Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum indiening
Tweede Kamer der Staten-Generaal1998-199925891-(R1609) nr. 5

25 891 (R 1609)
Wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap met betrekking tot de verkrijging, de verlening en het verlies van het Nederlanderschap

nr. 5
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 13 november 1998

Het onderhavige voorstel van rijkswet kent een lange voorgeschiedenis. Het verheugt mij dat dit voorstel thans in grote lijn gunstig is ontvangen. Op de in het verslag gemaakte opmerkingen zal hier in het algemeen en vervolgens artikelsgewijs worden geantwoord.

Algemeen

De leden van de PvdA-fractie wijzen er in de aanvang van hun reactie op, dat in november 1997 het Europees Nationaliteitsverdrag totstandgekomen is, en vragen zich af of de goedkeuring van dit Verdrag niet vooraf moet gaan aan de behandeling van het voorliggende wetsvoorstel. Het op 6 november te Straatsburg tot stand gekomen Verdrag inzake nationaliteit (Trb. 1998, 10) is de opvolger van het op 6 mei 1963 te Straatsburg tot stand gekomen Verdrag betreffende beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende de militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit en de daarbij behorende Protocollen. Het Europees Nationaliteitsverdrag regelt echter niet alleen de gevallen van meervoudige nationaliteit, maar tracht een omvattende regeling te geven van de belangrijkste nationaliteitsrechtelijke gevolgen van de recente ontwikkelingen in het internationale recht, in het bijzonder met betrekking tot de rechten van de mens en de burgerlijke en politieke rechten. Zo bevat het Europese Nationaliteitsverdrag bepalingen over het recht op een nationaliteit, de vermijding van staatloosheid en de non-discriminatie in het nationaliteitsrecht. Ook bevat het Verdrag een uitvoerige regeling van de algemene beginselen van de verkrijging en het verlies van een nationaliteit. Daarbij wordt in het bijzonder aandacht besteed aan de nationaliteitsverkrijging door staatlozen en vluchtelingen, en door kinderen, echtgenoten en immigranten van de tweede generatie; de bijzondere positie van deze tweede groep was reeds in het Tweede Protocol bij het Verdrag van Straatsburg geregeld. De regering is voornemens U dit Verdrag binnenkort ter goedkeuring voor te leggen met daarbij het voorstel een voorbehoud te maken met betrekking tot artikel 7, tweede lid, van het Verdrag. Artikel 7, tweede lid, van het Verdrag geeft de Verdragsstaten het recht te bepalen dat het minderjarige kind zijn nationaliteit verliest indien zijn ouders die nationaliteit verliezen, tenzij het daardoor staatloos wordt. De tekst van artikel 7, tweede lid, laat naar zijn bewoordingen toe het kind zijn nationaliteit te laten verliezen als zijn ouders afstand doen. De toelichting op artikel 7, tweede lid, echter beperkt dit verlies van rechtswege tot de gevallen voorzien in artikel 7, eerste lid, daaronder valt niet het geval van artikel 8 van het verdrag, nl. dat zijn ouder afstand doet. Deze onverenigbaarheid van het huidige en het voorgestelde artikel 16 van de Rijkswet op het Nederlanderschap met het Europese nationaliteitsverdrag kan opgelost worden door een voorbehoud te maken bij het Verdrag ten aanzien van artikel 7, tweede lid. Het Verdrag staat het maken van een dergelijk voorbehoud toe (artikel 29). Met dit voorbehoud kan de in artikel 16 van de Rijkswet gegeven regeling die mede gebaseerd is op eenheid van nationaliteit in het gezin en beperking van meervoudige nationaliteit, in stand blijven. De Rijkswet op het Nederlanderschap zal na aanvaarding van dit voorbehoud en van het thans voorliggende wijzigingsvoorstel een regeling van het nationaliteitsrecht geven, die aansluit bij het Europese Nationaliteitsverdrag. Een parlementaire aanvaarding van het Europese Verdrag zal dan ook niet leiden tot wijziging van het thans voorliggende wetsvoorstel, indien enige geringe wijzigingen die thans bij nota van wijziging worden voorgesteld, worden aanvaard. Om die reden is het niet noodzakelijk de parlementaire behandeling van het Europees Nationaliteitsverdrag af te wachten. Dat zou immers betekenen dat de dringend noodzakelijke wijziging van enkele bepalingen van de Rijkswet zoals die betreffende het in artikel 15, onder c, geregelde verlies van rechtswege van het Nederlanderschap, zouden worden uitgesteld. Hierna zal in deze nota een enkele maal op de verhouding tussen het Nationaliteitsverdrag en de voorgestelde wijziging van de Rijkswet worden teruggekomen, en zullen enkele geringe aanpassingen van het voorstel worden besproken.

De leden van de PvdA-fractie constateren dat de optiemogelijkheid voor de tweede generatie immigranten bemoeilijkt wordt. Hoewel ik op deze vraag in het bijzonder bij de behandeling van artikel 6 zal terugkomen, wijs ik hier reeds erop dat de voorgestelde optieregeling van een enigszins ander karakter is dan de bestaande door de invoering van een administratieve optiebevestiging, die een constitutief vereiste is van de verkrijging van het Nederlanderschap door optie. Door de invoering van deze bevestiging wordt het mogelijk een grote groep vreemdelingen op een in vergelijking tot de naturalisatie eenvoudige en snelle wijze het Nederlanderschap te laten verkrijgen en deze verkrijging tevens te doen uitstrekken over de in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba gevestigde kinderen van die personen. De uitbreiding van de mogelijkheden om via optie het Nederlanderschap te verkrijgen bracht de noodzaak mee om althans voor een aantal optiecategorieën de openbare ordetoets-eis te stellen. Op de vraag of in alle in artikel 6, eerste lid, genoemde categorieën het vereiste van een openbare orde-toets terecht gesteld wordt, zal bij de bespreking van dat artikel worden teruggekomen.

De leden van de VVD-fractie vragen naar de mogelijkheden om verlies van het Nederlanderschap te voorkomen. Wat gebeurt er bijvoorbeeld indien iemand in Zuid-Afrika in de jaren zestig het Nederlanderschap heeft verkregen door huwelijk, hij altijd op een Nederlands paspoort heeft gereisd en op 1 januari 1995 de Nederlandse nationaliteit heeft verloren. Hoewel op deze vraag meer specifiek wordt teruggekomen bij de behandeling van artikel 15 is het zinvol reeds hier enige algemene opmerkingen te maken over dat verlies, nu daarover door veel oud-Nederlanders aan Uw Kamer en aan ons is geschreven. Artikel 15 regelt het verlies van het Nederlanderschap voor meerderjarigen. De onderdelen a, b en d van het eerste lid van artikel 15 zijn niet gewijzigd; zij betreffen verliesgronden waarbij de betrokkene door zijn doen of nalaten rechtstreeks invloed heeft op het verlies. Dat is niet het geval in artikel 15, eerste lid, onder c. Onderdeel c van het eerste lid ziet alleen op personen die naast het Nederlanderschap een vreemde nationaliteit bezitten. Deze personen verliezen het Nederlanderschap indien zij gedurende een onafgebroken periode van tien jaar hun hoofdverblijf hebben buiten Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba, en buiten de gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is. Een uitzondering hierop vormen zij die in dienstverband met Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba dan wel met een internationaal orgaan waarin het Koninkrijk is vertegenwoordigd, of als echtgenoot van of als ongehuwde in een duurzame relatie samenlevend met een persoon in een zodanig dienstverband, hun hoofdverblijf buiten de genoemde gebieden hebben.

Het verlies van het Nederlanderschap kan gedurende de periode van tien jaar door stuiting voorkomen worden. Het wordt gestuit zodra de persoon gedurende ten minste één aaneen gesloten jaar zijn hoofdverblijf heeft in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba dan wel in de gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is. Tevens wordt het verlies gestuit door de verstrekking van een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap dan wel een reisdocument in de zin van de Paspoortwet.

In het bovengenoemde voorbeeld heeft betrokkene op 1 januari 1995 het Nederlanderschap verloren op grond van het huidige artikel 15, aanhef en onder c. Immers, op grond van die bepaling verliest een meerderjarige Nederlander het Nederlanderschap indien hij na zijn meerderjarigheid een ononderbroken periode van tien jaar woont in het land waarin hij geboren is en waarvan hij eveneens de nationaliteit bezit. Betrokkene had verlies van het Nederlanderschap slechts kunnen voorkomen door binnen deze tien jaar zijn woonplaats te verplaatsen naar een ander land dan zijn geboorteland. Hij kon en kan het Nederlanderschap herkrijgen door een verzoek tot naturalisatie te doen; artikel 8, derde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap bepaalt dat oud-Nederlanders niet behoeven te voldoen aan het vereiste dat zij gedurende enige tijd voorafgaand aan het naturalisatieverzoek in Nederland woonplaats of werkelijk verblijf hebben gehad. Wel zal hij moeten voldoen aan de overige vereisten voor naturalisatie, zoals de inburgerings- en taaleisen, het vereiste van geen bezwaar tegen verblijf voor onbepaalde termijn en het vereiste dat er geen gevaar is voor de openbare orde. Ook zal hij niet mogen wonen in het land waarvan hij onderdaan is. Het feit dat betrokkene niet op de hoogte was van de betreffende verliesbepaling heeft noch in de regeling van het verlies van het Nederlanderschap, noch in die van de herverkrijging daarvan enige invloed.

Op grond van het thans voorgestelde artikel V, tweede lid, wordt betrokkene echter geacht het Nederlanderschap niet te hebben verloren, indien aan hem in een periode van enige jaren voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van de «nieuwe» Rijkswet een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap dan wel een reisdocument in de zin van de Paspoortwet is verstrekt (In bijgaande nota van wijziging wordt voorgesteld deze periode op tien jaar te stellen, zie hieronder ad Artikel V). Op de dag der verstrekking vangt de termijn van tien jaar van het voorgestelde artikel 15, eerste lid, onder c, aan. Heeft betrokkene zo'n document niet, dan kan hij op grond van artikel V, eerste lid, binnen één jaar na de inwerkingtreding door het afleggen van een daartoe strekkende verklaring het Nederlanderschap herkrijgen. Deze verklaring kan ook in het buitenland worden afgelegd bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging. De herkrijging werkt terug tot het moment van verlies. Overigens voorziet het huidige wetsvoorstel in artikel 6, eerste lid, onder f, in een algemene optiebepaling voor oud-Nederlanders.

Naar aanleiding van de opmerking van de leden van de CDA-fractie dat in de memorie van toelichting onvoldoende wordt ingegaan op de mate van integratie die nodig is voor het verkrijgen van het Nederlanderschap, kan het volgende worden opgemerkt. Zoals in de memorie van toelichting gesteld, is de verkrijging van het Nederlanderschap een belangrijke stap in de integratie van de immigrant. Dat overigens van de naturalisandus reeds een ruime mate van inburgering gevraagd wordt alvorens hem of haar het Nederlanderschap wordt verleend, blijkt duidelijk uit de vereisten die artikel 8 voor de verkrijging van het Nederlanderschap stelt. Ook blijkt het vereiste van een belangrijke mate van integratie uit het in artikel 9 gestelde vereiste van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit. Dit afstandsvereiste bestaat reeds in de huidige Rijkswet op het Nederlanderschap en is na discussies daarover in het kader van met name wetsvoorstel 23 029 (R 1461), de zogenaamde «eerste tranche» gehandhaafd, zij het met aanpassing in verband met het Tweede Protocol bij het Verdrag van Straatsburg. Ook wijs ik erop dat reeds bij de schriftelijke en mondelinge behandeling van wetsvoorstel 23 029 (R 1461), zowel door de Tweede Kamer als door mijn ambstsvoorganger in ruime mate is ingegaan op het voorgestelde artikel 8, eerste lid, onder d, dat de eis van integratie regelt. Bij die gelegenheid heeft een groot deel van de Kamer aan het door mijn ambtsvoorgangers voorgestelde artikel en de daarbij gegeven toelichting zijn instemming gegeven.

De leden van de CDA-fractie vragen hoe de voorlichting over deze wet naar Nederlanders in het buitenland vorm zal krijgen. De Nederlanders in het buitenland zullen in ieder geval op dezelfde wijze worden geïnformeerd als omstreeks 1985 is gebeurd toen de huidige Rijkswet op het Nederlanderschap van kracht werd. Zo zullen alle Nederlandse diplomatieke en consulaire vertegenwoordigingen een voorlichtingstekst krijgen toegestuurd, die zal worden opgehangen in de bezoekersruimten van de vertegenwoordigingen. Aan geïnteresseerden zal op hun verzoek een kopie worden verstrekt. Verder wordt aan alle bij het ministerie van Buitenlandse Zaken bekende belangenbehartigingsorganisaties in het buitenland een voorlichtingstekst toegestuurd. Ook zullen in overleg met die belangenbehartigingsorganisaties voorlichtingsbijeenkomsten worden georganiseerd ten behoeve van de in het buitenland wonende Nederlanders. Deze voorlichting zal worden verzorgd door aan de vertegenwoordigingen verbonden ambtenaren, respectievelijk ambtenaren van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Bovendien zal het ministerie van Buitenlandse Zaken via Radio Nederland Wereldomroep voorlichting geven. Ook stel ik mij voor om deze informatie via Internet te verspreiden.

Voor de opmerkingen van de leden van de fractie van D66 dat het te betreuren is, dat de voorstellen in eerste instantie gedaan, onvoldoende draagvlak in het parlement hadden, heb ik veel begrip. Ik meen echter dat met het thans voorliggende wetsvoorstel een zodanige wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap wordt gerealiseerd, dat enerzijds de inhoudelijke en technische veranderingen worden voorgesteld, die noodzakelijk zijn om de rijkswet aan te passen aan de maatschappelijke en juridische veranderingen die zich sinds 1985 hebben voorgedaan. Anderzijds wordt in het voorstel voldoende rekening gehouden met de gevoelens van de beide Kamers der Staten-Generaal om op een aanvaarding ervan op korte termijn te mogen rekenen. De lange voorgeschiedenis van deze wetswijziging brengt mee, dat enige veranderingen zo noodzakelijk zijn geworden, dat de wettelijke regeling daarvan thans dringend gewenst is.

Deze leden vragen tevens of bonafide erkenningen niet onevenredig zwaar getroffen worden door de voorstellen. Ik wil niet ontkennen dat erkende kinderen in een nadeliger positie komen te verkeren dan thans het geval is. Echter schijnerkenningen zijn een duidelijk probleem voor de Nederlandse maatschappij als zodanig. Zoals ik bij de bespreking van artikel 6 nader uiteen zal zetten, kunnen de nadelen daarenboven voorkomen worden door het kind nog vóór zijn geboorte te erkennen. In dat geval verkrijgt het kind vanaf geboorte het Nederlanderschap. Overigens geldt in het algemeen dat het belang van het kind om het Nederlanderschap te bezitten veelal eerst op oudere leeftijd zal gaan spelen. In zeer bijzondere gevallen kan overwogen worden het kind te naturaliseren met toepassing van artikel 10.

Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat erkende kinderen weliswaar in een enigszins nadeliger positie komen te verkeren, maar dat dit bij afweging van de betrokken belangen gerechtvaardigd is gelet op het doel van de voorgestelde regeling, namelijk het tegengaan van schijnerkenningen.

De leden van de GroenLinks-fractie willen graag meer uitleg omtrent de wijze van aanvraag en verlening van een vergunning tot verblijf indien de betrokkene zich in het buitenland bevindt. Met name vragen zij of voor Turkse werknemers en hun gezinsleden op grond van Besluit 1/80 de afgifte van een verblijfsvergunning bepalend is voor het verblijfsrecht. De aangehaalde passage in de Memorie van Toelichting kan als volgt worden aangevuld. Met de mogelijkheid om in het buitenland om toelating tot Nederland te vragen is gedoeld op de procedure waarmee reeds in het buitenland het toelatingsproces in gang kan worden gezet door het doen van een verzoek bij de Nederlandse vertegenwoordiging om een machtiging tot voorlopig verblijf. De beslissing op deze aanvraag dient in het buitenland te worden afgewacht. De machtiging is in het algemeen, behoudens ten aanzien van enkele met name genoemde categorieën vreemdelingen, een voorwaarde voor het in behandeling kunnen nemen van een aanvraag om toelating. Rechtens gezien vraagt men niet om toelating, maar om een visum om naar Nederland te kunnen gaan voor een verblijf van langer dan drie maanden. Wordt de machtiging verleend dan verkrijgt betrokkene op het moment dat hij nog in het buitenland verblijft toestemming om naar Nederland te komen en daar de aanvraag om toelating te doen. Hij dient zich binnen drie dagen na aankomst in Nederland te vervoegen bij de vreemdelingendienst van de politieregio, waaronder de gemeente waar hij verblijft, ressorteert en wordt daar in de gelegenheid gesteld een vergunning tot verblijf aan te vragen. Behoudens bijzondere omstandigheden wordt de vergunning in de regel verleend. Vanaf dat moment is er sprake van toelating. Het moment van de toelating is dus het moment van de verblijfsaanvaarding door de minister van Justitie. De ingangsdatum van de geldigheidsduur van de vergunning tot verblijf is de datum genoemd in de daaraan ten grondslag liggende beschikking, de datum dus waarop vast is komen te staan dat aan de voorwaarden is voldaan.

Voor toelating is een daartoe strekkend besluit een constitutief vereiste. Een uitzondering geldt voor vreemdelingen die aan een rechtstreeks werkende verdragsbepaling hun verblijfsrecht ontlenen, zoals onderdanen van EU/EER lidstaten. Zij behoeven uitsluitend een vergunning tot verblijf om het bezit van dit verblijfsrecht te kunnen aantonen.

De vraag wordt gesteld of ook voor Turkse werknemers en hun gezinnen op wie Besluit 1/80 van toepassing is een rechtstreeks verblijfsrecht geldt. Turkse werknemers die vallen onder de werking van het Besluit 1/80 ontlenen een recht op voortgezet verblijf aan het Besluit. Het Besluit is echter niet van toepassing op een eerste toelating. Het Besluit geeft Turkse onderdanen die behoren tot de legale arbeidsmarkt in Nederland onder bepaalde voorwaarden het recht om na een periode van legaal verblijf de arbeid hier te lande voort te zetten. Dit recht op voortgezette arbeid brengt ingevolge de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap tevens het recht op voortgezet verblijf met zich mee. In verreweg de meeste gevallen is hier, om rechten onder het Associatiebesluit op te kunnen bouwen, vereist dat er in eerdere instantie een geldige verblijfsvergunning is verstrekt die de betreffende werknemer in staat stelde arbeid te verrichten.

Onder omstandigheden is het denkbaar dat de Turkse werknemer die in het verleden gedurende een aantal jaren in het bezit is geweest van een geldige verblijfsvergunning maar thans zo'n vergunning mist, wel nog aanspraken op arbeid kan ontlenen aan het Besluit, indien hij tussentijds legale werkzaamheden in de zin van het Besluit verricht heeft. Ook kan een Turkse onderdaan die werkzaamheden heeft verricht op basis van een door de Nederlandse autoriteiten afgegeven tewerkstellingsvergunning zonder vergunning tot verblijf onder bepaalde voorwaarden voor naturalisatie in aanmerking komen. Indien een vreemdeling geen verblijfsvergunning heeft, maar voor naturalisatie in aanmerking wil komen en zich beroept op aanspraken die aan het Besluit zouden kunnen worden ontleend, dient hij zich tot de Vreemdelingendienst te wenden. Ook de ambtenaar van de gemeente waar hij om informatie verzoekt in verband met een verzoek om naturalisatie dient hem naar de Vreemdelingendienst door te verwijzen. Hetzelfde geldt voor EU/EER onderdanen die in Nederland verblijven en mogelijk rechten ontlenen aan het EG-verdrag, maar van wie niet direkt duidelijk is in welke positie zij verkeren omdat zij niet in het bezit zijn van een vergunning tot verblijf. Op grond van artikel 10, eerste lid onder c, van de Vreemdelingenwet ontstaat verblijfsrecht in deze gevallen van rechtswege, ook indien geen verblijfsvergunning is afgegeven, en gaat het verblijfsrecht ook van rechtswege verloren. Ten behoeve van de naturalisatieprocedure dient vast te worden gesteld of er sprake van verblijfsrecht is. De vreemdelingendienst is de bevoegde instantie om daar een uitspraak over te doen.

De leden van de fracties van de RPF en GPV vragen of de strekking van het voorliggende voorstel juist wordt weergegeven met de stelling dat dubbele nationaliteit ongewenst is en dat het belang van inburgering op zichzelf onvoldoende argument vormt om in te stemmen met het ontstaan van dubbele nationaliteit. Mij staat als uitgangspunt voor ogen dat naar enkelvoudige nationaliteit gestreefd moet worden, indien er geen objectieve redenen voor meervoudige nationaliteit zijn aan te geven. Meervoudige nationaliteit komt de laatste decennia in toenemende mate voor en vraagt om adequate en consistente maatregelen, die recht doen aan de belangen van de betreffende persoon en van de Nederlandse staat. Zo mag het streven naar enkelvoudige nationaliteit niet in de weg staan aan de integratie van buitenlanders in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba en van Nederlanders in het buitenland, noch aan het streven naar eenheid van nationaliteit binnen het gezin. Deze gedachtengang is ook neergelegd in het Tweede Protocol bij het Verdrag van Straatsburg en in onze wijzigingsvoorstellen overgenomen. Tegen deze achtergrond moet het voorliggende voorstel dan ook worden bezien.

Ook vragen deze leden welke landen het Tweede Protocol hebben geratificeerd. Op dit moment zijn dat Frankrijk, Italië en Nederland. Tussen deze landen is het Tweede Protocol in werking getreden. Het is mij niet bekend dat andere landen zoals bijvoorbeeld Duitsland en Denemarken voornemens zijn op korte termijn het Tweede Protocol eveneens te ratificeren. De ratificatie door Nederland van het Tweede Protocol bij het Verdrag van Straatsburg, welke ratificatie uitdrukkelijk door het parlement is goedgekeurd, berust op de aanvaarding van de grondgedachten van dit Protocol, te weten dat – althans voor bepaalde groepen personen – het hebben (en verkrijgen) van een meervoudige nationaliteit een bijdrage kan zijn voor de integratie van die personen in het land van hun gewone verblijf. Hoewel de opmerking van de leden van de fracties van RPF en GPV, dat het Protocol mogelijkheden maar geen verplichtingen geeft om meervoudige nationaliteit toe te staan, niet onjuist is, kan een ratificatie van het Protocol zonder enig gebruik van deze mogelijkheden niet de bedoeling geweest zijn van het parlement en zal een dergelijke houding internationaal niet begrepen worden. Ook de andere tot het Protocol toegetreden Staten hebben de mogelijkheden die het Tweede Protocol biedt, geheel benut.

Artikelsgewijze opmerkingen

Bij deze artikelsgewijze opmerkingen zal zowel worden ingegaan op de in het Verslag gemaakte opmerkingen en gestelde vragen als op enkele door mij in bijgaande nota van wijziging voorgestelde aanpassingen.

Artikel 1

De leden van de PVDA-fractie vragen of er tussen de drie landen van het Koninkrijk verschillen bestaan op het punt van toelating en welke dit zijn. Zowel in de Antilliaanse als in de Arubaanse toelatingswetgeving wordt de toelating tot tijdelijk verblijf en de toelating tot verblijf geregeld. Daarbij kan zowel een vergunning tot tijdelijk verblijf voor bepaalde tijd als een vergunning tot verblijf voor onbepaalde tijd worden afgegeven. Noch uit de Antilliaanse toelatingswetgeving noch uit de Arubaanse blijkt op welk moment en onder welke voorwaarden een persoon voor onbepaalde tijd in de Nederlandse Antillen of Aruba wordt toegelaten. Per individueel geval wordt door de minister van Justitie van de Nederlandse Antillen en die van Aruba beoordeeld of er in het kader van een verzoek tot naturalisatie tegen een verzoeker bedenkingen bestaan voor wat betreft zijn verblijf voor onbepaalde tijd aldaar.

De leden van de fracties van D66 en SGP vragen hoe de term hoofdverblijf zich verhoudt tot de definitie van woonplaats in artikel 10 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Ingevolge artikel 10 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek bevindt de woonplaats van een natuurlijke persoon zich te zijner woonstede, en bij gebreke van woonstede ter plaatse van zijn werkelijk verblijf. Uit de jurisprudentie blijkt dat de woonplaats van een persoon bepaald kan worden aan de hand van feitelijke omstandigheden en mede daaruit af te leiden bedoelingen van die persoon. In- en uitschrijving in de bevolkingsadministratie geeft een belangrijke indicatie, maar is niet doorslaggevend. Een minderjarige heeft ingevolge artikel 12 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek een (afhankelijke) woonplaats bij degene die het gezag over hem uitoefent. Oefenen beide ouders het gezag uit, maar hebben zij niet dezelfde woonplaats, dan volgt het kind de woonplaats van de ouder bij wie het feitelijk verblijft dan wel laatstelijk heeft verbleven. Het hoofdverblijf van een vreemdeling is daar waar hij kennelijk geregeld vertoeft, daar waar hij het centrum van zijn activiteiten heeft. Hoofdverblijf is een feitelijk begrip en heeft niet zoals het begrip woonplaats een juridische connotatie: noch de bedoeling van de betrokken persoon, noch een afhankelijke woonplaats levert hoofdverblijf op. Ook het verplaatsen van het hoofdverblijf is een strikt feitelijk gebeuren. De begrippen woonplaats en hoofdverblijf vallen veelal samen. Mede omdat in de huidige Rijkswet op het Nederlanderschap niet alleen gesproken wordt van woonplaats maar ook van werkelijk verblijf, zal de gewijzigde terminologie in de praktijk nauwelijks tot veranderingen leiden. Dit is onder meer anders indien het kind gedurende zijn minderjarigheid feitelijk in het buitenland verbleef, maar een afhankelijke woonplaats in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba had. In dat geval komt betrokkene onder de thans geldende Rijkswet wel voor optie in aanmerking, mits ook aan de overige vereisten is voldaan. Onder de voorgestelde regeling komt betrokkene niet meer in aanmerking voor optie.

Met betrekking tot het tweede lid van artikel 1 vragen de leden van de fracties van de PvdA, de SGP en GroenLinks verduidelijking met betrekking tot de ten aanzien van het geregistreerd partnerschap gestelde beperking dat deze registratie «in Nederland» moet hebben plaatsgehad. Zoals ik in mijn brief van 19 juni jl. gericht aan de Voorzitter van de Vaste Commissie voor Justitie van uw Kamer heb laten weten, heeft de Staatscommissie voor het internationaal privaatrecht bij brief van 8 mei 1998 voorstellen gedaan voor internationaal privaatrechtelijke regels met betrekking tot het geregistreerd partnerschap. In afwachting van de mogelijke openstelling van het huwelijk voor personen van hetzelfde geslacht en de consequenties daarvan voor het geregistreerd partnerschap, wordt gewacht met de verdere voorbereiding van internationaal privaatrechtelijke regelgeving met betrekking tot de erkenning van in het buitenland geregistreerde partnerschappen. Internationaal gezien heeft de term «geregistreerd partnerschap» geen vaste juridische betekenis; alleen enkele Scandinavische landen kennen aan het geregistreerde partnerschap de gevolgen van burgerlijke staat toe, die het Nederlandse recht daaraan toekent en die een gelijkstelling met het huwelijk rechtvaardigen. Andere landen kennen «geregistreerd partnerschap»-regelingen zonder staatgevolg. Zolang geen i.p.r.-wetgeving bestaat op grond waarvan vastgesteld kan worden welke partnerschappen voor erkenning in Nederland in aanmerking komen en daardoor ook voor een bijzonder nationaliteitsrechtelijk regime, is het noodzakelijk de woorden «in Nederland» in dit wetsvoorstel te handhaven.

Artikel 2

Het voorgestelde artikel 2 komt, in tegenstelling tot hetgeen de leden van de VVD-fractie veronderstellen, overeen met het eerder aan de Tweede Kamer aangeboden wetsvoorstel 23 594 (R 1496). Met betrekking tot het bepaalde in het tweede lid kan worden opgemerkt dat ook thans verklaringen en verzoeken van minderjarigen door hun wettelijk vertegenwoordiger dienen te worden afgelegd of ingediend. Ik verwijs hierbij naar de artikelen 6, eerste lid, onder b en 27, tweede lid, van de huidige Rijkswet waarin zulks uitdrukkelijk is bepaald. Het voorgestelde artikel 2, tweede lid, is opgenomen om het beginsel dat alle verklaringen en verzoeken door de wettelijk vertegenwoordiger afgelegd of ingediend moeten worden ook in het nationaliteitsrecht te laten gelden, onverminderd de versterkte positie van 16 en 17-jarigen in het nationaliteitsrecht.

