Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal2002-200325883 nr. 10

25 883
Arbeidsomstandigheden

nr. 10
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 15 oktober 2002

Inleiding

De arbokennisinfrastructuur draait om de beschikbaarheid van praktisch toepasbare kennis die de werkgevers, werknemers en andere actoren nodig hebben om hun verantwoordelijkheid inzake goede arbeidsomstandigheden, reïntegratie en preventie van arbeidsongeschiktheid en ziekteverzuim op te kunnen pakken. De arbokennisinfrastructuur is dan ook een essentieel onderdeel van het flankerend beleid rondom de WAO. In deze brief ga ik in op mijn beleidsvoornemens terzake. In de bijgevoegde rapportage informeer ik u over de voortgang op diverse onderdelen van de arbokennisinfrastructuur1.

Belang en uitgangspunten van de arbokennisinfrastructuur

De primaire doelen van het arbobeleid zijn preventie van (mede) door arbeid veroorzaakte aandoeningen, evenals reïntegratie in het arbeidsproces van zieke of tijdelijk arbeidsongeschikte werknemers. Daarbij staat de eigen verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers voorop. Mijn beleid is stimulerend en ondersteunend. Werkgevers en werknemers worden financieel geprikkeld door maatregelen in de sociale verzekeringen. Zij hebben sinds de Arbowet 1998 – met de focus op het systematisch verbeteren van de arbeidsomstandigheden – meer ruimte voor «maatwerk» voor arbo- en verzuimbeleid in hun onderneming. De afgelopen vier jaar is tevens ingezet op convenanten over preventie van arbeidsrisico's en een betere verzuimaanpak, met aansprekende resultaten. Die lijn wil ik doorzetten, met een aantal nieuwe accenten2. Ook de strakkere handhaving («lik op stuk»-beleid) door de Arbeidsinspectie zet aan tot geïntensiveerde aanpak van slechte arbeidsomstandigheden.

Een goed werkende arbokennisinfrastructuur is essentieel voor het realiseren van de doelstellingen van het arbeidsomstandighedenbeleid. De arbokennisinfrastructuur moet zodanig zijn ingericht dat door kennisproductie, kennistransfer, implementatie van kennis en evaluatie, werkgevers en werknemers in staat zijn om op effectieve wijze systematisch beleid te voeren op het terrein van de arbeidsomstandigheden. De arbokennisinfrastructuur moet er tevens aan bijdragen dat de administratieve lasten die samengaan met de arbobeleidsvoering op ondernemingsniveau, voor werkgevers zo laag mogelijk zijn.

De overheid bevordert de kennisontwikkeling en -doorstroom in samenwerking met betrokken partijen. Zij ondersteunt de arbokennisinfrastructuur, conform drie uitgangspunten:

1. Het bevorderen van marktconforme ontwikkelingen, waarbij financiële prikkels worden ingebouwd; dit betekent bijvoorbeeld het aangaan van (tijdelijke) cofinancieringen.

2. Het vergroten van de betrokkenheid van alle partijen die belang hebben bij een goed werkende infrastructuur; dit betekent het bij elkaar brengen van partijen voor afstemming en coördinatie, en het aanspreken op hun eigen verantwoordelijkheid.

3. De overheid kan een aanvullende rol spelen in situaties waarin de markt tekort schiet in het creëren van noodzakelijke basisvoorzieningen; op het gebied van informatievoorziening verzorgt de overheid bijvoorbeeld de Arbobalans.

Speerpunten voor de komende jaren

Ik ben ervan overtuigd dat met preventief arbobeleid veel valt te winnen aan terugdringing van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid. De combinatie van meer aandacht en meer middelen voor het arbeidsomstandighedenbeleid heeft in de afgelopen jaren bij bedrijven geleid tot een toename van de behoefte aan ondersteuning door de arbodienst en – meer algemeen – een groeiende vraag naar praktisch toepasbare kennis. Het kabinet heeft daarom voor verdere stimulering en ondersteuning middelen beschikbaar gesteld voor de komende jaren.

Voor de arbokennisinfrastructuur zie ik daarbij twee speerpunten, waarvoor ik de komende jaren middelen vrijmaak. Het eerste speerpunt is versterking van de vraagsturing in de arbokennisinfrastructuur, het tweede is versnelde ontschotting tussen de preventieve arbozorg, de praktijk van de WAO-keuring en de curatieve gezondheidszorg.

