ondersteuning van de feitelijke uitvoering van de plannen van aanpak op regionaal niveau. Daarnaast zal uitvoering worden gegeven aan een aantal activiteiten op rijksniveau, zoals wetgeving en een nadere uitwerking van de bekostigingsstructuur. Al deze activiteiten zijn beschreven in een implementatieprogramma voor Wghr-regio's.

Strategische omgevingsverkenningen en veiligheidseffectonderzoek. Het is van belang oog te hebben voor de ontwikkelingen die van invloed zijn op de openbare veiligheid, opdat hier tijdig en adequaat op kan worden ingespeeld. Relevante (inter)nationale ontwikkelingen zullen tijdig in kaart moeten worden gebracht en geanalyseerd om het veiligheidsbeleid hierop af te stemmen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in het volgen van ontwikkelingen op de korte termijn en de lange termijn. Op de korte termijn gaat het om monitoring, dat wil zeggen het uitgaan van voortzetting van bestaande trends en thematische omgevingsverkenningen van beleidsthema's die voor de korte termijn relevant zijn. Voor de lange termijn worden mogelijke toekomstscenario's opgesteld, waarop verschillende veiligheidsstrategieën worden afgestemd. In 1998 zijn de omgevingsverkenningen voor de korte en lange termijn afgerond. Het resultaat hiervan zal worden betrokken bij de verdere beleidsontwikkeling op het terrein van openbare veiligheid tijdens de komende kabinetsperiode.

Om risico's voor de veiligheid tot een minimum te kunnen beperken is het bij de planvorming met betrekking tot grote infrastructurele projecten van belang in een vroeg stadium van het besluitvormingstraject rekening te houden met de gevolgen voor de veiligheid. De Veiligheidseffectrapportage, die ook in 1999 als instrument zal worden ingezet, is hiertoe een ondersteunend hulpmiddel om in concrete situaties, zowel procedureel als inhoudelijk, rekening te houden met de veiligheidsgevolgen van een beleidsvoornemen. Ook in 1999 zal het veiligheidsbeleid ten aanzien van ondergrondse bouwwerken in de belangstelling staan en zal nauw worden samengewerkt met het Centrum Ondergronds Bouwen. Het Beveiligingsconcept ondergronds bouwen zal door middel van een aantal pilotprojecten worden geëvalueerd.

Kwaliteitsbevordering brandweerpersoneel. Mede op basis van de evaluatie van het Besluit brandweerpersoneel is het duidelijk dat kwaliteitsbevordering van het brandweerpersoneel continu aandacht verdient. Naar aanleiding van deze evaluatie zullen nieuwe verbeteringsprojecten worden opgestart. Het opgezette systeem voor loopbaanontwikkeling voor brandweerofficieren wordt in 1998/1999, in nauwe samenwerking met de VNG, verder ontwikkeld. Het resultaat van het evaluatie-onderzoek Management-Development voor brandweerofficieren (MDB) heeft geleid tot een aantal organisatorische aanpassingen zoals: MDB-doelgroepuitbreiding (vanaf schaal 10) en de aanstelling van een extra MDB-adviseur. In 1998 worden potentieel-taxatie-trainingen voor brandweercommandanten georganiseerd. Daarnaast wordt een aantal (inter)regionale mobiliteitsronden begeleid. Eind 1998 wordt het in gebruik nemen van een eigen MDB-website (internetinformatie van het Ministerie van BZK) beoogd.

Verhoging van de kwaliteit van het brandweerpersoneel wordt tevens door middel van opleidingen bereikt. Hiertoe wordt in 1999 onder andere aandacht besteed aan het onderhouden en actualiseren van het huidige opleidingssysteem. De huidige structuur zal vanaf 1999 omgezet worden van een ranggerichte naar een functiegerichte opleidingsstructuur. Naar aanleiding van de in 1998 afgeronde evaluatie van de herstructurering van de officiersopleidingen, zullen deze opleidingen worden geoptimaliseerd. Daarnaast zullen systemen ten behoeve van technologische onderwijsvernieuwing worden ontwikkeld.

Vrijwilligheid binnen de brandweerorganisatie. In 1997 is onderzoek gehouden naar de positie van brandweervrijwilligers met het oog op het grote belang van vrijwilligers binnen de brandweerorganisatie. In april 1998 is het onderzoeksrapport gepubliceerd. De stimuleringsmaatregelen gericht op het vrijwilligerspotentieel voor de brandweerorganisatie zijn onder andere: symposia en nader te bepalen pilotprojecten. Organisaties die vrijwilligers inzetten bij de hulpverlening aan burgers, zoals het Rode Kruis en Reddingsbrigades Nederland, worden betrokken bij de stimuleringsmaatregelen. Daarnaast wordt een verdiepingsonderzoek vrijwilligheid binnen de brandweerorganisatie gehouden.

Internationale conferentie ter gelegenheid van Brand '99. In juni 1999 zal in Amsterdam de internationale beurs Brand '99 worden gehouden. Ter gelegenheid daarvan zal tegelijkertijd een internationale conferentie over geneeskundige hulpverlening bij rampen worden gehouden. Het geneeskundige deel van de rampenbestrijding heeft door het PGHOR en de invoering van nieuwe structuren en de daarbij behorende uitrusting een stevige impuls gekregen. Met deze conferentie zal in internationaal verband het eigen beleid ten aanzien van de geneeskundige hulpverlening onder de aandacht worden gebracht en zal worden bezien hoe in andere landen naar oplossingen voor soortgelijke vraagstukken is gezocht.

Voorlichting bij rampen. In verband met de oplevering van het vernieuwde WAS is in mei/juni 1998 een landelijke voorlichtingscampagne gehouden die de Nederlandse bevolking heeft geïnformeerd over de nieuwe wijze van waarschuwing. Ieder jaar rond de datum waarop het jaarlijkse luide proefalarm wordt gehouden, i.c. de eerste woensdag van juni, zal dit proefalarm worden ondersteund door middel van landelijke voorlichtingsactiviteiten.

Besluit risico's zware ongevallen. Thans is het Besluit risico's zware ongevallen in voorbereiding. Dit besluit zal onder meer inhouden dat de onder het besluit vallende bedrijven op risicovolle activiteiten zullen worden geïnspecteerd en dat de door deze bedrijven op te stellen veiligheidsrapporten zullen worden beoordeeld. In verband met de uitvoering hiervan zullen ook functionarissen worden aangesteld.

d. Opleiding en oefening. De opleidingen rampenbestrijding zijn geanalyseerd door de werkgroep Herijking Opleidingen Rampenbestrijding (werkgroep Putman). Zij heeft de specifieke opleidingsbehoefte voor opleiding/ en oefening bepaald. Vanuit de systeemverantwoordelijkheid van de Minister van BZK voor de rampenbestrijdingsorganisatie zijn de eindtermen van deze opleidingen op een basaal kwaliteitsniveau vastgesteld en stelt het Nederlands Instituut voor Brandweer en Rampenbestrijding (NIBRA) een projectplan opleidingen op. Doel van dit plan is de opleidingen voor de rampenbestrijding structureel, kwalitatief verantwoord en optimaal aansluitend bij de vraag van betrokkenen, vorm te geven en georganiseerd te krijgen. Op basis hiervan worden opleidingen ontwikkeld. Deze opleidingen op maat zullen vanaf oktober 1998 worden aangeboden. Het Ministerie van BZK houdt hierbij de eindregie. Zodra de omvang bekend is, zal bij suppletore wet dit onderwerp bij artikel 05.26 worden ondergebracht.

Getracht zal worden ook door middel van het verzorgen van opleidingen voor lokale bestuurders, in casu burgemeesters, de bestuurlijke aansturing van de aangelegenheden op het gebied van de openbare orde en veiligheid te versterken. Beoogd wordt bij de uitvoering van deze opleidingen het genootschap van burgemeesters te betrekken.

e. Rechtspositionele voorzieningen rampbestrijders.Op grond van de Wet rechtspositionele voorzieningen rampbestrijders kunnen door rampbestrijders aanspraken op een uitkering worden gemaakt, voor zover de voorzieningen die in deze wet zijn opgenomen de aanspraken op uitkeringen of voorzieningen krachtens een andere wettelijke regeling of voortvloeiend uit een arbeidsovereenkomst overtreffen. In januari 1998 waren er 49 uitkeringsgerechtigden.

f. Uitrusting. In 1997 is een aanvang gemaakt om ook op materieel gebied de kwaliteit van de geneeskundige hulpverlening te verbeteren. In dit verband worden de geneeskundige regio's voorzien van uitrusting en transportmiddelen die ten dienste staan van de geneeskundige combinatie. De kosten geneeskundige combinatie bedragen f 700 000 per stuk. Het merendeel wordt in 1998 aanbesteed. Dit is een samenwerkingsverband dat wordt ingezet om opschaling van kleinschalige naar grootschalige hulpverlening zo geleidelijk mogelijk te laten verlopen. De investeringslasten die met de voorziening van deze uitrusting zijn gemoeid gespreid over drie jaren zullen tot in 1999 doorlopen.

Het functioneren van de brandweer in de rampenbestrijdingsorganisatie heeft geleid tot de vorming van een krachtige operationele organisatie: de brandweercompagnie. Voor de technische hulpverleningstaak die door de brandweercompagnie wordt uitgevoerd wordt door het Rijk materieel beschikbaar gesteld. Onlangs is een evaluatie gehouden met betrekking tot de in 1992 en 1993 verstrekte uitrusting. Onder meer aan de hand van de uitkomst van deze evaluatie zullen in 1999 investeringen worden gedaan ter vervanging van een deel van de technische hulpverleningsuitrusting.

g. Infrastructuur. Onderdeel van de communicatiefaciliteiten ten behoeve van de brandweer wordt gevormd door brandweernetten. Deze verbindingsstructuur zal operationeel gehouden worden tot het moment dat het geïntegreerde verbindingsnetwerk C2000 ten behoeve van brandweer, politie en ambulancehulpverlening, naar verwachting in 2004, in gebruik zal worden genomen. De kosten van de instandhouding zullen tot aan dit jaar jaarlijks in omvang afnemen.

Evenals de verbindingsnetten wordt de verbindings-/commandowagen (V/C) gerekend tot de communicatiefaciliteiten waarvoor het Ministerie van BZK systeemverantwoordelijk is. De V/C wordt ingezet ten behoeve van de communicatie tussen de alarmcentrale en het (commando)rampterrein. De VC-1 biedt vergadercapaciteit voor het commando rampterrein en zal worden ingezet wanneer meerdere brandweercompagnieën aanwezig zijn. De VC-2 is een voertuig voor de commandant van de brandweercompagnie en heeft naast vergadercapaciteit ten behoeve van de commandovoering ook de faciliteit om verbindingen te leggen met het commando rampterrein en de regionale alarmcentrale. In totaliteit zullen 62 VC-2's, i.c. één per brandweercompagnie en één voor het NIBRA, worden aangeschaft. De hieraan verbonden uitgaven zijn voor een deel opgenomen in de begroting 1999.

In 1998 is een start gemaakt met de vernieuwing van de technisch verouderde apparatuur die deel uitmaakt van het NMR. De instandhouding van een dergelijk meetnet is een van de doelstellingen van de Minister van BZK, gebaseerd op de systeemverantwoordelijkheid die hij ten aanzien van de rampenbestrijding heeft. De kosten van de aanschaf van het tweede generatie netwerk, die ook voor een deel voor 1999 zijn begroot, zullen worden gedeeld met het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

h. WAS. In 1997 is het vernieuwde WAS opgeleverd. Met de oplevering is de plaatsing van sirenes echter nog niet afgerond. Bijplaatsingen, bijvoorbeeld als gevolg van uitbreiding van de dekkingsgebieden, zullen noodzakelijk blijken.

Artikelonderdeel 04. Brandweerzorg. De uitgaven die op dit artikelonderdeel worden geraamd hebben betrekking op de brandweerzorg in brede zin. De uitgaven omvatten onder andere:

* De emancipatie. Het aantal vrouwen dat in dienst is bij de brandweer is zeer gering. Het emancipatiebeleid, dat tot doel heeft te stimuleren dat vrouwen een functie bij de brandweer gaan bekleden, zal worden voortgezet. Een hiertoe opgericht vrouwennetwerk zal in 1999 verder ondersteund worden.

* Het allochtonenbeleid. Ook het brandweerpersoneel met een allochtone achtergrond maakt slechts een zeer gering percentage van het totale personeelsbestand bij de brandweer uit. Inmiddels is onderzoek verricht naar de belemmeringen die allochtonen ervaren bij het in dienst treden bij de brandweer. Op grond van de uitkomst van dit onderzoek wordt beleid ontwikkeld dat deze barrières moeten wegnemen.

* Exploitatie van brandweermaterieel. Ten behoeve van de brandbestrijding te water heeft het Rijk in de jaren tachtig drie blusboten aangeschaft. De kosten van het beheer en het onderhoud worden op dit artikelonderdeel begroot. Daarnaast wordt de thans in uitvoering zijnde modificatie en revisie van de blusboten gefinancierd.

De cijfers

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U05.21t/m 19961997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998  79 37786 05088 80277 31475 696 
1e suppletore begroting 1998  8 960417429438438 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:        
Autonome mutaties        
1. internationale verdragen   1 0001 0001 0001 000 
Beheersmatige mutaties        
2. toename studenten  – 366– 244 – 11– 11 
3. tegenvaller GHOR-in- vesteringen  1 350     
4. toedeling loon-/prijsbij- stelling 1998  1 2061 4141 4131 4141 414 
5. technische bijstelling  4 781– 3 917– 23 35715 4691 491 
Stand ontwerp-begroting 199962 262121 12495 30884 72068 28795 62480 02887 456
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U05.21 1997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998  87 18488 89188 90088 96688 966 
1e suppletore begroting 1998  29 142417– 11 571438438 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:        
Autonome mutaties        
1. internationale verdragen   1 0001 0001 0001 000 
Beheersmatige mutaties        
2. toename studenten  – 366– 222– 11– 11– 11 
3. tegenvaller GHOR-in- vesteringen  1 350     
4. toedeling loon-/prijsbij- stelling 1998  1 2061 4141 4131 4141 414 
Stand ontwerp-begroting 1999 107 780118 51691 50079 73191 80791 80791 807

De toelichting bij de cijfers

1. een reallocatie van artikel 05.15 in verband met verplichtingen voortvloeiende uit internationale verdragen inzake de rampenbestrijding.

2. een reallocatie naar artikel 05.26 in verband met een toename van het aantal studenten. Compensatie wordt geboden met name door het temporiseren van onderzoeksuitgaven.

3. een desaldering met ontvangstenartikel 05.07 ter compensatie van de tegenvaller investeringen GHOR.

4. een technische bijstelling van de verplichtingenraming als gevolg van een herziening van het investeringsplan.

De kengetallen

(bedragen x f 1 000)
U05.21 1997 1998 1999
RAMINGSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
– Aantallen regionale brandweer39 39 39 
Gemiddelde normbijdrage personeel per regio 330 519 637
Gemiddelde normbijdrage materieel per regio 129 138 138
Gemiddelde normbijdrage oefenen 72 72 72
Toegelicht begrotingsbedrag *21 065 *28 370 *33 003
– Aantallen GGD'en40 40 40 
Gemiddelde normbijdrage personeel 55 55 55
Gemiddelde normbijdrage materieel 89 124 115
Gemiddelde normbijdrage oefenen 18 20 23
Toegelicht begrotingsbedrag *6 499 *8 022 *7 745

* Bedrag is ongelijk aan de rekensom in verband met afrondingsverschillen.

Toelichting:

In 1998 en 1999 is bij de regionale brandweer sprake van een toename van de personeelsbijdrage in verband met versterking brandweer.

In 1998 is bij de GGD'en sprake van een toename van de materiële bijdrage in verband met eenmalige bijdrage opleidingen leden Snel Inzetbare Groep ter Medische Assistentie (SIGMA) en structureel in verband met de introductie van de geneeskundige combinatie en van een toename bijdrage oefenen in verband met oefenen SIGMA met Ambulanceteam.

05.22. Nationaal Coördinatiecentrum

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

De grondslag van het NCC wordt gevormd door een tweetal Besluiten: het Besluit directoraat-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid (20 december 1995/nr. E95/U3992) en het Besluit Nationaal Coördinatiecentrum (NCC91/U17).

Het NCC heeft tot taak de Minister van BZK bij te staan in al die bevoegdheden en verantwoordelijkheden die betrekking hebben op crisisbeheersing, de handhaving van de openbare orde en veiligheid en de voorbereiding daarop. Deze ondersteunende taak betreft zowel kleinschalige gebeurtenissen als grootschalige incidenten en rampen. Bij een (dreigende) verstoring van de openbare orde en veiligheid en/of in acute noodsituaties coördineert het NCC het overheidsoptreden en verzorgt het de (coördinatie van de) informatievoorziening tussen de verschillende bestuurslagen.

Wanneer, in geval van calamiteiten of incidenten van een grotere omvang, een intensieve interdepartementale coördinatie is vereist, zorgt het NCC voor de structuren en faciliteiten die tevens dienen ten behoeve van het functioneren van het Nationaal Voorlichtingscentrum.

Door zijn activiteiten op het gebied van de voorbereiding van het overheidsoptreden in crisisomstandigheden levert het NCC een bijdrage aan het nieuwe, integrale crisisbeheersings- en veiligheidsbeleid van de rijksoverheid.

Op het artikel worden onder meer de volgende uitgaven geraamd:

Materiële uitgaven. Een aanzienlijk deel van de uitgaven, die op dit artikel worden geraamd, heeft betrekking op uitgaven voor exploitatie en (aanschaf van) de infrastructurele voorzieningen. Deze omvatten in hoofdzaak communicatiefaciliteiten, voorzieningen ten behoeve van het informatiebeheer, het berichtencentrum en de uitwijklocatie. In 1998 is de huisvesting van het NCC vernieuwd. Een beperkt deel van de hiermee gemoeide uitgaven zal in 1999 doorlopen. Om het permanent functioneren van het NCC te waarborgen wordt de noodzetel van het Ministerie van BZK in stand gehouden. De uitwijklocatie doet tevens dienst als Regeringsnoodzetel.

Uitgaven in verband met opleidingen en oefeningen. Bij grote calamiteiten vindt opschaling plaats. Hierbij is sprake van een bezetting die uitgebreider is dan de vaste formatie van het NCC. Vanwege de diverse beleidsvelden en daarmee samenhangende verantwoordelijkheden is het van belang dat de deelnemers goed op elkaar ingespeeld zijn. Om dit te bewerkstelligen is door het NCC een meerjarenopleidings- en oefenplan ontwikkeld en worden er oefeningen gehouden. Een deel van de oefeningen keert jaarlijks terug. Voor de evaluatie van deze oefeningen zullen eveneens uitgaven worden gedaan.

De cijfers

Opbouw (verplichtingen =) uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U05.221997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 1 5291 5291 5291 5291 529 
1e suppletore begroting 1998 2123232424 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:       
Beheersmatige mutaties       
1. verbouwing NCC – 2 850– 50    
2. toedeling prijsbijstelling 1998 2 6027777 
Stand ontwerp-begroting 19991 1931 3021 5091 5591 5601 5601 560
 (1 185)      

De toelichting bij de cijfers

1. een overboeking naar het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer/Rijksgebouwendienst voor de verbouwing van het NCC. De verbouwing, die onder andere een aanpassing van de operationele ruimtes omvat, is vereist om de functionaliteit van het NCC te kunnen waarborgen.

De economische code van dit artikel is 12, de functionele code is 03.6.

05.23. Bijdragen regionale politie

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

In artikel 44 van de Politiewet 1993 wordt onder meer bepaald dat met het oog op de kosten van de politie door de Minister van BZK aan de politieregio's bijdragen beschikbaar worden gesteld. Artikel 44 is nader uitgewerkt in het Besluit financiën regionale politiekorpsen (BFRP). In het in dit besluit neergelegde bekostigingsstelsel wordt onderscheid gemaakt naar de algemene bijdrage en bijzondere bijdrage.

De algemene bijdrage. De algemene bijdrage (ook wel aangeduid als brede doeluitkering) strekt tot integrale financiering van de politiezorg op regionaal en bovenregionaal niveau. De algemene bijdrage per regio wordt bepaald op basis van de uitkomsten van het Budgetverdeelsysteem (BVS).

Het BVS gaat uit van een componentenmodel met opslagfactoren voor specialisme/ondersteuning en overhead. Met dit systeem wordt zo goed mogelijk aansluiting gezocht bij de verschillende onderdelen van het politiewerk. Daarbij kan tevens een betere afweging worden gemaakt voor het budget voor die verschillende onderdelen. Het systeem is zodanig gebouwd dat het op eenvoudige wijze kan worden geactualiseerd en aangepast aan veranderde opvattingen over het werk van de politie. Dit systeem zal zo mogelijk nog in 1998 worden geëvalueerd.

Het BVS bestaat uit de volgende componenten:

1. Beschikbaarheid en bereikbaarheid. Is er voldoende politie beschikbaar om binnen een redelijke termijn te reageren op verzoeken om hulp en is de politie voldoende bereikbaar om te worden aangesproken.

2. Werklast. Is er voldoende capaciteit om meldingen/aangiften/incidenten/evenementen naar behoren af te handelen.

3. Probleemgerichte aanpak. Hierbij gaat het om het aanpakken van bepaalde vormen van criminaliteit en van algemene veiligheids-/leefbaarheidsproblematiek.

De componenten 1 en 2 vormen de reactieve politiezorg. Bij de probleem gerichte aanpak (component 3) gaat het om activiteiten die uitgaan boven een «basisreactie». Voor de vermindering van de problematiek zijn extra activiteiten (pro-actie, preventie, repressie, voorlichting etcetera) noodzakelijk.

De evaluatie van de Politiewet 1993 heeft er toe geleid dat gelijktijdig met de wijziging van de Politiewet 1993, in verband met de instelling van de Inspectie voor de politie, de regiokorpsen ieder jaar een beleidsmatig jaarverslag dienen op te stellen. Daarnaast is in de loop van 1998 gewerkt aan de wijziging van lagere regelgeving zoals het BFRP. De kern van de wijziging van het BFRP is de structurering en uniformering van de regionaal beleids- en beheerscyclus en het aan de minister(s) toekennen van de mogelijkheid om voorwaarden te stellen aan de algemene bijdragen. Ook wordt een aantal technische wijzigingen doorgevoerd.

In 1998 zal worden gewerkt aan de totstandkoming van landelijke prioriteiten voor de politie alsook aan een landelijk referentiekader voor de resultaten van het politiewerk.

Bij brief EA98/U1749, d.d. 25 mei 1998, is de Kamer geïnformeerd over regiospecifieke omstandigheden, welke hebben geleid tot een extra toekenning van budget voor 7 regionale politiekorpsen. Deze toekenning zal deel uitmaken van de hierboven reeds genoemde evaluatie van het BVS.

Het beschikbare budget voor de algemene bijdrage is onderhevig aan periodieke wijzigingen die het gevolg zijn van mutaties in lonen en prijzen, en specifieke aanpassingen. Het budget is gebaseerd op het loon- en prijspeil 1998.

Het budget voor de algemene bijdrage bedraagt in 1999 f 4 639 mln. Dit is inclusief de toevoeging voor politie-inzet bij asielzoekerscentra (AZC's) en aanvullende opvang maar exclusief de bij regeerakkoord voor veiligheid aan het Ministerie van BZK toegewezen gelden. Na concretisering van de inzet van deze regeerakkoordgelden zal een verdere verdeling binnen de begroting kunnen plaatsvinden.

De grafische weergave van het budget voor de algemene bijdrage ziet er als volgt uit:

kst-26200-VII-2-1.gif

De hoogte van de algemene bijdrage per regio wordt bepaald aan de hand van een volumegrootheid, de zogenoemde budgetverdeeleenheid (BVE) en een normvergoeding per BVE. Het voorlopige normbedrag voor 1999 bedraagt thans f 104 565 per BVE.

De ontwikkeling van het aantal BVE's (BVS + bijzondere maatstaven en AZC's) valt in volgende grafiek af te lezen. Voor 1999 zal een totaal aantal BVE's van 44 362 worden uitgedeeld (zie ook De ramingskengetallen).

kst-26200-VII-2-2.gif

De bijzondere bijdrage. Voor 1998 en 1999 zijn de navolgende bijzondere bijdragen voorzien:

(bedragen x f 1000)
 19981999
1. GVP werkgeverspremie post-actieven28 96229 438
2. Bijdrage art. 3 BFRP12 00012 000
3. Bijdrage art. 4 BFRP (aanvullende bijdrage)10 7007 500
4. Overig4 11611 928
Totaal budget bijzondere bijdrage55 77860 866

1. GVP werkgeverspremie post-actieven. Gepensioneerd personeel van de voormalige Rijks- en Gemeentepolitie en de regionale politiekorpsen, het KLPD, de IT-organisatie alsmede het Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie is verzekerd tegen ziektekosten bijde DGVP. In dit kader treedt het Ministerie van BZK op als «werkgever» voor het gepensioneerde personeel. Het aandeel in de premie is gelijk aan de werkgeversbijdrage voor actief personeel.

2. Bijdrage artikel 3 BFRP. De Minister van BZK kan, op grond van artikel 3 van het BFRP, onder nadrukkelijk te stellen voorwaarden een bijzondere bijdrage verstrekken. De reden voor een bijzondere bijdrage kan ontstaan als een regio te maken heeft met incidentele extra kosten.

3. Bijdrage artikel 4 BFRP (aanvullende bijdrage). Uitgangspunt van het huidige politiebestel is «beheer op afstand». Niet acceptabel is dat een politieregio bij wijze van spreken «in faillissement» geraakt dan wel dat om financiële redenen een adequaat niveau van politiezorg niet langer gegarandeerd is. In die situatie kan buiten de vergoedingssystematiek van de algemene bijdrage op grond van dit artikel een aanvullende bijdrage worden verstrekt. Van belang voor de toepassing is de wettelijke inkadering van deze bijdrage (artikel 44, derde lid, van de Politiewet 1993): het moet gaan om een aanmerkelijk tekort voor de noodzakelijke behoeften. In dit verband wordt verwezen naar de moties (kamerstukken II, 1996/1997, 25 016, nrs. 8, 14 en 15) van december 1996.

Een aantal regio's heeft te maken met financiële problemen. In 1998 zijn onderzoeken uitgevoerd naar de vermogenspositie van de regio's en de toereikendheid van de normvergoeding. Besluitvorming hieromtrent zal naar verwachting in 1998 worden afgerond. Afhankelijk van de uitkomsten van deze onderzoeken en de te nemen generieke en specifieke maatregelen zal het aantal artikel 4 regio's muteren.

4. Overig. Unit Synthetische Drugs (USD): Op 1 september 1997 is bij convenant de Unit Synthetische Drugs (USD) opgericht. Aanleiding voor de oprichting van de USD is de in nota Het Nederlands Drugbeleid (kamerstukken II, 1994/1995, 24 077 nrs. 2–3) gedane constatering dat Nederland zich in toenemende mate ontwikkelt tot een belangrijk productieland van synthetische drugs. Op basis van de Voortgangsrapportage Drugbeleid (kamerstukken II, 1996/1997, 24 077, nr. 39) en het op verzoek van de Minister van Justitie door het openbaar ministerie opgestelde plan van aanpak werd besloten tot het formeren van een landelijk opererende organisatorische eenheid waarin alle diensten die hiermee te maken hebben, betrokken worden met als doel een intensievere en beter gecoördineerde bestrijding en opsporing van handel in en productie van deze drugs.

Regeerakkoordgelden veiligheid. In het regeerakkoord zijn gelden beschikbaar gesteld voor versterking en uitbreiding van politie en justitie. Voor het Ministerie van BZK bedraagt dit f 122,8 mln in 1999 oplopend tot f 375 mln in 2002.

In afwachting van de definitieve uitwerking zijn deze middelen op onderhavig artikel geraamd. Nadere toedeling aan de beleidsonderwerpen zal in de loop van 1998 plaatsvinden.

Ontwikkelingen op het terrein van kengetallen

Om de politieprestaties beter meetbaar te maken is een aantal instrumenten ontwikkeld of in ontwikkeling. In het politie-beleidsinformatie-systeem (POLBIS) worden gegevens opgeslagen met betrekking tot het functioneren van en het beheer over de korpsen alsmede het KLPD en het LSOP. Binnen het POLBIS is het mogelijk de gegevens onderling te koppelen. De modules personeel en financiën alsook een module met de uitkomsten van de politiemonitor bevolking zijn in het POLBIS opgenomen. Met betrekking tot deze gegevens is de aandacht gericht op betrouwbaarheid en de onderlinge vergelijking van de aangeleverde informatie (standaardisatie). Grote nadruk wordt daarbij gelegd op kwaliteitscontroles en een toetsingsprotocol.

Met het oog op een goede taakuitvoering en een doelmatig en effectief beheer door de politiekorpsen is in december 1997 door een wijziging van de Politiewet 1993 de Inspectie voor de politie ingesteld. Jaarlijks zal aan de Tweede Kamer een verslag van de bevindingen van die inspectie worden aangeboden.

De cijfers

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U05.23t/m 19961997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998  4 491 0984 548 3764 559 7214 614 1824 662 374 
1e suppletore begroting 1998  49 40848 54845 18241 43841 823 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:        
Beleidsmatige mutaties        
1. regeerakkoordgelden veiligheid   122 800198 800225 000375 000 
Autonome mutaties        
2. asielzoekers   9 0007 0003 000  
Beheersmatige mutaties        
3. intensivering vreemdelingentoezicht  14 0007 0007 0007 0007 000 
4. GROT's  – 1 550     
5. mensensmokkel  – 7 250– 5 130– 5 130– 5 130– 5 130 
6. toedeling loon-/prijsbij- stelling 1998  132 073136 677138 167138 540140 186 
7. technische bijstelling  115 343– 11 357– 6 2972 09219 541 
Stand ontwerp-begroting 19994 160 4054 602 3304 793 1224 855 9144 944 4435 056 1225 240 7945 304 569
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U05.23 1997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998  4 415 2334 503 5004 548 7434 559 7824 614 254 
1e suppletore begroting 1998  49 40848 54845 18241 43841 823 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:        
Beleidsmatige mutaties        
1. regeerakkoordgelden veiligheid   122 800198 800225 000375 000 
Autonome mutaties        
2. asielzoekers   9 0007 0003 000  
Beheersmatige mutaties        
3. intensivering vreemdelingentoezicht  7 0007 0007 0007 0007 000 
4. GROT's  – 1 550     
5. mensensmokkel  – 7 250– 5 130– 5 130– 5 130– 5 130 
6. toedeling loon-/prijsbij- stelling 1998  132 073136 677138 167138 540140 186 
Stand ontwerp-begroting 1999 4 314 7984 594 9144 822 3954 939 7624 999 6305 173 1335 241 409

De toelichting bij de cijfers

1. een verhoging van de raming voor het aandeel van het Ministerie van BZK in de regeerakkoordgelden veiligheid.

2. een verhoging van de raming in verband met een bijstelling van de te verwachten toename instroom asielzoekers.

3. een verhoging van de raming voor de intensivering van het vreemdelingentoezicht door de rivierpolitie van het regionaal politiekorps Rotterdam/Rijnmond.

4. een reallocatie naar artikel 05.24 ten behoeve van de Grensoverschrijdende Observatieteams (GROT's).

5. een reallocatie naar artikel 05.24 in verband met de verantwoording op het juiste artikel van de financiering van teams mensensmokkel.

De economische code van dit artikel is 43A, de functionele code is 03.2.

De kengetallen

(bedragen x f 1 000)
U05.23  1997 1998 1999
RAMINGSKENGETALLEN aantalbedragaantalbedragaantalbedrag
Algemene bijdrage       
Aantal regiokorpsen 25 25 25 
Normbedrag (voorlopig)    103,824 104,565
Aantal BVE's op basis van:* BVS40 330 41 506 42 335 
 * Bijzondere maatstaven650 1 323 1 323 
 * Asieldossier 649  747  704 
 Totaal aantal BVE's41 6294 153 50043 576 44 362 
Nabetalingen voorgaande jaren    27 751    
   4 181 251 4 524 235 4 638 713
Bijzondere bijdrage       
Werkgeversbijdrage GVPAantallen post-actieven17 485 17 200 17 500 
 Gemiddeld premiebedrag 1,391 1,684 1,684
 Toegelicht begrotingsbedrag 24 321 28 962 29 438
Artikel 3 BFRP (knelpunten)Aantallen regiokorpsen10 10 PM 
 Gemiddelde bijdrage 1 200 1 200 PM
 Toegelicht begrotingsbedrag 12 000 12 000 12 000
Artikel 4 BFRPAantallen regiokorpsen3 3 3 
 Gemiddelde bijdrage 3 000 3 600 2 500
 Toegelicht begrotingsbedrag 9 000 10 700 7 500

Toelichting op de ontwikkeling van de kengetallen: Voor de financiering van de regionale politiekorpsen vormen de BVE's de volumegrondslag voor de verdeling van het budget. De bepaling van het budget van een regio vindt plaats door vermenigvuldiging van het aantal BVE's met het door de Minister van BZK vast te stellen normbedrag per BVE.

Het normbedrag wordt jaarlijks bijgesteld voor loon-, premie- en prijsmutaties en specifieke wijzigingen. Op grond van het per 1 oktober 1996 van kracht zijnde BVS worden de regionale korpsen periodiek geïnformeerd over het per regio toegekende aantal BVE's.

Ter onderbouwing van de vaststelling van het aantal BVE's per regio wordt gebruik gemaakt van een aantal algemene (dat wil zeggen: voor alle regio's geldend en op basis van een vaste systematiek) en een aantal bijzondere maatstaven (bijvoorbeeld: de onlangs toegekende BVE's aan 7 regionale politiekorpsen voor regiospecifieke omstandigheden in het kader grens/(water)recreatie problematiek, rivierpolitie en de toekenning van BVE's voor het Nationaal Milieubeleidsplan).

Voor de uitvoering van asielproblematiek is aan de begroting een specifiek budget toegevoegd dat in de vorm van BVE's aan de regionale politiekorpsen wordt toebedeeld.

05.24. Overige uitgaven regionale politie

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

Op dit artikel worden diverse uitgaven geraamd voor specifiek politiebeleid.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1 000) en de economische en functionele codering
U05.24/Artikelonderdeel1997199819992000200120022003Econ.Funct.
01 Regionaal beleid116 850120 306141 561141 382138 133125 317125 31743A3.2
02 Centraal beleid113 814134 244107 850116 460131 155138 275146 2751203.2
Totaal230 664254 550249 411257 842269 288263 592271 592  

Artikelonderdelen 01 en 02. Regionaal beleid en Centraal beleid. Het onderscheid tussen de regionale uitgaven en de centrale uitgaven kenmerkt zich door:

* het aan het regionale beleid gekoppelde budget betreft een rechtstreekse geld- of goederenstroom aan de regionale politiekorpsen;

* het aan het centrale beleid gekoppelde budget betreft een geldstroom aan derden, niet zijnde regionale politiekorpsen.

Gemeenschappelijk hebben beide typen van uitgaven dat zij veelal betrekking hebben op de zelfde beleidsonderwerpen van politiezorg, te weten (bedragen x f 1 mln):

 
U05.24/RAMINGSKENGETALLEN/ Regionale en Centrale uitgavenRaming 1998Raming 1999
– internationale samenwerking4,84,1
– veiligheidsbeleid134,0112,9
– materiële voorzieningen5,02,1
– diversiteitsplan7,78,1
– politiële bedrijfsvoering9,17,4
– rechtspositie49,973,5
– onderwijs/loopbaan4,14,3
– arbeidsmarkt- en opleidingsprojecten10,610,4
– ziektekostenvergoedingen26,023,0
– overig3,33,6
Totaal254,5249,4

Internationale samenwerking. Aan verdere versterking van politiesamenwerking (zoals supportersbegeleiding en informatie-uitwisseling) op het terrein van de bestrijding van voetbalvandalisme zal in samenwerking met het Centraal Informatiepunt Voetbalvandalisme en het nationaal politieproject Euro 2000 invulling worden gegeven mede gelet op het EK in het jaar 2000. Op basis van het medio 1997 met België gesloten convenant inzake de samenwerking in het kader van de EK 2000 wordt het wenselijk geacht te komen tot de opzet van een binationaal Informatie Platform alsmede een politieel Informatie Centrum.

