Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal1997-199826020 nr. 1;2

26 020
Aanpassing van de Wet op de loonbelasting 1964, de Wet op de inkomstenbelasting 1964, de Coördinatiewet Sociale Verzekering en in samenhang daarmee enige andere wetten naar aanleiding van de voorstellen van de werkgroep Fiscale behandeling pensioenen (Wet fiscale behandeling van pensioenen)

nr. 1
KONINKLIJKE BOODSCHAP

Aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Wij bieden U hiernevens ter overweging aan een voorstel van wet tot aanpassing van de Wet op de loonbelasting 1964, de Wet op de inkomstenbelasting 1964, de Coördinatiewet Sociale Verzekering en in samenhang daarmee enige andere wetten naar aanleiding van de voorstellen van de werkgroep Fiscale behandeling pensioenen (Wet fiscale behandeling van pensioenen).

De memorie van toelichting, die het wetsvoorstel vergezelt, bevat de gronden waarop het rust.

En hiermede bevelen Wij U in Godes heilige bescherming.

's-Gravenhage

29 april 1998

Beatrix

nr. 2
VOORSTEL VAN WET

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Wet op de loonbelasting 1964, de Wet op de inkomstenbelasting 1964, de Coördinatiewet Sociale Verzekering en in samenhang daarmee enige andere wetten aan te passen naar aanleiding van het rapport van de werkgroep Fiscale behandeling pensioenen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

In de Wet op de loonbelasting 1964 worden de volgende wijzigingen aangebracht.

A. In artikel 6, vijfde lid, wordt «artikel 11c» vervangen door: artikel 19b.

B. Artikel 11 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid wordt in onderdeel e, onder 2°, «artikel 11b» telkens vervangen door: artikel 19a. Voorts wordt in onderdeel e, onder 3°, «artikel 11c» vervangen door: artikel 19b.

2. In het eerste lid, onderdeel i, onder 1°, wordt «verplichte bijdrage» vervangen door: bijdrage.

3. Het derde, het vierde en het vijfde lid vervallen. Het zesde tot en met het vijftiende lid worden vernummerd in onderscheidenlijk derde tot en met twaalfde lid.

4. In het in derde lid vernummerde zesde lid wordt «zevende lid» vervangen door: vierde lid.

5. In het in vierde lid vernummerde zevende lid wordt na «overeenkomsten van levensverzekering» ingevoegd: , de door de werknemer vrijwillig betaalde premies ingevolge een pensioenregeling.

6. In het in vijfde lid vernummerde achtste lid wordt «zesde en zevende lid» vervangen door: derde en vierde lid.

7. In het in tiende lid vernummerde dertiende lid wordt «elfde lid» vervangen door: achtste lid.

C. Artikel 11b, artikel 11c en artikel 11d worden vernummerd tot onderscheidenlijk artikel 19a, artikel 19b en artikel 19 en in de volgorde artikel 19, artikel 19a en artikel 19b toegevoegd aan het ingevolge onderdeel D in te voegen hoofdstuk IIA.

D. Na HOOFDSTUK II wordt ingevoegd:

HOOFDSTUK IIA

PENSIOENREGELINGEN EN REGELINGEN VOOR VERVROEGDE UITTREDING

Artikel 18

1. Onder pensioenregeling wordt verstaan een regeling:

a. die ten doel heeft het treffen van:

1°. een levenslange inkomensvoorziening bij ouderdom voor werknemers en gewezen werknemers (ouderdomspensioen);

2°. een inkomensvoorziening na hun overlijden ten behoeve van hun echtgenoten en gewezen echtgenoten, dan wel van degenen met wie zij duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren of hebben gevoerd en met wie geen bloed- of aanverwantschap in de eerste graad bestaat (nabestaandenpensioen);

3°. een inkomensvoorziening na hun overlijden ten behoeve van hun kinderen, stiefkinderen en pleegkinderen die de leeftijd van 30 jaar nog niet hebben bereikt (wezenpensioen);

4°. een inkomensvoorziening bij arbeidsongeschiktheid zodra die langer dan een jaar duurt en welke niet uitgaat boven hetgeen naar maatschappelijke opvattingen redelijk moet worden geacht (arbeidsongeschiktheidspensioen), en

b. waarvan als verzekeraar optreedt een lichaam of de natuurlijke persoon bedoeld in artikel 19a, eerste lid; een en ander voor zover die regeling blijft binnen de in of krachtens dit hoofdstuk vastgestelde begrenzingen.

