Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1997-1998 | 26161 nr. A |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1997-1998 | 26161 nr. A |
Hieronder zijn opgenomen het advies van de Raad van State d.d. 16 april 1998 en het nader rapport d.d. 9 september 1998, aangeboden aan de Koningin door de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Het advies van de Raad van State is cursief afgedrukt.
Bij Kabinetsmissive van 28 november 1997, no. 97.005742, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet met memorie van toelichting, houdende uitbreiding van de Wet milieubeheer (retributies milieugevaarlijke stoffen).
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 28 november 1997, nr. 97.005742, machtigde Uwe Majesteit de Raad van State zijn advies inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 16 april 1998, nr. W08.97.0753, bied ik U hierbij aan.
De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met zijn opmerkingen rekening zal zijn gehouden.
1. De Raad van State merkt op dat dit advies moet worden gelezen in samenhang met het advies van heden, uitgebracht in zaak no. W08.97.0754 inzake het ontwerpbesluit retributies milieugevaarlijke stoffen.
1. Van de opmerking van de Raad dat zijn advies moet worden gelezen in samenhang met het advies van 16 april 1998 (no. W08.97.0754) inzake het ontwerp-besluit retributies milieugevaarlijke stoffen, heb ik nota genomen. Het nader rapport inzake bedoeld ontwerp-besluit zal niet eerder worden uitgebracht dan nadat de Tweede Kamer der Staten-Generaal voorliggend wetsvoorstel zal hebben aanvaard.
2. Het voorstel van wet betreft een heffing ter dekking van de kosten van beoordeling en behandeling van de in het voorgestelde artikel 15.31a, eerste lid, van de Wet milieubeheer (WMB) voorgeschreven handelingen, onder meer meldingen, kennisgevingen en vergunningsaanvragen. Die kosten worden beschouwd als (post)- toelatingskosten als bedoeld in het rapport «Maat houden, Een kader voor doorberekening van toelatings- en handhavingskosten» van een interdepartementale werkgroep van juni 1996 (toelichting, paragraaf 7, respectievelijk kamerstukken II 1995/96, 24 036, nr. 22).
In dat rapport wordt als uitgangspunt genomen dat de uitvoering van wet- en regelgeving als publieke taak van de overheid uit de algemene middelen moet worden gefinancierd (paragraaf 3.2) doch dat een uitzondering mogelijk is voor de kosten van door de overheid ten behoeve van particulieren en bedrijven verrichte diensten.
De vraag of de overheid bepaalde ten behoeve van bedrijven gemaakte kosten kan doorberekenen aan die bedrijven dient naar de mening van het college strikt te worden beantwoord aan de hand van de in het rapport «Maat houden» aanbevolen en door het kabinet voor de beoordeling van alle toekomstige gevallen overgenomen lijst (paragraaf 7.4). Een dergelijke wijze van beoordeling kan ook remmend werken op mogelijke verdere plannen tot doorberekening van overheidskosten. Te verwachten is immers dat, gelet op de in de toelichting ter rechtvaardiging aangevoerde argumenten, bij «bezuinigingsrondes» meer vergelijkbare wetsvoorstellen zullen volgen, hetgeen tot aanzienlijke financiële lasten en daarmee wellicht onwenselijke gevolgen voor bedrijven en burgers zou kunnen leiden.
Hoewel het rapport «Maat houden» in de memorie van toelichting niet onbesproken blijft, mist het college een beschouwing over de hiervoor aangegeven aspecten en het gebruik van de evenbedoelde lijst. In verband daarmee adviseert de Raad de toelichting met een dergelijke beschouwing aan te vullen en zo nodig het voorstel aan te passen.
2. Aan de door de Raad gedane aanbeveling in de memorie van toelichting nog uitgebreider in te gaan op het rapport «Maat houden», en met name op paragraaf 7.4 daarvan, is gevolg gegeven. De een na laatste alinea van paragraaf 7 van de memorie van toelichting is hiertoe uitgebreid met een passage waar wordt verduidelijkt dat de uitzonderingsgronden, op basis waarvan eventueel van het doorberekenen van (post-)toelatingskosten zou moeten worden afgezien, hier niet van toepassing zijn.