De Nederlandse overheidsinspanningen rond het EK 2000 zijn er op gericht zoveel mogelijk (bestuurlijk en ambtelijk) gezamenlijk op te trekken en af te stemmen met de Belgische autoriteiten. Het ligt in de bedoeling daartoe een aantal malen een gezamenlijke werkconferentie te organiseren.

Veiligheidsbeleid.

* Bestrijding georganiseerde criminaliteit. Op basis van de nota De georganiseerde criminaliteit in Nederland: dreigingsbeeld en plan van aanpak, zijn de zes interregionale kernteams werkzaam met als doelstelling bovenregionale bestrijding van de zware en georganiseerde criminaliteit ondermeer op het terrein drugs- en wapenhandel, moneylaundering, fraude en milieucriminaliteit.

Daarnaast is bepaald dat de bovenregionale aanpak van de zware en georganiseerde criminaliteit landelijk gecoördineerd moet worden. Hiertoe is het Landelijk Rechercheteam (LRT) opgericht dat onder beleidsverantwoordelijkheid valt van de Minister van Justitie. De Minister van BZK heeft medeverantwoordelijkheid voor het beheer van het LRT. De tussen de twee ministeries gemaakte afspraken zijn neergelegd in de Regeling Landelijk Rechercheteam. De financiering van het LRT loopt via de begroting van het Ministerie van BZK.

* Veiligheidsbeleid. In het kader van het (integrale) veiligheidsbeleid – onder meer gebaseerd op de Nota Veiligheidsbeleid 1995–1998 (kamerstukken II, 1994/1995, 24 225, nrs. 1–2) worden veiligheidsinstrumenten als handreiking aan politie, bestuur en maatschappelijke organisaties aangeboden. In het jaar 2000 zal de Integrale Veiligheidsrapportage 2000 worden gepubliceerd als vervolg op de Integrale Veiligheidsrapportage 1998, die op 2 april 1998 aan de Tweede Kamer is aangeboden. Daarnaast zal de informatiefunctie op het terrein van het veiligheidsbeleid verder worden ontwikkeld. De inzet van alternatieve handhavingsinstrumenten en het gebruik van technologie gericht op beveiligingsconcepten alsmede normen en certificaten die leiden tot een kwalitatieve verbetering van criminaliteitspreventie zal worden gestimuleerd. Op grond van de Tijdelijke regeling inzet extra middelen Jeugd en Veiligheid zullen bijdragen voor lokale programma's Jeugd en Veiligheid aan de G6 alsmede aan andere gemeenten (rest Nederland) ter beschikking worden gesteld.

* Grote stedenbeleid. Binnen het grote stedenbeleid worden ten aanzien van diverse veiligheidsvraagstukken (onder meer jeugdcriminaliteit, allochtonenbeleid, bestuurlijke aanpak van georganiseerde criminaliteit) pilotprojecten geïnitieerd. Hiertoe is ondermeer de Regeling impuls leefbaarheid, veiligheid en stadseconomie voor de G4 en G15 ontwikkeld. Tevens is voor deze 19 steden de Regeling financiering actieprogramma's Jeugd en Veiligheid 1996–1999 voor de G4 en G15 opgesteld. Op basis hiervan worden de gelden van de jeugdketen (cluster IV regeerakkoord 1994) gealloceerd.

* Multiculturele samenleving. De relatie tussen het gemeentelijk jeugd- en veiligheidsbeleid en de jeugd- en zedenpolitie zal in het kader van de uitvoering van de nota Criminaliteit en integratie van etnische minderheden verder worden verbeterd. Hiertoe zijn, met de via de motie Bolkestein verkregen gelden (f 25,0 mln), de regio's uitgenodigd om in samenspraak met de gemeenten voorstellen te doen.

* Grensoverschrijdende Observatieteams (GROT's). Als uitvloeisel van het verdrag van Schengen zijn in vijf politieregio's observatieteams geformeerd die belast zijn met de overname van observaties die in het buitenland beginnen en die op het Nederlands grondgebied worden voortgezet. Buitenlandse politiekorpsen dienen daartoe een verzoek in bij de Landelijk officier van Justitie voor grensoverschrijdende observaties.

* Mensensmokkel. Er komt een operationele eenheid ter bestrijding van de mensensmokkel die twee hoofdtaken heeft. Ten eerste verricht de eenheid (verkennend) opsporingsonderzoek naar mensensmokkel/mensenhandel. De unit wordt zodanig ingericht dat ten minste twee onderzoeken tegelijk kunnen worden uitgevoerd. Ten tweede evalueert de unit afgeronde onderzoeken en verzorgt de afsluiting en overdracht van relevante documentatie aan het Afstemmingsoverleg Mensensmokkel of andere betrokken organisaties. De keuze van onderzoeken loopt langs de reguliere lijnen van prioriteitstelling voor kernteamonderzoeken.

De eenheid wordt bemenst door medewerkers van de Koninklijke Marechaussee, de Immigratie Naturalisatie Dienst en politie. Deze operationele eenheid wordt ondergebracht bij het kernteam Noord-Oost Nederland.

* Fraude. De bestrijding van fraude, zowel de «horizontale» als de «verticale» zal in de komende periode worden geïntensiveerd. Op grond van de «Voortgangsrapportage Fraudebestrijding 1997» (kamerstukken II, 1997/1998 17 050, nr. 202) is een aanvullende notitie opgesteld (kamerstukken II, 1997/1998, 17 050, nr. 203), inhoudende maatregelen welke noodzakelijk worden geacht om de fraude krachtiger te bestrijden. Voor de bestrijding van zowel de horizontale fraude als de verticale fraude zullen zeven clusters worden geformeerd bestaande uit politiefunctionarissen en functionarissen van het Openbaar Ministerie.

Materiële voorzieningen. De specifieke verantwoordelijkheid van de Minister van BZK houdt in dat op centraal niveau een beheerstaak bestaat ten aanzien van bijzondere materiële voorzieningen, zoals waterwerpers, voertuigen voor verscherpt rijdend toezicht en bewakingscontainers. Daarnaast is er op centraal niveau specifieke betrokkenheid voor de bijstandorganisatie en bij bewapening van de regionale politie.

Diversiteitplan. Onder meer als uitvloeisel van de Wet Bevordering Evenredige Arbeidsdeelname Allochtonen is het uitgangspunt van het allochtonenbeleid neergelegd in de Nota Politie en Diversiteit (kamerstukken II, 1996/1997, 25 016, nr. 4). Hierbij is de gedachte dat de personele samenstelling van de politiekorpsen een representatieve doorsnede moet zijn van de samenstelling van de beroepsbevolking. Binnen dit onderdeel van het diversiteitsbeleid zal de komende jaren extra aandacht worden besteed aan een drietal groepen: vrouwen, allochtonen en homoseksuelen. Doelstelling van het beleid is, naast het bevorderen van de instroom van vrouwen en allochtonen, aandacht te besteden aan de politiecultuur. Hierbij staan integriteit en respect voor elkaar centraal.

* Allochtonenbeleid. De verschillende opvattingen en leefstijlen in de samenleving moeten doorklinken op alle niveaus binnen de politieorganisatie en zichtbaar zijn in het politieoptreden en dient als basis voor de legitimiteit en effectiviteit van de politie.

De korpsen hebben de opdracht de evenredige vertegenwoordiging en integratie van allochtonen binnen de politie te bevorderen en stellen daartoe, in het verlengde van het beleidsplan Politie en Diversiteit 1996–2000, een beleidsprogramma op. Ter ondersteuning van de vormgeving en uitvoering van het regionale allochtonenbeleid functioneert sinds juni 1997 een allochtonenhelpdesk bij het Nederlands Politie Instituut (NPI). Daarnaast heeft de helpdesk een expertise- en aanjaagfunctie. Daarnaast is een van de concrete activiteiten die voortvloeien uit het beleidsplan Politie en Allochtonen «een Kleurrijk korps» de ondersteuning van de korpsen bij het opzetten en voeren van een regionaal werving- en selectiebeleid. Het NPI is gevraagd hiervoor concrete voorstellen te doen.

* Emancipatiebeleid. Met name gaat de aandacht uit naar de vertegenwoordiging van vrouwen op de verschillende niveaus binnen de politie. Hieronder valt ook het opheffen van belemmeringen waarmee homoseksuelen binnen de organisatie worden geconfronteerd.

In 1997 is het beleid ten aanzien van homoseksuelen aan het diversiteitsbeleid toegevoegd. Maatregelen in dit kader richten zich met name op het veranderen van de attitude ten opzichte van homoseksuele collegae. In 1999 wordt het diversiteitsbeleid in een gezamenlijke inspanning met de korpsen verder geconcretiseerd.

Tevens wordt financiële ondersteuning verleend aan de Stichting Politie en Emancipatie voor het vormgeven en uitvoeren van emancipatiebeleid alsmede aan de Stichting Europees Netwerk, voor het onderhouden van het internationale netwerk.

In 2000 zal een evaluatie-onderzoek plaatsvinden naar de stand van zaken van het emancipatiebeleid bij de politie.

Politiële bedrijfsvoering. De Minister van BZK is verantwoordelijk voor (de kwaliteit van) het algemeen niveau van politiezorg in Nederland. Dit impliceert een algemene verantwoordelijkheid voor zowel de bedrijfsvoering in als de taakuitvoering door de korpsen. Teneinde deze verantwoordelijkheid waar te kunnen maken is inzicht in en invloed op het functioneren van de korpsen noodzakelijk. In 1999 zal een referentiekader resultaten politiewerk worden ontwikkeld op basis waarvan inzicht zal ontstaan in de prestaties van de korpsen. Dit referentiekader zal onderdeel uitmaken van het politie specifieke model Nederlandse kwaliteit waardoor het ook een rol krijgt in de kwaliteitszorg bij de politie. Tevens zal in 1999 een landelijke en regionale beleids- en beheerscyclus worden ontwikkeld waarbij het landelijke en regionale niveau optimaal op elkaar zullen gaan aansluiten. Daarbij zal aandacht worden besteed aan de mogelijkheid om landelijke prioriteiten voor de politie te vertalen naar het regionale niveau en de standaardisatie van de documenten uit de beleids- en beheerscyclus.

Rechtspositie. Artikel 50 van de Politiewet 1993 is nader uitgewerkt in het Besluit algemene rechtspositie politie. Dit besluit regelt onder meer het recht op functioneel leeftijdsontslag (FLO) bij het bereiken van de 60 jarige leeftijd. Op basis van de ontvangen begrotingen van de regionale politiekorpsen wordt voor de FLO-regeling een voorschot verstrekt van de regionaal geraamde FLO-kosten. Na ontvangst van de jaarrekening in het jaar volgend op het desbetreffende begrotingsjaar volgt de definitieve vaststelling van de FLO-bijdrage.

Met het inwerking treden van de regeling Flexibel Pensioen en Uittreden (FPU) per 1 april 1997 is voor nieuwe FLO-uitkeringen sprake van een gecombineerde FPU/FLO-uitkering. Dit houdt in dat de FPU-uitkering basisuitkering is en wordt opgehoogd tot FLO-niveau. De regionale politiekorpsen hebben ermee ingestemd dat deze gecombineerde uitkering door de Stichting ABP wordt verzorgd. Het FPU-deel van de uitkering komt ten laste van het fonds voor Vervroegd Uittreden (het zogenaamde VUT-fonds) en het FLO-deel komt direct voor rekening van het Ministerie van BZK. Voor de nieuwe gevallen vervalt om die reden de huidige regeling bevoorschotting. Hiertoe is een financieringsarrangement met de Stichting ABP gesloten. In het regeerakkoord is ten aanzien van de FLO-regeling een taakstelling/versobering overeen gekomen, die nog nader zal moeten worden ingevuld.

Onderwijs/loopbaanbeleid. De Ministers van Justitie en van BZK hebben opdracht gegeven voor de uitvoering van het project Toekomstig Onderwijs Politie (kamerstukken II, 1996/1997, 25 016, nrs. 5 en 18).

* Onderwijs. De belangrijkste doelen zijn het verbeteren van de kwaliteit van het onderwijs, een betere aansluiting tussen het onderwijs en de praktijk alsmede het verbeteren van de aansluiting tussen het reguliere en politie-onderwijs.

Achterliggende doelen zijn het vergroten van de flexibiliteit van de politieorganisatie, het bevorderen van de mobiliteit zowel binnen als buiten de organisatie en bredere inzetbaarheid van het politiepersoneel. In 1997 is de onderwijsvisie uitgewerkt die de basis vormt voor de vernieuwing van het politieonderwijs. De Ministers van Justitie en van BZK zullen de Tweede Kamer hierover medio 1998 informeren. In de eerste helft van 1998 wordt het projectprogramma uitgewerkt. Daarna worden voor diverse afzonderlijke taken binnen de politieorganisatie functieprofielen beschreven en kwalificaties vastgesteld. Op basis daarvan worden vervolgens onderwijsprofielen en -programma's uitgewerkt.

Tevens zal er een systeem van externe legitimering van de politie-examens worden ingevoerd.

* Toezicht eindtermen onderwijs. Op grond van de artikelen 10 en 12 van de LSOP-wet (inhoudende bepalingen inzake de landelijke werving, de selectie en het onderwijs voor de politie), wordt gecontroleerd op deelaspecten of binnen de nader te kiezen opleidingen zodanig onderwijs is gegeven dat de eindtermen zijn gehaald die door de ministers zijn vastgesteld. Als voorwaarde voor het behalen van de eindtermen zullen de werkplannen van het LSOP bekeken worden op de mogelijkheden die het geschetste onderwijsprogramma biedt ter realisering van de eindtermen.

Ten aanzien van de doorlichting van de werkplannen ligt er een relatie naar de vaststelling van de eindtermen van de aangewezen vervolgopleidingen. De prioriteit wordt in dit project gelegd bij de belangrijkste opleidingen uit de lijst van aangewezen opleidingen. Deze zullen in 1998 worden beoordeeld en vastgesteld. Naar verwachting zal van ruim 60% van de aangewezen opleidingen pas in 1999 voor vaststelling van de eindtermen in aanmerking komen. De vervolgopleidingen waarvan de eindtermen in 1998 in het kader van het voornoemde project opnieuw zijn vastgesteld zullen in 1999 worden geïnspecteerd teneinde vast te stellen of daadwerkelijk wordt voldaan aan de nieuwe eindtermen.

* Loopbaanbeleid. Op basis van de regeling vaststelling functiewaarderingssysteem Nederlandse Politie is het systeem van functiewaardering bij de politie (FuWa) vastgesteld.

Op basis van artikel 7, van het Besluit bezoldiging politie is de Regeling bezwarenprocedure functiewaardering politie tot stand gekomen. Deze regeling voorziet in een procedure bij bezwaren inzake functiewaardering. Op basis van artikel 11 van deze regeling is in 1995 de bezwarenadviescommissie ingesteld. Deze bezwarenadviescommissie adviseert het bevoegd gezag inzake bezwaren functiewaardering.

De Minister van BZK is als beheerder van het functiewaarderingssysteem belast met de vernieuwing en onderhoud aan het functiewaarderingssysteem. De Adviescommissie FuWa heeft hierbij tot taak de Minister van BZK te adviseren bij vernieuwing en onderhoud aan het functiewaarderingssysteem. Met de vernieuwing en het onderhoud aan het functiewaarderingssysteem en de daarin vastgelegde normering, wordt beoogd aansluiting te realiseren bij de ontwikkelingen in de praktijk om zodoende de toepassingsmogelijkheden en de acceptatie van het instrument te handhaven. De secretariële ondersteuning van de bezwarenadviescommissie wordt verzorgd door het CAOP.

Arbeidsmarkt- en opleidingsprojecten. Als uitvloeisel van de sectoralisatie van het arbeidsvoorwaardenoverleg is door de Commissie voor Georganiseerd Overleg in Politieambtenarenzaken een subsidiecommissie Arbeidsmarkt- en Opleidingsprojecten Politie ingesteld. Deze commissie bestaat uit twee vertegenwoordigers van de politievakorganisaties, een vertegenwoordiger van het Ministerie van BZK en een vertegenwoordiger van het Korpsbeheerdersberaad. De commissie kent zelfstandig subsidies toe aan de regionale politiekorpsen voor werkgelegenheids-, vormings- en scholingsprojecten alsmede voor projecten voor personen met een zwakke arbeidsmarktpositie.

Het financieel beheer wordt gevoerd door de Stichting CAOP. Deze legt jaarlijks rekening en verantwoording af aan het Ministerie van BZK.

Ziektekostenvergoeding. Per 1 januari 1996 is het vergoedingenstelsel van ziektekosten gewijzigd. Die wijziging houdt in dat kosten die voorheen werden vergoed uit het budget voor de uitvoering van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten met ingang van 1996 vergoed moeten worden door de ziektekostenverzekeraar. Voor politie is dit de DGVP.

Overig. De post overig bestaat uit een aantal elementen. De belangrijkste zijn:

* op verzoek kan een bijdrage worden verstrekt aan een aantal stichtingen die een sterke relatie hebben met de politie, zoals de Stichting Maatschappij en Politie en de Stichting Nederlandse Politie Museum;

* taken die door het NPI voor het Nationaal Milieubeleidsplan worden uitgevoerd;

* onderzoek dat zal worden verricht op het terrein van de taakontwikkeling van de politie;

* de Ambassaderaad te Parijs alsmede de coördinator politiële ondersteuning voor de Nederlandse Antillen en Aruba.

De cijfers

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U05.24t/m 19961997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998  87 309137 619217 123230 538227 538 
1e suppletore begroting 1998  112 2671 47098526 84426 944 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:        
Beleidsmatige mutaties        
1. taakstelling/ versobering FLO    – 3 000– 6 000– 9 000 
2. fraude   6 75013 50013 50013 500 
Beheersmatige mutaties        
3. Integraal Veiligheidsbeleid   220220220220 
4. geweldbeheersing/conferentie Kwaliteit  – 658– 350– 150   
5. GROT's  1 550     
6. Technologie en Samenleving  – 250     
7. mensensmokkel  7 2505 1305 1305 1305 130 
8. reparatie Wet van Otterloo   24242424 
9. toedeling loon-/prijsbij- stelling 1998  2 130– 1 069– 1 003– 968– 764 
10. technische bijstelling  55 819– 28 803– 19 513– 19 125– 2 431 
Stand ontwerp-begroting 1999188 803233 643265 417120 991213 316250 163261 161263 445
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U05.24 1997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998  182 261212 236217 136230 538227 538 
1e suppletore begroting 1998  62 26726 47025 98526 84426 944 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:        
Beleidsmatige mutaties        
1. taakstelling/ versobering FLO    – 3 000– 6 000– 9 000 
2. fraude   6 75013 50013 50013 500 
Beheersmatige mutaties        
3. Integraal Veiligheidsbeleid   220220220220 
4. geweldbeheersing/conferentie Kwaliteit  – 658– 350– 150   
5. GROT's  1 550     
6. Technologie en Samenleving  – 250     
7. mensensmokkel  7 2505 1305 1305 1305 130 
8. reparatie Wet van Otterloo   24242424 
9. toedeling loon-/prijsbij- stelling 1998  2 130– 1 069– 1 003– 968– 764 
Stand ontwerp-begroting 1999 230 664254 550249 411257 842269 288263 592271 592

De toelichting bij de cijfers

1. de invulling van de taakstelling/versobering FLO voortvloeiend uit het regeerakkoord.

2. een overboeking van het Ministerie van Financiën (aanvullende post) in verband met een intensivering van de aanpak fraudebestrijding.

3. een reallocatie van artikel 01.07 vanaf 1999 in verband met beëindiging van de projectstructuur Integraal Veiligheidsbeleid en opname hiervan binnen het Veiligheidsbeleid Openbare Orde en Veiligheid op dit artikel.

4. een reallocatie naar artikel 05.20 voor de financiering van de ontwikkeling van extra toetsen geweldbeheersing en het organiseren van een conferentie Kwaliteit.

5. een reallocatie van artikel 05.23 ten behoeve van de GROT's.

6. een overboeking naar het Ministerie van EZ voor (mede)financiering van het programma-onderdeel Technologie en Samenleving.

7. een reallocatie van artikel 05.23 in verband met de verantwoording op het juiste artikel van de financiering van de teams mensensmokkel.

8. een reallocatie van artikel 07.20 ter compensatie van de extra kosten voor de reparatie van de effecten van de Wet van Otterloo.

05.25. Exploitatiegarantie Nederlands Instituut voor Brandweer en Rampenbestrijding

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

Voor de jaren 1995 tot en met 1999 is aan het NIBRA een garantie verstrekt ten bedrage van f 0,5 mln om een eventueel exploitatietekort te dekken. Een voorwaarde voor de toekenning van de garantie is een begroting die door het Ministerie is goedgekeurd.

De cijfers

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U05.251997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 NihilNihilVervallen  
Stand ontwerp-begroting 1999NihilNihilNihil    
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U05.251997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 MemorieMemorieVervallen  
Stand ontwerp-begroting 1999NihilMemorieMemorie    

De toelichting bij de cijfers

De economische code van dit artikel is 43A, de functionele code is 03.4.

De garanties

Overzicht risico-ontwikkeling met betrekking tot garantie-overeenkomsten van het Rijk (x f 1 000)
U05.251997199819992000200120022003
garantieplafond  MemorieVervallen   
uitstaand risico per 1 januari 500MemorieVervallen   
vervallen of te vervallen garanties MemorieMemorieVervallen   
verleende of te verlenen garanties MemorieMemorieVervallen   
uitstaand risico per 31 december500MemorieMemorieVervallen   

05.26. Bijdragen Nederlands Instituut voor Brandweer en Rampenbestrijding

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

De grondslag van het beleid ligt in de Wet van 6 december 1995, houdende de wijziging van de Brandweerwet 1985 in verband met de oprichting van het NIBRA, en in het Besluit Nederlands instituut voor brandweer en rampenbestrijding van 10 februari 1996.

In artikel 18e Brandweerwet 1985 is bepaald dat het ministerie jaarlijks een bijdrage zal verstrekken in verband met de kosten van de in artikel 18a, tweede lid, bedoelde taken.

De taken van het NIBRA zijn:

* het verzorgen van de officiersopleidingen voor de brandweer die met een rijksexamen als bedoeld in artikel 15 van de Brandweerwet 1985 worden afgesloten;

* het verzorgen van de door het Ministerie aan te wijzen andere opleidingen die met een rijksexamen als bedoeld in artikel 15 worden afgesloten;

* het werven en selecteren van kandidaten voor de hiervoor genoemde opleidingen;

* het ontwikkelen van leerstof en instructiemethoden en -middelen voor de genoemde opleidingen.

Daarnaast kan het instituut onder andere de volgende werkzaamheden op het gebied van de brandweerzorg en de rampenbestrijding verrichten:

* verzorgen van opleidingen;

* ontwikkelen, instandhouden en beschikbaar stellen van expertise. De rijksbijdrage betreft:

– Opleidingen Adjunct-hoofdbrandmeester (AHBM) en Hoofdbrandmeester (HBM). In 1998 zullen 23 studenten tot 15 november 1998 de cursus AHBM volgen, waarvan twee uit Aruba. Geraamd wordt dat ingaande 1 oktober 1998 jaarlijks per opleiding 24 studenten deze cursus zullen volgen. Per 1 oktober 1998: 24 studenten inclusief twee studenten uit St. Maarten. Daarnaast zullen circa 15 studenten aan de opleiding HBM deelnemen. De bijdrage die wordt verstrekt betreft de salarissen (het geoormerkte deel van de bijdrage) en de overige kosten die bestaan uit de directe en indirecte kosten. Aangezien het aantal studenten is toegenomen is het geoormerkte deel van de bijdrage hierop aangepast. De salariskosten van de studenten uit Aruba en St. Maarten komen ten laste van de desbetreffende eilanden. Totaal bijdrage voor AHBM f 4,4 mln en voor HBM f 1,1 mln.

– Expertise, onderzoek en ontwikkelen opleidingen. Voor het ontwikkelen van leerstof en instructiemethoden en -middelen voor de aangewezen opleidingen is een bijdrage van f 0,6 mln geraamd.

– Bureau CCRB. Tussen het NIBRA en het College Commandanten Regionale Brandweren (CCRB) is een convenant gesloten. Het Bureau CCRB is opgericht voor het ter hand nemen van projecten die voor en door het veld zelf kunnen worden uitgevoerd. De bijdrage is maximaal f 0,2 mln per jaar. De bijdrage is ingegaan per 1 juli 1996 en eindigt op 1 juli 1999. Voor de duur van deze periode is de formatie verhoogd met twee arbeidsplaatsen. Bijdrage 1999: f 0,1 mln.

– Visitatiecommissie oefenen rampenbestrijding. Op grond van de aanbeveling van de Adviescommissie Oefenen Rampenbestrijding is bij het NIBRA de Visitatiecommissie oefenen rampenbestrijding in het leven geroepen. In de ondersteuning (het secretariaat) wordt door het NIBRA voorzien. Het betreft een bijdrage van maximaal f 0,050 mln per jaar voor een halve arbeidsplaats gedurende de periode 1 juli 1996 tot en met 1 juli 1999. Bijdrage 1999: f 0,030 mln.

De cijfers

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U05.26t/m 19961997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998  5 8375 9465 9565 9565 956 
1e suppletore begroting 1998  6 18585868787 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:        
Beheersmatige mutaties        
1. toename studenten  58811111111 
2. toedeling loon-/prijsbij- stelling 1998  5159616161 
3. technische bijstelling  14431  
Stand ontwerp-begroting 199910 89445112 8056 1046 1156 1156 1156 115
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U05.26 1997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998  6 0195 8375 9465 9565 956 
1e suppletore begroting 1998  8385868787 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:        
Beheersmatige mutaties        
1. toename studenten  366222111111 
2. toedeling loon-/prijsbij- stelling 1998  5159616161 
Stand ontwerp-begroting 1999 11 3456 5196 2036 1046 1156 1156 115

De toelichting bij de cijfers

1. een reallocatie van artikel 05.21 in verband met een toename van het aantal studenten.

2. een technische bijstelling van de verplichtingenraming in verband met de goedkeuring van de NIBRA-begroting 1999 in 1998 in plaats van in 1997.

De economische code van dit artikel is 43A, de functionele code is 03.4.

De kengetallen

(bedragen x f 1 000)
U05.26 1997 1998 1999
RAMINGSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
Aantal AHBM-studenten*19 26 27 
Gemiddelde bijdrage** 207 167 163
Toegelicht begrotingsbedrag 3 940 4 339 4 408

* Gemiddeld aantal studenten per begrotingsjaar inclusief Aruba en St. Maarten; 24 studenten per opleiding vanaf 1 oktober 1998 met een overlap van anderhalve maand.

** De gemiddelde bijdrage loopt af doordat bij toename van studenten de gemiddelde overige kosten per eenheid dalen.

05.27. Informatiebeleid Openbare Orde en Veiligheid

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

Op dit artikel worden diverse uitgaven geraamd op het terrein van het informatiebeleid openbare orde en veiligheid.

Het informatiebeleid voor de openbare orde en veiligheid richt zich op de organisaties betrokken bij de politiezorg, de brandweerzorg en (de voorbereiding op) de rampenbestrijding. Met name het bevorderen van de onderlinge samenhang in het informatiebeleid wordt daarbij nagestreefd. Standaardisatie en regelgeving zijn mechanismen om daarop invloed uit te oefenen. Samenwerking tussen en met de betrokken organisaties is daarnaast ook van groot belang. Het bevorderen van de samenwerking en het verhogen van het kennisniveau is dan ook een belangrijk middel om de doelstellingen te bereiken.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1 000) en de economische en functionele codering
U05.27/Artikelonderdeel1997199819992000200120022003Econ.Funct.
01 Uitgaven Informatiebeleid Openbare Orde en Veiligheid algemeen36 46440 40455 21360 97449 08849 09049 0905203.2
02 Groot project C200013 94030 000122 902175 301149 300149 300117 3005203.2
Totaal50 40470 404178 115236 275198 388198 390166 390  

Artikelonderdeel 01. Uitgaven Informatiebeleid Openbare Orde en Veiligheid algemeen. Ten laste van dit artikelonderdeel worden de volgende activiteiten gefinancierd:

1. Strategisch en Algemeen beleid. Het informatiebeleid voor de openbare orde en veiligheid richt zich op de organisaties betrokken bij de politiezorg, de brandweerzorg en (de voorbereiding op) de rampenbestrijding. Met name het bevorderen van de onderlinge samenhang wordt daarbij nagestreefd. Standaardisatie en regelgeving zijn mechanismen om daarop voldoende invloed uit te oefenen. Samenwerking tussen en met de betrokken organisaties is daarnaast ook van groot belang. Het bevorderen van de samenwerking en het verhogen van het kennisniveau is dan ook een belangrijk middel om deze doelstellingen te bereiken. In 1999 zal onder meer een strategie-conferentie worden georganiseerd. Ten behoeve van activiteiten op het terrein van strategisch en algemeen beleid is in 1999 een budget van circa f 0,2 mln geraamd.

2. Uitvoering regeringsstandpunt op basis van het Beleidsadviescollege voor de Politiële Informatievoorziening (BPI).

* Standaardberichten. De Regiecommissie standaardisatie politiële informatievoorziening is ingesteld door de Ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie (EIB96/U265). De Regiecommissie heeft tot taak zorg te dragen voor de totstandkoming van een consistent pakket van standaarden en uniforme procedures op het terrein van de bovenregionale elektronische informatie-uitwisseling, opdat er eenheid en samenhang ontstaat in de elektronische uitwisseling van informatie tussen Nederlandse politiekorpsen en andere organisaties. Voorts bevordert zij de implementatie van deze standaarden en procedures. In 1999 is voor activiteiten gericht op het onderzoeken en ontwikkelen van standaarden een budget geraamd van f 3,6 mln.

* Beveiliging. Veiligheid van informatievoorziening is een knelpunt. In het kader van de uitvoering BPI is een project gestart waarbinnen inmiddels de Regeling Informatiebeveiliging Politie (RIP) (Stcrt. 1998, nr. 134) is uitgebracht en een Expertisecentrum informatiebeveiliging Nederlandse politie is opgericht. Dit expertisecentrum heeft tot taak de politiekorpsen te ondersteunen bij de uitvoering van de RIP. Het centrum ontwikkelt daartoe een stelsel van criteria, normen en instrumenten (waaronder handreikingen, opleidingen en audits).

Interdepartementaal is er het Bijzondere InformatiebeveiligingsBeraad dat onder meer de ontwikkeling van een aantal technische hulpmiddelen voor informatiebeveiliging coördineert. Op dit moment wordt de zogenaamde Vercijferkaart ontwikkeld (doorlooptijd ontwikkeling 1997–1999). Voor beveiligingsactiviteiten is in 1999 een budget geraamd van f 3,5 mln.

* Vernieuwing Landelijke Systemen. In nauwe samenwerking met het politieveld wordt een strategische visie ontwikkeld op de politiële informatievoorziening. Deze visie is noodzakelijk om op een verantwoorde wijze en toekomstgericht de landelijke systemen opnieuw in te richten en tevens de samenhang met de regionale informatiehuishoudingen te waarborgen.

Het overleg met het politieveld is geïntensiveerd om in 1998 zodanige resultaten te boeken, dat aan de voorbereidingen voor vernieuwing kan worden begonnen. Eerst dan zal het mogelijk zijn een nadere invulling aan de projectplannen voor 1999 en volgende jaren te geven. Voor de projecten gericht op vernieuwing van de landelijke systemen is in 1999 een budget geraamd van f 2,8 mln.

3. Geïntegreerd meldkamer systeem (GMS). Met het GMS-project wordt beoogd een geïntegreerd meldkamer systeem te ontwikkelen, dat in alle meldkamers van politie, brandweer en CPA kan worden toegepast, ongeacht hoe deze georganiseerd zijn. Dit past in het beleid van de Ministeries van BZK en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, dat gericht is op het bevorderen van een intensieve samenwerking tussen de drie disciplines en daarbij schaalvergroting en co-locatie van meldkamers stimuleert. Het gebruik van een GMS is een noodzakelijke voorwaarde om deze doelstelling te kunnen realiseren. In 1999 zijn activiteiten voorzien gericht op implementatie van GMS in een aantal meldkamers. Het geraamde budget voor 1999 bedraagt f 11,6 mln.

4. Landelijke alarmnummer 112. Voor het inroepen van spoedeisende hulp kan de burger in Nederland gebruik maken van een landelijk alarmnummer. Voor de afhandeling van deze hulpoproepen is een communicatienetwerk ingericht waarin drieëntwintig 112-alarmcentrales zorgdragen voor de doorschakeling van 112-oproepen naar de achterliggende meldkamers van brandweer, ambulance en politiediensten. Het beheer van het netwerk is in handen gelegd van het Ministerie van BZK/agentschap ITO (IT-organisatie). Voor instandhouding en modernisering van het alarmnummer is in 1999 een budget geraamd van f 2,5 mln. De moderniseringsactiviteiten richten zich onder andere op een verdere verbetering van de bevragingsfunctie en de ontwikkeling van een kwaliteitsplan.

5. Overige projecten.

* Millennium. Binnen het kabinet is afgesproken dat een ministerie, naast de zorg voor het millenniumbestendig maken van de eigen (interne) systemen, tevens de voortgang faciliteert en monitort ten aanzien van het goed blijven functioneren van de systemen van de daaronder ressorterende zelfstandige bestuursorganen. Voor de openbare orde en veiligheid betekent dit dat nadrukkelijke aandacht besteed wordt aan politie- en brandweerregio's.

In 1997 en 1998 is van alle objecten vastgesteld of deze een millenniumprobleem hebben. In de meeste gevallen zijn de problemen opgelost en zijn deze op millenniumbestendigheid getest. Voor enkele systemen heeft de test nog niet kunnen plaatsvinden. Deze testen zullen in 1999 plaatsvinden. Voorts dienen voor de maatschappelijk vitale systemen noodscenario's opgesteld te worden, zodat alternatieven beschikbaar zijn indien er zich toch problemen voordoen. Voor 1999 is voor deze activiteiten vooralsnog een budget geraamd van f 2,2 mln.

* Interceptie. In de afgelopen twee jaar is, ook in het kabinet, aandacht gegeven aan de oplopende complexiteit van de voorzieningen voor de interceptie van telecommunicatie. Als gevolg hiervan is interimwetgeving vervaardigd die aan telecommunicatie-aanbieders de verplichting oplegt de aangeboden infrastructuur toegankelijk te maken voor interceptie ten behoeve van nationale veiligheid en opsporing.

Voorzien kan worden dat de huidige interceptievoorzieningen bij de Nederlandse politie aanzienlijk dienen te worden aangepast aan de nieuwe technieken en de groei van de informatiestromen. Aan het agentschap ITO wordt in 1999 een opdracht verstrekt voor het in kaart brengen van deze nieuwe ontwikkelingen. Hiertoe is een bedrag geraamd van f 0,4 mln.

6. Beheer Landelijke systemen. Het doel van strategisch beheer van de landelijke systemen is een goede informatievoorziening en -uitwisseling op landelijk en internationaal gebied mogelijk te maken voor de sector openbare orde en veiligheid. Soms is het daarbij nodig ook op korpsniveau gemeenschappelijke voorzieningen te treffen. Daarbij wordt gedacht aan analyse van de interne omgeving, het vaststellen van budgetten, het formuleren van productiedoelstellingen voor beheer en het stimuleren van standaardisatie. De volgende landelijke systemen bevinden zich in de beheerfase:

* infrastructurele voorzieningen

– Nationaal Noodnet,

– PODACS, Politie Datacommunicatie Systeem,

– Radiofrequenties,

– ILM, Interim Landelijk Mobilifoonnet,

– NMR, Nationaal Meetnet Radioactiviteit.

