Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201126150 nr. 101

26 150 Algemene Vergadering der Verenigde Naties

Nr. 101 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 17 augustus 2011

In vervolg op mijn brief van 2 mei jl. met het verslag van de zestiende reguliere zitting van de VN-Mensenrechtenraad (Kamerstuk 2010–2011, 26 150, nr. 99, Tweede Kamer) informeer ik u hierbij over het verloop van de zeventiende reguliere zitting van de Raad, die van 30 mei tot 17 juni jl. werd gehouden. Daarnaast breng ik u op de hoogte van de zogeheten review van de Raad, waarover ik u berichtte in mijn brief van 15 september jl. (Kamerstuk 2009–2010, 26 150, nr. 92, Tweede Kamer).

Zeventiende reguliere zitting

De zeventiende zitting van de MRR is binnen de mogelijkheden die de Raad institutioneel en politiek op dit moment biedt, redelijk goed verlopen. De Raad heeft voor het eerst in haar bestaan een resolutie over de rechten van LHBTI (lesbiennes, homo- en biseksuelen, transgenders en intersex-mensen) aangenomen. Nederland heeft een actieve rol gespeeld bij de voorbereiding van deze resolutie. Ook heeft Nederland een interregionale verklaring ondertekend over internetvrijheid. Als waarnemer heeft Nederland een relatief prominente rol gespeeld door een interregionale verklaring voor te lezen over de mensenrechtensituatie in Jemen. Daarnaast zijn er mede op initiatief van Nederland in de EU/WEOG groep belangrijke resoluties aangenomen over de mensenrechtensituatie in Wit-Rusland, Ivoorkust en Libië.

Zeventiende reguliere zitting: thematische kwesties

De Raad nam met 23 tegen 19 stemmen een belangrijke Zuid-Afrikaanse resolutie aan over de bescherming van seksuele minderheden. Onder druk van het Zuid-Afrikaanse maatschappelijke middenveld is de focus van deze resolutie operationeler geworden: bestrijden van geweld tegen deze minderheden en het instellen van een panel hierover tijdens de negentiende reguliere zitting in maart 2012. Ook vraagt de resolutie om een onderzoek van het OCHR naar mensenrechtenschendingen waarvan LHBTI het slachtoffer zijn. Het is voor het eerst in de geschiedenis van de VN dat LHBTI officieel op de agenda staan.

De Raad nam een door Canada ingediende resolutie over geweld tegen vrouwen aan, waarin bijzondere aandacht wordt gevraagd voor de bescherming van slachtoffers. Nederland heeft zich achter de schermen tevergeefs ingezet voor interregionale steun voor opname van een referentie aan LHBTI. Gezien het aannemen van de hierboven genoemde LHBTI-resolutie, koos Canada ervoor een dergelijke referentie in deze resolutie achterwege te laten.

De Speciale VN-vertegenwoordiger voor de Vrijheid van Meningsuiting, Frank La Rue, presenteerde een rapport over mensenrechten en internet. La Rue, met wie ik op 31 mei jl. sprak over dit rapport, benadrukte het belang van vrije toegang tot een vrij en ongecensureerd internet. Op initiatief van Zweden ondertekende Nederland samen met een interregionale groep van 41 landen – met daarin een goede balans van Westerse en niet-Westerse landen – een verklaring waarin de conclusies van La Rue worden onderschreven.

De Raad nam ten slotte een door Argentinië, Nigeria, Noorwegen, Rusland en India ingediende resolutie over mensenrechten en het bedrijfsleven aan, waarmee de Guiding Principles ter implementatie van het «Ruggie-raamwerk» zijn bekrachtigd. De Guiding Principles schetsen de stappen die staten zouden moeten nemen om het respect voor mensenrechten te bevorderen en de wijze waarop bedrijven kunnen weten en laten zien dat zij mensenrechten respecteren en het risico dat zij bijdragen aan mensenrechtenschendingen kunnen voorkomen. In de resolutie is tevens opgenomen dat de Raad in september voor een periode van drie jaar een werkgroep «mensenrechten en bedrijfsleven» zal aanstellen, bestaande uit vijf onafhankelijk experts uit verschillende geografische regio’s, om de verspreiding en uitvoering van de Guiding Principles te bevorderen.

Zeventiende reguliere zitting: landensituaties

Met het oog op de verslechterde mensenrechtensituatie in Wit-Rusland, diende de EU een resolutie in waarin werd aangedrongen op het instellen van een Speciale Rapporteur. Op aandringen van een aantal landen in Latijns-Amerika en het Caraïbisch Gebied, is uiteindelijk een resolutie aangenomen waarin het mandaat van een Speciale Rapporteur plaats heeft moeten maken voor twee interactieve dialogen met Wit-Rusland, tijdens de reguliere zittingen in respectievelijk september 2011 en juni 2012. De discussie tijdens laatstgenoemde zitting zal worden gevoerd op basis van een rapport van het OHCHR.

