Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1997-1998 | 26137-(R1620) nr. 3 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1997-1998 | 26137-(R1620) nr. 3 |
| Inleiding | 2 |
| Voorgeschiedenis | 2 |
| Relatie met het gewijzigde Protocol II | 3 |
| Artikelsgewijze toelichting | 4 |
| Artikel 1 | 4 |
| Artikel 2 | 4 |
| Artikel 3 | 4 |
| Artikel 4 | 5 |
| Artikel 5 | 5 |
| Artikel 6 | 5 |
| Artikel 7 | 6 |
| Artikel 8 | 6 |
| Artikel 9 | 7 |
| Artikel 11 | 7 |
| Artikel 12 | 7 |
| Artikel 13 | 7 |
| Artikel 14 | 8 |
| Artikel 17 | 8 |
| Artikel 18 | 8 |
| Betekenis voor de Nederlandse krijgsmacht | 8 |
| Uitvoering van het verdrag | 9 |
| Koninkrijkspositie | 9 |
De ondergetekenden zijn verheugd ter goedkeuring te kunnen voorleggen het op 18 september 1997 te Oslo totstandgekomen Verdrag inzake het verbod van het gebruik, de aanleg van voorraden, de productie, en overdracht van anti-personeelsmijnen en inzake de vernietiging van deze wapens. In minder dan een jaar onderhandelen is het gelukt het onderhavige verdrag op te stellen dat tot doel heeft anti-personeelsmijnen uit te bannen. De delegatie van het Koninkrijk heeft in die onderhandelingen een belangrijke rol kunnen spelen. Op 3 december 1997 is het Verdrag te Ottawa opengesteld voor ondertekening en is sindsdien door vele landen ondertekend.
Sinds het begin van de jaren negentig is de aandacht voor de wereldomvattende landmijnenproblematiek sterk toegenomen. Door het toenemende aantal vredesoperaties en als gevolg van de inspanningen van de Verenigde Naties (VN) en niet-gouvernementele organisaties (ngo's) werd een steeds groter deel van de wereldbevolking zich bewust van het probleem. Wereldwijd liggen er miljoenen mijnen in de grond. Jaarlijks vallen er meer dan 25 000 slachtoffers, vooral burgers, als gevolg van landmijnen. Deze humanitaire catastrofe wordt vooral veroorzaakt door anti-personeels(ap)mijnen. Ap-mijnen zijn goedkoop en daarom voor veel geregelde en ongeregelde strijdkrachten een aantrekkelijk wapen. Met name in interne conflicten in ontwikkelingslanden is, en wordt nog steeds, op grote schaal gebruik gemaakt van deze wapens. Ook lang na het conflict waarin zij zijn gelegd blijven de mijnen een bedreiging vormen voor de burgerbevolking, en belemmeren zij de wederopbouw (voor nadere informatie over de landmijnenproblematiek zie ook de beleidsnotitie Landmijnen, kamerstukken II, 1995/96, 24 292, nr. 1) Met name ngo's drongen aan op de totale uitbanning van ap-mijnen als enig toereikende oplossing. De meeste landen waren echter niet bereid zo ver te gaan. Zij hoopten dat het probleem kon worden opgelost met aanscherping van de bepalingen over het gebruik van ap-mijnen, zoals opgenomen in Protocol II bij het op 10 oktober 1980 te Genève totstandgekomen Verdrag inzake het verbod en de beperking van het gebruik van bepaalde conventionele wapens die geacht kunnen worden buitensporig leed te veroorzaken of een niet-onderscheidende werking te hebben (Trb. 1981, 154), verder te noemen het Conventionele Wapensverdrag. Op Frans/Nederlands initiatief werd in 1993 besloten een toetsingsconferentie te beleggen teneinde te proberen Protocol II te versterken. Tijdens het toetsingsproces bleek echter dat het niet mogelijk was overeenstemming te bereiken over de vergaande beperkingen inzake gebruik en overdracht waarop Nederland en de meeste andere Westelijke landen hadden aangedrongen. Kamerstuk II 1995/96 24 400 V, nr. 76 bevat het verslag van het verloop van de toetsingsconferentie.