Met betrekking tot het derde lid vragen de leden van de VVD-fractie wat de gevolgen zijn indien de zienswijzen van de wettelijk vertegenwoordiger en het kind niet overeenstemmen. In aanvulling op het gestelde in de memorie van toelichting (25 891 (R 1609), nr. 3, blz. 7) kan worden opgemerkt dat kinderen boven de zestien jaar niet tegen hun wil delen in de verkrijging van het Nederlanderschap door of de verlening ervan aan één of beide ouders. Kinderen tussen de twaalf en zestien jaren delen daarin niet tegen hun wil, indien ook hun wettelijk vertegenwoordiger of andere ouder zich tegen die medeverkrijging of medeverlening verzet. Indien in zulk geval alleen het gehoorde kind of de gehoorde wettelijk vertegenwoordiger (respectievelijk andere ouder) zich hier tegen verzet, beslist de genoemde autoriteit onder afweging van de gehoorde argumenten, met inachtneming in het bijzonder van het belang van het kind. Is het kind jonger dan twaalf jaar, dan wordt alleen zijn wettelijke vertegenwoordiger of andere ouder gehoord. Ook dan beslist de genoemde autoriteit onder afweging van de gehoorde argumenten.

De leden van de D66-fractie en van de GroenLinks-fractie vragen of het niet wenselijk is om niet alleen de wettelijk vertegenwoordiger het in artikel 2, derde lid, genoemde recht te geven zijn zienswijze naar voren te brengen, maar ook de andere ouder, indien deze het kind niet vertegenwoordigt. Mede naar aanleiding van deze vragen heb ik bij nota van wijziging een aanvulling op artikel 2, derde lid, voorgesteld. De aanvulling beoogt in gevallen waarin slechts een der ouders van rechtswege vertegenwoordigingsbevoegd is, aan de andere ouder in het kader van het nationaliteitsrecht toch zeggenschap te geven. In geval een der ouders op grond van een rechterlijke uitspraak niet vertegenwoordigingsbevoegd is, dan is er geen reden om die ouder in het nationaliteitsrecht wel zeggenschap te geven. Immers in dat geval is door een rechter vastgesteld dat het niet in het belang van het kind is dat die ouder zeggenschap over hem uitoefent.

De leden van de D66-fractie merken verder op dat niet geregeld is hoe de minderjarige en zijn wettelijk vertegenwoordiger geïnformeerd worden over de voorgenomen medeverkrijging van het Nederlanderschap door de minderjarige. Tevens vragen zij naar de reden van opneming van de woorden «op hun verzoek». In het algemeen worden thans bij een naturalisatie de (andere) wettelijk vertegenwoordiger en de minderjarige schriftelijk verzocht contact op te nemen met de afdeling burgerzaken van de gemeente van hun woonplaats. Zij worden dan in de gelegenheid gesteld hun zienswijze omtrent de medenaturalisatie kenbaar te maken. In de nieuwe Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap zal deze procedure zowel voor de optie als de naturalisatie uitdrukkelijk worden voorgeschreven. Wonen kind of wettelijk vertegenwoordiger (of beiden) in het buitenland, dan is een verplichting hen uit te nodigen om hun mening kenbaar te maken, vaak niet uitvoerbaar.

Artikel 3

De leden van de PvdA-fractie vragen naar de reden van opneming van de zinsnede «mits het kind ten tijde van zijn geboorte zijn hoofdverblijf heeft in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba». De ratio van artikel 3, derde lid, is dat een kind dat in het Koninkrijk zijn hoofdverblijf heeft, en wiens ouders – althans een van hen – en grootouders – althans een van hen – eveneens in het Koninkrijk hun hoofdverblijf hebben respectievelijk hadden, zo'n sterke band met het Koninkrijk heeft dat het de Nederlandse nationaliteit dient te verkrijgen, ongeacht waar het geboren is. Indien het niet in Nederland zijn hoofdverblijf heeft, wordt die band niet aangenomen, zelfs als het kind in Nederland geboren is.

Zoals reeds in de memorie van toelichting vermeld, is de plaats van geboorte niet relevant voor de verkrijging van het Nederlanderschap op grond van artikel 3, derde lid. Van belang is de plaats waar het kind zijn gewone verblijfplaats, zijn hoofdverblijf heeft. Voor de toepassing van dit lid van artikel 3 heeft een kind zijn hoofdverblijf daar waar zijn beide ouders hun gewone verblijfplaats hebben. Hebben beide ouders derhalve hoofdverblijf in Nederland, dan heeft het kind eveneens hoofdverblijf in Nederland, ongeacht de plaats van geboorte. Hebben de ouders ieder een andere verblijfplaats, dan heeft het kind zijn hoofdverblijf bij de ouder die het verzorgt. Het in het buitenland geboren kind van een vader die als tweede generatie in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba hoofdverblijf heeft, dat door zijn in het buitenland wonende moeder bij en na de geboorte wordt verzorgd, verkrijgt het Nederlanderschap niet; had zijn moeder echter haar hoofdverblijf in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba maar is zij in verband met de geboorte voor korte tijd naar het buitenland vertrokken en spoedig na de geboorte met het kind weer naar Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba teruggekeerd, dan heeft het kind zijn hoofdverblijf in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba en bezit het de Nederlandse nationaliteit dus wel.

Zowel de leden van de fractie van de PvdA als van de SGP-fractie vragen of een kind geboren uit het huwelijk van een tweede generatie vreemdeling en een vrouw uit het land van herkomst van zijn ouders, welk huwelijk in Nederland niet erkend wordt, het Nederlanderschap verkrijgt. Tevens vragen zij of, gelet op het gezinsleven tussen de moeder en het kind, de moeder tot Nederland moet worden toegelaten. Bij de beantwoording van de eerste vraag moet beoordeeld worden of tussen het kind en de in Nederland verblijvende persoon familierechtelijke betrekkingen bestaan. Naar Nederlands recht dient deze vraag beantwoord te worden aan de hand van het nationale recht van de vader. Alle rechtsstelsels kennen de regel dat in beginsel de echtgenoot van de moeder rechtens de vader van het kind is. Om de hoofdvraag naar de wettelijke staat van het kind te kunnen beantwoorden dient derhalve eerst de voorvraag beantwoord te worden, namelijk of het huwelijk tussen de moeder van het kind en de beoogde vader naar Nederlands recht geldig is. Ingevolge artikel 7 van de Wet conflictenrecht huwelijk, dat gebaseerd is op artikel 12 van het Haags Huwelijksverdrag van 1978 (Trb. 1987, 137), wordt de geldigheid van een huwelijk zelfstandig beoordeeld, ongeacht het recht dat de hoofdvraag beheerst. In de door de leden van de genoemde fracties voorgelegde casus is gegeven dat het huwelijk in Nederland niet erkend wordt. Nu er niet sprake is van een geldig huwelijk, bestaan er in beginsel ook geen familierechtelijke betrekkingen tussen de tweede generatie vreemdeling en het kind. Verkrijging van het Nederlanderschap op grond van artikel 3, derde lid, is dan ook niet aan de orde. Overigens wordt een in het buitenland gesloten huwelijk in Nederland in de regel erkend indien het ter plaatse van de huwelijkssluiting rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden (artikel 5 Wet conflictenrecht huwelijk). Dit is slechts anders als er sprake is van strijd met de openbare orde. Zulks is bijvoorbeeld het geval als het een kindhuwelijk of een schijnhuwelijk betreft. Hieruit kan worden afgeleid dat in de meeste gevallen een in het buitenland gesloten huwelijk voor erkenning in aanmerking komt.

Voor wat betreft de vraag of de moeder een verblijfsrecht tot Nederland kan ontlenen aan haar Nederlandse kind het volgende. Het recht op respect voor het familie- of gezinsleven brengt niet met zich mee dat de Nederlandse overheid zonder meer gehouden is de niet-Nederlandse moeder van een Nederlands kind toe te laten. In dit verband is van belang dat gezien de vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens artikel 8 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens voor de staat niet de algemene verplichting meebrengt om de domiciliekeuze van de vreemdeling te eerbiedigen of gezinshereniging of -vorming op haar grondgebied mogelijk te maken door immigratie toe te staan. Feiten en omstandigheden van het individuele geval moeten in ogenschouw worden genomen. Hierbij kan bijvoorbeeld een rol spelen de mate waarin het kind in de Nederlandse samenleving geworteld is en het belang van de andere ouder. Indien het een eerste toelating van de moeder tot Nederland betreft, wordt inmenging door de staat in het recht op familie- en gezinsleven niet snel aangenomen. Dat ligt anders indien de gezinsband zou zijn gevormd tijdens legaal verblijf in Nederland en deze verbroken zou dreigen te worden door verblijfsbeëindiging.

De leden van de GroenLinks-fractie stellen de vraag of altijd duidelijk is wat het hoofdverblijf van een kind ten tijde van de geboorte is, bijvoorbeeld als de echtgenote van een Nederlander in het buitenland een kind baart in afwachting van de beslissing op de aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf. In dit voorbeeld is het echter niet van belang waar het kind zijn hoofdverblijf heeft. Als vaststaat dat de Nederlander rechtens de vader van het kind is – zoals hierboven reeds aangegeven –, is het kind op grond van artikel 3, eerste lid, Nederlander, ongeacht waar het zijn hoofdverblijf heeft. De vraag waar het kind ten tijde van zijn geboorte hoofdverblijf heeft, speelt alleen een rol in het in artikel 3, derde lid, geregelde geval, dus alleen indien geen van de ouders van het kind de Nederlandse nationaliteit bezit. Dat geval is hierboven reeds besproken.

Artikel 4

De leden van de D66-fractie vragen naar het gebruik dat het Openbaar Ministerie maakt van de mogelijkheid om de vernietiging van de erkenning van een kind te verzoeken. Hoewel daarover geen statistische gegevens voorhanden zijn, kan worden gemeld dat zulks slechts incidenteel gebeurt. Alleen in de periode 1991–1992 zijn enige tientallen schijnerkenningen (de zogenaamde Antillenroute) op verzoek van het Openbaar Ministerie vernietigd.

Deze leden merken verder op dat in de memorie van toelichting op artikel 4 wordt gesproken van wettige en onwettige kinderen, terwijl deze begrippen in het nieuwe afstammingsrecht zijn verdwenen. Deze opmerking is ten dele juist. Uit het Nederlandse afstammingsrecht zijn deze begrippen inderdaad verdwenen, maar in het buitenland worden deze begrippen nog steeds gehanteerd en zijn ze als zodanig nog relevant voor het Nederlandse nationaliteitsrecht. Het ware wellicht juister geweest om te spreken van kinderen die wel en kinderen die niet in familierechtelijke betrekking staan tot hun vader. De begrippen wettige en onwettige kinderen zijn echter zodanig ingeburgerd dat naar mijn mening er geen enkel misverstand kan bestaan over hetgeen bedoeld is.

De vraag van de leden van de D66-fractie hoe artikel 4 zich verhoudt tot artikel 3, derde lid, geeft mij de gelegenheid nader in te gaan op nationaliteitsrechtelijke gevolgen van de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap enerzijds en erkenning en wettiging anderzijds. Ook vragen zij of artikel 3, derde lid, van toepassing is ingeval van erkenning of wettiging, mits aan de overige vereisten van deze bepaling is voldaan. Gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, erkenning en wettiging zonder erkenning hebben in het nationaliteitsrecht geen terugwerkende kracht. De gerechtelijke vaststelling van het vaderschap werkt ingevolge artikel 207, vijfde lid van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek terug tot het moment zijn van geboorte. Dit betekent dat het kind in familierechtelijke betrekking tot de vader komt te staan vanaf het moment van geboorte. Om wille van de rechtszekerheid is ervoor gekozen om het kind eerst op de in artikel 4, eerste lid, bedoelde dag het Nederlanderschap te laten verkrijgen (zie ook artikel 2, eerste lid). Het voorgestelde artikel 4 is derhalve een lex specialis ten opzichte van artikel 3, eerste en derde lid.

Erkenning en wettiging zonder erkenning hebben in het nationaliteitsrecht evenmin terugwerkende kracht. Indien een man na de geboorte van het kind door erkenning of door wettiging zonder erkenning in familierechtelijke betrekking met het kind komt te staan, werkt de familierechtelijke band niet terug tot de geboorte van het kind. Van dat kind kan dan ook niet gezegd worden dat het ten tijde van zijn geboorte in juridische zin de erkenner als vader had. Aan het hoofdverblijf van de vader kunnen dan ook geen nationaliteitsgerechtelijke gevolgen verbonden worden. Alleen een erkenning vóór de geboorte zal de nationaliteitsrechtelijke gevolgen van artikel 3, derde lid, meebrengen. Mutatis mutandis geldt dit niet-terugwerken ook voor de vraag naar het nationaliteitsgevolg van de erkenning van de vader of de moeder door de grootvader die ten tijde van de geboorte van de ouder van het kind hoofdverblijf in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba had. Ook dan zal alleen de erkenning of de wettiging zonder erkenning, die vóór de geboorte van de vader of moeder is geschied, de situatie scheppen die in artikel 3, derde lid, is bedoeld. Gelet op het voorgaande dient de vraag van de leden van de GroenLinks-fractie of in het onderhavige voorstel onderscheid wordt gemaakt tussen prenatale en postnatale erkenning bevestigend te worden beantwoord.

Het antwoord op de vraag van de leden van de fracties van D66 en SGP of gerechtelijke vaststelling van het vaderschap mogelijk is, indien de relatie tussen de moeder van het kind en de erkenner van het kind binnen drie jaar eindigt en daardoor niet voldaan wordt aan het vereiste van drie jaar verzorging en opvoeding, luidt ontkennend. Gerechtelijke vaststelling van het vaderschap is niet mogelijk indien het kind bijvoorbeeld door erkenning reeds een vader heeft; zie artikel 207, tweede lid, onder a, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Wel is gerechtelijke vaststelling van het vaderschap postuum mogelijk. Bij nota van wijziging wordt artikel 4, eerste lid, zodanig gewijzigd dat geheel duidelijk is dat ook postume gerechtelijke vaststelling van het vaderschap nationaliteitsgevolg heeft.

Op de vraag van de leden van de GroenLinks-fractie wat moet worden verstaan onder verzorging en opvoeding zal ik bij de behandeling van artikel 6 ingaan. Evenals op de vragen met betrekking tot de nationaliteitsgevolgen van erkenning, wettiging en het gezag van één Nederlander.

Artikel 5

De leden van de GroenLinks-fractie vragen naar de verhouding van de voorgestelde wijziging van artikel 5 tot de wijzigingsvoorstellen van artikel 5 in verband met de ratificatie van het Haags Adoptieverdrag van 29 mei 1993. Deze wijzigingen hebben inmiddels kracht van wet (Rijkswet van 14 mei 1998) en zijn als gevolg van de ratificatie op 25 juni 1998 van het Haags Adoptieverdrag, op 1 oktober 1998 in werking getreden. De Rijkswet van 14 mei 1998 betreft uitsluitend de uitvoering van het Haags Adoptieverdrag van 23 mei 1998. Er is overigens geen verband met de voorliggende wijziging.