2. Onder pensioenregeling wordt mede verstaan een regeling die:

a. het ouderdomspensioen aanvult in verband met het ontbreken van uitkeringen ingevolge de Algemene Ouderdomswet voor de 65-jarige leeftijd en het verschil in verschuldigde premie voor de volksverzekeringen over het ouderdomspensioen voor en na de 65-jarige leeftijd (overbruggingspensioen);

b. het nabestaandenpensioen dan wel het wezenpensioen aanvult in verband met het ontbreken van uitkeringen ingevolge de Algemene nabestaandenwet en het verschil in verschuldigde premie voor de volksverzekeringen over het pensioen voor en na de 65-jarige leeftijd (nabestaandenoverbruggingspensioen).

3. Ingeval een regeling voldoet aan de in het eerste lid, onderdelen a en b, opgenomen voorwaarden doch niet blijft binnen de in of krachtens dit hoofdstuk opgenomen begrenzingen, is de regeling een pensioenregeling voorzover blijkt dat zij blijft binnen de in of krachtens dit hoofdstuk opgenomen begrenzingen. De inhoudingsplichtige verzoekt de inspecteur uiterlijk op het eerste moment van overschrijding van de bedoelde begrenzingen vast te stellen welk deel van de desbetreffende aanspraak blijft binnen die begrenzingen. Bij toepassing van de eerste volzin geeft de inhoudingsplichtige bij elke te zijner tijd op basis van de regeling te verstrekken pensioenuitkering overeenkomstig bij ministeriële regeling te stellen regels aan welk deel daarvan tot het loon dan wel tot de inkomsten uit vermogen van de werknemer behoort. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.

Artikel 18a

1. Een op een eindloonstelsel gebaseerd ouderdomspensioen bedraagt per dienstjaar niet meer dan 2 percent van het pensioengevend loon.

2. Een op een middelloonstelsel gebaseerd ouderdomspensioen bedraagt per dienstjaar niet meer dan 2,25 percent van het pensioengevend loon.

3. Een op een beschikbare-premiestelsel gebaseerd ouderdomspensioen wordt tijdsevenredig opgebouwd en is gericht op een pensioen dat na 35 jaren opbouw niet meer bedraagt dan 70 percent van het loon op dat tijdstip. De beschikbare premie wordt ten hoogste bepaald met inachtneming van de volgende uitgangspunten:

a. de beschikbare premie wordt actuarieel vastgesteld per leeftijdsklasse van ten hoogste vijf jaren en wordt afgestemd op de gemiddelde leeftijd in de klasse;

b. als loopbaanontwikkeling wordt gerekend met een loonstijging van drie percent per jaar gedurende de jaren voor het bereiken van de 35-jarige leeftijd, van twee percent per jaar gedurende de tien daaropvolgende jaren, van een percent per jaar gedurende de tien daaropvolgende jaren en van nihil gedurende de overige jaren;

c. bij de berekening wordt een rekenrente in aanmerking genomen van ten minste vier percent en wordt de te verwachten inflatie op nihil gesteld.

4. Een ouderdomspensioen gaat niet later in dan bij het vroegste van de volgende tijdstippen:

1°. ingeval de dienstbetrekking eindigt voor de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum: de vastgestelde ingangsdatum, dan wel op het vroegste van de tijdstippen, bedoeld onder 3°, 4° en 5°;

2°. ingeval de dienstbetrekking eindigt op of na de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum: het tijdstip waarop de dienstbetrekking eindigt;

3°. ingeval het ouderdomspensioen 100 percent van het pensioengevend loon komt te bedragen voordat de werknemer of gewezen werknemer de 65-jarige leeftijd heeft bereikt: het tijdstip waarop hij de 65-jarige leeftijd bereikt;

4°. ingeval het ouderdomspensioen 100 percent van het pensioengevend loon komt te bedragen op of na het tijdstip waarop de werknemer of gewezen werknemer de 65-jarige leeftijd heeft bereikt: het tijdstip waarop dat maximum wordt bereikt;

5°. het tijdstip waarop de werknemer de 70-jarige leeftijd bereikt.

5. Ingeval het ouderdomspensioen later ingaat dan op de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum mag het pensioen na die ingangsdatum worden verhoogd overeenkomstig het tot die datum gevolgde stelsel, met inbegrip van herrekening met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen, doch niet verder dan tot 100 percent van het pensioengevend loon.

