25 897
Ontslag Voorzitter College van Procureurs-Generaal

nr. 1
BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 17 februari 1998

Bij mijn brief van 13 februari jl. (25 852, nr. 10) inzake het rapport-Dolman, deelde ik uw Kamer naar aanleiding van vragen over de positie van de heer Docters van Leeuwen mede, dat ik uw Kamer zou inlichten zodra ik een definitief besluit zou hebben genomen. Ik kan thans mededelen dat bij koninklijk besluit van heden aan de heer Docters van Leeuwen eervol ontslag is verleend op de voet van artikel 99 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, waarbij op de voet van het tweede lid van dat artikel een wachtgeldregeling is vastgesteld. In het onderstaande ga ik in op de achtergronden van het ontslag en op de wachtgeldregeling die in dat verband tot stand is gekomen.

Naar aanleiding van de gebeurtenissen die zich de afgelopen weken hebben voorgedaan, heb ik mij moeten beraden op het vertrouwen dat persoonlijk en institutioneel moet bestaan tussen de minister van Justitie en een procureur-generaal, in het bijzonder de voorzitter van het College van procureurs-generaal.

Op 26 januari 1998 schreef ik aan uw Kamer onder meer het volgende:

«De vraag is aan de orde of de opstelling van het College van procureurs-generaal en in het bijzonder die van de Voorzitter van het College te verenigen valt met hetgeen van hem verwacht mag worden.

Alvorens nader op deze vraag in te gaan merk ik op dat tussen het College en mij dezelfde uitgangspunten dienen te gelden als tussen ambtenaren en politiek verantwoordelijken in het algemeen. Onverminderd de bijzondere positie die het openbaar ministerie in ons staatsbestel inneemt, is de positie van de leden van het openbaar ministerie immers niet anders dan die van andere ambtenaren. Juist de bijzondere taken die het openbaar ministerie vervult, maken het nodig dat het College zich hiervan voortdurend rekenschap geeft. De voorzitter van dat College is daarbij voor mij het eerste aanspreekpunt. Dat vraagt om een bijzondere vertrouwensband.

Voor de beantwoording van de hiervoor gestelde vraag is het volgende van belang.

In het rapport dat dr. D. Dolman op mijn verzoek heeft opgesteld wordt het volgende geresumeerd:

«a. dat Steenhuis, op verzoek van Kampen, Bakkenist de weg wees op het ministerie;

b. dat hij de gelegenheid kreeg kanttekeningen te plaatsen bij de concept-offerte en

c. dat Onnes, nadat de opdracht aan Bakkenist was gegund, het risico van belangenvermenging aan Steenhuis voorhield en zich door hem persoonlijk liet geruststellen.

Deze feiten en omstandigheden geven naar mijn oordeel blijk van een vertrouwelijke sfeer tussen de onderzoekers en Steenhuis. De vraag kan dan rijzen of tijdens het onderzoek de band van Steenhuis met Bakkenist onbewust toch al dan niet van invloed is geweest op de wederzijdse bejegening van de onderzoekers en Steenhuis en in het verlengde daarvan op de inhoud van het rapport. Concrete aanwijzingen daartoe zijn ook mij niet gebleken.».

Over de feiten bestaat geen verschil van mening. Daargelaten welke rechtspositionele gevolgen daaraan precies moeten worden verbonden voor wat betreft de positie van de heer Steenhuis, moet voorop staan dat een dergelijke gang van zaken niet had mogen plaatsvinden.

In verband met de vereiste zorgvuldigheid jegens de heer Steenhuis heb ik het noodzakelijk geacht dat vastgesteld wordt hoe zijn handelen en nalaten zich hebben verhouden tot wat van hem mocht worden verwacht, gelet op zijn bevoegdheden, verantwoordelijkheden en professionaliteit als procureur-generaal. Daartoe heb ik mr. J. E. B. van Julsingha en prof. mr. H. Franken gevraagd mij hierover hun oordeel te geven.

Helaas heb ik moeten constateren dat er een verschil van inzicht bestaat tussen mijzelf en de voorzitter van het College omtrent de appreciatie van hetgeen is voorgevallen. Dit was het kernprobleem dat in de besprekingen op donderdagavond 22 januari bleek. Van de voorzitter van het College mocht worden verwacht dat hij onderkende dat hetgeen is voorgevallen mede het aanzien van het openbaar ministerie raakt en dat hij daarin zijn eigen verantwoordelijkheid zou hebben genomen. Daarentegen heeft hij zich als belangenbehartiger van de heer Steenhuis tegenover de minister opgesteld.