Versterking van de vraaggestuurde kennisontwikkeling, -transfer en -implementatie

De komende jaren wordt de focus gericht op het binnen de arbokennisinfrastructuur centraal stellen van vraaggestuurde ontwikkeling en implementatie (doorstroom) van kennis. Bij ontwikkeling gaat het om het signaleren en vervolgens opvullen van hiaten in de kennis. Met implementatie bedoel ik dat een slag wordt gemaakt naar praktisch toepasbare kennis die past op concrete vraagstukken in de praktijk van bedrijven en instellingen en die daar moet landen. Om dit te realiseren worden drie sporen gevolgd:

1. Het eerste spoor is gericht op het beter toegankelijk maken van bestaande kennis, zodanig dat die aansluit op de vraag. Ik ga dit doen op basis van een behoeftepeiling onder werkgevers en werknemers, die binnenkort van start gaat. Door toepassing van ICT (www.arbo.nl) is nog veel te winnen in de sfeer van betere toegankelijkheid van informatie (o.a. databases), koppeling van sites en oog voor toepasbaarheid van aangeboden informatie. Vooral voor het midden- en kleinbedrijf ligt nog een terrein open. Met het goed toegankelijk maken van de kennis die nodig is voor het uitvoeren van het arbobeleid in bedrijven en instellingen krijgt niet alleen de preventie van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid een impuls, maar wordt ook de administratieve last die met die uitvoering samengaat verminderd.

2. In het tweede spoor staat bestuurlijke versterking centraal. Ik ben voornemens om de krachten van het Arbo Platform en het Nederlands Focal Point te bundelen. Vanuit deze bundeling kan een sterke entiteit ontstaan die zich volledig kan richten op de coördinatie en afstemming binnen de arbokennisinfrastructuur en op ontsluiting van in de praktijk toepasbare arbokennis.

3. Het derde spoor betreft aansturing op de vraaggerichtheid van kennisproductie en op de communicatie tussen partijen in de arbokennisinfrastructuur: waar SZW optreedt als (mede)financier van projecten zal dit als voorwaarde worden opgenomen.

Versnelde ontschotting tussen sociale zekerheid en curatieve gezondheidszorg

De arbokennisinfrastructuur is de afgelopen jaren versterkt met de ontwikkeling van de vier landelijke kenniscentra voor arbeidsrelevante aandoeningen en Medwerk (regionale expertisecentra voor arbeidsrelevante aandoeningen). Op het terrein van de arbo-curatieve samenwerking zijn diverse initiatieven van start gegaan gericht op ontschotting tussen de bedrijfsgezondheidszorg en de curatieve zorg. Niettemin is er nog veel te winnen in het verkeer tussen arbodiensten, de curatieve sector en de praktijk van de WAO-keuring. Om hierin een versnelling teweeg te brengen is per 1 september de project-DG Sociale Zekerheid en Zorg van start gegaan voor een periode tot 1 januari 2004. Versnelde ontschotting, ook in termen van de kennisinfrastructuur, heeft hoge prioriteit vanwege het gunstige effect van samenwerking en informatie-uitwisseling op het vroegtijdig en effectief ingrijpen bij dreigend langdurig verzuim. Daarmee is ook dit een belangrijk speerpunt van het flankerend beleid bij de WAO.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

M. Rutte

Rapportage initiatieven Arbokennisinfrastructuur

1. Het Nederlands Focal Point arbeidsomstandigheden

Het tripartiet ingerichte Nederlands Focal Point maakt deel uit van het netwerk van nationale Focal Points van het Europees Agentschap voor de Veiligheid en Gezondheid op het Werk van de Europese Unie te Bilbao. Hieraan ligt een Europese Verordening ten grondslag, waaruit verplichtingen voor Nederland voortvloeien. Een belangrijk doel van het Focal Point is om zijn Internetsite, www.arbo.nl, dé arbosite van Nederland te laten worden en blijven.