6. Indien het ouderdomspensioen eerder ingaat dan bij het bereiken van de 60-jarige leeftijd wordt het herrekend ten opzichte van die leeftijd of van de in de pensioenregeling vastgestelde latere ingangsdatum met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen. Hierbij kan, zonodig in afwijking van de feitelijke situatie, worden uitgegaan van een pensioen dat uiterlijk ingaat bij het bereiken van de 60-jarige leeftijd en dat per dienstjaar niet meer bedraagt dan 2 percent van het pensioengevend loon.

7. Een ouderdomspensioen gaat niet uit boven 100 percent van het pensioengevend loon op het tijdstip van ingang.

8. De in dit hoofdstuk met betrekking tot het desbetreffende pensioen opgenomen maxima worden opgevat met inbegrip van een bedrag dat ten minste wordt gesteld op per dienstjaar of ontbrekend dienstjaar een evenredig gedeelte van de voor dat jaar geldende uitkeringen voor gehuwde personen zonder toeslag, als omschreven in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, en vijfde lid, onderdeel b, van de Algemene Ouderdomswet, vermeerderd met de vakantietoeslag.

Artikel 18b

1. Een op een eindloonstelsel gebaseerd nabestaandenpensioen bedraagt per dienstjaar of ontbrekend dienstjaar niet meer dan 1,43 percent van het pensioengevend loon of bereikbare pensioengevend loon.

2. Een op een middelloonstelsel gebaseerd nabestaandenpensioen bedraagt per dienstjaar niet meer dan 1,61 percent van het pensioengevend loon of bereikbaar pensioengevend loon.

3. Voor een op een beschikbare-premiestelsel gebaseerd nabestaandenpensioen is artikel 18a, derde lid, van overeenkomstige toepassing.

4. Ingeval in de pensioenregeling is rekening gehouden met:

1°. een bepaalde nabestaande, wordt gerekend met de feitelijke gegevens van die nabestaande;

2°. een onbepaalde nabestaande, wordt gerekend met een leeftijdsverschil tussen de werknemer en de nabestaande van ten hoogste drie jaren.

5. Voor de toepassing van dit artikel en van artikel 18c worden voor het geval de werknemer niet in leven is op het tijdstip waarop het ouderdomspensioen zou ingaan, ontbrekende dienstjaren en bereikbaar pensioengevend loon in aanmerking genomen. Onder ontbrekende dienstjaren worden verstaan de jaren van het tijdstip van overlijden van de werknemer tot het in de pensioenregeling vastgestelde tijdstip van ingang van het pensioen. Onder bereikbaar pensioengevend loon wordt verstaan het pensioengevend loon dat de gewezen werknemer binnen de vastgestelde loopbaanontwikkeling in zijn functie zou hebben kunnen bereiken.

6. Een nabestaandenpensioen gaat in onmiddellijk na het overlijden van de werknemer of gewezen werknemer dan wel onmiddellijk na beëindiging van een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet.

7. Een nabestaandenpensioen gaat niet uit boven 50 percent van het pensioengevend loon of het bereikbaar pensioengevend loon op het tijdstip van ingang.

Artikel 18c

1. Een op een eindloonstelsel gebaseerd wezenpensioen bedraagt per dienstjaar of ontbrekend dienstjaar niet meer dan 0,29 percent van het pensioengevend loon of bereikbaar pensioengevend loon.

2. Een op een middelloonstelsel gebaseerd wezenpensioen bedraagt per dienstjaar niet meer dan 0,33 percent van het pensioengevend loon of bereikbaar pensioengevend loon.

3. Voor een op een beschikbare-premiestelsel gebaseerd wezenpensioen is artikel 18a, derde lid, van overeenkomstige toepassing.

4. Een wezenpensioen gaat in onmiddellijk na het overlijden van de werknemer of gewezen werknemer dan wel direct na beëindiging van een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet.

5. Een wezenpensioen gaat op het tijdstip van ingang niet uit boven 10 percent van het pensioengevend loon of bereikbaar pensioengevend loon.

