25 883
Arbeidsomstandigheden

25 720
Organisch Psychosyndroom

nr. 28
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 11 juni 2004

In mijn brief van 12 december van het afgelopen jaar (25 883/25 720, nr. 21) heb ik u bericht over de voorbereiding van een Europese verfrichtlijn, die wellicht voorschriften zou gaan bevatten die strijdig zijn met het Nederlandse OPS-beleid. Dit beleid, waarover ik u al regelmatig uitvoerig heb geïnformeerd, heeft tot strekking om werknemers te beschermen tegen de gezondheidsrisico's van blootstelling aan oplosmiddelen. Het stoelt, mede op aandrang van uw Kamer, in belangrijke mate op wettelijke voorschriften die voor bepaalde toepassingen voorschrijven dat oplosmiddelrijke producten moeten zijn vervangen door producten met geen of lage concentraties oplosmiddelen.

In het Algemeen Overleg met de Vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 28 mei 2003 heb ik u, in reactie op een nadrukkelijk verzoek van uw kant, nog toegezegd mij in te spannen om bij de totstandkoming van de EU-verfrichtlijn ervoor zorg te dragen dat het Nederlandse vervangingsbeleid overeind kan blijven.

De verfrichtlijn heeft als juridische basis de harmonisatie van de interne markt voor bepaalde verfproducten en is dus niet primair gericht op de bescherming van de gezondheid van werknemers. De richtlijn heeft als doel de emissies van oplosmiddelen terug te dringen. In de richtlijn worden, om toegelaten te worden op de interne markt, bovengrenzen gesteld aan het gehalte van oplosmiddelen in verfproducten. Nationale overheden mogen in principe geen lagere bovengrenzen stellen.

De al bestaande nationale vervangingsregeling voor binnenschilderwerk, autoschadeherstelwerkzaamheden en nog voor de toekomst voorgenomen vervangingsregelingen stellen (deels) lagere bovengrenzen aan verfproducten in met name genoemde professionele toepassingen.

De inzet van Nederland was om het bestaande en voorgenomen vervangingsbeleid niet aan te laten tasten door de genoemde milieurichtlijn. Tijdens de voorbereiding werd duidelijk dat ook andere lidstaten het onwenselijk vonden als deze richtlijn afbreuk zou doen aan bestaande en toekomstige nationale en Europese regels ter bescherming van de gezondheid van werknemers. Een vergelijkbare opstelling koos de vakbeweging en het Europees Parlement die medebeslissingsbevoegdheid had over deze richtlijn.

Dit heeft geresulteerd in een politiek akkoord van de Milieuraad van 27 oktober afgelopen jaar, inhoudende dat de richtlijn niet van toepassing wordt op genomen en nog te nemen nationale en Europese maatregelen, met betrekking tot in de richtlijn opgenomen verfproducten, om de gezondheid van werknemers te beschermen (artikel 1, lid 4).

Ook in de tweede lezing van het Europees Parlement is deze positie overeind gebleven, resulterend in een op 21 april dit jaar door de Raad en het Europees Parlement ondertekende richtlijn (2004/42/CE)1.

Hiermee is mijn toezegging aan uw Kamer om al het mogelijke te doen om het Nederlandse vervangingsbeleid overeind te houden, succesvol afgerond.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

M. Rutte


XNoot
1

Directive 2004/42/EC of the European Parliament and of the Council of 21 April 2004 on the limitation of emissions of volatile organic compounds due to the use of organic solvents in certain paints and varnishes and vehicle refinishing products and amending Directive 1999/13/EC. OJ L 143, 30.4.2004, p. 87.

Naar boven