25 890
Aanpak riooloverstorten

nr. 24
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 29 april 2002

De vaste commissies voor Landbouw, Natuurbeheer en Visserij1, voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer2 en voor Verkeer en Waterstaat3 hebben op 27 maart 2002 overleg gevoerd met staatssecretaris Faber van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en staatssecretaris J. M. de Vries van Verkeer en Waterstaat over:

de brief van de staatssecretaris van LNV van 27 april 2001 over de reactie op de brief van Digitalis Milieu Advies over schadevergoeding bij schade aangericht door riooloverstorten (LNV-01-569);

de brief van de staatssecretaris van LNV van 26 september 2001 met een tussentijdse rapportage over het onderzoek waterkwaliteit en diergezondheid (LNV-01-1146);

de brief van de minister van VROM van 19 november 2001 met de aanbieding van het inspectierapport risicovolle riooloverstorten (LNV-01-1383);

de brief van de staatssecretaris van VenW van 30 november 2001 over de voortgangsrapportage Actieprogramma waterkwaliteit en diergezondheid en de rapportage risicovolle riooloverstorten (LNV-01-1415);

de brief met de reactie op het rapport van ID-Lelystad «Verantwoord boeren versus verantwoord lozen».

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissies

De heer Waalkens (PvdA) herinnert aan het debat in november 2000 waarin de minister van VROM heeft gezegd dat het adagium dat devervuiler betaalt, ook geldt voor riooloverstorten. Hieruit blijkt duidelijk waar de verantwoordelijkheden liggen. De vervuiler moet zich houden aande vergunningen die zijn verstrekt. Natuurlijk kunnen zich overmachtsituaties voordoen, maar de vergunningen voorzien daarin.

Uit het inspectierapport Voortgang aanpak risicovolle riooloverstorten komt als belangrijkste conclusie naar voren dat de sanering niet in het door de Kamer gewenste tempo verloopt. In de brief van 19 november 2001 van de minister van VROM wordt opgemerkt dat de belangrijkste mogelijkheid om de sanering te versnellen bij de kwaliteitswaterschappen ligt. In de reactie van de regering van 13 februari 2002 op het rapport Verantwoord boeren versus verantwoord lozen staat dat de bedrijfsschaden als gevolg van de riooloverstort nu in kaart zijn gebracht en dat de tijdelijke maatregelen adequaat zijn in de periode tot de sanering is afgerond. Uit de brief blijkt verder dat het kabinet de noodzaak van een actieprogramma onderschrijft. Het beleid is gericht op het saneren van de huidige bekende problematische riooloverstorten voor 2005 en het treffen van tijdelijke maatregelen in 2002.

De heer Waalkens wijst erop dat hij dit rapport niet nodig had om de noodzaak van een actieprogramma in te zien. Daarover is een- en andermaal gesproken in de Kamer. Het beleid dat de regering voorstaat, komt niet voldoende tegemoet aan de ambities die zij eerder heeft uitgesproken.

De commissie-Van Dijk heeft twintig slepende gevallen in behandeling. Is dit een voorbode van een vloedgolf van conflicten of zijn hiermee de meest pregnante en moeilijke gevallen bekend?

Hij stelt vast dat dit onderwerp te weinig prioriteit krijgt, alle goede voornemens ten spijt. De partijen en dan met name de waterschappen en de gemeenten nemen hun verantwoordelijkheid niet. De veehouders in de buurt van risicovolle overstorten verkeren intussen in opperste verwarring en hun juridische positie is zwak. De heer Waalkens dringt erop aan dat een aanpak wordt gekozen die de processen onder druk zet. Hoe kan het kabinet bewerkstelligen dat partijen hun verantwoordelijkheid nemen in conflictueuze situaties of in situaties waarin nog niet kan worden gesaneerd?

De beoordeling van de risicovolle riooloverstorten is ook een knelpunt. Is de informatie die wordt aangeleverd door partijen voldoende om tot zo'n oordeel te komen? De heer Waalkens heeft de indruk dat wordt gevreesd dat tijdelijke maatregelen een precedentwerking hebben. Vormen de formele juridische kaders een belemmering voor de aanpak van dit probleem?

Hij vindt dat de huidige regeling te veel een openeinderegeling is waarbij de veehouder in de meeste gevallen de dupe wordt van het overheidsop-treden. Achten de bewindslieden het nodig om de bestaande juridische kaders aan te scherpen om te komen tot een heldere prioritering van de lijst van saneringen? Er moeten geen beleidsnotities worden geschreven, maar actieprogramma's opgesteld! De spelregels zijn goed, maar er is onvoldoende toezicht en controle op de uitvoering daarvan. De stagnatie is groot en kennelijk kan de overheid geen grip krijgen op deze problematiek.

De bescherming van de burger lijkt in dit geval te vragen om omkering van de bewijslast. In het open gebied met een risicovolle overstort ondervinden burgers overlast doordat vergunningen niet worden nageleefd. De veehouder moet bewijzen dat hem onrecht is aangedaan. Die bewijslast zou moeten worden omgedraaid. Hoe denken de bewindslieden hierover?