Het voorgaande kan mede worden geadstrueerd aan de hand van de gang van zaken met betrekking tot het aanhangig gemaakte kort geding. Niet is immers gebleken dat de voorzitter de heer Steenhuis heeft ontraden een dergelijk kort geding aanhangig te maken, ook nu dat plaatsvond op een moment waarop noch de heer Steenhuis noch de voorzitter kennis had kunnen nemen van het rapport, laat staan daarover met mij had kunnen overleggen. Reeds 's middags was daaromtrent een kort geding aangekondigd, welk bericht even na 17.30 uur de Landsadvocaat bereikte.

Uiteraard heeft een ieder het recht om een (rechtspositioneel) geschil aan de rechter voor te leggen, ook procureur-generaal Steenhuis, maar het is aan de voorzitter van het College van procureurs-generaal om in een dergelijk geval open overleg mogelijk te maken in plaats van het aanvangen van rechtsmaatregelen te ondersteunen. Bovendien heeft hij als voorzitter van het College niet tegengegaan dat het gehele College in de kwestie werd betrokken waardoor deze nadrukkelijk werd gecollectiveerd. Daardoor is een situatie, althans een beeld, geschapen van een College (een openbaar ministerie) dat zich opstelt tegenover de minister en is het beeld van een gezagscrisis ontstaan. Dit is buitengewoon schadelijk, voor het openbaar ministerie en voor het aanzien van Justitie in het algemeen.».

Ik heb daarnaast het volgende overwogen.

Op 14 januari jl. gaf de heer Steenhuis schriftelijk een overzicht van de naar zijn visie relevante feiten en achtergronden van zijn nevenfunctie bij Bakkenist en van zijn betrokkenheid bij de offerte voor de uitvoering van het onderzoek-Groningen. Uit dit overzicht bleek niet alleen van de nevenfunctie van de heer Steenhuis bij Bakkenist, maar ook bij voorbeeld van zijn betrokkenheid bij het concept voor de offerte van Bakkenist. Reeds dit loutere feit, dat aan de heer Docters van Leeuwen bekend was, rechtvaardigde – gegeven de aard en het onderwerp van het onderzoek-Groningen, de sensitiviteit van dit onderzoek en de verantwoordelijkheid die de heer Steenhuis als procureur-generaal droeg – alleen al in bestuurlijk en politiek opzicht de kwalificatie «ernstig» die ik verwoordde in het gesprek dat ik met de heren Docters van Leeuwen en Steenhuis diezelfde dag voerde. Naar mijn persoonlijk oordeel lagen op grond van de beschrijving van de heer Steenhuis ook toen al voldoende feiten vast die het buitengewoon kwestieus maakten of de heer Steenhuis zich wel had gedragen in overeenstemming met de normen die hij als procureur-generaal in acht had te nemen.

Reeds bij dit gesprek op 14 januari jl. viel mij op dat de heren Steenhuis en Docters van Leeuwen afstand namen van mijn oordeel. Van de heer Steenhuis kon ik dat als rechtstreeks betrokkene nog billijken, van de heer Docters van Leeuwen als voorzitter van het College niet. Deze lijn heeft de heer Docters van Leeuwen in de periode daarna doorgetrokken. Hij stond matiging in de mogelijke reacties mijnerzijds jegens de heer Steenhuis voor en dacht daarbij in termen van door mij opgelegde eisen, waarbij hij niet onder ogen wilde zien dat de beoordeling van de proporties van het gebeurde kennelijk aanzienlijk verschilde. Dat de heer Steenhuis geheel uit eigen beweging consequenties zou kunnen en moeten verbinden aan het gebeurde werd door de heer Docters van Leeuwen niet geopperd. Het standpunt van het College dat van verdere samenwerking met de heer Steenhuis alleen sprake zou kunnen zijn, indien uit het onderzoek van dr. Dolman niet zou blijken van op daadwerkelijke belangenverstrengeling wijzende feiten, getuigde van hetzelfde verschil van inzicht. Dat standpunt is immers uiterst restrictief. Het gaat in deze om meer dan alleen daadwerkelijke belangenverstrengeling, d.w.z. aan kwade trouw grenzende gedragingen. Het gaat mede om de schijn van belangenverstrengeling die behoort te worden vermeden. Ook te goeder trouw kunnen ernstige fouten worden gemaakt. De mening dat de heer Docters van Leeuwen zelf en de overige leden van het College geen standpunten in het overleg met mij kenbaar zouden mogen maken wanneer ik uit een oogpunt van juridische zorgvuldigheid een verdere externe juridische toets noodzakelijk vind, achtte ik onjuist. Van de procureurs-generaal en in het bijzonder van de voorzitter van het College mag worden verwacht dat zij een eigen oordeel hebben over de wijze waarop een procureur-generaal in gevallen als deze behoort te handelen en die opvatting ook aan mij kenbaar maken zodat ik die bij mijn beoordeling kan betrekken.

