Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 29 september 2014
Hierbij zend ik u de antwoorden op de vragen van het lid Van Weyenberg (D66), zoals
gesteld in het ordedebat van 1 juli jl. (Handelingen II 2013/14, nr. 100, Regeling
van Werkzaamheden) Graag verwijs ik hierbij ook naar mijn beantwoording van de Kamervragen
Aanhangsel Handelingen II 2014/15, nr. 119 van het lid Schouten (CU), Aanhangsel Handelingen II 2014/15, nr. 121 van het lid Kerstens (PvdA) en Aanhangsel Handelingen II 2014/15, nr. 120 van het lid Karabulut (SP).
De heer Van Weyenberg vraagt om mijn appreciatie van het bericht in de media dat een
ondernemer een jongere met een achterstand een kans heeft gegeven en vervolgens beboet
is. In de media wordt gemeld dat de jongere door het UWV zou zijn bemiddeld. De werkgever
heeft een boete van € 12.000 opgelegd gekregen omdat hij geen tewerkstellingsvergunning
heeft aangevraagd. Ik schets u eerst de feiten, waarna ik in ga op mijn appreciatie
en de afspraken die ik hierover gemaakt heb met UWV.
De Inspectie SZW heeft tijdens een inspectie op 19 februari 2014 geconstateerd dat
bij het bedrijf van de werkgever sinds 13 augustus 2012 een persoon werkzaam was met
de Bulgaarse nationaliteit. Gedurende de periode tussen 13 augustus 2012 en 31 december
2013 was het verplicht om voor Bulgaren een tewerkstellingsvergunning aan te vragen.
Deze verplichting is per 1 januari 2014 komen te vervallen. De wettelijke verplichting
om te controleren of voor een werknemer een tewerkstellingsvergunning nodig is, berust
bij de werkgever. De Inspectie SZW heeft geconstateerd dat de werkgever niet in het
bezit was van de vereiste tewerkstellingsvergunning en heeft op 4 april 2014 een kennisgeving
naar de werkgever gestuurd met het voornemen een boete van € 12.000 op te leggen.
Voordat de Inspectie SZW een boete oplegt, verzamelt de Inspectie feiten en wordt
de werkgever gehoord. Dit is ook in deze casus gebeurd. Op 12 maart 2014 heeft de
werkgever een verklaring afgelegd en op 16 april 2014 heeft de werkgever zijn zienswijze
toegezonden aan de Inspectie SZW. De werkgever heeft op beide momenten niet expliciet
aangegeven dat UWV betrokken is geweest bij de totstandkoming van het dienstverband
van de jongere in augustus 2012. De werkgever geeft wel aan dat er rondom de aanvraag
van de Wajong-uitkering in mei 2013 contact is geweest met UWV. De Inspectie SZW heeft
op 24 april 2014 een boete van € 12.000 aan de werkgever opgelegd.
De werkgever heeft bezwaar aangetekend tegen de boete. In de bezwaarprocedure heeft
de advocaat van de werkgever aanvullende stukken ingebracht waaruit blijkt dat een
arbeidsdeskundige van UWV WERKbedrijf in juli 2012 op bedrijfsbezoek is geweest bij
de werkgever, omdat de werkgever voornemens was om de jongere een dienstverband aan
te bieden. In dit gesprek is onder meer gesproken over de contractvorm, zoals uren
en duur dienstverband, de mogelijkheid tot het volgen van een opleiding en de inzet
van voorzieningen.
Deze informatie was ten tijde van de boeteoplegging niet bekend bij de Inspectie SZW.
In de bezwaarprocedure is geoordeeld dat vooropgesteld dient te worden dat op de werkgever
de primaire verantwoordelijkheid rust de nodige kennis en informatie te vergaren omtrent
alle wettelijke vereisten die van belang zijn voor de bedrijfsvoering van de onderneming.
Met betrekking tot de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) betekent dit dat de werkgever
er volledig van op de hoogte dient te zijn dat op hem de wettelijke verplichting rust
om vóór de tewerkstelling van een nieuwe werknemer (onder meer) te controleren of
hij voor deze persoon al dan niet in het bezit dient te zijn van een geldige tewerkstellingsvergunning.
Er rust geen wettelijke plicht op UWV om de werkgever hierover te informeren.
In dit specifieke geval is in de bezwaarprocedure geconstateerd dat de werkgever voor
aanvang van de tewerkstelling en op een later moment contact heeft gehad met een arbeidsdeskundige
van UWV Werkbedrijf. Gelet hierop kan niet van de werkgever worden gevergd dat hij
informatie over de tewerkstelling inwint bij UWV, temeer nu de arbeidsdeskundige de
werkgever niet heeft gewezen op de tewerkstellingsvergunningsvereiste. In de bezwaarprocedure
is geconcludeerd dat er wel sprake was van een overtreding, maar dat gelet op alle
omstandigheden van het geval en de ernst van de overtreding, een matiging van de boete
met 100% gerechtvaardigd is.
Ik betreur deze gang van zaken. Het was wenselijk geweest als UWV WERKbedrijf de werkgever
in het gesprek in juli 2012 had gewezen op de verplichting een tewerkstellingsvergunning
aan te vragen. Een werkgever moet erop kunnen vertrouwen dat iemand mag werken als
UWV WERKbedrijf betrokken is bij de totstandkoming van het dienstverband.
Met het UWV is afgesproken dat zij in de werkprocessen regelt dat in de situatie dat
UWV jongeren voor plaatsing bij bedrijven aanbiedt, de werkgever zal worden geadviseerd
na te gaan of een tewerkstellingsvergunning of gecombineerde vergunning voor verblijf
en arbeid vereist is. Tevens zal UWV functionarissen die belast zijn met bemiddeling
en begeleiding van arbeidsbeperkte jongeren attenderen op deze situatie. Ten slotte
heb ik met UWV afgesproken dat zij bij de beoordeling van de inzet van voorzieningen
controleert of een tewerkstellingsvergunning vereist is.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
L.F. Asscher