6. Voor volle wezen worden de in de vorige leden genoemde percentages verdubbeld.

Artikel 18d

1. In afwijking in zoverre van de artikelen 18a, 18b en 18c kunnen een ouderdomspensioen, een nabestaandenpensioen en een wezenpensioen meer bedragen dan de aldaar opgenomen maxima voor zover zulks het gevolg is van:

a. aanpassing van het pensioen aan loon- of prijsontwikkeling;

b. variatie in de hoogte van de uitkeringen waarbij de laagste uitkering niet minder bedraagt dan 75 percent van de hoogste uitkering en de mate van variatie ten laatste op de ingangsdatum van het pensioen wordt vastgesteld;

c. waardeoverdracht van pensioenaanspraken;

d. gehele of gedeeltelijke onderlinge ruil van nabestaandenpensioen, wezenpensioen en ouderdomspensioen, mits de ruil uiterlijk op de ingangsdatum van het pensioen plaatsvindt op basis van algemeen gangbare actuariële grondslagen.

2. Door ruil als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, ontstane verlies aan pensioen kan niet worden gecompenseerd en het nabestaandenpensioen en het wezenpensioen kunnen na een zodanige ruil niet meer bedragen dan 50 percent onderscheidenlijk 10 percent of 20 percent van het pensioengevend loon.

Artikel 18e

1. Een overbruggingspensioen is een pensioen dat:

a. ingaat op hetzelfde tijdstip als het ouderdomspensioen en uiterlijk eindigt bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd, met dien verstande dat ingeval het overbruggingspensioen eerder ingaat dan bij het bereiken van de 60-jarige leeftijd, dit wordt herrekend ten opzichte van die leeftijd of van de in de pensioenregeling vastgestelde latere ingangsdatum met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen, waarbij, zonodig in afwijking van de feitelijke situatie, kan worden uitgegaan van een pensioen dat op de voet van onderdeel b ten hoogste toelaatbaar is;

b. per dienstjaar niet meer bedraagt dan 10 percent van het gezamenlijke bedrag van de uitkering ingevolge artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene Ouderdomswet en het verschil in verschuldigde premie voor de volksverzekeringen over het ouderdomspensioen voor en na de 65-jarige leeftijd, en in totaal niet meer bedraagt dan 100 percent van dat gezamenlijke bedrag, met dien verstande dat de opbouw van het overbruggingspensioen tijdsevenredig, direct voorafgaande aan de ingangsdatum van het ouderdomspensioen moet plaatsvinden.

2. Ingeval het tijdstip van ingang van het ouderdomspensioen wordt uitgesteld kan het overbruggingspensioen worden omgezet in een hoger overbruggingspensioen tot ten hoogste hetgeen op de voet van het eerste lid, onderdeel b toelaatbaar is, en voor het overige in ouderdomspensioen of nabestaandenpensioen, met dien verstande dat na de omzetting het ouderdomspensioen en het nabestaandenpensioen niet meer kunnen bedragen dan onderscheidenlijk 100 percent en 50 percent van het pensioengevend loon.

Artikel 18f

Een nabestaandenoverbruggingspensioen is een pensioen dat:

a. ingaat onmiddellijk na het overlijden van de werknemer of gewezen werknemer dan wel onmiddellijk na beëindiging van het recht op een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet en uiterlijk eindigt bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd;

b. toekomt aan degene voor wie een regeling voor nabestaandenpensioen of wezenpensioen is getroffen of had kunnen worden getroffen;

c. niet meer bedraagt dan het gezamenlijke bedrag van 8/7 maal de nominale uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, vermeerderd met de vakantie-uitkering, en het verschil in verschuldigde premie voor de volksverzekeringen over het nabestaandenpensioen voor en na de 65-jarige leeftijd.

Artikel 18g

1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de perioden die in aanmerking komen als dienstjaren dan wel diensttijd, bedoeld in de artikelen 18a, 18b, 18c, 18e, 18i en 38a.

2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het pensioengevend loon, bedoeld in de artikelen 18a, 18b, 18c, 18d, 18e en 38a, ter zake van:

a. de loonbestanddelen die daarin worden opgenomen;

b. de loonbestanddelen waarover de opbouw van het pensioen volgens een ander stelsel dan het eindloonstelsel dient plaats te vinden;

c. de situatie waarin de werknemer aan het eind van zijn loopbaan terugtreedt naar een lager gekwalificeerde functie met een lager loon dan in zijn daaraan voorafgaande functie.