3. De tarieven voor de retributies worden bij ministeriële regeling vastgesteld (toelichting, paragraaf 2.1). Daartegen heeft de Raad overwegende bezwaren. Het college is zich ervan bewust dat de heffing niet als belasting als bedoeld in artikel 104 van de Grondwet valt aan te merken, waarbij de tarieven zoveel mogelijk in een wet in formele zin dan wel ten minste in een algemene maatregel van bestuur behoren te worden opgenomen, maar als een andere heffing van het Rijk.
Wel is sprake van toepassing van belastingwetgeving, namelijk bij de invordering van de retributie bij in gebreke blijven. De Raad is van oordeel dat de tariefstelling ten minste bij algemene maatregel van bestuur dient te geschieden. Het college acht de gestelde noodzaak tot regelmatige wijziging als gevolg van bijstellingen van de tarieven niet zo zwaarwegend dat deze in de weg staat aan zijn voorkeur voor opneming van de tarieven in een algemene maatregel van bestuur. In verband hiermee merkt de Raad, zoals ook in het vorenvermelde advies is gedaan, op dat de bijstelling van bedragen eventueel aan de hand van de prijsindex kan plaatsvinden. Bovendien wijst het college erop dat de tarieven ook uit minder vaak te wijzigen onderdelen bestaan, zoals berekende aantallen te behandelen dossiers, een vastgestelde arbitraire gewichtsfactor en een berekende gemiddelde werkbelasting per dossier. In verband met het vorenstaande adviseert de Raad de tarieven bij algemene maatregel van bestuur te regelen en de toelichting daaraan aan te passen.
3. De aanleiding voor de overwegende bezwaren van de Raad tegen het bij ministeriële regeling vaststellen van de tarieven van de retributies lijkt met name gelegen te zijn in het feit dat de invordering van de retributie bij in gebreke blijven geschiedt door de belastingdienst.
De Raad stelt zelf al vast dat deze retributies geen belastingen zijn als bedoeld in artikel 104 van de Grondwet. Naar mijn mening kan in casu ook niet gesproken worden van toepasselijkheid van de belastingwetgeving, enkel vanwege de inzet (welke overigens naar verwachting slechts bij hoge uitzondering noodzakelijk zal zijn) van de ontvanger inzake rijksbelastingen indien de retributie niet of niet tijdig wordt voldaan. Deze pragmatische oplossing heeft weliswaar geleid tot het van overeenkomstige toepassing verklaren van enkele artikelen uit de Invorderingswet 1990, hiermee wordt evenwel het karakter van de retributieplicht niet gewijzigd.
Naar aanleiding van het advies van de Raad is nog eens nagegaan op welke wijze vergelijkbare tarieven in de regelgeving zijn vastgelegd. Daarbij is gebleken dat er vele voorbeelden zijn van tariefstelling op het niveau van de ministeriële regeling, zoals onder meer het geval is in de Regeling toelating bestrijdingsmiddelen 1995, de Regeling vergoedingen WOG, de Regeling registratie diergeneesmiddelen 1995, de Regeling partijkeuring, de Regeling tarieven Plantenziektenkundige Dienst 1991 en de Regeling aanvraag erkenning en onkostenvergoeding goedkeuring Wet explosieven voor civiel gebruik.