Artikel 6

Algemeen

De in het kader van dit artikel gestelde vragen zullen na enige algemene opmerkingen per artikellid worden beantwoord.

De stelling van de leden van de D66-fractie dat het beter zou zijn in artikel 6 te spreken van een «verkorte naturalisatieprocedure» in plaats van een optieprocedure geeft mij de gelegenheid enige aanvullende kanttekeningen te maken bij de voorgestelde optieregeling. Het karakter van een nationaliteitsoptie ligt in de eenzijdigheid van de wilsverklaring van de persoon die van mening is aan de voorwaarden voor verkrijging door optie te voldoen. Die voorwaarden zijn van feitelijke aard. In de aan u voorgestelde optieprocedure wordt van overheidswege gecontroleerd of de optant aan die voorwaarden voldoet. Met uitzondering van het openbare orde-criterium van artikel 6, derde lid, vindt daarbij geen afweging plaats, maar slechts een vaststelling van objectief constateerbare gegevens. Om die vaststelling binnen het huidige bestuursrecht – ook binnen artikel 6 is de Algemene wet bestuursrecht van toepassing – een duidelijke plaats te geven, en ook om bij die vaststelling te kunnen aangeven welke personen naast de optant in de optie betrokken zullen zijn, is een administratiefrechtelijke bevestiging ingevoerd. Daardoor wijzigt de optie naar mijn mening niet in zodanige mate, dat van een verkapte naturalisatie gesproken zou moeten worden. Immers, anders dan bij de optie is bij de naturalisatie het karakteristieke element gelegen in de vaststelling van overheidswege, dat de persoon die om naturalisatie vraagt niet alleen aan een aantal objectief te constateren vereisten voldoet, maar vooral dat hij in zodanige mate in de Nederlandse samenleving is ingeburgerd, dat naturalisatie verleend kan worden, terwijl bovendien wordt vastgesteld dat er overigens geen bezwaren van vreemdelingenrechtelijke aard of van openbare orde zijn die zich tegen de naturalisatie verzetten. Een dergelijke inburgeringsbeoordeling brengt een veel grotere betrokkenheid van de overheid bij de verlening van het Nederlanderschap mee dan die bij de nieuwe optieregeling. Bij naturalisatie vindt derhalve wel een afweging plaats. Bovendien wordt bij naturalisatie het Nederlanderschap verkregen door een koninklijk besluit, terwijl bij optie het Nederlanderschap verkregen wordt door de bevestiging van de burgemeester, de door de Minister van Justitie van de Nederlandse Antillen of Aruba aangewezen ambtenaar of de diplomatieke of consulaire ambtenaar. Gelet op deze verschillen is het mijns inziens minder gewenst om in de gevallen van artikel 6 niet meer van «optie» maar van «verkorte naturalisatie» te spreken.

Dat de optieprocedure formeler geworden is, moge duidelijk zijn. Enerzijds wordt de optie van een eenzijdige verklaring die direct het Nederlanderschap verschaft tot een optieverklaring die eerst door bevestiging van overheidswege leidt tot verkrijging van het Nederlanderschap. De verzwaring van de optieprocedure is noodzakelijk om vroegtijdig de rechtmatigheid van een uitgebrachte optie te kunnen vaststellen. Zij is bovendien noodzakelijk om mogelijk te maken dat de gevolgen van een optie ten aanzien van de naam en de medegelding van de verkrijging voor de kinderen zoveel mogelijk gelijk zijn aan die bij de naturalisatie.

Met betrekking tot de bevestiging van de afgelegde optieverklaring kan het volgende worden opgemerkt. De autoriteit ten overstaan van wie de verklaring wordt afgelegd, beoordeelt of de optant tot het uitbrengen van de optie gerechtigd is. Indien de optant aan de daarvoor gestelde voorwaarden voldoet, geeft hij een schriftelijke bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap. Door deze bevestiging verkrijgt de optant het Nederlanderschap. De aan de verklaring en aan de bevestiging te stellen vormvoorschriften worden bij algemene maatregel van rijksbestuur nader geregeld. De bevestiging wordt geweigerd indien op grond van het gedrag van de optant ernstige vermoedens bestaan dat hij een gevaar oplevert voor de openbare orde, goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk. De verkrijging van het Nederlanderschap is geen onbeperkt recht van de opterende persoon. Indien er ernstige vermoedens bestaan dat deze persoon een gevaar oplevert voor de openbare orde, goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk lijkt het mij aangewezen dat de Nederlandse overheid de verkrijging van het Nederlanderschap weigert. Hierbij gelden dezelfde normen als bij naturalisatie; indien betrokkene gelet op de openbare orde-aspecten niet voor naturalisatie in aanmerking komt, komt hij evenmin voor optie in aanmerking.

Lid 1

De vraag van leden van de PvdA-fractie of een jongere van de tweede generatie die op zijn zestiende in aanraking is gekomen met Justitie het Nederlanderschap niet zou kunnen verkrijgen, wordt gelet op het voorgaande bevestigend beantwoord, ervan uitgaande dat betrokkene gelet op de openbare orde-aspecten ook niet voor naturalisatie in aanmerking zou komen. Dat beletsel is echter van tijdelijke aard en is afhankelijk van de aard van het gepleegde misdrijf.

Naar aanleiding van vragen van de leden van de fracties van de PvdA, D66 en GroenLinks kan ik antwoorden dat de regering zich ervan bewust is dat de voorgestelde regeling een gedeeltelijke achteruitgang in de huidige rechtspositie van de tweede generatie betekent. Zij meent echter dat zulks op grond van de hierboven genoemde argumenten geoorloofd is.

Daarnaar gevraagd door de leden van de GroenLinks-fractie kan ik bevestigen dat er een onderscheid bestaat tussen prenatale en postnatale erkenningen. Zoals reeds gesteld naar aanleiding van artikel 4 brengt de prenatale erkenning door een Nederlander van een kind, waarvan een buitenlandse vrouw zwanger is, mee dat het kind bij zijn geboorte een Nederlander als vader heeft en dus op grond van artikel 3, eerste lid, van rechtswege het Nederlanderschap verkrijgt. Met uitzondering van een kind dat voldoet aan de vereisten van artikel 3, derde lid, zal een kind van een buitenlandse vrouw, dat na zijn geboorte door een Nederlander wordt erkend, moeten voldoen aan de voorwaarden van artikel 6, eerste lid, onder c, om door middel van optie het Nederschap te kunnen verkrijgen. Daarbij is van belang dat het kind gedurende een onafgebroken periode van tenminste drie jaar verzorging en opvoeding genoten heeft. Het begrip «verzorging en opvoeding» heeft in het Nederlandse familierecht zijn eigen betekenis, zie artikel 228, eerste lid, onder f, Boek 1 BW, en is in de rechtspraak nader verduidelijkt. Artikel 6, eerste lid, onder c, sluit bij die betekenis aan.

Op de vraag van deze leden of het Nederlandse recht toestaat dat na een erkenning alsnog een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap kan volgen, is hierboven naar aanleiding van artikel 4 reeds ingegaan. Dat kinderen die na hun geboorte worden erkend door de voorgestelde regeling in een minder gunstige positie komen dan thans het geval is, is weliswaar te betreuren maar onvermijdelijk omdat de huidige regeling veelvuldig tot misbruik heeft geleid door het gebruik van schijnerkenningen. De regering blijft in deze op het standpunt dat schijnerkenningen moeten worden tegengegaan zoals dit onder meer volgt uit artikel 18 Boek 1 BW.

De leden van de fracties van D66, GroenLinks en SGP vragen waarom aan een kind dat onder het gezag van één Nederlander staat geen optierecht toekomt. Artikel 6, eerste lid, onder d, ziet op situaties waarin een kind onder gezag staat van een ouder en een niet-ouder (zie artikel 253t van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek). Het gaat hierbij om gevallen die in sterke mate overeenkomst vertonen met een gezinssituatie. Omwille van eenheid binnen zo'n gezin is de optiebepaling van artikel 6, eerste lid, onder d, opgenomen. Teneinde te verduidelijken dat artikel 6, eerste lid, onder d, slechts van toepassing is indien op grond van artikel 253t van Boek 1 BW een gezagsvoorziening is getroffen, is bij nota van wijziging opgenomen dat het gezamenlijk gezag krachtens Nederlandse rechterlijke uitspraak moet zijn ingesteld. Volledigheidshalve merk ik hierbij op dat de Nederlandse Antillen en Aruba deze vorm van gezag niet kennen.

De leden van de VVD-fractie vragen de regering nader in te gaan op het optierecht voor meerderjarige vreemdelingen die sedert het bereiken van de leeftijd van vier jaar toelating en hoofdverblijf in het Koninkrijk hebben. Met dit optierecht worden kinderen die weliswaar niet in het Koninkrijk geboren maar wel getogen zijn, zo veel mogelijk gelijk gesteld met kinderen die hier te lande geboren én getogen zijn. Voor beide categorieën kinderen geldt dat zij geïntegreerd zijn in de Nederlandse samenleving, daar zij hun hele jeugd en hun gehele schoolopleiding in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba hebben genoten.

De voorgestelde bepaling spoort overigens met het bepaalde in het Europees Nationaliteitsverdrag. Ingevolge artikel 6, vierde lid, aanhef en onder e, van het Verdrag dient een Staat die partij is, in zijn nationale wetgeving de verkrijging van zijn nationaliteit te vergemakkelijken voor personen die op zijn grondgebied zijn geboren en daar wettig en gewoonlijk verblijven. Het betreft hier derhalve kinderen die in een land geboren en getogen zijn. Deze bepaling heeft dezelfde grondslag als artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a van het wetsvoorstel.

Voor kinderen die zich eerst op latere leeftijd in een ander land dan het land van hun nationaliteit vestigen is artikel 6, vierde lid, onder f, van het Verdrag van belang. Ingevolge deze bepaling dient een Staat die partij is in zijn nationale wetgeving de verkrijging van zijn nationaliteit te vergemakkelijken voor personen die hun wettige en gewone verblijf hebben op zijn grondgebied gedurende een periode die aanvangt voor de leeftijd van 18 jaar, welke periode wordt vastgesteld door de nationale wetgeving van de betrokken Staat die partij is. In het voorliggende voorstel is deze bepaling onder meer aldus geïmplementeerd dat enerzijds personen die hier te lande vanaf het vierde levensjaar rechtmatig verblijven op eenvoudigere wijze, namelijk door middel van een optie, het Nederlanderschap kunnen verkrijgen. Anderzijds gelden voor personen die eerst op latere leeftijd naar Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba gekomen zijn of hun verblijf in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba onderbroken hebben, soepelere voorwaarden in het kader van naturalisatie. Zo geldt dat zij geen afstand behoeven te doen van hun oorspronkelijke nationaliteit, indien zij gedurende hun minderjarigheid een onafgebroken periode van vijf jaar hoofdverblijf in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba hebben gehad. Verder geldt een verkorte woontermijn van twee jaar voorafgaand aan het naturalisatieverzoek, indien zij in totaal tien jaar in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba hebben gewoond.

De achtergrond van beide verdragsbepalingen is dat zowel van kinderen die in een land geboren en getogen zijn, als van kinderen die in dat land van jongsaf zijn opgegroeid, kan worden aangenomen dat zij aldaar ingeburgerd zijn en derhalve op eenvoudigere wijze de nationaliteit van dat land moeten kunnen verkrijgen. Als voorbeelden van gunstigere voorwaarden voor verkrijging van een nationaliteit worden in de toelichting van het Verdrag genoemd een vermindering van de vereiste verblijfsduur, minder strenge taaleisen, een eenvoudigere procedure en lagere procedurekosten. In het voorliggende ontwerp wordt door middel van de voorzieningen in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a en e, en de soepelere voorwaarden in het kader van naturalisatie invulling gegeven aan deze verplichtingen van het Verdrag.

Naar aanleiding van de vragen van de leden van de fracties van de PvdA en SGP over een optierecht van in het buitenland wonende buitenlandse echtgenoten van Nederlanders wil ik op het volgende wijzen. Ook aan artikel 6, eerste lid, onder g, ligt de gedachte ten grondslag dat vreemdelingen, van wie verondersteld mag worden dat zij ingeburgerd zijn vanwege langdurig verblijf in het Koninkrijk, op eenvoudige wijze het Nederlanderschap moeten kunnen verkrijgen. Van iemand die drie jaar gehuwd is met een Nederlander en vijftien jaar aan het Nederlandse maatschappelijke verkeer heeft deelgenomen, kan worden vermoed dat hij zich de Nederlandse (of eilands-)taal in de vereiste mate heeft eigen gemaakt. Deze veronderstelling geldt echter niet voor de persoon die, hoewel drie jaar gehuwd met een Nederlander, in het buitenland verblijft. In dat verband is het dan ook gewenst dat de mate van inburgering via de weg van naturalisatie getoetst wordt. Dat wordt bereikt via artikel 8, tweede lid, juncto artikel 8, eerste lid.

De leden van de CDA-fractie verzoeken om de termijn van verblijf van vijftien jaar voor oudere vreemdelingen als genoemd in artikel 6, eerste lid, onder h, te verlengen tot vijfentwintig jaar. Bij de behandeling van de «tweede tranche van wijzigingen» (23 594 (R 1496)) van de Rijkswet op het Nederlanderschap is dit voorstel reeds uitvoerig besproken en ik sluit mij aan bij de argumenten die mijn voorgangster destijds naar voren heeft gebracht. Ik wijs er bovendien op dat bij die behandeling een motie van de CDA op dit punt geen bijval vond in uw Kamer. Ik beperk mij dan ook tot een korte reactie. De termijn van vijftien jaar sluit aan bij het vreemdelingenrecht, omdat het praktisch onmogelijk is om een toegelaten vreemdeling die reeds vijftien jaar of langer in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba verblijft op grond van strafbare feiten nog te verwijderen. Slechts indien iemand wegens handel op grote schaal in verdovende middelen veroordeeld is tot een zeer lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf, kan hij na deze periode nog worden verwijderd. Daarbij wijs ik er uitdrukkelijk op dat ook in deze gevallen de voorwaarde van artikel 6, derde lid, blijft gelden. De termijn van vijftien jaar kan worden geacht voldoende garantie te bieden dat betrokkenen door dat lange verblijf een duurzame band met Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba hebben verworven. Gelet op het voorgaande acht ik verlenging van de termijn van vijftien jaar naar vijfentwintig jaar dan ook niet gewenst.

Bij nota van wijziging is een redactionele verandering aangebracht in artikel 6, eerste lid, onder g, teneinde te verduidelijken dat de oudere na het bereiken van de leeftijd van vijfenzestig jaar een optie kan doen, mits hij onmiddellijk daaraan voorafgaand vijftien jaar toelating en hoofdverblijf in het Koninkrijk heeft gehad.