Doel van SZW voor de komende jaren is – zoals in de nota Sociaal Digitaal1 is aangegeven– intensief invulling geven aan haar (ook Europees verplichte) ondersteunende en stimulerende rol. Deze rol houdt in het via ICT toegankelijk maken van informatie en kennis die actoren in bedrijven en bedrijfstakken nodig hebben om een goed arbo-, verzuim- en reïntegratiebeleid te kunnen voeren. Vanuit een behoeftepeiling onder werkgevers en werknemers zal worden bekeken welke verbeteringen het Ministerie van SZW binnen de arbokennisinfrastructuur kan aanbrengen. Hierbij gaat het er om dat er op de doelgroepen toegesneden, betrouwbare, kwalitatief goede en praktisch toepasbare informatie beschikbaar komt. Met het goed toegankelijk maken van de kennis die nodig is voor het uitvoeren van het arbobeleid in bedrijven en instellingen krijgt niet alleen de preventie van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid een impuls, maar wordt ook de administratieve last die met die uitvoering samengaat verminderd.

Ik zal er tevens op korte termijn voor zorgen dat op het Internet veel meer – met name voor het midden- en kleinbedrijf relevante – informatie beschikbaar komt over de risico-inventarisatie en -evaluatie (ri&e). Met betere informatievoorziening beoog ik een betere werking van het instrument, vooral in middelgrote en kleine bedrijven. Daarnaast heeft dit effect op het gebied van de administratieve lasten, doordat werkgevers sneller de juiste informatie kunnen vinden.

2. De bibliotheek en documentatiefunctie op het terrein van de arbeidsomstandigheden

Het Ministerie van SZW subsidieert het Kennis en Documentatie Centrum (KDC) van TNO Arbeid als structurele informatievoorziening. Doel is het selecteren, bewaren en toegankelijk maken van vastgelegde kennis en documentaire informatie op het terrein van de arbeidsomstandigheden, gekoppeld aan de website van het Nederlands Focal Point. Dat laatste is onder meer gerealiseerd doordat de elektronische catalogus van het KDC nu via de website van het Focal Point door iedereen kosteloos kan worden geraadpleegd. Recent zijn daaraan toegevoegd de volledige teksten van bijna 800 in de catalogus opgenomen documenten. Daarnaast heeft het KDC twee databanken ontwikkeld die het traceren van informatie op Internet ondersteunen. Deze zijn ook via arbo.nl te raadplegen en worden door het KDC actueel gehouden en uitgebreid.

Om de vraaggestuurde informatievoorziening te stimuleren zal het KDC middels een enquête bij haar belangrijkste doelgroepen mogelijkheden tot verbetering van inhoud en gebruik van deze producten verkennen. Doel voor de komende jaren is om in elk geval de beschikbaarheid van genoemde en vergelijkbare producten via Internet – gekoppeld aan het Focal Point – in de toekomst veilig te stellen. Onderzocht zal worden hoe dit het beste vorm te geven, uitgaande van het aanbieden van kennis die aansluit bij de concrete kennisbehoefte van met name arboprofessionals.

3. Arbo Platform

In september 2000 heeft mijn voorganger – op grond van het SER-advies uit 1997 (zie voetnoot 1) en na een draagvlakstudie – het Arbo Platform ingesteld, met als belangrijkste taak het versterken en bevorderen van de afstemming van de vraag naar kennis en het kennisaanbod en de doorstroming en ontsluiting van arbokennis in Nederland. De heer drs. D. J. D. Dees is onafhankelijk voorzitter. De leden zijn vertegenwoordigers van werkgevers- en werknemersorganisaties, arbodiensten en kennisinstellingen op het terrein van arbeidsomstandigheden. Voor de platformfunctie, uitgevoerd door TNO Arbeid, stelde het Ministerie van SZW in totaal ongeveer € 180 000,– beschikbaar.

Het Arbo Platform is in eerste instantie ingesteld voor een periode van twee jaar en heeft eind juni 2002 advies uitgebracht over het voortbestaan. Het platform is unaniem van mening dat zijn functie moet worden gecontinueerd. Het platform constateert dat de gerealiseerde opbrengsten achter zijn gebleven bij de verwachtingen. Voor de toekomst opteert men voor een nieuwe invulling van de functie. Het Arbo Platform wil de beschikbaarheid van arbokennis en de samenwerking van actoren in het arboveld optimaliseren. Omdat daarmee de doelstellingen van het Nederlands Focal Point worden benaderd ben ik voornemens om de krachten van het Arbo Platform en het Focal Point te bundelen. Daarmee kan een sterke entiteit ontstaan die zich volledig kan richten op de coördinatie en afstemming binnen de arbokennisinfrastructuur en op ontsluiting van in de praktijk toepasbare arbokennis.