De heer Meijer (CDA) herinnert eraan dat de Kamer eind 1996 tot de conclusie kwam dat de aanpak van de problematiek van risicovolle riooloverstorten te lang op zich liet wachten. Daarom heeft zij een werkgroep gevormd die onderzoek heeft gedaan naar de oorzaak van deze problematiek. Die werkgroep heeft begin 1997 rapport uitgebracht. In de eerste plaats werd vastgesteld dat de vervuiler moet betalen en in dit geval zijn dit de gemeenten. Die overschrijden de normen die gekoppeld zijn aan de vergunning die is afgegeven door de waterschappen. In de tweede plaats werd vastgesteld dat boeren die vee laten drinken uit oppervlaktewater dat sterker vervuild is dan is toegestaan, de schade van zieke of dode dieren niet kunnen verhalen op andere partijen, want een ondernemer moet ervoor zorgen dat hij goed drinkwater geeft aan zijn dieren. Dit laat onverlet het gewoonterecht in Nederland dat het oppervlaktewater aan zodanige criteria dient te voldoen dat dieren daaruit gedrenkt kunnen worden.

De werkgroep ging ervan uit dat de problemen op korte termijn uit de wereld konden worden geholpen. De drie betrokken partijen waren bekend: waterschappen, gemeenten en ondernemers en het was duidelijk wie de vervuiler is en wie de vergunningverlener. Overigens stond dit los van de schadevergoedingen voor zieke dieren en andere schade van de ondernemers.

Uit het onderzoek bleek dat nog niet bekend was hoeveel risicovolle overstorten er in Nederland waren. Er was geen enkele opgave van gemeenten en onder nieuwe woonwijken bleken zelfs overstorten te zitten die nog niet eerder waren ontdekt. Daarna is vastgesteld dat er snel een actieprogramma moest worden opgesteld. In dit kader moest eerst een inventarisatie worden gemaakt van het aantal overstorten en van de risico's voor de volksgezondheid en voor dieren.

Helaas moet worden vastgesteld dat nu, zes jaar later, nog weinig tot niets is bereikt, terwijl het goede voornemen was dat het probleem van de risicovolle overstorten in 2002 zou zijn opgelost. Destijds is gezegd dat het principe dat de vervuiler betaalt overeind blijft, maar ook dat de kosten van tijdelijke maatregelen door de drie partijen zullen worden gedragen om zo snel mogelijk tot een oplossing te komen. Ook dit is tot op heden op geen enkele manier in praktijk gebracht. Tevens is gezegd dat alle overstorten met een vergunning gecontroleerd moeten worden. De overheid kan niet van de burger verlangen dat hij zich aan de regels houdt en zich bekommert om het milieu, als zij dit zelf niet doet. Er is voldoende instrumentarium voor een stringente controle en handhaving van de regels. De minister van VROM schrijft dat zijn milieu-inspectie dit kan afdwingen in het tweedelijnstoezicht. Toch gebeurt dit niet: dit beleid krijgt nog steeds geen prioriteit.

De Kamer heeft ook gezegd dat er sprake is van een illegale situatie als er geen vergunning is verleend. In zo'n geval zou tot sluiting moeten worden overgegaan. Het overstortwater moet dan tijdelijk worden opgevangen. Tot op de dag van vandaag is het niet gelukt om dit te doen en om eerdere afspraken uit te voeren.

De heer Meijer kondigt aan dat hij overweegt een motie in te dienen om te bewerkstelligen dat dit dossier bij de overdracht aan een nieuw kabinet prioriteit krijgt. De regels zijn duidelijk, het beleid is duidelijk en het kan en moet worden uitgevoerd, te meer omdat de problemen in het veld er niet minder op worden. Het water wordt een leidend principe waarmee steeds meer rekening wordt gehouden in de ruimtelijke ordening en in de kwaliteitsplannen. De landbouw wordt een systeem van ketenverantwoordelijkheid opgelegd, maar boeren worden van de ketencertificering uitgesloten als het oppervlaktewater waaruit hun dieren drinken, niet aan de normen voldoet of de kwaliteit van het gras is aangetast door overstroming van de weidegrond met water uit een overstort. Dit levert het risico op dat boeren zwijgen over die omstandigheden. Zo gaan de inspanningen van de afgelopen zes jaar verloren. Dit moet hoe dan ook worden voorkomen en daarom moet dit beleid prioriteit krijgen opdat de doelstellingen die voor 2002 zijn voorzien, ook nog dit jaar kunnen worden verwezenlijkt.

Destijds is afgesproken dat een agrarisch ondernemer die twijfelt of het slib in de sloten op zijn land voldoet aan de criteria, kan eisen dat het eerst wordt geanalyseerd voordat het wordt opgebaggerd en aan de rand van de sloot gedeponeerd. Als het slib niet voldoet aan de criteria hoeft hij dit laatste niet te accepteren. Er wordt onderscheid gemaakt tussen het jaarlijks schoonmaken van de sloten en het opbaggeren van het baggerslib eens in de acht jaar. Als het slib verontreinigd is, beperkt de verontreiniging zich niet tot de bodem. De wanden van en de planten in de sloot zullen dan ook verontreiniging bevatten. De criteria die gelden voor het baggerslib, zouden daarom ook van toepassing moeten zijn op de hekkelspecie die jaarlijks wordt verwijderd.