Door het teleurstellende resultaat van de toetsingsconferentie werd de steun voor totale uitbanning luider. De maatschappelijke belangstelling nam verder toe. Internationale organisaties en ngo's voerden hun campagnes voor uitbanning op en slaagden erin de kwestie hoog op de politieke agenda te plaatsen. Veel landen raakten ervan overtuigd dat een ambitieuzere aanpak nodig was wilde men het landmijnenprobleem daadwerkelijk aanpakken.
Nederland besloot in maart 1996 unilateraal tot uitbanning van het gebruik en de overdracht van ap-mijnen. Duitsland volgde twee maanden later. In de loop van dat jaar scherpte Nederland het in de Wet wapens en munitie neergelegde algemene verbod tot vervaardiging van wapens en munitie zonder erkenning aldus aan, dat in de Circulaire wapens en munitie de gedragslijn werd vastgelegd, dat voortaan bij iedere te verlenen erkenning, de productie van anti-personeelsmijnen uitdrukkelijk wordt uitgezonderd. Ook een groot aantal andere landen besloot niet te wachten op een internationaal verbod en reeds unilateraal maatregelen te nemen.
Tussen de voorstanders van een algeheel verbod bestond echter verschil van mening over de manier waarop en de snelheid waarmee dit doel moest worden gerealiseerd. Een aantal landen zag uitbanning meer als een doel voor de langere termijn waar stapsgewijs naar moest worden toegewerkt. Daartegenover stond een groep landen die vond dat oplossing van het probleem niet op de lange baan moest worden geschoven; zij wilden actie op de korte termijn.
In Ottawa kwamen in oktober 1996 op Canadees initiatief 50 landen en een aantal internationale organisaties en ngo's bijeen om een strategie te bepalen om zo spoedig mogelijke een totaalverbod van ap-mijnen te bereiken. Tijdens die conferentie bleek andermaal dat de opvattingen daarover uiteenliepen. Aan het slot van de conferentie lanceerde Canada het voorstel in december 1997 een verdrag over een algeheel verbod te ondertekenen in Ottawa. Vanwege de korte beschikbare tijd moest er buiten de bestaande multilaterale fora om worden onderhandeld in ad hoc fora. Hiermee was de basis gelegd voor het zogenaamde Ottawaproces.
Aanvankelijk steunde slechts een betrekkelijk kleine groep van ongeveer 30 landen de Canadese voorstellen. Uit deze groep is een kerngroep gevormd die als motor heeft gefungeerd voor het Ottawaproces. Nederland heeft vanaf het begin deel uitgemaakt van die kerngroep. Gaandeweg is de steun voor het Ottawaproces gegroeid. Pogingen om onderhandelingen op gang te brengen langs een meer traditionele weg in de Geneefse Ontwapeningsconferentie liepen op niets uit, hetgeen de aantrekkingskracht van het Ottawaproces verhoogde.
Basis voor de onderhandelingen in het Ottawaproces vormde een door Oostenrijk opgesteld ontwerp-verdrag. Na voorbereidende bijeenkomsten in Wenen, Bonn en Brussel bereikten 89 landen tijdens een Diplomatieke Conferentie in Oslo in september 1997 overeenstemming over het thans voorliggende verdrag.
Een aantal grote landen waaronder de Verenigde Staten, China, India en de Russische Federatie heeft het verdrag nog niet ondertekend. Om verschillende redenen wensen zij voorlopig nog vast te houden aan de mogelijkheid ap-mijnen te gebruiken.
Voor een meer gedetailleerde weergave van het verloop van het Ottawaproces zij verwezen naar kamerstukken II 1996/97, 24 292, nr. 13 en nr. 15, alsmede brieven van de Minister van Buitenlandse Zaken van 22 juli 1997 (DVB/NN-235/97), 20 oktober 1997 (DVB/NN-393/97) en 8 januari 1998 (DVB/NN-458/97).
