25 879
Arbeidsomstandighedenwet 1998

nr. 5
VERSLAG

Vastgesteld 16 april 1998

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid1, belast met het voorbereidend onderzoek van het wetsvoorstel, brengt als volgt verslag uit van haar bevindingen. Indien de regering de vragen en opmerkingen tijdig zal hebben beantwoord, acht de commissie de openbare beraadslaging voldoende voorbereid.

1.Algemeen2
   
1.1Inleiding2
1.2Internationaal5
1.3Wet- en regelgeving7
   
2.Hoofdlijnen van het wetsvoorstel7
   
2.1Inhoudelijke algemene principes voor arbeidsomstandighedenbeleid7
2.2Het beleidsproces; systeembepalingen11
2.3Bijzondere aspecten van het arbeidsomstandighedenbeleid15
2.4Deskundige bijstand arbodiensten16
2.5Medezeggenschap18
2.6Certificatie20
2.7Sanctionering, toezicht en handhaving21
2.8Informatie24
   
3.Financiële gevolgen25
   
Artikelsgewijze opmerkingen26

1. Algemeen

1.1 Inleiding

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het wetsvoorstel. Enerzijds zien zij in het voorstel een aantal verbeteringen in vergelijking met de hedendaagse praktijk, aan de andere kant vrezen zij dat het wetsvoorstel de huidige situatie op een aantal essentiële punten verslechtert.

Het stoort de aan het woord zijnde leden dat zowel in de wetstekst als in de memorie van toelichting voorbij wordt gegaan aan de intrinsieke waarde van een goed arbeidsomstandighedenbeleid. Te vaak en te veel wordt bij arbeidsomstandigheden de nadruk gelegd op de instrumentele waarde van ARBO-beleid, in het bijzonder voor wat betreft het terugdringen van ziekteverzuim en preventie van arbeidsongeschiktheid. Daar komt bij dat deze leden zich niet aan de indruk kunnen onttrekken dat bij de ontwikkeling van het ARBO-beleid de regering veelal en derhalve te vaak de werkgeversoptiek onderschrijft. Daar staat tot hun voldoening tegenover dat in het wetsvoorstel een aantal nuttige aanbevelingen van het SER-advies «Heroriëntatie Arbo-beleid en Arbo-wet» is opgevolgd. Ook de introductie van het zogeheten «lik-op-stuk-beleid», waardoor een werkgever kan worden beboet zonder dat de rechter er aan te pas hoeft te komen, heeft hun instemming.

De leden van de PvdA-fractie kunnen niet genoeg benadrukken dat het accentueren van de verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers voor goede arbeidsomstandigheden niet mag betekenen dat de overheid een te afwachtende positie inneemt. Wet- en regelgeving blijven noodzakelijk, waarbij het deze leden niet gaat om het aantal regels (wat telkens weer een hobby in werkgeverskringen lijkt te zijn) maar om de aard en praktische betekenis van deze regels.

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het wetsvoorstel. Zij hebben waardering voor het feit dat de regering rekening heeft willen houden met het SER-advies over de nota «Heroriëntatie arbobeleid en Arbowet».

De doelstelling van de regering om de effectiviteit en de efficiency van het arbeidsomstandighedenbeleid te vergroten wordt door deze leden onderschreven. De huidige Arbeidsomstandighedenwet is aan een grondige vernieuwing toe.

Ook kunnen zij zich vinden in het streven van de regering om de verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers voor het arbeidsomstandigheden- en verzuimbeleid te vergroten en meer ruimte voor maatwerk te creëren. Op de manier waarop dit in het wetsvoorstel wordt vormgegeven, zetten de leden van de CDA-fractie op een aantal onderdelen echter wel vraagtekens.

