nr. 21
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 12 december 2003
In mijn brief van 30 september (SZW0300653) dit jaar heb ik u uitvoerig
geïnformeerd over de voortgang van het beleid gericht op de bescherming
van werknemers tegen de gezondheidsrisico's van blootstelling aan oplosmiddelen.
Dit beleid wordt ook wel kortheidshalve OPS-beleid genoemd.
In die brief is toegezegd u voor het eind van dit jaar nader te informeren
over de totstandkoming van een Europese verfrichtlijn, die wellicht voorschriften
zou gaan bevatten die strijdig zijn met het Nederlandse OPS-beleid. Dit beleid
stoelt in belangrijke mate op wettelijke voorschriften die voor bepaalde toepassingen
voorschrijven dat oplosmiddelrijke producten moeten zijn vervangen door producten
met geen of lage concentraties oplosmiddelen. Uw kamer heeft destijds nadrukkelijk
deze beleidsrichting ondersteund.
In het algemeen overleg met de vaste commissie voor sociale zaken en werkgelegenheid
op 17 april 2003 (kamerstuk 24 036/25 883, nr. 282) heb ik u, in
reactie op een nadrukkelijk verzoek van uw kant, nog toegezegd mij in te spannen
om bij de totstandkoming van de EU-Verfrichtlijn ervoor zorg te dragen dat
het Nederlandse vervangingsbeleid overeind kan blijven.
De verfrichtlijn heeft als juridische basis de harmonisatie van de interne
markt voor bepaalde verfproducten. De richtlijn heeft als doel de emissies
van oplosmiddelen terug te dringen. In de richtlijn wordt het maximale gehalte
aan oplosmiddelen voor een serie verfproducten bepaald om toegelaten te worden
voor de interne markt. Nationale overheden mogen geen maatregelen treffen
die de toelating van deze middelen verder beperken.
De vervangingsregeling voor binnenschilderwerk, autoschadeherstelwerkzaamheden
en nog voor de toekomst voorgenomen vervangingsregelingen stellen
(deels) verdergaande productvoorwaarden voor toepassing in met name genoemde
professionele toepassingen.
De inzet van Nederland om het bestaande en voorgenomen vervangingsbeleid
niet aan te laten tasten door de genoemde milieurichtlijn, heeft erin geresulteerd
dat in de versie die aan Milieuraad van 27 oktober voorlag, een bepaling voorkomt
die als volgt luidt: «This Directive does not prejudice
nor affect measures taken at Community or national level to protect the health
of workers and their working environment.» Deze bepaling impliceert
dat de richtlijn niet van toepassing is op genomen en nog te nemen nationale
maatregelen om de gezondheid van werknemers te beschermen. Op 27 oktober jl.
heeft de Milieuraad hierover een politiek akkoord bereikt.
Het Europees parlement heeft medebeslissingsbevoegdheid over deze ontwerprichtlijn.
De uitzonderingsbepaling voor arbeidsbescherming is echter onomstreden in
het Parlement. Er kan dan ook verwacht worden dat in de nog vast te stellen
richtlijn op dit punt geen wijzigingen worden aangebracht. Er kan dan ook
verwacht worden dat de richtlijn over enkele maanden vastgesteld kan worden.
Dat met bovengenoemde formulering het Nederlandse vervangingsbeleid overeind
kan blijven wordt ondersteund door het volgende. Bij de Europese Commissie
is op 24 juli 2003 een ontwerpregeling ter notificatie ingediend waarin is
voorgeschreven dat bij het coaten van nieuw vervaardigd geveltimmerwerk (ramen,
kozijnen, enz.) uitsluitend producten mogen worden toegepast die maximaal
150 gram VOS per liter bevatten. Dat is een lager VOS-gehalte dan in de voorziene
verfrichtlijn.
In de commentaren wordt geen verband gelegd met de ontwerp-Verfrichtlijn.
Dit wijst erop dat de ontwerp-Verfrichtlijn inderdaad aan lidstaten de ruimte
biedt voor arboregelingen als de onderhavige voor de timmerindustrie.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
M. Rutte