Relatie met het gewijzigde Protocol II
Het onderhavige verdrag is in zekere zin het directe gevolg van het tegenvallende resultaat van de toetsings- en amenderingsconferentie van Protocol II van het Conventionele Wapensverdrag. Resultaat van deze conferentie was het op 3 mei 1996 te Genève tot stand gekomen Protocol inzake het verbod of de beperking van het gebruik van mijnen, valstrikmijnen en andere mechanismen, zoals gewijzigd op 3 mei 1996 (Protocol II zoals gewijzigd op 3 mei 1996) (Trb. 1996, 260; hierna te noemen gewijzigd Protocol II). Hieruit mag naar de opvatting van de regering echter niet de conclusie worden getrokken dat het gewijzigde Protocol II zijn betekenis heeft verloren door de totstandkoming van het onderhavige verdrag. Zoals bekend streeft de regering naar bekrachtiging van dit protocol op zo kort mogelijke termijn.
Het gewijzigde Protocol II blijft het enige verdrag dat het gebruik en overdracht reguleert van anti-tankmijnen, valstrikmijnen en andere mechanismen. Ook de bepalingen ten aanzien van de bescherming van VN-en humanitaire vredesmissies blijven belangrijk.
Dit artikel vormt de basis van het verdrag. Het bevat een algeheel verbod van gebruik, ontwikkeling, productie, verwerving, aanleg van voorraden en overdracht van anti-personeelsmijnen. Ook verplicht het de partijen zich te onthouden van verlening van assistentie aan deze verboden activiteiten. De verboden zijn van toepassing onder alle omstandigheden.
In het tweede lid wordt bepaald dat partijen verplicht zijn alle ap-mijnen te vernietigen of deze te laten vernietigen. Deze laatste toevoeging is nodig omdat veel landen hun mijnen door commerciële ondernemingen laten vernietigen.
De verbodsbepalingen zoals neergelegd in artikel 1 worden in de overige bepalingen van het verdrag verder uitgewerkt.
Artikel 2 bevat de definities. Deze definities zijn grotendeels ontleend aan de definities zoals neergelegd in artikel 2 van het gewijzigde Protocol II.
De definitie van anti-personeelsmijn is echter enigszins gewijzigd. In het gewijzigd Protocol II wordt een ap-mijn gedefinieerd als een mijn die hoofdzakelijk is ontworpen om te ontploffen door de aanwezigheid van, de nabijheid van of aanraking door een persoon en die mensen uitschakelt, verwondt of doodt. Het woord hoofdzakelijk («primarily») in de definitie stuitte op veel verzet van onder andere het Internationale Comité van het Rode Kruis en de Internationale campagne voor de uitbanning van landmijnen. Zij vreesden dat deze formulering zou leiden tot ontwikkeling van landmijnen die niet hoofdzakelijk waren ontworpen om mensen uit te schakelen, maar die dit in de praktijk wel zouden doen. In reactie op deze kritiek heeft een groot aantal landen, waaronder Nederland, bij de totstandkoming van het gewijzigde Protocol II een mondelinge verklaring afgelegd. In die verklaring werd gesteld dat het woord «hoofdzakelijk» alleen betekent dat een anti-tankmijn die is uitgerust met een anti-hanteermechanisme, niet vanwege die uitrusting wordt beschouwd als een ap-mijn. Nederland is voornemens deze verklaring te herhalen bij de bekrachtiging van het gewijzigde Protocol II.
In het onderhavige verdrag is deze betekenis weergegeven in de definitie zelf. Een niet-ap-mijn, zoals een anti-tankmijn, met een anti-hanteer- mechanisme wordt niet beschouwd als een ap-mijn in de zin van het verdrag. Hierdoor kon het gewraakte woord «hoofdzakelijk» in de definitie vervallen.