De heer Meijer komt tot de conclusie dat de voortgang van de sanering van risicovolle riooloverstort teleurstellend is. De gemeenten zijn lang niet altijd op de hoogte van de problematiek en proberen maatregelen uit te stellen tot 2005. Verder zijn er onvoldoende financiële middelen voor de oplossing. Zou het mogelijk zijn door middel van regionale fondsen waarin gemeenten, waterschappen en agrarische ondernemers deelnemen, middelen vrij te maken voor tijdelijke maatregelen? Op die manier kan worden voorkomen dat betrokkenen zich steeds weer beroepen op de verantwoordelijkheid van andere partijen.

De heer Klein Molekamp (VVD) herinnert eraan dat de Kamer destijds heeft ingestemd met de redelijk ambitieuze voorstellen van het kabinet onder de voorwaarde dat zij de vinger aan de pols kon houden. Uit de stukken die zij nu heeft ontvangen, blijkt dat dit laatste hard nodig was. Er zijn veel onwillige en onwetende gemeenten die zeggen dat sanering niet nodig is of te duur is. De vergunningverleners accepteerden al twintig jaar geleden dergelijke argumenten niet van het bedrijfsleven of individuele personen, maar zij treden ten onrechte voorzichtiger op tegenover overheden. De overheid maakt zich als verantwoordelijke voor het milieu ongeloofwaardig als zij nalaat maatregelen te treffen die nodig zijn voor een goed milieubeleid.

De vraag is wat de waterschappen en het Rijk als vergunningverlener doen nu de gemeenten zo laks zijn en zo weinig prioriteit geven aan de sanering van de riooloverstorten. De conclusie dat de aanpak niet vlot, kan toch niet zonder beleid en eventuele sancties blijven. Uit het rapport van de inspectie van VROM blijkt duidelijk dat er tweedelijnstoezicht is en ook dat de gemeenten hun verantwoordelijkheid onvoldoende waarmaken. Wat kan de regering doen als de inspectie constateert dat de gemeenten onwillig zijn en de waterschappen onmachtig? Heeft zij mogelijkheden om die gemeenten aan te pakken? Kan de minister van VROM boetes opleggen? Is het juridisch kader hiervoor afdoende en, zo nee, is dan niet het moment aangebroken om dit aan te passen?

De staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat kondigt aan dat in 2005 40% van de risicovolle overstorten zal zijn gesaneerd. Dit betekent ook dat 60% nog niet is gesaneerd en dit staat haaks op de toezeggingen die in het vorige overleg zijn gedaan. Welke beleidsconclusies trekt de regering hieruit en welke acties heeft zij genomen en zal zij nemen om die toezeggingen aan de Kamer en de maatschappij te honoreren? De minister van VROM heeft toegezegd dat hij zich hard zou maken voor een bijdrage uit de ICES-gelden voor de aanpak van deze problematiek. Wat heeft hij sindsdien gedaan?

De heer Klein Molekamp vraagt nogmaals hoe van de boeren kan worden verlangd dat zij zich aan de omvangrijke milieuregelgeving houden, terwijl de overheden dit niet doen, omdat dit te duur zou zijn. De waterschappen verlenen de vergunningen en kunnen toch moeilijk zeggen dat de gemeenten zich niet daaraan hoeven te houden als de gemeenteraad tot de conclusie komt dat de maatregelen te duur zijn. Als het baggerprotocol voor kennisgeving wordt aangenomen, had het net zo goed niet kunnen worden opgesteld. Willen de bewindslieden reageren op de inbreng van LTO Nederland?

Is het waar dat er nog steeds vergunningen worden verleend voor riooloverstorten in het buitengebied en dat lokatiekeuzen niet aan de orde komen in de WVO-procedure?

De heer Ter Veer (D66) wijst erop dat het jaar 2001 een nat jaar is geweest. De rioleringssystemen hebben veel regen te verwerken gekregen wat ertoe zal hebben geleid dat riooloverstorten vaker dan anders zullen zijn overgelopen. Veel vaker dan gewenst zullen zich dan ook gedoogsituaties hebben voorgedaan.

In het laatstgehouden algemeen overleg over dit onderwerp heeft de minister van VROM nog eens helder en nadrukkelijk vastgesteld dat de vervuiler moet betalen. Verder is toegezegd dat een commissie zou worden ingesteld die zich zou buigen over de slepende gevallen en daarnaast over het probleem in het algemeen. De vaste commissie voor LNV heeft gisteren gesproken met die commissie, de commissie-Van Dijk. Hoewel de commissie haar rapport nog niet heeft afgerond, kan nu al worden gezegd dat de resultaten van haar werkzaamheden met vertrouwen tegemoet mogen worden gezien. Dit geldt voor de individuele gevallen, maar ook voor haar algemene taak. Dankzij de commissie staat dit fenomeen op de agenda. Verder zal zij een beter inzicht geven in de rol van de VNG en de Unie en in de verantwoordelijkheid van de rijksoverheid.

