25 964
Gevangenis Koraal Specht

nr. 2
BRIEF VAN DE MINISTER VOOR NEDERLANDS-ANTILLIAANSE EN ARUBAANSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage 16 april 1998

Op 1 april jl. zond u mij het stenografisch verslag van het ordedebat van diezelfde datum met het verzoek van de heer Van Oven om het rapport van het Europees Comité ter Voorkoming van Foltering en Onmenselijke en Vernederende Behandeling of Bestraffing (Commission for Prevention of Torture (CPT)) over de situatie in de strafgevangenis Koraal Specht te Curaçao aan de Tweede Kamer aan te bieden.

In aansluiting op mijn brieven van 30 januari 1998, en 1 april jl., alsmede met verwijzing naar hetgeen ik heb opgemerkt in het Algemeen Overleg met de Vaste Commissie voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken van 8 april jl., bericht ik u dat mijn ambtgenoot van Buitenlandse Zaken het onlangs ontvangen rapport van bovengenoemd Comité voor commentaar heeft doorgeleid aan de regering van de Nederlandse Antillen. De Nederlands-Antilliaanse regering is daarbij verzocht om op zeer korte termijn op het rapport te reageren en in te stemmen met openbaarmaking daarvan. Conform artikel 11 van het Verdrag draagt het rapport een confidentieel karakter tot het moment dat door de betrokken regering wordt ingestemd met publicatie. Ik kan dus thans nog niet voldoen aan het verzoek van de heer Van Oven.

Na ontvangen instemming van de Nederlands-Antilliaanse regering zal ik bevorderen dat het rapport zo spoedig mogelijk aan u wordt aangeboden.

Een afschrift van deze brief zend ik aan de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, de gevolmachtigde minister van de Nederlandse Antillen en de Minister van Buitenlandse Zaken.

De Minister voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken,

J. J. C. Voorhoeve

Naar boven