Hieraan zij nog toegevoegd dat het onder punt 1 van dit nader rapport bedoelde ontwerp-besluit duidelijke begrenzingen geeft omtrent de hoogte van de tarieven en de aanpassingen daarvan, in aanvulling op het wetsvoorstel waar al wordt vastgelegd dat de opbrengst van de retributies de kosten van de diensten niet te boven mag gaan. Zo wordt in het ontwerp-besluit aangegeven dat tariefwijziging slechts plaatsvindt op grond van wijziging van de tarieven en kosten in de tarievenhandleiding van de Directie Accountancy Rijksoverheid van het Ministerie van Financiën (waarin de prijsindex is meegenomen), en ingeval de procedures worden veranderd door wijzigingen in de Europese richtlijnen die de grondslag voor deze procedures bieden. Tenslotte kan er nog op worden gewezen dat de categorie gegevens die de Raad aanduidt als «minder vaak te wijzigen onderdelen» geen elementen zijn die bij een tariefwijziging kunnen worden betrokken. Die gegevens worden slechts in de bijlage bij de toelichting van de ontwerp-regeling waarbij de tarieven worden bepaald genoemd, om te verduidelijken om welke diensten het gaat en om op transparante wijze aan te geven op welke gegevens de berekeningen zijn gebaseerd.
Gelet op het bovenstaande wordt niet ingezien dat de voorkeur van de Raad om de tarieven bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen zwaarder moet wegen dan de noodzaak om die tarieven, binnen de aangegeven begrenzingen, regelmatig te kunnen wijzigen. Om die reden is besloten de tariefstelling bij ministeriële regeling te handhaven.
4. In het voorgestelde artikel 15.31a, derde lid, aanhef en onder a, WMB is voorgeschreven dat de opbrengst van de retributies de kosten van de diensten niet te boven gaat. Dat voorschrift betekent slechts dat de heffing een retributie betreft en geen belasting. Van belang is dat de bedrijven en onderzoeksinstituten waarvoor de overheidsinstellingen de diensten verrichten geen mogelijkheid hebben invloed uit te oefenen op de efficiency en bedrijfsvoering van die overheidsinstellingen. Ter voorkoming van te hoge retributies adviseert de Raad een nadere begrenzing van de hoogte van de retributies in artikel 15.31.a, derde lid, WMB op te nemen en de toelichting daaraan aan te passen. Voorts beveelt het college aan in de toelichting aandacht te besteden aan de mogelijkheid van beïnvloeding van de hoogte van de vergoeding door bedrijven in verband met het zelf aandragen van gegevens, waardoor de overheidskosten beperkt kunnen worden.
4. De Raad adviseert een nadere begrenzing van de hoogte van de retributies op te nemen, ter voorkoming van te hoge retributies. De Raad gaat er daarbij van uit, dat het voorgestelde voorschrift in artikel 15.31a, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer, dat de opbrengst van de retributies de kosten van de diensten niet te boven gaat, enkel aangeeft dat het om retributies gaat en niet om heffingen. In dat verband wordt gesteld dat door een eventueel minder goede efficiency en bedrijfsvoering van de betreffende overheidsinstellingen de kosten hoger zullen kunnen zijn dan nodig is.
Ik deel deze vrees niet. In de afgelopen jaren is, onder meer door verbeterde automatisering, gekomen tot een hoge mate van efficiency. Daarnaast is (zie ook punt 3 van dit nader rapport) de hoogte van de aanpassingen van de retributies al begrensd door de bepaling in het ontwerp-besluit, dat uitsluitend aanpassing van de tarieven plaatsvindt bij wijziging van de prijsindex of bij wijziging van de regelgeving.
Voorts beveelt de Raad aan in de toelichting aandacht te besteden aan de mogelijkheid van beïnvloeding van de hoogte van de vergoeding door bedrijven in verband met het zelf aandragen van gegevens, waardoor de overheidskosten beperkt kunnen worden. De Raad gaat hiermee evenwel voorbij aan het karakter van de handelingen waar het hier om gaat. Immers, de bedrijven en onderzoeksinstellingen hebben de wettelijke plicht gegevens te leveren, die vervolgens door de bevoegde autoriteiten moeten worden beoordeeld. Er bestaat, met andere woorden, nauwelijks een marge voor de door de overheid te verrichten handelingen. Voor de gevallen waar de Raad ook op duidt, waar het tijdbesparend uitwerkt voor de overheidsdiensten omdat meer gegevens worden aangeleverd dan wettelijk voorgeschreven, die – zonder dat aan de uit het EG-Verdrag voor de overheid voortvloeiende verplichtingen geweld wordt gedaan – vervolgens door de overheid kunnen worden overgenomen, werd al een restitutieregeling voorgesteld. Zodoende wordt al aan dit door de Raad veronderstelde bezwaar tegemoet gekomen.
