nr. 5
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 12 november 1998
Met belangstelling namen beide ondertekenaars van het voorstel van wet
kennis van het verslag van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken. De
vragen zal ik mede namens mijn ambtgenoot voor Ontwikkelingssamenwerking in
volgorde van het verslag beantwoorden.
De leden van de VVD-fractie informeerden waarom bij de taakvelden waarvoor
subsidies kunnen worden verleend niet het bevorderen van economische belangen
is genoemd.
Het bevorderen van Nederlandse economische belangen is een doelstelling
die binnen de reikwijdte van de taakvelden, genoemd in artikel 2, mede een
rol kan spelen bij de subsidiepraktijk van de Minister van Buitenlandse Zaken
en de Minister voor Ontwikkelingsamenwerking. Dit blijkt uit de programma's
voor gebonden hulp die in het zogenaamde Bedrijfslevenprogramma zijn samengevoegd,
te weten: Ontwikkelingsrelevante Exporttransacties (ORET) – bij de uitvoering
van dit programma is de Minister van Economische Zaken mede betrokken –,
Milieu en Economische Verzelfstandiging (MILIEV), het Programma Samenwerking
met Opkomende Markten (PSOM) en het Nederlandse Investerings Matching Fonds
(NIMF). De bevordering van de economische ontwikkeling in ontwikkelingslanden
kan ook de belangen van het Nederlandse bedrijfsleven dienen en tot «win-win»
situaties leiden. Voor een nadere uiteenzetting over deze programma's zij
verwezen naar de toelichting bij begrotingsartikel 18.04.
De leden van deze fractie vroegen voorts welk deel van de begroting onder
het beslag van deze wet valt.
De uitzonderingen op het toepassingsgebied van deze wet in ogenschouw
nemend kan op grond van een voorlopige inventarisatie het bedrag dat per jaar
aan subsidies op grond van deze wet besteed zal worden op NLG 2,6 miljard
geraamd worden, op een totale begroting van NLG 11,1 miljard.
De leden van de fractie van D66 plaatsten een kanttekening bij de reikwijdte
van de uitzondering op het toepassingsgebied van de wet die in artikel 4,
tweede lid, is neergelegd. Zij vroegen zich af of het OESO-lidmaatschap
niet een beter criterium zou zijn dan het lidmaatschap van de Europese Unie
(EU).
Voor alle duidelijkheid – en wellicht ten overvloede – wijs
ik erop dat de uitzondering beperkt is tot de verstrekking van financiële
middelen namens de minister door een post buiten de EU aan ontvangers buiten
de EU, dat wil zeggen tot strikt «lokale relaties». De Kaderwet
en de Algemene wet bestuursrecht zijn onverkort van toepassing op subsidieverlening
«vanuit Den Haag» aan ontvangers buiten de EU. De gronden voor
deze uitzondering houden niet alleen en niet in de eerste plaats verband met
culturele diversiteit, maar met praktische bezwaren die een onverkorte toepassing
van bezwaar- en beroepsprocedures in respectievelijk vanuit het buitenland
mee zou brengen. Die praktische bezwaren gelden ook in OESO-landen. Dat de
territoriale grenzen voor de uitzondering om de Europese Unie zijn getrokken
en niet samenvallen met de landsgrenzen hangt samen met de omstandigheid dat
een onderscheid in behandeling binnen de Unie op gespannen voet kan komen
te staan met het Europese recht.
De praktische betekenis van artikel 4, tweede lid, is dat financiële
steunverlening in situaties waarop de uitzondering van toepassing is, plaatsvindt
bij wege van privaatrechtelijke overeenkomst en niet bij wege van een subsidiebeschikking.
De bijdrageovereenkomsten en de subsidiebeschikkingen vertonen overigens wel
een hoge mate van inhoudelijke verwantschap. Rapportageverplichtingen die
met het oog op een evaluatie van subsidies in het licht van doeltreffendheid
en doelmatigheid in een subsidiebeschikking als voorschrift worden opgenomen,
zullen in een overeenkomst als contractsbepaling worden neergelegd. Het voorgaande
betekent dat de grondslag voor een verplichting weliswaar uiteen kan lopen,
maar dat de inhoud gelijk kan zijn.
In antwoord op een vraag van dezelfde leden merk ik op dat de opsomming
in artikel 2 een limitatief karakter heeft en dat deze opsomming het gehele
subsidieterrein bestrijkt. Subsidieverlening met het oog op ontmanteling van
onderzeeërs kan een grondslag vinden in artikel 2, onderdeel b. Als een
dergelijke financiële ondersteuning evenwel direct aan de regering van
een land ten goede komt, is de uitzondering van artikel 4, eerste lid, van
toepassing.
De leden van de fractie van D66 informeerden voorts naar de praktische
betekenis van artikel 5, derde lid, op grond waarvan ook na vijf jaar een
subsidie nog kan worden ingetrokken.
In de toelichting is aangegeven dat van deze bevoegdheid slechts een beperkt
gebruik zal kunnen worden gemaakt. Deze bepaling zal in verband met vereisten
van zorgvuldigheid en rechtszekerheid in de praktijk slechts zeer sporadisch
kunnen worden toegepast. Dat doet aan haar – potentiële –
betekenis evenwel geen afbreuk, nu het niet uitgesloten moet worden geacht
dat toepassing ervan soms onvermijdelijk kan zijn.
De leden van de fractie van D66 stelden tenslotte naar aanleiding van
artikel 6 de vraag aan welke speciale toezichthouders gedacht kan worden.
Vooralsnog bestaat niet het voornemen om naast de Inspectie Ontwikkelingssamenwerking
en Beleidsevaluatie andere toezichthouders te benoemen. De mogelijkheid daartoe
moet echter niet bij voorbaat uitgesloten worden. In elk geval kan de bestaande
inspectie op grond van deze bepaling bekleed worden met de bevoegdheden op
grond van afdeling 5.2 van de Awb. Deze bevoegdheden komen haar nu nog niet
toe. Het betreft de bevoegdheid om – zonodig met behulp van de sterke
arm – elke plaats – woningen uitgezonderd – zonder toestemming
van de rechthebbende te betreden, de bevoegdheid om inlichtingen
te vorderen en om inzage van zakelijke gegevens en bescheiden te verlangen.
Naar aanleiding van artikel 4 stelden de leden van de GPV-fractie de vraag
of de wet ook geldt voor de Nederlandse Antillen en Aruba.
De wet is een Nederlandse wet die niet geldt voor de Nederlandse Antillen
en Aruba. Indien deze leden met hun verwijzing naar artikel 4 de vraag aan
de orde zouden willen stellen of de uitzondering van artikel 4, tweede lid,
van toepassing is op subsidieverlening door of namens de Minister van Buitenlandse
Zaken of de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking aan ontvangers in de Nederlandse
Antillen en Aruba, dan luidt het antwoord ontkennend. Een dergelijke subsidieverlening
vindt immers niet plaats door een post buiten de EU, maar uitsluitend door
«Den Haag».
De Minister van Buitenlandse Zaken,
J. J. van Aartsen