In het regeerakkoord is uitgesproken te komen tot minder regelgeving en administratieve druk voor vooral het midden- en kleinbedrijf, aldus de leden van de VVD-fractie. In dat kader past een overgang van middelregelgeving naar doelregelgeving in de arbeidsomstandighedenwetgeving. Dit temeer omdat door de privatisering van de ziektewet en de invoering van de PEMBA het belang van de werkgever om te komen tot een goed arbeidsomstandighedenbeleid nog evidenter is. De verplichte aansluiting bij een arbodienst en de verplichting een risico-inventarisatie en -evaluatie (r.i. & e.) op te stellen zijn eveneens een garantie voor een grotere betrokkenheid van een bedrijf bij het arbeidsomstandighedenbeleid. Bovendien heeft de wijziging van de wet op de ondernemingsraden ervoor gezorgd dat de werknemers meer betrokken zijn bij het arbo-beleid. Het voorliggende wetsvoorstel past in de steun die de Kamer heeft gegeven aan de nota «Heroriëntatie arbobeleid en Arbowet». De leden van de fractie van D66 hebben met belangstelling kennis genomen van het wetsvoorstel. Het uitgangspunt, om de effectiviteit en efficiency van het arbeidsomstandighedenbeleid te vergroten, en daartoe de verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers voor het arbo- en verzuimbeleid in ondernemingen te versterken, onderschrijven zij. Het Arbobeleid was tot dusverre onvoldoende effectief. Uit het rapport «Maatwerk in bescherming» blijkt dat de werkgever nog weinig ruimte voelt om aan de verantwoordelijkheid voor de arbeidsomstandigheden inhoud te geven en dat er prikkels ontbreken om van de reeds bestaande mogelijkheden gebruik te maken. Ook blijkt uit dit rapport dat de sterk gedetailleerde regelgeving de werkgevers niet uitnodigt om een preventief beleid te voeren en er nauwelijks financiële voordelen zijn om tot een dergelijk beleid te komen. Er moeten beter kenbare regels komen. De aan het woord zijnde leden zijn van mening dat er met de veranderingen in het stelsel van de sociale zekerheid, waardoor er een grotere financiële verantwoordelijkheid is voor ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid van de werkgever, een stimulans is gekomen tot het voeren van een preventief beleid. Toch toont de praktijk aan dat regelvrijheid in samenhang met financiële prikkels geen overtuigende garantie biedt voor versterkte zelfregulering en investeringen in preventie. De marktwerking mag onder geen beding met zich brengen dat het beschermingsniveau op arbo-gebied wordt aangetast. De verantwoordelijkheid moet niet alleen bij werkgevers en werknemers worden gelegd, ook de overheid moet volgens deze leden zijn verantwoordelijkheid nemen. Kennis op het terrein van arbeidsomstandigheden moet in hoge mate toegankelijk zijn.

De leden van de fractie van D66 onderschrijven de insteek van de regering om, waar de Europese regelgeving dit toelaat, op korte termijn regelgeving te vereenvoudigen, overbodige detaillering te schrappen en administratieve verplichtingen te beperken. Het huidige regelgevingcomplex is zo omvangrijk dat het niet meer mogelijk is om alle regels te handhaven en het leidt tot aanzienlijke administratieve lasten. Toch mag de deregulering en marktwerking geen doel op zich zijn.

De leden van de fractie van D66 vragen de regering in te gaan op de opmerkingen vanuit de werknemersgeleding van de SER. Deze geleding pleit ervoor dat de overheid zich committeert aan concrete verbeteringen die binnen een bepaalde termijn bereikt moeten worden. Dat levert ook een duidelijke taakstelling voor werkgevers en werknemers op. Zulke beleidsdoelstellingen prikkelen tot zelfwerkzaamheid van het bedrijfsleven. Wanneer de zelfwerkzaamheid onvoldoende blijkt, kan vlot worden overgeschakeld naar bijstelling van beleid en kan zo nodig aanvullende wetgeving worden ingevoerd.

De aan het woord zijnde leden constateren dat de regering optimaal gebruik wil maken van de grotere gemotiveerdheid van bedrijven tot arbeidsomstandighedenbeleid, evenals de verbeterde toerusting daarvoor door deskundige ondersteuning en de introductie van de r.i. & e. Daarom stelt de regering voor middelvoorschriften zoveel mogelijk te vervangen door doelvoorschriften. Deze leden zijn van mening dat deze doelvoorschriften zo duidelijk mogelijk het te bereiken beschermingsniveau definiëren. Zij zijn van mening dat de nieuwe arbeidsomstandighedenwet veel verbeteringen met zich brengt. De regering heeft rekening gehouden met SER-advies en met het rapport «maatwerk in bescherming» van de MDW-werkgroep Arbeidsomstandighedenwet.