Deze appreciatieverschillen culmineerden op de donderdagavond, 22 januari 1998. Ook toen richtte de heer Docters van Leeuwen zijn weerstand naar aanleiding van het concept van de brief aan de Kamer op de daarin voorkomende woorden als «ernstig» en «maatregelen». Hij gaf opnieuw geen blijk van een autonoom oordeel over de toen voorliggende feiten. Het ging hem om de positie van de heer Steenhuis, niet om het bredere perspectief dat ik onder ogen moest zien. Een waardering van en advisering over de feiten die toen voorlagen vermeed hij.

Het kort geding dat door de heer Steenhuis aanhangig werd gemaakt speelde op de betrokken donderdagavond een merkwaardige rol. In de eerste plaats was de inzet van het kort geding allerminst om enkele uren meer ruimte te scheppen voor kennisneming van en overleg over het rapport Dolman dan was voorzien. Blijkens de dagvaarding ging het er in het kort geding niet om dat de heer Steenhuis hooguit anderhalf uur de tijd zou krijgen voor kennisneming van een rapport dat hij nog niet kende maar dat kennelijk ernstige uitkomsten bevatte, alsmede voor beraad en juridisch advies over zijn rechtspositie bij een oordeel dat hij nog niet kende maar dat naar buiten gebracht zou worden; de rechtsmaatregel van de heer Steenhuis had als grondslag uitsluitend en alleen een vermeende toezegging van dr. Dolman en had ten doel te verhinderen dat gedurende 48 uur aan het rapport enige bekendheid werd gegeven, waardoor mijn voornemen om de Tweede Kamer op korte termijn te informeren, zou worden gefrustreerd. Het aangezegde kort geding is ook niet onmiddellijk ingetrokken nadat de heren Steenhuis en Docters van Leeuwen hadden kunnen kennisnemen van het rapport van dr. Dolman en van het concept voor de brief aan de Tweede Kamer, waarin mijn voornemens voor vervolgstappen werden verwoord. Uit het concept voor mijn brief aan de Tweede Kamer bleek onmiskenbaar dat ik op dat moment nog geen besluiten over eventuele rechtspositionele maatregelen jegens de heer Steenhuis had genomen of in voorbereiding wilde nemen. Het rapport van dr. Dolman zelf bevat een kort en overzichtelijk relaas van feiten die op hoofdpunten reeds aan de heren Docters van Leeuwen en Steenhuis bekend waren. Waarom in dit licht de heer Steenhuis tot laat in de avond bij de vordering in kort geding bleef insisteren, is mij niet duidelijk geworden. Tijdens het gesprek erkende de heer Steenhuis in aanwezigheid van de heer Docters van Leeuwen overigens dat de heer Dolman niet in de positie was enige toezegging te doen en dat de heer Dolman zulks ook aan hem kenbaar had gemaakt. Dat de heer Docters van Leeuwen van de rechtsmaatregel in ieder geval na lezing van de stukken geen afstand heeft genomen, betreur ik zeer. Het kort geding heeft een uiterst oneigenlijk beslag gelegd op het overleg dat wij moesten voeren, mede gelet op mijn verantwoordelijkheid jegens de Staten-Generaal. Niet uit te sluiten valt dat de heer Docters van Leeuwen aan de heer Steenhuis heeft voorgehouden dat een kort geding de verhoudingen op scherp zette en deze juridificeerde zodat het nog maar de vraag zou zijn of er in het geval van een aangespannen kort geding een weg terug zou zijn, maar daarvan is mij niet gebleken. En in ieder geval is mij niet gebleken dat de heer Docters van Leeuwen daarbij zijn verantwoordelijkheid als voorzitter zou hebben genomen.

