Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1998-1999 | 26161 nr. 4 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1998-1999 | 26161 nr. 4 |
Vastgesteld 4 november 1998
De vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer1, belast met het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel, brengt als volgt verslag uit van haar bevindingen.
Onder het voorbehoud dat de regering de gestelde vragen tijdig zal hebben beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van dit wetsvoorstel voldoende voorbereid.
De leden van de PvdA-fractie hebben met enige verbazing kennis genomen van voorliggend wetsvoorstel. Zij brengen in herinnering dat vrij recent de leges voor het aanvragen van vergunningen en ontheffingen in het kader van de Wet milieubeheer zijn afgeschaft. Ter compensatie van de verminderde inkomsten bij gemeenten en provincies zijn destijds nog extra middelen beschikbaar gesteld voor het Gemeentefonds en Provinciefonds. In het kader van uniformiteit van beleid, bevreemdt het hun dan ook dat nu weer besloten wordt tot het invoeren van een dergelijk retributiesysteem. Zij willen daarom vóór alles de vraag stellen of nog eens helder uiteengezet kan worden wat destijds de motivering was om de milieuleges af te schaffen, wat nu de motivering is om in het kader van de kennisgevingsplicht volgend uit de Wet milieugevaarlijke stoffen een retributieregeling te introduceren, en hoe deze twee zich tot elkaar verhouden.
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het wetsvoorstel waarin wordt voorgesteld de Wet milieubeheer uit te breiden door het invoeren van een retributieplicht voor de beoordeling en administratieve afhandeling van kennisgevingen, vergunningen, verzoeken en aanvragen. Dit wetsvoorstel opent de mogelijkheid kosten ten laste van bedrijven te doen komen door het heffen van een retributie. Het voorstel van wet wil een verdergaande kostendekkendheid van door de overheid geleverde diensten bereiken.
De leden van de VVD-fractie vragen waarom voor invoering van retributies is gekozen, terwijl recent de leges voor vergunningen en ontheffingen in het kader van de Wet milieubeheer zijn afgeschaft. Bij de legesdiscussie is er lange tijd onderhandeld over een rechtvaardige kostentoerekening, maar overeenstemming bleek niet mogelijk. Bij de retributies kan weer eenzelfde discussie ontstaan. Is één en ander wel in overeenstemming met duidelijk beleid?
Nu in de Wet milieugevaarlijke stoffen is gekozen voor een kennisgevingsplicht kan moeilijk van een individueel profijt gesproken worden. De leden van de VVD-fractie staan ook stil bij de kritische beschouwing van de Raad van State over het toezicht. De Raad oordeelt dat naleving van deze voorschriften bij uitstek door de overheid dient te worden vervuld en derhalve uit de algemene middelen moet worden gefinancierd.
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van dit wetsvoorstel, maar staan kritisch tegenover de op sommige punten aangevoerde motivering en de voorgestelde uitwerking.
Deze leden onderschrijven in principe het streven naar kostendekkendheid van door de overheid geleverde diensten en voelen ook voor het argument dat op het punt van de retributies aansluiting gezocht moet worden bij de ontwikkelingen in de belangrijkste lidstaten van de Europese Unie. Toch geeft het wetsvoorstel aanleiding tot de nodige vragen en het plaatsen van kanttekeningen.
Vervolgens vragen de leden van de CDA-fractie hoe de invoering van het retributiesysteem is te rijmen met de afschaffing van leges en met belastingheffing door overheden in het algemeen. Onlangs zijn de op een lijn met retributies te stellen leges voor vergunningen of ontheffingen in het kader van de Wet milieubeheer afgeschaft. Dit gebeurde in het kader van het lastenverlichtingspakket 1998 (zie Staatsblad 585, 1998). Het heeft deze leden verwonderd dat deze ingezette lijn nu voor handelingen in het kader van de Wet milieugevaarlijke stoffen doorbroken wordt. Graag ontvangen zij een nadere toelichting.
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van de voorgestelde uitbreiding van de Wet milieubeheer. Met dit wetsvoorstel wordt in de Wet milieubeheer een grondslag gelegd voor het invoeren van een retributieplicht voor de beoordeling en administratieve afhandeling van kennisgevingen, meldingen, nadere gegevensverstrekkingen, vergunning- en ontheffingaanvragen en bepaalde verzoeken op grond van de Wet milieugevaarlijke stoffen.