De instelling van het Arbo Platform zal tijdelijk worden verlengd tot 1 maart 2003, om in deze periode de voorgenomen bundeling goed voor te bereiden en vorm te geven.

4. Arboconvenanten

De arboconvenanten leiden tot een schat aan kennis en informatie die moet landen in bedrijven en instellingen. Dit gebeurt op diverse manieren.

• De kennis wordt ruim en gericht verspreid, zowel op papier als digitaal via o.m. arbo.nl.

• In convenanten worden afspraken gemaakt over het betrekken van de werknemersvertegenwoordigingen bij de implementatie van convenantsafspraken, specifiek op bedrijfsniveau. Ter ondersteuning dient o.a. ook het FNV expertisecentrum.

• Op 12 maart 2002 heeft het druk bezochte congres «Rondom Arbo» plaatsgevonden. Daarbij hebben betrokken partijen ervaringen vanuit de verschillende convenantstrajecten uitgewisseld, onder andere in workshops.

• Met arboconvenanten wordt geïnvesteerd in de sectorale arbokennisinfrastructuur. Die is van belang voor branchespecifieke kennisontwikkeling en -doorstroom. Hiervoor wordt de door TNO Arbeid vervaardigde arbokennisinfrastructuur-analysemethode (AKI-methode) gebruikt. De bruikbaarheid ervan is o.a. getest in het arboconvenantentraject podiumkunstenbranche. De methode levert inzichten op in het functioneren van de arbokennisinfrastructuur in een branche, als kader waarbinnen afspraken in convenanten hun beslag moeten krijgen. Dat vergroot de slaagkans van de convenantsafspraken en de feitelijke doorwerking van de bestaande kennis over arbeidsomstandigheden op de werkvloer. Het Ministerie van SZW zal bezien hoe dit instrument kan worden ingezet in andere convenantstrajecten.

Ik concludeer dat de arboconvenanten, vanuit cofinanciering met sociale partners, een sterke impuls geven – en de komende jaren zullen blijven geven – aan de sectorale arbokennisinfrastructuur, en daarmee aan de doorwerking van kennis over arbeidsomstandigheden in de bedrijfspraktijk. Daarbij werkt het Ministerie van SZW aan bundeling en verspreiding van kennis en het uitwisselen van kennis tussen convenantstrajecten en naar branches waar (nog) geen trajecten lopen. Later dit jaar ontvangt u een nota over de hoofdlijnen van het toekomstige arboconvenantenbeleid.

5. Het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB)

Het NCvB voert vanaf 1 november 1999 de wettelijke taak uit om een registratie bij te houden van verplichte meldingen door arbodiensten van bij werknemers aangetoonde of vermoede beroepsziekten. Het NCvB opereert vanuit een drietal doelstellingen:

1. verkrijgen van inzicht in het vóórkomen en de verspreiding van beroepsziekten in bedrijfstakken en beroepsgroepen, en verschuivingen en trends hierin;

2. bevorderen van signalering en melding van beroepsziekten door bedrijfsartsen;

3. genereren van signalen over knelpunten in de zorg voor beroepsziekten of kennislacunes op dit terrein.

Het jaarlijkse «Signaleringsrapport beroepsziekten» geeft aan welke trends en signalen voortkomen uit de registratie. De informatie uit de praktijk van de bedrijfsartsen wordt door het NCvB op geaggregeerd niveau teruggekoppeld, zodat de bedrijfsartsen beter in staat zijn beroepsziekten te onderkennen, en gericht kunnen adviseren over preventieve actie. Hiermee ondersteunt het NCvB de professionele standaard van bedrijfsartsen.

Het NCvB heeft gewerkt aan verbetering van het meldings- en registratiesysteem, vanuit de constatering van het NCvB dat in 2001 ongeveer 50% van bedrijfsartsen beroepsziekten meldt. Allereerst zijn de oorzaken van onderrapportage onderzocht. Argumenten voor het niet melden van beroepsziekten zijn gelegen in angst voor claims, onduidelijke criteria, tijdgebrek, onvoldoende gegevens over causaliteit van beroepsziekten en het signaal dat het thema beroepsziekten «niet leeft» binnen de arbodienst. Er is nu een systeem ontwikkeld waarmee het melden meer gebruiksvriendelijk is gemaakt, en minder tijdrovend. Daarnaast is voorlichting aan bedrijfsartsen over juridische consequenties van (melding van) beroepsziekten belangrijk. Een protocol over de wijze waarop bedrijfsartsen kunnen omgaan met beroepsziekten moet het melden stimuleren. Middels intensief contact met arbodiensten en bijdragen aan (na)scholing voor bedrijfsartsen wordt het inzicht in het belang van het melden en de kennis van beroepsziekten vergroot. Ook zijn peilstations gestart voor adequate schattingen van incidentie, prevalentie en verspreiding van beroepsziekten, zoals een «Peilstation Intensieve Melding» en de peilstations voor arbeidsgebonden huidaandoeningen en luchtwegaandoeningen.