De Raad nam voorts een resolutie aan over de mensenrechtensituatie in Ivoorkust, waarin wordt verwezen naar het Internationale Strafhof en het mandaat van een nieuwe Onafhankelijke Deskundige om onderzoek te doen naar begane mensenrechtenschendingen en het tegengaan van straffeloosheid. Op initiatief van Frankrijk is met deze resolutie tevens besloten tot technische assistentie aan Ivoorkust, op gebied van de rechten van de mens.

De Raad heeft besloten tot een verlenging van zes maanden van het mandaat van de VN-onderzoekscommissie naar de mensenrechtenschendingen in Libië. Op aandringen van Nederland heeft de EU bewerkstelligd dat de Raad het belang van eerbiediging van het internationale humanitaire recht heeft onderstreept.

Zoals verwacht, heeft Turkije aangestuurd op het op de agenda houden van het Flotilla-incident. De EU was ter zake sterk verdeeld. Nederland heeft niet kunnen verhinderen dat een resolutie werd aangenomen waarmee de discussie wordt aangehouden tot de twintigste reguliere zitting in juni 2012.

Verder heeft Canada namens 52 landen – waaronder Nederland – een verklaring afgelegd over de mensenrechtensituatie in Syrië. Deze verklaring spreekt zorg uit over de situatie in Syrië met in het bijzonder de weigering om de fact finding mission toe te laten.

Met medewerking van de Jemenitische ambassadeur en de Arabische groep, kon Nederland namens 77 landen een verklaring afleggen over de mensenrechtensituatie in dat land. Op basis van deze verklaring besloot de Raad tot een interactieve dialoog tijdens de reguliere zitting in september a.s., over de aanbevelingen van de OHCHR-missie die op dit moment in Jemen is.

Helaas bleek het, voornamelijk door gebrek aan steun van landen uit regio, niet mogelijk een verklaring uit te brengen over de mensenrechtensituatie in Bahrein. De Bahreini autoriteiten hebben echter wel aangegeven medewerking te willen verlenen aan een bezoek van een OHCHR-missie aan dat land.

Review

In juni heeft de Algemene Vergadering van de VN gedebatteerd over de review van de VN-Mensenrechtenraad (MRR). In maart heeft de Raad voorstellen naar aanleiding van de door zichzelf uitgevoerde review van de werkmethoden aangeboden aan de AVVN. De AVVN heeft vervolgens de afgelopen maanden gesproken over de status en het lidmaatschap van de Raad. De resultaten zijn teleurstellend. Ondanks de actieve rol van Nederland in de EU zijn de wijzigingen helaas niet betekenisvol.

Nederland is op dit moment geen lid van de MRR, maar heeft zich in EU-verband wel actief in de discussie over de review gemengd. Nederland heeft zich vanaf het begin op het standpunt gesteld dat de zwaktes van de MRR niet zozeer voortkomen uit de werkwijze van de Raad, maar vooral uit zijn samenstelling.

In het Geneefse deel van de onderhandelingen heeft Nederland in EU-verband voorstellen gedaan ten aanzien van de verbeteringen t.a.v. de zogenaamde «werkmethoden». Er is gesuggereerd extra mogelijkheden te bewerkstelligen om urgente mensenrechtensituaties aan de orde te stellen, meer bescherming van de onafhankelijkheid van Speciale Procedures en het kantoor van de Hoge Commissaris voor de Rechten van de Mens te garanderen en het agendapunt 7 over het Midden-Oosten te verwijderen. De weerstand tegen dat soort voorstellen was, zoals werd verwacht, groot en uiteindelijk hebben de onderhandelingen in Genève niet veel meer opgeleverd dan een verlenging van de cyclus van de Universal Periodic Review (UPR) van vier naar vierenhalf jaar, meer tijd per te examineren land en meer mogelijkheden voor nationale Mensenrechten-instituten met A-status om deel te nemen aan MRR-zittingen en UPR-examens.

Mede op aandringen van Nederland, heeft de EU zich tijdens de onderhandelingen in de AVVN sterk gemaakt voor het inzichtelijk en operationeel maken van de lidmaatschapscriteria. De EU werd hierbij voortdurend gedwarsboomd door hardliners als Cuba en Pakistan. Op 17 juni jl. nam de AVVN een resolutie aan, waarmee slechts op relatief insignificante punten wijzigingen zijn doorgevoerd ten aanzien van bepalingen rond de status en het lidmaatschap van de MRR: het driejarig lidmaatschap begint voortaan in januari in plaats van juni, het komt tot een jaarlijkse interactieve dialoog tussen de AVVN en de voorzitter van de MRR, de Vijfde Commissie van de AVVN zal de financiële implicaties van alle MRR-resoluties vaststellen en zal zich bovendien buigen over een aantal door de SGVN aan te leveren opties v.w.b. financiering van onverwachte uitgaven die voortvloeien uit MRR-resoluties en -besluiten. Besloten is voorts dat de AVVN op een nader te bepalen tijdstip in periode tussen 2021 en 2026, de status van de MRR opnieuw tegen het licht zal houden.

De minister van Buitenlandse Zaken,

U. Rosenthal