De regering heeft een aantal actielijnen voor ogen.

In Europees verband zal de regering aandringen op het creëren van betere mogelijkheden voor decentrale uitvoering. De CNV is van mening dat concrete normen in de wetgeving een effectief arbobeleid niet in de weg staan. Het schrappen van wettelijke verplichtingen leidt in de ogen van het CNV niet tot een beter arbobeleid, in het werknemersdeel van het SER-advies wordt daar uitdrukkelijk op ingegaan. De praktijk toont aan dat regelvrijheid in samenhang met de financiële prikkels geen overtuigende garantie biedt voor versterkte zelfregulering en investering in preventie, zoals inmiddels uit onderzoek blijkt. De leden van de D66-fractie zouden graag een reactie hierop krijgen van de regering.

De leden van de fractie van D66 stemmen in met de keuze van de regering om niet met een wijzigingsvoorstel te komen maar met een geheel nieuw wetsvoorstel. Onoverzichtelijkheid en een moeilijke inzichtelijke structuur komt de werking van een wet namelijk niet ten goede, deze leden zijn voorstander van vereenvoudiging zodat de uitvoering en handhaving daarvan zal verbeteren.

Met grote belangstelling hebben de leden van de fractie van GroenLinks kennisgenomen van het voorstel voor een nieuwe Arbeidsomstandigheden. Het wetsvoorstel beoogt basisnormen vast te leggen waarop een deugdelijk arbo-beleid kan worden geënt. Van aanvankelijke plannen tot een vrij verregaande «privatisering» van de arbowet is de regering gelukkig teruggekomen. Niettemin is tot op zekere hoogte in dit voorstel wel sprake van een «terugtredende overheid». De naleving van voorschriften op het gebied van samenwerking en informatieverstrekking en de nakoming van maatwerk-afspraken moet door werknemers zelf (civielrechtelijk) georganiseerd worden. In het algemeen vinden de leden van de fractie van GroenLinks dit een verzwakking van de positie van werknemers. Hiervoor dienen goede argumenten te bestaan, argumenten die deze leden nog niet hebben gehoord.

De leden van de fracties van RPF en GPV hebben met belangstelling kennis genomen van het wetsvoorstel. De nieuwe wet moet de nog betrekkelijk jonge Arbeidsomstandighedenwet vervangen. De regering draagt daarvoor enkele valide argumenten aan. Niettemin dringt zich de vraag op in hoeverre de huidige wet, die gefaseerd en daarom voor een deel zeer recent is ingevoerd, de kans heeft gekregen zich te bewijzen. Werkgevers zullen in samenwerking met werknemers moeten leren werken met een geheel nieuwe wet. Het zou goed zijn als er na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel meer rust komt op het terrein van arboregelgeving en dat de sociale partners zich kunnen concentreren op het vormgeven van hun arbobeleid.

Belangrijk kenmerk van het voorstel is de beoogde versterking van de verantwoordelijkheid voor arbeidsomstandigheden- en verzuimbeleid op bedrijfsniveau. De leden van de fracties van RPF en GPV constateren dat de regering in deze niet kan worden verweten inconsequent te zijn. De strekking van dit wetsvoorstel is in lijn met de in diverse wetten vastgelegde grotere, met name financiële verantwoordelijkheid van werkgevers voor ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid. Het verschuiven van verantwoordelijkheden van de overheid naar de sociale partners heeft, naast voordelen, ook evidente nadelen. Gelet op de negatieve gevolgen die de toename van private verantwoordelijkheden met zich brengt, zoals de toenemende risicoselectie, zijn deze leden van oordeel dat de overheid in belangrijke mate verantwoordelijk moet blijven voor het arbeidsomstandighedenbeleid. Uiteraard verdient het de voorkeur dat werkgevers in samenwerking met de werknemers zelf zoveel mogelijk werk maken van een optimaal arbobeleid, maar zolang daarvan geen sprake is dient de overheid nadrukkelijk sturend aanwezig te zijn. Zij verzoeken de regering in dit verband nader in te gaan op de vraag of in het voorliggende wetsvoorstel voldoende randvoorwaarden worden gecreëerd om de beoogde zelfwerkzaamheid bij de sociale partners op verantwoorde wijze gestalte te geven. Wil de regering daaraan een nadere beschouwing wijden?