Het NCvB ontving in de periode 1999–2002 van SZW een bedrag van € 0,7 miljoen op jaarbasis. Aanvullende subsidie is verstrekt voor de verbetering van het meldings- en registratiesysteem. Gezien de uitvoering van de wettelijke taak door het NCvB zal ik het NCvB ook in de komende jaren financieel ondersteunen – mede op basis van de meerjarenstrategie 2003–2006 van het NCvB. Voor de jaren 2003 tot en met 2007 is € 0,9 miljoen per jaar beschikbaar.

6. De Stichting expertisecentrum reïntegratie (Stecr)

De afgelopen twee jaar heeft het Ministerie van SZW geïnvesteerd in de kwaliteitsbevordering van de arbodienstverlening door ondersteuning van Stecr, een initiatief van de Branche Organisatie Arbodiensten (BOA). Stecr heeft als doel het verbeteren van de effectiviteit van de reïntegratie. Het uitgangspunt van Stecr is om bij arbodiensten aanwezige kennis op het gebied van reïntegratie te bundelen, te verdiepen en toegankelijk te maken. Stecr werkt vanuit de praktijk met multidisciplinaire kenniskringen, o.a. rond de thema's allochtonen en reïntegratie, lage rugklachten, problematisch verzuim, werkdruk in de zorg en in het onderwijs en vrouwen en reïntegratie. Doordat Stecr een activiteit is voor en door professionals is gewaarborgd dat de activiteiten goed aansluiten op de vraag naar kennis.

Stecr richt zich primair op vroegtijdige reïntegratie. Leerervaringen uit individuele verzuimtrajecten worden daarnaast doorvertaald naar preventieve activiteiten. Hiermee stimuleert Stecr de pro-actieve aanpak in de eerste ziekteperiode. Om dit te bereiken zijn thematische werkwijzers ontwikkeld, die als «good practice» fungeren. De beschikbare werkwijzers zijn reeds door de meeste arbodiensten doorvertaald in de eigen werkwijze en in cursussen en trainingen. Om de verspreiding van de kennis te stimuleren heeft Stecr een website geopend, waarvan het gebruik groot is en constant toeneemt.

Stecr heeft inmiddels een goede werkrelatie met het UWV opgebouwd. Het UWV heeft de werkwijzers opgenomen in het «kader voor de beoordeling van reïntegratie-inspanningen» dat wordt gebruikt voor de beoordeling van het door de werknemer, werkgever en arbodienst opgestelde reïntegratieverslag1. Daarnaast gebruikt het UWV de werkwijzers in de nascholing van verzekeringsgeneeskundigen.

In juni 2000 heeft mijn voorganger het expertisecentrum Stecr formeel geopend. Dit belangrijke initiatief in de arbokennisinfrastructuur wordt financieel ondersteund door de BOA en haar leden, en leunt daarnaast financieel sterk op het Ministerie van SZW. In de periode 1 juli 2000 tot 1 juli 2003 heeft SZW ongeveer € 675 000,– per jaar beschikbaar voor Stecr. Momenteel onderzoekt de BOA op welke wijze dit marktinitiatief daarna voortgang kan krijgen zonder of met een verlaagde bijdrage van SZW. De uitkomsten zullen door SZW beoordeeld worden op basis van de uitgangspunten voor de arbokennisinfrastructuur.

7. Bureau Richtlijnontwikkeling NVAB

Op 1 oktober 2000 heeft de Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde het Bureau Richtlijnontwikkeling NVAB (BRN) opgericht. Dit bureau heeft tot doel de deskundigheid van bedrijfsartsen te bevorderen, door het opstellen en implementeren van richtlijnen. Dit is één van de pijlers van de bevordering van de kwaliteit van de arbodienstverlening. Met het werken volgens richtlijnen wordt een bijdrage geleverd aan de kwaliteit van de gevalsbehandeling en de vroegtijdige reïntegratie. Daarnaast krijgt een patiënt-werknemer een beter inzicht krijgt in wat van de bedrijfsarts mag worden verwacht. De medisch-wetenschappelijk georiënteerde richtlijnen gaan uitdrukkelijk ook in op de preventieve mogelijkheden ten aanzien van de betreffende arbeidsrelevante aandoeningen. Ook de richtlijnen van de NVAB zijn opgenomen in het UWV-beoordelingskader.