Artikel 18h

1. In afwijking in zoverre van het overigens in of krachtens dit hoofdstuk bepaalde is het tweede lid van toepassing op pensioen dat is gebaseerd op:

a. een toezegging als bedoeld in artikel 2, derde lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet of waarvoor de Verzekeringskamer ingevolge artikel 29 van de Pensioen- en spaarfondsenwet aan de inhoudingsplichtige toestemming kan verlenen om het pensioen in eigen beheer op te bouwen;

b. een toezegging als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, en vierde lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet, tenzij de toezegging is gebaseerd op een pensioenregeling waarvan aannemelijk is dat zij, mede als gevolg van wezenlijk tegengestelde belangen tussen werknemers en inhoudingsplichtige, een collectieve regeling is;

c. een regeling waaraan een gering aantal werknemers deelneemt, tenzij de toezegging is gebaseerd op een pensioenregeling waarvan aannemelijk is dat zij, mede als gevolg van wezenlijk tegengestelde belangen tussen werknemers en inhoudingsplichtige, een collectieve regeling is.

2. Een toezegging of regeling als bedoeld in het eerste lid is een pensioenregeling indien zij voldoet aan de artikelen 18 tot en met 18g en voorts een pensioen inhoudt dat niet uitgaat boven hetgeen in collectieve regelingen gangbaar is.

3. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden vastgesteld wat in collectieve regelingen als bedoeld in het tweede lid gangbaar is. In afwijking daarvan kan worden vastgesteld dat de opbouwmogelijkheid, aangegeven in artikel 18a, eerste lid, onverkort van toepassing is.

Artikel 18i

Onder regeling voor vervroegde uittreding wordt verstaan een regeling die:

a. voorziet in periodieke uitkeringen aan werknemers of gewezen werknemers die uiterlijk eindigen bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar of bij eerder overlijden;

b. een voorziening voor vervroegde uittreding inhoudt die niet uitgaat boven hetgeen naar maatschappelijke opvattingen, waaronder die ter zake van diensttijd en genoten beloning, redelijk moet worden geacht; en

c. waarvan als verzekeraar optreedt een lichaam of natuurlijke persoon bedoeld in artikel 19a, eerste lid.

E. In het in artikel 19a vernummerde artikel 11b wordt in de aanhef «artikel 11» vervangen door: de artikelen 18 en 18i.

F. Het in artikel 19b vernummerde artikel 11c wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid, onderdeel c, wordt «artikel 11b» vervangen door: artikel 19a.

2. In het tweede lid wordt «artikel 11b» telkens vervangen door: artikel 19a.

3. In het derde lid wordt «of echtscheiding» vervangen door: , echtscheiding of beëindiging van samenleving. Na «gewezen echtgenoot» wordt steeds toegevoegd: onderscheidenlijk zijn partner of gewezen partner.

4. In het vijfde lid wordt «artikel 11, vijfde lid» vervangen door: artikel 19e.

G. Na het in artikel 19b vernummerde artikel 11c wordt ingevoegd:

Artikel 19c

1. Op verzoek van de inhoudingsplichtige beslist de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking of een regeling een pensioenregeling is in de zin van de artikelen 18 tot en met 18h.

2. Indien een zodanig verzoek is gedaan en vervolgens onherroepelijk komt vast te staan dat de regeling niet een zodanige pensioenregeling is en de regeling – onverwijld en ingaand op het tijdstip van ingang van de regeling – wordt aangepast in dier voege dat de regeling wel een zodanige pensioenregeling is, wordt de regeling geacht met terugwerkende kracht tot uiterlijk dat tijdstip een zodanige pensioenregeling te zijn. De vorige volzin is niet van toepassing op pensioenregelingen als bedoeld in artikel 18h.

3. Het eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op regelingen voor vervroegde uittreding als bedoeld in artikel 18i.

Artikel 19d

Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, afwijkingen toestaan van het overigens in of krachtens dit hoofdstuk bepaalde door regelingen of groepen van regelingen waarvan aannemelijk is dat zij, mede als gevolg van wezenlijk tegengestelde belangen tussen werknemers en inhoudingsplichtige, collectieve regelingen zijn, aan te wijzen als pensioenregeling onderscheidenlijk regeling voor vervroegde uittreding, indien zij op bepaalde onderdelen niet meer dan in geringe mate afwijken van het overigens in of krachtens dit hoofdstuk bepaalde, mits het belang van de afwijkingen niet uitgaat boven het belang van de marges op andere onderdelen. Zo nodig kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld.

Artikel 19e

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ter bevordering van een goede uitvoering van dit hoofdstuk alsmede met betrekking tot samenloop van verschillende pensioenstelsels.