Zij onderschrijven het systeem van retributie op zichzelf, maar zij plaatsen wel enkele kanttekeningen bij dit wetsvoorstel, in het bijzonder met betrekking tot de hoogte van de retributie. Dit geldt zowel voor de kosten die aan deze retributie ten grondslag liggen als de hoogte van de retributie in vergelijking met andere Europese lidstaten. Deze leden vinden dat het systeem van redelijkheid en billijkheid moet worden gehandhaafd.
In de memorie van toelichting worden twee aanleidingen om de retributieplicht te introduceren, gegeven. Ten eerste is het in lijn met het beleid van de regering, gericht op verdergaande kostendekkendheid van door de overheid geleverde diensten.
Een tweede aanleiding is de wenselijkheid in lijn te blijven met de ontwikkelingen in de in dit opzicht belangrijkste lid-staten van de Europese Unie (EU). Als de omringende lidstaten retributies kennen, maar Nederland niet, is een toeneming van het aantal kennisgevingen en meldingen van buiten de Europese Economische Ruimte (EER) niet ondenkbaar.
De leden van de D66-fractie vragen of inderdaad zomaar gekozen kan worden in welk land een kennisgeving wordt gedaan. Is het niet zo dat alleen gekozen kan worden voor beoordeling in een ander land indien sprake is van import in dat land? Zo neen, zouden Nederlandse bedrijven dan kennisgevingen kunnen doen in landen die een lagere retributie heffen dan Nederland?
De leden van de SP-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van dit wetsvoorstel. Het wetsvoorstel geeft hun aanleiding tot de volgende vragen in de desbetreffende hoofdstukken.
De leden van de fracties van GPV en RPF hebben met belangstelling kennisgenomen van dit wetsvoorstel. Deze leden vragen de regering nader in te gaan op de onderliggende argumenten voor het wetsvoorstel. Hoe verhoudt het argument van een grotere kostendekkendheid van overheidsdiensten zich tot het beleid om de administratieve lasten voor het bedrijfslasten te verlagen? Hoe moet het voorliggende wetsvoorstel worden gezien in het licht van de afschaffing van de leges voor vergunningen in het belastingplan 1998, zo vragen deze leden.
De leden van de fracties van GPV en RPF vragen of meer ten principale kan worden uiteengezet wanneer tegenover overheidsdiensten een kostendekkende vergoeding dient te staan. Terwijl de regering in de memorie van toelichting de nadruk legt op het individueel toerekenbaar profijt (bladzijde 7), wordt volgens deze leden ten onrechte voorbijgegaan aan het verplichtend karakter van overheidsregelingen op dit gebied. Zonder de vergunningaanvragen, meldingen en kennisgevingen ontbreekt immers de mogelijkheid om bepaalde stoffen op de Europese markt te brengen. Welke beleidsontwikkeling staat de regering voor ogen? Waar wordt de grens gelegd tussen overheidsdiensten die uit algemene middelen worden betaald en overheidsdiensten waar een rechtstreekse vergoeding tegenover staat? Hoe lopen overigens de financiële stromen in verband met retributies en de daarmee samenhangende overheidskosten?
De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel inzake retributies milieugevaarlijke stoffen. Het wetsvoorstel legt een grondslag voor het invoeren van een retributieplicht voor de behandeling en administratieve afhandeling van kennisgevingen, meldingen, naderegegevensverstrekkingen, vergunning- en ontheffingsaanvragen en bepaalde verzoeken op grond van de Wet milieugevaarlijke stoffen (WMS).
Deze leden willen enkele kritische kanttekeningen bij het wetsvoorstel plaatsen. Zij willen opmerken dat het beleid van de regering al sedert jaren erop gericht is om de administratieve lasten van bedrijven en onderzoeksinstituten te verkleinen. Het voorliggende wetsvoorstel betekent echter een verhoging van de administratieve lasten en daarmee tevens een doorkruising van het tot nu toe gewenst geachte beleid. Weegt deze doorkruising wel op tegen de beoogde voordelen van het wetsvoorstel, zo vragen deze leden. Bestaat er inzicht in de vraag hoeveel bedrijven met een relatief grote innovatiepotentie door het wetsvoorstel geconfronteerd zullen worden met hogere lasten die zij niet zullen kunnen doorberekenen?
2. Eerste uitvoeringsregeling op grond van dit wetsvoorstel
De redenering dat met deze wetswijziging aangesloten kan worden bij de situatie in Europa, vinden de leden van de PvdA- fractie niet geheel overtuigend. Op basis van welke argumentatie in de genoemde landen is besloten tot het instellen van een retributieplicht en welke tarieven hanteren zij daarbij? Wat is de situatie in die landen met betrekking tot milieuleges voor het aanvragen van vergunningen en ontheffingen? Hoe is precies de stand van zaken met betrekking tot een harmonisatie van tarieven?