Voor de uitvoering van het BRN hebben de Ministeries van SZW en VWS gezamenlijk een subsidiebedrag van ruim € 1 500 000,– beschikbaar gesteld voor de periode juli 2000 tot oktober 2003. Vanwege het grote belang van de verdere ontwikkeling van de professionele standaard van bedrijfsartsen voor de kwaliteitsbevordering van de arbodienstverlening is continuering wenselijk. Dit jaar voert de NVAB een verkenning uit naar de toekomstige positionering van de richtlijnontwikkeling. In het voorjaar van 2003 wordt op basis van de resultaten daarvan samen met het Ministerie van VWS bekeken welke mogelijkheden voor continuering aanwezig zijn.

In het kader van het versterken van de professionele standaard van bedrijfsartsen is het van belang te melden dat de Raad voor Gezondheidsonderzoek (RGO) werkt aan een advies over het onderzoek en de wetenschappelijke infrastructuur op het gebied van arbeid en gezondheid. Doel is om meer wetenschappelijk onderbouwde kennis op het gebied van arbeidsrelevante aandoeningen te genereren, die bij verbinding aan de praktijk ten goede komt aan de professionaliteit van bedrijfsartsen en verzekeringsartsen.

Wegens de omvang van dit terrein zal de RGO enkele deeladviezen uitbrengen. Het eerste deeladvies van de RGO is gericht op programmering van onderzoek op het terrein van de arbeids- en bedrijfsgeneeskunde. De RGO gaat na in hoeverre het onderzoeksaanbod is afgestemd op de vraag en in hoeverre het wenselijk is de infrastructuur van het wetenschappelijk onderzoek op dit gebied (en daarmee samenhangend de bedrijfsgeneeskundige opleiding) te versterken. Dit advies zal in het najaar van 2002 gereed zijn. Het is het voornemen van de RGO om zo spoedig mogelijk daarna te adviseren over de verzekeringsgeneeskunde, en daarna andere onderwerpen binnen het veld arbeid en gezondheid ter hand te nemen.

Wanneer het eerste RGO-advies beschikbaar is wordt – in samenhang met de toekomst van de richtlijnontwikkeling – bezien welke bijdrage het Ministerie van SZW kan leveren aan realisatie van de uitvoering van de aanbevelingen van de RGO. U ontvangt te zijner tijd de gezamenlijke reactie van de Ministeries van VWS en SZW op het advies.

8. Het kennisnetwerk arbeidsrelevante aandoeningen

Het door SZW en VWS gesubsidieerde kennisnetwerk arbeidsrelevante aandoeningen richt zich op verbetering van de samenwerking tussen de medische beroepsgroepen met als oogmerk snellere en betere zorg en daarmee vroegtijdige reïntegratie.

Voortvloeiend uit het advies van het Platform Aanpak Wachttijden zijn begin 2000 vier Nederlandse kenniscentra voor arbeidsrelevante aandoeningen op aanwijzing van de Minister van VWS opgericht (voor huidaandoeningen, longaandoeningen, klachten aan het bewegingsapparaat en aandoeningen van psychische aard). De taak van deze vier centra is het verzamelen en ontwikkelen van kennis over gezonder werken en de kennis vervolgens te beheren en te verspreiden. Dit initiatief beoogt een bijdrage te leveren aan vermindering van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid. De kennis is toegankelijk voor (huis)artsen en medisch specialisten, bedrijfs- en verzekeringsartsen, arbodiensten en werkgeversen werknemersorganisaties. De kenniscentra werken intensief met elkaar samen, alsmede met het NCvB en Stecr. Daarnaast hebben ze samenwerkingsafspraken met instellingen uit de reguliere zorg op zowel organisatorisch als (medisch) inhoudelijk gebied.