Lid 3

De leden van de D66-fractie vragen waarom artikel 6, derde lid, imperatief is gesteld, terwijl dit in een eerder voorstel niet het geval was. In het voorliggende voorstel is slechts ter verduidelijking het woord «weigert» opgenomen en niet de woorden «kan weigeren» teneinde buiten enige twijfel te stellen dat er geen beleidsvrijheid bestaat voor het bestuursorgaan bij de beoordeling van een uitgebrachte optie. Indien er sprake is van een ernstig vermoeden van gevaar voor de openbare orde als bedoeld in artikel 6, derde lid, moet de bevestiging geweigerd worden.

De vraag van de leden van de GroenLinks-fractie of het ontbreken van een weigeringsgrond in de huidige wetgeving als een gemis is ervaren, wordt bevestigend beantwoord. Zelfs in de beperkte optie-mogelijkheden die thans gelden, is dit het geval. Bovendien is de voorgestelde optieregeling veel omvangrijker dan de thans geldende regeling. De voorgestelde regeling wil immers bereiken dat vreemdelingen, van wie verondersteld mag worden dat zij alsmede hun minderjarige kinderen voldoen aan de in artikel 8 gestelde eisen voor naturalisatie, op eenvoudige wijze het Nederlanderschap kunnen verkrijgen. Tegen deze achtergrond en gelet op de aard van de openbare orde-voorwaarde ben ik van mening dat het gerechtvaardigd is deze voorwaarde ook bij optie te stellen.

De leden van de fracties van PvdA, D66, GroenLinks en SGP merken terecht op dat artikel 6, derde lid, met betrekking tot staatlozen te ruim geformuleerd is gelet op het bepaalde in artikel 6, tweede lid, aanhef en onder b, van het Europees Nationaliteitsverdrag en artikel 12 van het Verdrag van New York ter bestrijding van staatloosheid. Bij nota van wijziging is artikel 6, derde lid, in overeenstemming gebracht met de volkenrechtelijke verplichtingen in het kader van de beperking van staatloosheid. Dit betekent dat een in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba geboren staatloze door middel van optie het Nederlanderschap kan verkrijgen, mits hij voorafgaand aan de optie tenminste een onafgebroken periode van drie jaar alhier toelating en hoofdverblijf heeft. Andere voorwaarden worden niet gesteld.

Lid 4

Zowel de leden van de PvdA-fractie als de leden van de D66-fractie vragen of na verloop van tweemaal dertien weken na inontvangstneming van de verklaring de bevestiging wordt gegeven. Ik wijs erop dat er in dat geval geen sprake is van een stilzwijgende bevestiging. Overschrijding van de genoemde termijn zal in het algemeen achterwege blijven, maar kan in bijzondere gevallen onvermijdelijk zijn zoals wanneer het vaststellen van het optierecht medewerking van andere (buitenlandse) autoriteiten vereist. Overigens kan een optant, indien hij van de desbetreffende autoriteit niet binnen de periode van tweemaal dertien weken een bevestiging of een weigering daarvan heeft ontvangen, ingevolge de Algemene wet bestuursrecht een bezwaarschrift indienen en vervolgens in beroep gaan bij de bestuursrechter.

De leden van de D66-fractie vragen in dat verband of het wetsvoorstel geëvalueerd zal worden, zodat kan worden bezien of deze termijn in de praktijk daadwerkelijk gehaald wordt. Het ligt niet in de bedoeling het wetsvoorstel als geheel te evalueren, maar uiteraard zullen deze voor het bestuursrecht lange termijnen wel geëvalueerd worden.

Artikel 8

De leden van de CDA-fractie willen een nadere uitleg over het vereiste niveau van taalvaardigheid dat gevraagd wordt bij naturalisatie. Zij menen dat het niveau hoger moet zijn dan het niveau dat met betrekking tot nieuwkomers in het inburgeringscontract wordt gehanteerd. Om voor naturalisatie in aanmerking te komen dient men te kunnen aantonen dat men zich in de Nederlandse samenleving kan handhaven met een redelijke kennis van de Nederlandse taal. Men moet in staat zijn het Nederlands te begrijpen en moet op een adequate wijze in het Nederlands op vragen kunnen antwoorden. De norm voor een dergelijk niveau van taalbeheersing is niveau twee van het onderwijs in het Nederlands als tweede taal. Dit niveau is het minimale niveau dat men dient te halen, wil men voor de naturalisatie-toets kwalificeren. Het kunnen lezen en schrijven in de Nederlandse taal wordt niet noodzakelijk geacht voor deelname aan de samenleving. Daarnaast moet men bij het afleggen van de toets wel kunnen aantonen over voldoende kennis van die Nederlandse samenleving te beschikken.

Ook vreemdelingen die niet in aanmerking komen voor een inburgeringsprogramma in het nieuwkomersbeleid omdat zij niet tot de doelgroep van de Wet Inburgering Nieuwkomers behoren, moeten aan de inburgeringseisen bij naturalisatie kunnen voldoen. Het streefniveau (niveau 3) bij de inburgeringsprogramma's ligt wat hoger omdat men zich daarmee in principe toegang tot de arbeidsmarkt dient te kunnen verschaffen. Bij de bespreking van de naturalisatie-toets op inburgering in de Tweede Kamer is deze keuze voor het zo juist genoemde niveau 2 toegelicht. Daarbij is door de toenmalige Staatssecretaris van Justitie toegezegd dat bij de evaluatie van de inburgeringstoets de vraag betrokken zal worden of het niet stellen van de eis van schriftelijke taalvaardigheid er in de praktijk toe leidt dat mensen onvoldoende hun rechten en plichten in de Nederlandse samenleving kunnen realiseren. Deze evaluatie heeft nog niet plaats kunnen vinden, omdat de landelijke invoering van de inburgeringstoets nog niet gerealiseerd. Zoals reeds met uw Kamer afgesproken zal deze inburgeringstoets ook een toets op de kennis van de inrichting van de Nederlandse staat en maatschappij bevatten. Om gebruik te kunnen maken van het kiesrecht is het van belang dat men zich kan oriënteren op de verschillende partijen en kandidaten. Bovendien mag van iedere Nederlander naast kennis van de Nederlandse taal ook enige kennis van het Nederlandse maatschappij-inrichting verwacht worden. Ook die kennis zal de naturalisandus moeten hebben verworven.

De leden van de CDA-fractie herhalen hun wens om ten aanzien van vluchtelingen uit te gaan van de normale termijn van toelating en hoofdverblijf van vijf jaar. Ter beantwoording wijs ik erop dat het op 28 juli 1951 te Genève tot stand gekomen Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Trb. 1951, 131, Trb. 1954, 88) in artikel 34 de verplichting bevat om de naturalisatie van vluchtelingen te vergemakkelijken en te bespoedigen. Het voorstel bedoeld onder artikel 8, vierde lid, is voor wat betreft de vluchtelingen een uitvloeisel van deze verdragsverplichting. Tot op heden is die verplichting in de Nederlandse nationaliteitswetgeving niet ingevuld. Wel is het in de praktijk aan vluchtelingen toegestaan reeds na een vierjarig verblijf hier te lande een naturalisatieverzoek in te dienen en volgt de naturalisatie zodra de wettelijke vijf jarentermijn verstreken is en aan de overige eisen voor naturalisatie is voldaan. De verdragsrechtelijk voorgeschreven vergemakkelijking en bespoediging van de naturalisatie wordt in het onderhavige voorstel gezocht in verkorting van de termijn van verblijf in het Koninkrijk. Om in de wet een veelvoud van termijnen te voorkomen is gekozen voor de termijn van drie jaar, welke termijn ook voor bepaalde andere groepen naturalisandi gesteld wordt. De begunstiging van vluchtelingen betreft slechts de termijn van hoofdverblijf, de andere eisen met betrekking tot naturalisatie zoals de meerderjarigheid, toelating, inburgering en geen ernstige vermoedens van een gevaar voor de openbare orde blijven van toepassing.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen wat men zich moet voorstellen bij «onafgebroken verblijf». Aan het voorstel ligt de keuze ten grondslag dat de gestelde verblijfstermijn voorafgaande aan de verlening van het Nederlanderschap moet zijn volgemaakt op basis van legaal verblijf. Eenzelfde keuze is ook bij de wijziging van de Kieswet gemaakt. De achterliggende redenering is dat men rechten opbouwt op basis van een toegestane aanwezigheid in de Nederlandse samenleving. Komt er door eigen toedoen een breuk in het aaneengesloten verblijf, dan wordt het verblijf inderdaad als afgebroken beschouwd en begint de termijn van voren af aan te lopen indien en nadat wederom toelating is verleend. Een en ander betekent concreet dat indien de vreemdeling tijdig een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van een vergunning tot verblijf doet en deze wordt gehonoreerd, het verblijfsrecht zonder onderbreking doorloopt. In het geval dat hij deze door omstandigheden geheel buiten zijn schuld gelegen niet tijdig heeft ingediend, wordt de aanvraag behandeld als een verzoek om voortgezet verblijf en kan de vergunning worden verlengd in aansluiting op de geldigheidsduur van de vergunning tot verblijf waarvan verlenging is gevraagd. Ook in het geval de vergunning tot verblijf is ingetrokken dan wel niet is verlengd en betrokkene hiertegen bezwaar en eventueel daarna beroep aantekent, wordt, conform de bestendige bestuurspraktijk, de termijn van het verblijf als onafgebroken beschouwd indien betrokkene alsnog in het gelijk wordt gesteld. Overigens ontvangt betrokkene bij het verstrekken van het verblijfsdocument steeds een formulier waarop de rechten en plichten staan vermeld van de houder van een vergunning tot verblijf en waarop wordt benadrukt, dat de vergunning tijdig moet worden verlengd. Ook de vreemdeling die over een titel tot verblijf heeft beschikt en niet meer aan de beperking van deze vergunning voldoet, maar wel tijdig verlenging van zijn recht op verblijf vraagt en op dat moment kan aantonen dat hij in aanmerking komt voor een andere titel tot verblijf, ondervindt geen onderbreking in zijn verblijf. Omdat het probleem van de gevolgen van een onderbreking van het verblijf in de eerste plaats van vreemdelingrechtelijke aard is en bovendien zich op gelijke wijze in een aantal wettelijke regelingen voordoet, is het niet gewenst in de Rijkswet een eigen bepaling op te nemen ter regeling van deze problematiek.

De leden van de SGP vragen of het per 1 maart 1998 voor Nederland in werking getreden Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden (Trb. 1998, 20) geen consequenties zou moeten hebben voor de formulering van, respectievelijk de toetsing van de taalbeheersingseis. Het Handvest regionale talen of talen van minderheden is bedoeld om regionale talen en minderheidstalen, als bedreigd onderdeel van het culturele erfgoed van Europa te beschermen en het gebruik daarvan te bevorderen. De Friese taal is onder deel III van het Handvest erkend. Dat betekent dat de positie van de Friese taal door middel van regelgeving of andere maatregelen door de regering wordt beschermd en gewaarborgd. Bedacht moet worden dat vrijwel alle inwoners van Friesland ook de Nederlandse taal volledig beheersen. Het onderwijssysteem in Friesland is geheel op dit gegeven gebaseerd. Ook bij de ratificatie van het Handvest is uitgegaan van het feitelijk naast elkaar functioneren van zowel het Fries als het Nederlands. Dit betekent dat een adequate beheersing van het Nederlands voldoende is voor de gewenste integratie van immigranten in de Friese samenleving. Hoewel het in dat verband zeker ook gewenst is dat deze nieuwkomers ook Fries leren – in de praktijk gebeurt dat vaak ook – zou het een te zware eis zijn om ook de beheersing van de Friese taal in de taalbeheersingstoets op te nemen. Het uitsluitend toetsen op de beheersing van de Friese taal miskent de mate van integratie van de Friese bevolking in het grotere Nederlandse maatschappelijke verband en daarmee ook het belang dat toegekend moet worden aan integratie van immigranten in dat grote verband.

Zowel de leden van de PvdA-fractie als van de SGP-fractie vragen naar de reden van opneming van het woord «onafgebroken» in artikel 8, vierde lid. Met dit woord wordt benadrukt dat de naturalisandus drie jaar dient samen te wonen met een en dezelfde Nederlander. Hetzelfde geldt ingeval van huwelijk; er dient sprake te zijn van een tenminste driejarig huwelijk met een en dezelfde Nederlander. Thans is niet uitdrukkelijk in de wet opgenomen dat er sprake moet zijn van drie jaar onafgebroken samenwonen met een en dezelfde Nederlander. In de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap, waarin het naturalisatiebeleid is neergelegd, is zulks ten behoeve van de uitvoeringspraktijk wel uitdrukkelijk neergelegd1. De voorgestelde bepaling beoogt dan ook geen verandering te brengen in het huidige naturalisatiebeleid, doch is slechts opgenomen ter verduidelijking daarvan.

De leden van de PvdA-fractie vragen voorts naar de reden van opneming van het woord «onafgebroken» in artikel 8, vijfde lid. De bepaling heeft ten doel te voorkomen dat voor een erkende of zonder erkenning gewettigde persoon die tijdens het verloop van de periode van drie jaren verzorging en opvoeding meerderjarig wordt en daardoor niet door middel van optie het Nederlanderschap kan verkrijgen, de termijn van drie jaren verblijf in het kader van naturalisatie pas bij meerderjarigheid zou aanvangen. Dit zou tot een ongerechtvaardigde behandeling leiden voor al diegenen die na hun vijftiende levensjaar worden erkend of zonder erkenning gewettigd. Daar in artikel 6, eerste lid, onder c, is opgenomen dat er sprake moet zijn van een onafgebroken periode van drie jaar verzorging en opvoeding, dient zulks ook opgenomen te worden in de aanvullende bepaling van artikel 8, vijfde lid.