* Informatiesystemen

– ARBAC, Automatisering van de Regionale Brandweer Alarm Centrales,

– DGS, Database Gevaarlijke Stoffen,

– HKS, Herkennings Dienst Systeem,

– LIST, Toegangsintegratie Landelijke Systemen,

– Mobipol, de mobiele versie van LIST,

– Sybase, database management systeem,

Voor zover nodig, is voor de bovengenoemde systemen ontwikkel- en productiecapaciteit ingehuurd bij het rekencentrum van het agentschap ITO. Voor het beheer van de landelijke systemen is in 1999 een budget geraamd van f 27,5 mln.

Artikelonderdeel 02. Groot project C2000. De primaire doelstelling van project C2000 is de vervanging van de huidige, veelal technisch gedateerde en economisch afgeschreven radionetten, door één, digitaal netwerk voor gezamenlijk gebruik door de diensten op het gebied van openbare orde, noodhulpverlening en veiligheid. Het nieuwe radionetwerk C2000 zal de aangemelde knelpunten op het gebied van gesprekscapaciteit en dekking opheffen en nieuwe gebruiksmogelijkheden bieden. Het opent de weg naar nieuwe vormen van operationele samenwerking tussen brandweer-, politie- en ambulancediensten hetgeen kan leiden tot een effectievere hulpverlening en taakuitoefening. In 1998 zal naar verwachting gunning van het project C2000 plaatshebben, waarna in 1999 begonnen wordt met de implementatie in de proefregio.

De cijfers

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U05.27t/m 19961997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998  82 943165 114171 414175 466175 566 
1e suppletore begroting 1998  – 14 342– 7 37144 7682 8652 865 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:        
Beleidsmatige mutaties        
1. omlegging geldstromen   19 04119 04119 04119 041 
Beheersmatige mutaties        
2. financiering personele formatie IBOOV   – 300– 300– 300– 300 
3. toedeling loon-/prijsbij- stelling 1998  2361 1591 1911 2161 218 
4. technische bijstelling  – 11 385– 1 324– 190– 190– 50 
Stand ontwerp-begroting 199956 71153 05457 452176 319235 924198 098198 340166 390
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U05.27 1997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998  84 510165 586171 575175 566175 566 
1e suppletore begroting 1998  – 14 342– 7 37144 7682 8652 865 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:        
Beleidsmatige mutaties        
1. omlegging geldstromen   19 04119 04119 04119 041 
Beheersmatige mutaties        
2. financiering personele formatie IBOOV   – 300– 300– 300– 300 
3. toedeling loon-/prijsbij- stelling 1998  2361 1591 1911 2161 218 
Stand ontwerp-begroting 1999 50 40470 404178 115236 275198 388198 390166 390

De toelichting bij de cijfers

1. een overboeking van het Ministerie van Justitie in verband met de overgang van het agentschap ITO van het Ministerie van Justitie naar het Ministerie van BZK.

2. een reallocatie naar artikel 05.28 ten behoeve van financiering personele formatie afdeling Informatiebeveiliging Openbare Orde en Veiligheid (IBOOV).

De kengetallen

Doeltreffendheidskengetal: bekendheid nieuw alarmnummer 112.

Doelstelling: 97% (gelijk aan bekendheid oude alarmnummer 06–11).

Gemeten realisatie: 97% (waarvan 85% direct het nieuwe nummer kende en 12% wist dat het oude nummer gewijzigd was). De komende jaren zal periodiek de bekendheid (opnieuw) worden gemeten.

05.28. Personeel en materieel Openbare Orde en Veiligheid

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

Op dit artikel worden zowel de personele als materiële uitgaven geraamd van het Directoraat-Generaal Openbare Orde en Veiligheid (DGOOV)

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1 000) en de economische en functionele codering
U05.28/Artikelonderdeel1997199819992000200120022003Econ.Funct.
01 Ambtelijk personeel33 45434 26434 85534 88834 96434 96434 9641101.1
02 Overig personeel1 5253 0522 7222 7362 7312 6312 6311201.1
03 Post-actieven1504735405405405405401101.1
04 Materieel3 5992 6562 5292 4982 4982 4982 4981201.1
Totaal38 72840 44540 64640 66240 73340 63340 633  

Artikelonderdeel 01. Ambtelijk personeel. Op dit artikelonderdeel worden de uitgaven geraamd voor de loonkosten van actief personeel en niet-actief personeel met een ambtelijke aanstelling.

Artikelonderdeel 02. Overig personeel. Op dit artikelonderdeel worden de uitgaven geraamd voor inhuur van personeel, zijnde uitzendkrachten en ander vervangend personeel, zonder ambtelijke aanstelling, alsmede de uitgaven voor vorming en opleiding.

Artikelonderdeel 03. Post-actieven. Op dit artikelonderdeel worden de uitgaven geraamd voor de uitkeringen met betrekking tot non-activiteitswedden en wachtgelden in het kader van personeel werkzaam (geweest) bij DGOOV.

Artikelonderdeel 04. Materieel. Op dit artikelonderdeel worden de exploitatie-uitgaven geraamd. Dit betreft ondermeer de materiële uitgaven voor huisvesting, representatie, reiskosten en kantoorbenodigdheden.

De cijfers

Opbouw (verplichtingen =) uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U05.281997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 37 31236 99536 93937 00637 006 
1e suppletore begroting 1998 2 5402 7222 7932 7972 697 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:       
Beheersmatige mutaties       
1. financiering personele formatie IBOOV  300300300300 
2. toedeling loon-/prijsbijstelling 1998 593629630630630 
Stand ontwerp-begroting 199938 72840 44540 64640 66240 73340 63340 633
 (40 012)      

De toelichting bij de cijfers

1. een reallocatie van artikel 05.27 ten behoeve van financiering personele formatie afdeling IBOOV.

De kengetallen

(bedragen x f 1 000)
U05.28 1997 1998 1999
RAMINGSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
Gemiddelde bezetting ambtelijk personeel320 320 315,3 
Gemiddeld aantal post-actief  6 6 
Gemiddelde salariskosten ambtelijk personeel* 105 107 110
Gemiddelde salariskosten post-actief   90 90
Toegelicht begrotingsbedrag 33 454 34 264 34 855

* De stijging in de gemiddelde salariskosten wordt met name veroorzaakt door de reguliere loonontwikkeling.

06. Binnenlandse Veiligheidsdienst

Uitgaven (x f 1 000)
 199819992000200120022003
Raming hoofdbeleidsterrein 0683 64084 83185 01385 24085 34185 441

De Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) heeft tot taak bij te dragen aan de bescherming van de democratische rechtsorde, de veiligheid van de staat en de instandhouding van het maatschappelijk leven. De BVD verzamelt daartoe gegevens over verschijnselen in de samenleving die een aantasting kunnen betekenen van een veiligheidsbelang, stelt onderzoeken in naar personen die een vertrouwensfunctie (gaan) vervullen en verstrekt adviezen omtrent de beveiliging van staatsgeheimen en van vitale voorzieningen in de samenleving.

Het wettelijk kader van de BVD bestaat uit de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Wiv) en Wet veiligheidsonderzoeken (Wvo). Bovengenoemde taken vloeien voor uit de Wiv. Een herziening van de Wiv is inmiddels bij het parlement aanhangig gemaakt. De regeling voor het aanwijzen van vertrouwensfuncties en het verrichten van veiligheidsonderzoeken is vastgelegd in de Wvo (1997).

Met de uitvoering van zijn taken geeft de BVD mede invulling aan het integrale veiligheidsbeleid van het kabinet. In het beleid wordt nadruk gelegd op samenwerking op nationaal en internationaal niveau tussen overheden, maatschappelijke organisaties, het bedrijfsleven en individuele burgers.

De BVD is doende zijn interne organisatie en bedrijfsvoering verder te verbeteren. Hierdoor wordt de uitvoering van de operationele kerntaken van de BVD beter aangepast aan de eisen van de huidige tijd.

Op dit hoofdbeleidsterrein worden de personele, materiële en geheime uitgaven geraamd die nodig zijn voor de uitvoering van de taken van de BVD binnen de wettelijke kaders.

06.01. Personeel en materieel Binnenlandse Veiligheidsdienst

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

Op dit artikel worden zowel de personele als de materiële uitgaven van de BVD geraamd.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1 000) en de economische en functionele codering
U06.01/Artikelonderdeel1997199819992000200120022003Econ.Funct.
01 Personeel53 07556 23459 23359 31559 44259 44259 4421103.6
02 Materieel18 78423 42720 71920 71920 71920 72020 7201203.6
03 Post-actieven3589009009009009009001103.6
Totaal72 21780 56180 85280 93481 06181 06281 062  

Artikelonderdeel 01. Personeel. Op dit artikelonderdeel worden de personele uitgaven van de BVD geraamd.

Artikelonderdeel 02. Materieel. Op dit artikelonderdeel worden de materiële uitgaven van de BVD geraamd. De materiële uitgaven hebben met name betrekking op de bedrijfsvoering van de dienst. Daarnaast worden op dit artikel uitgaven geraamd in verband met acquisitie van informatie en technische investeringen.

Artikelonderdeel 03. Post-actieven. Op dit artikelonderdeel worden de uitkeringen met betrekking tot non-activiteitswedden en wachtgelden, betrekking hebbend op personeel dat werkzaam is geweest bij de BVD, geraamd.

De cijfers

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U06.011997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 73 28373 54773 68073 79973 799 
1e suppletore begroting 1998 4 3454 9004 9164 9234 923 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:       
Beleidsmatige mutaties       
1. capaciteitsuitbreiding 800800800800800 
Beheersmatige mutaties       
2. lokaal personeel buitenlandse posten – 15– 15– 15– 15– 15 
3. toedeling loon-/prijsbijstelling 1998 1 4941 5531 5531 5541 555 
4. technisch-administratieve bijstelling 624  
Stand ontwerp-begroting 199972 21380 53180 78580 93481 06181 06281 062
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U06.011997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 73 93773 61473 68073 79973 799 
1e suppletore begroting 1998 4 3454 9004 9164 9234 923 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:       
Beleidsmatige mutaties       
1. capaciteitsuitbreiding 800800800800800 
Beheersmatige mutaties       
2. lokaal personeel buitenlandse posten – 15– 15– 15– 15– 15 
3. toedeling loon-/prijsbijstelling 1998 1 4941 5531 5531 5541 555 
Stand ontwerp-begroting 199972 21780 56180 85280 93481 06181 06281 062

De toelichting bij de cijfers

1. een reallocatie van artikel 01.01 voor capaciteitsuitbreiding.

2. een overboeking naar het Ministerie van Buitenlandse Zaken ten behoeve van lokaal personeel op buitenlandse posten.

De kengetallen

(bedragen x f 1 000)
U06.01/Artikelonderdeel 01 1998 1999 2000
RAMINGSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
Gemiddelde ambtelijke bezetting546 565 567 
Gemiddelde salariskosten 99 100,6 100,8
Toegelicht begrotingsbedrag 54 034 56 833 57 115
Overige personele uitgaven* 2 200 2 400 2 200
Totaal 56 234 59 233 59 315

* Op de post overige personele uitgaven worden uitgaven geraamd voor vorming en opleiding, de meeruitgaven voor de liaisons en de uitgaven voor de inhuur van externen en uitzendkrachten.

06.03. Geheime uitgaven

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

Op dit artikel worden de uitgaven van de BVD met een geheim karakter geraamd. In het meerjarencijfer is een jaarlijkse groei van f 0,1 mln opgenomen, hetgeen voortvloeit uit een afspraak in het verleden om dit artikel loon- en prijsongevoelig te ramen.

De cijfers

Opbouw (verplichtingen =) uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U06.031997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 3 0793 9794 0794 1794 279 
Stand ontwerp-begroting 19994 4793 0793 9794 0794 1794 2794 379

De toelichting bij de cijfers

De economische code van dit artikel is 12, de functionele code is 03.6.

07. Management en Personeelsbeleid

Uitgaven (x f 1 000)
 199819992000200120022003
Raming hoofdbeleidsterrein 07335 691325 712312 459293 404284 048284 048

Doelstelling en instrumenten van beleid

De Minister van BZK heeft een coördinerende verantwoordelijkheid voor een verantwoord personeelsbeleid bij de overheid in brede zin. Dat wil zeggen in alle acht sectoren. Tevens is de Minister van BZK werkgever voor de sector Rijk.

Vanuit deze verantwoordelijkheid heeft de Minister van BZK een specifieke taakstelling met betrekking tot de factor arbeid in brede zin binnen de overheid. Deze verantwoordelijkheid is gebaseerd op:

* Wet- en regelgeving. Deze draagt de Minister van BZK onder andere op de rechtspositie van politieke en ambtelijke bestuurders en van delen van het overheidspersoneel te regelen. Dit is onder meer vastgelegd in het Besluit Coördinatie Rijkspersoneelsaangelegenheden, het Algemeen Rijksambtenarenreglement en het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren.

* Specifieke besluitvorming binnen de ministerraad. Deze kent aan de Minister van BZK een coördinerende taak toe. Hierbij gaat het met name om het instellingsbesluit van de Raad voor de Rijksdienst en Inkomensaangelegenheden.

Op de eerste plaats worden op dit hoofdbeleidsterrein de uitgaven geraamd die samenhangen enerzijds met besluitvorming gericht op de toedeling van de financiële ruimte aan de verschillende overheidssectoren en anderzijds met besluitvorming gericht op de onderhandelingsinzet van de rijkssectorwerkgevers, waaronder die van de sectorwerkgever Rijk.

Deze algehele doelstelling vertaalt zich voor het Directoraat-Generaal Management en Personeelsbeleid (DGMP) in een tweetal hoofdtaken:

* Het door middel van beleidsontwikkeling, advisering en regelgeving ondersteunen van de Minister van BZK als coördinerend minister voor het overheidspersoneelsbeleid.

* Het ervoor zorgdragen dat de ministeries (van de sector Rijk) afzonderlijk en gezamenlijk in staat zijn zo goed mogelijk als werkgever en als efficiënte en effectieve organisatie te functioneren.

Om deze doelstelling te bereiken worden onder andere de volgende activiteiten verricht:

* het beheren van het sectorenmodel;

* het vaststellen van de financiële arbeidsvoorwaardenruimte ten behoeve van de verschillende sectoren;

* het onderhandelen en het voeren van overleg met de ambtenarenbonden in de sector Rijk;

* het toetsen van de onderhandelingsakkoorden in de rijkssectoren;

* het doen van onderzoek naar de werking van de markt voor overheidspersoneel;

* het systematisch verzamelen, analyseren, beoordelen en publiceren van gegevens met betrekking tot de factor arbeid in de collectieve sector;

* de ministeries adviseren over de inrichting van de organisatie en formatie;

* het ondersteunen van organisaties die de belangen behartigen van overheidspersoneel of van organisaties die ondersteuning bieden aan werkgevers- of werknemersorganisaties.

Op de tweede plaats worden op dit hoofdbeleidsterrein uitgaven geraamd die samenhangen met een aantal regelingen en voorzieningen met betrekking tot de financiële rechtspositie van actief en post-actief (gewezen) overheidspersoneel.

Bijzondere voorzieningen ten behoeve van (gewezen) overheidspersoneel zijn onder andere:

* verschillende rechtspositionele regelingen op het gebied van pensioenen, wachtgelden en uitkeringen;

* een regeling voor een tegemoetkoming in de ziektekosten ten behoeve van (gewezen) overheidspersoneel;

* faciliteiten voor vorming en opleiding van delen van het overheidspersoneel.

Voor een betere begrotingspresentatie wordt voorgesteld de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen (SAIP)-artikelen 07.12 tot en met 07.15 vanaf 1999 samen te voegen tot een nieuw artikel 07.22 «Rechtspositie post-actieven (voormalige) overzeese gebiedsdelen» en de artikelen 07.12 tot en met 07.15 vanaf 1999 te laten vervallen.

07.02. Vormings- en opleidingsbeleid

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

Op dit artikel worden de uitgaven in het kader van vormings- en opleidingsactiviteiten geraamd.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1 000) en de economische en functionele codering
U07.02/Artikelonderdeel1997199819992000200120022003Econ.Funct.
07 Uitgaven in het kader van vormings- en opleidingsactiviteiten14 88315 38615 44115 41615 42015 42015 42043C06.40
09 Subsidies aan de Stichting Europees Instituut Bestuurskunde (EIB)50051251251251251251243A01.34
13 Jongerenproject 3 89214 18717 9337 393  43A01.33
Totaal15 38319 79030 14033 86123 32515 93215 932  

Artikelonderdeel 07. Uitgaven in het kader van vormings- en opleidingsactiviteiten. De verplichtingen en uitgaven, die op dit artikelonderdeel worden geraamd hebben betrekking op de bijdragen aan de Stichtingen A&O fonds Rijk en Gemeenten. Uit deze fondsen worden in de sectoren Rijk en Gemeenten arbeidsmarkt- en opleidingsactiviteiten gesubsidieerd. Beide fondsen zijn particuliere stichtingen. Zij worden beheerd door een paritair samengesteld bestuur van werkgevers en werknemers. Door middel van een beleidsplan, een beleidsjaarverslag en een jaarrekening leggen de stichtingen verantwoording af aan de Minister van BZK. Op grond van de Bijdragebeschikking Stichting A&O fonds Rijk is het Ministerie van BZK gehouden bij opzegging van de regeling een opzegtermijn van drie jaar in acht te nemen.

Artikelonderdeel 09. Bijdrage aan de Stichting Europees Instituut Bestuurskunde (EIB). In 1995 heeft het kabinet besloten dat de totale Nederlandse bijdrage aan de Stichting EIB vanaf 1997 wordt voortgezet voor nagenoeg hetzelfde bedrag als in voorgaande jaren (circa f 2,5 mln per jaar). Deze bijdrage wordt gefinancierd uit de begrotingen van de Ministeries van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (circa f 1,5 mln), van Buitenlandse Zaken (circa f 0,5 mln) en van BZK (circa f 0,5 mln). De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen is namens Nederland de eerst verantwoordelijke voor het EIB. In het bestuur zijn vertegenwoordigd de Ministeries van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, van Buitenlandse Zaken en van BZK. Met deze bijdrage wordt beoogd het EIB een basisfinanciering te verschaffen voor het in stand houden van een advies-, onderzoeks- en opleidingscapaciteit ten behoeve van de Europese Samenwerking.

Artikelonderdeel 13. Jongerenproject. Op dit artikelonderdeel worden geraamd de subsidies aan ministeries en Hoge Colleges van Staat als bijdrage in de loonkosten van trainees, alsmede de kosten voor bovendepartementale activiteiten (werving, selectie en opleiding).

In 1998 is een interdepartementale campagne gestart voor het werven van een jonge generatie die schaars vertegenwoordigd is onder het rijkspersoneel. Dit project komt voort uit een afspraak in de arbeidsvoorwaardenovereenkomst voor de sector Rijk 1997–1999. In het licht van de verkrappende arbeidsmarkt en de toenemende vervangingsvraag wordt hiermee tevens de communicatie tussen de rijksdienst en het relevante aanbod geïntensiveerd.

In 1999 worden evenals in 1998 circa 140 pas afgestudeerde HBO'ers en WO'ers aangetrokken als trainee bij de ministeries en Hoge Colleges van Staat. Bij de werving en selectie van het tweede cohort wordt rekening gehouden met de uitkomst van de in 1998 uitgevoerde evaluatie.

De trainees krijgen een bovenformatieve aanstelling voor een periode van twee jaar. In het eerste jaar volgen zij een bovendepartementaal opleidingsprogramma. In het tweede jaar wordt aan een rijksbrede inzetbaarheid invulling gegeven via een detachering van minimaal drie maanden bij een ander ministerie.

De trainees volgen voorts op departementaal niveau verdere introductie- en opleidingsprogramma's. Persoonlijke begeleiding wordt gegeven door speciaal hiervoor aangewezen coaches en/of mentoren.

Na twee jaar kunnen de trainees bij gebleken geschiktheid in aanmerking komen voor instroom in een reguliere functie in de rijksoverheid.

De cijfers

Opbouw (verplichtingen =) uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U07.021997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 15 16615 14115 11615 11915 119 
1e suppletore begroting 1998 429494494495495 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:       
Beleidsmatige mutaties       
1. Jongerenproject 3 89214 18717 9337 393  
Beheersmatige mutaties       
2. toedeling loon-/prijsbijstelling 1998 303318318318318 
Stand ontwerp-begroting 199915 38319 79030 14033 86123 32515 93215 932

De toelichting bij de cijfers

1. een reallocatie van artikel 01.03 voor de uitvoering van het Jongerenproject. De middelen voor het project zijn in eerste instantie, als kabinetsbijdrage, gereserveerd in de aanvullende post loonbijstelling.

07.03. Onderzoek en analyse van de arbeidsmarkt en personeelsmanagement bij de overheid

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

Op dit artikel worden uitgaven geraamd voor onderzoek en analyse van de arbeidsmarkt en personeelsmanagement bij de overheid in het algemeen en bij de sector Rijk in het bijzonder.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1 000) en de economische en functionele codering
U07.03/Artikelonderdeel1997199819992000200120022003Econ.Funct.
01 Specifieke uitgaven algemeen beheer5 784      1201.33
05 Arbeidszaken overheid 2 3882 0881 7891 7901 7901 7901201.33
06 Personeelsmanagement in de sector Rijk 3 8373 9253 7553 7553 7553 7551201.33
Totaal5 7846 2256 0135 5445 5455 5455 545  

Artikelonderdeel 05. Arbeidszaken overheid. De Minister van BZK is als coördinerend bewindspersoon verantwoordelijk voor het functioneren van het sectorenmodel en de beheersbaarheid en samenhang van de arbeidsvoorwaarden bij de overheid. In aansluiting daarop wordt beleidsinhoudelijke ondersteuning verleend aan het Verbond Sectorwerkgevers Overheid.

Ten behoeve van die coördinatie en ondersteuning wordt de noodzakelijke expertise onderhouden, met als doel de ontwikkeling en uitvoering van een adequaat arbeidsmarktbeleid. Hiervoor worden op basis van statistieken, enquêtes, administratieve databestanden, etcetera in eigen beheer analyses uitgevoerd. Daarnaast wordt ook onderzoek uitbesteed. Hierbij kan onder andere gedacht worden aan onderzoek naar de beloningsverhoudingen tussen de overheid en de marktsector.

Verder geeft het Ministerie van BZK een financiële bijdrage aan de ontwikkeling en uitvoering van het onderzoeksprogramma van de Organisatie voor Strategisch Arbeidsmarktonderzoek. De aldus verkregen inzichten vormen een basis voor de beleidsontwikkeling ten aanzien van de jaarlijkse vaststelling van de arbeidsvoorwaardenruimte voor ambtenaren en van de verdeling ervan over de verschillende overheidssectoren. De resultaten van het uitbesteed onderzoek en van eigen analyses worden onder andere verwerkt in de jaarlijks te publiceren Arbeidsmarktrapportage Overheid, Kerngegevens Overheidspersoneel en Trendnota Arbeidszaken. De Trendnota wordt als bijlage ingediend bij de begroting en verschaft onder meer inzicht in de arbeidsvoorwaarden, loonkosten, sociale regelingen, premies en arbeidsverhoudingen.

In verband met de voorgenomen sectoralisatie van de overheidspensioenen wordt aandacht besteed aan de gevolgen hiervan. Dit geldt ook voor de beëindiging per 1 januari 2001 van de gedwongen winkelnering, zoals deze is neergelegd in de Wet Privatisering ABP.

Vanaf 1996 wordt een bijdrage verstrekt aan de Raad voor het Overheidspersoneel. De bijdrage is bestemd voor het (laten) uitvoeren van onderzoek op het gebied waarover in de Raad afstemming plaatsvindt tussen de sociale partners.

Het Ministerie van BZK onderhoudt internationale contacten op het gebied van management en personeelsbeleid. De hier geraamde uitgaven hebben betrekking op de ontwikkeling van opleidingen voor ambtenaren in Europees verband en het realiseren van stages voor ambtenaren uit Midden- en Oost-Europese landen bij de overheid in Nederland. Ook wordt ambtelijke deskundigheid ingezet ter voorbereiding van deze landen op hun mogelijke toetreding tot de Europese Unie.

Per 1 februari 1997 is de Wet veiligheidsonderzoeken (Wvo) in werking getreden. Op grond van deze wet adviseert een interdepartementaal samengestelde commissie over beslissingen naar aanleiding van bezwaarschriften tegen beslissingen die zijn genomen op grond van die wet.

Het Wetsvoorstel leeftijdsdiscriminatie is in behandeling bij de Tweede Kamer. Hieruit vloeien extra werkzaamheden voort voor de Commissie Gelijke Behandeling. De financiering hiervan vindt plaats door de Ministeries van BZK, van Justitie en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Artikelonderdeel 06. Personeelsmanagement in de sector Rijk. De nota Mensen en Management in de Rijksdienst (M&M) wordt jaarlijks gepubliceerd, tegelijk met de begroting, op Prinsjesdag en wordt aangeboden aan de Tweede Kamer. M&M is het voertuig waarmee PMR richting de politiek verantwoordelijken en het ambtelijk management in de sector Rijk aangeeft wat de belangrijkste ontwikkelingen van het gevoerde en te voeren personeelsbeleid in de sector Rijk zijn.

Voor een groot deel van de benodigde informatie worden opdrachten verstrekt aan de dienst Informatievoorziening Overheidspersoneel (IVOP), een van de agentschappen van het Ministerie van BZK.

Thema's in M&M 1998 zijn onder andere: de arbeidsmarktpositie, modernisering van de arbeidsvoorwaarden en scholing in de sector Rijk.

De Arbeidsmarktmonitor Rijksdienst, die medio 1998 voor het eerst is uitgebracht, wordt verder uitgewerkt en verfijnd, en in overleg met de ministeries toegespitst op specifieke arbeidsmarktknelpunten. Daartoe wordt door middel van onderzoek relevante arbeidsmarktinformatie verzameld. De informatie van de Arbeidsmarktmonitor Rijksdienst kan onder meer van dienst zijn bij de voorbereiding van het arbeidsvoorwaardenoverleg in 1999. Ook kan de informatie die voor de Arbeidsmarktmonitor is vergaard gebruikt worden voor het richting geven aan het organisatiebeleid en de arbeidsmarktcommunicatie van de Rijksdienst als werkgever.

Het beleid dat gericht is op het bevorderen van de arbeidsparticipatie heeft betrekking op een aantal onderwerpen. In de eerste plaats wordt onderzocht op welke wijze de integratie van het herplaatsingsbeleid in een beleid gericht op het vergroten van de inzetbaarheid van personeel uitgevoerd kan worden. In de tweede plaats wordt een aantal onderzoeksprojecten en pilots opgezet voor het ontwikkelen van een effectief beleid gericht op het voorkomen dat personeel te lang in een functie blijft zitten. In de derde plaats wordt verder gewerkt aan het ontwikkelen van scenario's die de kostenontwikkeling van de vergrijzing van het personeelsbestand in beeld brengen. Tot slot wordt in 1999 onderzocht welke mogelijkheden het scheppen van additionele werkgelegenheid biedt in het kader van de toenemende schaarste op de arbeidsmarkt.

In 1999 wordt verder gewerkt aan deontwikkeling en implementatie van een infrastructuur voor scholingsinformatie. Dit heeft als doel het gerichter kunnen inzetten van het instrument scholing. Hiervoor is informatie nodig op het gebied van kwalitatieve indicatoren (gericht op het scholingsproces) en op kwantitatieve indicatoren (kosten, omvang en aard van scholing). Ook wordt verder gewerkt aan de vergroting van de in- en externe inzetbaarheid van medewerkers, mede aan de hand van de introductie van competentiemanagement.

Over de uitvoering van de motie Kamp c.s. inzake integriteitbevordering bij de sector Rijk wordt medio 1998 gerapporteerd aan de Tweede Kamer.

In 1999 wordt een aantal internationale uitwisselingsprogramma's voorbereid dat voor rijksambtenaren toegankelijk is. Het netwerkboekje Nederland in Europa, Europa in Nederland wordt bijgewerkt en opnieuw uitgebracht. Het Bureau Internationale Ambtenaren (BIA) begeleidt en traint dit jaar weer een aantal Nederlandse kandidaten voor een algemeen vergelijkend onderzoek van de Europese Commissie. Aan deze selectiemethode wordt door alle 15 lidstaten deelgenomen. Een van de taken van BIA is het Nederlands personele aandeel in internationale volkenrechtelijke organisaties op peil te brengen en te houden. Verder wordt wekelijks het internationaal vacatureblad INTRO uitgegeven. Hierin staat een overzicht van vacatures bij internationale organisaties.

Per 1 juni 1999 loopt de arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk af. In de voorbereiding van een overeenkomst voor een nieuwe periode vanaf 1 juni 1999 vormt de verdere modernisering van de arbeidsvoorwaarden, langs de lijnen van differentiatie, decentralisatie en deregulering een belangrijk aandachtspunt. Uitgangspunten daarbij zijn een optimale afstemming van het arbeidsvoorwaardenpakket op de bijzondere aspecten van de bedrijfsvoering binnen de decentrale onderdelen van de rijksdienst, alsmede het scheppen van mogelijkheden van werknemers de arbeidsvoorwaarden op onderdelen meer naar eigen behoefte in te richten. De uitkomst van lopend onderzoek naar verschillende aspecten binnen een IKAP-model (Individuele Keuze ArbeidsvoorwaardenPakket: lifetime sparen, personel benefit statements, employee benefits) zal daarbij een voorname rol spelen.

Ook de uitkomsten van andere onderzoeken hebben naar verwachting invloed op de onderhandelingen voor een nieuwe arbeidsvoorwaardenovereenkomst. Te noemen zijn de evaluatie van de invoering van de gemiddeld 36-urige werkweek en een onderzoek naar het aspect werkdruk in de departementale risicoinventarisaties en -evaluaties. Beide onderzoeken vloeien overigens voort uit afspraken met de Centrales van overheidspersoneel.

Vanaf 2001 bestaat formeel de mogelijkheid voor arbeidsvoorwaardelijke sectoren bij de overheid op sectorniveau afspraken te maken over pensioenafspraken. De sectorwerkgevers en de werknemersorganisaties voeren gezamenlijk verkenningen uit ten aanzien van de mogelijke implicaties van sectoralisatie van de pensioenen. Binnen de sector Rijk wordt aanvullend daarop een verkenning uitgevoerd naar de pensioenen als onderdeel van een integraal sectoraal arbeidsvoorwaardenpakket.

In 1999 worden onderzoeken verricht naar de organisatie en formatie van de rijksdienst. Hiertoe wordt ook begrepen het systeemhouderschap rijkswaarderingen. Voor het bewaren van de samenhang van het decentrale formatiebeheer zijn de functiewaarderingsverhoudingen vastgesteld. Het Ministerie van BZK ondersteunt de decentrale functiewaardering middels het computerondersteund functiewaarderingssysteem FUWASYS.

De cijfers

Opbouw (verplichtingen =) uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U07.031997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 6 0625 6775 3825 3835 383 
1e suppletore begroting 1998 147320147147147 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:       
Beheersmatige mutaties       
1. toedeling prijsbijstelling 1998 1616151515 
Stand ontwerp-begroting 19995 7846 2256 0135 5445 5455 5455 545
 (5 879)      

07.05. Beheer rechtspositie

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

Op grond van het kabinetsstandpunt van eind 1985 blijft het Ministerie van BZK betrokken bij de afwikkeling van de vóór 1985 gedane toezeggingen met betrekking tot het spreiden van rijksdiensten, voor zover deze extra personele lasten met zich meebrengen.

Het gaat inmiddels nog maar om een klein aantal wachtgeldgerechtigden.

De cijfers

Opbouw (verplichtingen =) uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U07.051997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 295295267268268 
1e suppletore begroting 1998 – 42– 38– 11– 12– 12 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:       
Beheersmatige mutaties       
1. toedeling loonbijstelling 1998 22222 
Stand ontwerp-begroting 1999191255259258258258258
 (203)      

De toelichting bij de cijfers

De economische code van dit artikel is 11, de functionele code is 01.33.

De kengetallen

Aangegeven is het aantal uitkeringsgerechtigden, dat een uitkering ontvangt. De aantallen zijn opgegeven door de Stichting USZO.

(bedragen x f 1 000)
U07.05 1997 1998 1999
RAMINGSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
Wachtgelden8 7 7 
Gemiddeld uitkeringsbedrag 21,9 32,1 32,7
Toegelicht begrotingsbedrag 175 225 229

07.10. Financiële rechtspositie actieven en post-actieven

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

De uitgaven op dit artikel hebben betrekking op de financiële rechtspositie van actieven en post-actieven.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1 000) en de economische en functionele codering
U07.10/Artikelonderdeel1997199819992000200120022003Econ.Funct.
05 WWV-vervangende uitkeringen6435975865865865865861101.30
06 Pensioenen aan gewezen overheidsdienaren van Suriname1621681681681681681681101.30
07 Overtocht van en naar Suriname en de Nederlandse Antillen1101.30
08 Wachtgelden, uitkeringen en overige uitgaven2022192192192192192191101.30
09 Uitkeringswet Indische geïnterneerden334040404040401101.30
10 Eenmalige uitkering aan ex-KNIL dienstplichtigen240136     1101.30
12 Eenmalige uitkering aan ex-KNIL beroepsmilitairen20 000     1101.30
13 Uitkeringswet twee- tot vijfjarige diensttijd veteranen 3601101.30
Totaal1 28021 5201 0131 0131 0131 0131 013  

Artikelonderdeel 05. WWV-vervangende uitkeringen. Op dit artikelonderdeel worden de uitgaven geraamd ten behoeve van voormalige werknemers bij de PTT, Postbank en de N.V. SDU, die voor de invoering van de WWV-bodem per 1 april 1991 nog rechten konden ontlenen aan de tijdelijke regeling WWV-vervangende uitkering. Gezien de in het verleden gebleken onzekerheidsfactor met betrekking tot de werkelijke uitgaven (onder meer als gevolg van neveninkomsten die van invloed zijn op het gemiddeld uit te keren bedrag) is vooralsnog uitgegaan van het beschikbare budgettaire kader.

Artikelonderdeel 06. Pensioenen aan gewezen overheidsdienaren van Suriname. De uitgaven op dit artikelonderdeel hebben betrekking op de financiële rechtspositie van oud-Gouverneurs en hun nagelaten betrekkingen van Suriname, alsmede onderstanden aan voormalig personeel in Suriname.

Artikelonderdeel 07. Overtocht van en naar Suriname en de Nederlandse Antillen. Op grond van de Garantiewet militairen KNIL, gewijzigd bij beschikking van de Minister van Justitie van 16 september 1958, nr. 438, zijn ten behoeve van de ex-KNIL militairen, die reeds ten tijde van de soevereiniteitsoverdracht daarop recht hebben verkregen, doch in Indonesië zijn achtergebleven, waarborgen vastgesteld op grond waarvan de kosten van overtocht (van Indonesië naar Nederland) kunnen worden gerestitueerd.

Dit geldt evenzeer voor gewezen militairen van de voormalige landmacht in Suriname en de Nederlandse Antillen die in deze beide landen zijn achtergebleven en voor ex-KNIL militairen die zich in één van deze beide landen gevestigd hebben. Aangezien uit ervaringscijfers blijkt dat van deze regeling nagenoeg geen gebruik wordt gemaakt, is geen bedrag in de begroting geraamd.

Artikelonderdeel 08. Wachtgelden, uitkeringen en overige uitgaven. De uitgaven op dit artikelonderdeel hebben betrekking op de financiële rechtspositie van gewezen overheidsdienaren uit het voormalig Nederlands Nieuw-Guinea.

Artikelonderdeel 09. Uitkeringswet Indische geïnterneerden.De uitgaven op dit artikelonderdeel hebben betrekking op de uitkeringen ingevolge de Uitkeringswet Indische geïnterneerden. Bij wet van 1 juli 1981 wordt aan bepaalde voormalige geïnterneerden, hun weduwen of hun erfgenamen, voor zover deze zich duurzaam in Nederland hebben gevestigd of vanuit Nederland zijn geëmigreerd, op grond van gederfde inkomsten uit arbeid of bedrijf op het tijdstip van de bezetting van Nederlands-Indië door Japan, een eenmalige uitkering toegekend.