Nu de regering ervoor heeft gekozen een geheel nieuwe wet te ontwerpen dringt zich bij de leden van de fracties van RPF en GPV de vraag op of in alle opzichten voldoende is ingespeeld op de actualiteit. Te denken valt hierbij bijvoorbeeld aan de integratie van zorgsystemen. Daarnaast vragen deze leden waarom niet meer aandacht is besteed aan de preventieve taak van de Arbodiensten. Wil de regering hierop nader ingaan? Aansluitend vragen zij of op grond van de nieuwe wet wel voldoende aandacht zal worden besteed aan het verbeteren van de kwaliteit van de arbeidsomstandigheden.

De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het wetsvoorstel. De regering heeft besloten om een nieuwe Arbeidsomstandighedenwet vast te stellen. In hoofdzaak geeft de regering daarvoor drie redenen aan: de verbetering van de kwaliteit van het arbeidsomstandighedenbeleid, het creëren van meer ruimte voor maatwerk en de introductie van de bestuurlijke boete naast de strafrechtelijke handhaving. De aan het woord zijnde leden kunnen de doelstellingen van de regering onderschrijven. Zij vinden het van groot belang dat al het mogelijke in het werk wordt gesteld om de veiligheid van werknemers tijdens het werk te garanderen. Deze leden realiseren zich dat hierbij evenwicht gevonden moet worden tussen de verantwoordelijkheid van de werkgever en die van de werknemer. Bij de invulling van de bepalingen in het wetsvoorstel heeft de regering zich mede laten leiden door het advies van de SER van 21 februari 1997 «Heroriëntatie Arbobeleid en Arbowet». Deze leden waarderen het, dat de regering zich op onderdelen ontvankelijk toonde voor kritiek van de SER en sommige voornemen overeenkomstig het SER-advies heeft willen aanpassen. Als voorbeeld hiervan noemen zij het schrappen van het oorspronkelijke voorstel om regels inzake niet-ernstige risico's niet langer van overheidswege te sanctioneren, maar naar het civielrecht over te dragen. Het betreft hier een essentieel onderdeel van het handhavingsregime van de nieuwe Arbowet, dat na aanpassing aan het advies van de SER ook in de ogen van deze leden aanmerkelijk verbeterd is. De positieve houding die zij tegenover het wetsvoorstel willen innemen, neemt niet weg dat zij op enkele onderdelen vragen om nadere verduidelijking of toelichting.

Ook de leden van de SP-fractie wensen enkele vragen te stellen en opmerkingen te maken.

1.2 Internationaal

De leden van de PvdA-fractie vragen de aandacht voor een merkwaardige paradox in het beleid. Aan de ene kant constateert bijvoorbeeld VNO NCW al in de introductie op haar commentaar dat het wetsvoorstel meer regelt dan de Europese richtlijnen voorschrijven, terwijl Nederland in Europees verband toch vooral niet voorop loopt als het gaat om goede arbeidsomstandigheden en een daarop toegespitst overheidsbeleid. Zij vragen de regering om een reactie.

De leden van de CDA-fractie verzoeken de regering om in te gaan op de vraag op welke punten van het wetsvoorstel de meeste kans is op frictie met de Europese regelgeving. Welke stappen heeft zij ondernomen om tot aanpassing en vereenvoudiging in de Europese regelgeving te komen? Op welke punten verwacht de regering dat de Europese regelgeving met betrekking tot arbeidsomstandigheden zal worden aangepast en welke gevolgen zal dit in grote lijnen voor het onderhavige wetsvoorstel kunnen hebben?

In dit verband vragen de leden van de CDA-fractie bijzondere aandacht voor het toepassingsgebied van de wet, zoals dat in artikel 2 in samenhang met artikel 15, vierde tot en met zevende lid, wordt geregeld. Hoe verhouden deze artikelen zich tot artikel 2 van de richtlijn nr. 89/391 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk? Volgens de Raad van State staat artikel 15 veel ruimere afwijkingsmogelijkheden toe dan europeesrechtelijk is toegestaan en is de Europese richtlijn dan ook niet correct geïmplementeerd.