De publiciteit rond het kort geding is, mede gezien het openbare karakter daarvan, in dit soort gevallen een onvermijdelijk fenomeen. Dat had de heer Docters van Leeuwen zich kunnen en moeten realiseren. Reeds om 14.00 uur deden geruchten in de pers de ronde dat voorbereidingen werden getroffen voor een dergelijk kort geding.

Dat de commotie in de media over hetgeen zich de betrokken donderdagavond op het departement afspeelde aan de heer Docters van Leeuwen is ontgaan, komt mij onaannemelijk voor. Reeds tijdens het eerste gesprek dat op de bewuste avond werd gevoerd, bracht de heer Steenhuis ter sprake dat de druk van de pers groot was. Bovendien voegde zijn raadsvrouwe zich omstreeks 20.30 uur bij het gezelschap; zij heeft zich om het departement te betreden door een haag van journalisten moeten heenwerken. Ten slotte bevond zich in het gezelschap een medewerker van het parket-generaal die althans een deel van het NOS-journaal van 20.00 uur heeft gezien.

Ten slotte heeft het beeld dat in de media was ontstaan en dat de heer Docters van Leeuwen in ieder geval donderdagavond laat of vrijdagochtend in volle scherpte moet zijn geworden hem niet tot een onmiddellijke en rechtstreekse nadere reactie jegens mij aanleiding gegeven. Daartoe bestond in elk opzicht aanleiding, omdat in de pers op de bewuste vrijdagochtend het beeld van een gezagscrisis, kennelijk ondanks zijn persverklaring van de avond daarvoor, voluit was blijven bestaan en hij daarin aanleiding had behoren te vinden om, gelet op zijn bijzondere positie als voorzitter van het College van procureurs-generaal, tot het inzicht te komen dat het alleszins voor de hand lag om contact op te nemen hetzij met mij hetzij met de secretaris-generaal van het ministerie van Justitie. Doelstelling daarvan had behoren te zijn om op de kortst mogelijke termijn alles te ondernemen wat eraan zou kunnen bijdragen om het onstane beeld te herstellen. Hij liet de kwestie echter ook in de dagen daarna op zijn beloop en heeft ook niet voorkomen dat in de middag van vrijdag nog een persbericht werd uitgegeven door de heer Steenhuis, waar het op zijn weg had gelegen de heer Steenhuis te doen afzien van contacten met de pers; hij had kunnen en behoren te weten dat elke persverklaring weer nieuwe vragen zou oproepen die betrekking zouden kunnen hebben op de verhouding tussen mij en het College.

Aanvankelijk was ik voornemens, op 26 januari 1998 met de heer Docters van Leeuwen een gesprek te voeren teneinde hem in kennis te stellen van mijn beoordeling van de situatie zoals deze zich in de daaraan voorafgaande dagen had ontwikkeld. Het gesprek kon geen doorgang vinden, omdat de heer Docters van Leeuwen zich op 26 januari jl. ziek meldde. In antwoord op de ziekmelding heb ik de heer Docters van Leeuwen onder meer medegedeeld, ervan uit te gaan dat hij zich zou onthouden van werkzaamheden die in rechtstreeks of indirect verband staan met zijn vermelde functies. Ten slotte verzocht ik hem, alvorens zijn werkzaamheden te hervatten, zich tot mij te wenden voor het gesprek dat in verband met zijn ziekte op die bewuste dag geen doorgang had kunnen vinden.

Nadat twee weken waren verstreken sinds 26 januari 1998 was ik van mening dat de bestaande periode van onduidelijkheid niet nog langer kon voortduren en achtte ik het noodzakelijk de heer Docters van Leeuwen schriftelijk te benaderen. Daartoe heb ik mij bij brief van 9 februari 1998 tot hem gewend. Voor de goede orde wees ik hem er daarbij op dat ik er de voorkeur aan had gegeven hem een en ander in persoon mee te delen, maar dat ik, mede gelet op het feit dat hij, ondanks zijn ziekte, in staat was geweest mij op 27 januari jl. en op 6 februari jl. over de situatie te schrijven, meende hem mijn beoordeling op dat moment schriftelijk te kunnen voorleggen.

