Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2005-2006 | 25991 nr. 7 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2005-2006 | 25991 nr. 7 |
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 27 februari 2006
Bij koninklijke boodschap van 10 april 1998 is een voorstel van wet tot wijziging van de Wet milieubeheer (toevoeging van bepalingen over internationale zaken) ingediend bij de Staten-Generaal (Kamerstukken II 1997/98, 25 991, nrs. 1–2). Voornaamste reden voor het voorstel van wet was de wenselijkheid de vaststelling van regels ter bescherming van het milieu ter uitvoering van EG-verordeningen te vereenvoudigen en te versnellen in verband met tijdige implementatie. Het voorstel van wet bevat delegatiebepalingen die het mogelijk maken om Europese verordeningen ter bescherming van het milieu bij ministeriële regeling te implementeren. Op grond van dit voorstel van wet kunnen bij ministeriële regeling bij of krachtens wet gestelde regels (tijdelijk) buiten werking worden gesteld wanneer deze strijdig zijn met een EG-verordening ter bescherming van het milieu. Daarnaast biedt dit voorstel van wet de mogelijkheid om richtlijnen over hetgeen krachtens de Wet milieubeheer bij of krachtens algemene maatregel van bestuur moet worden geregeld bij ministeriële regeling te implementeren, indien de regels die voortvloeien uit die richtlijn uitsluitend strekken ter uitvoering van die richtlijn. Het voorstel van wet vervangt daarmee in enigszins gewijzigde vorm het huidige artikel 21.6, zesde lid, van de Wet milieubeheer, waarin daartoe een verplichting is opgenomen.
Naar aanleiding van de parlementaire behandeling van het voorstel van de Telecommunicatiewet van de Minister van Verkeer & Waterstaat (V&W) (Kamerstukken II 25 533) heeft de toenmalige Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer op 25 februari 1999 besloten dit voorstel van wet voorlopig aan te houden (Kamerstukken II 1998/99, 25 991, nr. 6). In het wetsvoorstel Telecommunicatie-wet was een vergelijkbare delegatiebepaling, artikel 18.2, als in het onderhavige voorstel van wet opgenomen. Vooral de Eerste Kamer had hiertegen principiële bezwaren en bleek slechts bereid met het voorstel van wet in te stemmen na de toezegging van de Staatssecretaris van V&W dat het bovengenoemde artikel in elk geval niet in werking zou treden voordat overleg had plaatsgevonden met de Staten-Generaal over een hernieuwd kabinetsstandpunt waarin in het algemeen zou worden ingegaan op de toelaatbaarheid van delegatiebepalingen om versnelde implementatie mogelijk te maken.
Dat «Kabinetsstandpunt versnelde implementatie van EG- en andere internationale besluiten» is op 19 augustus 1999 vastgesteld (Kamerstukken II 1998/99, 26 200 VI, nr. 65). Het onderhavige wetsvoorstel was niet in overeenstemming met dat kabinetsstandpunt, maar zou daarmee wel in overeenstemming gebracht kunnen worden. Bij de totstandkoming van het toenmalige kabinetsstandpunt is dan ook door het kabinet gesteld dat het onderhavige voorstel van wet aangepast zou worden aan dat kabinetsstandpunt. Daarnaast zouden ook de aanwijzingen voor de regelgeving aangepast worden aan dat kabinetsstandpunt.
Na het debat over dat kabinetsstandpunt, zijn twee voorstellen van wet ingediend, een voorstel houdende wijziging van de Mediawet (Kamerstukken I 28 476) en een voorstel voor een Kaderwet diervoeders (Kamerstukken I 28 173), waarin een delegatiebepaling voor versnelde implementatie van EG-regelgeving was opgenomen, door (tijdelijke) buitenwerkingstelling van die wet bij algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling mogelijk te maken. Deze wetsvoorstellen stuitten echter eveneens op principiële bezwaren van de Eerste Kamer. Na het opnieuw uiten van deze bezwaren door de Eerste Kamer besloot het kabinet tot herbezinning op het toenmalige kabinetsstandpunt.
De herbezinning heeft geleid tot een nieuw kabinetsstandpunt (Kamerstukken II 2003/04, 29 200 VI F). Het hernieuwde kabinetsstandpunt bevat drie hoofdpunten. Ten eerste dat adequate reguliere delegatie moet plaatsvinden in plaats van het vaststellen van bijzondere bepalingen. Het primaat van de wetgever en het belang van de kenbaarheid van delegatiebepalingen staan hierbij voorop. Ten tweede dient op een doelmatig niveau te worden geïmplementeerd en moeten de Staten-Generaal eerder betrokken worden bij de implementatie van EG-regelgeving. Dat betekent dat voor het niveau van implementatie aansluiting moet worden gezocht bij hetgeen is bepaald in de huidige aanwijzingen voor de regelgeving (aanwijzingen 22, 23, 25, 26 en 339). Derde hoofdpunt is de mogelijkheid van maatwerkoplossingen in noodgevallen. In noodgevallen kan eventueel worden teruggegrepen op (tijdelijke) implementatie bij ministeriële regeling. Daarnaast heeft het kabinet naar aanleiding van het nieuwe kabinetsstandpunt besloten dat de aangekondigde wijziging van de aanwijzingen voor de regelgeving niet zal plaatsvinden nu deze in grote mate overeenstemmen met het nieuwe kabinetsstandpunt. Kernpunt van dit kabinetsstandpunt is dus dat het kabinet besloten heeft af te zien van bevordering van tijdige implementatie door het opnemen van bijzondere delegatiebepalingen in nieuwe wetsvoorstellen. Ook wordt duidelijk stelling genomen tegen delegatie zonder beperking naar onderwerp. Als al kan worden geïmplementeerd bij ministeriële regeling, dan dient duidelijk te worden afgebakend welk onderwerp op een dergelijke wijze kan worden geïmplementeerd.
Het onderhavige voorstel van wet biedt de grondslag om bij lagere regeling af te wijken van de wet, indien die wet strijdig is met een EG-verordening. Het huidige kabinetsstandpunt acht bijzondere delegatiebepalingen met of zonder de mogelijkheid tot afwijking van de wet niet nodig. Het onderhavige voorstel van wet is daarom in belangrijke mate onverenigbaar met het huidige kabinetsstandpunt.
De principiële bezwaren van de Eerste Kamer en het hernieuwde kabinetsstandpunt over de toelaatbaarheid van bijzondere delegatiebepalingen om versnelde implementatie mogelijk te maken hebben mij aanleiding gegeven om het onderhavige voorstel van wet opnieuw te bezien.
Gelet op het voorgaande acht ik een verdere behandeling van het onderhavige voorstel van wet tot wijziging van de Wet milieubeheer (toevoeging bepalingen over internationale zaken) niet zinvol.
Daartoe gemachtigd door de Koningin trek ik het voorstel van wet hierbij in.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-25991-7.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.