In eerste instantie ligt het in het voornemen uitwerking te geven aan een retributiesysteem voor «behandeling» (van kennisgeving en dergelijke) van milieugevaarlijke stoffen en genetisch gemodificeerde organismen. Waarom wordt gedacht aan een retributiesysteem op deze terreinen, vragen de leden van de CDA-fractie. Wordt erover gedacht retributies breder te gaan toepassen?
De leden van de CDA-fractie vragen in hoeverre met het hier voorgestelde retributiesysteem inderdaad aansluiting is gezocht bij de systemen die in het buitenland bestaan. Is er een systematische studie verricht naar de opbouw en werking van deze systemen in het buitenland alsmede naar de kostencalculaties die er aan ten grondslag liggen?
De leden van de CDA-fractie maken zich ondanks het in de memorie van toelichting gestelde, zorgen over innovatieremmende werking en concurrentienadeel die kunnen uitgaan van het voorgestelde retributiesysteem. De argumenten van de regering hebben hen niet kunnen overtuigen. Ook zijn deze leden er niet van overtuigd dat door het niet bestaan van retributies het aantal kennisgevingen en meldingen van buiten de Europese Economische Ruimte in Nederland zal toenemen: de kwaliteit van de beoordeling en de relatie met de nationale instanties blijken in de praktijk immers ook een grote rol te spelen.
Kan meer duidelijkheid geboden worden voor welke dienstverlening in het kader van de Wet milieugevaarlijke stoffen de retributies geheven zullen worden, zo vragen de leden van de SP-fractie.
De leden van de fracties van GPV en RPF vragen of in de nabije toekomst ook andere diensten bij algemene maatregel van bestuur zullen worden aangewezen als diensten waarvoor retributie is verschuldigd.
3. Hoogte van de retributies; restituties
Wat is het oordeel van de regering over de kritiek, die geuit wordt vanuit het bedrijfsleven, dat hier een monopoliepositie wordt gecreërd voor de overheid (of de door de overheid aangewezen uitvoerende diensten), zo vragen de leden van de PvdA-fractie. Immers, het bedrijfsleven heeft geen invloed op de efficientie en bedrijfsvoering van dergelijke overheidsdiensten en dus ook niet op de hoogte van de te betalen kosten. Betekent het feit dat de vaststelling van de tarieven bij ministeriële regeling plaatsvindt tevens dat regelmatig wijzigingen daarin kunnen plaatsvinden, ook als gevolg van bijvoorbeeld gestegen overhead- of personeelskosten?
De leden van de VVD-fractie vragen waarom de regering vooralsnog kiest voor vaststelling van de tarieven per ministeriele regeling. Raad van State en bedrijfsleven hebben overwegende bezwaren tegen de eenzijdige mogelijkheid voor de minister om de tarieven te verhogen bijvoorbeeld op basis van personeelskosten. De Raad acht de gestelde noodzaak tot regelmatige wijziging – als gevolg van bijstellingen van de tarieven – niet zo zwaarwegend dat deze een beletsel vormen voor de rechtsvorm AMvB.
Wordt de hoogte van de retributie niet willekeurig vastgesteld? Bedrijven kunnen de hoogte van de kosten niet zelf beinvloeden. De leden van de VVD-fractie vragen of er een begrenzing in de hoogte van de retributies kan worden aangebracht.
Voorts vragen deze leden of de hoogte van de retributie kan worden beïnvloed door het zelf aandragen van gegevens door de desbetreffende bedrijven.
De leden van de CDA-fractie zijn van oordeel dat er in ieder geval voor gezorgd moet worden dat retributies niet hoger zullen uitvallen dan in de andere EU-lidstaten. Vooral omdat de regering in de memorie van toelichting stelt dat de opbouw van de bedragen in andere EU-lidstaten «moeilijk naspeurbaar» is, betwijfelen deze leden of voldoende rekening is gehouden met dit aspect. Kortom, welke garantie is er dat het voorgestelde retributiesysteem inderdaad «harmonieert» met de systemen in andere lidstaten. Ondanks het bij punt 4 van de Ontwerp-Regeling retributies milieugevaarlijke stoffen (stcrt 1997,52) gestelde bestaat bij VNO-NCW thans de indruk dat de voorgestelde retributies en tarieven hoger liggen dan in de andere EU-lidstaten. Deze leden hebben er bezwaar tegen dat de prijsstelling niet onderhevig is aan enige marktwerking: de overheid bepaalt de tarieven (ministeriële regeling). Beoordeling is het monopolie van een daarvoor aangewezen overheidsinstantie, en niet van gecertificeerde organisaties. In geval van restitutie (voor diensten die door de kennisgever zelf zijn verricht) wordt slechts een bescheiden deel van de retributie vergoed. Dit lijkt deze leden niet billijk. Het heeft hun ook bevreemd dat voor vervolgkennisgevingen steeds weer de volle prijs wordt gerekend. Graag ontvangen zij een reactie van de regering.
