Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201125883 nr. 190

25 883 Arbeidsomstandigheden

Nr. 190 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 12 augustus 2011

Tijdens het Wetgevingsoverleg d.d. 9 juni j.l. (kamerstuk 32 710 VII, nr. 8) over het jaarverslag van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft het lid Heijnen (PvdA) vragen over de Arbeidsinspectie gesteld, waarvan mij is verzocht die te beantwoorden.

Het betreft de volgende vragen:

  • 1. Gaan de handhavingsactiviteiten van de Arbeidsinspectie afnemen als gevolg van de taakstellingen?

  • 2. Is het kabinet bereid een doelstelling te formuleren m.b.t. de achterblijvende inning van boetes bij overtredingen van onderbetaling en bij illegale arbeid?

1. Arbeidsinspectie en taakstelling

Voor het antwoord op de vraag of de handhavingsactiviteiten van de Arbeidsinspectie gaan afnemen als gevolg van de taakstellingen verwijs ik u kortheidshalve naar mijn brief van 14 maart 2011 aan uw Kamer over de invulling van de hoofdlijnen van de taakstelling voor het SZW-domein 2012–2015 en de overleggen die ik met u hierover hebgevoerd.1

2. Achterblijvende inning van boetes bij onderbetaling en illegale arbeid

Zoals ik in het AO met uw Kamer op 29 juni jl. (kamerstuk 25 883, nr. 189) heb gewisseld moeten boetes voor zover er verhaalmogelijkheden zijn, zo volledig mogelijk worden geïnd. Een deel van de vorderingen, met name voor de Wet Arbeid Vreemdelingen (WAV) en de Wet minimumloon (WML), moet echter als oninbaar worden aangemerkt. Zie onderstaand overzicht van de inningspercentages bij de Arbeidsomstandighedenwet, WAV en WML.

Overzicht inningspercentages bij verschillende wettelijke regelingen (cijfers 2010)

Wettelijke regeling

Innings %

% inning met betalingsregelingen

% incasso via deurwaarder CJIB

% oninbaar

Arbeidsomstandighedenwet

93

 3

 2

 2

WAV

37

27

14

22

WML

11

22

32

35

De inningspercentages bij de WAV en WML blijven achter omdat er bij een substantieel deel van deze doelgroep sprake is van «vluchtig ondernemerschap», en omdat in deze doelgroep veel meer buitenlandse bedrijven vertegenwoordigd zijn dan in de Arbo doelgroep. Andere oorzaken van oninbaar gestelde vorderingen zijn:

  • faillissementen/ontbinding;

  • kwijting/schuldsanering;

  • internationale vorderingen;

  • vertrokken onbekend waarheen;

  • geen/onvoldoende voor beslag vatbare goederen.

Met name bij de twee laatste oorzaken «vertrokken onbekend waarheen» en «geen/onvoldoende voor beslag vatbare goederen» zie ik mogelijkheden tot verbetering. De inning en incasso zijn per 2007 door SZW belegd bij het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) (straks het te vormen Rijksincassobureau). De vorderingen die het CJIB via deurwaarders heeft uitstaan bedragen ruim € 5 miljoen. SZW heeft het CJIB gevraagd om een steviger aanpak, onder meer via sturing van deurwaarders, waardoor het percentage oninbaar gestelde vorderingen kan worden verlaagd. SZW is hierover in onderhandeling met het CJIB. Dit moet in komend najaar tot effect leiden.

Gemiddeld 5% van de bestuursrechtelijke vorderingen van SZW zijn buitenlandse vorderingen. Voor de Arbeidsomstandighedenwet betreft het 2%, voor de WAV 10% en voor de WML 26%. Hierbij moet worden aangetekend dat het hoge WML-percentage een vertekend beeld geeft, omdat het totaal aantal WML-zaken beperkt is.

De buitenlandse vorderingen zijn momenteel alleen minnelijk inbaar, er is namelijk geen rechtsgrond de vorderingen te innen, Gemiddeld wordt 15% van deze vorderingen aan SZW betaald. In het belang van de handhaving is het noodzakelijk dat er een rechtsgrond komt, waardoor buitenlandse bestuursrechtelijke vorderingen ook niet-minnelijk kunnen worden geïnd. Om dit te kunnen realiseren zal de Europese regelgeving moeten worden aangepast. Inmiddels heb ik dit interdepartementaal en op Europees niveau aan de orde gesteld.

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

H. G. J. Kamp


X Noot
1

Kamerstukken II vergaderjaar 2010–2011; 32 500-XV, nr. 75. Algemeen overleg hierover vond plaats op 6 en 28 april 2011.