Artikelonderdeel 10. Eenmalige uitkering aan ex-KNIL dienstplichtigen. De uitgaven op dit artikelonderdeel hadden betrekking op de eenmalige uitkering aan ex-KNIL dienstplichtigen. De uitkeringen zijn verstrekt conform de regeling die de Minister van Defensie heeft getroffen ten aanzien van overeenkomstige dienstplichtigen van de Nederlandse krijgsmacht (Uitkeringswet financiële compensatie langdurige militaire dienst).

In 1994 is gestart met de uitvoering van de regeling. Vanaf 1 februari 1996 kunnen geen aanvragen meer worden ingediend. Verwacht wordt dat de regeling in 1998 geheel zal zijn afgehandeld, zodat vanaf 1999 op dit artikelonderdeel geen uitgaven meer worden geraamd en derhalve vervalt.

Artikelonderdeel 12. Eenmalige uitkering aan ex-KNIL beroepsmilitairen. De uitgaven op dit artikelonderdeel hebben betrekking op de eenmalige uitkering aan ex-KNIL beroepsmilitairen. De uitkering geschiedt in navolging van de voor ex-KNIL dienstplichtigen getroffen regeling (zie artikelonderdeel 10). De Uitkeringswet KNIL beroepsmilitairen is per 8 april 1998 in werking getreden.

De uitvoering van de wet is opdragen aan de SAIP. De indieningstermijn is bepaald op 2 jaar, namelijk tot 8 april 2000. Verwacht wordt dat uiteindelijk aan circa 2000 rechthebbenden een uitkering wordt verstrekt. De uitgaven betreffen de uitkering, de afwikkeling van mogelijk bezwaar en beroep en de (eventuele) belastingafdracht. Zoals in de wet is voorgeschreven zijn de kosten eenmalig ten laste van de begroting 1998 gebracht. Na afloop van de uitvoering vindt een definitieve afrekening plaats met de SAIP.

Artikelonderdeel 13. Uitkeringswet twee- tot vijfjarige diensttijd veteranen. De uitgaven op dit artikelonderdeel hebben betrekking op de Uitkeringswet tegemoetkoming twee- tot vijfjarige diensttijd veteranen. Deze wet is per 30 december 1997 in werking getreden en voorziet onder voorwaarden in een eenmalige uitkering aan gewezen militairen die meer dan twee doch minder dan vijf jaren hebben gediend en daarvoor in de overheidspensioenwetgeving dan wel op andere wijze geen financiële compensatie hebben ontvangen.

Onder de rechthebbenden bevindt zich een aantal ex-KNIL militairen. Daarom is besloten dat de apparaatskosten welke zijn verbonden aan de behandeling van aanvragen door deze groep rechthebbenden ten laste van het Ministerie van BZK worden gebracht. De programmakosten, zijnde de uitkeringen inclusief belastingafdracht, komen ten laste van het Ministerie van Defensie.

De regeling wordt voor de rechthebbende ex-KNIL militairen uitgevoerd door de SAIP. De aanvragen van overige rechthebbenden worden behandeld door het Ministerie van Defensie.

Vanaf 1999 worden de uitgaven geraamd op artikel 07.22, artikelonderdeel 05, en komt onderhavig artikelonderdeel te vervallen.

De cijfers

Opbouw (verplichtingen =) uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U07.101997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 1 6111 6111 6111 6111 611 
1e suppletore begroting 1998 19 922– 89– 89– 89– 89 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:       
Beheersmatige mutaties       
1. uitvoering project VUIT  – 496– 496– 496– 496 
2. toedeling loonbijstelling 1998 – 13– 13– 13– 13– 13 
Stand ontwerp-begroting 19991 28021 5201 0131 0131 0131 0131 013
 (1 286)      

De toelichting bij de cijfers

1. een reallocatie naar artikel 07.22 in verband met de uitvoering van de Uitkeringswet twee- tot vijfjarige diensttijd veteranen (project VUIT) door de SAIP.

De kengetallen

Aangegeven is het aantal uitkeringsgerechtigden, dat een uitkering ontvangt. De aantallen zijn opgegeven door de Stichting USZO, de Stichting ABP of de SAIP.

(bedragen x f 1 000)
U07.10 1997 1998 1999
RAMINGSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
Aantal uitkeringsgerechtigden56 2 050 46 
Gemiddeld uitkeringsbedrag 17,1 10,2 21,2
Toegelicht begrotingsbedrag 960 20 984 973

07.12. Rechtspositie post-actieven Suriname en Nederlandse Antillen

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

Met ingang van 1999 worden de uitgaven geraamd op artikel 07.22, artikelonderdeel 01, en komt onderhavig artikel te vervallen.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1 000) en de economische en functionele codering
U07.12/Artikelonderdeel1997199819992000200120022003Econ.Funct.
03 Pensioenen, onderstanden, enz. aan voormalige leden van de landmacht in Suriname en de Nederlandse Antillen2020     1101.30
04 Extra toeslag, ten laste van het Rijk, op eigen pensioenen van gewezen overheidsdienaren van Indonesië, gevestigd in Suriname en de Nederlandse Antillen     43G01.30
05 Toeslagen op pensioenen van gewezen ambtenaren in Surinaamse overheidsdienst en hun nagelaten betrekkingen2 6792 605     1101.30
06 Geneeskundige verzorging van een bepaalde categorie in Suriname of de Nederlandse Antillen woonachtige gepensioneerde militairen van het voormalige KNIL en de voormalige landmachten, daar te lande, alsmede van hun gezinsleden en nagelaten weduwen en wezen2719     43G01.30
08 Garantiewet Surinaamse pensioenen4 6294 504     1101.30
Totaal7 3557 148Vervallen      

De cijfers

Opbouw (verplichtingen =) uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U07.121997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 7 2097 2097 1007 0007 000 
1e suppletore begroting 1998 7272717070 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:       
Beheersmatige mutaties       
1. samenvoeging SAIP-artikelen  – 7 148– 7 040– 6 941– 6 941 
2. toedeling loonbijstelling 1998 – 133– 133– 131– 129– 129 
Stand ontwerp-begroting 19997 3557 148VervallenVervallenVervallenVervallen 

1. een reallocatie naar artikel 07.22 in verband met de samenvoeging van de SAIP-artikelen.

De kengetallen

Aangegeven is het aantal uitkeringsgerechtigden, dat een uitkering ontvangt.

(bedragen x f 1 000)
U07.12 1997 1998 1999
RAMINGSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
Aantal uitkeringsgerechtigden624 630   
Gemiddeld uitkeringsbedrag 11,7 11,3  
Toegelicht begrotingsbedrag 7 328 7 129  

07.13. Rechtspositie post-actieven Nederlands en West Nieuw-Guinea

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

Met ingang van 1999 worden de uitgaven geraamd op artikel 07.22, artikelonderdeel 02, en komt onderhavig artikel te vervallen.

De cijfers

Opbouw (verplichtingen =) uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U07.131997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 21 30421 30420 10019 90019 900 
1e suppletore begroting 1998 212212200198198 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:       
Beheersmatige mutaties       
1. samenvoeging SAIP-artikelen  – 21 123– 19 929– 19 731– 19 731 
2. toedeling loonbijstelling 1998 – 393– 393– 371– 367– 367 
Stand ontwerp-begroting 199922 07121 123VervallenVervallenVervallenVervallen 

De toelichting bij de cijfers

1. een reallocatie naar artikel 07.22 in verband met de samenvoeging van de SAIP-artikelen.

De economische code van dit artikel is 11, de functionele code is 01.30.

De kengetallen

Aangegeven is het aantal uitkeringsgerechtigden, dat een uitkering ontvangt.

(bedragen x f 1 000)
U07.13 1997 1998 1999
RAMINGSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
Aantal uitkeringsgerechtigden1 568 1 542   
Gemiddeld uitkeringsbedrag 14,1 13,7  
Toegelicht begrotingsbedrag 22 071 21 123  

07.14. Rechtspositie post-actieven Indonesië

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

Met ingang van 1999 worden de uitgaven geraamd op artikel 07.22, artikelonderdeel 03, en komt onderhavig artikel te vervallen.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1 000) en de economische en functionele codering
U07.14/Artikelonderdeel1997199819992000200120022003Econ.Funct.
03 Nederlandse toeslagen op bepaalde Indonesische weduwepensioenen en wezenonderstanden81 39880 472     4101.30
04 Bijdrage aan de «Stichting Administratie Indonesische Pensioenen» wegens de door Nederland overgenomen verplichtingen tot betaling van weduwepensioenen en wezenonderstanden aan nagelaten betrekkingen van gewezen overheidspersoneel van Indonesië13 55912 855     63F01.30
05 Netto-uitgaven inzake de uitbetaling buiten Indonesië van eigen pensioenen, gagementen, landspensioenen en -onderstanden, alsmede met pensioen op één lijn te stellen periodieke uitkeringen, zoals onderstanden, tegemoetkomingen en toelagen al dan niet tot wederopzegging (met uitzondering van AOR-uitkeringen) aan gewezen overheidspersoneel van Indonesië en de daarop verleende toe- en/of bijslagen, voor zover niet vallende onder de volgende genoemde uitgaven262157     4101.30
06 Uitgaven voortvloeiende uit de door het Rijk aan bepaalde groepen burgerlijke overheidsdienaren van Indonesië, militairen van het voormalige KNIL, alsmede hun nagelaten betrekkingen verleende garanties en de daarop verleende toe- en/of bijslagen36 77032 024     4101.30
Totaal131 989125 508Vervallen      

De cijfers

Opbouw (verplichtingen =) uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U07.141997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 126 583117 583111 482103 082101 082 
1e suppletore begroting 1998 1 2601 1701 1091 0261 026 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:       
Beheersmatige mutaties       
1. samenvoeging SAIP-artikelen  – 116 584– 110 534– 102 206– 100 243 
2. toedeling loonbijstelling 1998 – 2 335– 2 169– 2 057– 1 902– 1 865 
Stand ontwerp-begroting 1999131 989125 508VervallenVervallenVervallenVervallen 

De toelichting bij de cijfers

1. een reallocatie naar artikel 07.22 in verband met de samenvoeging van de SAIP-artikelen.

De kengetallen

Aangegeven is het aantal uitkeringsgerechtigden, dat een uitkering ontvangt.

(bedragen x f 1 000)
U07.14 1997 1998 1999
RAMINGSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
Aantal uitkeringsgerechtigden9 188 8 465   
Gemiddeld uitkeringsbedrag 12,9 13,3  
Toegelicht begrotingsbedrag 118 430 112 653  

07.15. Rechtspositie post-actieven bijzondere voorzieningen

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

Met ingang van 1999 worden de uitgaven geraamd op artikel 07.22, artikelonderdeel 04, en komt onderhavig artikel te vervallen.

De cijfers

Opbouw (verplichtingen =) uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U07.151997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 228228200180180 
1e suppletore begroting 1998 22222 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:       
Beheersmatige mutaties       
1. samenvoeging SAIP-artikelen  – 226– 198– 179– 179 
2. toedeling loonbijstelling 1998 – 4– 4– 4– 3– 3 
Stand ontwerp-begroting 1999233226VervallenVervallenVervallenVervallen 

De toelichting bij de cijfers

1. een reallocatie naar artikel 07.22 in verband met de samenvoeging van de SAIP-artikelen.

De economische code van dit artikel is 11, de functionele code is 01.30.

De kengetallen

Aangegeven is het aantal uitkeringsgerechtigden, dat een uitkering ontvangt.

(bedragen x f 1 000)
U07.15 1997 1998 1999
RAMINGSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
Aantal uitkeringsgerechtigden22 21   
Gemiddeld uitkeringsbedrag 10,6 10,8  
Toegelicht begrotingsbedrag 233 226  

07.16. Garanties

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

Op dit artikel worden diverse garanties geraamd.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1 000) en de economische en functionele codering
U07.16/Artikelonderdeel1997199819992000200120022003Econ.Funct.
01 Garantie van rente en aflossing 63E01.30
04 Fusie Arbo-dienst N.V. RBB     63D01.30
05 Overige garanties63Z01.30
TotaalNihilMemorieMemorieMemorieMemorieMemorieMemorie  

Artikelonderdeel 01. Garantie van rente en aflossing van door rijksambtenaren aangegane leningen in verband met de aan- of verkoop van een woning. Bij beschikking van 23 augustus 1974 nr. AB74/U1271, van de Minister van Binnenlandse Zaken, is de mogelijkheid geschapen om zonder bepaalde voorwaarden een hypotheekgarantie te verlenen voor tijdige betaling van rente en aflossing op een hypothecaire geldlening, die in verband met de aankoop van een woning is afgesloten. De rijkshypotheekgarantieregeling brengt in principe geen kosten met zich mee. Voor het burgerlijk rijkspersoneel is de rijkshypotheekgarantieregeling met ingang van 8 december 1990 ingetrokken. Dit betekent dat vanaf die datum geen rijkshypotheekgaranties meer worden verleend aan burgerlijke rijksambtenaren. Reeds toegekende garanties blijven gehandhaafd.

Artikelonderdeel 04. Fusie Arbo-dienst N.V. RBB. Op 29 mei 1996 is tot stand gekomen de overeenkomst op hoofdlijnen betreffende de fusie van de Arbo-diensten van de Staat der Nederlanden, Philips en de Nederlandse Spoorwegen.

Bij deze overeenkomst zijn partij de aandeelhouders: De Staat der Nederlanden, Nederlandse Philipsbedrijven B.V., de NS-groep N.V. en de drie gefuseerde Arbo-diensten, te weten, N.V. RBB, Philips Arbo-dienst N.V. en SE Arbo. In deze overeenkomst garanderen de aandeelhouders jegens elkaar ten aanzien van de gefuseerde vennootschappen waarvan zij aandeelhouder zijn, op het moment van fusie, de volledigheid van de desbetreffende activa.

Als blijkt dat er sprake is van onjuistheid of onvolledigheid, is de desbetreffende aandeelhouder, casu quo de Staat voorzover het de N.V. RBB betreft, gehouden de schade die uit de onjuistheid en onvolledigheid voortvloeit te vergoeden aan de vennootschap die na de fusie van de Arbodiensten ontstaat. Dit geldt voor zover de totale schade die voortvloeit uit een of meer claims groter is dan f 0,250 mln, met als maximum f 8,640 mln. Dit is het eigen vermogen dat de N.V. RBB heeft ingebracht in de gefuseerde onderneming.

Deze garantie geldt voor een periode van 18 maanden te rekenen vanaf de totstandkoming van de juridische fusie die heeft plaatsgevonden op 1 januari 1997. Dit betekent, dat het artikelonderdeel met ingang van 1999 komt te vervallen.

Artikelonderdeel 05. Overige garanties. Aan de Stichting Nederlandse School voor Openbaar Bestuur en een particulier adviesbureau is zowel in 1996 als in 1997 een garantie afgegeven van maximaal f 0,5 mln per garantie voor het eenmalig laten uitvoeren van een door dit samenwerkingsverband te ontwikkelen Interdepartementale Management Leergang. Eventueel beroep op deze garantie is afhankelijk gesteld van de ontvangst van de bijdragen van de deelnemers. Van de garanties is geen gebruik gemaakt. Daarom zijn deze garanties in 1998 vervallen.

Tevens verdient vermelding dat op grond van de Bijdragebeschikking Stichting A&O fonds Rijk het Ministerie van BZK gehouden is om bij opzegging van de regeling een opzegtermijn van drie jaar in acht te nemen.

De cijfers

Opbouw (verplichtingen =) uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U07.161997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 MemorieMemorieMemorieMemorieMemorie 
Stand ontwerp-begroting 1999NihilMemorieMemorieMemorieMemorieMemorieMemorie

De garanties

Overzicht risico-ontwikkeling met betrekking tot garantie-overeenkomsten van het Rijk (x f 1 000)
U07.161997199819992000200120022003
garantieplafond       
uitstaand risico per 1 januari11 90020 34010 2009 7009 2008 7008 200
vervallen of te vervallen garanties– 700– 10 140– 500– 500– 500– 500– 500
verleende of te verlenen garanties9 140MemorieMemorieMemorieMemorieMemorieMemorie
uitstaand risico per 31 december20 34010 2009 7009 2008 7008 2007 700

07.17. Bijdragen ten behoeve van werknemersorganisaties in verband met arbeidsverhoudingen in de overheidssector

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

Dit artikel heeft betrekking op de bijdrage van werknemersorganisaties aan het overlegstelsel arbeidsvoorwaarden voor overheidspersoneel.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1 000) en de economische en functionele codering
U07.17/Artikelonderdeel1997199819992000200120022003Econ.Funct.
01 Vakbondsfaciliteiten3 9384 0184 0214 0204 0214 0214 02143F01.33
02 Bijdragen aan de Stichting CAOP4 3074 4064 4174 4344 4404 4404 44043F01.33
Totaal8 2458 4248 4388 4548 4618 4618 461  

Artikelonderdeel 01. Vakbondsfaciliteiten. De op dit artikelonderdeel geraamde uitgaven hebben, conform de circulaire van de Minister van Binnenlandse Zaken van 21 juni 1982, nr. AB82/U1164, Stcrt. 125, betrekking op de financiële bijdrage aan de centrales van overheidspersoneel voor het vakbondswerk.

Artikelonderdeel 02. Bijdragen aan de Stichting CAOP. Op dit artikelonderdeel wordt de werknemersbijdrage in de exploitatiekosten voor de Stichting CAOP geraamd. De bijdrageregeling is vastgesteld tot en met het jaar 1999. Voor een eventuele opzegging geldt een opzegtermijn van één jaar. In verband hiermee wordt de bijdrageregeling in 1998 geëvalueerd, waarna wordt bezien of en in welke vorm de bijdrageregeling wordt voortgezet.

De cijfers

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U07.171997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 8 0558 0598 0738 0808 080 
1e suppletore begroting 1998 214215215215215 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:       
Beheersmatige mutaties       
1. toedeling loon-/prijsbijstelling 1998 166166166166166 
Stand ontwerp-begroting 19998 2968 4358 4408 4548 4618 4618 461
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U07.171997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 8 0448 0578 0738 0808 080 
1e suppletore begroting 1998 214215215215215 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:       
Beheersmatige mutaties       
1. toedeling loon-/prijsbijstelling 1998 166166166166166 
Stand ontwerp-begroting 19998 2458 4248 4388 4548 4618 4618 461

07.18. Werkgeversbijdrage aan het overlegstelsel overheidspersoneel

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

Dit artikel heeft betrekking op de financiële werkgeversbijdrage aan de Stichting CAOP voor een deel van de exploitatie-uitgaven van deze stichting. De bijdrageregeling is vastgesteld tot en met het jaar 1999. Voor een eventuele opzegging geldt een opzegtermijn van één jaar. In verband hiermee wordt de bijdrageregeling in 1998 geëvalueerd, waarna wordt bezien of en in welke vorm de bijdrageregeling wordt voortgezet.

De cijfers

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U07.181997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 4 2184 2344 2404 2404 240 
1e suppletore begroting 1998 112112113113113 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:       
Beheersmatige mutaties       
1. toedeling loon-/prijsbijstelling 1998 8787878787 
Stand ontwerp-begroting 19994 3454 4174 4334 4404 4404 4404 440
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U07.181997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 4 2074 2184 2344 2404 240 
1e suppletore begroting 1998 112112113113113 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:       
Beheersmatige mutaties       
1. toedeling loon-/prijsbijstelling 1998 8787878787 
Stand ontwerp-begroting 19994 3074 4064 4174 4344 4404 4404 440

De toelichting bij de cijfers

De economische code van dit artikel is 43F, de functionele code is 01.33.

07.20. Ziektekostenvoorziening Rijkspersoneel

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

Per 1 januari 1998 is de centrale regeling Ziektekostenvoorziening Overheidspersoneel (ZVO) vervangen door vijf sectorale regelingen. Op dit artikel worden de uitgaven geraamd die betrekking hebben op de regeling Ziektekostenvoorziening Rijkspersoneel (ZVR). In verband met de reparatie van de effecten van de Wet van Otterloo komen vanaf 1999 een aantal post-actieven weer in aanmerking voor de diverse ZVO-regelingen. Hiervoor is in de begroting 1998 reeds f 40 mln aan het meerjarig budget vanaf 1999 aan de begroting toegevoegd. Dit bedrag betrof de te verwachten uitgaven voor alle sectoren gezamenlijk. Dit bedrag wordt thans volgens de overeengekomen verdeelsleutel verdeeld over de vijf sectoren.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1 000) en de economische en functionele codering
U07.20/Artikelonderdeel1997199819992000200120022003Econ.Funct.
01 Programma-uitgaven71 57183 75876 75876 75876 75876 7581105.2
02 Uitvoeringskosten4 0574 3434 3714 3704 3704 3701205.2
TotaalNihil75 62888 10181 12981 12881 12881 128  

Artikelonderdeel 01. Programma-uitgaven. Op dit artikelonderdeel worden de programma-uitgaven met betrekking tot de ZVR geraamd. Deze uitgaven betreffen zowel de ZVR-uitkeringen, als de daarover verschuldigde loonbelasting.

Artikelonderdeel 02. Uitvoeringskosten. Op dit artikelonderdeel worden de kosten geraamd voor het uitvoeren van de ZVR. De Dienst Ziektekostenvoorziening Overheidspersoneel (DZVO) te Emmen voert deze regeling uit.

De cijfers

Opbouw (verplichtingen =) uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U07.201997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 73 367113 367107 267107 267107 267 
1e suppletore begroting 1998 1 6741 7031 5691 5691 569 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:       
Beheersmatige mutaties       
1. uitdeling reparatie Wet van Otterloo aan OCW  – 12 830– 15 660– 15 660– 15 660 
2. uitdeling reparatie Wet van Otterloo aan Defensie  – 15 141– 12 995– 12 995– 12 995 
3. uitdeling reparatie Wet van Otterloo aan Politie  – 24– 24– 24– 24 
4. toedeling loonbijstelling 1998 5871 026972971971 
Stand ontwerp-begroting 1999Nihil75 62888 10181 12981 12881 12881 128

De toelichting bij de cijfers

1. een overboeking naar het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen in verband met de uitdeling van het budget ter compensatie van de extra kosten voor de reparatie van de effecten van de Wet van Otterloo.

2. een overboeking naar het Ministerie van Defensie in verband met de uitdeling van het budget ter compensatie van de extra kosten voor de reparatie van de effecten van de Wet van Otterloo.

3. een reallocatie naar artikel 05.24 in verband met de uitdeling van het budget ter compensatie van de extra kosten voor de reparatie van de effecten van de Wet van Otterloo.

De kengetallen

(bedragen x f 1 000)
U07.20 1997 1998 1999
RAMINGSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
Aantal uitkeringen*  23 852 34 400 
Gemiddelde uitkering**   2,225 1,850
Toegelicht begrotingsbedrag   71 571 83 758
DOELMATIGHEIDSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
Aantal uitkeringen  28 000 39 000 
Uitvoeringskosten per uitkering***   f 145 f 111
Toegelicht begrotingsbedrag   4 057 4 343

* Met ingang van 1998 is de Wet van Otterloo gerepareerd. Hierdoor zijn een aantal aanvragers weer particulier verzekerd en komen daardoor weer in aanmerking voor een ZVR-vergoeding.

** Belangrijkste oorzaak van de daling van de gemiddelde ZVR-uitkering is het feit dat post-actieven van 65 jaar en ouder met ingang van 1998 geen WTZ-omslag meer betalen.

*** De verwachting is dat de DZVO efficiënter gaat werken zodat de uitvoeringskosten per uitkering gaan dalen.

07.21. Personeel en materieel Management en Personeelsbeleid

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

Op dit artikel worden zowel de personele als de materiële uitgaven geraamd van DGMP.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1 000) en de economische en functionele codering
U07.21/Artikelonderdeel1997199819992000200120022003Econ.Funct.
01 Ambtelijk personeel27 23028 01628 27927 77327 77327 77327 7731101.1
02 Overig personeel3 3051 9767267267267267261201.1
03 Post-actieven3 9686 2156 7714 6154 6774 6774 6771101.1
04 Materieel14 0129 2315 9786 4556 5056 5056 5051201.1
Totaal48 51545 43841 75439 56939 68139 68139 681  

Artikelonderdeel 01. Ambtelijk personeel. Op dit artikelonderdeel worden de uitgaven geraamd voor de salariskosten van actief personeel en niet-actief personeel met een ambtelijke aanstelling.

Artikelonderdeel 02. Overig personeel. Op dit artikelonderdeel worden de uitgaven geraamd voor inhuur van personeel, zijnde uitzendkrachten en ander vervangend personeel zonder ambtelijke aanstelling, alsmede de uitgaven voor vorming en opleiding.

Artikelonderdeel 03. Post-actieven. Op dit artikelonderdeel worden de uitgaven geraamd voor de uitkeringen met betrekking tot non-activiteitswedden en wachtgelden aan personeel, dat werkzaam is (geweest) bij DGMP (inclusief de inmiddels verzelfstandigde diensten, zoals ROI, CAOP, RPD Advies, RBB en DUO).

Artikelonderdeel 04. Materieel. Op dit artikelonderdeel worden de exploitatie-uitgaven, alsmede de uitgaven voor investeringen geraamd. Dit betreft onder andere uitgaven voor representatie, reiskosten, kantoorbenodigdheden en externe advisering.

De cijfers

Opbouw (verplichtingen =) uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U07.211997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 32 69532 19029 96830 12730 127 
1e suppletore begroting 1998 12 5119 3129 3639 3149 314 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:       
Beheersmatige mutaties       
1. toedeling loon-/prijsbijstelling 1998 232252238240240 
Stand ontwerp-begroting 199948 51545 43841 75439 56939 68139 68139 681
 (48 966)      

De kengetallen

(bedragen x f 1 000)
U07.21 1997 1998 1999
RAMINGSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
Gemiddelde bezetting ambtelijk personeel313,5 301,7 309,5 
Gemiddelde salariskosten 86,86 92,64 91,15
Toegelicht begrotingsbedrag 27 230 27 949 28 212

07.22. Rechtspositie post-actieven (voormalige) overzeese gebiedsdelen

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

De uitgaven op dit artikel hebben betrekking op de financiële rechtspositie van gewezen overheidsdienaren. De uitvoering van de onder dit artikel gebrachte regelingen berust bij de SAIP. Tot en met 1998 worden de verplichtingen en uitgaven geraamd op de artikelen 07.12 tot en met 07.15.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1 000) en de economische en functionele codering
U07.22/Artikelonderdeel1997199819992000200120022003Econ.Funct.
01 Rechtspositie post-actieven Suriname en Nederlandse Antillen  7 1487 0406 9416 9416 9411101.30
02 Rechtspositie post-actieven Nederlands en West Nieuw-Guinea  21 12319 92919 73119 73119 7311101.30
03 Rechtspositie post-actieven Indonesië  116 584110 534102 206100 243100 2434101.30
04 Rechtspositie post-actieven bijzondere voorzieningen  2261981791791791101.30
05 Uitkeringswet twee- tot vijfjarige diensttijd veteranen  4964964964964961101.30
Totaal  145 577138 197129 553127 590127 590  

Artikelonderdeel 01. Rechtspositie post-actieven Suriname en Nederlandse Antillen. De uitgaven op dit artikelonderdeel hebben betrekking op de financiële rechtspositie van gewezen overheidsdienaren, thans voornamelijk woonachtig in Suriname of de Nederlandse Antillen.

Met betrekking tot pensioenen, onderstanden, enz. aan voormalige leden van de landmacht in Suriname en de Nederlandse Antillen is in de overeenkomst van 14 januari 1960 tussen het Ministerie van Binnenlandse Zaken en de SAIP een tweetal zaken neergelegd, namelijk de uitvoering van de werkzaamheden door de SAIP en de toegankelijkheidsverklaring van een tweetal Indische reglementen voor militairen of voormalige leden van de landmacht in Suriname en de Nederlandse Antillen.

In het besluit van 19 april 1967 (Stb. 1967, 250), is een toeslagregeling opgenomen op pensioenen van gewezen ambtenaren in Surinaamse en Antilliaanse overheidsdienst en hun nagelaten betrekkingen.

Aan in Suriname of de Nederlandse Antillen woonachtige ex-militairen, die voor 1 juli 1923 waren toegetreden tot het voormalig KNIL, wordt op grond van het Reglement voor den militair geneeskundige dienst in Nederlands-Indië het recht toegekend op (tegemoetkoming in) geneeskundige verzorging, evenals aan hun gezinsleden en nagelaten weduwen en wezen.

Als gevolg van een deviezenmaatregel van de Surinaamse overheid, ondervinden Surinaams gepensioneerden in Nederland sedert 1 mei 1985 problemen met de overmaking van hun pensioen naar Nederland. De Nederlandse regering heeft in 1985 bij wijze van interim-voorziening een voorschotregeling in het leven geroepen. In 1993 is deze tijdelijke regeling vervangen door een definitieve garantieregeling, waarbij de betalingsverplichting van de Surinaamse pensioenen door Nederland wordt overgenomen. Voorts voorziet de regeling erin dat de desbetreffende overdracht aan Suriname wordt gecompenseerd voor wijzigingen in de wisselkoers en de prijsontwikkeling.

Artikelonderdeel 02. Rechtspositie post-actieven Nederlands en West Nieuw-Guinea. De uitgaven op dit artikelonderdeel hebben betrekking op de financiële rechtspositie van gewezen overheidsdienaren uit het voormalig Nederlands Nieuw-Guinea. De uitgaven worden gedaan op grond van het Pensioenreglement van Nederlands Nieuw-Guinea.

Artikel onderdeel 03. Rechtspositie post-actieven Indonesië. De uitgaven ten laste van dit artikelonderdeel hebben betrekking op de financiële rechtspositie van post-actieven, voornamelijk gewezen overheidsdienaren uit Indonesië.

Op grond van de Toeslagenwet Indonesische pensioenen 1956 worden aan bepaalde categorieën personen Nederlandse toeslagen verleend.

Ingevolge het Stb. 1964, 217, wordt door het Rijk aan de SAIP een bijdrage verstrekt ter grootte van het exploitatietekort. Het exploitatietekort wordt vastgesteld door het saldo te berekenen, waarmee de lasten van de SAIP de baten overschrijden. Dit saldo wordt vervolgens verlaagd met de aflossingen en uitlotingen van het belegd vermogen van de SAIP.

Op grond van verschillende Indische pensioenreglementen, Indische Staatsbladen en ordonnanties, worden aan gewezen overheidsdienaren uitkeringen gedaan.

Op grond van de Toeslagenwet Indonesische pensioenen 1956 worden door het Rijk aan bepaalde groepen burgerlijke overheidsdienaren en gewezen burgerlijke overheidsdienaren van Indonesië, militairen van het voormalige KNIL, alsmede hun nagelaten betrekkingen verleende garanties en de daarop verleende toe- of bijslagen uitkeringen gedaan.

Artikelonderdeel 04. Rechtspositie post-actieven bijzondere voorzieningen. Op dit artikelonderdeel worden uitgaven geraamd betreffende aanvullende uitkeringen bij wijze van pensioen aan gewezen personeel op arbeidsovereenkomst bij het Hoge Commissariaat der Nederlanden in Indonesië op grond van het Koninklijk besluit 1954 (Stb. 56).

Artikelonderdeel 05. Uitkeringswet twee- tot vijfjarige diensttijd veteranen. De uitgaven op dit artikelonderdeel hebben betrekking op de Uitkeringswet tegemoetkoming twee- tot vijfjarige diensttijd veteranen. Deze wet is per 30 december 1997 in werking getreden en voorziet onder voorwaarden in een eenmalige uitkering aan gewezen militairen die meer dan twee doch minder dan vijf jaren hebben gediend en daarvoor in de overheidspensioenwetgeving dan wel op andere wijze geen financiële compensatie hebben ontvangen.

Onder de rechthebbenden bevindt zich een aantal ex-KNIL militairen. Daarom is besloten dat de apparaatskosten welke zijn verbonden aan de behandeling van aanvragen door deze groep rechthebbenden ten laste van het Ministerie van BZK worden gebracht. De programmakosten, zijnde de uitkeringen inclusief belastingafdracht, komen ten laste van het Ministerie van Defensie.

De regeling wordt voor de rechthebbende ex-KNIL militairen uitgevoerd door de SAIP. De aanvragen van overige rechthebbenden worden behandeld door het Ministerie van Defensie.

De cijfers

Opbouw (verplichtingen =) uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U07.221997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998  
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:       
Beheersmatige mutaties       
1. uitvoering project VUIT  496496496496 
2. samenvoeging van de SAIP-artikelen  145 081137 701129 057127 094 
Stand ontwerp-begroting 1999  145 577138 197129 553127 590127 590

De toelichting bij de cijfers

1. een reallocatie van artikel 07.10 in verband met de uitvoering van de Uitkeringswet twee- tot vijfjarige diensttijd veteranen (project VUIT) door de SAIP.

2. een reallocatie van de artikelen 07.12 tot en met 07.15 in verband met de samenvoeging van de SAIP-artikelen.

De kengetallen

Overeenkomstig de begroting van de SAIP is voor 1999 uitgegaan van het gemiddeld aantal uitkeringsgerechtigden.

(bedragen x f 1 000)
U07.22  1997 1998 1999
RAMINGSKENGETALLEN aantalbedragaantalbedragaantalbedrag
Artikelonderdeel 01:Aantal uitkeringsgerechtigden    637 
 Gemiddeld uitkeringsbedrag     11,2
 Toegelicht begrotingsbedrag     7 128
Artikelonderdeel 02:Aantal uitkeringsgerechtigden    1 480 
 Gemiddeld uitkeringsbedrag     14,3
 Toegelicht begrotingsbedrag     21 123
Artikelonderdeel 03:Aantal uitkeringsgerechtigden    7 216 
 Gemiddeld uitkeringsbedrag     14,7
 Toegelicht begrotingsbedrag     105 788
Artikelonderdeel 04:Aantal uitkeringsgerechtigden    21 
 Gemiddeld uitkeringsbedrag     10,8
 Toegelicht begrotingsbedrag     226

08. Informatievoorziening en Automatiseringsbeleid

Uitgaven (x f 1 000)
 199819992000200120022003
Raming hoofdbeleidsterrein 0841 69933 75030 02927 05227 05227 052

In het kader van de algemene zorg voor de bevordering van het functioneren van het openbaar bestuur, heeft het Ministerie van BZK een coördinerende en stimulerende rol op het terrein van de informatievoorziening en de inzet van geautomatiseerde hulpmiddelen daarbij. Dit hoofdbeleidsterrein omvat activiteiten met betrekking tot de inzet van informatie en informatietechnologie voor de dienstverlening van de overheid, voor het toegankelijk maken van overheidsinformatie, bij de rol van burgers in de democratische besluitvorming en ter bevordering van een meer doelmatige bedrijfsvoering bij de overheid. Dit omvat tevens aspecten van telematica, privacybescherming en informatiebeveiliging, inclusief de zogenaamde millenniumproblematiek.

08.01. Bevordering informatievoorziening overheid

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

Op dit artikel worden de uitgaven geraamd ten behoeve van het informatievoorzieningsbeleid (inclusief informatiebeveiliging), alsmede voor bijdragen aan het agentschap BPR (Basisadministratie Persoonsgegevens en Reisdocumenten). In 1998 is gestart met het overbrengen van de activiteiten van de afdeling Reisdocumenten en Bevolkingsadministratie (RDB) naar het agentschap GBA. Voor de begroting van dit gecombineerde agentschap, dat vanaf 1 januari 1999 zal functioneren onder de naam agentschap BPR, wordt verwezen naar Wetsartikel 3 (agentschappen).

Het informatievoorzieningsbeleid is verwoord in de in 1995 verschenen nota Terug naar de toekomst; over het gebruik van informatie- en communicatietechnologie in de openbare sector. Centraal in deze derde Beleidsnota Informatievoorziening Openbare Sector (BIOS-3) staat de verbetering van de relatie tussen overheid en burger. Waar het informatiebeleid voorheen voornamelijk gericht was op de interne informatiehuishouding van de overheid en het vergroten van de doelmatigheid daarvan, is met deze nota een verbreding gerealiseerd naar burgers en bedrijven. Uit de nota vloeien drie speerpunten voort, op basis waarvan deelprogramma's zijn opgezet. Die speerpunten zijn: verbetering van de dienstverlening van de overheid voor burger en bedrijf, vergroting van de betrokkenheid van burgers en democratische besluitvorming door middel van een vergrote toegankelijkheid van overheidsinformatie en verbetering van de bedrijfsvoering van de overheid. De hieruit voortkomende deelprogramma's hebben de titels «Overheidsloket 2000», «Doorzicht» en «Achter de schermen».