De leden van de D66-fractie merken op dat het invoeren van de retributieplicht geschiedt op drie niveaus van regelgeving. De wet bakent af voor welke diensten het invoeren van een retributie mogelijk is, bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld voor welke diensten de retributie metterdaad wordt ingevoerd en bij ministeriële regeling wordt de hoogte van de bedragen van retributie en restitutie bepaald. In de memorie van toelichting stelt de regering dat het voor de hand ligt dat factoren die de hoogte van de retributie bepalen, geregeld aan wijzigingen onderhevig zijn, waardoor regelmatig aanpassing noodzakelijk zal blijken. Om die reden is de ministeriële regeling het meest geschikte instrument. Daarentegen wordt in de argumentatie waarin het advies van de Raad van State tot tariefstelling bij algemene maatregel van bestuur wordt afgewezen, gesproken over «zo wordt in het ontwerp-besluit aangegeven dat tariefwijziging slechts zal plaatsvinden op grond van wijziging van de tarieven en kosten in de tarievenhandleiding van de Directie Accountancy Rijksoverheid van het Ministerie van financiën [...]». De leden van de D66-fractie vragen of de regering deze door de leden ervaren contradictie uit kan leggen. Daarnaast vragen deze leden of de angst van het veld dat de tarieven op grond van elke toevallige kostenverhoging worden verhoogd, gegrond is.
Zowel de Raad van State als het veld uiten kritiek op het feit dat de bedrijven en onderzoeksinstituten waarvoor de overheidsinstellingen de diensten verrichten, geen mogelijkheid hebben invloed uit te oefenen op de efficiency en bedrijfsvoering van die overheidsinstellingen. De prijsstelling is dus niet onderhevig aan enige marktwerking.
De regering legt deze kritiek naast zich neer door te stellen dat er de laatste jaren tot een hoge mate van efficiency is gekomen en stelt ook hier weer dat de hoogte van de aanpassingen al begrensd is doordat aanpassing uitsluitend plaatsvindt bij wijziging van de prijsindex of bij wijziging van de regelgeving. De leden van de D66-fractie vragen waarom, ondanks de gestelde hoge mate van efficiency, de Nederlandse retributiebedragen tot de hoogste binnen Europa behoren? Daarnaast komen de in tabel 3 van de ontwerp-regeling genoemde uurtarieven van f 107,60 respectievelijk f 93,60 de leden van de D66-fractie buitengewoon hoog voor. Waarop zijn deze tarieven gebaseerd en kan de regering het verschil tussen deze twee tarieven verklaren?
De kosten die worden doorberekend, zijn zowel directe dossiergebonden kosten als indirecte kosten. Deze indirecte kosten behelzen onder andere kosten die gemoeid zijn met het geven van voorlichting en kosten in verband met de aanschaf, de exploitatie, het onderhoud en het beheer van automatiseringssystemen. De leden van de D66-fractie vragen waarom deze indirecte niet dossiergebonden kosten wel per dossier doorberekend worden. Daarnaast verbazen zij zich over de hoogte van deze kosten (30% van de totale kosten). Waarom zijn deze kosten zo hoog?
Naast loonkosten voor de uitvoering van directe en indirecte activiteiten worden ook materiële kosten gemaakt. De gebruikelijke materiële kosten, zoals telefoonkosten, zijn in de salariskosten opgenomen. Andere aan de behandeling van dossiers verbonden materiële kosten, zoals kopieer- en archiveringskosten, vallen onder overige kosten (zie tabel 2 van de ontwerp-regeling).
De leden van de D66-fractie vragen waarom ook deze overige kosten zo hoog zijn.
De regeling voorziet niet in een lager retributiebedrag als een aanvullende kennisgeving wordt gedaan. De leden van de D66-fractie verbazen zich hierover. Kan de regering hiervoor een verklaring geven?