Ik heb de heer Docters van Leeuwen in mijn brief van 9 februari jl., na een weergave van mijn beoordeling van de situatie, medegedeeld dat het vertrouwen dat persoonlijk en institutioneel moet bestaan tussen de minister van Justitie en een procureur-generaal, in het bijzonder de voorzitter van het College van procureurs-generaal, en waaraan gelet op de positie van het openbaar ministerie hoge eisen moeten worden gesteld, was verdwenen. Om deze reden heb ik de heer Docters van Leeuwen in dezelfde brief verzocht mij mede te delen of hij bereid was zijn ontslag uit eigen beweging te verzoeken, onder aantekening dat indien deze bereidheid bij hem bestond, ik hem uitnodigde tot het voeren van overleg over een regeling op de voet van artikel 99, tweede lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement juncto artikel 39 van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren, ervan uitgaande dat zodanig overleg binnen een termijn van een week zou kunnen leiden tot overeenstemming. Ik wijs er voor de goede orde op dat ik met deze uitnodiging geheel overeenkomstig de regels handelde, dat met deze uitnodiging bovendien niet werd vooruitgelopen op de inhoud van een eventuele financiële regeling en dat de suggestie van een «gouden handdruk», die in de media wel werd gedaan, daarmee iedere grond miste.

Ik besloot mijn brief met te vermelden dat indien ik niets van hem zou vernemen, of indien hij mij zou berichten niet bereid te zijn zijn ontslag uit eigen beweging te verzoeken, ik mij genoopt zou zien hem bij H.M. de Koningin voor te dragen voor ontslag.

De heer Docters van Leeuwen heeft mij bij brief van 11 februari 1998 verzocht mijn conclusie te heroverwegen.

Uit deze brief is mij nog eens gebleken dat op een aantal punten sprake is van een onoverbrugbaar verschil in waardering van de relevante feiten en omstandigheden, onder andere ten aanzien van de feiten zoals deze reeds op 14 januari 1998 bekend waren en die naar mijn mening reeds toen – los van de noodzaak van een onderzoek door de heer Dolman en daarna nog van een nader onderzoek naar de waardering van het handelen en nalaten van de heer Steenhuis – als ernstig gekwalificeerd moesten worden.

Bovendien stelde de heer Docters van Leeuwen in zijn brief van 11 februari jl. dat ik hem niet onmiddellijk op de hoogte had gesteld van mijn beoordeling van zijn handelen en nalaten. Bij brief van 13 februari jl. heb ik hem medegedeeld dat deze vaststelling voorbij gaat aan hetgeen ik nu juist in mijn eerdere brief naar voren had gebracht. Het gaat immers, juist in de bijzondere verhouding tussen de minister van Justitie en de voorzitter van het College van procureurs-generaal, niet aan dat de minister, in een situatie als waarover het gaat, de voorzitter voortdurend op zijn verantwoordelijkheid moet wijzen, grenzen moet stellen aan zijn optreden of hem verschillen van inzicht moet inscherpen. Waar het wel om gaat is dat van de voorzitter verwacht mag worden dat hijzelf beseft welke opstelling van hem wordt verwacht. Dit element heeft een belangrijke bijdrage gegeven aan het verdwijnen van vertrouwen. Dat op bepaalde momenten door mij beslissingen waren genomen waarbij rekening werd gehouden met de opvattingen van de heer Docters van Leeuwen en waarmee hij dan ook kon instemmen, beoogde het overleg over de ontstane situatie niet nog verder te bemoeilijken. Het is het proces van tot stand komen van beslissingen dat ik aan de orde heb gesteld.