Naast de uitvoering van BIOS-3 (zie ook de Tweede voortgangsrapportage BIOS-3, kamerstukken II, 1997/1998, 20 644, nr. 32) wordt een herijking van de hoofdlijnen van het informatievoorzieningsbeleid voorbereid en wordt een bijdrage geleverd aan de aanpak van het millenniumprobleem.

De samenwerking op het terrein van de informatiebeveiliging binnen de rijksoverheid heeft structureel vorm gekregen in een breed interdepartementaal overleg: het Bijzondere InformatiebeveiligingsBeraad. Hiertoe is binnen het Ministerie van BZK een ondersteunend Advies- en Coördinatiepunt Informatiebeveiliging werkzaam.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1 000) en de economische en functionele codering
U08.01/Artikelonderdeel1997199819992000200120022003Econ.Funct.
01 Specifieke uitgaven overheidsinformatievoorziening en organisatie van de rijksdienst9 65214 6339 6125 8722 8782 8782 8781201.1
02 Project Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens23 759      1201.34
06 Samenwerkingsverband informatiebeveiliging8991 7181 1851 1851 1851 1851 1851201.1
07 Bijdragen aan het agentschap BPR13 22710 22610 22610 22610 22610 2260301.34
Totaal34 31029 57821 02317 28314 28914 28914 289  

Artikelonderdeel 01. Specifieke uitgaven overheidsinformatievoorziening en organisatie van de rijksdienst. Zoals aangekondigd in de brief betreffende de Herijking Nationaal ActieProgramma Elektronische Snelwegen (Boven NAP), van 7 april 1998 (kamerstukken II, 1997/1998, 24 565, nr. 6 ) zal in het najaar van 1998 een beleidsnota Electronic Government worden uitgebracht waarin de beleidslijnen voor het Informatiebeleid in de Openbare Sector worden neergelegd en concrete acties worden uitgewerkt. Zoals in Boven NAP aangekondigd zal deze nota de volgende actielijnen omvatten, te weten:

* Strategische thema's, waaronder de maatschappelijke gevolgen van ICT, privacy, de gevolgen voor de overheidsorganisatie.

* Toegang tot de overheid. Deze actielijn bevat beleid en implementatie betreffende de elektronische toegankelijkheid van overheid en overheidsinformatie (inhoudelijke ontsluiting van informatie, fysieke toegang daartoe via Internet, het realiseren van Internetaansluitingen bij openbare bibliotheken) en beleid en implementatie betreffende de overheidsdienstverlening (vervolg van het programma Overheidsloket 2000, pro-actieve dienstverlening).

* Van papieren naar elektronische overheid. In deze actielijn wordt onder andere het programma ON21 (gezamenlijke ontwikkeling en verwerving van communicatie-infrastructuren) opgenomen, alsook informatiebeveiliging, digitale duurzaamheid en digitalisering van overheidsdocumenten, de ontwikkeling van een Intra- dan wel Extranet voor de kernministeries, en een onderzoek naar de behoefte aan een vorm van een elektronisch notariaat voor de overheid.

Het programma ON21 verloopt voorspoedig. Inmiddels is de aanbesteding voor OT2000 ver gevorderd. Op basis van de in mei door de ministerraad vastgestelde uitgangspunten neemt ruim de helft van de organisaties in de publieke sector deel, waarmee een bedrag van f 100 mln per jaar aan telefoniekosten wordt gebundeld. Het bestek zal naar verwachting in de tweede helft van 1998 gereed zijn voor publicatie.

In het kader van het programma Digitale Duurzaamheid is een structurering van het probleemveld opgesteld door Het Expertise Centrum. Op basis daarvan is een werkplan voor de komende vier jaar opgesteld. Het begin van de uitvoering wordt in 1998 ter hand genomen.

* Gegevensuitwisseling, waarbinnen onder andere het concept «stroomlijning basisgegevens» verder gestalte zal krijgen, gedragsregels geformuleerd zullen worden voor Interbestuurlijke informatierelaties en de privacy aspecten aan de orde zullen komen.

Projectbureau Millennium Overheid (PMO)

Het PMO is eind 1997 – voor de periode tot medio 2000 – ingesteld met als opdracht te bevorderen dat binnen de rijksoverheid en mede-overheden het millenniumvraagstuk tijdig opgelost wordt opdat het maatschappelijk verkeer ongestoord kan blijven functioneren. Deze taak wordt ingevuld door het verrichten van de volgende werkzaamheden:

– ondersteuning en advisering in het millenniumproces aan in de eerste plaats de ministeries van algemeen bestuur, maar ook aan mede-overheden (provincies, gemeenten en waterschappen);

– informatiemakelaar (infodesk) ten opzichte van de betrokken ministeries en mede-overheden;

– evalueren/rapporteren hoe de voortgang van het millenniumproces binnen ministeries verloopt, hoe de voortgang zich verhoudt tot die van de andere ministeries en aangeven in hoeverre de doelstellingen op verschillende data voor en per 1 januari 2000 gerealiseerd zullen worden.

Bij de start van het bureau is er bewust voor gekozen de taken van het bureau flexibel in te richten. Dit houdt in, dat deze taken evolueren afhankelijk van de ontwikkelingen bij de ministeries en mede-overheden. De vraag van laatstgenoemden naar door het PMO te verlenen services bepaalt derhalve mede de accenten die binnen het PMO gelegd worden. In dit verband blijkt een sterke behoefte bij een aantal mede-overheden om gebruik te kunnen maken van de infodesk service van het bureau. Met de VNG zijn besprekingen gaande om deze infodesk functie eveneens voor een aantal andere overheden te gaan vervullen.

De beschikbare middelen voor het projectbureau worden voornamelijk ingezet voor personele uitgaven (waaronder kosten voor de inhuur van interimmanagement en externe expertise, uitgaven verbonden aan het laten verrichten van contra-expertise, materiële (automatiserings)uitgaven ten behoeve van inrichtings- en exploitatiekosten voor de helpdesk- en informatiedeskfunctie, alsmede voorlichtings- en huisvestingskosten.

Artikelonderdeel 06. Samenwerkingsverband informatiebeveiliging. Het ACIB heeft als speerpunten in 1999 het ontwikkelen van een overheidsprotocol voor netwerkbeveiliging en de ontwikkeling van een structuur en invulling van een overheids-TTP (Trusted Third Party). Met deze TTP wordt een onafhankelijke «notarisfunctie» aangeduid ten behoeve van de waarborging van een juist, volledig en veilig digitaal gegevenstransport (via onder meer sleuteldistributie).

Ten aanzien van de ondersteuning van het interdepartementaal overleg, het Bijzondere InformatiebeveiligingsBeraad en de faciliterende functie ten behoeve van de ministeries op het gebied van informatiebeveiliging staan de verdere implementatie van het Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst en de uitvoering van de afhankelijkheids- en kwetsbaarheidsanalyses (A&K-analyses) hoog op de agenda.

Artikelonderdeel 07. Bijdragen aan het agentschap BPR (tot en met 1998: GBA). Per 1 januari 1999 worden de activiteiten van het agentschap GBA en de afdeling RDB gebundeld binnen het nieuwe agentschap BPR. In verband daarmee wordt de naam van dit artikelonderdeel vanaf 1999 gewijzigd.

Op dit artikelonderdeel worden (in 1998) de bijdragen verantwoord van het Ministerie van BZK aan het agentschap GBA, en vanaf 1999 aan het agentschap BPR. De begroting van dit agentschap met bijbehorende toelichting is opgenomen onder Wetsartikel 3 (agentschappen).

De cijfers

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U08.011997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 10 4847 4507 45913 39013 390 
1e suppletore begroting 1998 13 1312 516867867867 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:       
Beleidsmatige mutaties       
1. PMO 6 0006 0003 000   
2. definitieve financiering PMO – 6 000     
Beheersmatige mutaties       
3. wijziging Kieswet  – 900    
4. toedeling loon-/prijsbijstelling 1998 3832323232 
5. technische bijstelling 5 9255 9255 925  
Stand ontwerp-begroting 199937 83129 57821 02317 28314 28914 28914 289
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U08.011997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 16 40913 37513 38413 39013 390 
1e suppletore begroting 1998 13 1312 516867867867 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:       
Beleidsmatige mutaties       
1. PMO 6 0006 0003 000   
2. definitieve financiering PMO – 6 000     
Beheersmatige mutaties       
3. wijziging Kieswet  – 900    
4. toedeling loon-/prijsbijstelling 1998 3832323232 
Stand ontwerp-begroting 199934 31029 57821 02317 28314 28914 28914 289

De toelichting bij de cijfers

1. een verhoging van de raming gefinancierd uit de in de aanvullende post voorziene reservering ten behoeve van de millenniumproblematiek ten behoeve van uitgaven voor het PMO.

2. een reallocatie naar artikel 01.03 in verband met de definitieve financiering van het PMO.

3. een overboeking naar het gemeentefonds in verband met de kosten die gemeenten moeten maken, als gevolg van een wijziging van de Kieswet, voor de inschrijving van niet-Nederlandse onderdanen van de EU als potentiële kiezer.

5. een technische bijstelling van de verplichtingenraming in verband met een in voorgaande jaren aangegane verplichting jegens de GBA-netwerkleverancier waarvoor de daadwerkelijke uitgaven met ingang van 1998 worden verricht door het agentschap GBA.

De kengetallen

(bedragen x f 1 000)
U08.01  1997 1998 1999
RAMINGSKENGETALLEN aantalbedragaantalbedragaantalbedrag
Artikelonderdeel 02:Aangesloten op GBA:      
 – alle gemeenten572     
 met totaal inwonerstal15,57 mln     
 – afnemers368     
 over netwerk verzonden berichten58 mln     
 Toegelicht begrotingsbedrag 19 761    

08.04. Personeel en materieel Centrale Archiefselectiedienst

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

Op dit artikel worden bijdragen geraamd van het Ministerie van BZK aan het agentschap CAS (Centrale Archiefselectiedienst).

De begroting van het agentschap met bijbehorende toelichting is opgenomen onder Wetsartikel 3 (agentschappen).

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1 000) en de economische en functionele codering
U08.04/Artikelonderdeel1997199819992000200120022003Econ.Funct.
10 Bijdragen aan het agentschap CAS7 7497 9348 0048 0188 0358 0358 0350301.34
11 Incidentele investeringsbijdrage1 0475201.34
Totaal8 7967 9348 0048 0188 0358 0358 035  

Artikelonderdeel 10. Bijdragen aan het agentschap CAS. Dit betreft de bijdrage van het Ministerie van BZK aan het agentschap als «vergoeding» voor de door de CAS ten behoeve van het Ministerie van BZK te verrichten activiteiten.

Artikelonderdeel 11. Incidentele investeringsbijdrage. Vooralsnog worden geen door het Ministerie van BZK aan de CAS te verstrekken (incidentele) investeringsbijdragen voorzien.

De cijfers

Opbouw (verplichtingen =) uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U08.041997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 7 5867 5877 5997 6157 615 
1e suppletore begroting 1998 295358360361361 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:       
Beheersmatige mutaties       
1. toedeling loon-/prijsbijstelling 1998 5359595959 
Stand ontwerp-begroting 19998 7967 9348 0048 0188 0358 0358 035
 (16 382)      

08.06. Integratie van personeels- en salarisadministraties

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

De Minister van BZK is in het verlengde van de coördinerende taak voor het overheidspersoneelsbeleid verantwoordelijk voor de coördinatie van de personeelsinformatievoorziening binnen de overheid in het algemeen en voor de rijksoverheid in het bijzonder. In dat kader is de Minister van BZK tevens verantwoordelijk voor het onderhoud en beheer van de Interdepartementale Personeelsinformatie Automatiseringssystemen (IPA-systemen).

Het toezicht op het beheer en de ontwikkeling van de IPA-systemen wordt sinds 1994 uitgevoerd door een samenwerkingsverband van deelnemers aan de IPA-systemen. Dit samenwerkingsverband kent een Algemene Vergadering van Deelnemers (AVD) waarin de deelnemers aan het samenwerkingsverband zijn vertegenwoordigd. Het door de AVD gekozen bestuur fungeert tevens als bestuur voor de dienst IVOP. Deze dienst is belast met de ontwikkeling en het beheer van de IPA-systemen. In financiële zin is dit sinds 1994 mogelijk gemaakt door enerzijds uitdeling van het IVOP-budget aan de deelnemers van het samenwerkingsverband en anderzijds volledige doorberekening van de kosten voor onderhoud, beheer en apparaat (waaronder de huisvestingskosten).

In 1996 is met de deelnemers aan het samenwerkingsverband IPA-systemen een afspraak gemaakt over de wijze waarop zowel het budget als de bijbehorende kosten voor de onderwerpen, die uit de inventarisatie van het Ministerie van BZK komen, naar het samenwerkingsverband kunnen worden overgeheveld.

Inmiddels is in 1998 besloten het samenwerkingsverband verder te continueren. De evaluatie van de uitvoeringsorganisatie (agentschap IVOP) wordt in 1998 gestart.

De uitgaven en ontvangsten van het agentschap IVOP worden nader toegelicht in de agentschapbegroting. Deze is opgenomen onder Wetsartikel 3 (agentschappen).

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1 000) en de economische en functionele codering
U08.06/Artikelonderdeel1997199819992000200120022003Econ.Funct.
01 Integratie personeels- en salarisadministraties4 1544 1874 7234 7284 7284 7284 7281201.33
02 Bijdragen aan het agentschap IVOP500      0301.33
Totaal4 6544 1874 7234 7284 7284 7284 7 28  

Artikelonderdeel 01. Integratie personeels- en salarisadministraties. Op dit artikelonderdeel wordt het budget geraamd dat in verband met integrale kostendoorberekening ten goede komt aan de deelnemers van het samenwerkingsverband.

Deelnemers zonder een directe relatie met de rijksbegroting ontvangen hiertoe een jaarlijkse bijdrage die op het onderhavige artikelonderdeel wordt geraamd.

De cijfers

Opbouw (verplichtingen =) uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U08.061997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 4 6944 6964 7004 7004 700 
1e suppletore begroting 1998 – 534  
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:       
Beheersmatige mutaties       
1. toedeling prijsbijstelling 1998 2727282828 
Stand ontwerp-begroting 19994 6544 1874 7234 7284 7284 7284 728
 (4 154)      

09. Algemene Bestuursdienst

Uitgaven (x f 1 000)
 199819992000200120022003
Raming hoofdbeleidsterrein 093 4954 7634 7574 7574 6574 657

De Algemene Bestuursdienst (ABD) richt zich op alle rijksambtenaren in de formatieve schaal 17 en hoger. Het is een bureau gericht op de systematische personeelsontwikkeling voor het topmanagement in de rijksdienst ter verhoging van de kwaliteit van de rijksdienst. Investeringen in deze vitale bestuurskern in de Nederlandse samenleving zijn van groot belang. De ABD staat voor de opdracht om deze investeringen te faciliteren en te realiseren. De belangrijkste pijlers hiervoor zijn benoemingenbeleid, loopbaanadvisering, individuele ontwikkeling, interdepartementale synergie en research en development.

Het kabinet heeft besloten de ABD eind 1999 uit te breiden met de functionarissen in schaal 16. In een later stadium worden de functionarissen in schaal 15 aan de ABD toegevoegd. Voor de aspirant leden gelden dezelfde uitgangspunten en doelstellingen die nu reeds voor de huidige groep ABD-ambtenaren zijn geformuleerd.

09.01. Personeel en materieel Algemene Bestuursdienst

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

Op dit artikel worden zowel de personele als de materiële uitgaven geraamd van het bureau voor de ABD.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1 000) en de economische en functionele codering
U09.01/Artikelonderdeel1997199819992000200120022003Econ.Funct.
03 Materieel4204502782782782782781201.1
04 Ambtelijk personeel1 0901 6003 1153 1153 1153 0153 0151101.1
05 Overig personeel793550505050501201.1
06 Post-actieven1101.1
Totaal1 5892 0853 4433 4433 4433 3433 343  

Artikelonderdeel 03. Materieel. Op dit artikel onderdeel worden de exploitatie-uitgaven geraamd. Dit betreft onder andere materiële uitgaven voor huisvesting. Daarnaast worden uitgaven geraamd voor reiskosten, vervanging Intertop en kantoorbenodigdheden.

Artikelonderdeel 04. Ambtelijk personeel. Op dit artikelonderdeel worden de uitgaven geraamd voor de loonkosten van actief personeel en niet-actief personeel met een ambtelijke aanstelling.

Artikelonderdeel 05. Overig personeel. Op dit artikelonderdeel worden de uitgaven geraamd voor inhuur van personeel, zijnde uitzendkrachten en ander vervangend personeel, zonder ambtelijke aanstelling, alsmede de uitgaven voor vorming en opleiding.

Artikelonderdeel 06. Post-actieven. Op dit artikelonderdeel worden geraamd de uitkeringen met betrekking tot non-activiteitswedden en wachtgelden betrekking hebbend op personeel werkzaam (geweest) bij het bureau voor de ABD, voor zover van toepassing.

De cijfers

Opbouw (verplichtingen =) uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U09.011997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 1 4981 4941 4871 4871 487 
1e suppletore begroting 1998 1 4832 7552 7552 7552 655 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:       
Beheersmatige mutaties       
1. personeelsbeleid – 906– 817– 810– 810– 810 
2. toedeling loon-/prijsbijstelling 1998 1011111111 
Stand ontwerp-begroting 19991 5892 0853 4433 4433 4433 3433 343
 (1 569)      

De toelichting bij de cijfers

1. een reallocatie naar artikel 09.02 ten behoeve van het personeelsbeleid.

De kengetallen

(bedragen x f 1 000)
U09.01 1997 1998 1999
RAMINGSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
Gemiddelde bezetting ambtelijk personeel9,45 19,26 28,76 
Gemiddelde salariskosten 115,3 108 108
Toegelicht begrotingsbedrag 1 090 2 080 3 106
Aantal vervulde vacatures per jaar *37 36 36 
Kosten loopbaanadvies per vacature ** 11,5 11,5 11,5
Kosten ondersteuning/ beheer Intertop per vacature *** 2,6 2,6 2,6
Kosten ontwikkeling loopbaaninstrumentarium per vacature**** 2,7 8,0 4,8

* Het aantal van 36 vacatures per jaar is gebaseerd op de door KPMG uitgevoerde doorlichting van bureau ABD. Hieruit bleek dat per jaar 10% van de leden van de ABD van functie verwisselt. Voor 1997 is het daadwerkelijk aantal vervulde vacatures vermeld.

** Het betreft hier de kosten van de tijdsbesteding van de loopbaanadviseurs van bureau ABD ten behoeve van de vacaturevervulling. Deze tijdsbesteding is gebaseerd op een door KPMG uitgevoerde doorlichting van bureau ABD. Voor 1999 is een raming opgenomen aangezien exacte cijfers (vooralsnog) niet beschikbaar zijn.

*** Dit zijn de geschatte kosten van de tijdsbesteding van het officemanagement ten behoeve van de vacaturevervulling. Hierin is meegenomen het beheer van Intertop, de tijd die is gemoeid met het opstellen van overzichten ten behoeve van MT en SG-beraad en het inlichten van de leden van de ABD betreffende vacatures.

**** Het betreft hier de kosten voor het ontwikkelen en het onderhouden van loopbaaninstrumenten. De reeks vertoont een (verwachte) daling ten opzichte van 1998 als gevolg van een daling van de ontwikkelingskosten.

09.02. Personeelsbeleid Algemene Bestuursdienst

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

Op dit artikel worden de uitgaven geraamd met betrekking tot de programma-uitgaven van het bureau voor de ABD. In 1998 zal de aandacht gevestigd zijn op de verdere ontwikkeling van mobiliteit, kennisintensivering en loopbaaninstrumentarium. Daarnaast zullen onderzoeken worden uitgevoerd ter verdere ontwikkeling van het ABD-beleid. Ook zullen weer de nodige bijeenkomsten worden georganiseerd om de netwerken binnen de ABD-doelgroep te stimuleren.

De cijfers

Opbouw (verplichtingen =) uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U09.021997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 403402403403403 
1e suppletore begroting 1998 100100100100100 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:       
Beheersmatige mutaties       
1. personeelsbeleid 906817810810810 
2. toedeling prijsbijstelling 1998 11111 
Stand ontwerp-begroting 19991 0591 4101 3201 3141 3141 3141 314
 (1 151)      

De toelichting bij de cijfers

1. een reallocatie van artikel 09.01 ten behoeve van het personeelsbeleid.

De economische code van dit artikel is 12, de functionele code is 01.1.

Wetsartikel 2 (ontvangsten)

01. Algemeen

Ontvangsten (x f 1 000)
 199819992000200120022003
Raming hoofdbeleidsterrein 0125 26716 9671 9671 9671 9671 967

01.06. Ontvangsten A&O subsidies

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

Op dit artikel worden de ontvangsten geraamd die het Ministerie van BZK verkrijgt uit subsidies van het A&O fonds.

De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
O01.061997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 NihilNihilNihilNihilNihil 
1e suppletore begroting 1998 300  
Stand ontwerp-begroting 1999324300NihilNihilNihilNihilNihil

De toelichting bij de cijfers

De economische code van dit artikel is 16, de functionele code is 06.40.

01.08. Overige ontvangsten

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

Op dit artikel worden diverse ontvangsten van het Ministerie van BZK geraamd.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de ontvangsten (x f 1 000) en de economische en functionele codering
O01.08/Artikelonderdeel1997199819992000200120022003Econ.Funct.
01 Inhouding op salarissen voor dienstverlening4792402402402402402401601.1
02 Bijdragen van belanghebbenden voor inkoop van diensttijd voor pensioen224545454545451101.1
03 Ontvangsten Hoge Raad van Adel102020202020202601.1
05 Diverse ontvangsten27 7451 6621 6621 6621 6621 6621 6621601.1
06 ZVO-doorberekening aan ministeries10 1931105.2
07 Dividendontvangsten18 69923 00015 0002701.34
Totaal57 14824 96716 9671 9671 9671 9671 967  

De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
O01.081997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 1 9671 9671 9671 9671 967 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:       
Autonome mutaties       
1. dividendontvangsten Roccade/Sdu 23 00015 000  
Stand ontwerp-begroting 199957 14824 96716 9671 9671 9671 9671 967

De toelichting bij de cijfers

1. een verhoging van de raming in verband met (te verwachten) dividendontvangsten van Roccade en Sdu.

01.09. Ontvangsten vervreemding aandelen Roccade Informatica Groep NV

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

Op dit artikel worden de ontvangsten geraamd samenhangend met de voorgenomen vervreemding van het aandelenpakket van de Roccade Informatica Groep NV (voorheen N.V. RCC). Aangezien de omvang van de ontvangsten nog niet bekend is, is een memorieraming opgenomen.

De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
O01.091997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 MemorieMemorie  
Stand ontwerp-begroting 1999NihilMemorieMemorie    

De toelichting bij de cijfers

De economische code van dit artikel is 78D, de functionele code is 01.34.

02. Openbaar Bestuur

Ontvangsten (x f 1 000)
 199819992000200120022003
Raming hoofdbeleidsterrein 0282 149122 56698 86891 932109 22286 512

02.01. Inhoudingen voor pensioenen van de leden van het Europees Parlement of hun betrekkingen

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

Op grond van de APPA betalen de leden van het Europees Parlement pensioenpremies. Dit premiebijdrageverhaal bedraagt op dit moment 2,96% van de schadeloosstelling.

De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
O02.011997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 376414390380370 
Stand ontwerp-begroting 1999179376414390380370360

De toelichting bij de cijfers

De economische code van dit artikel is 11, de functionele code is 01.1.

02.02. Werking politiek systeem

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

Op grond van artikel G14 van de Kieswet en artikel 15 van de Wet Europese Verkiezingen, dienen partijen die aan de verkiezingen deelnemen een zogenaamde waarborgsom bij de staat te storten. Indien een partij bij de verkiezingen niet ten minste 75% van de kiesdeler behaalt, vervalt de gestorte waarborgsom aan de staat. Gezien de onzekerheid van deze ontvangsten wordt een memorieraming opgenomen.

De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
O02.021997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 MemorieMemorieMemorieMemorieMemorie 
Stand ontwerp-begroting 199911MemorieMemorieMemorieMemorieMemorieMemorie

De toelichting bij de cijfers

De economische code van dit artikel is 68F, de functionele code is 01.1.

02.03. Diverse ontvangsten

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

Op dit artikel worden diverse ontvangsten geraamd op het terrein van het openbaar bestuur. Het betreft mogelijke ontvangsten als gevolg van afrekening van in voorgaande jaren verstrekte voorschotten, ontvangsten wegens medefinanciering door derden van door het Ministerie van BZK uitgevoerde activiteiten, van derden ontvangen onkostenvergoedingen, alsmede opbrengsten van de verkoop van brochures/publikaties op het gebied van het openbaar bestuur. Op voorhand is de hoogte van dergelijke ontvangsten niet te ramen.

De in 1997 verantwoorde en voor 1999 geraamde ontvangsten betreffen hoofdzakelijk terugontvangsten wegens afrekening van de in 1996 respectievelijk 1997 aan gemeenten verstrekte voorschotten in het kader van de Regeling extra werkgelegenheid langdurig werklozen (Melkert-banen). Deze terugontvangsten betreffen in feite gerealiseerde onderuitputting. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door gemeenten die voor het eerst deelnemen aan de regeling voor Melkert-banen. Door organisatie- en startproblemen (zoals het opzetten van de gemeentelijke uitvoeringsorganisatie, het zoeken naar de juiste kandidaten, het werven van werkgevers, enzovoort) vindt de daadwerkelijke realisatie van de banen eerst vaak in de loop van het jaar plaats.

De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
O02.031997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 MemorieMemorieMemorieMemorieMemorie 
1e suppletore begroting 1998 43 775  
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk       
Beheersmatige mutaties       
1. afrekening Melkert-banen – 43 70043 700  
Stand ontwerp-begroting 199990 2347543 700MemorieMemorieMemorieMemorie

De toelichting bij de cijfers

1. een kasverschuiving naar 1999 in verband met de afrekening van de in 1997 aan gemeenten verstrekte voorschotten in het kader van de Regeling extra werkgelegenheid langdurig werklozen (Melkert-banen).

De economische code van dit artikel is 16, de functionele code is 01.1.

02.04. Paspoortleges

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

Dit artikel betreft de raming van de ontvangsten in verband met de terzake van de afgifte van reisdocumenten af te dragen rijksleges. Deze afdracht is gebaseerd op artikel 7 van de Paspoortwet en het Besluit Paspoortgelden. De rijksleges-tarieven bedragen momenteel f 53,95 voor het paspoort en f 15,60 voor de Europese identiteitskaart. Deze tarieven worden jaarlijks aangepast in verband met hogere productiekosten voor kwaliteitsverbetering van de reisdocumenten en wegens prijsindexering. Als indexeringspercentage wordt het indexcijfer voor de overheidsconsumptie gehanteerd.

De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
O02.041997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 79 298116 752101 27893 35293 352 
1e suppletore begroting 1998 2 400  
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:       
Autonome mutaties       
1. bijstelling raming (op basis van VB-rapport)  – 38 300– 2 800– 1 80015 500 
Stand ontwerp-begroting 1999105 06681 69878 45298 47891 552108 85286 152

De toelichting bij de cijfers

1. een verlaging/verhoging van de raming op basis van de uitkomsten van het ramingsmodel conform het in 1997 uitgevoerde onderzoek door VB Accountants.

De economische code van dit artikel is 16, de functionele code is 01.40.

De kengetallen

(bedragen x f 1 000)
O02.04 1997 1998 1999
RAMINGSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
paspoorten à f 52,001,66 mln86 320    
paspoorten à f 53,95  1,25 mln67 438  
paspoorten à f 55,30    1,12 mln61 936
Europese identiteitskaarten à f 15,001,16 mln17 400    
Europese identiteitskaarten à f 15,60  0,85 mln13 260  
Europese identiteitskaarten à f 16,00    0,95 mln15 200
Overige ontvangsten reisdocumenten 1 346 1 000 1 316
Totaal 105 066 81 698 78 452

02.05. Ontvangsten sociale vernieuwing

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

Op dit artikel worden diverse ontvangsten op het terrein van sociale vernieuwing geraamd. Het gaat onder meer om eventuele incidentele terugbetalingen van bijdragen sociale vernieuwing, die niet op voorhand kunnen worden geraamd.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de ontvangsten (x f 1 000) en de economische en functionele codering
O02.05/Artikelonderdeel1997199819992000200120022003Econ.Funct.
01 Diverse ontvangsten2MemorieMemorieMemorieMemorieMemorieMemorie1201.1
02 Verrekening van verstrekte voorschotten      43A01.1
Totaal2MemorieMemorieMemorieMemorieMemorieMemorie  

De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
O02.051997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 MemorieMemorieMemorieMemorieMemorie 
Stand ontwerp-begroting 19992MemorieMemorieMemorieMemorieMemorieMemorie

02.06. Ontvangsten in verband met aansluiting mede-overheden bij de Nationale ombudsman

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

De wet van 18 juni 1998 tot wijziging van de Wet Nationale ombudsman en de Wet openbaarheid van bestuur is in werking getreden met ingang van 30 juni 1998. Deze wet maakt het mogelijk dat provincies, waterschappen, gemeenten en gemeenschappelijke regelingen op vrijwillige basis en tegen een vergoeding gebruik kunnen maken van de klachtvoorziening die de Nationale ombudsman biedt.

Op dit artikel worden de ontvangsten van de rijksoverheid in verband met de vrijwillige aansluiting van provincies, waterschappen, gemeenten en gemeenschappelijke regelingen bij de klachtvoorziening die de Nationale ombudsman biedt geraamd.

Vanaf 1 juli 1996 tot 1 januari 1999 is sprake van een proefperiode en verlenging van de proefperiode voor de provincies, de waterschappen en enkele gemeenten.

De uitgaven van de Nationale ombudsman worden geraamd op de begroting van de Hoge Colleges van Staat en Kabinet der Koningin.

De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
O02.061997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 MemorieMemorieMemorieMemorieMemorie 
Stand ontwerp-begroting 1999363MemorieMemorieMemorieMemorieMemorieMemorie

De toelichting bij de cijfers

De economische code van dit artikel is 16, de functionele code is 01.1.

03. Integratiebeleid minderheden

Ontvangsten (x f 1 000)
 199819992000200120022003
Raming hoofdbeleidsterrein 033 5003 5003 5003 5003 5003 500

03.01. Ontvangsten remigratiebeleid

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

Op grond van artikel 95 van de Werkloosheidswet is het Algemeen Werkloosheidsfonds verplicht vergoedingen te geven aan het Rijk voor verstrekte remigratiebijdragen aan remigranten voor zover die een WW-uitkering zouden hebben ontvangen als zij niet waren geremigreerd.

Daarnaast worden op dit artikel eventuele terugbetalingen en overige ontvangsten van (r)emigranten en instellingen geraamd.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de ontvangsten (x f 1 000) en de economische en functionele codering
O03.01/Artikelonderdeel1997199819992000200120022003Econ.Funct.
01 Algemeen Werkloosheidsfonds3 5003 5003 5003 5003 5003 50043B06.36
02 Restituties (R)emigratie43B06.36
03 Diverse ontvangsten migratie0606.36
TotaalNihil3 5003 5003 5003 5003 5003 500  

De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
O03.011997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 3 5003 5003 5003 5003 500 
Stand ontwerp-begroting 1999Nihil3 5003 5003 5003 5003 5003 500

05. Openbare Orde en Veiligheid

Ontvangsten (x f 1 000)
 199819992000200120022003
Raming hoofdbeleidsterrein 05335 212345 669357 728370 188383 128396 563

05.01. Ontvangsten Dienst Geneeskundige Verzorging Politie

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

In het Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1994 is de ziektekostenregeling vastgelegd voor de politie. De Dienst Geneeskundige Verzorging Politie (DGVP) fungeert als een verplichte ziektekostenverzekeraar voor alle werknemers bij de politie en voor diegenen die met pensioen zijn of gebruik gemaakt hebben van VUT/VVU of andere regelingen. De gezinsleden van de GVP-verzekerden zijn meeverzekerd, voorzover zij geen eigen aanspraken op een ziektekostenregeling hebben of anderszins zijn uitgesloten.

De DGVP gaat uit van een kostendekkende premieheffing. Deze premieheffing wordt gemeenschappelijk opgebracht door de deelnemers en door de werkgevers. De premie GVP wordt jaarlijks – op voorstel van de DGVP – door de Minister van BZK, na overleg met de Commissie voor Georganiseerd Overleg in Politieambtenarenzaken, vastgesteld. Met de op dit artikel geraamde ontvangsten hangen samen de uitgaven van de DGVP. Hiervoor wordt verwezen naar het uitgavenartikel 05.09.

De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
O05.011997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 290 069297 859305 859314 073322 389 
1e suppletore begroting 1998 5 74815 50919 50623 75228 376 
Stand ontwerp-begroting 1999273 844295 817313 368325 365337 825350 765364 200

De toelichting bij de cijfers

De economische code van dit artikel is 47B, de functionele code is 05.2.

05.05. Ontvangsten Brandweerzorg

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

De ontvangsten op dit artikel betreffen de doorberekende kosten van de door de directie Brandweer en rampenbestrijding verstrekte publicaties en overige ontvangsten die betrekking hebben op de brandweerzorg. De directe kosten van de publicaties, die de directie in het kader van de serviceverlening verkoopt, worden volledig in rekening gebracht.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de ontvangsten (x f 1 000) en de economische en functionele codering
O05.05/Artikelonderdeel1997199819992000200120022003Econ.Funct.
01 Retributies voor bewezen diensten1391603.4
02 Keuringen (Beproevingsstation)1021603.4
03 Diverse ontvangsten1048888888888881603.4
Totaal345888888888888  

De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
O05.051997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 8888888888 
Stand ontwerp-begroting 1999345888888888888

05.07. Ontvangsten Rampenbestrijding en hulpverlening

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

De ontvangsten die kunnen optreden als gevolg van de rampbestrijdingstaak worden op dit artikel geraamd. Het betreft ontvangsten uit inruil van in onbruik geraakt materieel voor de rampenbestrijding, eventuele huuropbrengsten van medegebruik van infrastructurele voorzieningen en overige ontvangsten die betrekking hebben op de rampenbestrijding en hulpverlening.

De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
O05.071997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 MemorieMemorieMemorieMemorieMemorie 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:       
Beheersmatige mutaties       
1. eindafrekening NRF 1 350  
Stand ontwerp-begroting 199914 5871 350MemorieMemorieMemorieMemorieMemorie

De toelichting bij de cijfers

1. een desaldering met uitgavenartikel 05.21. Het betreft de eindafrekening Nationaal Rampenfonds tegemoetkoming in de schade bij rampen ter dekking van de investeringen GHOR.

De economische code van dit artikel is 16, de functionele code is 03.5.

05.09. Ontvangsten Politie

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

Naast de ontvangst van het Ministerie van Justitie voor haar aandeel in de bijdrage van de kosten van het LSOP worden ontvangsten van algemene aard van politie op dit artikel geraamd.

De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
O05.091997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 MemorieMemorieMemorieMemorieMemorie 
1e suppletore begroting 1998 37 95732 21332 27532 27532 275 
Stand ontwerp-begroting 199946 10237 95732 21332 27532 27532 27532 275

De toelichting bij de cijfers

De economische code van dit artikel is 16, de functionele code is 03.2.

06. Binnenlandse Veiligheidsdienst

Ontvangsten (x f 1 000)
 199819992000200120022003
Raming hoofdbeleidsterrein 06415100100100100100

06.01. Diverse ontvangsten

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

Op dit artikel worden de diverse ontvangsten van de BVD geraamd.