Kan de regering iets zeggen over de ontwikkeling van de regelgeving over arbeidsomstandigheden in de andere Europese landen? En voldoet het bedrijfsleven in vergelijking tot Nederland daar in meerdere of in mindere mate aan de regels?

De mogelijkheden tot deregulering worden sterk beperkt door de Europese regelgeving, zo merken de leden van de VVD-fractie op. De Nederlandse regering is verplicht de Europese regelgeving te implementeren, ook waar die soms zeer detaillistisch is. Kan de regering aangeven op welke punten het wetsontwerp afwijkt van de Europese regelgeving en kan de regering aangeven waarom zij dit doet?

De leden van de fractie van D66 vragen de regering te reageren op het standpunt van de NVVK dat niet op Europees niveau aandacht gevraagd moet worden voor deregulering, maar dat een een coördinerende rol van de overheid noodzakelijk is. De NVVK acht het zinvoller om op Europees niveau aan te sluiten bij de aandacht voor handhaving, een belangrijk item op Europees niveau in verband met oneerlijke concurrentie als Arbo-regelgeving niet wordt nageleefd.

De leden van de fracties van RPF en GPV hebben begrepen dat de regering ernaar streeft de regelgeving terzake van het arbobeleid op Europees niveau te vereenvoudigen, overbodige detaillering te schrappen en administratieve verplichtingen te beperken. Hoe moet dit worden gezien in het licht van het feit dat Nederland de richtlijnen betreffende het arbobeleid niet beleidsarm heeft geïmplementeerd, bijvoorbeeld in het vigerend Arbobesluit en de Arboregeling? Streeft de regering naar vereenvoudiging teneinde een versterking van enkele elementen uit het voorliggende wetsvoorstel te kunnen realiseren, zoals het werken met doelvoorschriften?

Ervan uitgaande dat er mogelijkheden bestaan om te komen tot vereenvoudiging informeren deze leden in hoeverre een dergelijk streven voortkomt uit de wens oneerlijke concurrentie tegen te gaan. Zijn er lidstaten waar de implementatie van de betreffende richtlijnen te wensen overlaat, waardoor de concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven wordt verzwakt? Als dat zo is, menen deze leden dat het een verkeerd signaal zou zijn als in reactie hierop de teugels op Europees niveau gevierd worden door over de hele linie het niveau van arbeidsbescherming te verlagen. Dit is zonder twijfel in het nadeel van vele duizenden werknemers en dat kan nooit de bedoeling zijn. Zou het derhalve niet voor de hand liggen dat meer aandacht wordt gevraagd voor de handhaving op Europees niveau?

Met het voorliggende wetsvoorstel wil de regering het accent verschuiven van middel- naar doelvoorschriften. Dat beoordelen de leden van de SGP-fractie positief. Echter, in het kader van internationale regelgeving beoordeelt de regering de ruimte die zij heeft voor het hanteren van doelvoorschriften als te beperkt. Bovendien wil zij in Europees verband aandringen op vereenvoudiging en modernisering van bestaande richtlijnen en het brengen van meer samenhang tussen de verschillende beleidsterreinen. Concreet zouden deze leden willen vernemen welke actie de regering in dit opzicht al genomen heeft en voornemens is te nemen. Voorts vernemen zij gaarne of de zienswijze van de regering op Europees niveau aansluit bij de ideeën die leven bij andere lidstaten. Met andere woorden, is er draagvlak voor de gedachten die de regering heeft ten aanzien van de Europeesrechtelijke aspecten van het arbeidsomstandighedenbeleid bij andere EU-landen?