De hoogte van de retributies wordt regelmatig bijgesteld aan de verandering in de kosten. Wat betekent dit voor de continuïteit van de tarieven, zo vragen de leden van de fracties van GPV en RPF. Worden de tarieven voor een bepaalde minimumperiode vastgesteld, zodat de risico's van kostenverhogingen niet alleen worden afgewenteld op het bedrijfsleven?
De verschillen in retributiesystemen binnen de Europese Unie zijn niet eenvoudig te duiden (memorie van toelichting, bladzijde 7). De leden van de fracties van GPV en RPF vragen of desondanks een indicatie kan worden gegeven van de verschillen. Wat is de reactie van de regering op de stelling van onder meer de Vereniging van de Nederlandse Chemische Industrie en het Bureau Milieuzaken BMRO van de Vereniging VNO-NCW dat de retributies in de voorgepubliceerde uitvoeringsregels in de Staatscourant hoger zijn dan die van de andere lidstaten? Kan meer inzicht worden geboden in de gehanteerde tarieven per land en de verschillen daarin? Worden aan deze verschillen consequenties verbonden bij de vaststelling van de tarieven in Nederland?
Eén van de redenen om de retributieplicht in te voeren, is de wens om in lijn te blijven met de belangrijkste lidstaten in de EU, die deze plicht ook kennen. De leden van de SGP-fractie vragen in dit verband of het ook geen aanbeveling verdient om ook de tarieven inzake de retributies op één lijn met deze EU-landen te stellen. De tarieven variëren in de landen waar vrijwel alle kennisgevingen worden gedaan, na invoering van het voorstel, tussen f 0,00 en f 17 000, waarbij Nederland met het laatst genoemde bedrag aanzienlijk voorop loopt. (De voorgenomen hoogte van de tarieven is bekend gemaakt in de ontwerp-ministeriële regeling, Staatscourant 1997, nr. 52).
Wat is in dit verband overigens de achtergrond van het feit dat de Nederlandse tarieven in vergelijking tot de andere EU-landen zo hoog zijn?
De leden van de VVD-fractie vragen waarom ten aanzien van handhaving de overheidshandelingen voor het grootste deel voortvloeien uit EG-richtlijnen. Is het niet verstandiger eerst de uitwerking van de nieuwe regelgeving af te wachten en het probleem van grote Europese variatie in retributie-tarieven nader te beschouwen alvorens de handhaving te laten voortvloeien uit een EG-richtlijn?
5. Gevolgen voor het bedrijfsleven
De leden van de PvdA-fractie hebben voorts nog enkele andere vragen. Zij vragen of er, zoals gesteld wordt in de memorie van toelichting, werkelijk sprake zal zijn van een lastenverlichting bij de overheid die zal leiden tot een omgekeerd evenredige lastenverzwaring bij het bedrijfsleven. Zij zouden graag de zienswijze van de regering vernemen over een eventueel risico dat kleinere bedrijven door deze maatregel onevenredig zwaar zullen worden getroffen. Zal bovendien de verzwaring van de lastendruk het risico van ontduiken (of vrij interpreteren) van de wetgeving, en derhalve eventuele hogere handhavingskosten met zich kunnen meebrengen die wellicht in geen verhouding staan tot de beoogde besparing voor het rijk?
De leden van de VVD-fractie vragen waarom fundamenteel onderzoek niet van de retributieplicht kan worden uitgesloten dan wel beperkt. Kleine en middelgrote bedrijven met een grote innovatiepotentie hebben het meest te lijden onder de invoering van retributies. Kosten voor nieuwe stoffen met een klein marktvolume kunnen niet worden doorberekend. En bij faalproducten wordt deze lastenverzwaring nog het meest ervaren. Op welke wijze kan de lastendruk voor kleinere en middelgrote bedrijven worden beperkt?
De leden van de D66-fractie vragen of met deze maatregel de administratieve lastendruk voor bedrijven niet onevenredig hoog wordt.
Op welk aantal retributies is de geschatte opbrengst van f 1,7 miljoen gebaseerd, zo vragen de leden van de SP-fractie.
In welke mate kan er stapeling van retributies voor één aanvraag optreden? Hoe hoog zijn de perceptiekosten die gemaakt moeten worden om de geschatte opbrengst van f 1,7 miljoen binnen te halen?