5. In verband met het gestelde in punt 6 van het vorenbedoelde advies van de Raad inzake het ontwerpbesluit retributies milieugevaarlijke stoffen adviseert het college in het wetsvoorstel een bepaling op te nemen die ertoe strekt dat fundamenteel onderzoek van de retributieplicht wordt uitgesloten dan wel dat de retributies daarvoor worden beperkt. Voor de argumenten daarvoor wordt verwezen naar dat advies.
5. Het advies van de Raad om retributies voor «fundamenteel onderzoek» (op het terrein van genetisch gemodificeerde organismen) uit te sluiten of te beperken, leent zich, zoals ook blijkt uit de wijze waarop de Raad dit punt formuleert, meer voor bespreking in het kader van het onder punt 1 van dit nader rapport bedoelde ontwerp-besluit, waarbij immers de precieze invulling van de aan retributie onderworpen diensten wordt bepaald.
Desalniettemin kan ook in dit kader al een algemene opmerking worden gemaakt. In de eerste plaats zie ik, anders dan de Raad, geen wezenlijke tegenstelling tussen enerzijds dit «fundamentele onderzoek» en anderzijds de andere vormen van onderzoek die aan retributie worden onderworpen. Zo er al een grens zou zijn te trekken tussen fundamenteel en toegepast onderzoek, kan niet gesteld worden dat het toegepaste onderzoek – in tegenstelling tot het fundamentele – geen maatschappelijk belang zou dienen. Het aanbrengen van onderscheid daartussen zou dan ook ongerechtvaardigd zijn.
Bovendien hebben de wetenschappelijke onderzoeksinstituten in het kader van de inspraakmogelijkheid op de voorgepubliceerde ontwerpen van wet, besluit en regeling, met name bezwaar aangetekend tegen de retributie op de zogeheten «kleine wijzigingen». Aan dit bezwaar is tegemoet gekomen, door de retributie op die kleine wijzigingen uit de ontwerpen te schrappen. Het door de Raad gevreesde risico dat telkens opnieuw retributie zou moeten worden voldaan voor vervolg-kennisgevingen, hetgeen een onbeheersbare stijging van de kosten voor het uitvoeren van onderzoek met zich mee zou brengen, is hiermee niet langer reëel.
6. De minister heeft de vaste commissie voor de Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en voor Landbouw, Natuurbeheer en Visserij toegezegd dat de in het wetsvoorstel opgenomen retributieregeling elke vijf jaar zal worden herzien (kamerstukken II 1995/96, 24 400, XI, nr. 63, blz. 9). In de voorgestelde wettelijke bepalingen vindt het college, evenmin als in de voorgestelde bij het wetsvoorstel behorende algemene maatregel van bestuur, daarover iets terug. In verband daarmee adviseert het college in het wetsvoorstel dan wel in de daarop gebaseerde algemene maatregel van bestuur een evaluatiebepaling op te nemen en daaraan in de toelichting aandacht te besteden.
6. De Raad adviseert een evaluatiebepaling op te nemen in het wetsvoorstel of in de daarop gebaseerde algemene maatregel van bestuur en daaraan in de toelichting aandacht te besteden. De Wet milieubeheer kent echter reeds een bepaling die vijfjaarlijkse evaluatie voorschrijft in artikel 21.2, eerste lid. Op grond daarvan wordt niet alleen de Wet milieubeheer zelf, maar ook de uitvoeringsregelgeving aan evaluatie onderworpen. Aangezien dat uiteraard ook zal gelden ten aanzien van voorliggende wijziging van de Wet milieubeheer, zou het niet passend zijn ook in dit wetsvoorstel een evaluatiebepaling op te nemen.