1.3 Wet- en regelgeving

Zoals bekend is uit de arbo-monitoring gebleken dat er in ons land nog veel mis is op het terrein van de arbeidsomstandigheden, zo merken de leden van de PvdA-fractie op. Met name aan de onderkant van de arbeidsmarkt is een cumulatie van tekortkomingen op dit vlak zichtbaar. Ook daar hebben werknemers het meest last van slechte arbeidsomstandigheden en de gevolgen daarvan voor hun gezondheid en welbevinden. In dit verband lijkt het deze leden onverantwoord dat in het vervolg niet meer bij algemene maatregelen van bestuur nadere regels gesteld kunnen worden met betrekking tot bijvoorbeeld werkdruk c.q. -stress, kwaliteit van de arbeid, seksuele intimidatie, agressie en geweld op en rond de werkvloer. Is dit niet des te meer bevreemdend omdat nog maar kort geleden juist op een aantal van deze terreinen bij wet nadere regels gesteld zijn? Of beschikt de regering misschien over informatie waaruit bij voorbeeld blijkt dat van seksuele intimidatie niet of nauwelijks meer sprake is. Aangezien deze leden zich dit niet kunnen voorstellen, blijft de vraag welke de overwegingen zijn om tot een dergelijke verslechtering van de wetgeving over te gaan. Zijn er wellicht aan deze leden nog onbekende evaluaties van de vigerende arbowetgeving die hier aanleiding toe geven? Waren de destijds, bij de invoering van de Arbo-wet 1994, aangekondigde evaluaties niet veel meer bedoeld om te kijken of juist een uitbreiding van de regelgeving niet meer voor de hand zou liggen. In dit verband herinneren zij bij voorbeeld aan de aangehouden motie-Middel c.s. over arbeidsomstandigheden in het thuiswerk. Heeft de regering dit aspect over het hoofd gezien, bijvoorbeeld om dezelfde redenen waarom het ILO- verdrag 177 inzake thuiswerk nog steeds niet is geratificeerd? Graag zien de leden van de PvdA-fractie een nadere beschouwing hieromtrent van de regering tegemoet.

Het zal de regering niet ontgaan zijn dat in onze samenleving de uitzonderingspositie van overheidspersoneel nauwelijks meer op enig draagvlak kan rekenen. Binnen de arbeidsverhoudingen wordt alom gelijkschakeling met andere werknemers nagestreefd, wat inmiddels binnen de medezeggenschap ook al het geval is. De aan het woord zijnde leden vragen zich dan ook af waarom in de voorgestelde wetgeving wordt vastgehouden aan een uitzonderingspositie en daarnaast aan ruime mogelijkheden voor vrijstelling en ontheffing. Is dit juist niet des te meer wrang waar blijkt dat de rijksoverheid op het terrein van de arbeidsomstandigheden als werkgever nou niet bepaald een voorbeeldfunctie vervult? Ter illustratie wijzen deze leden in dit verband op het rapport van de werkgroep uit de Tweede Kamer die de gang van zaken binnen de Cannerberg onderzocht. Dit rapport verscheen ongeveer gelijktijdig met dit wetsvoorstel.

Het wetsvoorstel biedt vrij veel ruimte voor ontheffingen en vrijstellingen, aldus de leden van de fractie van GroenLinks. Is deze ruimte wel in overeenstemming met de Europese kaderrichtlijn (89/319/EG)? Is, los daarvan, de behoefte aan een dergelijk ruim vrijstellingen- en ontheffingenbeleid wel geïndiceerd? Wat is precies de ratio van artikel 15, vierde lid? Op basis van welke nadere regels en overwegingen zal tot ontheffing of vrijstelling kunnen worden overgegaan? Zullen deze regels gepubliceerd worden en zo ja, hoe?

2. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel

2.1 Inhoudelijke algemene principes voor arbeidsomstandighedenbeleid

Arbeid neemt in het leven van veel mensen een centrale plaats in. Veel tijd in een mensenleven wordt besteed aan arbeid. Dat deze arbeid boven alles menswaardig moet zijn is voor de leden van de PvdA-fractie het belangrijkste uitgangspunt. Menswaardigheid gaat boven winstgevendheid. Daarmee geven zij aan wat het eerste doel van het arbeidsomstandighedenbeleid moet zijn, namelijk voorwaarden scheppen voor en bijdragen leveren aan arbeidsklimaat, werkomgeving en sfeer op en rondom de werkplek die mensen plezier in het werk geeft. Tegen deze achtergrond vinden deze leden het dan ook onbegrijpelijk dat in het wetsvoorstel het begrip «welzijn», en daarmee de implementatie van dit begrip in de praktijk, naast de begrippen «veiligheid» en «gezondheid» is weggevallen. Het heeft er alle schijn van dat de regering het welzijnsbegrip te «soft» vindt, waarbij voorbij wordt gegaan aan de impliciete betekenis van dit begrip.