Aan het slot van mijn brief van 13 februari 1998 heb ik de heer Docters van Leeuwen medegedeeld dat de door hem aangedragen feiten en de door hem weergegeven waardering van de gebeurtenissen mij bij heroverweging niet hebben geleid tot een wijziging van mijn conclusie. Daarbij heb ik vanzelfsprekend meegewogen de omstandigheid dat de afgelopen jaren een aantal positieve ontwikkelingen onder vaak moeilijke omstandigheden in gang is gezet. Mijn verantwoordelijkheid als minister van Justitie vordert echter dat er een persoonlijk en institutioneel vertrouwen moet bestaan tussen de minister van Justitie en de voorzitter van het College van procureurs-generaal. Zoals ik hiervoor heb uiteengezet, moet ik constateren dat dat vertrouwen is verdwenen.

Om die reden heb ik hem wederom verzocht mij mede te delen of hij bereid was tot het uit eigen beweging aanbieden van zijn ontslag. Bij brief van 16 februari jl. heeft zijn raadsman mij medegedeeld dat zulks niet het geval was en heeft deze slechts aangedrongen op een nader onderzoek. Hem is meegedeeld dat uit de gewisselde correspondentie blijkt van een onoverbrugbaar verschil van waardering van de feiten en van de over en weer bestaande verwachtingen omtrent het handelen van de ander en dat de vertrouwensbreuk hierin mede haar oorzaak vindt; dergelijke verschillen kunnen niet worden verkleind door een nader onderzoek.

Op grond van het voorgaande heb ik mij genoodzaakt gezien de heer Docters van Leeuwen voor te dragen voor eervol ontslag op de voet van artikel 39 van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren in samenhang met artikel 99 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, teneinde daarmee de weg vrij te maken voor benoeming van een andere procureur-generaal bij het gerechtshof te Den Haag en tevens de weg vrij te maken voor aanwijzing van een andere voorzitter van het College van procureurs-generaal.

Ten aanzien van de voorgestelde financiële regeling in artikel 2 moge het volgende ter toelichting dienen. Vooraf merk ik op dat ik pas op 16 februari jl. om 16.45 uur, nadat mij was gebleken dat de heer Docters van Leeuwen niet inging op mijn verzoek aangaande een ontslag op eigen verzoek en derhalve overleg over een financiële regeling niet aan de orde kon zijn, na overleg met de Landsadvocaat overwogen heb wat de inhoud van de regeling zou moeten zijn. Daarbij heb ik vanzelfsprekend achtgeslagen op de motie-Wallage en op de afspraken die naar aanleiding daarvan in het kabinet zijn gemaakt. Ik verwijs naar het rapport Benoeming, beloning en ontslag van topfunctionarissen in de (semi)publieke sector, dat overigens is besproken in het Algemeen Overleg van 21 maart 1997 (Kamerstukken 24 253 enz., nr. 5).

Gezien de leeftijd, ervaring en kwaliteiten van de heer Docters van Leeuwen moet worden aangenomen dat hij in staat is een andere functie op een hem passend niveau te verkrijgen. Ik zal hem bij het zoeken naar een dergelijke functie behulpzaam zijn, waar mij dit naar mijn oordeel mogelijk is. Gegeven de omstandigheden waaronder aan de heer Docters van Leeuwen ontslag wordt verleend, is het redelijk een periode in het leven te roepen gedurende welke hij in de gelegenheid is deze functie te verwerven zonder dat er sprake is van inkomensachteruitgang of achteruitgang in pensioenopbouw. Deze periode wordt analoog aan de gebruikelijke termijn voor een herplaatsingsonderzoek gesteld op achttien maanden. In afwijking van artikel 7, eerste lid, Rijkswachtgeldbesluit 1959 wordt het bedrag van het wachtgeld gedurende de eerste achttien maanden gesteld op 100 procent van de bezoldiging, zodat eerst na ommekomst van deze achttien maanden het wachtgeld gelijk is aan 70 procent van de bezoldiging. Voorts wordt de aan de heer Docters van Leeuwen toegekende schadeloosstelling uit hoofde van artikel 46 Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren voor maximaal dezelfde periode gecontinueerd. Ten slotte worden, indien de heer Docters van Leeuwen zulks wenst en hij daartoe tijdig een schriftelijk verzoek doet als bedoeld in artikel 16.1 lid 4 Pensioenreglement ABP, de kosten van een vrijwillige aanvullende voortzetting van het ABP-pensioen als bedoeld in artikel 16.1 lid 3 aanhef en onder b Pensioenreglement ABP over die periode vergoed.

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

Naar boven