De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
O06.011997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 415100100100100 
Stand ontwerp-begroting 1999574415100100100100100

De toelichting bij de cijfers

De economische code van dit artikel is 16, de functionele code is 03.6.

07. Management en Personeelsbeleid

Ontvangsten (x f 1 000)
 199819992000200120022003
Raming hoofdbeleidsterrein 0714 31414 42414 21214 15514 15514 155

07.03. Ontvangsten Rijks Bedrijfsgezondheids- en Bedrijfsveiligheidsdienst

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

Vanaf 1997 worden op dit artikel slechts incidentele ontvangsten geraamd die verband houden met de financiële afwikkeling van de privatisering van de RBB en de fusie van de N.V. RBB met de Arbo-diensten van de NS Groep N.V. en de Nederlandse Philips Bedrijven B.V.

Voorts worden op dit artikel de ontvangsten geraamd uit de terugbetaling van de leningen aan de N.V. RBB en de Arbo Management Groep B.V.

Voorgesteld wordt het onderhavige artikel met ingang van 2000 te laten vervallen, omdat vanaf dat jaar geen ontvangsten meer worden verwacht.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de ontvangsten (x f 1 000) en de economische en functionele codering
O07.03/Artikelonderdeel1997199819992000200120022003Econ.Funct.
01 Verrichten van werkzaamheden voor derden      1601.33
02 Diverse ontvangsten9 240    1601.33
Totaal9 240MemorieMemorieVervallen     

De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
O07.031997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 MemorieVervallenVervallen  
Stand ontwerp-begroting 19999 240MemorieMemorieVervallen   

07.06. Diverse ontvangsten

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

Op het onderhavige artikel worden de overige ontvangsten geraamd van het hoofdbeleidsterrein Management en Personeelsbeleid.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de ontvangsten (x f 1 000) en de economische en functionele codering
O07.06/Artikelonderdeel1997199819992000200120022003Econ.Funct.
01 Diverse ontvangsten6 9861 6291 5201 3471 3471 3471 3471601.33
02 Pensioenbijdragen968      1101.30
04 Doorberekening uitvoeringskosten DZVO 12 68512 90412 86512 80812 80812 8081201.1
Totaal7 95414 31414 42414 21214 15514 15514 155  

Artikelonderdeel 01. Diverse ontvangsten. Dit artikelonderdeel betreft met name ontvangsten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken/Ontwikkelingssamenwerking. De ontvangsten hangen samen met de bijdrage van dat ministerie in de kosten voor de Garantiewet Surinaamse Pensioenen en zijn desalderend tot uitdrukking gebracht op uitgavenartikel 07.22. Verder worden eventuele ontvangsten met betrekking tot inkoop van diensttijd geraamd op dit artikelonderdeel.

Artikelonderdeel 04. Doorberekening uitvoeringskosten DZVO. Op dit artikel worden de ontvangsten geraamd in verband met de doorberekening van de uitvoeringskosten DZVO. Als gevolg van de sectoralisatie van de ZVO-regelingen worden de uitvoeringskosten hiervan doorberekend aan de diverse opdrachtgevers. De betreffende uitgaven worden geraamd op uitgavenartikel 07.21.

De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
O07.061997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 9 9039 6239 6239 6239 623 
1e suppletore begroting 1998 4 4114 8014 5894 5324 532 
Stand ontwerp-begroting 19997 95414 31414 42414 21214 15514 15514 155

08. Informatievoorziening en Automatiseringsbeleid

Ontvangsten (x f 1 000)
 199819992000200120022003
Raming hoofdbeleidsterrein 083 3842 7503 000MemorieMemorieMemorie

08.02. Diverse ontvangsten

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

Op dit artikel worden diverse ontvangsten met betrekking tot het hoofdbeleidsterrein Informatievoorziening en Automatiseringsbeleid geraamd. Het betreft voor een belangrijk deel van derden ontvangen bijdragen ter medefinanciering van door het Ministerie van BZK uitgevoerde activiteiten op het terrein van de overheidsinformatievoorziening.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de ontvangsten (x f 1 000) en de economische en functionele codering
O08.02/Artikelonderdeel1997199819992000200120022003Econ.Funct.
02 Ontvangsten project Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens11 008      1201.34
03 Bijdrage van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds aan het project Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens528      1601.34
04 Overige ontvangsten4 0243 3842 7503 0001601.34
Totaal15 5603 3842 7503 000MemorieMemorieMemorie  

Artikelonderdeel 04. Overige ontvangsten. Op dit artikelonderdeel worden de overige diverse ontvangsten geraamd op dit hoofdbeleidsterrein. Deze overige ontvangsten kunnen als volgt worden onderverdeeld:

(bedragen x f 1 000)
O08.0219971998199920002001 e.v.
* van derden ontvangen bijdragen ter medefinanciering van activiteiten op het terrein van de overheidsinformatievoorziening3 2943 384750  
* opcenten project ON21  2 0003 000 
* diverse ontvangsten730 
Totaal begrotingsbedrag4 0243 3842 7503 000Memorie

Voor 1999 en 2000 is conform de planning van het project ON21 (Overheidsnetwerk) een ontvangstenbedrag geraamd van f 2 mln respectievelijk f 3 mln. Dit bedrag komt tot stand middels opcenten op te realiseren individuele contracten onder de OT2000-mantelovereenkomst en is afhankelijk van:

* het moment van gunning en daaraan gerelateerd de start van de exploitatie,

* het uiteindelijke aantal deelnemers,

* de omvang van het dienstenpakket per deelnemer,

* de nog vast te stellen hoogte van de opcenten (1 à 1,5%) en de duur waarover deze wordt geheven (tenzij anders wordt besloten gedurende de gehele contractperiode van 3 jaar met 3 jaar verlenging).

Tot de diverse ontvangsten behoren bijvoorbeeld mogelijke ontvangsten als gevolg van de afrekening van in voorgaande begrotingsjaren verstrekte voorschotten, of opbrengsten van de verkoop van brochures/publicaties op het gebied van het informatievoorzieningsbeleid. Op voorhand is de hoogte van dergelijke ontvangsten niet te ramen.

De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
O08.021997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 Memorie2 0003 000MemorieMemorie 
1e suppletore begroting 1998 3 384750  
Stand ontwerp-begroting 199915 5603 3842 7503 000MemorieMemorieMemorie

08.05. Ontvangsten Centrale Archiefselectiedienst

Het te voeren beleid en de grondslag van het artikel

Op dit artikel worden eventuele ontvangsten geraamd uit hoofde van het agentschap CAS.

De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
O08.051997199819992000200120022003
Stand ontwerp-begroting 1998 MemorieMemorieMemorieMemorieMemorie 
Stand ontwerp-begroting 19994MemorieMemorieMemorieMemorieMemorieMemorie

De toelichting bij de cijfers

De economische code van dit artikel is 16, de functionele code is 01.34.

Wetsartikel 3 (agentschappen)

Agentschap ITO

1. Algemeen

1.1. Doel en taken agentschap IT-organisatie

Het agentschap IT-organisatie (ITO) is het facilitaire bedrijf op het gebied van informatie- en communicatietechnologie (ICT) voor de sector Openbare Orde en Veiligheid. De ITO maakte tot 1 mei 1998 als «divisie IT-organisatie» onderdeel uit van het agentschap Korps Landelijke Politiediensten (KLPD). Per 1 mei 1998 heeft ITO de status van agentschap gekregen, behorend tot het Ministerie van Binnenlandse Zaken.

De dienstverlening van het agentschap ITO is nu voor een belangrijk deel gericht op de politie.

Daarbij kunnen de volgende taken worden onderscheiden:

* het beheer van infrastructuren, waaronder voorbereidings- en realisatieactiviteiten. Voorbeelden zijn C2000, PODACS (Politie Datacommunicatie Systeem), medegebruik NAFIN, Radiofrequenties, technische standaards, 112-alarmering, Nationaal Noodnet;

* het beheer van informatiesystemen (applicaties). Voorbeelden zijn GMS (Geïntegreerd Meldkamer Systeem), HKS (Herkenningsdienstsysteem), CVI (Centrale Verwijzingsindex), Mobipol (mobiele werkplekcommunicatie), OPS (Opsporingssysteem), Vreemdelingenadministratiesysteem (VAS), NSIS (Nationaal Schengen Informatie Systeem);

* rekencentrum en helpdesk-functie;

* kenniscentrum voor ondersteuning van opdrachtgevers met advies en conceptuele beleidsontwikkeling;

* ontwikkeling en beheer van (technische) standaards en procedures.

Krachtens de in voorbereiding zijnde wettelijke regeling bestaat het potentiële opdrachtgeversveld uit de volledige sector Openbare Orde en Veiligheid (politie, brandweer en rampenbestrijdingsorganisaties), de strafrechtelijke keten en andere opsporings- en hulpverleningsorganisaties.

Leidende gedachte daarbij is, dat samenwerking op het gebied van Informatie- en communicatietechnologie bijdraagt aan het doelmatig beheer en de (besloten en) bedrijfszekere exploitatie van systemen en diensten. Het agentschap ITO draagt hiermee bij aan de kwaliteit van de handhaving van de openbare orde en veiligheid en van de rechtsorde.

Om het opdrachtgeversveld te betrekken bij de bedrijfsvoering van het agentschap ITO is voorzien in een overlegstructuur met de Minister van BZK in de «IT-raad in oprichting». In voorkomend geval wordt het overleg mede gevoerd met de Minister van Justitie. Hoewel van de standpunten van de IT-raad in oprichting niet ongemotiveerd kan worden afgeweken, ligt de eindverantwoordelijkheid voor het agentschap ITO bij de Minister van BZK.

1.2. Verbetering doelmatigheid

Het agentschap ITO heeft een financieel model ontwikkeld op basis waarvan kosten en opbrengsten op een transparante wijze worden toegerekend aan de producten en diensten.

De volgende hoofdgroepen producten en diensten worden onderscheiden:

* datacommunicatie: met name het X.25 datatransport met toegangsdiensten tot politiedatanetwerken en andere datanetwerken, zoalsbijvoorbeeld de gemeentelijke basisadministraties (GBA), de rijksdienst voor het wegverkeer (RDW) en de vreemdelingenregistraties. Binnen deze groep vallen tevens de LAN-interconnectiediensten voor de onderlinge verbindingen tussen lokale netwerken;

* mobiele communicatie: regionale radionetten, Mobipol, meldkamerbeheer. Een belangrijke nieuwe ontwikkeling binnen deze groep is de ontwikkeling van het nieuwe landelijke mobiele netwerk C2000 voor radiocommunicatie ten behoeve van politie, brandweer en ambulancediensten, ter vervanging van de ruim 100 bestaande, afzonderlijke netwerken, met faciliteiten voor spraak- en datacommunicatie;

* telefonie: operationeel beheer 112-alarmnummer;

* applicaties: beheer en ontwikkeling van de landelijke softwaresystemen;

* overige diensten: onder andere stil alarm, typekeuringen, advies.

Op basis van integrale kostprijsberekening voor de dienstverlening van het agentschap ITO vindt doorberekening van kosten aan opdrachtgevers plaats. Bij de doorberekening van kosten kan een onderscheid gemaakt worden naar:

* doorberekening op basis van bestede tijd (mensuren);

* doorberekening op basis van het gebruik van de infrastructuur (per transactie of aansluiting met een bepaalde capaciteit).

Uitgaande van het bovenstaande wordt in het tarievenmodel rekening gehouden met deskundigheidsniveaus, bijzondere beveiligingseisen en de kwaliteitsborging van de dienstverlening.

De tarieven worden jaarlijks op voordracht van de directeur van het agentschap ITO voorgelegd aan de IT-raad en goedgekeurd door de Minister van BZK.

Een indicatie omtrent doelmatigheidsverbetering kan worden verkregen door de ontwikkeling van de tarieven in de tijd te vergelijken. Van de onderhandelingen over te leveren producten en diensten, die met de verschillende opdrachtgevers zullen plaatsvinden, gaat overigens ook een stimulans tot doelmatig werken uit.

Vanaf 1999 werkt het agentschap ITO volledig kostendekkend. De in uitvoering genomen projecten worden gefinancierd op basis van vooraf door het agentschap ingediende projectbegrotingen. Voor alle overige activiteiten vindt facturering plaats.

De aan de IT-raad voor te leggen tarieven voor 1999 (die formeel nog niet zijn vastgesteld door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) zijn gebaseerd op de gehanteerde tariefmethodiek 1998 met een opslag voor verwachte loon- en prijsontwikkelingen (in 1998 is uitgegaan van een gemiddeld uurtarief van f 185,42 en van 262 236 productieve uren). Deze tarieven zien er voor de verschillende afdelingen binnen het agentschap ITO als volgt uit:

 
afdelinggemiddeld tarief (in guldens)productieve uren
Telecom Standaards en Innovatie185,7337 505
Realisatie Infrastructuur176,6050 111
Applicaties160,66128 220
Productie181,5183 055

1.3. Financieel beheer

Op 9 april 1998 heeft Deloitte&Touche haar eindrapport Verzelfstandigingsaudit IT-organisatie over de stand van zaken bij het agentschap ITO aangeboden. Dit rapport is, in het kader van de agentschapsvorming, op 11 mei 1998 aangeboden aan de Tweede Kamer. Algemene conclusie is dat het financiële beheer bij het agentschap ITO voldoet aan de daaraan, in het kader van de agentschapsvorming, gestelde eisen. In het rapport worden tevens aanbevelingen gedaan gericht op met name verdere verbeteringen in de werking van de administratieve organisatie (AO), de verdere ontwikkeling van de managementrapportages, de eventuele vervanging van het financiële administratiesysteem SAP en een verdere verbetering van het contractenregister. Door het agentschap zal ook in 1999 gericht worden gewerkt aan de realisatie van deze aanbevelingen.

1.4. Toegepaste waarderingsgrondslagen

Door het agentschap ITO worden de volgende waarderingsgrondslagen gehanteerd:

* De lasten en baten worden toegerekend aan het boekjaar waarop ze betrekking hebben;

* Voor zover niets anders vermeld, worden activa en passiva verantwoord tegen nominale waarde;

* Materiële activa wordt afgeschreven op basis van de aanschaffingsprijs. Afschrijvingen vinden plaats op basis van de geschatte gebruiksduur, rekening houdend met een eventuele restwaarde;

* Voorraden handelsgoederen worden opgenomen tegen verkrijgingsprijs onder aftrek van een voorziening voor mogelijke incourantheid;

* Voorraden onderhanden werk worden opgenomen tegen directe materiaal- en arbeidskosten met een opslag voor indirecte kosten. Vooruitbetalingen van afnemers worden in mindering gebracht op het onderhanden werk. Indien verliezen voorzienbaar zijn wordt hiermee reeds rekening gehouden;

* De vorderingen worden opgenomen tegen nominale waarde;

* Waardering geschiedt inclusief BTW.

1.5. Ontwikkelingen

De begroting is opgesteld in de periode waarin ook de vorming van het agentschap haar beslag moest krijgen. Dat stelde bijzondere eisen aan het begrotingsproces. Het planning- en control instrumentarium is in ontwikkeling. Het bedrijfsplan 1999 wordt, vanuit een voorlopig plan 1998, ontwikkeld in de loop van 1998 en moet voor het einde van 1998 zijn vastgesteld.

De meerjarenbegroting is geheel gebaseerd op bestaand beleid en bestaande dienstverlening. Nieuwe vormen van dienstverlening zullen het agentschap ITO de komende jaren drastisch beïnvloeden. Als eerste kan worden genoemd het belangrijke project C2000, waardoor in de komende vier à vijf jaar een ingrijpende vernieuwing van de communicatie infrastructuur voor politie, brandweer en ambulancevervoer tot stand komt. Met dit project wordt een communicatie-infrastructuur gerealiseerd met gebruik van nieuwe technologische standaards, die in de komende jaren het hart zal (gaan) vormen van de communicatie binnen en tussen de organisaties op het gebied van Openbare Orde en Veiligheid.

Op het gebied van datacommunicatie is een belangrijke ontwikkeling gaande met betrekking tot de dienstverlening aan het Ministerie van Justitie en daarbij behorende organisaties met de invoering van de LAN interconnect dienst (LICD) als vervanging van de huidige datacommunicatievoorzieningen. De invoering begint in 1998 en zal met name in 1999 en 2000 tot uitvoering komen.

Tenslotte wordt een belangrijke nieuwe vorm van dienstverlening ontwikkeld met het aanbieden van beheer van rekencentra aan politiekorpsen. Hiervoor zijn inmiddels de eerste stappen gezet. De planning is minder goed voorspelbaar, omdat deze ook moet aansluiten bij voorkeuren van en ontwikkelingen in de individuele korpsen.

Tijdens het opstellen van de begroting 1999 was de gunning van C2000 conform de Europese aanbestedingsregels nog niet afgerond. Daardoor was het nog niet mogelijk de organisatorische effecten voor het agentschap ITO van de invoering van C2000 in de meerjarenbegroting te verwerken. Het nog prille stadium van voorbereiding van de beide andere genoemde veranderingen, te weten LICD en beheer rekencentra, maakte het eveneens onmogelijk de effecten daarvan in de meerjarenbegroting op te nemen. Dit beïnvloedt vooral het laatste dan wel de laatste twee jaar van de nu geraamde meerjarenperiode. Bij het opstellen van de begroting 2000 met de bijbehorende meerjarenraming zullen de exploitatiemodellen naar verwachting ver genoeg ontwikkeld zijn om dan de effecten wel in de meerjarenbegroting te kunnen verwerken.

1.6. Organisatie en aansturing

Per 1 mei 1998 heeft de ITO de status van agentschap gekregen, behorend tot het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Naast de sturing vanuit het ministerie functioneert een IT-raad in oprichting, samengesteld uit vertegenwoordigers uit het opdrachtgeversveld en de Ministeries van Binnenlandse Zaken en van Justitie. Tevens maken een externe financieel deskundige en een externe automatiseringsdeskundige deel uit van deze raad.

Sturing en verantwoording zijn productgericht. Het agentschap ITO geeft vooraf inzicht in de voorgenomen werkzaamheden door middel van bedrijfsplannen en begrotingen. Verantwoording over de uitvoering wordt afgelegd door middel van periodieke managementsrapportages en een jaarverslag, waarin de (financiële) jaarrekening wordt opgenomen. De jaarrekening zal deel uitmaken van de departementale financiële verantwoording van het Ministerie van BZK. Ten behoeve van de bevordering van de doelmatigheid, één van de doelstellingen van de vorming van het agentschap, zullen waar mogelijk kengetallen worden ontwikkeld, als onderdeel van de (financiële) planning en verantwoording.

1.7. Huisvesting

De hoofdvestiging van het agentschap ITO is in Driebergen. De projectorganisatie C2000 is gehuisvest in Utrecht. Een aantal engineering bureaus is gespreid over Nederland gehuisvest. Het grootste deel van de huisvesting wordt gehuurd, in slechts enkele gevallen is er sprake van eigendom.

Op korte termijn zal worden bepaald aan welke eisen de huisvesting in de nabije toekomst zal moeten voldoen in het kader van de eisen voor bedrijfszeker functioneren van het nieuwe mobiele net C2000. Daarna zal worden bezien of en in hoeverre andere huisvesting noodzakelijk zal zijn om aan deze eisen tegemoet te komen en tevens te voorzien in mogelijke toekomstige groei van de personeelsomvang.

2. Indicatieve openingsbalans

Aangezien de IT-organisatie per 1 mei 1998 een agentschap is onder het Ministerie van Binnenlandse Zaken, heeft verwerking van de indicatieve openingsbalans per die datum plaats bij afzonderlijke suppletore begroting 1998.

In deze afzonderlijke suppletore begroting zal ook een begroting van baten en lasten voor de periode 1 mei 1998 tot en met 31 december 1998 worden opgenomen. Een overeenkomstige wijzigingswet zal ook door het Ministerie van Justitie worden ingediend.

3. Begroting van baten en lasten

Begroting 1999 en meerjarenbegroting 2000 tot en met 2003 (bedragen x f 1 000)
      Codering
 19992000200120022003Econ.Funct.
Baten203 530237 548241 548240 548203 548  
        
Opbrengst moederdepartement147 015172 524176 024175 524142 0241603.2
Opbrengst overige departementen29 52235 02233 52233 02229 5221603.2
Opbrengst derden26 99330 00232 00232 00232 0021603.2
Rentebatenpmpmpmpmpm  
Buitengewone batenpmpmpmpmpm1603.2
        
Lasten199 530233 548237 548236 548199 548  
        
Apparaatskosten       
* personele kosten54 58968 39170 89169 39157 3911103.2
* materiële kosten135 096153 303153 803154 303129 3031203.2
Rentelastenpmpmpmpmpm  
Afschrijvingskosten       
* materieel9 84511 85412 85412 85412 8541503.2
Dotaties voorziening tariefschommelingenpmpmpmpmpm1503.2
Dotaties voorziening niet-declarabele urenpmpmpmpmpm1503.2
Saldo van baten en lasten4 0004 0004 0004 0004 000  

3.1. Algemene toelichting op de begroting van baten en lasten

De fluctuaties in de meerjarenramingen in de opeenvolgende jaren worden met name veroorzaakt door de schommelingen in de projectbijdragen C2000. De verlaging van het totaal van baten en lasten in 2003 houdt verband met het einde van de projectperiode van C2000 en de daarmee gepaard gaande afname van de inhuur van personeel (de projectorganisatie zal worden afgebouwd en de opbouw van de beheersorganisatie bevindt zich dan in een afrondende fase). Daarnaast zijn in 2003 geen projectkosten meer voorzien voor de redesign landelijke systemen.

In de meerjarenramingen is rekening gehouden met de te verwachten redesign van een aantal landelijke systemen in de jaren 2000 tot en met 2002.

3.2. Toelichting per post

3.2.1. Baten

Specificatie baten. In onderstaande tabel wordt voor het jaar 1999 een overzicht gegeven van de verdeling van de baten naar productgroepen en naar de belangrijkste opdrachtgevers (bedragen x f 1 000):

 
OpdrachtgeversTotaalProductgroepen
  Data-Mobiele communicatieTelefonieApplicatiesDiversen
  communicatieITO excl. C2000C2000   
Moederdepartement147 01511 7563 460120 00068 2803 513
Ministerie van Justitie29 52218 0851 660 9367 7201 121
Politieregio's21 5394 3988 302  7 900939
KLPD1 1391 000139    
Kmar480 402   78
Overig3 8351 200130  3002 205
Totaal203 53036 43914 093120 00094224 2007 856

Opbrengsten moederdepartement. Dit betreft geheel de opbrengsten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken voor te leveren producten en diensten, hetzij in de vorm van projectfinanciering zoals bij het project C2000, hetzij op basis van facturering voor gebruik van datacommunicatiefaciliteiten, beheer van applicaties en beheer van radio- en datacommunicatienetwerken.

In de ramingen voor de jaren 2000 tot en met 2002 is rekening gehouden met een opdrachtverstrekking door het Ministerie van Binnenlandse Zaken voor de vernieuwing van CVI, HKS en LIST.

Voor het overige worden de fluctuaties in de hoogte van de ramingen in de opeenvolgende jaren met name veroorzaakt door de schommelingen in de projectbijdragen C2000.

Opbrengsten overige departementen. Op deze post zijn geraamd de opbrengsten van het Ministerie van Justitie. Net zoals dat bij het moederdepartement het geval is bestaat dit bedrag uit bijdragen voor producten en diensten, met name gebruik van datacommunicatienetwerken en beheer van applicaties en uit projectbijdragen.

Voor de periode 2000 tot en met 2002 is uitgegaan van een opdrachtverstrekking door het Ministerie van Justitie voor de vervanging van OPS en NSIS. Vervanging van NSIS is mede afhankelijk van vervanging van het Centrale Schengen Informatiesysteem (CSIS).

Opbrengsten van derden. Deze post bestaat hoofdzakelijk (f 21,5 mln van de totale raming van f 27 mln) uit bijdragen voor producten en diensten van de politiekorpsen.

Rentebaten. In afwachting van de opstelling van de indicatieve openingsbalans zijn vooralsnog in deze begroting noch rentebaten noch rentelasten opgenomen.

3.2.2. Lasten

Personele kosten. De raming op deze post omvat de personele kosten van het personeel in dienst van het agentschap ITO en van het extern ingehuurde personeel. Naast de directe kosten, zoals salarissen en sociale lasten, zijn op deze post ook geraamd de overige aan personeel gerelateerde kosten zoals opleidingen en reiskosten. Zoals ook bij de baten reeds is toegelicht, is voor de jaren 2000 tot en met 2002 een tijdelijke toename van de personele kosten voorzien ten behoeve van het project redesign landelijke systemen.

Het verloop van de geraamde formatie omvang en de gemiddelde personeelskosten per formatieplaats blijkt uit de volgende tabel (aantallen fte's casu quo bedrag per fte in guldens, kosten personeel in duizenden guldens):

 
 19992000200120022003
 kostenfte'skostenfte'skostenfte'skostenfte'skostenfte's
ITO personeel31 506325,1433 931354,1433 856353,1434 356358,1433 761351,14
Inhuur personeel23 08364,534 46099,537 035108,535 035102,523 63066,5
Totaal54 589389,6468 391453,6470 891461,6469 391460,6457 391417,64
Bedrag per fte 140 101 150 761 153 563 150 640 137 417

In de ramingen voor de meerjarenperiode is het personeel voor de projectorganisatie C2000 begrepen. Met de opbouw van de beheerorganisatie C2000 is inmiddels begonnen om het operationaliseren van de startregio te kunnen ondersteunen. Tegen het einde van de projectperiode (2002/2003) zal de projectorganisatie worden afgebouwd, en de beheerorganisatie verder worden opgebouwd. Dit weerspiegelt zich in het kostenverloop van het ingehuurde personeel. Tijdens de projectfase van C2000 zal een groter beroep worden gedaan op tijdelijk ingehuurd personeel dan in de beheersfase. Bij het opstellen van de begroting kon nog niet met voldoende zekerheid worden bepaald welke invloed dat zal hebben op de totale personele omvang. Daarom is er in de begroting van uitgegaan dat deze ongeveer gelijk zal zijn aan de huidige omvang.

Materiële kosten. De materiële kosten kunnen voor 1999 als volgt worden gespecificeerd (bedragen x f 1 000):

 
KostensoortTotaal ITOITO excl. C2000C2000
Huisvestingskosten5 0184 695323
Kosten voertuigen79275141
Kosten techn. Installaties362362 
Verbindingskosten3 6223 60121
Automatiseringskosten20 49220 097395
Kosten operationele activ. 2 5322 135397
Overige kosten102 2781 435100 843
Totaal135 09633 076102 020

De fluctuaties in de meerjarenramingen worden vooral veroorzaakt door de projectkosten C2000.

De materiële kosten voor C2000 bestaan voor ongeveer 95% uit de bouwkosten van de infrastructuur en het netwerk management centrum. De resterende 5% bestaan uit de materiële kosten van de projectorganisatie.

Rentelasten. Zie de toelichting bij rentebaten.

Afschrijvingskosten. Voor de periode waarop de meerjarenbegroting betrekking heeft is een jaarlijks investeringsniveau voorzien van f 8 mln voor vervangingsinvesteringen en f 2 mln voor uitbreidingsinvesteringen.

De boekwaarden en de raming van de afschrijvingen inzake de verschillende groepen activa kunnen als volgt worden gespecificeerd (raming afschrijvingskosten op basis van boekwaarde 1-1-1998 + raming investeringen 1998 en 1999) (bedragen x f 1 000):

 
ActivagroepBoekwaarde 1 januari 1998Raming afschrijvingskosten 1999
Meubilair en stoffering2 345600
Technische installaties705150
Gebouwen9310
Voertuigen2 240500
Telefoon- e.a. verbindingsapparatuur1 753400
Automatiseringsapparatuur en software17 7727 285
Overige apparatuur, installaties etc. 5 935900
Totaal30 8439 845

De boekwaarde van de activa per 1-5-1998 is nog niet bekend als gevolg van het ontbreken van de indicatieve openingsbalans per 1-5-1998. In het bovenstaande overzicht is daarom uitgegaan van de boekwaarde per 1-1-1998.

Tussen het Ministerie van Binnenlandse Zaken en van Justitie is afgesproken, dat bij het agentschap ITO dezelfde afschrijvingstermijnen worden gehanteerd als bij het KLPD.

Dotaties voorzieningen. In de opbouw van de tarieven is rekening gehouden met dotaties aan voorzieningen enerzijds in verband met een gewijzigde verhouding in de inzet van intern en extern personeel en anderzijds in verband met het risico van niet-declarabele uren.

3.2.3. Saldo van baten en lasten

Om voldoende continuïteitszekerheid te verkrijgen zijn de tarieven en de opbrengstramingen zodanig bepaald dat jaarlijks een positief saldo ontstaat van f 4 mln. Het te realiseren positieve saldo wordt toegevoegd aan de algemene reserve. Zoals hiervoor aangeven wordt de algemene reserve gebruikt voor het opvangen van continuïteits- en andere risico's (opvangen van schommelingen in de exploitatie bijvoorbeeld als gevolg van algemene innovatieve activiteiten) en voor reserveringen voor uitgaven voor materiële (en immateriële) vaste activa in latere jaren.

4. Liquiditeitenbegroting (prognose)

(bedragen x f 1000)
       Codering
 199819992000200120022003Econ.Funct.
Liquide middelen 1 januari pmpmpmpmpm  
         
1a. saldo van baten en lasten 4 0004 0004 0004 0004 000  
1b. gecorrigeerd voor afschrijvingen/mutaties voorzieningen 9 84511 85412 85412 85412 854  
1c. gecorrigeerd voor mutaties in het werkkapitaal pmpmpmpmpm  
–> 1. Kasstroom uit operationele activiteiten 13 84515 85416 85416 85416 854  
         
2a. uitgaven onroerende zaken        
2b. uitgaven overige kapitaalgoederen – 10 083– 15 000– 12 000– 11 000– 12 0005203.2
2c. gecorrigeerd voor desinvesteringen 83pmpmpmpm5903.2
–> 2. Kasstroom uit investeringsactiviteiten – 10 000– 15 000– 12 000– 11 000– 12 000  
         
3a. leningen moederdepartement pmpmpmpmpm7103.2
3b. investeringsbijdrage van het departement pmpmpmpmpm6803.2
3c. aflossingen pmpmpmpmpm8203.2
–> 3. Netto kasstroom uit financieringsactiviteiten pmpmpmpmpm  
         
Liquide middelen 31 december (1 januari + 1. + 2. + 3.) pmpmpmpmpm  

4.1. Toelichting bij het overzicht kasstromen en liquiditeiten

De indicatieve openingsbalans voor het agentschap ITO is nog niet vastgesteld, waardoor een aantal posten van het kasstroomoverzicht nog niet is ingevuld.

Afschrijvingen. Voor de samenstelling van de afschrijvingen wordt verwezen naar de toelichting bij dat onderdeel van de toelichting op de baten en lasten.

Uitgaven overige kapitaalgoederen. Bij de investeringen is uitgegaan van een structureel niveau van de vervangingsinvesteringen van f 8 mln en van de uitbreidingsinvesteringen van f 2 mln. Het betreft hier uitsluitend investeringen in apparatuur van het agentschap ITO zelf.

De investeringen in de infrastructuur van de systemen die in eigendom zijn van het Ministerie van Binnenlandse Zaken respectievelijk het Ministerie van Justitie en waarover het agentschap ITO het beheer voert, worden rechtstreeks gefinancierd door de desbetreffende opdrachtgevers.

In de jaren 2000 en 2001 is boven het niveau van f 10 mln respectievelijk (per saldo) f 5 en f 2 mln toegevoegd voor uitbreidingsinvesteringen ten behoeve van het project redesign landelijke systemen.

In de ramingen voor 2002 en 2003 is f 1 mln respectievelijk f 2 mln gereserveerd voor partiële vervangingsinvesteringen LICD.

5. Kengetallen

5.1. Ramingskengetallen

Informatie over de ontwikkeling van het aantal formatieplaatsen, de verhouding intern/extern personeel, de omvang van de loonkosten en het structurele verloop van zowel de baten als de lasten alsmede de liquiditeitspositie blijken uit de toelichting op de begroting van baten en lasten.

Daarnaast zijn in de maandelijkse managementrapportage de volgende kengetallen voor 1998 beschikbaar gekomen:

* ontwikkeling orderpositie: 223 nieuwe orders in 1998;

* aantal uitgebrachte offertes: 233 in 1998;

* verhouding intern/extern personeel (zie hiervoor specificatie personele lasten);

* directe productieve uren 48%, indirect productieve uren 28%, overhead 24% (ziekte, verlof, opleidingen en dergelijke).

Deze kengetallen voor 1999 en verdere jaren zijn nog in ontwikkeling.

5.2. Doelmatigheidskengetallen

Gemiddeld uurtarief in 1998: f 185,42

Aantal productieve uren in 1998: 262 236

Bij de tarieven voor 1999 wordt er een uitsplitsing naar afdeling gemaakt.

De aan de IT-raad voor te leggen tarieven zien er voor de verschillende afdelingen binnen het agentschap ITO als volgt uit:

 
afdelinggemiddeld tarief (f)productieve uren
Telecom Standaards en Innovatie185,7337 505
Realisatie Infrastructuur176,6050 111
Applicaties160,66128 220
Productie181,5183 055

Agentschap BPR

1. Algemene toelichting

1.1. Voorgeschiedenis

Op 1 januari jongstleden is een agentschap ten behoeve van het beheer van de GBA (Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens) ingesteld. Hiermee is een einde gekomen aan het GBA-project en is de GBA-organisatie in een fase aangeland waar de nadruk ligt op het verrichten van activiteiten met een beheersmatig karakter. Ten behoeve van de ontwikkeling en implementatie van de GBA is indertijd besloten om een afzonderlijke projectorganisatie op te richten. Vóór de inwerkingtreding van de Wet GBA was het taakveld van zowel de GBA-organisatie als de afdeling Reisdocumenten en Bevolkingsadministratie ondergebracht in één organisatorische eenheid van het Ministerie van BZK. Nu de ontwikkeling en invoering van de GBA is afgerond en ten behoeve van het beheer een agentschap is ingesteld ligt het in de rede om beide organisatieonderdelen weer samen te voegen in het agentschap BPR (Basisadministratie Persoonsgegevens en Reisdocumenten). De verantwoording over 1998 van het huidige agentschap GBA wordt opgenomen in de financiële verantwoording 1998 van het Ministerie van BZK.

1.2. Doelen en taken van het agentschap BPR

De doelstellingen van het agentschap BPR betreffen de uitvoering van de Wet GBA en de Paspoortwet. De taken van het agentschap BPR worden uitgevoerd namens de Minister van BZK en laten zich als volgt omschrijven:

* de voorbereiding van de wet- en regelgeving ten aanzien van de GBA en reisdocumenten;

* de ontwikkeling en uitvoering van het kwaliteitsbeleid inzake de GBA en reisdocumenten;

* het voorbereiden van beleid en controle ten aanzien van de ontwikkeling, productie en distributie van reisdocumenten;

* het operationele, tactische en strategische beheer van het GBA-netwerk;

* het geven van voorlichting en ondersteuning ten aanzien van de GBA en reisdocumenten aan burgers en overheden;

* het bijhouden van een signaleringsregister paspoorten;

* de schouwing en toetsing van de aangesloten GBA-systemen;

* het zorgdragen voor de inning van de paspoortleges.

Voor de uitvoering van het bovenstaande takenpakket van de organisatie BPR is per 1 januari 1999 een formatie van 51 fte beschikbaar.

1.3. Verbetering doelmatigheid

Met de overgang naar een agentschap wordt een toename van de doelmatigheid verwacht in de bedrijfsvoering middels resultaatgericht management. Hieronder wordt verstaan:

* toepassen van integraal management;

* sturen op hoofdlijnen;

* vergroten van transparantie van de bedrijfsprocessen.