H. In artikel 32 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het eerste lid wordt na «overeenkomsten van levensverzekering» ingevoegd: , de door de werknemer vrijwillig betaalde premies ingevolge een pensioenregeling.

2. Het derde lid vervalt. Het vierde tot en met het zevende lid worden vernummerd in respectievelijk het derde tot en met het zesde lid.

I. In artikel 36 wordt «artikel 11, derde lid, onderdeel b, en vierde lid, onderdeel b» vervangen door: artikel 18, onderdeel c, en artikel 18i, onderdeel c.

J. Na artikel 38 wordt ingevoegd:

Artikel 38a

1. In afwijking in zoverre van artikel 18 kan een pensioenregeling mede omvatten een prepensioenregeling, mits deze dient of mede dient ter vervanging van een regeling voor vervroegde uittreding en aan de regeling tot vervanging voor 1 januari 2009 een begin van uitvoering is gegeven. Ingeval de inhoudingsplichtige nog geen regeling voor vervroegde uittreding heeft ingevoerd, is de vorige volzin van overeenkomstige toepassing indien aan de vereisten voor de invoering van een regeling voor vervroegde uittreding zou zijn voldaan indien een dergelijke regeling zou worden ingevoerd.

2. Een prepensioen is een pensioen dat:

a. niet eerder ingaat dan bij het bereiken van de 60-jarige leeftijd;

b. niet later ingaat dan bij:

1°. het bereiken van de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum van het ouderdomspensioen;

2°. het eerder beëindigen van de dienstbetrekking op of na de in de prepensioenregeling vastgestelde ingangsdatum;

c. uiterlijk eindigt bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd;

d. met inbegrip van een voor het bereiken van de 65-jarige leeftijd ingegaan ouderdomspensioen, een overbruggingspensioen en uitkeringen ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding, op de in de prepensioenregeling vastgestelde ingangsdatum van het prepensioen per dienstjaar niet meer bedraagt dan, indien het gebaseerd is op:

1°. een eindloonstelsel: 8,5 percent van het pensioengevend loon en in totaal niet meer dan 85 percent van het pensioengevend loon;

2°. een middelloonstelsel: 9,15 percent van het pensioengevend loon en in totaal niet meer dan 85 percent van het laatste pensioengevend loon;

3°. een beschikbare-premiestelsel: een pensioen dat is vastgesteld met overeenkomstige toepassing van artikel 18a, derde lid, en in totaal niet meer bedraagt dan 85 percent van het laatste pensioengevend loon; met dien verstande dat de opbouw van het prepensioen tijdsevenredig, in ten minste tien jaren onmiddellijk voorafgaande aan de ingangsdatum van het prepensioen moet plaatsvinden.

3. Ingeval het prepensioen later ingaat dan op de in de prepensioenregeling vastgestelde ingangsdatum mag het prepensioen na die ingangsdatum worden verhoogd overeenkomstig het tot die datum geldende stelsel, met inbegrip van herrekening met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen, doch niet verder dan tot 100 percent van het pensioengevende loon. Artikel 18e, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

4. Indien het prepensioen eerder ingaat dan bij het bereiken van de 60-jarige leeftijd wordt het herrekend ten opzichte van die leeftijd of van de in de prepensioenregeling vastgestelde latere ingangsdatum met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen, met dien verstande dat het met inbegrip van een overbruggingspensioen en uitkeringen ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding niet meer kan bedragen dan 100 percent van het pensioengevend loon. Hierbij kan, zonodig in afwijking van de feitelijke situatie, worden uitgegaan van een prepensioen dat uiterlijk ingaat bij het bereiken van de 60-jarige leeftijd en dat per dienstjaar niet meer bedraagt dan 8,5 percent van het pensioengevend loon.

5. In afwijking in zoverre van het tweede lid, onderdeel d, onder 1°, kan het percentage van 8,5 tijdsevenredig worden verhoogd ingeval de opbouw van het prepensioen tot de in de prepensioenregeling vastgestelde ingangsdatum plaatsvindt in een periode die minder beloopt dan tien jaren en de gezamenlijke periode waarin de werknemer belanghebbende was bij de voorafgaande regeling voor vervroegde uittreding en de vermoedelijke periode van opbouw van het prepensioen, ten minste tien jaren beloopt.