In het vijfde lid wordt een definitie gegeven van een bemijnd gebied. Het gewijzigde Protocol II kent daarnaast ook definities van mijnenvelden. In het gewijzigde Protocol II is dat noodzakelijk omdat in dat Protocol andere regels van toepassing zijn op landmijnen in mijnenvelden dan op andere gelegde mijnen. Het onderhavige verdrag maakt een dergelijk onderscheid niet. Het gaat uit van slechts één soort gelegde mijnen.
Het eerste lid bevat een uitzondering op het verbod voorraden aan te houden en ap-mijnen over te dragen. Dit is uitsluitend toegestaan als de ap-mijnen bestemd zijn voor opleiding van mijnenruimers en voor ontwikkeling van mijnenruimtechnieken. Het aantal voor deze doeleinden aangehouden ap-mijnen mag niet groter zijn dan absoluut noodzakelijk. Er is over gedacht om een absoluut maximum te noemen in het verdrag. Hierover kon geen overeenstemming worden bereikt. Naar gangbare opvatting moet voor deze doeleinden een aantal van enkele duizenden ap-mijnen volstaan. De Nederlandse Landmacht zal op basis van deze uitzondering 5000 ap-mijnen aanhouden. Partijen zijn op grond van artikel 7, onderdeel d, verplicht gegevens te verschaffen aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties over het aantal en de typen.
Het tweede lid van artikel 3 bepaalt dat voor de vernietiging van ap-mijnen een uitzondering mag worden gemaakt op het verbod van overdracht. Het is immers denkbaar dat landen besluiten hun ap-mijnen in het buitenland te laten vernietigen door daar gevestigde bedrijven. Zo zijn de meeste Nederlandse ap-mijnen vernietigd in Duitsland.
Artikel 4 bevat de uitwerking van de verplichting tot vernietiging van ap-mijnen die zich niet in bemijnde gebieden bevinden. Het gaat dus om mijnen die zijn opgeslagen. Deze moeten worden vernietigd uiterlijk vier jaar na de inwerkingtreding van het verdrag voor die bepaalde partij. Elke partij heeft dus vier jaar de tijd om zijn opgeslagen ap-mijnen te vernietigen.
De regering gaat er van uit dat landen die het onderhavige verdrag hebben ondertekend zo spoedig mogelijk een begin zullen maken met de vernietiging van hun ap-mijnen, ook al is het verdrag nog niet in werking getreden (zie ook bij de toelichting op artikel 18).
De ap-mijnen van de Nederlandse krijgsmacht zijn inmiddels vernietigd met uitzondering van de in artikel 3 genoemde kleine hoeveelheid.
Artikel 5 handelt over de vernietiging van ap-mijnen die in bemijnde gebieden liggen. In het eerste lid wordt bepaald dat een partij binnen tien jaar na inwerkingtreding alle ap-mijnen in bemijnde gebieden onder zijn jurisdictie of controle moet vernietigen. Evenals in artikel 4 begint de termijn te lopen op het moment van inwerkingtreding van het verdrag voor die partij. Dit betekent ook dat late bekrachtiging van het verdrag niet wordt ontmoedigd.
In het tweede lid is vastgelegd dat partijen hun best zullen doen zo spoedig mogelijk vast te stellen waar ap-mijnen liggen. Deze gebieden zullen vervolgens worden gemarkeerd en bewaakt conform de vereisten van artikel 5 van het gewijzigde Protocol II en de daarbij behorende technische bijlage.
In het derde lid wordt bepaald dat een land de mogelijkheid heeft een met redenen omkleed verzoek (zoals wordt uitgewerkt in het vierde lid) in te dienen tot verlenging van deze termijn met een periode van wederom tien jaar indien vernietiging binnen de eerste termijn niet haalbaar is. Dit verzoek wordt beoordeeld door de vergadering van partijen of door een toetsingsconferentie die met meerderheid besluit het verzoek wel of niet in te willigen (vijfde lid). Het zesde lid bepaalt dat ook een tweede verlenging mogelijk is.