In de nota van toelichting bij het onder punt 1 van dit nader rapport bedoelde ontwerp-besluit staat al aangegeven, dat de uitvoering regelmatig zal worden geëvalueerd. In die tekst zal, naar aanleiding van de opmerkingen van de Raad, expliciet worden verwezen naar artikel 21.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer.
7. Het verschuldigd zijn van retributies wordt, voorzover het de in onderdeel a van dat tekstblok bedoelde situaties betreft, blijkens de toelichting, paragraaf 3 (eerste tekstblok) en de slotzin van artikel 1, eerste lid, van het ontwerpbesluit retributies milieugevaarlijke stoffen beperkt tot de situatie waarbij de milieugevaarlijke nieuwe stoffen in de Europese Economische Ruimte worden ingevoerd en aan een ander ter beschikking worden gesteld. Ingevolge de onderdelen a tot en met d van het voorgestelde artikel 15.31a, eerste lid, WMB zijn retributies ook verschuldigd bij vervaardiging (artikel 3 van de Wet milieugevaarlijke stoffen (WMG). Het is niet duidelijk of de beperking in de toelichting en de algemene maatregel van bestuur verband houdt met de beperkte reikwijdte van de algemene maatregel van bestuur in eerste instantie, zoals is aangegeven in paragraaf 3 van de bij het wetsvoorstel behorende toelichting, of dat sprake is van een abusievelijk opgetreden verschil. Voorts is niet duidelijk wat in paragraaf 3 wordt bedoeld met «nieuwe stoffen» en in relatie tot invoeren in Nederland met «invoeren in de Europese Economische Ruimte». Bovendien is niet duidelijk of het na de eerste fase waarin de algemene maatregel van bestuur van beperkte opzet is alleen gaat om nog in de handel te brengen stoffen of ook om reeds in de handel gebrachte stoffen (het in het voorgestelde artikel 15.31a, eerste lid, onder a, WMB genoemde artikel 19 WMG). In verband met het vorenstaande adviseert het college de toelichting op de aangegeven punten aan te vullen.
7. De Raad constateert dat ingevolge het voorgestelde artikel 15.31a, eerste lid, onderdelen a tot en met d, van het wetsvoorstel tevens retributies verschuldigd zijn bij vervaardiging van nieuwe stoffen, terwijl het onder punt 1 van dit nader rapport bedoelde ontwerp-besluit deze categorie niet vermeldt. Het is de Raad niet duidelijk of deze tegenstelling verband houdt met de beperkte reikwijdte van de algemene maatregel van bestuur in eerste instantie, zoals is aangegeven in paragraaf 3 van de memorie van toelichting, of dat sprake is van een abusievelijk opgetreden verschil.
Op dit punt kan naar mijn mening geen misverstand bestaan. Zoals bij regelgeving vaker het geval is, biedt de (wettelijke) rechtsbasis de mogelijkheid tot het stellen van meer regels bij algemene maatregel van bestuur dan direct al (bij meermaals aangehaald ontwerp-besluit) wordt ingevuld. In het wetsvoorstel staat, dat retributie is verschuldigd voor zover de dienst bij algemene maatregel van bestuur is aangewezen. Voor de vervaardiging van nieuwe stoffen is dat in bedoeld ontwerp-besluit niet gebeurd, aangezien in onderdeel a uitsluitend de kennisgevingen als bedoeld in artikel 2 of 2a van het Kennisgevingsbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen zijn vermeld, in casu derhalve de handelskennisgevingen.
Vervolgens beveelt de Raad aan te verduidelijken wat met «nieuwe stoffen» en met «invoeren in de Europese Economische Ruimte» wordt bedoeld. Hoewel hier in de nota van toelichting bij eerder bedoeld ontwerp-besluit op in wordt gegaan, is ook de memorie van toelichting (paragraaf 3) op dit punt uitgebreid. Met «nieuwe stoffen» worden bedoeld stoffen die niet zijn opgenomen op de zogenoemde EINECS (European Inventory of Existing Commercial Chemical Substances), de Europese inventarisatie van bestaande commerciële stoffen van 18 september 1981. Van deze stoffen dienen kennisgevingen te worden verzorgd als zij worden ingevoerd of in de handel gebracht binnen de Europese Economische Ruimte. Het kan derhalve ook gaan om stoffen die reeds eerder in de handel zijn gebracht, indien die door de Europese Gemeenschappen als nieuwe stoffen zijn gekarakteriseerd.
