26 139
Wijziging van de Wet voor het reserve-personeel der krijgsmacht 1985 alsmede wijziging van de Algemene militaire pensioenwet in verband met de overgang naar een geheel uit vrijwilligers bestaande krijgsmacht

nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING

Algemeen

Op 21 mei 1996 is de nota reservistenbeleid, «Het reservepersoneel in de professionele krijgsmacht» (kamerstukken II, 1995/1996, 24 400 X, nr. 104) aan het parlement aangeboden. In de Prioriteitennota was al aangekondigd, dat er nader onderzoek nodig is naar de plaats binnen de organisatie en naar de samenstelling van het reserve-personeel. In de Memorie van Toelichting bij de begroting 1996 werd de nota reservistenbeleid toegezegd. In de nota zou aandacht worden besteed aan een toereikende waardering voor de vrijwillige beschikbaarheid van reservisten, dit om hen gemotiveerd en actief bij de krijgsmacht betrokken te houden. Op 4 september 1996 is met de Vaste Kamercommissie voor Defensie van de Tweede Kamer overleg gevoerd over de nota reservistenbeleid. De Kamer stemde in met de hoofdlijnen van het beleid. Een aantal aspecten waarover de Kamer nog nadere uitleg wilde hebben is in een brief (16 september 1996, nr. P/96004071) uiteengezet.

Het nieuwe reservistenbeleid

Sinds het opschorten van de opkomstplicht van dienstplichtigen wordt het bestand aan reservisten alleen aangevuld met ex-beroepspersoneel, hoofdzakelijk ex-beroepspersoneel aangesteld voor een bepaalde tijd. Ook is het mogelijk dat burgers zonder militaire achtergrond worden geworven voor een aanstelling bij het reserve-personeel. Die moeten dan eerst worden opgeleid. Tot ongeveer 2010 zijn er nog reservisten afkomstig uit de dienstplicht beschikbaar. Daarna zal Defensie voor het vullen van de organisatie geheel op de arbeidsmarkt zijn aangewezen. In de nota reservistenbeleid is het toekomstig beleid uiteengezet met betrekking tot de personele vulling van de reservecomponent van de krijgsmacht. Uitgangspunt blijft dat de taken van de krijgsmacht in beginsel zullen worden uitgevoerd met het parate bestand aan beroepspersoneel. Het reserve-personeel heeft een taak in geval van buitengewone omstandigheden, met name in het geval van een grootschalig conflict. Daarnaast zal het mogelijk zijn dat incidenteel individuele reservisten op vrijwillige basis deelnemen aan crisisbeheersingsoperaties, ter aanvulling van beroepspersoneel.

Omdat het uitgangspunt is: een krijgsmacht bestaande uit vrijwillig dienenden kan het reserve-personeel zelf kiezen in welke mate – naast de verplichting voor buitengewone omstandigheden – als reservist activiteiten worden ontplooid en welke (extra) verplichtingen daartoe worden aangegaan. Dit leidt tot een indeling van het reservepersoneel in drie groepen.

Reguliere reservisten. Dit zijn de reservisten die na hun ontslag als beroepsmilitair geen extra verplichtingen op zich nemen. Dit is het overgrote deel der reservisten. Op hen rust alleen de verplichting om tot maximaal het bereiken van de leeftijd van 45 jaar (geregeld in de Militaire ambtenarenwet) tot het reservepersoneel te behoren. Zij komen in die periode in beginsel niet meer verplicht in werkelijke dienst. Zij worden alleen weer in werkelijke dienst geroepen in geval van «buitengewone omstandigheden». «Buitengewone omstandigheden» is een begrip uit de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden. Regering en parlement besluiten of er sprake is van buitengewone omstandigheden. Voor de reguliere reservisten moet men dan in de eerste plaats denken aan (de dreiging van) een groot internationaal conflict. Omdat deze reservisten ex-beroepsmilitairen zijn, die in tegenstelling tot de uit de dienstplicht afkomstige reservisten enkele jaren actief gediend hebben in de krijgsmacht, vaak onder operationele omstandigheden, zal het over het algemeen niet nodig zijn dat zij voor herhalingsoefeningen worden opgeroepen. De regering is van mening, dat de internationale politieke situatie een voldoende «waarschuwingstijd» waarborgt om hen in voorkomend geval tijdig bij te scholen.