Gezien de omvang van de landmijnenproblematiek in sommige landen en de kosten van mijnenruiming moet worden verwacht dat landen gebruik zullen maken van deze mogelijkheid om verlenging te verzoeken.
Dit artikel bevat een inspanningsverplichting van partijen om hulp te bieden bij het ruimen van mijnen en bij de medische en sociale opvang van mijnenslachtoffers. Deze assistentie kan op verschillende manieren worden verleend, via multilaterale kanalen zoals de Verenigde Naties of bilateraal.
Partijen nemen ook een inspanningsverplichting op zich om, waar mogelijk, andere landen te helpen bij de vernietiging van hun voorraden ap-mijnen.
Om mijnenruimactiviteiten te vergemakkelijken dienen partijen conform het zesde lid, informatie te verschaffen over mijnenruimingstechnologie, alsmede lijsten met beschikbare mijnenruimexperts of mijnenruimorganisaties, te verstrekken aan de VN-databank over mijnenruiming.
Partijen zijn verplicht binnen 180 dagen na inwerkingtreding een groot aantal gegevens aan de depositaris van het verdrag te verstrekken. Er moet bijvoorbeeld gedetailleerd worden gerapporteerd over het aantal opgeslagen ap-mijnen, en over de aantallen en soorten mijnen die zijn aangehouden of overgedragen op grond van de uitzonderingen van artikel 3. Verder moet mededeling worden gedaan over de naam van de door de partij aangewezen organisatie die verantwoordelijk is voor het in bezit hebben van ap-mijnen of het overdragen ervan. Voor Nederland zal dit het ministerie van Defensie/Koninklijke landmacht zijn. Ook moet, indien mogelijk, informatie worden verschaft over de lokatie van bemijnde gebieden.
Tevens moeten gegevens worden verschaft over de voortgang van de vernietiging van ap-mijnen en de wijze waarop dit gebeurt en, eventueel, over conversie van bedrijven waar ap-mijnen werden gemaakt. Teneinde mijnenruiming te vergemakkelijken wordt in onderdeel h van artikel 7 bepaald dat partijen informatie moeten verschaffen over eerder geproduceerde ap-mijnen. Wat dit laatste betreft kon geen overeenstemming worden bereikt over het aantal jaren dat moest worden teruggaan. Het is aan partijen zelf te bepalen hoever terug zij willen gaan. Op sommige plaatsen, zoals bijvoorbeeld in woestijngebieden in Egypte en Libië, liggen nog landmijnen die meer dan 50 jaar geleden zijn gemaakt.
Artikel 8 bevat bepalingen over de controle op de naleving van het verdrag. Een partij kan door tussenkomst van de Secretaris-Generaal van de VN een andere partij om opheldering vragen over de naleving van het verdrag. Indien de aangesproken partij daarop niet of onbevredigend reageert, kan de verzoekende staat de kwestie voorleggen aan de eerstvolgende vergadering van partijen. De verzoekende staat kan ook zelf vragen om het bijeenroepen van een vergadering van partijen. Indien dit verzoek door tenminste eenderde van alle partijen wordt gesteund, zal een dergelijke vergadering bijeen worden geroepen.
Deze vergadering besluit bij meerderheid van stemmen of en hoe de kwestie moet worden behandeld. Men kan besluiten tot uitzending van een missie om ter plekke feitenonderzoek te verrichten. De missie zal worden samengesteld door de Secretaris-Generaal uit hem door partijen beschikbaar gestelde experts. De missie brengt verslag uit van haar bevindingen aan de partijen. Als er sprake is van een schending, kunnen de partijen met tweederde meerderheid van de stemmen besluiten het land in kwestie te verzoeken benodigde maatregelen te nemen om de verdragsschending te beëindigen. Eventueel kan ook met tweederde meerderheid worden besloten tot een aanbeveling voor andere internationaalrechtelijke stappen. Zo zou men de zaak kunnen voorleggen aan de Veiligheidsraad van de VN. Partijen zijn echter niet gehouden deze aanbevelingen op te volgen.