8. In de toelichting wordt niet vermeld dat het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, alsmede het Instituut voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek, de diensten verrichten waarvoor de retributies zullen worden geheven. Hoewel die vermelding is opgenomen in de toelichting op het meergenoemde ontwerpbesluit retributies milieugevaarlijke stoffen (paragraaf 4, onderdeel a) en op de aan dat ontwerpbesluit toegevoegde ministeriële regeling (paragraaf 1), beveelt het college met het oog op de volledigheid aan die vermelding in de bij het wetsvoorstel behorende toelichting op te nemen.
8. De diensten, thans in eerder bedoeld ontwerp-besluit vermeld, worden inderdaad verricht door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu en het Instituut voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek. Dit geldt echter niet per definitie voor alle diensten, waarvoor te zijner tijd een retributie kan worden ingesteld. Aan het advies van de Raad is gevolg gegeven door dit ook in de memorie van toelichting (paragraaf 3) te vermelden.
9. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.
9. De Raad heeft enkele redactionele opmerkingen met betrekking tot het wetsvoorstel en de memorie van toelichting daarbij. Deze opmerkingen zijn verwerkt op de door de Raad aangegeven wijze, met uitzondering van de opmerking gemaakt onder het kopje «memorie van toelichting», tweede gedachtenstreepje. Aan die laatste opmerking is op zodanige wijze gevolg gegeven, dat thans blijkt dat bedoelde bespreking van factoren die de hoogte van de retributies bepalen alsmede van de lastenverzwaring die dat met zich mee zal brengen, zal plaats vinden zowel in de eerste (onder punt 1 van dit nader rapport bedoelde) algemene maatregel van bestuur als in elke uitbreiding daarvan.
De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
Ik moge U verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting met bijlagen aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.
– In de aanhef van artikel 15.31a, eerste lid, van de Wet milieubeheer (WMB) in overeenstemming met artikel 1, eerste lid, aanhef, van het ontwerpbesluit retributies milieugevaarlijke stoffen «voor de behandeling van» wijzigen in: tot dekking van de kosten van diensten ter behandeling van:.
– In paragraaf 3 in de aanduiding van richtlijn nr. 67/548/EEG «Raad van de Europese Gemeenschappen» (in overeenstemming met de in de als bijlage bij het voorstel van wet opgenomen ministeriële regeling (bijlage A) gehanteerde aanduiding) wijzigen in: Raad van de Europese Economische Gemeenschappen.
– In paragraaf 4.1 het begin van de eerste zin van het laatste tekstblok luidende «Bij elke algemene maatregel van bestuur zal preciezer worden aangegeven» wijzigen in: Bij elke wijziging van de algemene maatregel van bestuur in verband met uitbreiding als bedoeld in paragraaf 3 zal precies worden aangegeven.
Voorts in verband daarmee het begin van de derde zin van paragraaf 6 luidende «De nota van toelichting bij elke algemene maatregel van bestuur» wijzigen in: De nota van toelichting bij elke uitbreiding van de algemene maatregel van bestuur.
– In de eerste zin van paragraaf 4.2 met het oog op de in artikel 4 van de algemene maatregel van bestuur bedoelde (verscheidene) mogelijkheden tussen «verleend» en «voor» invoegen: onder meer.
– In de toelichting «Kamerstukken II» als vindplaatsaanduiding steeds met kleine letter schrijven (aanwijzing 219, onder 2, van de Aanwijzingen voor de regelgeving).
De tekst van het voorstel van wet en van de memorie van toelichting zoals voorgelegd aan de Raad van State is ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-26161-A.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.