26 122
Srebrenica

nr. 25
BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 19 juli 2001

In het kader van de regeling van werkzaamheden op 20 juni jl. heeft het lid van uw Kamer Harrewijn verwezen naar een uitzending van het televisieprogramma Nova van 19 juni jl.. Een aantal deskundigen zou daarin hebben gesteld dat het desbetreffende fotorolletje toch vernietigd is. Ook zou uit deze uitzending blijken dat de Koninklijke Marechaussee twijfelt aan het eigen onderzoek. Hij heeft verzocht om een brief van de regering op korte termijn. Bij deze voldoe ik graag, mede namens de Minister van Defensie, aan dit verzoek.

Zoals u bekend is, is in 1995 onderzoek gedaan naar het mislukken van het filmrolletje. De hiernavermelde stukken en nog enige andere documenten met betrekking tot het mislukte filmpje, heb ik bij brief van 28 oktober 1998 (onder kenmerk 724253/98/BSG), tezamen met een groot aantal andere documenten in relatie tot het rapport «Omtrent Srebrenica» van de commissie-Van Kemenade, ter vertrouwelijke kennisneming aan uw Kamer toegezonden. Voor de verdere achtergronden van de zaak verwijs ik u gemakshalve daarnaar.

De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het proces-verbaal 11/1995. Het resultaat van het technisch onderzoek aan de ontwikkelmachine door het Gerechtelijk Laboratorium is neergelegd in proces-verbaal 19/1995. De verklaringen van de betrokken fotograaf en andere getuigen over hetgeen op de foto's te zien zou zijn geweest, als zij niet verloren waren gegaan, alsmede hun getuigenis over wat zij hebben waargenomen ten tijde van de val van de enclave Srebrenica, zijn opgenomen in proces-verbaal 13/1995.

Naar de gang van zaken rond de aanlevering van het filmpje bij het fotolaboratorium is in juli 1997 onderzoek gedaan door de Koninklijke Marechaussee (proces-verbaal, nr. 970716.0900).

Tenslotte zijn de stroken van het desbetreffende filmpje eind 1998 aan het Gerechtelijk Laboratorium toegezonden, teneinde het merk van het filmrolletje vast te stellen. Om technische redenen is een andere dan de gevraagde methode toegepast, die geen uitsluitsel heeft opgeleverd. Hierover heeft het Nederlands Forensisch Instituut (voorheen Gerechtelijk Laboratorium) op 22 juni 2000 een rapport geproduceerd.

Naar aanleiding van de Nova-uitzending van 19 juni jl. heeft het Openbaar Ministerie te Arnhem de Directeur Operatiën van de Koninklijke Marechaussee verzocht een onderzoek in te doen stellen. Een zakelijke weergave van de resultaten van dit onderzoek treft u hierbij ter vertrouwelijke kennisneming aan.1

Het onderzoek is uitgevoerd door twee medewerkers van de Koninklijke Marechaussee buiten dienst in de vorm van interviews met de leden van het team dat indertijd het onderzoek heeft uitgevoerd naar het mislukken van de ontwikkeling van het filmrolletje (het zogenoemde Kodak-team). Daarbij zijn zij nagegaan of er twijfels bestaan bij de leden van het Kodak-team over het onderzoek naar het mislukken van de ontwikkeling van het fotorolletje dan wel over het filmrolletje als zodanig en de aanlevering ervan bij het laboratorium van de fotosectie van de Militaire Inlichtingendienst van de Koninklijke Marine.

De interviews hebben plaatsgevonden op 2 en 3 juli jl.. Het rapport is opgemaakt op 3 juli jl. en diezelfde dag aangeboden aan de Directeur Operatiën van de Koninklijke Marechaussee, die het ter beschikking heeft gesteld aan het Openbaar Ministerie te Arnhem.

Blijkens de zakelijke weergave van de interviews in het rapport bestaat er bij geen van de leden van het Kodak-team twijfel over de validiteit en juistheid van het onderzoek naar het mislukken van de ontwikkeling van het fotorolletje. Evenmin bestaat er bij hen twijfel over de uitkomst van het onderzoek, te weten dat het mislukken van de ontwikkeling van het filmrolletje het gevolg is van menselijk falen, met dien verstande dat één van de betrokkenen er zijn bevreemding over uitspreekt dat een zeer ervaren laborant een dergelijke fout kan maken. Diezelfde persoon plaatst tevens vraagtekens bij het (aanvankelijk) niet-justitiële karakter van het onderzoek in 1995 en de beperkte onderzoeksopdracht.

De beide rapporteurs hebben, in navolging van enkele door hen geïnterviewde leden van het Kodak-team, in de aanbiedingsbrief bij het rapport van hun bevindingen gepleit voor een reconstructie van de ontwikkeling van het filmpje onder vergelijkbare omstandigheden als destijds aanwezig waren. Vanuit strikt strafrechtelijk oogpunt is er echter geen aanleiding deze aanbeveling over te nemen, aangezien een (strafvorderlijke) grondslag waarop het Openbaar Ministerie de opdracht tot het doen van een dergelijke reconstructie zou kunnen baseren ontbreekt.

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals


XNoot
1

Ter vertrouwelijke inzage, alleen voor de leden, gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

Naar boven