Deze leden vragen de regering te reageren op het welzijnsbegrip zoals dat door de FNV in haar commentaar op het wetsvoorstel wordt gehanteerd.

Verder lijkt de regering een beetje op hol geslagen te zijn in haar al te enthousiaste benadering van de marktwerking binnen het arbo-beleid. Voor de leden van de PvdA-fractie is marktwerking nooit en te nimmer een doel op zich, maar een mogelijk instrument om tot een doelgerichte en doelmatige arbo-regelgeving te komen. In de ogen van deze leden is de marktwerking, en zeker de nadelige gevolgen ervan, al meer dan voldoende aanwezig op het arbo-terrein. Als voorbeeld kan verwezen worden naar de positie en werkwijze van de arbo-diensten, die toch centraal staan in de uitvoeringspraktijk van het arbo-beleid en daarbij, generaliserend gesproken, wel erg vaak hun oren laten hangen naar degenen die hen contracteren, de werkgevers derhalve, terwijl toch de positie van de werknemers in het functioneren van de arbo-diensten centraal behoort te staan.

De aan het woord zijnde leden vragen de regering een beschouwing te geven over de blijkbaar zeer defensieve opvatting van de Nederlandse werkgevers over het arbo- en verzuimbeleid in hun bedrijf. De nadruk ligt vooral op verzuimcontrole en daarmee dus niet op gezonde arbeidsomstandigheden. Driekwart van de bedrijven blijkt volgens een recent «ZARA-werkgeverspanel» geen verplichte risico-inventarisatie uitgevoerd te hebben. Deze en soortgelijke bevindingen uit ander onderzoek pleiten eerder voor een scherpere formulering van het arbo-beleid dan voor een afzwakking zoals die uit het voorliggende wetsvoorstel blijkt.

Vanuit de werknemersorganisaties is bezwaar gemaakt tegen het loslaten van het begrip welzijn in het voorliggende wetsvoorstel. De leden van de CDA-fractie verzoeken de regering hierop in te gaan teneinde de binnen die fractie levende ongerustheid op dit punt weg te nemen.

De leden van de VVD-fractie zijn zich ervan bewust dat deregulering er niet toe mag leiden dat de werkomstandigheden in de bedrijven gevaarlijker worden. Het voorliggende wetsvoorstel biedt hiertoe naar de mening van deze leden voldoende garanties. Wel vragen deze leden zich af waarom de definitie van het begrip «arbeidsomstandigheden» in het wetsvoorstel ontbreekt. De FNV heeft in haar commentaar gewezen op het feit dat de overheid zich mede verantwoordelijk dient te stellen voor inhoudelijke en concrete verbeteringen in de arbeidsomstandigheden. Deelt de regering de kritiek van de FNV? Biedt het wetsvoorstel hiertoe voldoende garanties, zo vraagt deze leden zich af.

Het uitgangspunt van het wetsvoorstel is dat het voeren van een beleid inzake arbeidsomstandigheden de verantwoordelijkheid is van werkgevers in samenwerking met de werknemers, en waar nodig met deskundige ondersteuning. De leden van de fractie van D66 merken op dat uit het NIA'TNO-rapport «Voor en na de privatisering van de Ziektewet» blijkt dat werknemers redelijk op de hoogte zijn van de wetswijzigingen en de door hun werkgever ondernomen activiteiten. Dit zou tot gevolg kunnen hebben dat er veranderingen in de houding en gedrag van de werknemers inzake ziekteverzuim optreden. De vraag is of dit zich ook inderdaad heeft voorgedaan. Deze leden achten het van belang om dit te onderzoeken, op deze manier kan duidelijk worden of de verantwoordelijkheid inzake arbeidsomstandigheden ook door zowel werkgevers als werknemers wordt genomen. De leden van de fractie van D66 zijn het eens met het uitgangspunt van de regering, maar zijn van mening dat er tegelijkertijd meer aandacht moet komen voor de verbetering van de kwaliteit van arbeid.

