nr. 86
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 23 juli 1999
Tijdens de behandeling van de begroting van het ministerie van Buitenlandse
Zaken voor het jaar 1999 nam uw Kamer een motie aan waarin de regering wordt
gevraagd om een plan van aanpak «opdat er een fonds kan worden opgezet
voor de financiering van activiteiten in de sfeer van de culturele uitwisseling
tussen Nederland en de landen in Midden- en Oost-Europa die op afzienbare
tijd tot de EU zullen toetreden». U had daarbij het oog op «o.a.
culturele presentaties, inclusief jeugdcultuur, verblijfprogramma's voor kunstenaars,
bezoekersprogramma's en beurzen».
De regering onderschrijft de visie van de Kamer dat de toetredings-discussie
niet mag worden beperkt tot een technocratische discussie tussen experts en
leiders, maar ook haar weerslag moet vinden in de bredere uitbreiding van
de contacten tussen de toetredende landen en onder meer Nederland, bijvoorbeeld
op de terreinen van jeugd en cultuur.
Daartoe bestaan al een tweetal belangrijke instrumenten, waarvan één,
«HGIS-cultuur», binnenkort wordt aangepast om aan de in de motie
genoemde landen resp. de genoemde specifieke activiteiten/programma's meer
aandacht te kunnen schenken.
In mijn antwoord zal ik eerst kort ingaan op de bestaande instrumenten
en daarna op recente beleidsinitiatieven, die tegemoet komen aan de motie.
Het bestaande instrumentarium dat voor de intensivering van culturele
samenwerking kan worden aangesproken bestaat in de eerste plaats uit het programma
voor Maatschappelijke Transformatie, Matra, inclusief de Matra-faciliteit
ter ondersteuning van het toetredingsproces, Matra Pre-accessie en de HGIS-cultuur.
Voor laatstgenoemd programma geldt de bijzonderheid dat het samen met OCenW
wordt uitgevoerd, terwijl Matra volledig valt onder de verantwoordelijkheid
van de minister van Buitenlandse Zaken. Voor de goede orde voeg ik eraan toe
dat ik ook de posten in de betrokken landen heb voorzien van financiële
middelen in het kader van het Programma Culturele Ambassade Projecten (PCAP),
ter ondersteuning van kleinschalige culturele initiatieven op lokaal niveau.
Ook hiervan verwacht ik impulsen voor het internationaal cultuurbeleid
in zijn algemeenheid.
Het Matra-programma richt zich zoals bekend op de steun van de landen
bij het transformatie-proces. Het is als zodanig niet exclusief
gericht op culturele uitwisselingen, geheel conform de bedoeling van de motie.
De culturele sector maakt echter wel gebruik van de mogelijkheden die het
Matra-programma biedt. Als voorbeelden op het culturele vlak noem ik niettemin
de management-cursussen in Hongarije en Tsjechië die de Nederlandse Museum
Vereniging al enkele jaren uitvoert en het programma ter ondersteuning van
de ontwikkeling van jonge kunstenaars op het terrein van theater door de Moving
Academy of Performing Arts (MAPA) in diverse landen van Midden- en Oost-Europa.
Het Matra-opleidingsprogramma faciliteert bovendien via financiële
steun aan de Amsterdam-Maastricht Summer University de participatie van een
jonge generatie, aan de op cultuur management gerichte, internationale cursussen
in Nederland. Via de HGIS-cultuur wordt aanvullend gezorgd voor beurzen waardoor
ook jonge kunstenaars uit de betrokken regio aan de meer op kunst gerichte
activiteiten aan de AMSU deel kunnen nemen.
Het HGIS-cultuur programma is reeds sterk gericht op de intensivering
van culturele samenwerking. De Kamer heeft onlangs een brief over dit programma
ontvangen waarin onder meer aangegeven is dat de tot dan toe binnen het internationaal
cultuurbeleid bestaande prioritering voor Tsjechië en Hongarije is verruimd.
Alle toetredende landen zullen onder dat nieuwe beleid vallen. Dit geldt zowel
voor de bezoekersprogramma's als voor de steun aan projecten binnen de HGIS-c
criteria.
Binnen het huidige kader van de HGIS-c en gelet op de tot nog toe bestaande
prioriteit zijn er diverse subsidies verleend aan initiatieven in de sfeer
van presentaties en uitwisseling, zoals in de motie bedoeld. De genoemde HGIS-c
brief geeft hiervan een overzicht. Ik noem in dit kader bij wijze van voorbeeld
de enkele weken geleden in Dordrecht gehouden grote kunsttentoonstelling «Noordzee-Zwarte
Zee» met kunst, symposia en ontmoetingen uit Bulgarije of de zeer omvangrijke
presentatie van Nederlandse scenografie en theaterarchitectuur bij de mondiale
Praagse Quadriennale in de Tsjechische Republiek. Overeenkomstig de in de
uitgangspunten-notitie van Staatssecretaris Van der Ploeg genoemde hoofdlijnen
voor het cultuurbeleid in de eerstvolgende periode, zal ook bij de besteding
van middelen t.l.v. HGIS-c gelet worden op publieksbereik, met een accent
op een jong publiek. Bovendien zullen bij de toepassing van bezoekersprogramma's,
beurzen resp. verblijfsprogramma's voor kunstenaars ook de EU-accessielanden
sterker dan voordien betrokken worden.
Voor de goede orde wijs ik er vervolgens op dat OCenW zelf ook middelen
beschikbaar heeft voor internationaal cultuurbeleid, die in de regio besteed
worden. Deze middelen worden gedeeltelijk via de bestaande cultuurfondsen
ingezet.
Tenslotte verwijs ik naar de diverse programma's bij de Europese Unie,
w.o. het nieuwe kaderprogramma cultuur 2000, dat eveneens voorzieningen kent
voor de betrokkenheid van de accessie landen. Ook de Raad van Europa is in
de regio actief: ten behoeve van het Mosaic programma heb ik uit multilaterale
middelen 2 miljoen beschikbaar gesteld voor activiteiten in Roemenië,
Bulgarije, Slovenië en Kroatië.
Alles bij elkaar biedt Nederland een gevarieerd palet van op transformatie
gerichte of direct vanuit internationaal cultuurbeleid ontwikkelde samenwerking
met de betreffende landen, dat bovendien zowel bilateraal als
multilaterale elementen omvat. En wat voor Nederland geldt, geldt in principe
en in overdrachtelijke zin ook voor de andere lidstaten van de EU. Voor de
ontvangende landen is er dus een «groot aanbod» aan activiteiten
en initiatieven, waardoor er dan ook gesproken kan worden van een zekere absorptie-problematiek.
In dat licht verwacht ik dan ook met de huidige beschikbare instrumenten
en het hierbij behorende financiële kader te kunnen voldoen aan de door
de Kamer terecht geuite wens, de toetreders adequaat bij ons internationaal
cultuurbeleid te betrekken.
De Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken,
mede namens de de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
D. A. Benschop