Actieve reservisten. De actieve reservisten willen na hun ontslag als beroepsmilitair ook als reservist bij de krijgsmacht betrokken blijven. Dit is een vrij kleine groep. Zij zijn bereid om hun parate kennis te onderhouden en hun militaire vaardigheden te vergroten. Zij nemen daartoe de verplichting op zich om daarvoor ongeveer twee weken per jaar in werkelijke dienst te komen. Op deze manier komen ze in aanmerking voor het vervullen van zwaardere functies en functies met een grotere verantwoordelijkheid en kunnen zo een «militaire carrière» als reservist volgen. Net als de reguliere reservisten komen zij alleen in buitengewone omstandigheden verplicht in werkelijke dienst.

Afroepreservisten. Enkele tientallen reservisten met zeer specifieke specialistische kennis, zoals weg- en waterbouwkundigen en medische specialisten, gaan vrijwillig een verplichting aan om gedurende bijvoorbeeld een jaar zich beschikbaar te houden voor een inzet bij een crisisbeheersingsoperatie. Zij kunnen dan op afroep inzetbaar zijn. Deze reservisten zijn bestemd voor functies waarvoor een specialistische kennis is vereist, die dermate specifiek is dat het niet doelmatig is voortdurend personeel met die kennis als beroepspersoneel paraat te hebben in de organisatie. Gedurende de periode dat de afroepreservisten zich beschikbaar houden nemen zij regelmatig deel aan functie trainingen zodat zij inderdaad onmiddellijk inzetbaar zijn indien aan hen de behoefte mocht bestaan. Overigens rust op hen ook de verplichting, net als op alle andere reservisten, om in buitengewone omstandigheden verplicht onder de wapenen te komen.

De opkomsttoeslag in plaats van een diensttijdpensioen

In de nota reservistenbeleid is aangekondigd dat het diensttijdpensioen, waarmee wordt gedoeld op het ouderdoms- en nabestaandenpensioen voor reservisten zal worden afgeschaft. Dit pensioen, waarvoor slechts een gering aantal reservisten in aanmerking kwam, gelet op de daarvoor in artikel E3, eerste lid, onder a, van de Algemene militiare pensioenwet gestelde vereisten, was op zich al een merkwaardige beloning voor een categorie personeel die als kenmerk heeft dat zij doorgaans niet in werkelijke dienst verblijft. Derhalve is besloten om een andere vorm van beloning voor vrijwillige beschikbaarheid van reservepersoneel te bieden. Deze beloning in de vorm van een toeslag zal niet slechts zoals het vroegere diensttijdpensioen voor reservisten aan een enkeling toekomen, maar geboden worden aan alle reservisten die op grond van verdergaande verplichtingen in werkelijke dienst komen.

De reservist die in werkelijke dienst komt ontvangt naast zijn salaris een zogenoemde opkomsttoeslag. Die toeslag leidt er toe, dat elke reservist zijn bereidheid tot extra werkelijke dienst passend vergolden ziet. Het staat de reservist vrij om aan de toeslag een besteding op het gebied van een pensioenvoorziening te geven, maar hij kan er ook een andere bestemming aan geven. Het uitgangspunt is dat de eigen (civiele) voorzieningen van de reservist op het gebied van pensioenen, uitkeringen op het gebied van arbeidsongeschiktheid en nabestaandenrechten, in welke vorm dan ook, tijdens de korte periodes van actieve dienst niet terugtreden en dat die voorzieningen, aangevuld met de extra's die de Algemene militaire pensioenwet bij invaliditeit of overlijden met dienstverband biedt, een goed totaalpakket vormen.

