Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1999-2000 | 25884 nr. 4 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1999-2000 | 25884 nr. 4 |
Vastgesteld 17 augustus 2000
Bij brief van 19 juni 2000 heeft de staatssecretaris van Defensie, de Tweede Kamer geïnformeerd over de resultaten van de voorstudie van het project «Short Range Antitank weapon» (SRAT)(25 884, nr. 3).
De vaste Commissie voor Defensie1 heeft naar aanleiding van deze brief de navolgende vragen aan de regering gesteld en daarop de navolgende antwoorden ontvangen.
In hoeverre vindt er afstemming plaats tussen de trajecten van de vervanging van de AT-4 en de Dragon en de TOW?
De projecten SRAT (vervanging van de AT-4) en MRAT (vervanging van de Dragon en TOW) zijn weliswaar afzonderlijke projecten, maar zij berusten op dezelfde pantserbestrijdingsfilosofie. In de studie die tot deze filosofie heeft geleid, zijn het operationele concept van pantserbestrijding, de organisatie van de eenheden en de benodigde pantserbestrijdingsmid- delen voor korte, middellange en lange afstand integraal beschreven. Dit onderlinge verband speelt een belangrijke rol bij de opstelling en de beoordeling van de DMP-documenten van beide projecten.
Welke kosten zijn verbonden met het doorschuiven van de AT-4 naar andere eenheden?
Het doorschuiven van de AT-4 naar commandovoerings-, gevechtsondersteunende en logistieke eenheden leidt niet tot additionele kosten. De munitie voor de AT-4 die thans in voorraad is, wordt aangehouden, zij het nu voor andere eenheden. Aanvullingen van de munitie in verband met het schietverbruik komen ten laste van de exploitatie.
Hoe groot is het belang van het gewicht van de vervanging van de AT-4. Is er een maximaal streefgewicht? Zo ja, wat is dat?
Aan het gewicht van het nieuwe SRAT-wapen wordt veel belang gehecht. Bij het uitgestegen optreden en het optreden te voet moet het systeem over grotere afstanden kunnen worden meegenomen. Rekening houdend met bepakking en overige uitrusting, is het maximale systeemgewicht op 15 kg gesteld. Alle vier de alternatieven voldoen aan deze eis.
In de brief van februari 1998 wordt uitgegaan van een behoefte voor 712 eenheden alleen voor de landmacht. Nu wordt er gesproken over 590 in totaal voor de landmacht en de marine. Kan de regering dit verschil verklaren, is hier wellicht sprake van een bezuiniging of een verminderde operationele behoefte?
Elke fase van het Defensie Materieelkeuze Proces (DMP) vangt aan met een validatie van de operationele behoefte, zowel in kwantitatieve als in kwalitatieve zin. De recente herijking van de operationele behoefte voor het SRAT-project berust op de Defensienota, de integrale studie over de pantserbestrijdingsfilosofie en het gewijzigde optreden van het Korps Commando Troepen. Als resultaat hiervan is de behoefte van het Korps Commando Troepen komen te vervallen en is de indeling van de SRAT-systemen en van munitie bij de manoeuvrepelotons aangepast aan de gewijzigde behoefte.
In de brief van februari 1998 werd gewezen op het grote voordeel van de Predator en MBT/Law vanwege het feit dat zij het doel aan de bovenzijde aangrijpen. Bovendien bleek uit onderzoek dat wapens met deze aanvalswijze gemiddeld een hogere effectiviteit hebben tegen gepantserde doelen dan «front attack» wapens. Waarom wordt dit voordeel nu buiten beschouwing gelaten en wordt gekozen voor andere wapens met het argument dat zij bij «direct attack» effectiever zijn? Is hier sprake van een verandering van de behoeftestelling?
SRAT-wapens kunnen worden ingezet tegen verschillende soorten doelen, zoals gepantserde doelen (tanks en pantservoertuigen) en secundaire doelen (bunkers en veldversterkingen). Tegen gepantserde doelen hebben systemen die werken volgens het principe van «Overflying Top Attack» (OTA) een voordeel. De Predator en de MBT-LAW zijn OTA-systemen. Tegen secundaire doelen zijn systemen die werken volgens het principe van «Direct Attack» (DA) doeltreffender. Om gepantserde doelen te kunnen uitschakelen moeten DA-systemen een groter doorboringsvermogen hebben dan OTA-systemen. Dit is bij de DA-systemen Panzerfaust en Alcotan het geval. Alle vier de alternatieven voldoen derhalve aan de operationele eisen. Wanneer de balans wordt opgemaakt, bestaat er een operationele voorkeur voor de Panzerfaust en de Alcotan, vooral omdat het belang van de bestrijding van secundaire doelen in stedelijke omgevingen met SRAT-wapens is toegenomen.
Is het mogelijk dat bij de vier aangehaalde kandidaten, de Predator, de MBT/Law en in het bijzonder de Panzerfaust en de Alcotan, DU in de gevechtskop wordt gebruikt?
Bij geen van de vier alternatieven is DU toegepast.
Kan de regering toelichten op welke wijze de gevechtskop van de munitie verbeterd is op het gebied van doorboringsvermogen?