De heer Van Middelkoop heeft in een voorgaand overleg gezegd dat in deze kwestie sprake is van een omkering van de sjablonen. Het normale patroon is dat de overheid vraagt en dat de boer moet leveren, presteren of produceren conform de voorwaarden en de voorschriften die de overheid stelt. Nu is het omgekeerde het geval. De boer wordt door lokale overheden met een probleem opgezadeld dat hij niet kan tegenhouden of keren. Het is onbegrijpelijk dat de boeren dit zo lang dulden of morrend slikken en zich schikken in het schijnbaar onvermijdelijke. Het is daarom niet onlogisch dat de Kamer al in de vorige periode heeft gezegd dat de maat vol is. Helaas is het niet gelukt om dit probleem in de afgelopen vier jaar uit de wereld te helpen. De heer Ter Veer steunt daarom de suggestie dat dit probleem door een nieuwe Kamer en een nieuwe regering moet worden opgepakt. Hij gaat ervan uit dat alle betrokken bewindslieden dit in hun overdrachtsdossier stipuleren, een precieze beschrijving geven van de stand van zaken en de beleidsverantwoordelijkheden en een advies opnemen voor hun opvolgers om in die lijn verder te gaan.

Het antwoord van de bewindslieden

De staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij beaamt dat de sanering van de overstorten een moeizaam proces is. Dit is voor een belangrijk deel te wijten aan de gemeenten en de waterschappen. Zij bestrijdt de suggestie dat er weinig of niets is gebeurd in de afgelopen periode. In aansluiting op de werkzaamheden van de commissie-Ouwerkerk en de commissie-Meijer is een actieprogramma opgesteld. Dit is uitgebreid besproken met de Kamer en daarna zijn die acties uitgevoerd. Het programma omvatte negen acties gericht op de waterkwaliteit en de diergezondheid in het algemeen, de communicatie en de riooloverstorten. Met die acties werd geprobeerd de problematiek in beeld te brengen, waarna kon worden gestreefd naar beheersing van en een oplossing voor de risico's van de slechte waterkwaliteit voor de diergezondheid.

Zij heeft de indruk dat in de praktijk alles redelijk onder controle is. Zo is de aanbeveling van de commissie-Meijer gevolgd om een meldpunt in te richten waar boeren hun problemen kunnen aanmelden. Er is een landelijk stelsel van meldpunten opgezet door LTO. In de afgelopen twee jaar hebben de meldpunten geen nieuwe meldingen meer ontvangen.

Op basis van het actieprogramma zijn verder handvatten ontwikkeld voor de veehouder om de kwaliteit van het water te kunnen beoordelen en de risico's te kunnen inschatten. Bovendien is de veehouder zich door de vele communicatie bewust geworden van het feit dat er een relatie kan liggen tussen de gezondheid van zijn dieren, de waterkwaliteit en de risico's van de riooloverstorten.

Dit alles heeft geresulteerd in een protocol Beoordeling oppervlaktewater als veedrinkwater waarmee nu in de praktijk wordt gewerkt. Dit protocol is opgesteld op basis van de kennis die thans beschikbaar is. Intussen is een onderzoeksprogramma in gang gezet. In dit kader wordt onder meer onderzoek gedaan naar de risico's van hormoonverstorende stoffen en van molybdeen en zwavel. Zodra er nieuwe inzichten uit dit onderzoek voortkomen, wordt het protocol bijgesteld.

De staatssecretaris heeft niet de indruk dat boeren hun problemen verzwijgen. Dit kan ook nauwelijks, want dankzij het KKM(keten -kwaliteit- melk)-systeem komen dergelijke problemen toch aan het licht. Het feit dat de veehouder bewuster omgaat met het veedrenkwater, is al winst.

Zij moet het antwoord schuldig blijven op de vraag of minister Pronk heeft voldaan aan zijn toezegging over de ICES-gelden. Die vraag is nu niet interessant meer, want er is naar verhouding nog maar zo weinig geld beschikbaar dat er weinig mag worden verwacht van een claim.

Zij wijst er ten slotte op dat het actieprogramma verder gaat dan alleen de riooloverstorten.

De staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat deelt de zorg en de verontrusting die de leden hebben uitgesproken over de sanering van risicovolle riooloverstorten. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat van de 15 000 overstorten in Nederland er 438 als risicovol voor de diergezondheid kunnen worden aangemerkt. Die overstorten maken deel uit van een groter systeem en de aanpak ervan vraagt daarom om een lange adem. Het opstellen en aanpassen van plannen voor rioleringsinvesteringen door de gemeenten kost veel tijd en met die plannen zijn vaak vele miljoenen euro's gemoeid. Dit komt tot uitdrukking in de lokale lastendruk. Daarom zijn gemeenten niet altijd geneigd om prioriteit te geven aan deze plannen.

Voor de bestaande, maar ook voor eventuele nieuwe overstorten moeten duurzame oplossingen worden gevonden. De staatssecretaris zegt dat zij in een gesprek met de Unie als organisatie van de kwaliteitswaterschappen haar bezorgdheid heeft uitgesproken over de verminderde voortgang van de sanering van risicovolle overstorten. Het is waar dat dit op sommige plaatsen voor een deel kan worden toegeschreven aan de MKZ-problematiek, maar dit is geen algemeen excuus.