Tevens biedt een versoepeling van de beheersregels de organisatie de mogelijkheid om flexibeler te handelen en wordt een meer effectieve en efficiënte bedrijfsvoering nagestreefd. Het agentschap wordt aangestuurd door de Directeur-generaal Openbaar Bestuur (DGOB). De DGOB stuurt op basis van vooraf gemaakte afspraken over door het agentschap te leveren producten en diensten. Hiertoe heeft het agentschap haar producten en diensten gedefinieerd en wordt door gebruik te maken van kengetallen zicht verkregen op de doelmatigheid van de organisatie. Verder leidt het zichtbaar maken van de agentschapskosten en het toerekenen van deze kosten aan de te leveren producten en diensten tot een meer transparant bedrijfsproces.

1.4. Financieel beheer

Het agentschap Basisadministratie Persoonsgegevens en Reisdocumenten berekent al zijn kosten door aan gebruikers en opdrachtgevers. Er wordt een onderscheid gemaakt ten aanzien van de doorberekening van de kosten die verband houden met het beheer van het GBA-stelsel en de doorberekening van de kosten aan de opdrachtgever voor het in stand houden van de paspoortketen.

De doorberekening van de kosten van het beheer van het GBA-stelsel geschiedt integraal aan betrokkenen. Het beheer van het GBA-stelsel is aldus volledig kostendekkend. De kosten worden aan betrokkenen door middel van een tarief per netwerkbericht in rekening gebracht.

Naast de inkomsten uit het berichtenverkeer ontvangt het agentschap jaarlijks een bijdrage van het Ministerie van BZK voor het aandeel van de rijksafnemers in de kosten voor de instandhouding van het stelsel. Dit betreft de kosten voor het berichtenverkeer die (nog) niet direct via de berichtprijs aan de rijksafnemers worden verrekend en andere kosten, die niet via de berichtprijs kunnen worden doorbelast (verder aangeduid als niet door te belasten kosten).

De doorberekening van kosten in verband met de productie en distributie van de reisdocumenten wordt periodiek aan het Ministerie van BZK in rekening gebracht. Het Ministerie van BZK zal maandelijks een voorschot verstrekken volgens een kasritme dat de te verwachten uitgaven in de loop van het jaar representeert. Verantwoording wordt afgelegd door middel van periodieke rapportages aan de DGOB. Eenmaal per jaar vindt een afrekening plaats.

Voor de personele en materiële kosten voor de uitvoering van de productie en distributie van reisdocumenten ontvangt het agentschap een jaarlijkse bijdrage van het Ministerie van BZK.

2. Indicatieve openingsbalans Basisadministratie Persoonsgegevens en Reisdocumenten (bedragen in guldens)

 
 1 januari 1999
ACTIVA  
• Vaste activa  
– automatiseringsapparatuur650 000 
– inventaris575 000 
  1 225 000
   
• Vlottende activa  
– debiteuren1 100 000 
– overlopende activa550 000 
– liquide middelen225 000 
  1 875 000
   
Totaal activa 3 100 000
   
PASSIVA  
• Eigen vermogen  
– reserve 1 375 000
   
• Fondsen  
– innovatiefonds 225 000
   
• Voorzieningen  
– reorganisatievoorziening 500 000
   
• Kortlopende schulden  
– crediteuren300 000 
– overlopende passiva700 000 
  1 000 000
   
Totaal passiva 3 100 000

2.1. Waarderingsgrondslagen

Materiële vaste activa. De materiële vaste activa zijn gewaardeerd tegen verkrijgingsprijs onder aftrek van afschrijvingen of lagere bedrijfswaarde. Voor wat betreft de activa, die zullen worden aangeschaft op het moment van overgang naar de nieuwe behuizing Lange Vijverberg, heeft waardering plaatsgevonden op de geschatte verkrijgingsprijs.

Innovatiefonds. Het innovatiefonds is een voorziening die dient ter bestrijding van (incidentele) kosten in verband met het aanpassen van het GBA-stelsel aan de wensen van de omgeving. Dotatie aan dit fonds geschiedt door middel van een opslag in het tarief voor de GBA-berichten. Onttrekkingen hebben plaats op basis van de werkelijke kosten.

Voorzieningen. Voorzieningen worden getroffen voor bekende verplichtingen en voorziene verliezen. Dit gebeurt eveneens voor de risico's van toekomstige verplichtingen en verliezen onder voorwaarde dat hiervan een redelijke schatting kan worden gemaakt. Voorzieningen worden, tenzij anders vermeld, opgenomen voor de nominale waarde van de verwachte verplichting. Er is sprake van een reorganisatievoorziening, waarbij de geschatte kosten tegen nominale waarde zijn opgenomen.

Overige activa en passiva. Voor zover in het bovenstaande niet anders is aangegeven worden activa en passiva gewaardeerd op hun nominale waarde. Hierbij wordt op de vorderingen, indien noodzakelijk, een voorziening in mindering gebracht voor mogelijke oninbaarheid.

2.2. Toelichting op de indicatieve openingsbalans

2.2.1. Materiële vaste activa

De materiële vaste activa kunnen als volgt worden gespecificeerd (bedragen in guldens):

 
 AutomatiseringsapparatuurInventarisTotaal
Verkrijgingsprijs790 000750 0001 540 000
Cumulatieve afschrijving– 140 000– 175 000– 315 000
Boekwaarden650 000575 0001 225 000
    
Afschrijvingspercentages3320 

Er is bij de bepaling van de post materiële vaste activa rekening gehouden met uitbreiding van de inventaris in verband met het betrekken van een nieuw pand. Bij de berekening van de afschrijving wordt rekening gehouden met een restwaarde van 5%.

2.2.2. Vlottende activa

Debiteuren. De post debiteuren betreft voornamelijk de facturen over december aan gemeenten en afnemers voor het berichtenverkeer GBA, die niet meer in hetzelfde begrotingsjaar worden betaald. De debiteuren zijn ingeschat op een gemiddelde hoogte van deze post gedurende de afgelopen jaren. Er is geen voorziening voor mogelijke oninbaarheid noodzakelijk geacht.

Overlopende activa. De overlopende activa kunnen als volgt worden gespecificeerd (bedragen in guldens):

 
 1 januari 1999
Huur en servicekosten500 000
Afrekening ministerie productie en distributie reisdocumenten0
Diversen50 000
Totaal550 000

De huur- en servicekosten worden per zes maanden vooruit betaald, in december 1998 voor de eerste helft van 1999. Dit resulteert in een vordering van een half miljoen gulden.

De afrekening met het Ministerie van BZK heeft betrekking op rekeningen over het jaar 1998 die niet voor 1 januari 1999 worden betaald. De hoogte van het bedrag zal op basis van gegevens ongeveer 4 ton zijn. Omdat deze rekeningen zullen worden betaald door het moederdepartement is dit bedrag niet in de openingsbalans opgenomen. Voor debiteuren en crediteuren wordt ten aanzien van «reisdocumenten» dezelfde lijn gevolgd.

De diversen betreffen rekeningen over 1999 die al in 1998 aan de desbetreffende leveranciers moeten worden betaald (in het kader van onderhoudscontracten e.d.). Het opgenomen bedrag is gebaseerd op ervaringsgegevens.

Liquide middelen. De post liquide middelen betreft de direct opeisbare tegoeden bij bankinstellingen. Het opgenomen bedrag betreft de opbouw van een innovatiefonds in liquide middelen ter compensatie van mogelijke onvoorziene verliezen, zoals dit in de loop van 1998 vanuit het GBA-deel wordt opgebouwd.

2.2.3. Eigen vermogen

Reserve. Het bedrag van de reserve is de sluitpost bij de bepaling van het balanstotaal van de passiva. Het opgenomen bedrag is het verschil tussen het totaalbedrag van activa (vast en vlottend) en de passivaposten «innovatiefonds», «reorganisatievoorziening» en «kortlopende schulden». De opgenomen reserve bestaat voornamelijk uit geïnvesteerd vermogen in vaste activa (zie 3.1.).

2.2.4. Fondsen

Innovatiefonds. Het innovatiefonds dient ter dekking van incidentele kosten in verband met het aanpassen van het GBA-stelsel en mogelijk de organisatie. De dotatie aan dit fonds geschiedt door een opslag in het tarief voor de GBA-berichten, waardoor wordt voorkomen dat het GBA-tarief voor wat betreft het berichtenverkeer jaarlijks grote schommelingen vertoont.

2.2.5. Voorzieningen

Reorganisatievoorziening. De reorganisatievoorziening dient ter dekking van de kosten voor opleidingen (f 100 000), die noodzakelijk zijn om de medewerkers van het agentschap bekend te laten raken met de nieuwe organisatievorm. Daarnaast zijn kosten (f 400 000) voorzien voor het doen van noodzakelijke aanpassingen aan diverse applicaties met betrekking tot informatievoorziening, teneinde optimaal te kunnen functioneren.

2.2.6. Kortlopende schulden

Crediteuren. De post crediteuren betreft de schuld op de balansdatum aan leveranciers van goederen en diensten. Het gaat om verwachte uitgaven die worden doorberekend via het berichtenverkeer voor de GBA.

Overlopende passiva. De overlopende passiva betreffen de schulden op de balansdatum. De weergegeven schattingen zijn gebaseerd op ervaringsgegevens en kunnen als volgt worden gespecificeerd (bedragen in guldens):

 
 1 januari 1999
kosten integratie GBA/RDB100 000
vakantiegeld en interimuitkering300 000
onderzoekskosten en documentatie300 000
Totaal700 000

3. Begroting Basisadministratie Persoonsgegevens en Reisdocumenten (bedragen in guldens)

 
      Codering
 19992000200120022003Econ.Funct.
Baten50 630 47548 401 47552 562 47548 363 47547 053 475  
Opbrengst moederdepartement41 603 00039 374 00043 535 00039 336 00038 026 0001601.34
Bijdrage ABP347 475347 475347 475347 475347 4751601.34
Opbrengst derden7 750 0007 750 0007 750 0007 750 0007 750 0001601.34
Opbrengst gemeenten930 000930 000930 000930 000930 0001601.34
Rentebaten000002613.1
        
Lasten50 630 47548 401 47552 562 47548 363 47547 053 475  
Apparaatskosten       
– personele kosten5 362 0005 362 0005 362 0005 362 0005 362 0001101.34
– materiële kosten41 584 47539 355 47543 516 47539 317 47538 007 4751201.34
Rentelasten000002113.1
Afschrijvingskosten (materieel)396 000396 000396 000396 000396 0001513.5
Dotaties innovatiefonds188 000188 000188 000188 000188 0001501.34
Forfaitaire bijdrage650 000650 000650 000650 000650 0001201.34
Niet door te belasten kosten BZK2 450 0002 450 0002 450 0002 450 0002 450 0001201.34
        
Saldo baten en lasten00000  

3.1. Toelichting bij begroting van lasten en baten

3.1.1. Baten

Opbrengst moederdepartement. De opbrengsten moederdepartement kunnen als volgt worden gespecificeerd (bedragen in guldens):

 
 19992000200120022003
Bijdrage rijksafnemers10 226 00010 226 00010 226 00010 226 00010 226 000
Bijdrage t.b.v. reisdocumenten29 401 00027 077 00031 333 00027 134 00025 824 000
Vergoeding personeel en materieel1 650 0001 650 0001 650 0001 650 0001 650 000
Doorberekening326 000421 000326 000326 000326 000
Totaal41 603 00039 374 00043 535 00039 336 00038 026 000

Bijdrage rijksafnemers. Op de begroting van het Ministerie van BZK is structureel een bedrag ten behoeve van het GBA-stelsel opgenomen. Dit betreft een structurele budgetoverheveling van de rijksafnemers ten behoeve van het GBA-stelsel. Dit begrotingsbedrag wordt jaarlijks overgeboekt naar het agentschap. Ten gevolge van een prijs- en loonbijstelling is het bedrag voor 1999 gewijzigd ten opzichte van 1998.

Dit budget dient aangewend te worden voor een tweetal kostenposten, te weten:

– kosten ter dekking van het berichtenverkeer rijksafnemers, gebaseerd op het vastgestelde tarief (voor 1999 is een raming van het aantal berichten ten behoeve van rijksafnemers GBA opgenomen van 26 miljoen (zie ook onder toelichting «Materiële kosten»));

– niet door te belasten kosten BZK/GBA (zie onder «Lasten» voor nadere toelichting van deze post). Het betreft hier kosten die gemaakt worden in het kader van het GBA-stelsel in zijn algemeenheid, maar die niet doorberekend worden aan de individuele gebruikers van het GBA-netwerk via het gehanteerde tarief.

Bijdrage ten behoeve van reisdocumenten. Deze bijdrage betreft een volledige vergoeding voor de uitgaven inzake de productie en distributie in enig jaar van paspoorten en identiteitskaarten. Hierbij is uitgegaan van de huidige tarieven. De introductie van nieuwe reisdocumenten zal hoogstwaarschijnlijk een nog onbekende invloed hebben op de opgenomen ramingen in de jaren 2001, 2002 en 2003.

De bijdrage kan als volgt worden gespecificeerd (bedragen in guldens):

 
 19992000200120022003
Ontwerp-begroting     
Vaste kosten9 450 0009 450 0009 450 0009 450 0009 450 000
Nationale paspoorten13 680 00011 856 00014 592 00011 856 00010 944 000
Europese identiteitskaarten4 900 0004 410 0005 880 0004 410 0004 116 000
Subtotaal28 030 00025 716 00029 922 00025 716 00024 510 000
      
Overige kosten1 371 0001 361 0001 411 0001 418 0001 314 000
Subtotaal ontwerp-begroting29 401 00027 077 00031 333 00027 134 00025 824 000
Aantal nationale paspoorten1 500 0001 300 0001 600 0001 300 0001 200 000
Aantal Europese identiteitskaarten1 000 000900 0001 200 000900 000840 000
Productiekosten nationale paspoorten9,129,129,129,129,12
Productiekosten Europese identiteitskaarten4,904,904,904,904,90

De vaste kosten betreffen de verplichtingen in het kader van de lopende contracten voor drukwerk (Enschedé/SDU).

De kosten in de jaren 2001 en 2002 kunnen nog sterk worden beïnvloed door ontwikkeling in het kader van de Nieuwe Generatie Reisdocumenten.

De overige kosten kunnen als volgt worden gespecificeerd (bedragen in guldens):

 
 19992000200120022003
specificatie kosten     
documentatie132 000132 000182 000182 000132 000
automatisering170 000170 000170 000170 000170 000
onderzoek150 000150 000150 000150 000150 000
kwaliteitssysteem800 000800 000800 000800 000800 000
diversen119 000109 000109 000116 00062 000
Subtotaal ontwerp-begroting1 371 0001 361 0001 411 0001 418 0001 314 000

De stijging van de bijdrage voor «documentatie» in 2001 en 2002 houdt verband met de voorziene introductie van een nieuw paspoort.

Vergoeding personeel en materieel. De vergoeding dient ter dekking van de personele en materiële kosten (apparaatskosten) die verband houden met de uitvoering van de Paspoortwet. De kosten zijn gebaseerd op de werkelijke kosten. Het aandeel van «Reisdocumenten» in de kosten van de huur van het pand aan de Lange Vijverberg is pro memorie opgenomen omdat voor deze kosten binnen de begroting van het Ministerie van BZK nog geen middelen beschikbaar zijn. Over de dekking van deze kosten zijn binnen het Ministerie van BZK afspraken gemaakt.

Doorberekening. Het project Nieuwe Generatie Reisdocumenten (NGR) wordt door het Ministerie van BZK uitgevoerd. Bij het uitvoeren van dit project wordt gebruik gemaakt van de faciliteiten van het agentschap BPR, die zullen worden doorberekend. Voor het gebruik van deze faciliteiten worden kosten doorberekend. Het tarief voor doorberekening is gebaseerd op de DAR-tarievenhandleiding 1998, waarbij voor wat betreft de huurcomponent rekening is gehouden met een toeslag van 25%. Dit resulteert in de volgende doorberekening: 9 fte tegen een tarief van f 36 250 zijnde circa f 326 000.

De vergoeding is over de jaren gelijk met uitzondering van het jaar 2000. De kosten in het jaar 2000 zijn eenmalig f 95 000 hoger in verband met het doorberekenen van kosten voor het aanmaken van folders ten behoeve van het NGR-project. Na beëindiging van het project NGR zullen de kosten mogelijk worden doorbelast aan andere activiteiten van het Ministerie van BZK of komen te vervallen. Aangezien dit nog niet duidelijk is wordt vooralsnog uitgegaan van een doorbelasting die even groot is als de doorbelasting aan NGR in 1999.

Bijdrage ABP. Met het ABP is de afspraak gemaakt dat jaarlijks een bedrag van f 347 475 overgemaakt wordt als bijdrage voor de kosten van het berichtenverkeer.

Opbrengst derden. Hieronder wordt de jaarlijkse facturering op basis van over het GBA-netwerk verzonden berichten aan niet-rijksafnemers/ derden opgenomen. Het opgenomen bedrag van f 7 750 000 is gebaseerd op:

– 25 000 000 berichten ten behoeve van niet-rijksafnemers/derden;

– tarief 1999 van f 0,31 per bericht.

Het tarief van f 0,31 is gebaseerd op de geraamde kosten voor 1999. In de loop van 1998 zal het tarief voor 1999 worden vastgesteld waarin de saldi over 1997 en 1998 zullen worden opgenomen.

Opbrengst gemeenten. Hieronder wordt de jaarlijkse facturering aan gemeenten van over het GBA-netwerk verzonden berichten door gemeenten opgenomen. Het opgenomen bedrag van f 930 000 is gebaseerd op:

– 3 000 000 berichten ten behoeve van gemeenten;

– tarief 1999 van f 0,31 per bericht.

Het tarief van f 0,31 is gebaseerd op de geraamde kosten voor 1999. In de loop van 1998 zal het tarief voor 1999 worden vastgesteld waarin de saldi over 1997 en 1998 zullen worden opgenomen.

Rentebaten. Voor 1999 worden vooralsnog geen materiële rentebaten en/of -lasten verwacht.

3.1.2. Lasten

Apparaatskosten

– Personele kosten. De personele kosten zijn als volgt samengesteld (bedragen in guldens):

 
– loonkosten4 712 000
– extern personeel500 000
– opleiding en werving100 000
– reiskosten50 000
Totaal5 362 000

De geraamde loonkosten zijn gebaseerd op de vastgestelde formatieve bezetting van 51 fte, waarbij rekening is gehouden met de schaalindeling van de medewerkers. Van de formatieve bezetting van 51 fte is 47,5 fte verantwoord onder de personele kosten en is 3,5 fte opgenomen onder de niet-doorbelaste kosten BZK.

De kosten voor extern personeel zijn gebaseerd op de geraamde nood- zakelijke extra inzet gedurende het jaar ten gevolge van incidentele werkzaamheden (waaronder nieuwe versie van het Logisch Ontwerp GBA, gemeentelijke herindelingen, bijzondere voorlichtingsacties aan gemeenten/afnemers en dergelijke). De kosten voor opleiding/werving en reiskosten voor het agentschap GBA zijn gebaseerd op ervaringscijfers.

– Materiële kosten. De materiële kosten kunnen als volgt worden gespecificeerd (bedragen in guldens):

 
 19992000200120022003
huisvestingskosten219 500219 500219 500219 500219 500
kantoorkosten360 000360 000360 000360 000360 000
documentatiekosten432 000527 000482 000482 000432 000
algemene kosten175 500175 500175 500175 500175 500
huur570 000570 000570 000570 000570 000
berichtkosten GBA-stelsel9 430 2759 430 2759 430 2759 430 2759 430 275
onderzoekskosten225 000225 000225 000225 000225 000
kosten audit/kwaliteitssysteem1 853 2001 853 2001 853 2001 853 2001 853 200
distributie/productie-uitgaven28 030 00025 716 00029 922 00025 716 00024 510 000
automatisering170 000170 000170 000170 000170 000
overige kosten (diversen)119 000109 000109 000116 00062 000
Totaal41 584 47539 355 47543 516 47539 317 47538 007 475

De huisvestingskosten omvatten de kosten die ten laste van de huurder komen, zoals gas, water en elektra, klein onderhoud en schoonmaken.

De kantoorkosten omvatten de kosten voor kantoorartikelen, computerbenodigdheden, onderhoud aan hard- en software en onderhoud aan kantoormachines.

De documentatiekosten betreffen de kosten voor het gehele agentschap. Ze omvatten de kosten voor:

– productie en onderhoud van diverse documenten (handleidingen en voorschriften);

– het vervaardigen van een nieuwsbrief (zes edities);

– aanvullingen op het handboek (jaarlijks twee aanvullingen);

– het vervaardigen van folders in het kader van het project Nieuwe Generatie Reisdocumenten.

De algemene kosten omvatten kosten van bijvoorbeeld telefoon, fax, porti en dergelijke.

De huurkosten betreffen de huur van kantoorruimte (Lange Vijverberg) en zijn gebaseerd op het voorlopig huurcontract. Onder deze kosten zijn alle met het huurcontract samenhangende kosten verantwoord, zoals huur parkeerruimte, servicekosten, beveiliging en catering. Tevens zijn hierin de kosten opgenomen voor de diensten van de Rijksgebouwendienst (RGD). Het hier opgenomen bedrag omvat uitsluitend het aandeel van de GBA in deze kosten. Zoals in 3.1.1. al is aangegeven zijn de kosten voor het reisdocumentendeel pro memorie opgenomen.

De berichtkosten hebben betrekking op de kosten van berichten die direct aan gebruikers doorbelast worden door middel van doorberekening van de kostprijs van een bericht met een opslag voor de berichtkosten ten behoeve van de beheerorganisatie, die indirect aan de gebruikers worden doorbelast.

De kosten voor de direct doorbelaste berichten zijn gebaseerd op een omvang van 54 000 000 berichten en een (op grond van het af te sluiten contract met GEIS (netwerkleverancier) in het kader van OB2000) verwachte kostprijs van een bericht van ca. f 0,16 (incl. BTW). Het aantal berichten voor 1999 is gebaseerd op de ervaringscijfers met betrekking tot 1997, die voorzichtigheidshalve (en in verband met recent aangesloten en nog aan te sluiten afnemers) met ca. 10% verhoogd zijn, inclusief datatransportkosten (op jaarbasis f 600 000).

Daarnaast is ook de opslag voor de berichtkosten ten behoeve van de beheerorganisatie onder «berichtkosten» meegenomen. Deze laatste berichtkosten worden wel bij de beheerorganisatie (agentschap BPR) in rekening gebracht, maar niet direct aan specifieke gebruikers doorbelast, omdat ze niet direct aan een gebruiker toe te wijzen zijn. Deze berichten leiden zodoende tot kosten welke in zijn totaliteit doorberekend dienen te worden aan de gebruikers. De omvang van deze berichten wordt geraamd op jaarlijks 1 000 000 berichten (f 160 000).

De onderzoekskosten omvatten de reguliere onderzoekswerkzaamheden en zijn gebaseerd op schattingen.

De kosten voor de audit omvatten de kosten met betrekking tot de bij de gemeenten uit te voeren periodieke audit, waarbij zowel naar de kwaliteit van de GBA-gegevens als naar de organisatie en procedures zal worden gekeken. De audit zal voor iedere gemeente eens in de drie jaar plaatsvinden. Op basis van de totaal geraamde kosten (f 3 159 400) voor de audit bij alle gemeenten zijn normbedragen berekend. De bedoeling van een normbedrag is gemeenten zo volledig mogelijk te vergoeden voor de kosten die zij maken in verband met de (verplichte) audit, maar wel een bovengrens te stellen aan dit bedrag. Doordat de audit eens in de drie jaar plaatsvindt, zullen de normbedragen eveneens in een periode van drie jaar vergoed worden aan alle gemeenten. De in de onderhavige begroting opgenomen jaarlijkse kosten betreffen zodoende eenderde van de totaal geraamde kosten (f 1 053 200).

Daarnaast omvat dit de kosten in verband met het kwaliteitssysteem ten behoeve van reisdocumenten. De kosten voor het kwaliteitssysteem hebben betrekking op:

– ontwerp en instandhouding van een basisregister paspoorten;

– het opzetten van een stelsel van audits voor reisdocumenten;

– opleidingen voor «identiteitsbepaling» voor de afdelingen Burgerzaken.

De kosten hiervan worden vooralsnog samen op f 800 000 per jaar geschat. In de loop van dit jaar zal meer duidelijkheid komen over de, mogelijk hogere, kosten die het basisregister met zich meebrengt.

De uitgaven in verband met de productie en distributie van reisdocumenten zijn toegelicht onder de baten.

De automatiseringskosten hebben betrekking op de kosten van onderhoud van specifieke geautomatiseerde toepassingen ten behoeve van de paspoortketen (REDENS en RRA), alsmede de kosten voor materialen.

De overige kosten betreffen met name de kosten voor verschreven reisdocumenten.

Rentelasten. Voor 1999 worden vooralsnog geen materiële rentebaten en/of -lasten verwacht.

Afschrijvingskosten. De afschrijvingskosten hebben betrekking op de materiële vaste activa en kunnen als volgt worden gespecificeerd (bedragen in guldens):

 
Automatiseringsprogrammatuur/apparatuur250 000
Inventaris146 000
Totaal afschrijvingskosten396 000

De materiële activa worden gewaardeerd tegen de verkrijgingsprijs, verminderd met lineaire afschrijvingen. De verkrijgingsprijs is voor alle activa de factuurprijs inclusief BTW. De afschrijvingskosten zijn gebaseerd op de geschatte economische levensduur (voor programmatuur/apparatuur is dit 3 jaar en voor inventaris is dit 5 jaar) en een restwaarde van ca. 5% van de aanschafwaarde.

Bij de bepaling van de afschrijvingslasten is rekening gehouden met investeringen in verband met de overgang naar het pand Lange Vijverberg.

Dotaties innovatiefonds. De dotaties ten behoeve van het innovatiefonds dienen voor de noodzakelijke stabilisatie van het GBA-tarief. Jaarlijks zal bezien worden of de opgebouwde voorziening (geheel of gedeeltelijk) zal worden uitgekeerd aan de gebruikers door middel van verlaging van de berichtprijs. Gezien de ontwikkeling van het tarief voor 1999 ten opzichte van 1998 (marginale verhoging van f 0,30 naar f 0,31 per bericht) is er vooralsnog geen aanleiding om de opgebouwde voorziening voor 1999 aan te spreken. Deze post zal in de onderhavige begroting aangewend worden als sluitpost om te voorkomen dat het berekende berichttarief (f 0,31) afgerond wordt. Door deze afronding zou een saldo ontstaan tussen de baten en lasten wat in een later jaar weer verrekend zou moeten worden.

Forfaitaire bijdrage. De forfaitaire bijdragen betreffen een vaste bijdrage aan de Belastingdienst en het Ministerie van Justitie (VAS) ter compensatie van verzonden berichten in het kader van het Sofi-nummer (Belastingdienst) en verblijfstitel (Justitie). Deze bijdrage wordt op grond van het nieuwe financieringsmodel per 1 januari 1998 in rekening gebracht bij de afnemers GBA.

Niet door te belasten kosten BZK/GBA. De niet door te belasten kosten BZK/GBA zijn kosten die niet in de gehanteerde tarieven aan gebruikers doorberekend worden. Dekking van deze kosten vindt plaats vanuit de onder «Opbrengst moederdepartement» en «Bijdrage ABP» opgenomen bedragen.

Het betreft de volgende posten (bedragen in guldens):

 
personele lasten GBA-stelsel (incl. onderzoekskosten)600 000
strategisch beheer (datatransport + elektr. berichtendienst)700 000
kosten vestigingsregister250 000
Logisch Ontwerp versie 3500 000
diverse posten400 000
Totaal2 450 000

Personele lasten GBA-stelsel (incl. onderzoekskosten). Het betreft hier de personele kosten van medewerkers belast met beleidsvoorbereiding en wetgeving die niet doorbelast worden aan de gebruikers van het GBA-netwerk. In totaal gaat het hier om 3,5 fte. Daarnaast zijn onder deze noemer onderzoekskosten opgenomen. Dit betreft kosten welke redelijkerwijs niet aan de gebruikers doorberekend kunnen worden.

Strategisch beheer (datatransport + elektronische berichtendienst). Onder deze post is een bedrag opgenomen voor kosten die worden gemaakt in het kader van strategisch beheer (waaronder aanbesteding) van de GBA-infrastructuur (datatransport en berichtendienst) ten behoeve van de Minister van BZK.

Kosten vestigingsregister. In de loop van 1996 is het geautomatiseerde systeem Vestigingsregister overgedragen aan de gemeente Den Haag. Kosten betreffende ingrijpende wijzigingen van het geautomatiseerde systeem (bijvoorbeeld wijzigingen ten gevolge van wijziging van het Logisch Ontwerp GBA) zijn hier opgenomen.

Logisch Ontwerp versie 3. Het Logisch Ontwerp versie 3 van GBA zal rond 1 januari 2000 worden ingevoerd. Binnenkort wordt gestart met de inventarisatie van gewenste wijzigingen in het Logisch Ontwerp. De kosten voor de rijksafnemers, die niet direct via de berichtprijs worden verrekend en ten laste van het agentschap BPR komen, zijn hier opgenomen.

Diverse posten. Onder deze post zijn onder andere opgenomen:

– de kosten van verstrekkingen via alternatieve media voor rijksafnemers, aangezien de rijksafnemers (nog) niet gefactureerd worden;

– de kosten voor de personeelsinformatievoorziening Nederlandse Antillen en Aruba;

– de kosten voor uit te voeren activiteiten door het RCC; deze werkzaamheden betreffen het verstrekken van administratienummers ten behoeve van de GBA en de exploitatie, beheer en onderhoud van een geautomatiseerd systeem voor de registratie van deze nummers;

– de eventuele kosten ten gevolge van het millenniumvraagstuk en de invoering van de Euro;

– de kosten in het kader van een onderzoek naar de identificatieproblematiek.

3.1.3. Saldo van baten en lasten

Uiteindelijk dient het saldo baten/lasten nihil te zijn. Jaarlijks zal een analyse van het resultaat naar haar ontstaansoorzaak dienen te worden opgesteld. Een saldo met betrekking tot de activiteiten voor het GBA-stelsel dient te worden gecompenseerd aangezien GBA kostendekkende tarieven hanteert. Het begrip «kostendekkend» ligt verankerd in de GBA-regelgeving. Jaarlijks stelt BZK/GBA het tarief vast voor een volgend jaar, waarbij eventuele saldi over de afgelopen jaren verrekend worden (door middel van een opslag, dan wel verlaging van het tarief). Uiteindelijk zal het doorberekende tarief (en het saldo van baten en lasten) zodoende altijd kostendekkend zijn. Dit laat onverlet dat in enig jaar, door incidentele kosten voor innovatieve activiteiten, een negatief (of positief) saldo kan ontstaan. Dit zal in toekomstige jaren echter altijd weer gecompenseerd worden. In eerste aanleg zal het innovatiefonds hiervoor worden aangewend.

Ten aanzien van de uitgaven ten behoeve van de productie en distributie van reisdocumenten kan geen positief of negatief saldo voor het agentschap ontstaan.

4. Kasstroomoverzicht

Begroting van kapitaaluitgaven en -ontvangsten (bedragen in guldens)
      Codering
 19992000200120022003Econ.Funct.
Liquide middelen 1 januari00000  
1a. saldo van baten en lasten       
1b. gecorrigeerd voor afschr./mutaties voorz.396 000396 000396 000396 000396 0001513.5
1c. gecorrigeerd voor mutaties werkkapitaal       
1. Kasstroom uit operationele activiteiten396 000396 000396 000396 000396 000  
        
2a. uitgaven onroerende zaken       
2b. uitgaven overige kapitaalgoederen396 000396 000396 000396 000396 0005211.7
2c. gecorrigeerd voor desinvesteringen       
2. Kasstroom uit investeringsactiviteiten396 000396 000396 000396 000396 000  
        
3a. leningen moederdepartement       
3b. investeringsbijdrage departement       
3c. aflossingen       
3. Kasstroom uit financieringsactiviteiten00000  
        
Liquide middelen 31 december00000  

5. Kengetallen

Teneinde de transparantie van de organisatie te vergroten en een meer resultaatgerichte wijze van sturing mogelijk te maken, heeft het agentschap BPR kengetallen gedefinieerd. Deze kunnen als volgt worden weergegeven:

 
 19992000
GBA-stelsel  
a. Netwerkbeheer:  
– berichtentarief (exclusief te verrekenen saldi)f 0,31f 0,31
– berichtenvolume54,0 mln54,0 mln
b. Kosten:  
– kosten in verband met beheer GBA-stelsel19 228 mln19 228 mln
– doorbelaste kosten aan afnemers16 778 mln 
c. Aansluiting afnemers:  
– doorlooptijd aansluiten10 mnd10 mnd
– gemeenten548548
– aantal aansluitingen470530
d. Ondersteuning:  
– vragen info-desk2 7002 700
– vragen netwerk service desk
e. Schouwingen en toetsingen350350
   
Reisdocumenten  
a. Levertijd reisdocumentenpmpm
b. Aantal afgegeven reisdocumenten:  
– paspoorten1 285 0001 607 000
– identiteitskaarten960 0001 263 000
c. Geïncasseerde rijksleges78 452 00098 478 000
d. Aantal verzoeken om signaleringpmpm
e. Ondersteuning:  
– vragen info-deskpmpm

Toelichting op de kengetallen

Met de instelling van het agentschap wordt beoogd voorwaarden te scheppen en prikkels te creëren welke de verwachting rechtvaardigen dat de doelmatigheid van het agentschap op termijn zal verbeteren. De waarden zoals opgenomen voor de bovenstaande kengetallen geven voor een deel de huidige situatie weer. De keuze voor deze systematiek hangt samen met het feit dat op het moment waarop de begroting wordt opgesteld, nog geen cijfers voorhanden zijn op grond waarvan een concreet inzicht gegeven kan worden in de te verwachten verbetering van de resultaten van het agentschap. Jaarlijks wordt een klanttevredenheidsmeting gehouden. Enerzijds levert dit informatie op uit het veld waarmee het agentschap haar bedrijfsprocessen kan verbeteren. Anderzijds wordt op deze manier informatie verkregen over de door het agentschap geleverde prestaties.

Agentschap CAS

1. Inleiding

1.1. Algemeen

De Centrale Archiefselectiedienst (CAS) te Winschoten is per 1 januari 1997 omgevormd tot een agentschap van het Ministerie van BZK. De CAS is in 1981 opgericht met als doel het wegwerken van de grote achterstand in de wettelijk verplichte bewerking van de archieven van de rijksoverheid. De archiefbewerkingsactiviteiten van de CAS vloeien enerzijds voort uit de wettelijke voorschriften ten aanzien van door de overheid te betrachten archiefzorg (Archiefwet 1995) en anderzijds uit de bestuurlijke noodzaak van een efficiënt informatiebeheer.

De taak en werkwijze van de CAS is, vanuit bovengenoemde primaire doelstelling, nader geregeld in het koninklijk besluit CAS van 12 december 1996: In opdracht van een zorgdrager werkzaamheden te verrichten in verband met archiefbewerking, gericht op de realisering van de door de Archiefwet 1995 gestelde kwaliteitseisen.

Met deze taak is de CAS niet alleen van belang voor de informatievoorziening van de afzonderlijke zorgdragers (ministers, Hoge Colleges van Staat, en dergelijke), maar ook een onmisbare schakel tussen die zorgdragers enerzijds en de dienst waaraan de archieven uiteindelijk in goede, geordende en toegankelijke staat moeten worden overgedragen, de Rijksarchiefdienst, anderzijds.

1.2. Convenantenstelsel

De door de reorganisatie van de CAS in 1993–1994 gerealiseerde doelmatigheidsverbetering wordt gecontinueerd en aangescherpt door middel van het in 1995 ingevoerde «convenantenstelsel». Binnen dit systeem hebben de ministeries en Hoge Colleges van Staat een trekkingsrecht op een bepaald deel van het budget dat voor de komende jaren op de rijksbegroting voor de CAS is opgenomen. Per te bewerken archief worden afspraken gemaakt over de te verrichten werkzaamheden en de kosten die de CAS daarvoor mag maken. De bedragen in de convenanten zijn hierbij richtinggevend. Hierdoor is bij de klanten een prikkel ontstaan om een zo efficiënt mogelijke werkwijze na te streven. Voor de CAS geldt dat de archieven als aangenomen werk worden behandeld. Dit betekent dat eventuele meerkosten voor rekening van de CAS komen. De CAS zal deze tekorten moeten compenseren met overschotten op andere projecten. In 1999 zal over worden gegaan tot een stelsel van «flexibele convenanten», waarbij het voor de ministeries en Hoge Colleges van Staat gemakkelijker wordt prioriteiten te stellen en te veranderen binnen de lopende contracten.