Artikel 9

Naar aanleiding van het in het eerste lid onder b van dit artikel gestelde vereiste, dat de naturalisandus afstand moet doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit tenzij dit redelijkerwijs niet gevraagd kan worden, vroegen de leden van de leden van de PvdA-fractie of niet in de wet moet worden aangegeven wanneer er sprake kan zijn van onredelijkheid, in plaats van in een beleidscirculaire. Dat is niet het geval. Door in de wet te bepalen dat een dergelijk vereiste niet gesteld zal worden indien dit onredelijk is, laat de wetgever het aan de uitvoeringsautoriteiten over te bepalen of er al dan niet sprake is van een onredelijk vereiste. Ook in de huidige wet is de redelijkheidsclausule opgenomen, die in een beleidscirculaire is uitgewerkt2. Deze circulaire is met uw Kamer besproken.Van de in deze circulaire bepaalde uitzonderingsgevallen zijn die, welke op verdragsverplichtingen berusten – in het bijzonder op het Vluchtelingenverdrag en het Tweede Protocol bij het Verdrag van Straatsburg –, opgenomen in het derde lid van artikel 9. In de andere gevallen, met name die waarin de vraag of in redelijkheid van iemand gevergd kan worden afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit in grote mate afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, laat het wetsvoorstel de bestaande situatie in tact. Deze wijze van regelgeving moet voorkomen dat telkens bij wijziging van de omstandigheden of inzichten de wet gewijzigd moet worden. Wel ben ik er voorstander van om de invulling van de redelijkheidsclausule in een beleidscirculaire uit te werken teneinde een duidelijke instructie te geven aan de uitvoeringsinstanties en die instructie openbaar te maken overeenkomstig de wettelijke bepalingen terzake. Desgevraagd ben ik overigens bereid om over het op dit punt gevoerde beleid met uw Kamer van gedachten te wisselen.

De leden van de CDA-fractie vragen in het kader van de afstandsverplichting bij naturalisatie op welke wijze de uitzonderingscategorie «de verzoeker zal voor het doen van afstand een betaling moeten doen van zodanige hoogte dat hij daardoor een substantieel financieel nadeel zal lijden» wordt ingevuld. Daarover het volgende. Als minimum financieel nadeel is een bedrag vastgesteld gelijk aan het verlaagde tarief van de Nederlandse naturalisatieleges van 250,–. Indien de verzoeker een bedrag aan leges dient te betalen om afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit dat lager ligt dan 250,–. dient hij afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit, dit ongeacht het inkomen en/of vermogen van verzoeker. Als maximum financieel nadeel is een bedrag vastgesteld van 5000,–. Indien een verzoeker tot naturalisatie minimaal tien maal het hoge tarief aan Nederlandse naturalisatieleges dient te betalen om afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit, dan wordt hij vrijgesteld van de verplichting om afstand te doen, dit ongeacht het inkomen en/of vermogen van verzoeker. Tussen deze uiterste grenzen is het afhankelijk van het inkomen en of vermogen van de verzoeker of hij al dan niet afstand moet doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit.

Bij nota van wijziging heb ik verduidelijkt dat voor de toepassing van artikel 9, derde lid, aanhef en onder e, vereist is dat betrokkene als vluchteling in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba erkend is. Omwille van consequent taalgebruik is ook een aanpassing van 9, vierde lid, aangebracht. Het betreft een terminologische aanpassing aan het Besluit Naturalisatiegelden 1997. Overigens worden in dit kader verzoeken die voor kosteloze behandeling in aanmerking komen, gelijkgesteld met verzoeken waarbij ontheffing van de betaling van de naturalisatieleges wordt verleend.

Artikel 10

Naar aanleiding van de vraag van de leden van de D66-fractie waarom de hardheidsclausule van artikel 10 niet van toepassing is op artikel 6, eerste lid, onder c en d, het volgende. De optieprocedure is een vereenvoudigde manier om het Nederlanderschap te verkrijgen. Voldoet betrokkene niet aan de vereisten voor een optie, dan kan hij slechts door middel van naturalisatie het Nederlanderschap verkrijgen. Voldoet hij niet aan bepaalde voorwaarden die artikel 8 en 9 voor naturalisatie stellen, dan kan in bijzondere gevallen artikel 10 worden toegepast. Artikel 10 is derhalve op indirecte wijze van toepassing op de persoon die niet aan de vereisten van artikel 6, eerste lid, onder c of d, voldoet.

Een directe toepassing van de hardheidsclausule is bij de optieregeling niet mogelijk. De optie is een snelle en laagdrempelige procedure tot verkrijging van het Nederlanderschap. In de optieprocedure wordt – afgezien van de toets van artikel 6, derde lid – door deze autoriteit of ambtenaar slechts vastgesteld dat de optant voldoet aan de feitelijke vereisten van artikel 6. Wie aan de voorgeschreven voorwaarden voor optie voldoet, heeft het recht op de verkrijging van het Nederlanderschap. Wie niet aan de voorwaarden voldoet, kan een verzoek tot naturalisatie indienen waarbij zo nodig artikel 10 wordt toegepast.

Op de vraag van de leden van de D66 fractie hoe vaak de hardheidsclausule van artikel 10 bij naturalisatie wordt toegepast kan worden gemeld dat de hardheidsclausule van artikel 10 bij naturalisatie in minder dan een half procent van de gevallen voorkomt.

De vraag van de leden van de SGP-fractie of niet volstaan kan worden met opneming in artikel 10 van de woorden «met afwijking van het bepaalde in artikel 8, 9 en 11» dient ontkennend te worden beantwoord. Het is uitdrukkelijk de bedoeling dat van bepaalde voorwaarden in artikel 8, 9 en 11 niet kan worden afgeweken. In verband daarmee is dan ook uitdrukkelijk aangegeven van welke voorwaarden wel en – impliciet – van welke voorwaarden niet kan worden afgeweken. Zo is het niet de bedoeling dat kan worden afgeweken van het vereiste dat er geen ernstige vermoedens mogen bestaan dat de verzoeker een gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden, of de veiligheid van het Koninkrijk. Ook is het niet de bedoeling af te wijken van artikel 8, eerste lid, onder b, op grond waarvan geen bedenkingen mogen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in het Koninkrijk. Wel heb ik gemeend bij nota van wijziging te moeten voorstellen om artikel 8, vierde lid, niet meer uitdrukkelijk op te nemen. Gelet op het feit dat met behulp van artikel 10 kan worden afgeweken van de reguliere verblijfstermijn van vijf jaar, kan ook van de verkorte termijn van artikel 8, vierde lid, worden afgeweken. Dit geldt ook voor de termijnen genoemd in artikel 8, derde en vijfde lid. Volledigheidshalve is bij nota van wijziging opgenomen dat ook van de termijn bepaald in artikel 11, derde, vierde en vijfde lid, kan worden afgeweken.

Artikel 11

Naar aanleiding van de vraag van de leden van de PvdA-fractie wat rechtens is indien een niet toegelaten minderjarig kind toch in het naturalisatiebesluit wordt genoemd als zijnde genaturaliseerd en de vraag naar de verhouding tussen artikel 11, eerste lid en tweede lid, wil ik iets uitvoeriger ingaan op de voorgestelde regeling met betrekking tot medenaturalisatie. Ook thans komt een minderjarig kind indien het niet is toegelaten niet in aanmerking voor medenaturalisatie (zie Circulaire van de Minister van Justitie, kenmerk 448953, d.d. 3 augustus 1994, inzake de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap, blz. 33–34). De voorgestelde regeling beoogt in dat kader geen wijziging ten opzichte van de huidige situatie. Op dit moment wordt in het naturalisatiebesluit een algemene uitsluitingsclausule opgenomen waarbij kinderen aan wie geen verblijf voor onbepaalde duur in het Koninkrijk is toegestaan, niet worden meegenaturaliseerd. Om bewijstechnische redenen wordt thans voorgesteld in artikel 11, eerste lid, te bepalen dat kinderen die wel worden meegenaturaliseerd bij naam genoemd worden in het naturalisatiebesluit. Het tweede lid geeft aan in welke gevallen het verzoek om medenaturalisatie van een kind beneden de leeftijd van 16 jaar wordt ingewilligd. Het tweede lid vormt een aanvulling op het eerste lid. Door ondertekening en bekendmaking van het naturalisatiebesluit treedt het besluit in werking. Dit betekent dat alle als zodanig in het naturalisatiebesluit genoemde personen het Nederlanderschap verkrijgen, ook indien zij niet voldoen aan de vereisten voor naturalisatie. Een kind dat ten onrechte in strijd met artikel 11, tweede lid, toch in een naturalisatiebesluit als zijnde genaturaliseerd wordt vermeld, bezit dan ook het Nederlanderschap. Dit heeft tot gevolg dat de Vreemdelingenwet niet meer op hem van toepassing is en hij Nederland niet kan worden uitgezet. Indien de naturalisatie-autoriteiten vaststellen dat ten gevolge van frauduleus handelen niet op de hoogte waren van het feit dat het kind niet of niet meer was toegelaten, zal overigens overwogen worden om tot intrekking van het Nederlanderschap over te gaan. Op de mogelijkheid tot intrekking van het Nederlanderschap zal ik hierna bij de bespreking van artikel 14 nader ingaan.

Overigens gelden ingevolge artikel 11, vierde en vijfde lid, soepelere voorwaarden voor naturalisatie van kinderen die niet in de optie of naturalisatie van hun ouder(s) gedeeld hebben. Deze bepalingen moeten worden bezien in het licht van het bepaalde in artikel 6, vierde lid, aanhef en onder c, van het Europees Nationaliteitsverdrag. Op grond van die verdragsbepaling dient een Staat die partij is bij het Verdrag in zijn nationale wetgeving de verkrijging van zijn nationaliteit te vergemakkelijken voor kinderen van wie een van de ouders deze nationaliteit verkrijgt of heeft verkregen. De Staat die partij is bij het Verdrag is vrij in de wijze waarop aan de vereenvoudiging wordt vorm gegeven. In de toelichting bij het Verdrag worden als voorbeelden genoemd de vermindering van de vereiste verblijfsduur, minder strenge taaleisen, eenvoudigere procedures en lagere procedurekosten. Aan deze verdragsverplichting wordt in het voorliggende ontwerp voldaan, doordat kinderen in beginsel delen in de naturalisatie van hun ouder(s). Indien dat niet het geval is, kunnen zij onder soepelere voorwaarden door middel van naturalisatie het Nederlanderschap verkrijgen. Zo geldt voor hen een verkorte verblijfstermijn van drie jaar en is bovendien niet vereist dat zij afstand doen van hun oorspronkelijke nationaliteit. Het vereiste van toelating en hoofdverblijf blijft gehandhaafd, zodat een zekere mate van inburgering gegarandeerd is.

Zoals reeds bij de behandeling van artikel 1 is gememoreerd, wordt in het onderhavige voorstel het begrip hoofdverblijf gehanteerd in plaats van de term woonplaats. Bij nota van wijziging wordt een aanpassing van artikel 11, zesde lid aangebracht die beoogt deze bepaling in overeenstemming te brengen met de gehanteerde terminologie.

Artikel 13

De leden van de PvdA-fractie vragen de regering aan welk legesbedrag wordt gedacht als passende vergoeding voor optie. Op dit moment wordt gedacht aan een bedrag dat ongeveer de helft is van de naturalisatieleges. Nadat de evaluatie van het Besluit Naturalisatiegelden 1997 is afgerond, kan voor de optie een concreet bedrag worden aangegeven. Dat bedrag kan hoger maar ook lager uitkomen dan de helft van de naturalisatieleges. Voor de gemeenten is een groot deel van de uit te voeren werkzaamheden voor naturalisatie gelijk aan de uit te voeren werkzaamheden zoals deze bij optie worden voorgesteld. Daarbij moet er wel rekening mee worden gehouden dat ten aanzien van de voorgestelde optieprocedure meer werkzaamheden op het gemeentelijk vlak komen te liggen dan bij de huidige naturalisatieprocedure het geval is. Te denken valt bijvoorbeeld aan de bezwaar- en beroepsprocedure, die geheel bij de gemeente komen te liggen. Ik ben voornemens de evaluatie van het Besluit Naturalisatiegelden in mei 1999 af te ronden.

Artikel 14

De leden van de PvdA-fractie is het opgevallen dat het eerste lid van dit artikel een «kan»-bepaling is. Ook vragen deze leden evenals de leden van de SGP-fractie om enig inzicht in het gebruik van de in dit artikel gegeven bevoegdheid tot intrekking van het Nederlanderschap. Genoemd artikellid schept de bevoegdheid tot ongedaanmaking van de onterechte, door frauduleus handelen bewust bewerkstelligde verlening of verkrijging van het Nederlanderschap door intrekking van het daaraan ten grondslag liggende besluit of bevestiging. Het betreft hier een correctieve maatregel. De situatie die is ontstaan doordat onjuiste gegevens zijn verstrekt of de juiste relevante gegevens zijn verzwegen moet dan in beginsel worden teruggebracht naar de situatie zoals die zou zijn indien de juiste gegevens waren verstrekt. In het algemeen kan niet worden aanvaard, dat een vreemdeling die als gevolg van frauduleus handelen het Nederlanderschap verkrijgt, dat Nederlanderschap ook behoudt. Dat zou onrechtvaardig zijn ten opzichte van hen die geen onjuiste gegevens hebben verstrekt en daarom niet in aanmerking zijn gekomen voor het Nederlanderschap. Omdat het gaat om een correctie van de gevolgen van frauduleus handelen, is in beginsel irrelevant of de onjuiste gegevens zijn aangevoerd door de al dan niet meerderjarige betrokkene zelf of namens hem door een derde, bijvoorbeeld de wettelijk vertegenwoordiger of de gemachtigde. Het gaat erom of de fraude hem kan worden toegerekend. Uitgangspunt zal zijn, dat bij geconstateerde fraude ook daadwerkelijk tot intrekking zal worden overgegaan. Er kan evenwel in een voorkomend geval sprake zijn van bijzondere individuele omstandigheden om alsnog van de intrekking af te zien. Omdat het mogelijk moet kunnen zijn om op grond van zulke bijzondere omstandigheden en na afweging van de daarbij betrokken belangen te besluiten het ten onrechte verkregen Nederlanderschap niet te ontnemen – waarbij onder meer gedacht kan worden aan overheidsfouten die mede tot de onterechte verlening hebben geleid – is gekozen voor een «kan»-bepaling. Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur zal de formele en materiële gang van zaken bij de intrekkingsprocedure nader worden geregeld. Mede daartoe is bij nota van wijziging artikel 23 aangepast.

Het antwoord op de vraag van de leden van de SGP-fractie of in het eerste lid de woorden «berusten op» wijzen op een oorzakelijk verband, is bevestigend. Intrekking zal slechts overwogen worden indien betrokkene, ware de fraude of bedrog tijdig bekend geweest, niet voor naturalisatie in aanmerking was gekomen. In aansluiting op de vraag van de leden van de D66-fractie kan worden geantwoord dat ook indien betrokkene aanvankelijk valse documenten heeft overgelegd en alsnog echte documenten produceert met dezelfde inhoudelijke gegevens, bezien zal worden of tot intrekking van het Nederlanderschap zal worden overgegaan. Ook hier is mijn uitgangspunt, dat de verleende naturalisatie wordt ingetrokken en de betrokkene op grond van zijn nieuwe documenten een optie- of naturalisatieprocedure kan starten. Is de intrekking echter als niet opportuun of disproportioneel te bestempelen, dan zal daarvan worden afgezien.

