25 891 (R 1609)
Wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap met betrekking tot de verkrijging, de verlening en het verlies van het Nederlanderschap

nr. 37
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 8 september 2000

Bij de mondelinge behandeling van het wetsvoorstel tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap met betrekking tot de verkrijging, de verlening en het verlies van het Nederlanderschap (kamerstukken II 1997/98, 25 891 (R 1609), nrs. 1–3) op 16 en 17 februari jl. heb ik toegezegd te zullen onderzoeken of en, zo ja, op welke wijze «Nederlanders die zich aansluiten bij guerillagroepen of paramilitaire strijdkrachten, die betrokken zijn bij gevechtshandelingen tegen het Koninkrijk dan wel tegen een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is», het Nederlanderschap ontnomen kan worden. Middels deze brief informeer ik u over de resultaten van dit onderzoek.

In verband met de gedane toezegging heb ik een enquête gehouden onder de lidstaten en waarnemerstaten van de Raad van Europa. Daarbij is gevraagd of in de wetgeving van het betreffende land:

1. een bepaling is opgenomen op grond waarvan de nationaliteit van dat land wordt verloren in geval van het vrijwillig in dienst treden van een vreemde krijgsdienst;

2. een bepaling is opgenomen op grond waarvan de nationaliteit van dat land wordt verloren in geval van het zich vrijwillig aansluiten bij guerillagroepen of paramilitaire strijdkrachten.

Van België, Canada, Denemarken, Duitsland, Finland, Italië, Oostenrijk, Slovenië en Zwitserland is een reactie ontvangen. In aanvulling op deze resultaten is nog onderzocht of in de wetgeving van een aantal andere Europese landen dergelijke verliesbepalingen zijn opgenomen.

Uit dit onderzoek blijkt dat geen van de onderzochte wetgevingen een expliciete verliesbepaling in geval van het zich vrijwillig aansluiten bij guerillagroepen of paramilitaire strijdkrachten kent. Wel is in een aantal landen ontneming (dus geen verlies van rechtswege) van de nationaliteit mogelijk indien «betrokkene door zijn gedrag de belangen van het betreffende land benadeelt». Onder omstandigheden zou hieronder ook het zich aansluiten bij guerillagroepen of paramilitaire strijdkrachten kunnen vallen.

Een aldus geformuleerde bepaling is niet in strijd met het Europees Nationaliteitsverdrag. Op grond van artikel 7, eerste lid, onder d, van het Verdrag mag een Staat die Partij is bij het verdrag in zijn nationale wetgeving voorzien in het verlies van zijn nationaliteit in geval van «gedrag dat de essentiële belangen van de Staat die Partij is ernstig schaadt».

Overigens is zulk een bepaling, ingevolge het op 30 augustus 1961 in New York tot stand gekomen Verdrag tot beperking van staatloosheid (Trb. 1967, 124), slechts mogelijk indien betrokkene daardoor niet staatloos wordt (artikel 8, derde lid).

Aan een dergelijke bepaling kleven ernstige problemen. Met name zullen aan het bewijs hoge eisen gesteld moeten worden gelet op de vergaande gevolgen van ontneming van de nationaliteit; slechts indien onomstotelijk vaststaat dat betrokkene door zijn gedrag de essentiële belangen van het land heeft geschaad, zal tot intrekking van de nationaliteit mogen worden overgegaan. Betrokkene zal zelf niet snel de benodigde informatie verschaffen en ook langs andere weg zal het veelal moeilijk zijn om het benodigde bewijs te verzamelen. De Belgische en Sloveense autoriteiten, wier wetgeving een vergelijkbare verliesbepaling kent, hebben aangegeven dat juist gelet op de hoge eisen die aan het bewijs moeten worden gesteld ontneming van de nationaliteit in de hier bedoelde gevallen in de praktijk vrijwel niet voorkomt.

Een en ander afwegend meen ik dat van het opnemen van een dergelijke bepaling in de Rijkswet op het Nederlanderschap moet worden afgezien.

Ik hoop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

De Staatssecretaris van Justitie,

M. J. Cohen

Naar boven