nr. 6
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN
MILIEUBEHEER
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 15 maart 1999
In vervolg op de mondelinge behandeling van het voorstel tot uitbreiding
van de Wet milieubeheer (retributies milieugevaarlijke stoffen) (kamerstukken
II, 26 161) op 9 maart jl. bericht ik u op welke wijze ik uitvoering
wil geven aan mijn toezegging om het fundamenteel wetenschappelijk onderzoek
aan genetisch gemodificeerde organismen uit te zonderen van de retributieverplichting.
Dergelijk fundamenteel wetenschappelijk onderzoek, dat met name aan universiteiten
en andere wetenschappelijke instituten plaatsvindt, kan als volgt op uitvoerbare
wijze onderscheiden worden ten opzichte van het overige onderzoek. Het overgrote
deel van dit fundamenteel wetenschappelijk onderzoek vindt plaats onder omstandigheden
van zogeheten ingeperkt gebruik. De definitie van ingeperkt gebruik staat
beschreven in artikel 1, onderdeel g, van het Besluit genetisch gemodificeerde
organismen Wet milieugevaarlijke stoffen (Stb. 1993, 435 zie bijlage)1. Ik neem mij voor al het onderzoek aan universiteiten dat plaatsvindt
onder omstandigheden van ingeperkt gebruik, zoals omschreven in het Inrichtingen-
en Vergunningenbesluit Milieubeheer, bijlage I, categorie 21.1, onderdeel
a, onder 2° (zie bijlage)1 uit te zonderen
van de retributies. Op basis hiervan wordt een zo goed mogelijk onderscheid
verkregen tussen het fundamenteel wetenschappelijk onderzoek en het overige
onderzoek. In geval van twijfel kan aan de Commissie Genetische Modificatie –
een onafhankelijk adviesorgaan – advies gevraagd worden.
Het juridisch kader voor de invoering van retributies wordt gevormd door
voorliggend wetsvoorstel waarin de rechtsbasis wordt gegeven en de belangrijkste
principes worden vastgelegd. In het ontwerpbesluit, dat gelijktijdig met dit
wetsvoorstel wordt voorbereid en aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal is
voorgelegd, worden de retributieplichtige diensten daadwerkelijk aangewezen.
Om uitvoering te geven aan de uitzondering voor het ingeperkt gebruik, zoals
bovenvermeld, wordt aan artikel 1 van het ontwerpbesluit een derde lid toegevoegd.
In de nota van toelichting wordt hierover een passage opgenomen.
De tekst van het ontwerp van de ministeriële regeling behoeft geen aanpassing.
Uiteraard zullen de nota van toelichting bij het ontwerpbesluit en de toelichting
bij de ontwerpregeling ook overigens in lijn gebracht worden met de in deze
brief gedane toezegging.
Hiermee hoop ik u voldoende te hebben geïnformeerd.
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
J. P. Pronk