Daarom worden de bepalingen in de Algemene militaire pensioenwet die het ouderdoms- en nabestaandenpensioen voor reservisten betreffen aan een horizon gebonden, zodat geen nieuwe aanspraken op dat pensioen ontstaan onder handhaving van verkregen rechten.

Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdeel B

De redactie van artikel 4 is aangepast. Het onderdeel d van het eerste lid en het derde lid en het vierde lid zijn komen te vervallen. Deze bepalingen hadden betrekking op verplichtingen, die gezien moeten worden tegen de achtergrond van het deels uit dienstplichtig en reserve-personeel bestaan van de krijgsmacht. In die situatie kon het in bepaalde omstandigheden nodig zijn om verplicht dienend personeel langer dan voor eerste oefening in werkelijke dienst te houden. Nu de krijgsmacht geheel uit beroepspersoneel bestaat en onder normale vredesomstandigheden in beginsel geen reservepersoneel meer verplicht in werkelijke dienst is, bestaat aan deze ook overigens verouderde bepalingen geen behoefte meer.

Het tweede lid van artikel 4 regelt de mogelijkheid om aan reservisten te vergunnen om op eigen initiatief – al dan niet met aanspraak op bezoldiging – ten behoeve van deelname aan bepaalde evenementen of activiteiten in werkelijke dienst te komen, zonder dat daar een oproep of verplichting aan ten grondslag ligt.

Onderdeel C

In artikel 4 van de Wet voor het reserve-personeel der krijgsmacht 1985 zijn de verplichtingen tot werkelijke dienst geregeld. Ofschoon dit artikel al de mogelijkheid bood, dat reservisten vrijwillig extra verplichtingen tot werkelijke dienst aangingen, boven die welke hen door de wet werden opgelegd is het wenselijk om naast de verplichtingen die gelden voor alle reservisten, geregeld in artikel 4, in het nieuwe artikel 4a de verplichtingen te regelen die actieve reservisten ( onderdeel a) en afroepreservisten (onderdeel b) daarnaast vrijwillig op zich kunnen nemen.

Onderdeel D

Aangezien het op grote schaal voor herhalingsoefeningen verplicht in werkelijke dienst komen van reserve-personeel niet meer voorkomt, bestaat geen behoefte meer aan een regeling bij algemene maatregel van bestuur van het beleid inzake ontheffing van de verplichting om in werkelijke dienst te komen. In de gevallen, waarin het voor een militair om persoonlijk redenen bezwaarlijk mocht zijn om gevolg te geven aan de verplichtingen, welke hij veelal vrijwillig op zich heeft genomen, kan Onze Minister van die verplichting ontheffing geven tenzij het dienstbelang dermate zwaarwegend is, dat het zich om operationele redenen tegen het verlenen van ontheffing verzet. Hiervan is sprake indien de militair bij zijn onderdeel niet gemist kan worden vanwege de door hem bij het onderdeel vervulde functie of bijzondere deskundigheid en een andere militair niet (tijdig) beschikbaar is.

Onderdeel E

De administratieve voorschriften waarvan in het eerste lid van artikel 7 sprake is, hebben betrekking op onder andere berichtgeving omtrent wijziging van woonplaats, of de aan de militair verstrekte uitrusting.

Onderdeel F

Sinds de wijziging van de Wet voor het reserve-personeel der krijgsmacht 1985 in 1989 ( Stb. 592) kende deze wet geen citeertitel meer. In deze omissie wordt voorzien door middel van het nieuwe artikel 9.

Artikel II

Door de tijd ná 1 januari 1999 als reservist doorgebracht in werkelijke dienst niet meer als pensioengeldige diensttijd te zien wordt bewerkstelligd, dat onder handhaving van reeds bestaande aanspraken en vooruitzichten geen nieuwe pensioenrechten meer ontstaan over de tijd na 1 januari 1999 waarvoor de reservist een opkomsttoelage heeft genoten.

De Staatssecretaris van Defensie,

H. A. L. van Hoof

Naar boven