Dit systeem van convenanten archiefbewerking betekent in feite het nabootsen van een marktsituatie waarbij de prijs in onderhandelingen tot stand komt. Doordat de CAS onderhandelt met partners met kennis van zaken zijn de onderhandelingspartners ook aan elkaar gewaagd.

Naast de werkzaamheden voor ministeries en Hoge Colleges van Staat verricht de CAS ook werkzaamheden voor derden. De CAS richt zich hierbij uitsluitend op overheidsorganisaties die onder de Archiefwet 1995 vallen.

De tarieven die worden gehanteerd, zijn gebaseerd op de integrale kostprijs, verhoogd met een risico-opslag. Daar waar sprake is van werkzaamheden voor klanten die niet tot de rijksoverheid behoren, zoals gemeenten, provincies en waterschappen, wordt BTW in rekening gebracht.

Er zijn tarieven voor eenvoudige archiefbewerking (f 79 per uur), normale archiefbewerking (f 86 per uur) en archiefspecialistische werkzaamheden (f 125 per uur). De bedragen in het overzicht van baten en lasten gaan uit van de prijzen en de daarvan afgeleide tarieven voor 1998. De tarieven worden jaarlijks aangepast aan de hand van de mutatie van het voor de CAS opgenomen bedrag op de rijksbegroting en rekening houdend met de inflatoire prijsstijgingen. Het vaststellen van het tarief geschiedt na advisering door de Accountantsdienst.

Om de werkelijke kosten van het bewerken van archieven inzichtelijk te kunnen maken heeft de CAS in 1994 het baten-lastenstelsel ingevoerd. De kosten en opbrengsten worden volgens dit stelsel in de jaarrekening gepresenteerd. De jaarrekening wordt voorzien van een accountantsverklaring.

De grondslagen die voor waardering en bepaling van het resultaat zijn gehanteerd, staan bij de toelichting op de afzonderlijke posten vermeld.

1.3. Kengetallen en kwaliteitszorg

In 1997 is een sterke effectiviteits- en efficiency-verbetering gerealiseerd. Het aantal productieve uren is aanzienlijk gestegen. In de begroting voor 1999 wordt deze verbetering tot uitdrukking gebracht in de verhoging van het kengetal «productieve uren per jaar per medewerker» van 1 330 naar 1 380. Dit betekent dat aan de ministeries en Hoge Colleges van Staat meer capaciteit kan worden aangeboden voor hetzelfde geld.

In het kader van de continue organisatie-ontwikkeling wordt in 1998 een verbeteringstraject in gang gezet volgens het «total-quality-model». In 1998 en 1999 zal een aantal prioriteiten nader worden uitgewerkt. Voor de aandachtsgebieden produktontwikkeling, kwaliteit van het werkproces, klantrelatie, organisatieontwikkeling en informatiebeveiliging zullen ook nieuwe kengetallen worden ontwikkeld. In de begroting voor het jaar 2000 zullen de huidige kengetallen worden uitgebreid en gedeeltelijk vervangen door kengetallen die ontwikkeld worden in het kader van het total-quality-programma.

2. Begroting van baten en lasten

De begroting van baten en lasten bestaat uit de volgende posten (bedragen x f 1 000):

 
  Codering
 1997199819992000200120022003Econ.Funct.
Baten11 19910 46910 86010 86010 86010 86010 860  
Opbrengst moederdepartement8 5599 1099 2329 2469 2639 2639 2631601.34
Opbrengst overige departementen (IND)1 0259369539539539539531601.34
Opbrengst overige departementen (opslag)933321921921921921921601.34
Opbrengst derden1 304394834694524524521601.34
Rentebaten252601.34
Exploitatiebijdrage193530801.34
          
Lasten10 35110 07010 64410 68810 58810 45310 498  
Apparaatskosten         
I. Personele kosten         
– loonkosten6 8327 1037 5787 5787 5787 5787 5781101.34
fictieve wachtgeldverplichtingen4395065065065065065064301.34
II. Materiële kosten         
– huisvestingskosten2963403333333333333331201.34
– kantoorkosten2802562542542542542541201.34
– produktiekosten4033543533533533533531201.34
– marketingkosten757676767676761201.34
– algemene kosten2412172172172172172171201.34
fictieve huur6626616616616616616611201.34
fictieve verzekeringspremie606060606060601201.34
Afschrijvingskosten4394976066505504154601513.5
Dotaties voorzieningen1621513.5
Overige toegerekende kosten aan projecten4621201.34
          
Saldo van baten en lasten848399216172272407362  

NB: Het verschil tussen de opbrengst moederdepartement en het bedrag dat het Ministerie van BZK als bijdrage aan het agentschap CAS in de rijksbegroting heeft opgenomen, wordt veroorzaakt door de fictieve posten wachtgeldverplichtingen, huur en verzekeringspremie. Voor deze fictieve posten hoeft de CAS geen uitgaven te doen.

2.1. Toelichting bij begroting van baten en lasten

2.1.1. Baten

Opbrengst moederdepartement. In het kader van de convenanten wordt voor 1999 een omzet begroot van f 9 231 500. Deze omzet ontstaat door het ten laste van het budget van het Ministerie van BZK bewerken van archieven van de ministeries en Hoge Colleges van Staat.

Opbrengst overige departementen. Hieronder worden de werkzaamheden begroot die de ministeries uit hun eigen budget financieren en die tot daadwerkelijke betalingen aan de CAS leiden. De verdeling van de begrote omzet over de verschillende ministeries is als volgt (bedragen in guldens):

Justitie (IND) 953 396

Overige opslag (o.a. VROM/RBB) 191 571

Opbrengst derden. Hieronder worden de werkzaamheden begroot voor klanten die niet behoren tot de rijksoverheid maar wel onder de Archiefwet 1995 vallen. De begrote omzet bedraagt circa f 483 472.

2.1.2. Lasten

Om tot een integrale kostprijs te kunnen komen, zijn naast de kosten waarvoor de CAS de betalingen verricht ook een drietal posten opgenomen waarvoor dat niet gebeurt. Het betreft hier de kosten voor huisvesting, wachtgeldverplichtingen en verzekeringen.

De huisvesting geschiedt door en voor rekening van de Rijksgebouwendienst terwijl het moederdepartement het risico voor wachtgeld en te verzekeren schade loopt. Bij de kostprijsberekening zijn deze kosten meegenomen bij het bepalen van het tarief. Tot de lasten van de CAS komen daardoor naast de echte kosten ook deze «fictieve» kosten voor.

In het overzicht van baten en lasten zijn deze posten zowel opgenomen als opbrengsten moederdepartement als afdracht aan het moederdepartement.

Apparaatskosten

– Personele kosten: De personele kosten bestaan uit de loonkosten en de wachtgeldverplichtingen. De loonkosten zijn opgebouwd uit (bedragen in guldens):

 
1) Lonen en salarissen regulier personeel7 282 854
2) Lonen en salarissen niet regulier personeel45 000
3) Overige personele kosten250 180
Totaal7 578 034

De post lonen en salarissen regulier personeel heeft betrekking op 110 fte. De gemiddelde prijs per fte komt daarmee op f 66 208.

De wachtgeldverplichtingen blijven bij het moederdepartement liggen zodat er geen sprake is van kosten die door de CAS moeten worden betaald. Om echter tot de integrale kostprijs te kunnen komen moet deze post wel worden meegenomen. De post wachtgeldverplichtingen is derhalve opgevoerd als fictieve kostenpost. Het bedrag is, conform de richtlijnen, bepaald op f 506 000 op basis van 110 fte x f 4 600 per fte.

– Materiële kosten: De materiële kosten bestaan uit (bedragen in guldens):

 
1) Huisvestingskosten333 150
Onder deze post vallen de kosten die ten laste van de huurder komen zoals gas, water en electra, klein onderhoud, beveiliging en schoonmaken. 
2) Kantoorkosten253 700
Hiertoe behoren de kosten voor kantoorartikelen, computerbenodigdheden en onderhoud aan kantoormachines, hard-/ en software. 
3) Productiekosten353 500
Als productiekosten worden aangemerkt de kosten voor het transporteren van de archieven van en naar de klanten en de kosten van archiefdozen en zuurvrije omslagen. 
4) Marketingkosten75 600
Marketingkosten zijn de kosten voor advertenties, folders en de kosten voor PR. 
5) Algemene kosten216 800
Tot deze post behoren de kosten van telefoon, fax, porti, catering. 
6) Huur661 500
De huisvesting van de CAS geschiedt door en voor rekening van de Rijksgebouwendienst zodat geen sprake is van kosten die door de CAS moeten worden betaald. Om echter tot de integrale kostprijs te kunnen komen moet deze post wel worden meegenomen. 
De post huur is derhalve opgevoerd als fictieve kostenpost. Het bedrag is gebaseerd op in de regio gebruikelijke huurprijzen van f 160 respectievelijk f 65 per m2 per jaar voor kantoor- en magazijnruimte. 
7) Verzekeringspremie60 000
De risico's die zouden kunnen worden verzekerd, blijven bij het moederdepartement liggen. Ook voor deze post is derhalve een fictieve kostenpost opgevoerd om de integrale kostprijs te kunnen bepalen. 
Totaal1 954 250

Afschrijvingskosten (bedragen x f 1 000):

 
 Balans 1999Balans 1998
Afschrijvingen materieel  
* gebouwen8345
* machines en installaties2131
* hardware/software360278
* inventarissen142141
* transportmiddelen2
Afschrijvingen immaterieel
Totaal afschrijvingen606497

2.1.3. Saldo van baten en lasten

Het saldo van baten en lasten zal worden toegevoegd aan de algemene reserve of deels aan de bestemmingsreserve.

3. Begroting van kapitaaluitgaven en -ontvangsten

Het kasstroomoverzicht van het agentschap (bedragen x f 1 000)
  Codering
 *1997**199819992000200120022003Econ.Funct.
Liquide middelen 1 januari52 0162 1221 9182 6063 3163 545  
1a. saldo van baten en lasten848399216172272407362  
1b. gecorrigeerd voor afschrijvingen/mutaties voorzieningen5304195455984983724601513.5
1c. gecorrigeerd voor mutaties in het werkkapitaal***669183  
1. Kasstroom uit operationele activiteiten2 0471 001761770770779822  
          
2a. uitgaven onroerende zaken  
2b. uitgaven overige kapitaalgoederen63689596582605505505211.7
2c. gecorrigeerd voor desinvesteringen  
2. Kasstroom uit investeringsactiviteiten6368959658260550550  
          
3a. leningen moederdepartement  
3b. investeringsbijdrage van het departement6000811.7
3c. aflossingen  
3. Netto kasstroom uit financieringsactiviteiten600  
          
Liquide middelen 31 december (1 januari + 1. + 2. + 3.)2 0162 1221 9182 6063 3163 5453 817  

* Slotwet.

** Vastgestelde begroting.

*** Werkkapitaal = vlottende activa minus vlottende passiva.

3.1. Toelichting op de begroting van kapitaaluitgaven en ontvangsten

De kapitaaluitgaven voor de jaren 1999 tot en met 2003 hebben betrekking op vervanging van in gebruik zijnde materiële vaste activa. Het voor 1999 opgenomen bedrag is als volgt te verdelen (bedragen in guldens):

 
1) Voor gebouwen400 000
2) Voor automatiseringsapparatuur469 990
3) Voor inventarissen95 250
Totaal965 240

Deze investeringen zullen worden gefinancierd vanuit de bestemmingsreserve.

De liquiditeitsmutatie is het saldo van de liquide middelen die uit afschrijvingen beschikbaar komen en de investeringen die in het betreffende jaar worden gedaan.

4. Kengetallen

(bedragen in guldens)
 19971998199920002001
1) Uurtarieven     
laag tarief7879797979
middel tarief8385868686
hoog tarief99125125125125
2) Productieve uren per jaar1 3891 3301 3801 3801 380
3) Brutomarge projecten133 3090000
4) Dekkingsresultaat732 70866 46224 300– 19 90680 084
5) Omzet productgroepen     
Archiefbewerking en advisering     
– departementen incl. IND en Hoge Colleges9 584 20010 044 75010 184 89610 198 89610 215 896
– derden1 303 87238 872483 472469 472452 472
Opslag93 287332 427191 571191 571191 571

4.1. Toelichting op de kengetallen

Voor een toelichting op de kengetallen en kwaliteitszorg, mede in relatie tot efficiencyverbetering, zie paragraaf 1.3. Voor een toelichting op bovenstaande kengetallen:

1) De tarieven per uur. De tarieven zijn gebaseerd op de integrale kostprijs en kunnen op doelmatigheid worden getoetst door vergelijking met de tarieven uit de DAR-tarievenhandleiding van het Ministerie van Financiën rekening houdend met CAS-specifieke aspekten, meer m2 per medewerker en de risico-opslag.

2) Het aantal productieve uren per jaar. Hiermee wordt bedoeld het aantal productieve uren per jaar per formatieplaats in de afdeling archiefbewerking. (Voor teamleiders en specialisten is de norm 1 140.)

3) De brutomarge: dit bedrag geeft aan de mate waarin de CAS de archieven heeft kunnen bewerken binnen het afgesproken budget. Doordat inmiddels enige ervaring is opgedaan met het tegen een aanneemsom bewerken van archieven is de verwachting dat een neutraal brutomarge kan worden gerealiseerd.

4) Het dekkingsresultaat: dit bedrag geeft aan de mate waarin de werkelijke kostprijs zich verhoudt met de voorgecalculeerde kostprijs. Bij het voortzetten van het huidige terughoudende uitgavenbeleid zal een neutraal of licht positief dekkingsresultaat kunnen worden behaald.

Agentschap IVOP

1. Inleiding

1.1. Algemeen

Sinds 1995 heeft de dienst Informatievoorziening Overheidspersoneel (IVOP) de agentschapstatus.

Het agentschap IVOP verzorgt diensten op het gebied van personele en personeel-financiële informatievoorziening ten behoeve van een groep samenwerkende deelnemers uit de kring van de rijksoverheid, de universiteiten en een kleine groep overige gebruikers. Tot deze diensten behoren met name het beschikbaar houden van geautomatiseerde systemen ten behoeve van de salarisverwerking en de begrotings- en verantwoordingscyclus.

IVOP is de uitvoeringsorganisatie van het samenwerkingsverband en berekent de IVOP-kosten sinds 1994 integraal door aan gebruikers van de systemen.

De deelnemers zijn vertegenwoordigd in een Algemene Vergadering van Deelnemers (AVD). Het agentschap IVOP wordt direct aangestuurd door een bestuur dat verantwoording aflegt aan de AVD. De AVD stelt de begroting (en daarmee impliciet de tarieven) en de jaarrekening vast.

IVOP draagt zorg voor de beschikbaarheid van de systemen door ze zelf te ontwikkelen, onderhouden en exploiteren dan wel door ze op de markt in te kopen. Daarbij staat voorop dat steeds de voor de leden van het samenwerkingsverband economisch meest gunstige oplossing wordt gezocht. In 1996 is besloten om het salarissysteem IPA te laten renoveren door Raet Personele Systemen en ook de exploitatie, het onderhoud en het beheer vanaf het moment van ingebruikneming door dit bedrijf te laten verzorgen. In mei 1997 kwam vast te staan dat RAET niet in staat zou zijn het gerenoveerde systeem op de contractueel overeengekomen datum 1 februari 1998 operationeel te hebben. Nadat eind augustus 1997 tot een doorstart van het vertraagde renovatietraject was besloten, zou met de tijdige oplevering van de eerste tussenmijlpaal (systeemtest) per 1 december 1997 meer zicht worden verkregen op de haalbaarheid van het ontwikkelingstraject als geheel. Hoewel de kwaliteit van het door de leverancier opgeleverde produkt zich per jaareinde niet goed liet vaststellen leidden de inzichten van dat moment nog niet tot het besluit dat de renovatie zou moeten worden stopgezet.

Nadat het bestuur de opgeleverde versie van het salarissysteem door een derde partij heeft laten beoordelen, is in overleg met de leverancier een drietal trajecten in gang gezet, waaronder het volgen van een procedure tot een niet bindend advies. De uitkomsten van de drie procedures waren voor het bestuur reden om de AVD d.d. 11 maart 1998 voor te stellen het project niet langer voort te zetten en het contract op te zeggen. Op 13 maart 1998 heeft de AVD, met machtiging van de Minister van Binnenlandse Zaken en de ministerraad, dit voorstel overgenomen. Op 13 maart 1998 is de Kamer van dit besluit op de hoogte gebracht (kamerstukken II, 1997/1998, 25 600 VII, nr. 35).

Hoewel nog geen besluitvorming heeft plaatsgevonden over de koers die IVOP de komende jaren gaat volgen is in de voorliggende begroting wel rekening gehouden met de gevolgen van het stopzetten van de renovatie voor de jaren 1999 en volgende. De consequenties voor de begroting van 1998 zullen eerst bij tweede suppletore begroting worden verwerkt.

1.2. Produkten van het agentschap IVOP

De produkten van het agentschap kunnen in twee hoofdgroepen worden onderverdeeld:

1. Salarisinformatie,

2. Personeels- en personeel/financiële informatie.

ad 1. Salarisinformatie. IVOP is volledig verantwoordelijk voor een correcte «inhoud» van de systemen voor de salarisverwerking. De produkten op het gebied van salarisverwerking betreffen het onderhoud en beheer van een drietal te onderscheiden subsystemen (salarissysteem kern, decentrale invoer en standaard interface). Er wordt onderscheid gemaakt tussen een aantal verschillende vormen van onderhoud en beheer, te weten:

– basisonderhoud,

– centrale regelgeving,

– sectorale regelgeving,

– individueel onderhoud.

De eerste twee categorieën worden doorberekend op basis van een tarief per individuele arbeidsrelatie (IAR) die een opdrachtgever in één van de subsystemen geregistreerd heeft. De totale kosten van de onderwerpen in de categorieën basisonderhoud en centrale regelgeving worden per systeem gedeeld door het aantal IAR's van de opdrachtgevers die van het systeem gebruik maken. Zo ontstaat voor die systemen een kostprijs per IAR. Op basis van de berekende kostprijs per IAR wordt – rekening houdend met eventuele tekorten of overschotten uit voorgaande jaren – door de AVD een in meerjarig perspectief kostendekkend tarief per IAR vastgesteld.

De laatste twee categorieën worden doorberekend op basis van een offerte per aan te passen onderwerp. Wanneer hierbij sprake is van meerdere opdrachtgevers per onderwerp wordt het aantal IAR's als verdeelsleutel voor de door te berekenen bedragen gehanteerd.

De kosten van de exploitatie van het salarissysteem worden door het RCC rechtstreeks bij de gebruikers in rekening gebracht. Het agentschap IVOP kan namens de deelnemers afspraken maken over het verrekenen van de exploitatiekosten.

ad 2. Personeels- en personeel/financiële informatie. De produkten van IVOP op het gebied van de personeels- en personeel/financiële informatievoorziening betreffen het onderhoud en beheer van diverse personeels- en personeel/financiële systemen. Ten aanzien van deze informatiesystemen worden twee soorten van onderhoud en beheer gevoerd, te weten basisonderhoud en individueel onderhoud.

Het basisonderhoud wordt doorberekend op basis van een tarief per IAR.

Het individuele onderhoud wordt doorberekend op basis van een offerte per aan te passen onderwerp.

De «meetbaarheid» van de produkten van IVOP in termen van input en output is afhankelijk van het heterogene karakter van de produkten en diensten van het agentschap IVOP. De aard en omvang van de werkzaamheden worden immers enerzijds bepaald door de wensen van de deelnemers en anderzijds door de ontwikkelingen in wet- en regelgeving en arbeidsvoorwaarden. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar het gestelde bij paragraaf 4 «Kengetallen».

1.3. Renovatie salarissysteem (investeringen, afschrijvingen)

Tot 13 maart 1998, het moment van stopzetten van de renovatie, waren sinds 1994 investeringen gedaan ten behoeve van de renovatie. Deze investeringen zijn tot en met 1997 (f 15,636 mln) ten laste van de afschrijvingsreserve (aangevuld met een bijdrage van f 10,5 mln door het Ministerie van BZK) gebracht en op de balans verantwoord onder de post «vooruitbetaald op vaste activa». Nu de renovatie definitief is stopgezet en er dus geen sprake kan zijn van een te activeren gerenoveerd salarissysteem worden deze uitgaven in 1998 als buitengewone lasten afgeboekt. Ook de renovatie-uitgaven die nog in 1998 plaatsvinden zullen als buitengewone lasten worden afgeboekt. In totaal wordt in 1998 een negatief netto resultaat gerealiseerd van f 18,209 mln. Dit negatieve resultaat wordt ten laste van de algemene reserve gebracht.

Meerjarenraming investeringsuitgaven ten behoeve van renovatie Salarissysteem

 
Investeringsuitgaven x f 1 00019941995199619971998Totaal
 5261 3617 8375 9121 56817 204

2. Begroting van baten en lasten

Resultatenrekening Agentschap IVOP (bedragen x f 1 000)
  Codering
 1997199819992000200120022003Econ.Funct.
Baten         
          
Omzet15 95114 84115 82215 82215 82215 82215 8221611.7
          
Rentebaten1040000002613.7
Totaal Baten16 05514 84115 82215 82215 82215 82215 822  
          
Lasten         
          
Kostprijs van de omzet         
– Kosten IVOP4 7785 4606 7606 7606 7606 7606 7601211.7
– Kosten RCC8 5406 1605 7125 7125 7125 7125 7121211.7
Totaal kostprijs van de omzet13 31811 62012 47212 47212 47212 47212 472  
          
Dekkingsresultaat:         
Apparaatskosten         
– Personeelskosten6 5326 0495 6615 6615 6615 6615 6611111.7
– Materiële kosten1 5401 8871 8451 8451 8451 8451 8451211.7
– Afschrijvingskosten2812662672672672672671513.5
Totale apparaatskosten8 3538 2027 7737 7737 7737 7737 773  
Dekking door declarabele uren7 5728 2017 7747 7747 7747 7747 7741211.7
Totaal Dekkingsresultaat7811– 1– 1– 1– 1– 1  
Totaal kostprijs van de omzet14 09911 62112 47112 47112 47112 47112 471  
          
Directe kosten voor opdrachten1 7801 0969559559559559551211.7
          
Afschrijvingskosten systemen2 4032 6692 0762 0762 0762 0762 0761513.5
          
Dotaties aan voorzieningen         
– Dotatie voorz. assurantie eigen risico1321351311311311311311511.7
– Dotatie voorz. ramingsverschillen22132585858585851511.7
– Dotatie voorz. dubieuze debiteuren10000001511.7
Totaal Dotaties aan voorzieningen354460216216216216216  
          
Rentelasten00000002113.1
          
Buitengewone lasten017 20400000  
          
Totaal Lasten18 63633 05015 71815 71815 71815 71815 718  
NETTO RESULTAAT IVOP– 2 581– 18 209104104104104104  

2.1. Toelichting

Sinds 1997 is de indeling van de begroting van baten en lasten aangepast aan de opzet en indeling zoals die in het Jaarverslag van het agentschap IVOP wordt gehanteerd. Dit Jaarverslag wordt aan de AVD ter goedkeuring voorgelegd. Op deze wijze wordt bewerkstelligd dat in alle vormen van financiële rapportage en verslaglegging, die door het agentschap IVOP wordt vervaardigd, een eenduidige indeling en begripsbepaling wordt gehanteerd.

In deze begroting wordt opnieuw dezelfde systematiek gevolgd. Derhalve wordt in de resultatenrekening voor het jaar 1998 gebruik gemaakt van de cijfers zoals die in het jaarplan 1998 staan vermeld.

Voor de begroting 1999 en volgende jaren geldt dat de cijfers met de nodige voorzichtigheid moeten worden geïnterpreteerd. Dit heeft te maken met de gevolgen van het stopzetten van de renovatie.

Aangezien nog geen besluitvorming heeft plaatsgevonden over de koers die IVOP de komende jaren gaat volgen is de meerjarenbegroting voorshands gelijk gesteld aan de begroting van 1999.

De reeds in gang gezette reorganisatie van de dienst IVOP zal in zijn huidige opzet, door het stopzetten van de renovatie, in ieder geval geen doorgang kunnen vinden.

2.1.1. Baten

Bij de raming van de omzet 1999 is er van uitgegaan dat de tarieven zodanig zullen worden vastgesteld dat er sprake zal zijn van dekking van de totale kosten. De tarieven voor 1999 zullen in november 1998 door de AVD worden vastgesteld. Hierbij is het uitgangspunt dat de tarieven in meerjarig perspectief gezien kostendekkend zullen zijn.

Voor 1999 worden geen noemenswaardige rentebaten verwacht.

Overzicht Baten (bedragen x f 1 000)
Omschrijving199719981999
Basisonderhoud Sal.syst.Kern7 6256 6738 767
Centr. regelgeving Sal.syst.Kern2 5662351 782
Sect. onderhoud Sal.syst.Kern717136166
Indiv. onderhoud Sal.syst.Kern662170729
Basisonderhoud Decentr. invoer131470
Centr. regelgeving Dec. invoer7800
Sect. onderhoud Decentr. invoer6200
Indiv. onderhoud Decentr. invoer1300
Basisonderhoud St. Interface8585130
Indiv. onderhoud St. Interface11300
Totaal Salarissysteem11 9347 31311 644
    
IBIS1 7721 2351 493
IBIS individueel   
SNIP8321 0541 054
VINK (was: MILO)184195195
Journalisering252122
CBS1106363
VALK440440440
KAUW101136136
P-VIEW1115050
IP voor militairen1000
Beleidsinformatie204172187
Opleiding en advisering22793100
Opdrachten0539438
Totaal PF/PI4 0163 9984 178
    
TOTAAL15 95011 31115 822
Overige omzet03 5300
TOTAAL GENERAAL15 95014 84115 822

2.1.2. Lasten

Kostprijs van de omzet

* Kosten IVOP. Deze post is de som van de direct aan de opdrachten toe te wijzen kosten van IVOP. De IVOP-kosten zijn opgebouwd uit het aantal uren per type activiteit vermenigvuldigd met de kostprijs per uur. De stijging van de kosten IVOP is het gevolg van een hogere kostprijs per uur en het doorvoeren van de ingezette lijn de RCC-kosten terug te dringen onder andere door meer gebruik te maken van PC-applicaties.

* Externe kosten. De raming van de externe kosten is in 1999 lager dan in 1998. Dit wordt veroorzaakt doordat de RCC-kosten worden teruggebracht.

Personeelskosten. De geraamde personeelskosten zijn gebaseerd op de veronderstelde bezetting voor het jaar 1999 (47 fte's) waarbij er rekening mee is gehouden op welke lijn de medewerkers op dit moment in hun schaal zitten. Daarnaast is voor het jaar 1999 een af te vloeien IVOP-medewerker in de raming opgenomen.

Materiële kosten. Een substantiële daling van de materiële kosten vanaf 1999 blijft achterwege doordat de voorgenomen verhuizing van IVOP naar één vestigingsplaats voorlopig geen doorgang vindt. Deze verhuizing zou in de loop van 1999 zijn beslag krijgen.

Afschrijvingskosten IVOP. Het volgende overzicht dient om inzicht te geven in de post afschrijvingskosten IVOP (bedragen x f 1 000):

 
 Boekwaarde 31-12-1996Afschrijvingen 1997Investeringen 1997Boekwaarde 31-12-1997Afschrijvingen 1998Investeringen 1998Boekwaarde 31-12-1998Afschrijvingen 1999Investeringen 1999Boekwaarde 31-12-1999
inventaris713465102691001339970104
kantoormachines11221110
hardware44316912840215690336116128348
software103781843416062515263
Totaal618282213549267250532267250515

Directe kosten voor opdrachten. Hieronder zijn begrepen de bestuurs- en controlekosten. Dit zijn de kosten IVOP ten behoeve van de ondersteuning van het bestuur en de AVD en de kosten van de EDP-auditpool. De lagere raming ten opzichte van 1998 wordt verklaard doordat met het stopzetten van de renovatie, geen «niet geactiveerde kosten voor de renovatie» meer op deze post worden geraamd.

Afschrijvingskosten systemen. Voor een specificatie wordt verwezen naar het onderstaand overzicht Investeringen en Afschrijvingen.

De voor 1999 begrote afschrijvingskosten systemen zijn lager dan (oorspronkelijk) voor 1998 begroot. Dit wordt veroorzaakt doordat de geraamde afschrijving 1998 voor een deel betrekking zou hebben op het gerenoveerde salarissysteem en voor een deel op het oude systeem.

Bij het opstellen van de begroting voor de jaren 1999 e.v. is rekening gehouden met het creëren van een herwaarderingsreserve voor het huidige salarissysteem.

De afschrijvingskosten voor het salarissysteem zijn in dat licht bezien voorlopig begroot op f 1,5 mln per jaar.

Afschrijvingen en Investeringen geautomatiseerde systemen (bedragen x f 1 000)
SysteemBoekwaarde 1-1-1997Afschrijving 1997Investering 1997Boekwaarde 1-1-1998Afschrijving **1998Investering 1998Boekwaarde 1-1-1999Afschrijving 1999Investering 1999Boekwaarde 1-1-2000
Sal.syst. Kern*01 5001 50001 5001 50001 5001 5000
Decentrale invoer0000000000
Interface0000000000
IBIS0000000000
IBIS PC5632250338225011311300
IBIS Prognose PC3281090219109011011000
IBIS individueel187800107800272700
Act.based.costing00000393903978
SNIP0000000000
SNIP prognose PC3281090219109011011000
SNIP voor Windows253840169840858500
SNIP-I000008484084168
SNIP meerjarig00000292902958
VINK (was: MILO)0000000000
VINK PC1701311484909949050
Produktie naar PC0067671804918031
VINK-I000006363063126
Journalisering0000000000
CBS Produktie naar PC0000847398031
VALK555500000000
VALK voor Windows50899456167205560149
VALK SW19019000000000
VALK IA100500505000000
TOTAAL**2 0262 4021 7871 4112 2881 9291 0522 0761 715691

* Het bedrag in de kolom investering 1998 betreft een herwaardering ad f 1 500 000.

** Het totaal van de kolom afschrijving 1998 is exclusief de afschrijving ad f 381 000 die in 1998 was geraamd voor het gerenoveerde salarissysteem.

Dotaties aan voorzieningen. Voor de voorzieningen assurantie eigen risico en de voorziening ramingsverschillen is op basis van ervaringscijfers meerjarig een gelijk bedrag geraamd; uitgangspunt hierbij is dat het beroep op de voorziening gelijk is aan de toevoeging.

De voorziening dubieuze debiteuren heeft het maximum van f 0,1 mln reeds bereikt. Er wordt vooralsnog van uitgegaan dat in 1998 geen beroep op deze voorziening hoeft te worden gedaan, zodat in 1999 aan deze voorziening geen dotatie meer hoeft te worden gedaan.

Netto resultaat. Het geprognotiseerde positieve resultaat wordt aangewend voor het opbouwen van de algemene reserve, waarop in 1998 en 1997 een substantieel beroep is gedaan.

3. Begroting van kapitaaluitgaven en -ontvangsten

De kapitaaluitgaven ten behoeve van de renovatie van het salarissysteem zijn reeds toegelicht in paragraaf 1.3.

Voor de raming van de noodzakelijke investeringen betreffende de personeel-financiële systemen is in de begroting als uitgangspunt gehanteerd dat de kosten van de vervanging gelijk zijn aan de som van de afschrijvingen van het desbetreffende systeem. Op het moment dat een systeem daadwerkelijk vervangen wordt, is meer zicht op de werkelijke kosten van de investering; deze kosten kunnen dan afwijken van het hierboven uiteengezette uitgangspunt. Afwijkingen zullen in de begroting van het betreffende jaar worden onderbouwd.

Overzicht investeringen tot en met 2003 (bedragen x f 1 000)
  Codering
 1997199819992000200120022003Econ.Funct.
Kapitaaluitgaven6 4122 2474651 884768812209  
Salarissysteem oud00000005211.7
IBIS00000005211.7
IBIS Individueel0002410005211.7
IBIS PC0006750005211.7
IBIS Prognose PC0003270005211.7
IBIS activity based costing03939021005211.7
SNIP00000005211.7
SNIP Prognose PC0003280005211.7
SNIP voor Windows0002530005211.7
SNIP-I en meerjarig01131130121005211.7
MILO00000005211.7
MILO-PC131000140005211.7
MILO-I en produktie naar PC676363084005211.7
CBS produktie naar PC0470042005211.7
Journalisering0000018005211.7
VALK00000005211.7
VALK PC/SW0000057205211.7
VALK IA0000001495211.7
VALK voor Windows8916700300005211.7
Nieuwe salarissysteem5 9121 568000005211.7
GISA (per 01-04-1998)00000005211.7
Kantoormachines/-apparatuur20000005211.7
Inventaris6510070101010105211.7
Hardware12890128404040405211.7
Software186052101010105211.7
          
Kapitaalontvangsten6 4122 2474651 884768812209  
Investeringsbijdrage5000000000811.7
Afschrijvingen*5 9122 2474651 8847688122091513.5

* Onttrekking aan de afschrijvingsreserve.

4. Kengetallen

Met betrekking tot (de meetbaarheid van) de produkten IVOP is een aantal indicatoren ontwikkeld. Deze indicatoren richten zich op de kosten per categorie onderhoud en/of beheer van het salarissysteem en van de personeel-financiële systemen. De kosten voor de deelnemers worden uitgedrukt in tarieven per IAR's. Op basis hiervan kan achteraf een beeld worden geschetst van (verbetering van) de doelmatigheid van het agentschap IVOP.

De totale uitgaven aan het onderhoud en beheer van het salarissysteem worden echter beïnvloed door het aantal onderhoudsopdrachten dat in een bepaald jaar moest worden uitgevoerd. Omdat kostenbeheersing voor de deelnemers aan het samenwerkingsverband een van de belangrijkste doelstellingen is, wordt de effectiviteit van het agentschap mede beoordeeld aan de hand van de meerjarige ontwikkeling in de totale kosten per systeem.

In onderstaand overzicht is de ontwikkeling van de tarieven per IAR aangegeven (bedragen x f 1):

 
Tarieven voor het Salarissysteem199419951996199719981999 e.v.
Basisonderhoud Salarissysteem Kern41,1041,1031,0033,00*28,7538,00
Basisonderhoud Decentraal Systeem1,141,150,250,000,000,30
Basisonderhoud Standaard Interfacen.v.t.2,202,202,50*2,754,40
Centrale regelgeving Salarissysteem Kern7,6310,5010,5014,00*1,108,35
Centrale regelgeving Decentraal Systeemn.v.t.0,160,500,500,000,00
Centrale regelgeving Standaard Interfacen.v.t.n.v.t.n.v.t.n.v.t.n.v.t.n.v.t.

* In de tabel hierboven zijn uitsluitend de kosten voor onderhoud en beheer tot en met oktober 1998 opgenomen.

 
Tarieven per IAR per jaar199419951996199719981999 e.v.
IBIS6,436,455,004,904,906,00
IBIS-individueeln.v.t.n.v.t.3,003,003,003,00
Produktie IBIS (incl RCC-kst)onb.3,403,403,402,902,40
SNIP5,135,004,504,304,306,70
Produktie SNIPonb.4,324,323,682,402,40
VINK/MILO1,271,500,901,151,201,20
Produktie VINK0,710,710,710,71n.t.b.n.t.b.
Journalisering1,671,251,250,000,000,00
CBS0,230,500,200,350,250,25

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

A. Peper

De Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid,

R. H. L. M. van Boxtel


XNoot
1

Zie nota «Wetgeving voor de elektronische snelweg» van de Minister van Justitie (kamerstukken II, 1997/1998, 25 880, nrs. 1–2).

Naar boven