Verder geven de leden van de PvdA-fractie aan dat prof. mr. G. R. de Groot stelt dat de overheid het ontnemen van het Nederlanderschap niet als een strafrechtelijke reactie kan hanteren. De leden van de GroenLinks-fractie verwijzen in het kader van de terugwerkende kracht van intrekking van het Nederlanderschap naar artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 7 van het Europees Nationaliteitsverdrag voor de Rechten van de Mens. Ik wijs er echter op dat de intrekking van het Nederlanderschap geen strafrechtelijke sanctie, maar een bestuursrechtelijke handeling betreft. Het gaat om een correctie van een ten onrechte verleende naturalisatie. De genoemde strafrechtbepalingen zijn in dat verband dan ook niet van toepassing.

De opmerking van de leden van de D66-fractie dat intrekking van het Nederlanderschap tot staatloosheid kan leiden is juist. Zowel artikel 8, tweede lid, onder b, van het Verdrag van New York inzake staatloosheid (Trb. 1967, 124) als artikel 7, onder b van het Europees Nationaliteitsverdrag staan dit toe. Of betrokkene in dat geval weer in aanmerking komt voor verkrijging van het Nederlanderschap door middel van optie of naturalisatie is afhankelijk van de vraag of betrokkene aan de daarvoor gestelde voorwaarden voldoet. Zo is het zeer wel denkbaar dat betrokkene strafrechtelijk vervolgd is voor de gepleegde fraude en derhalve vanwege de openbare orde-voorwaarde voorshands niet in aanmerking komt voor optie of naturalisatie. Zoals hierboven reeds is aangegeven zal in de afweging om tot intrekking over te gaan ook het feit worden meegewogen of betrokkene staatloos wordt en of en, zo ja, binnen welke termijn hij het Nederlanderschap daarna alsnog kan verkrijgen.

De vraag van deze leden of intrekking van het Nederlanderschap mogelijk is, indien de bedrieglijke handelingen vóór de inwerkingtreding van de nieuwe bepaling hebben plaatsgevonden, wordt bevestigend beantwoord. Ingevolge het in artikel II bepaalde kan intrekking ook geschieden indien het Nederlanderschap voor de inwerkingtreding van het onderhavige wetsvoorstel is verleend en die verlening berust op fraude, bedrog of verzwijging. In dat geval werkt de intrekking omwille van de rechtszekerheid echter niet verder terug dan tot het tijdstip van inwerkingtreding van deze rijkswet.

Indien een optie vóór de inwerkingtreding van deze rijkswet is afgelegd en achteraf bezien niet aan alle voorwaarden voldoet, zal geconcludeerd worden dat aan de optie geen rechtsgevolgen zijn verbonden. Intrekking van het Nederlanderschap is in dat geval dus niet aan de orde. In dat kader wordt bij nota van wijziging de woorden «verkregen of» in artikel II geschrapt.

Intrekking van het Nederlanderschap brengt, afgezien van de in Artikel II genoemde gevallen, mee dat de betrokkene geacht wordt nooit Nederlander te zijn geweest. Hij kan dan ook geen beroep doen op de in artikel 6, eerste lid, onder f, en artikel 8, tweede lid, gegeven bijzondere gevallen van optie en naturalisatie.

Op de vraag van de leden van de GroenLinks-fractie of de fraude dan wel het bedrog als intrekkingsgrond niet door een rechter dient te worden vastgesteld, wil ik als volgt reageren. Een besluit tot intrekking is een bestuurshandeling die met zorg dient te worden genomen. Dit geldt zeker voor een besluit tot intrekking van het Nederlanderschap. Alvorens tot intrekking van het Nederlanderschap over te gaan zal het nodige onderzoek worden verricht en zal betrokkene zo mogelijk in de gelegenheid worden gesteld te worden gehoord. Bovendien zal slechts tot intrekking van het Nederlanderschap worden overgegaan indien er evident sprake is van fraude of bedrog. Op een besluit tot intrekking van het Nederlanderschap zijn de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Derhalve ook de bepalingen van bezwaar en beroep. Betrokkene heeft dan ook de mogelijkheid om achteraf het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap ter toetsing voor te leggen aan de bestuursrechter.

Tevens vragen deze leden evenals de leden van de SGP-fractie of de periode van twaalf jaar niet zou dienen te gaan lopen vanaf het moment dat de fraude is gepleegd, omdat onder omstandigheden intrekking van het Nederlanderschap nog mogelijk is terwijl een strafrechtelijke sanctie niet meer mogelijk is. Ik wil nogmaals benadrukken dat intrekking van het Nederlanderschap een bestuursrechtelijke handeling is en géén strafrechtelijke sanctie betreft. De fraude of bedrog zal veelal plaatsvinden op het moment waarop betrokkene om naturalisatie verzoekt of in het kader van dat verzoek nadere informatie verschaft. Thans is de termijn waarbinnen iemand genaturaliseerd wordt in het algemeen drie tot zes maanden. Het moment van fraude of bedrog ligt dan ook meestal dicht bij de datum van naturalisatie. Omwille van de duidelijkheid is er voor gekozen om de periode van twaalf jaar te laten gaan lopen vanaf de datum van naturalisatie, een objectief en eenvoudig vast te stellen datum.

Intrekking van het Nederlanderschap is zowel voor de betrokkene als voor Nederland een belangrijke en ingrijpende gebeurtenis. Ik stel mij dan ook voor de Kamer op dit punt regelmatig te informeren over het door mij gevoerde beleid.

Met betrekking tot de vraag van de leden van de GroenLinks-fractie hoe het zit met het overgangsrecht op dit punt verwijs ik naar hetgeen ik hierboven heb opgemerkt over artikel II. De overige door deze leden gestelde vragen hebben betrekking op artikel 15. Omwille van de overzichtelijkheid zal ik deze vragen onder artikel 15 beantwoorden.

In verband met artikel 14, tweede lid, wijs ik nog op het volgende. Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder f, van het Europees Nationaliteitsverdrag mag een Verdragsstaat in zijn nationale wetgeving voorzien in het verlies van zijn nationaliteit wanneer tijdens de minderjarigheid van een kind wordt vastgesteld dat het niet meer voldoet aan de in de nationale wetgeving vastgestelde voorwaarden die hebben geleid tot de verkrijging van rechtswege van de nationaliteit van de Staat die partij is. In dat kader wordt bij nota van wijziging het verlies van het Nederlanderschap dan ook beperkt tot gevallen waarin de familierechtelijke betrekkingen waaraan het Nederlanderschap wordt ontleend gedurende de minderjarigheid vervallen.

Artikel 15

Vragen van de leden van de CDA-fractie geven mij de gelegenheid nader in te gaan op de betekenis van het tweede lid van artikel 15 in het licht van het op 2 februari 1993 te Straatsburg tot stand gekomen Tweede Protocol (Trb. 1994, 265). Dit Protocol wijzigt het bekende Verdrag van Straatsburg betreffende de gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit. Uitgangspunt van dat Verdrag is namelijk dat onderdanen van een Verdragsstaat de nationaliteit van een Verdragsstaat verliezen indien zij vrijwillig de nationaliteit van een andere Verdragsstaat verkrijgen. Het Tweede Protocol geeft de ratificerende Staten de bevoegdheid om in enkele specifiek aangegeven gevallen af te wijken van het uitgangspunt van het Verdrag van Straatsburg. Van de bevoegdheid tot afwijking is gebruik gemaakt op de in artikel 15, tweede lid, gegeven wijze. Aan het Tweede Protocol ligt het uitgangspunt ten grondslag, dat in de gegeven gevallen de verkrijging van de nationaliteit van het land van de gewone verblijfplaats, dan wel van de nationaliteit die in het gezin gemeenschappelijk is, van zo groot belang is voor de betreffende persoon en voor de Staat van de nieuwe nationaliteit dat de verkrijging van die nationaliteit niet mag worden belemmerd door het verlies van de oorspronkelijke nationaliteit. In het licht van dit algemeen geldende uitgangspunt zou een beperking van de uitzonderingsregel van artikel 15, tweede lid, tot slechts die personen die de nationaliteit hebben van een Staat, die Partij is bij het Tweede Protocol, leiden tot een vorm van discriminatie die in het licht van artikel 1 van de Grondwet onaanvaardbaar is.

De leden van de CDA-fractie vragen zich af of bij de regeling van het verlies van het Nederlanderschap geen rekening gehouden moet worden met het substantiële financiële verlies dat iemand kan ondervinden indien hij bijvoorbeeld in de Verenigde Staten van Amerika niet de Amerikaanse nationaliteit bezit. Zoals hierboven reeds vermeld, berusten de uitzonderingen van het Tweede Protocol, zoals verwoord in artikel 15, tweede lid, op het uitgangspunt dat in bepaalde gevallen het verlies van het Nederlanderschap niet in de weg mag staan aan de integratie in het land van de gewone verblijfplaats. Dat uitgangspunt speelt niet in het door deze leden gegeven geval. Het is daarin aan de persoon in kwestie overgelaten om de gevolgen van het verlies van de Nederlandse nationaliteit bij de verkrijging van een vreemde nationaliteit onder ogen te zien en af te wegen tegen de gevolgen van de verkrijging van die nieuwe nationaliteit. Zijn overigens de redenen om zich te laten naturaliseren tot onderdaan van een andere Staat zo dwingend dat niet meer gesproken kan worden van een vrijwillige verkrijging van die buitenlandse nationaliteit, dan brengt artikel 15, eerste lid, onder a, geen verlies van het Nederlanderschap mee. Ik wijs er in aanvulling nog op, dat het verlies van het Nederlanderschap thans in het algemeen geen substantieel financieel verlies meebrengt.

De vragen van de leden van de fracties van D66 en van de GroenLinks-fractie met betrekking tot het verlies van het Nederlanderschap door verblijf van Nederlanders in het buitenland als geregeld in artikel 15, eerste lid, onder c, en derde en vierde lid, wil ik als volgt beantwoorden. Op grond van het voorgestelde artikel 15, eerste lid, onder c, verliest een meerderjarige in het algemeen het Nederlanderschap indien hij tevens een vreemde nationaliteit bezit en tijdens zijn meerderjarigheid gedurende een ononderbroken periode van tien jaar in het bezit van beide nationaliteiten zijn hoofdverblijf heeft buiten Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba, en buiten het gebied van de Europese Unie. Zowel in de geldende wet als in het wetsvoorstel wordt derhalve een verliestermijn van tien jaar onafgebroken verblijf in het buitenland gehanteerd. De vraag van de leden van de GroenLinks-fractie waarom de verliestermijn is teruggebracht van tien jaar naar vijf jaar is dan ook niet duidelijk.

Deze verliesbepaling is opgenomen, omdat vermoed mag worden dat hij, die zeer langdurig in het buitenland verblijft, de noodzakelijke band met Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba verloren heeft en derhalve geen aanspraak meer kan maken op het Nederlanderschap. De betrokkene kan dit vermoeden weerleggen. Hij kan zijn verbondenheid met het Koninkrijk aantonen door een verblijf in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba of in de Europese Unie. De termijn van verblijf is daartoe gesteld op tenminste een jaar. Daarnaast kan betrokkene zijn verbondenheid met het Koninkrijk aantonen door het aanvragen van een Nederlands paspoort of een bewijs van Nederlanderschap. Aangenomen mag worden dat iemand die een Nederlands paspoort aanvraagt, prijs stelt op behoud van zijn Nederlandse nationaliteit. Kort gezegd gaat het erom dat betrokkene op enigerlei wijze aangeeft nog steeds een band met Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba te hebben. Op welke wijze betrokkene dat doet, ofwel door een verblijf van ten minste één jaar in het Koninkrijk of in de Europese Unie (artikel 15, derde lid), ofwel door het verwerven van een Nederlands paspoort of een bewijs van Nederlanderschap (artikel 15, vierde lid), is daarbij niet van belang.

Het derde lid heeft tevens een bewijsrechtelijke functie. Het geeft aan dat het verloop van de tien-jaren termijn van het bepaalde in het eerste lid, onder c, van dit artikel niet kan worden gestuit door een kort verblijf in Nederland. Dat verblijf zal tenminste één jaar moeten bedragen. Het derde lid is, anders dan de leden van de fractie van D66 menen, dan ook geenszins overbodig.

Verder vragen de leden van de D66-fractie wat rechtens is indien het paspoort ruimschoots op tijd is aangevraagd, maar de Nederlandse autoriteiten twijfelen over het bezit van het Nederlanderschap. Het gaat hierbij om gevallen waarin veelal onduidelijk is of betrokkene op grond van artikel 15, eerste lid, onder c, het Nederlanderschap verloren heeft. Verwacht mag worden dat personen die hechten aan het bezit en behoud van het Nederlanderschap iedere vijf jaar of in elk geval ruim voor afloop van de verliestermijn hun Nederlandse paspoort laten vernieuwen, dan wel periodiek een bewijs van Nederlanderschap aanvragen. In een voorkomend geval zal er dan ook voldoende tijd zijn om een nationaliteitsonderzoek in te stellen en af te ronden.

Hierbij moet voor ogen gehouden worden dat op betrekkelijk eenvoudige wijze kan worden aangetoond dat de verliesgrond van artikel 15, eerste lid, onder c, niet op betrokkene van toepassing is; ofwel door overlegging van een paspoort of een bewijs van Nederlanderschap welk in de voorafgaande periode van tien jaar aan betrokkene is verstrekt, danwel door een verklaring van de bevoegde autoriteiten waaruit blijkt dat betrokkene in de laatste tien jaar langer dan één jaar in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba of binnen de gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is, zijn gewone verblijfplaats heeft gehad. Er is bewust voor gekozen om vanaf het moment van afgifte een nieuwe verliestermijn van tien jaar te laten ingaan. Het moment van afgifte staat immers vast. Het tijdstip van aanvraag is niet altijd vast te stellen. Aan de hand van de datum van afgifte van het paspoort kan voor betrokkene geen twijfel bestaan over het moment van verlies. Een Nederlands paspoort verliest zijn geldigheid na 5 jaar. Zelfs als na beëindiging van deze geldigheidsduur onduidelijkheid zou bestaan over het Nederlanderschap van de houder van het paspoort, mag er van worden uitgegaan dat die onduidelijkheid binnen de resterende termijn van 5 jaar opgelost kan worden. Er kan tussen betrokkene en de Nederlandse overheid op die wijze geen verschil van mening bestaan over het aanvangstijdstip van de verliestermijn. Een ander aanvangstijdstip te nemen lijkt mij dan ook niet noodzakelijk en schaadt de in het nationaliteitsrecht gewenste rechtszekerheid.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of er wel voldoende voorlichting wordt gegeven aan de Nederlanders in het buitenland over het verlies van het Nederlanderschap. Reeds in 1985 is gestart met het periodiek sturen van circulaires aan de Nederlandse vertegenwoordigingen, waarin voorlichting wordt gegeven over de huidige Rijkswet op het Nederlanderschap, in het bijzonder de verliesbepaling van artikel 15, onder c. Sedert de indiening van de eerste tranche tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap in 1993 (23 029 (R 1461)) is de voorlichting uitgebreid door het telkenmale weergeven van de laatste stand van zaken met betrekking tot de wijzigingsvoorstellen. Deze informatie wordt op voorlichtingsbijeenkomsten bij de Nederlandse verenigingen en bij persoonlijke verzoeken om informatie verstrekt aan geïnteresseerden. Voorts is reeds in 1995 door het ministerie van Buitenlandse Zaken aan de Nederlandse vertegenwoordigingen opdracht gegeven de namen te noteren van Nederlanders die zich voor een paspoortaanvraag tot de vertegenwoordingen wenden en die als gevolg van deze verliesbepaling in de (nabije) toekomst het Nederlanderschap zouden kunnen gaan verliezen. Hierdoor zal het mogelijk zijn deze personen na de inwerkingtreding van deze rijkswet te benaderen met betrekking tot de mogelijkheid de Nederlandse nationaliteit te herkrijgen. Overigens geldt ook hier de opmerking die ik hierboven in het onderdeel Algemeen gemaakt heb met betrekking tot de voorlichting over deze Rijkswet.

