nr. 1
KONINKLIJKE BOODSCHAP
Aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Wij bieden U hiernevens ter overweging aan een voorstel van wet tot wijziging
van de Wet voor het reserve-personeel der krijgsmacht 1985 alsmede wijziging
van de Algemene militaire pensioenwet in verband met de overgang naar een
geheel uit vrijwilligers bestaande krijgsmacht.
De memorie van toelichting, die het wetsvoorstel vergezelt, bevat de gronden
waarop het rust.
En hiermede bevelen Wij U in Godes heilige bescherming.
's-Gravenhage
2 september 1998
Beatrix
nr. 2
VOORSTEL VAN WET
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is om de Wet
voor het reserve-personeel der krijgsmacht 1985 te wijzigen in verband met
de overgang naar een geheel uit vrijwilligers bestaande krijgsmacht;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der
Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en
verstaan bij deze:
ARTIKEL I
De Wet voor het reserve-personeel der Krijgsmacht 1985 wordt als volgt
gewijzigd:
A
In de artikelen 1, 5, 7 en 8 wordt «de minister» vervangen
door: Onze Minister.
B
Artikel 4 komt te luiden:
Artikel 4
1. Zij die tot het personeel behoren kunnen – onverminderd de verplichtingen
op hen rustende krachtens deze of enige andere wet alsmede onverminderd die,
welke zij vrijwillig op zich hebben genomen – worden verplicht:
a. om in geval van buitengewone omstandigheden in werkelijke dienst te
komen of te blijven, zolang Onze Minister dit vanwege die buitengewone omstandigheden
nodig oordeelt;
b. om, voorzover zulks door Onze Minister nodig wordt geoordeeld, in elk
tijdvak van drie jaren in het belang van hun geoefendheid in werkelijke dienst
te komen en te blijven voor ten hoogste zestig dagen, verdeeld over ten hoogste
zes perioden;
c. om, voorzover zulks door Onze Minister in het belang van hun verdere
vorming nodig wordt geoordeeld, mondelinge of schriftelijke cursussen te volgen,
dan wel daartoe in elk tijdvak van drie jaren in werkelijke dienst te komen
en te blijven voor een periode van ten hoogste vijf dagen;
2. Onze Minister kan een personeelslid vergunning verlenen om in werkelijke
dienst te komen of te blijven buiten de tijd, welke verplicht in werkelijke
dienst moet worden doorgebracht.
C
Na artikel 4 wordt een artikel toegevoegd luidende:.
Artikel 4a
Zij die tot het personeel behoren kunnen zich voorts verplichten tot:
a. het in werkelijke dienst komen en blijven voor het volgen van functietrainingen
en opleidingen voor ten hoogste twee weken per jaar;
b. het zich gedurende ten hoogste één jaar beschikbaar houden
voor werkelijke dienst in het kader van een crisisbeheersings- , vredes- of
humanitaire operatie en tot het voor inzet in een dergelijke operatie in werkelijke
dienst komen en blijven voor zolang Onze Minister dit nodig oordeelt.
D
Artikel 6 komt te luiden:
Artikel 6
Onze Minister kan op aanvraag ontheffing van de verplichting tot opkomst
in werkelijke dienst verlenen, tenzij het dienstbelang, afgewogen tegen het
persoonlijk belang, zich om operationele redenen daartegen verzet. Aan de
ontheffing is de verplichting verbonden de door Onze Minister in het belang
van de dienst te geven voorschriften op te volgen.
E
Het eerste lid van artikel 7 komt te luiden:
1. Zij die tot het personeel behoren zijn gedurende het groot verlof verplicht
de bij ministeriële regeling te geven administratieve voorschriften na
te leven.
F
Na artikel 8 wordt een artikel ingevoegd luidende:
Artikel 9
Deze wet wordt aangehaald als: Wet voor het reserve-personeel der krijgsmacht
ARTIKEL II
De Algemene militaire pensioenwet wordt als volgt gewijzigd:
In artikel D1, eerste lid, onder a, 2° en 3°, wordt na «werkelijke
dienst» ingevoegd: tot 1 januari 1999.
ARTIKEL III
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat
alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat,
aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven
De Staatssecretaris van Defensie,