26 200 IV
Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van Koninkrijksrelaties (IV) voor het jaar 1999

nr. 18
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 29 april 1999

Tijdens de eerste termijn van de behandeling van de begroting van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op 4 november 1998 (Handelingen 1998–1999, nr. 23, p. 1528–1531) is door het lid Van der Knaap gevraagd wanneer de resultaten van de evaluatie van de stageregeling voor de Kamer beschikbaar zijn. In mijn schriftelijk antwoord op deze vraag heb ik toegezegd de Kamer over de resultaten te informeren. Ik geef u hierna een overzicht van de inhoud van het evaluatierapport. Het evaluatie-onderzoek is uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de United Nations Development Programme (UNDP).

In de periode 1992–1997 hebben 190 stages plaatsgevonden. Overheidsorganisaties van de Nederlandse Antillen en Curaçao leverden beide ongeveer eenderde van de deelnemers. De overige deelnemers waren afkomstig van de overheid van de andere eilandgebieden.

In het kader van de evaluatie zijn interviews gehouden met een aantal deelnemers en hun leidinggevenden; de ontvangende organisaties in Nederland werden schriftelijk geïnterviewd.

De meest opvallende conclusies uit het evaluatierapport luiden als volgt.

De deelnemers gaven aan dat zij het vergroten van hun netwerk met Nederlandse collega's als een van de meest positieve effecten van hun stage beschouwen. De helft van de leidinggevenden van de deelnemers gaf aan effect te zien van de stage.

Er blijkt echter weinig sprake te zijn van voorbereiding op stages, door middel van bijvoorbeeld bestudering van literatuur en of dossiers. De stages zijn veelal ook niet opgenomen in een opleidingsplan van de organisatie waar de deelnemer werkzaam is. Daarmee ontstaat, aldus het rapport, de indruk dat de stages het resultaat zijn van persoonlijke initiatieven dan wel van een ad hoc initiatief dat voortkomt uit een plotselinge behoefte van de betrokken organisatie.

De leerdoelen zijn vaak onvoldoende geformuleerd. Slechts de helft van de geïnterviewde deelnemers kon aangeven wat men daadwerkelijk tijdens de stageperiode geleerd had. De meeste deelnemers gaven aan weinig respons te hebben gekregen op hun stageverslag.

In het rapport wordt aanbevolen voor stages een duidelijke opdracht te formuleren. Het organiseren van een stage voor meerdere collega's tegelijkertijd zou ook tot meer resultaat kunnen leiden.

Stages zouden volgens het rapport niet gebruikt moeten worden voor scholing, maar voor het ontwikkelen van specifieke expertise, voor brede professionele oriëntatie, en het ontwikkelen van netwerken.

Stages zouden, gecoördineerd door de personeelsafdelingen, moeten plaatsvinden als onderdeel van een beleid gericht op organisatieontwikkeling.

Voorts wordt in het rapport gepleit voor meer aandacht voor «twinning», waarbij twee organisaties overeenkomen op specifieke gebieden nauw samen te werken. In dat kader zouden ook wederzijdse bezoeken kunnen plaatsvinden.

Ten slotte wordt in het rapport aanbevolen dat de Nederlandse Antillen ook in de regio uitwisselingsprogramma's ontwikkelen.

Ik kan mij in grote lijnen vinden in de in het rapport opgenomen aanbevelingen. Met de Antilliaanse regering zal overleg plaatsvinden over de conclusies en aanbevelingen uit het rapport.

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

G. M. de Vries

Naar boven