De leden van de SGP-fractie vragen op welke wijze in het onderhavige voorstel tegemoet wordt gekomen aan de bezwaren betreffende het (reeds ingetreden) verlies van het Nederlanderschap door Nederlanders in het buitenland. De leden van de GroenLinks-fractie vragen in dit verband of oud-Nederlanders die het Nederlanderschap hebben verloren niet op een gemakkelijkere wijze het Nederlanderschap moeten kunnen verwerven, bijvoorbeeld als zij zijn toegelaten tot Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba gedurende één jaar, ook al is dat niet voor onbepaalde duur.

Bij de beantwoording van deze vragen moeten twee categorieën oud-Nederlanders worden onderscheiden, nl. personen die door tien jaar verblijf in het buitenland het Nederlanderschap verloren hebben ingevolge artikel 15, onder c, en personen die het Nederlanderschap op andere wijze hebben verloren; te denken is daarbij aan verlies door afstand of wegens het vrijwillig verkrijgen van een andere nationaliteit. Tot deze tweede categorie oud-Nederlanders behoren bovendien die personen die op grond van de Toescheidingsovereenkomst met Indonesië en de Toescheidingsovereenkomst met Suriname de nationaliteit van deze nieuwe Staten gekregen hebben. Oud-Nederlanders als bedoeld in de eerste categorie kunnen door middel van het afleggen van een optieverklaring het Nederlanderschap herkrijgen (zie artikel V). Indien de verklaring binnen een jaar na inwerkingtreding van de onderhavige rijkswet wordt afgelegd, geldt het vereiste van een jaar toelating en hoofdverblijf niet. Bovendien werkt in dat geval de verkrijging terug tot het moment van verlies. Indien men in een periode voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding in het bezit is gesteld van een Nederlands paspoort of een bewijs van Nederlanderschap wordt men zelfs geacht het Nederlanderschap niet te hebben verloren. Bij nota van wijziging heb ik gemeend deze periode te moeten verlengen tot tien jaar. Bij de bespreking van artikel V zal ik op deze wijziging nader ingaan. Teneinde in de toekomst te voorkomen dat deze eerste categorie Nederlanders, indien een band met Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba bestaat, het Nederlanderschap verliest, zijn zoals hierboven uiteengezet in artikel 15 en 16 bepalingen opgenomen op grond waarvan de verliestermijn gestuit kan worden.

De tweede categorie oud-Nederlanders kan, indien zij aan de voorwaarden voldoet, op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, of op grond van artikel 28 door optie het Nederlanderschap terugkrijgen. Uit het bepaalde in artikel 26 en 28 blijkt dat deze groep oud-Nederlanders in bepaalde gevallen ook een optie kan uitbrengen ongeacht de vraag of men in Nederland toelating en hoofdverblijf had. Voor de overige oud-Nederlanders geldt onder meer het vereiste dat zij een jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in Nederland hebben. Het verkrijgen van toelating voor onbepaalde termijn is voor die oud-Nederlanders die een speciale band met Nederland hebben omdat zij er geboren en getogen zijn, op zo eenvoudige wijze te verkrijgen dat er in feite geen verschil is met het door de leden van de GroenLinks-fractie gevraagde. Voor andere oud-Nederlanders is er geen reden de toets van artikel 6, eerste lid, onder f, en van artikel 6, derde lid, te laten vervallen.

De leden van de CDA-fractie stellen de vraag of iemand met de Nederlandse nationaliteit die een geregistreerd partnerschap aangaat in het buitenland met iemand van een andere nationaliteit met behoud van het Nederlanderschap vrijwillig de nationaliteit van de partner kan aannemen. Bij de behandeling van artikel 1 ben ik uitgebreid ingegaan op de erkenning van in het buitenland geregistreerde partnerschappen. Kortheidshalve verwijs ik naar hetgeen ik daar heb opgemerkt. Het antwoord op de gestelde vraag luidt in navolging van het daar vermelde ontkennend; een in het buitenland geregistreerd partnerschap wordt in de onderhavige Rijkswet niet gelijkgesteld met een huwelijk. De Nederlander die vrijwillig de nationaliteit van zijn naar buitenlands recht geregistreerde buitenlandse partner aanneemt, verliest het Nederlanderschap indien niet een van de bijzondere gevallen van artikel 15, tweede lid, aanwezig is.

De vraag van deze leden of een weduwnaar of weduwe het Nederlanderschap verliest indien de nationaliteit van de overleden echtgenoot wordt aangenomen moet bevestigend beantwoord worden. Op de voet van het bepaalde in het Tweede Protocol stelt het onderhavige voorstel dat het Nederlanderschap niet verloren wordt door het vrijwillig verkrijgen van een vreemde nationaliteit door de verkrijger die gehuwd is met een persoon die deze andere nationaliteit bezit. Zo wordt de nationaliteitsrechtelijke eenheid binnen het gezin bevorderd, evenals de gelijkheid van rechten en behandeling van beide echtgenoten en de integratie van de echtgenoot in het land van de partner. Deze argumenten gelden echter niet indien het huwelijk al dan niet door overlijden is ontbonden. Een Nederlander die vrijwillig de nationaliteit verkrijgt van zijn overleden partner zal dan ook het Nederlanderschap verliezen, tenzij hij behoort tot een der categorieën van artikel 15, tweede lid.

Artikel 16

De leden van de PvdA-fractie en van de SGP-fractie vragen waarom in artikel 16, tweede lid, onder f, een termijn van vijf jaar gesteld is. Deze bepaling berust, evenals artikel 15, tweede lid onder b, in eerste instantie op de regeling van het Tweede Protocol, dat – uitgaand van het beginsel van enkelvoudige nationaliteit – een uitzondering op dat beginsel geeft voor de persoon die tijdens zijn minderjarigheid gedurende een zeker tijdvak zijn gewone verblijfplaats heeft of gehad heeft in het land van zijn nieuwe nationaliteit. Dat tijdvak is in deze wet gesteld op vijf jaar. Uitgaand van de reeds hierboven weergegeven grondgedachte van het Tweede Protocol, dat het verlies van de oude nationaliteit geen belemmering moet vormen voor de verkrijging van de nationaliteit van het land waar men al geruime tijd zijn gewone verblijfplaats heeft, kan gesteld worden dat wie reeds binnen vijf jaar de nationaliteit van zijn verblijfsland verwerft, bij die verkrijging kennelijk geen belemmering ondervindt van het feit, dat de oorspronkelijke nationaliteit, in casu de Nederlandse, verloren gaat. Overigens wijs ik erop dat in de nationaliteitsregelingen van een groot aantal Staten een gewoonlijk verblijf van vijf jaar als voorwaarde voor naturalisatie gesteld wordt.

De leden van de fractie van D66 vragen, onder verwijzing naar het Verdrag inzake de rechten van het kind, of het niet de voorkeur zou verdienen om minderjarigen nooit het Nederlanderschap te laten verliezen. Zoals ik in de inleiding heb aangegeven stelt de regering zich op het standpunt dat naar enkelvoudige nationaliteit gestreefd moet worden, indien er geen objectieve redenen voor meervoudige nationaliteit zijn aan te geven. Indien een minderjarige geen enkele band met Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba heeft, valt niet in te zien waarom een dubbele nationaliteit gerechtvaardigd zou zijn. Tegen deze achtergrond dienen de verliesbepalingen van minderjarigen te worden bezien. Bovendien kan een kind als oud-Nederlander het Nederlanderschap weer herkrijgen zodra het meerderjarig is geworden. Onder bepaalde voorwaarden kan dat zelfs op de eenvoudige wijze van een optie. Ik verwijs daartoe naar artikel 6, eerste lid, onder f. Het gaat derhalve niet om een onomkeerbare situatie en in dat kader is er dan ook geen sprake van strijd met het Verdrag inzake de rechten van het kind.

De gestelde vragen geven mij de gelegenheid aandacht te vragen voor de artikelen 7 en 8 van het Europees Nationaliteitsverdrag. In deze bepalingen is aangegeven in welke gevallen een Staat die partij is bij het Nationaliteitsverdrag zijn nationaliteit aan een onderdaan mag ontnemen dan wel een onderdaan afstand mag laten doen van zijn nationaliteit. Artikel 7 van het Verdrag kent voor minderjarigen zowel een aantal zelfstandige verliesgronden als van de ouders afhankelijke verliesgronden. Bij de zelfstandige verliesgronden gaat het om het verlies in geval tijdens de minderjarigheid van een kind wordt vastgesteld dat niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden die hebben geleid tot de verkrijging van rechtswege van de nationaliteit (artikel 7, eerste lid, aanhef en onder f) en verlies in geval een kind geadopteerd wordt en de nationaliteit van zijn adoptiefouder(s) verkrijgt dan wel reeds bezit (artikel 7, eerste lid, aanhef en onder g). Deze verdragsbepalingen zijn geïmplementeerd in artikel 14, tweede lid, respectievelijk 16, eerste lid, aanhef en onder a, van het voorstel.

Bij de afhankelijke verliesgrond van de ouders gaat het om artikel 7, tweede lid, op grond waarvan een Staat kan voorzien in het verlies van zijn nationaliteit door kinderen wier ouders die nationaliteit verliezen, tenzij een van de ouders die nationaliteit behoudt. Zoals reeds hierboven onder Algemeen aangegeven, zal uw Kamer worden voorgesteld het Europese Nationaliteitsverdrag te ratificeren onder het voorbehoud dat kinderen hun Nederlanderschap kunnen verliezen indien hun ouder of ouders afstand doen van het Nederlanderschap. Artikel 16 regelt de voorwaarden voor verlies.

Artikel V

Op de vraag van de leden van de D66-fractie op welke wijze oud-Nederlanders in het buitenland geïnformeerd worden over de overgangsbepaling kan het volgende worden geantwoord. Allereerst zullen de Nederlandse diplomatieke en consulaire vertegenwoordigingen een voorlichtingstekst krijgen toegestuurd, waarin onder meer uitvoerig zal worden ingegaan op de overgangsbepalingen. Deze voorlichtingstekst zal worden opgehangen in de bezoekersruimten van de vertegenwoordigingen, terwijl aan geïnteresseerden desgevraagd een kopie daarvan zal worden verstrekt. Verder wordt aan alle bij het ministerie van Buitenlandse Zaken bekende belangenbehartigingsorganisaties in het buitenland een kopie van de voorlichtingstekst toegestuurd. In overleg met die organisaties zullen voorlichtingsbijeenkomsten worden georganiseerd ten behoeve van de in het buitenland wonende Nederlanders, bij welke gelegenheden uitvoerig zal worden ingegaan op de overgangsbepalingen. De voorlichting zal onder meer worden verzorgd door aan de vertegenwoordigingen verbonden ambtenaren, respectievelijk ambtenaren van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Tevens stel ik mij voor deze informatie via Internet te verspreiden.

Deze leden vragen verder waarom voor een periode van zes jaar is gekozen waarin een Nederlands paspoort moet zijn verstrekt. Deze zes jaren termijn was reeds opgenomen in de eerste tranche van wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap (23 029 (R 1461)). De verwachting was toen dat door opneming van deze termijn na inwerkingtreding van de rijkswet vrijwel ieder die op grond van artikel 15, aanhef en onder c, het Nederlanderschap verloor, maar in het bezit was van een Nederlands paspoort gebruik konden maken van de overgangsbepaling. Inmiddels hebben velen sinds 1 januari 1995 op grond van artikel 15, onder c, het Nederlanderschap verloren. Om deze oud-Nederlanders zoveel mogelijk tegemoet te komen heb ik gemeend bij nota van wijziging de termijn van zes jaar naar tien jaar te moeten verlengen. Heeft een persoon op 1 januari 1995 van rechtswege zijn Nederlanderschap verloren en was hij op dat tijdstip in het bezit van een geldig Nederlands paspoort, dan is dit paspoort nà 1 januari 1990 afgegeven. Indien de voorgestelde wijziging van Rijkswet voor of op 1 januari 2000 in werking treedt, kan door de termijnverandering van 6 naar 10 jaar opnieuw worden bereikt, dat de gehele groep van bedoelde personen zich op het bepaalde in dit artikel kunnen beroepen.

Voor een beter begrip van het artikel worden voorts bij nota van wijziging de woorden «verkrijgt» en «verkrijging» vervangen door de woorden «herkrijgt» en «herkrijging».

Artikel VII

Het ligt in mijn bedoeling deze Rijkswet zo kort mogelijk na de goedkeuring van het parlement in werking te laten treden. Evenals Uw Kamer hebben mij talrijke brieven bereikt van (oud-)Nederlanders uit het buitenland. Mede gelet op de belangen van deze groep mensen zou de regering het op prijs stellen als deze wet zo spoedig mogelijk in werking zou kunnen treden. Deze groep (oud-)Nederlanders verkeert reeds lange tijd in onzekerheid voor wat betreft hun nationaliteit. Het verdient aanbeveling aan deze onzekerheid zo spoedig mogelijk een einde te maken. Ik vertrouw dan ook op een voortvarende behandeling van dit voorstel.

De Staatssecretaris van Justitie,

M. J. Cohen


XNoot
1

Circulaire van de Minister van Justitie, kenmerk 448953, d.d. 3 augustus 1994, inzake Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap, blz. 22–23.

XNoot
2

Circulaire van de Staatssecretaris van Justitie, kenmerk 631150/97/6, d.d. 18 juni 1997, inzake wijziging van het beleid inzake het doen van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit bij naturalisatie tot Nederlander.