Partijen hebben de verplichting alle benodigde stappen te nemen, inclusief strafrechtelijke, om schending van het verdrag door personen, of schendingen begaan op het grondgebied dat onder hun rechtsmacht valt of waarover zij feitelijk gezag uitoefenen, te voorkomen en tegen te gaan. Voor het Koninkrijk impliceert dit, dat naast Nederland ook op de Nederlandse Antillen en Aruba de eventueel vereiste uitvoeringswetgeving dient te zijn ingevoerd alvorens het verdrag voor het gehele Koninkrijk in werking kan treden.
Partijen zullen na inwerkingtreding van het verdrag jaarlijks bijeenkomen tot aan de eerste toetsingsconferentie, die wordt gehouden vijf jaar na inwerkingtreding van het verdrag. Hierna zal de frequentie van de vergaderingen opnieuw worden bezien.
De belangrijkste taken van de vergadering van partijen zijn: beoordeling van het verzoek om verlenging van de periode voor mijnenruiming op grond van artikel 5, beoordeling van klachten over verdragsschending, uitzending van missies voor feitenonderzoek en eventuele stappen die daaruit voortvloeien in het kader van artikel 8. Dit laatste artikel schept ook de mogelijkheid een buitengewone vergadering van partijen bijeen te roepen.
De vergadering van partijen kan staten die geen partij zijn bij het verdrag, internationale organisaties en ngo's uitnodigen de vergadering bij te wonen als waarnemers. Voorzover de vergadering van de staten die partij zijn, besluiten kan nemen, zullen deze geen parlementaire goedkeuring behoeven op grond van artikel 2 van het voorstel van rijkswet tot goedkeuring van het verdrag. Het gaat hier met name om besluiten ingevolge artikel 5, vijfde lid, te weten de besluiten omtrent de verlenging van het tijdvak voor vernietiging van anti-personeelmijnen, en artikel 8, achtste lid, namelijk beslissingen omtrent het mandaat van een onderzoeksmissie. Deze besluiten kunnen namelijk niet aangemerkt worden als besluiten van een volkenrechtelijke organisatie in de zin van artikel 92 van de Grondwet. Zij hebben daarentegen wel bindend effect.
Vijf jaar na inwerkingtreding van het verdrag is de eerste toetsingsconferentie voorzien. Volgende toetsingsconferenties zullen worden georganiseerd op verzoek van één of meer partijen met een minimum interval van vijf jaar. Er is dus geen automatisme, zodat onnodige bijeenkomsten kunnen worden voorkomen. Evenals de vergadering van partijen kan ook de toetsingsconferentie ingevolge artikel 5, vijfde lid, besluiten nemen omtrent de verlenging van het tijdvak waarin de anti-personeelsmijnen vernietigd moeten worden, reden waarom ook deze besluiten in de machtigingsbepaling van artikel 2 van het voorstel van rijkswet zijn opgenomen.
Artikel 13 regelt de mogelijkheid van wijziging van het verdrag. Hiertoe kan een speciale wijzigingsconferentie bijeen worden geroepen indien een meerderheid van partijen zich daarvoor uitspreekt. Ook bij een wijzigingsconferentie kunnen andere staten, internationale organisaties en ngo's worden uitgenodigd om als waarnemer de conferentie bij te wonen. Een wijziging is totstandgekomen als het wordt gesteund door minimaal tweederde van de op de conferentie aanwezige partijen, waarna het door alle partijen moet worden aanvaard. Een dergelijke wijziging is een verdrag in de zin van artikel 91 van de Grondwet.
De kosten van de diverse vergaderingen zullen worden verdeeld tussen de bij die vergaderingen aanwezige partijen in overeenstemming met de in de VN gebruikelijke verdeelsleutel. Nederland en een aantal andere westelijke landen hadden liever gezien dat de kosten zouden worden verdeeld tussen alle partijen ongeacht hun aanwezigheid. Zo zou de actieve deelneming van alle partijen worden bevorderd. Dit was echter vooral voor kleinere ontwikkelingslanden niet aanvaardbaar.