De sanering werd tot nu toe meestal afgesloten met het verlenen van een vergunning. De Unie heeft aangegeven dat zij zal overgaan tot het verlenen van een vergunning met een saneringsverplichting, een soort anticiperende vergunning. Deze werkwijze biedt meer ruimte om een tijdige sanering van de overstort af te dwingen. De WVO biedt deze mogelijkheid.

De planning voor het actualiseren van de vergunningen voor risicovolle overstorten is inmiddels sterk aangescherpt en komt volgens de meest recente informatie van de Unie dit jaar uit op minimaal 61% en zal in 2003 geheel zijn afgerond. Dit betekent dat dan voor alle risicovolle overstorten vergunningen zijn verleend dan wel dat sanering is uitgevoerd of is vastgelegd. Hiermee zal de prognose voor het aantal risicovolle riooloverstorten dat in 2005 is gesaneerd naar verwachting hoger uitkomen dan 50%. De staatssecretaris vindt dit echter te weinig. Inmiddels zijn tijdelijke maatregelen getroffen voor 72 overstorten en zijn 30 andere geheel gesloten.

Zij zegt toe dat zij de Unie zal vragen het tempo van sanering tot 2005 te verhogen. Verder zal de Unie worden gevraagd een overzicht te verschaffen van de verplichtingen naar aard en tijd die zij de gemeenten oplegt om zo inzicht te krijgen in de reële voortgang. Er wordt dus een overzicht gevraagd van de vergunningen na afloop van sanering, maar ook van de vergunningen met een saneringsverplichting. Op basis daarvan kan dan worden beoordeeld waar zich knelpunten voordoen en hoe die in plaats en tijd kunnen worden opgelost. Verder kondigt zij een hernieuwd bestuurlijk overleg aan met de VNG – overigens samen met de Unie – om te bezien of en hoe dit hele proces kan worden versneld.

In 2003 moeten alle risicovolle overstorten van een vergunning zijn voorzien. Die vergunning kan worden afgegeven omdat de overstort is aangepast of gesaneerd, of er wordt een vergunning afgegeven met een saneringsplan in tijd en plaats. Zo kan de voortgang worden gevolgd. Nu is het wachten op de gemeentelijke rioleringsplannen.

De staatssecretaris zegt toe dat met de Kamer zal worden besproken waar zich knelpunten voordoen en waarom de sanering van sommige overstorten zo lang op zich laat wachten. Begin 2004 moet echter de situatie van alle 438 overstorten bekend zijn.

De inspectie van VROM en VenW zal in het kader van het tweedelijnstoezicht nog dit jaar een oordeel geven over de feitelijke inspanningen van gemeenten en waterschappen. De Kamer krijgt een rapportage om te zien hoe een en ander vordert.

Zij kan geen antwoord geven op de vraag naar een indicatie van het aantal vergunningen dat betrekking zal hebben op sanering ten opzichte van legalisering en de controle op het naleven van de voorschriften. De Unie heeft dit overzicht wel.

Er is geprobeerd alle slepende gevallen in kaart te brengen en naar het zich laat aanzien beperkt zich dit tot de gevallen die door de commissieVan Dijk in behandeling zijn genomen.

De veehouder is verantwoordelijk voor de veedrenking. De waterbeheerders hebben een inspanningsverplichting om zo goed mogelijke kwaliteit te leveren, maar zij kunnen daaraan niet worden gehouden als zich omstandigheden voordoen waarin de waterkwaliteit voor langere of kortere tijd achteruitgaat en die niet traceerbaar zijn. Die omstandigheden kunnen bijvoorbeeld worden veroorzaakt door een lozing van een fabriek ver weg. Het protocol Beoordeling oppervlaktewater veedrenking is een hulpmiddel voor de veehouder om te kunnen beoordelen of het verstandig is om het vee te drenken. Hij kan dus zelf die verantwoordelijkheid nemen.

Aan de overdrachtsdossiers wordt al enige tijd gewerkt; de risicovolle riooloverstorten maken daarvan onderdeel uit.

De sloten worden eens in de vijf à tien jaar uitgebaggerd. Bij dit onderhoud wordt ook de bodem meegenomen. Bij de jaarlijkse schouw wordt hekkelspecie dat bestaat uit riet, kroos en dergelijke uit de sloot gehaald. Dit is van een andere natuur dan de baggerspecie met klasse 1 en 2. Het gaat te ver om de hekkelspecie ook te bemonsteren, tenzij er op een plaats aantoonbaar reden is om te zeggen dat ook het riet en het kroos in de sloot ernstig vervuild zijn.

Er is gevraagd of een boer wel moet accepteren dat de hekkelspecie op zijn land wordt gedeponeerd als eerder bij groot onderhoud is geconstateerd dat het baggerslib zodanig vervuild is dat hij dit niet op zijn land hoeft te accepteren. De staatssecretaris zegt toe dat zij dit nader zal bekijken en hierop zal terugkomen. Zij is van mening dat het verschil uitmaakt of er dood plantenmateriaal wordt opgehaald of dat de bodem wordt uitgebaggerd. Overigens is dit onderwerp opgenomen in het aangepaste baggerprotocol dat thans ter beoordeling bij LTO Nederland ligt.

De commissie integraal waterbeheer (CIW) ontwikkelt een methodiek voor de monitoring van de riooloverstorten. Deze methodiek kan eind van dit jaar door de gemeenten en waterschappen worden gebruikt.