6. Dit artikel is van toepassing gedurende een periode die ten hoogste gelijk is aan de periode die nodig is om voor de bij de aanvang van de prepensioenregeling aanwezige werknemers een volledig prepensioen op te bouwen.

7. De artikelen 18d, 18h, 19c, 19d en 19e zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 38b

Voor op 1 januari 1999 bestaande pensioenregelingen die niet voldoen aan hoofdstuk IIA of artikel 38a, blijven tot 1 januari 2004 de artikelen 11, 11b, 11c en 11d zoals die luidden op 31 december 1998 van toepassing en zijn tot die datum hoofdstuk IIA en artikel 38a niet van toepassing, met dien verstande dat ingeval de pensioenregeling in die periode op meer dan ondergeschikte punten wordt gewijzigd, deze daarbij geheel in overeenstemming dient te worden gebracht met hoofdstuk IIA en artikel 38a.

ARTIKEL II

In de Wet op de inkomstenbelasting 1964 worden de volgende wijzigingen aangebracht.

A. In artikel 25, twaalfde lid, wordt «artikel 11c» vervangen door: artikel 19b.

B. In artikel 45, eerste lid, onderdeel g, onder 3°, wordt «artikel 11, derde lid,» vervangen door: artikel 18.

ARTIKEL III

In artikel 23a, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt «artikel 11b, eerste lid, onderdeel d» vervangen door: artikel 19a, eerste lid, onderdeel d. Voorts wordt «artikel 11c, eerste lid» telkens vervangen door: artikel 19b, eerste lid.

ARTIKEL IV

In artikel 36a, tweede lid, onderdeel b, van de Invorderingswet 1990 wordt «artikel 11c, eerste lid» vervangen door: artikel 19b, eerste lid.

ARTIKEL V

In de Coördinatiewet Sociale Verzekering worden de volgende wijzigingen aangebracht.

A. Artikel 6 wordt gewijzigd als volgt.

1. In het eerste lid, onderdeel j, onder 1°, wordt «verplichte bijdrage» vervangen door: bijdrage.

2. Het derde lid wordt vervangen door:

3. Voor de toepassing van deze wet wordt onder pensioenregeling onderscheidenlijk regeling voor vervroegde uittreding verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan voor de toepassing van de Wet op de loonbelasting 1964.

3. Het vierde lid vervalt. Het vijfde tot en met het dertiende lid worden vernummerd in onderscheidenlijk vierde, vijfde, zesde, zevende, achtste, negende, tiende, elfde en twaalfde lid.

4. In het in vierde lid vernummerde vijfde lid vervalt «en het vierde».

5. In het in zevende lid vernummerde achtste lid, wordt in onderdeel a «zesde en zevende lid» vervangen door: vijfde en zesde lid.

B. Artikel 6a vervalt.

ARTIKEL VI

1. Op voordracht van Onze Minister van Financiën, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid , kunnen ter zake van pensioenregelingen bij algemene maatregel van bestuur nadere, van hoofdstuk IIA en artikel 38a van de Wet op de loonbelasting 1964 afwijkende regels worden gesteld. Hierbij kan het maximum van het te bereiken ouderdomspensioen niet lager worden gesteld dan per dienstjaar 2 percent van het pensioengevend loon in een middelloonstelsel.

2. Uiterlijk binnen zes maanden na het tijdstip waarop de krachtens het eerste lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur in werking treedt, wordt een voorstel van wet tot goedkeuring van dat besluit aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal gezonden. Indien het voorstel wordt ingetrokken of indien een van de kamers der Staten-Generaal tot het niet aannemen van het voorstel besluit, worden onverwijld de afwijkende regels ingetrokken met ingang van het tijdstip waarop de krachtens het eerste lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur in werking treedt dan wel in werking is getreden.

ARTIKEL VII

1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1999.

2. In afwijking van het eerste lid treedt artikel VI in werking op een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen tijdstip, dat evenwel niet kan liggen voor 1 maart 2001. De in dat artikel bedoelde maatregel wordt niet genomen voordat overleg is gepleegd met de sociale partners en voordat vier weken zijn verstreken nadat het ontwerp daarvan is voorgelegd aan de beide kamers der Staten-Generaal, en evenmin indien binnen die termijn door of namens een der kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat de inwerkingtreding van die maatregel bij wet wordt geregeld.

3. Deze wet wordt aangehaald als: Wet fiscale behandeling van pensioenen.

Lasten en bevelen dat deze wet in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Staatssecretaris van Financiën,

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,