Het verdrag treedt in werking zes maanden nadat veertig landen het hebben bekrachtigd. Het aantal van veertig is een compromis. Een aantal staten was voorstander van inwerkingtreding na twintig bekrachtigingen, zoals ook voor inwerkingtreding van het gewijzigde Protocol II wordt bepaald. Hiertegenover stond echter de opvatting van staten die van mening waren dat het verdrag pas in werking moest treden als het verdrag een ruimere steun genoot.
Elke partij kan bij de bekrachtiging verklaren dat het de bepalingen van artikel 1, eerste lid, toepast hangende inwerkingtreding van het verdrag. Voor Nederland is een dergelijke verklaring niet nodig omdat ons land de bepalingen van dit artikel reeds toepast.
Betekenis voor de Nederlandse krijgsmacht
Tenuitvoerlegging van de bepalingen van het verdrag levert geen bijzondere problemen op voor de Nederlandse krijgsmacht. Het gebruik van ap-mijnen is sinds maart 1996 gestaakt en de voorraden zijn inmiddels vernietigd. De krijgsmacht zal slechts een klein aantal ap-mijnen aanhouden voor opleidingsdoeleinden en voor de ontwikkeling van mijnenruimtechnieken, in overeenstemming met artikel 3 van het verdrag. Dit stelt de krijgsmacht bovendien in staat, zij het in beperkte mate, desgevraagd in beperkte mate andere partijen voor deze doeleneinden van ap-mijnen te voorzien.
Ook in NAVO-operaties is er niet langer een rol weggelegd voor anti- personeelsmijnen. Slechts Amerikaanse en Turkse eenheden kunnen deze wapens nog gebruiken, uitsluitend voor hun eigen verdediging. Dit is het gevolg van het feit dat de andere bondgenoten het verdrag hebben ondertekend. Ook de aanstaande lidstaten Hongarije, Polen en Tsjechië hebben het verdrag ondertekend. Het Amerikaanse beleid is thans gericht op toetreding in 2006, als er dan bruikbare alternatieven voor ap-mijnen beschikbaar zijn.
De belangrijkste functies van ap-mijnen, de beveiliging van eigen eenheden en opstellingen en het bemoeilijken van de ruiming van at-mijnen, blijven onverminderd van vitaal belang voor het welslagen van militaire operaties waaraan Nederlandse militairen deelnemen. Er is daarom gezocht naar alternatieven voor ap-mijnen. Voor de beveiliging van personeel zullen voortaan horizontaaleffectwapens worden gebruikt die van een afstand worden bediend. De Luchtmobiele brigade zal als eerste over deze wapens kunnen beschikken. Het alternatief om antitankmijnen te beveiligen tegen ruiming met de hand is het «antihanteerbaarheidsmechanisme, een mechanisme dat de mijn doet afgaan zodra iemand hem probeert de verplaatsen. Het militaire voordeel hiervan is evident: alleen al het vermoeden dat een mijnenveld is beveiligd met antihanteerbaarheidsmechanismen zal een tegenstander dwingen mechanische middelen in te zetten om het veld te doorbreken. Mechanische middelen zijn, zeker op enige afstand, eenvoudiger te ontdekken en te bestrijden dan individuele militairen. Antihanteerbaarheidsmechanismen worden overigens al ongeveer twintig jaar toegepast om antitankmijnen te beschermen. Het ministerie van Defensie legt thans de laatste hand aan de behoeftestelling voor horizontaaleffectwapens en at-mijnen.
Momenteel wordt bestudeerd op welke wijze wetgeving ter uitvoering van dit verdrag en mogelijk toekomstige soortgelijke verdragen het beste tot stand kan worden gebracht. Zoals ook blijkt uit de toelichting bij artikel 9, zal wetgeving tijdig vóór de inwerkingtreding van het verdrag gereed moeten zijn.
Het verdrag zal voor het hele Koninkrijk gelden.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-26137-3.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.