Zij vindt de gedachte van een fonds ten behoeve van de financiering van de tijdelijke maatregelen sympathiek. Er is echter een afspraak gemaakt dat de drie partijen, gemeente, waterschap en bedrijf, voor eenderde bijdragen aan de kosten van de tijdelijke maatregelen. Bovendien zijn er geen nieuwe gevallen meer gemeld. Het is dan ook de vraag wat de meerwaarde is van zo'n fonds. Overigens zullen er geen belemmeringen worden opgelegd als de drie partijen in een regio daartoe zouden overgaan. Zij heeft geen berichten ontvangen dat de tripartiete financiering in de praktijk spaak loopt en dat het vooral de boer is die betaalt voor de tijdelijke maatregelen. Zij zegt toe dat zij dit zal nagaan, want die werkwijze is niet conform de afspraken.

Waar nieuwe riooloverstorten worden gemaakt of bestaande worden verplaatst, moet rekening worden gehouden met de lokatie. Zij kan zich niet voorstellen dat in de WVO-procedure geen rekening wordt gehouden met de lokatiekeuze. Ook dit zal worden nagegaan en als dit nodig mocht zijn, zullen eventuele wettelijke belemmeringen worden weggenomen.

Het waterschap kan een dwangsom opleggen als een gemeente in gebreke blijft bij de sanering van een overstort. Eerst moet echter worden vastgesteld waarom bepaalde werkzaamheden achterwege worden gelaten. Een dwangsom is een zwaar middel. Een goede samenwerking tussen de overheden en de inspectie van VROM zal een steun in de rug zijn van het waterschap om die stap te zetten, maar het instrument is er. Overigens zal het treffen van sancties eenvoudiger worden na de invoering van een anticiperende vergunning met een resultaatsverplichting. Dan kan ook gemakkelijker een moment worden gekozen waarop een gemeente erop wordt gewezen dat zij in gebreke blijft. Nu zit het waterschap eigenlijk met de vingers tussen de deur. Het kan een vergunning weigeren, omdat geen adequate maatregelen zijn getroffen, maar dan wordt de riooloverstort gedoogd en dat is niet de bedoeling. Een anticiperende vergunning biedt de mogelijkheid om concrete afspraken te maken met de gemeenten. Overigens vindt de staatssecretaris het niet terecht om alle gemeenten als onwillig te bestempelen. Een heel nieuw rioolstelsel is ingewikkeld en kan niet in een jaar worden vormgegeven en aangelegd. Dat het een op het ander wacht, is soms best te begrijpen, maar dit mag natuurlijk niet te lang duren.

De provincie kan ingrijpen als een waterschap in gebreke blijft in zijn controletaken. In het uiterste geval is de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat belast met dit toezicht. Er is dus geen gebrek aan instrumentarium.

De vraag of kan worden bevorderd dat er geen riooloverstorten worden aangelegd in de buurt van een veehouderij, is moeilijk te beantwoorden. De situatie zal per gemeente en per gebied immers aanzienlijk verschillen. Dit neemt niet weg dat altijd rekening moet worden gehouden met de consequenties van een overstort, zeker nu er de laatste jaren veel meer hemelwater moet worden verwerkt. De rioolsystemen van de gemeenten zijn hier vaak niet op toegerust. Er moet maatwerk per regio worden geleverd, want zo'n overstort moet toch ergens komen. Natuurlijk kan ook worden gekozen voor bijvoorbeeld een groot bezinkbassin, maar ook dit moet ergens een plaats krijgen in een regio. Dit moet worden overgelaten aan de vergunningverlener.

Het initiatief voor het treffen van tijdelijke maatregelen ligt bij de veehouder. Er is in kaart gebracht welke risicovolle overstorten er zijn. Dankzij de voorlichting van LTO Nederland en het ministerie van LNV is iedere veehouder op de hoogte van een risicovolle riooloverstort in zijn gebied, van de mogelijkheden voor tijdelijke maatregelen en de financiering daarvan. De waterschappen hebben voor verschillende oplossingen gekozen. Zo heeft het waterschap Zuid-Hollandse eilanden en waarden een subsidieregeling ingesteld. De veehouders blijken hiervan weinig gebruik te maken. In Friesland is de aanpak bemoeilijkt door de MKZ-crisis. Daarin moet deze zomer verandering komen.

Dit jaar zal LNV opnieuw een voorlichtingsronde houden om de veehouders nog eens van de mogelijkheid van de tripartiete kostenregeling op de hoogte te stellen. Zij zegt toe aan de Unie te vragen of zij wil nagaan of de waterschappen wellicht nog iets meer kunnen doen.

De commissie-Van Dijk zal naar verwachting in het najaar rapporteren over haar bevindingen. De commissie zal er daarmee voor zorgen dat dit probleem op de agenda blijft staan. De staatssecretaris hoopt dat de commissie in staat is een bevredigende oplossing te vinden voor de 20 slepende gevallen. Zij voegt hieraan toe dat staatssecretaris Faber en zijzelf waar mogelijk de werkzaamheden van de commissie zullen steunen. De VNG en de Unie zullen er nogmaals op worden gewezen dat zij aan tafel zitten met commissieleden met een mandaat die bestuurlijke beslissingen kunnen nemen. Zo kan de commissie werkelijk iets bereiken zonder steeds te worden belemmerd door formele verwijzingen naar de rechter. Daardoor stokt het proces.

De staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij voegt hier voor de volledigheid aan toe dat zij de indruk heeft dat er wel degelijk door de drie partijen wordt betaald en dat de financiering niet onredelijk is voor de agrariër.

Nadere gedachtewisseling

De heer Waalkens (PvdA) vindt de toezegging onbevredigend dat iets actiever zal worden opgetreden in de 330 gevallen waarvoor nog tijdelijke maatregelen moeten worden getroffen. Hetzelfde geldt voor de uitspraak over de juridische positie van een burger die gedupeerd wordt door overheidsoptreden en zelf aan de bel moet trekken. Hij vindt dat hier sprake moet zijn van omgekeerde bewijslast.

Deze regeling is te veel een openeinderegeling. De ambities zijn goed, maar hij twijfelt aan de haalbaarheid van die ambities. Hij pleit ervoor dat de tijdelijke maatregelen op 1 januari 2003 zijn afgerond.

De heer Meijer (CDA) sluit zich hierbij aan. Natuurlijk moet een ondernemer zijn eigen verantwoordelijkheid kennen en nemen, maar waar de vervuiler, de gemeente en het waterschap duidelijk in gebreke blijven en de situatie niet acceptabel dan wel toelaatbaar is, mag van het waterschap en de overheid een actieve opstelling worden verwacht om zo snel mogelijkheid in overleg met de betrokken veehouder tijdelijke maatregelen te treffen. Op 1 januari 2003 moeten de maatregelen klaar zijn.

De heer Klein Molekamp (VVD) vindt het beeld dat de bewindslieden hebben geschetst positiever dan het beeld dat uit de stukken naar voren komt. Hij stelt dat vanaf 1 januari 2004 helderheid bestaat over de vergunningverlening voor risicovolle overstorten.

Hij is het ermee eens dat lokalelastendruk een belangrijk element is, maar dit mag nooit een reden zijn om maatregelen die nodig zijn voor de bescherming van het milieu, niet te nemen. Dit is nooit van het bedrijfsleven geaccepteerd en dit mag ook niet van de overheden worden geaccepteerd.

Hij dringt erop aan dat de staatssecretaris de Unie erop wijst dat de waterschappen gebruik moeten maken van de instrumenten waarover zij beschikken opdat de vergunningverlening goed en adequaat verloopt en de eisen van die vergunning worden nageleefd. Per 1 januari 2004 zal voor alle risicovolle overstorten een vergunning zijn verleend en dan is ook bekend welke gemeenten zich niet aan de voorwaarden van die vergunning houden. Die zijn strafbaar en dan moeten sancties worden toegepast.

De heer Ter Veer (D66) gaat ervan uit dat de commissie-Van Dijk serieus wordt genomen door allen die door haar worden benaderd en gevraagd om mee te denken over de oplossing van specifieke problemen en een algemene benadering van dit probleem. De commissie zal rapporteren aan de regering. Hij gaat ervan uit dat zij dit rapport ontvangt vergezeld van een regeringsstandpunt.

De staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij wijst erop dat de rechtsbescherming van de burger jegens de overheid in Nederland een groot goed is. Een omkering van de bewijslast zou wel heel bijzonder zijn en lijkt ook niet nodig, te meer daar het actieprogramma voorziet in een gedegen analyse van de knelpunten. De start van alle activiteiten met de zaak Pauw was misschien wat ongelukkig, maar uit de werkzaamheden van de commissie-Ouwerkerk bleek dat er geen direct oorzakelijk verband was. Wel werd duidelijk dat er veel problemen zijn en die zijn onder meer geïnventariseerd door de commissie-Meijer. Vervolgens is een actieprogramma opgesteld. Het gaat echter te ver om te zeggen dat er altijd een oorzakelijk verband is en dat daarom de bewijslast moet worden omgekeerd.

Een van de belangrijke actiepunten is het zogeheten draaiboek voor diergezondheidsproblemen. Daarin speelt de boer een belangrijke rol. Op het moment dat een boer kampt met diergezondheidsproblemen, maar geen idee heeft waar die vandaan komen, zal een analyse worden gemaakt op het bedrijf met behulp van het protocol van de gezondheidsdienst van dieren. In de meeste gevallen zal de oorzaak van de problemen gevonden worden. Als dit niet lukt, zal in de tweede fase de rijksoverheid worden ingeschakeld. Daarvoor is een onafhankelijke rijksbeoordelingscommissie ingesteld die drie leden heeft: de heer Wensing, mevrouw Van Vliet (huidig burgermeester van Amersfoort en voormalig dijkgraaf) en de heer Kroes (toxicoloog). De commissie is niet formeel geïnstalleerd, omdat dit de indruk zou wekken dat zij veel werk zou krijgen. De staatssecretaris gaat er echter van uit dat zij heel weinig werk krijgt, maar als het nodig is, kan de commissie onmiddellijk aan de slag gaan.

De staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat stelt vast dat de leden een actievere opstelling van gemeenten en waterschappen verwachten om tijdelijke maatregelen te treffen tot het moment dat eind 2003 alle vergunningen zijn verleend. Zij wil de leden tegemoet komen door de waterschappen en gemeenten te melden dat zij ervan uitgaat dat op 1 januari 2003 tijdelijke maatregelen zijn getroffen tenzij een veehouder dit uitdrukkelijk niet wenst. Die maatregelen moeten natuurlijk in onderling overleg worden getroffen.

De voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

Ter Veer

De voorzitter van de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Th. A. M. Meijer

De voorzitter van de vaste commissie voor Verkeer en Waterstaat,

Blaauw

De griffier van de vaste commissie voor Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

De Lange


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Van der Vlies (SGP), ondervoorzitter, Swildens-Rozendaal (PvdA), Ter Veer (D66), voorzitter, Witteveen-Hevinga (PvdA), Feenstra (PvdA), Poppe (SP), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Stellingwerf (ChristenUnie), M. B. Vos (GroenLinks), Augusteijn-Esser (D66), Klein Molekamp (VVD), Passtoors (VVD), Th. A. M. Meijer (CDA), Hermann (GroenLinks), Geluk (VVD), Schreijer-Pierik (CDA), Atsma (CDA), Ross-van Dorp (CDA), Oplaat (VVD), Schoenmakers (PvdA), Udo (VVD), Herrebrugh (PvdA), Snijder-Hazelhoff (VVD) en Bolhuis (PvdA).

Plv. leden: Van Vliet (D66), Depla (PvdA), Ravestein (D66), Zijlstra (PvdA), Albayrak (PvdA), Kant (SP), Mosterd (CDA), Van Middelkoop (ChristenUnie), Van der Steenhoven (GroenLinks), Scheltema-de Nie (D66), Verbugt (VVD), Cornielje (VVD), Rietkerk (CDA), Pitstra (GroenLinks), Kamp (VVD), De Pater-van der Meer (CDA), Van Wijmen (CDA), Buijs (CDA), Weekers (VVD), Dijksma (PvdA), O. P. G. Vos (VVD), Te Veldhuis (VVD), Dijsselbloem (PvdA) en Duivesteijn (PvdA).

XNoot
2

Samenstelling: Leden: Witteveen-Hevinga (PvdA), Van Middelkoop (ChristenUnie), Feenstra (PvdA), Verbugt (VVD), Poppe (SP), Duivesteijn (PvdA), Augusteijn-Esser (D66), Klein Molekamp (VVD), Hofstra (VVD), ondervoorzitter, Th. A. M. Meijer (CDA), voorzitter, Luchtenveld (VVD), Van Wijmen (CDA), Kortram (PvdA), Ravestein (D66), Van der Steenhoven (GroenLinks), Van Gent (GroenLinks), Rietkerk (CDA), Oplaat (VVD), Van der Staaij (SGP), Schoenmakers (PvdA), Waalkens (PvdA), Udo (VVD), Mosterd (CDA), Ten Hoopen (CDA) en Depla (PvdA).

Plv. leden: Dijksma (PvdA), Stellingwerf (ChristenUnie), Valk (PvdA), Van Lente (VVD), De Wit (SP), Van Heemst (PvdA), Scheltema-de Nie (D66), Van Beek (VVD), Geluk (VVD), Schreijer-Pierik (CDA), Blok (VVD), Biesheuvel (CDA), Crone (PvdA), Giskes (D66), M. B. Vos (GroenLinks), Halsema (GroenLinks), Van den Akker (CDA), Niederer (VVD), Van 't Riet (D66), Spoelman (PvdA), Hindriks (PvdA), Snijder-Hazelhoff (VVD) en Visser-van Doorn (CDA).

XNoot
3

Samenstelling: Leden: Blaauw (VVD), voorzitter, Van den Berg (SGP), Biesheuvel (CDA), Rosenmöller (GroenLinks), Valk (PvdA), Feenstra (PvdA), Van Heemst (PvdA), Verbugt (VVD), Giskes (D66), Stellingwerf (ChristenUnie), Klein Molekamp (VVD), Hofstra (VVD), Wagenaar (PvdA), Van der Knaap (CDA), Ravestein (D66), Van der Steenhoven (GroenLinks), Niederer (VVD), Van Bommel (SP), Eurlings (CDA), Herrebrugh (PvdA), Ten Hoopen (CDA), Hindriks (PvdA) en De Swart (VVD).

Plv. leden: Te Veldhuis (VVD), Bakker (D66), Stroeken (CDA), Halsema (GroenLinks), Waalkens (PvdA), Duivesteijn (PvdA), Witteveen-Hevinga (PvdA), Voûte-Droste (VVD), Augusteijn-Esser (D66), Slob (ChristenUnie), Geluk (VVD), Luchtenveld (VVD), Spoelman (PvdA), Buijs (CDA), Van Walsem (D66), Vendrik (GroenLinks), Weekers (VVD), Poppe (SP), De Pater-van der Meer (CDA), Depla (PvdA), Th. A. M. Meijer (CDA), Dijsselbloem (PvdA), Nicolaï (VVD), Atsma (CDA) en Crone (PvdA).

Naar boven