6. Voorbereiding van het wetsvoorstel
Bij de leden van de VVD-fractie bestaat er nog enige twijfel of er voldoende rekening is gehouden met het rapport «Maat houden», ondanks de opmerkingen hierover in antwoord op het advies van de Raad van State. De regering stelt in de memorie van toelichting dat introductie van retributies wenselijk is om in lijn te blijven met de ontwikkelingen in de Europese Unie. Kan worden ingegaan op de kritieken hierop van VNO/NCW en de VNCI van 12 respectievelijk 13 oktober 1998 aan de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer?
In de Wet milieugevaarlijke stoffen (artikel 3) is gekozen voor een kennisgevingsplicht en uitdrukkelijk niet voor een toelatingsstelsel. VNO-NCW stelt in haar brief van 11 april 1997 (reactie op het voorontwerp) dat de kennisgeving uitsluitend gedaan wordt om de overheid in staat te stellen toezicht op de naleving van deze wet mogelijk te maken en in het kader daarvan regelingen voor te stellen. Het bedrijf heeft derhalve geen direct profijt van de kennisgeving. De VNCI komt in haar brief van 13 oktober 1998 aan de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer tot dezelfde conclusie. Moeten de kosten die hieruit voortvloeien dan niet in lijn met het MDW-rapport «Maat Houden» uit de algemene middelen worden bekostigd? Volgens deze leden dient er een ondubbelzinnige lijn gevolgd te worden bij het wel of niet doorberekenen van handhavingskosten. Hoe denkt de regering hierover? De in de memorie van toelichting aangevoerde argumenten betreffende het «individueel toerekenbaar profijt» hebben de leden van de CDA-fractie nog niet kunnen overtuigen. Graag een ontvangen zij een nadere toelichting.
Allereerst willen de leden van de SGP-fractie een principiële vraag ten aanzien van het wetsvoorstel opwerpen. In de Wet milieugevaarlijke stoffen is gekozen voor een kennisgevingsplicht en niet voor een toelatingsstelsel. Om de overheid in staat te stellen om het toezicht op de naleving van de wet mogelijk te maken, moet het bedrijf een kennisgeving of melding doen. Het bedrijf heeft in die zin zelf dus geen direct profijt van de kennisgeving dan wel melding. De leden van de SGP-fractie vragen daarom of de kosten die de overheid in dit verband moet maken, geen handhavingskosten zijn (dus geen toelatingskosten zoals de regering stelt, bladzijde 7) en derhalve betaald moeten worden uit de algemene middelen, conform de richtlijnen uit het MDW-rapport «Maat houden».
Tenslotte vragen de leden van de SGP-fractie het volgende. Het reeds aangehaalde rapport «Maat houden» geeft met betrekking tot de doorberekening van toelatings- en/of handhavingskosten aan: «Bij het maken en beoordelen van wetsvoorstellen is het, vanuit het oogpunt van wetgevingskwaliteit en transparantie van overheidsbeleid, evenwel wenselijk een eenduidige lijn voor het wel of niet doorberekenen van deze kosten te volgen». Ligt het in dit verband wel in de rede om specifiek voor handelingen in het kader van de WMS een aparte retributieregeling in te voeren?
Samenstelling: Leden: Reitsma (CDA), voorzitter, Van Middelkoop (GPV), Witteveen-Hevinga (PvdA), Feenstra (PvdA), Verbugt (VVD), Poppe (SP), Duivesteijn (PvdA), Crone (PvdA), Augusteijn-Esser (D66), Klein Molekamp (VVD), Hofstra (VVD), ondervoorzitter, Eisses-Timmerman (CDA), Th. A. M. Meijer (CDA), Luchtenveld (VVD), Van Wijmen (CDA), Kortram (PvdA), Van der Knaap (CDA), Ravestein (D66), Van der Steenhoven (GL), Van Gent (GL), Oplaat (VVD), Van der Staaij (SGP), Van Dok-Van Weele (PvdA), Schoenmakers (PvdA), Udo (VVD).
Plv. leden: Leers (CDA), Stellingwerf (RPF), Dijksma (PvdA), Valk (PvdA), Essers (VVD), De Wit (SP), Van Heemst (PvdA), De Boer (PvdA), Scheltema-de Nie (D66), Van Beek (VVD), Geluk (VVD), Visser-van Doorn (CDA), Schreijer-Pierik (CDA), Blok (VVD), Biesheuvel (CDA), Bos (PvdA), Van den Akker (CDA), Giskes (D66), M. B. Vos (GL), Halsema (GL), Niederer (VVD), Van 't Riet (D66), Waalkens (PvdA), Spoelman (PvdA), Voorhoeve (VVD).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-26161-4.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.