De doeltreffendheid of het doorboringsvermogen van de munitie wordt bepaald door een aantal factoren, zoals de opbouw en de diameter van de gevechtskop, het aantal gevechtskoppen, de samenstelling van de explosieven en de toegepaste productiemethode. De Panzerfaust beschikt over een zogenaamde «tandem warhead». De voorste gevechtskop heeft tot doel het beschermend reactieve pantser van een tank te neutraliseren, waarna de hoofdlading de tank zelf kan doorboren en uitschakelen. De meest recente verbeteringen aan de Panzerfaust betreffen de werking van de voorste lading en de hoofdlading, onder meer door de toepassing van een nieuwe ontsteker, een andere vorm van de kegel en een betere productiemethode.
Kan de regering toelichten wat de diverse systemen betekenen voor de militaire gebruiker hiervan (gewicht, veiligheid, etc)?
Bij de vaststelling van de functionele en technische eisen aan het nieuwe SRAT-systeem is uitgegaan van de operationele eisen en wensen van de militaire gebruiker, onder meer inzake gewicht, doeltreffendheid, veiligheid, afmetingen en eenvoud in gebruik. De vier alternatieven zijn hierop beoordeeld. Gebleken is dat alle vier de alternatieven aan de eisen voldoen of zullen voldoen aan het eind van de ontwikkeling. De beide «Direct Attack» systemen Panzerfaust en Alcotan genieten de voorkeur vanwege de betere geschiktheid tegen secundaire doelen. Geen van de alternatieven is echter op grond van de operationele eisen afgevallen.
De militaire gebruiker beschikt met deze systemen over een toereikend middel om zelfstandig op groeps- of pelotonsniveau in bedekt terrein en in stedelijke omgevingen tot een afstand van 600 meter tanks, pantservoertuigen en versterkte opstellingen uit te schakelen.
Waarom is het projectbudget verhoogd? Hou verhoudt deze verhoging zich met het feit dat er nu voor een goedkopere variant wordt gekozen en een forse verlaging van de behoefte voor eenheden heeft plaatsgevonden?
Tijdens de behoeftestelling is op grond van een eerste schatting voor de behoefte van de Koninklijke landmacht f 100 miljoen gereserveerd. In de voorstudiefase was nog onvoldoende informatie beschikbaar voor een precisering, mede omdat twee systemen, de Predator en de MBT-LAW, nog aan het begin van de ontwikkeling stonden. Op grond van prijsinformatie die tijdens de studiefase beschikbaar is gekomen en op grond van de aangepaste kwantitatieve behoefte, is nu een reëlere schatting van het projectbudget gemaakt. In het budget van f 150 miljoen is tevens de behoefte van het Korps mariniers verwerkt (f 32 miljoen).
Speelt bij de keuze voor aanschaf de samenwerking van het Duits-Nederlandse legercorps nog een rol?
In het algemeen is de manier waarop met andere landen kan worden samengewerkt een van de factoren die een rol spelen in het materieelkeuzeproces. Met een Nederlandse keuze voor de Panzerfaust zou in het Duits-Nederlandse legerkorps een vorm van standaardisatie worden bereikt die voordelen biedt. Aan dit aspect zal dan ook aandacht worden besteed, evenals aan aspecten als kwaliteit, prijs en beschikbaarheid.
Hoeveel systemen zijn er voor de reserve eenheid berekend? Wat gaat dat kosten?
De beslissing al dan niet ook voor reserve-eenheden nieuw materieel aan te schaffen, hangt nauw samen met de vraag of het bestaande materieel nog voldoende technisch en operationeel inzetbaar is. De Dragon en de AT-4 zijn niet meer inzetbaar bij de reserve manoeuvre-eenheden, zodat ook voor deze eenheden nieuw materieel nodig is. Het betreft in totaal 185 systemen, met een financiële omvang van ongeveer f 10 miljoen.
Samenstelling: Leden: Van den Berg (SGP), Valk (PvdA), voorzitter, Zijlstra (PvdA), Apostolou (PvdA), Hillen (CDA), Verhagen (CDA), M. B. Vos (GL), Stellingwerf (RPF), Hessing (VVD), ondervoorzitter, Hoekema (D66), Essers (VVD), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Van 't Riet (D66), Van den Doel (VVD), De Haan (CDA), Koenders (PvdA), Timmermans (PvdA), Oplaat (VVD), Niederer (VVD), Van der Knaap (CDA), Harrewijn (GroenLinks), Van Bommel (SP), Albayrak (PvdA), Herrebrugh (PvdA), Balemans (VVD).
Plv. leden: Dittrich (D66), Van Oven (PvdA), Swildens-Rozendaal (PvdA), Arib (PvdA), Leers (CDA), Van der Hoeven (CDA), Vendrik (GL), Van Middelkoop (GPV), Weisglas (VVD), Ter Veer (D66), De Swart (VVD), Eurlings (CDA), Lambrechts (D66), Blaauw (VVD), Eisses-Timmerman (CDA), Hindriks (PvdA), Dijksma (PvdA), Van Baalen (VVD), E. Meijer (VVD), Ross-van Dorp (CDA), Karimi (GroenLinks), Marijnissen (SP), Van Gijzel (PvdA), Duivesteijn (PvdA), Wilders (VVD).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-25884-4.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.