Complementair hieraan zijn begin 2002 onder de naam Medwerk vijftien regionale samenwerkingsverbanden en expertisecentra opgericht. Medwerk levert een bijdrage aan een meer doelmatige en doeltreffende gevalsbehandeling door het actief verspreiden en uitdragen van kennis en expertise over arbeidsrelevante aandoeningen en versterking van de samenwerking en communicatie tussen medische beroepsbeoefenaren.

Inmiddels werken Medwerk en de Nederlandse kenniscentra samen in het kennisnetwerk arbeidsrelevante aandoeningen. Deze integratie onderstreept de synergie van beide initiatieven, vergroot de toegankelijkheid tot het kennisnetwerk en verbetert de invulling van taken. Medwerk vervult een belangrijke intermediaire functie tussen de Nederlandse kenniscentra en de professionals in het veld. De kennisuitwisseling van het landelijke naar het regionale niveau en omgekeerd is hierdoor gewaarborgd.

Doel voor de komende jaren is doorwerking van dit kennisnetwerk op het vlak van aandacht voor preventie, betere zorg en vroegtijdige reïntegratie. Om de toekomst van het kennisnetwerk arbeidsrelevante aandoeningen te waarborgen hebben VWS en SZW besloten om het totale kennisnetwerk arbeidsrelevante aandoeningen in ieder geval tot en met 2004 financieel te ondersteunen. Medio 2004 wordt besloten – op basis van de resultaten tot dan toe – over (de omvang van) de overheidssubsidie in 2005 en 2006. Ook wordt dan bezien in hoeverre daarna mogelijkheden tot marktwerking bestaan c.q. op welke andere wijze het netwerk verankerd wordt.

9. Monitoring en signalering: de Arbobalans

Informatie over ontwikkelingen in de arbeidsomstandigheden in Nederland en de effecten daarvan wordt door SZW en andere actoren in toenemende mate verzameld met behulp van verschillende en specifiek daarvoor ontworpen statistieken of monitor instrumenten. SZW stimuleert dit financieel en door overleg met relevante partijen, met het oog op het tot stand brengen van een omvattend monitoring- en signaleringssysteem. Het gaat om het (laten) verzamelen van representatieve informatie over risicovolle werksituaties, de effecten daarvan op de gezondheid van werknemers en over de maatregelen die genomen worden om deze risico's te beperken. Deze informatie is van belang voor het signaleren van beleidsrelevante trends en kan op die manier input vormen voor nieuw of aan te passen beleid. De informatie wordt ook gebruikt voor beleidsverantwoording in het VBTB-traject.

Sinds 1998 worden de belangrijkste ontwikkelingen op het arbeidsomstandighedenterrein jaarlijks bijeengebracht in de «Arbobalans» van het Ministerie van SZW. Er is veel belangstelling voor deze publicatie, gezien de jaarlijkse afname van circa 60 000 exemplaren. Medio oktober 2002 ontvangt u de Arbobalans 2002.

Voor onderzoek dat leidt tot uitbreiding en verspreiding van arbokennis binnen de arbokennisinfrastructuur is jaarlijks ruim € 270 000,– beschikbaar. Daarnaast worden door het Ministerie van OCenW voor het beleidsterrein van SZW beschikbaar gestelde TNO-doelfinancieringsgelden deels gebruikt voor programma's die bijdragen aan de versterking van de kennis(infrastructuur) rond arbeidsomstandigheden. De prioriteiten voor komend onderzoek ter versterking van de werking van de arbokennisinfrastructuur worden in het najaar van 2002 bepaald. De aard van het onderzoek moet verschuiven van het leveren van een bijdrage aan de opbouw van de kennisinfrastructuur naar het leveren van een bijdrage aan het genereren en ontsluiten van kennis.


XNoot
1

Mede tegen de achtergrond van de brief van 21 december 1999 (TK 25 883, nr. 8) van mijn voorganger en het advies Tweedelijnsinfrastructuur arbeidsomstandigheden van de Commissie Arbeidsomstandigheden van de SER, publicatienummer 35, 3 juli 1997.

XNoot
2

Later dit jaar ontvangt u een nota over de hoofdlijnen van het toekomstige convenantenbeleid.

XNoot
1

De nota «Sociaal Digitaal» inzake het ICT-beleid ten aanzien van SZW-beleidsterreinen (SOZA-01-1028).

XNoot
1

Zie TK 2001–2002, 22 187 nr. 122; verslag van een schriftelijk overleg over de conceptregeling Procesgang eerste ziektejaar (SZW01-1078).