In artikel 3 lid 1 gaat het om algemene doelvoorschriften bij de invulling van de eigen beleidsruimte die de werkgever in samenwerking met de werknemers heeft, zo merken de leden van de fractie van D66 op. Er gelden geen concrete middelvoorschriften voor onder andere werkstress. Uit de Rapportage 1997 monitoring arbeidsomstandigheden blijkt dat 31% van de werknemers regelmatig met werkstress te maken heeft. Deze leden vinden dit percentage veel te hoog, hieruit blijkt ook dat hier «nog» niet genoeg aandacht voor is. Zij betwijfelen of de aandacht hiervoor toeneemt indien werkstress in zijn algemeenheid onder artikel 3 lid 1 sub c valt, dit deel vereist volgens deze leden bijzondere aandacht.

Uit de memorie van toelichting blijkt dat aan het verdwijnen van het woord «welzijn» geen bijzondere betekenis moet worden gehecht. Zowel de MHP, de CNV als de FNV zijn het niet eens met deze opmerking van de regering. Het begrip «welzijn» heeft voor bovengenoemde organisaties wel degelijk een bijzondere betekenis. De FNV stelt dat dit begrip refereert aan aspecten die verband houden met het geestelijk welbevinden en de sociale ontplooiing van de werknemer, het CNV is van mening dat met het schrappen deze bepaling een verkeerd signaal door de regering wordt afgegeven en de MHP is van mening dat de aspecten van welzijn die nu genoemd worden in ad g van artikel 3 van de huidige wet, en die niet terug zijn te vinden in de nieuwe wet, aanknopingspunten bieden voor de intensivering van het arbobeleid. Ook vragen deze leden een reactie op de toevoeging van een extra onderdeel aan het eerste lid van artikel 3 dat de FNV voorstelt. Deze toevoeging luidt: «zoveel als redelijkerwijs kan worden gevergd, moet de kwaliteit van de arbeid worden bevorderd».

Het wetsvoorstel formuleert de zorgplicht van de werkgever beperkter dan de oude wet, aldus de leden van de fractie van GroenLinks. De huidige wet hanteert nog de begrippen «zo goed mogelijke bescherming van de gezondheid en het bevorderen van het welzijn bij de arbeid». Kennelijk hoeft de werkgever conform het wetsvoorstel niet meer te streven naar optimale arbeidsomstandigheden. Ook het begrip welzijn is uit de tekst verdwenen. Hoe dienen deze wijzigingen opgevat te worden? Betekent het wijzigen van de tekst «zo goed mogelijke bescherming» in «een zo goed mogelijk arbobeleid» inderdaad een versoepeling? Moet deze wijziging gezien worden als het veranderen van een resultaatsverplichting in een inspanningsverplichting? Zo ja, zet dit niet de deur open naar een veel globaler arbobeleid, waar uiteindelijk de veiligheid en gezondheid van werknemers door in gevaar kan komen? Dreigt niet door een zwaarder accent op de procedurele kant van het arbobeleid de aandacht voor de precieze inhoud van dat beleid ondergesneeuwd te raken?

Moeite hebben de leden van de fractie van GroenLinks ook met het schrappen van het begrip «welzijn». Dit begrip ziet op het psychisch welbevinden van de werknemer, op de mogelijkheden om zich autonoom te ontplooien in het werk, op het recht op humane arbeid en op de mogelijkheden tot sociale steun en het onderhouden van sociale betrekkingen. Ook het hebben van invloed op omgevingsfactoren en het voorkomen van «vervreemding» zijn aspecten van welzijn. De regering zegt dat de toepassing van het begrip nooit voldoende van de grond is gekomen. Dit is echter geen reden om het dan maar uit de wet te schrappen. Integendeel: welzijn wordt in de ogen van de aan het woord zijnde leden een hoe langer hoe belangrijker aspect van arbeid. Gebrek aan aandacht voor het welzijn van de werknemer kan resulteren in gevoelens van onvrede en zelfs stress. In die zin kan het veronachtzamen van het welzijn van de werknemer een oorzaak zijn voor ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid. Wil de regering overwegen om in artikel 3, eerste lid, onder a na het woord «gezondheid» toe te voegen, «daaronder begrepen het geestelijk welbevinden», of woorden van gelijke strekking? Kan de regering de stelling onderschrijven dat «welzijn» een ruimer begrip is dan gedekt wordt door een aanpak van werkstress?

Waar het gaat om het begrip werkstress hebben de leden van de GroenLinks-fractie overigens de indruk dat de regering in het voorstel voor een vrij beperkte invalshoek kiest (artikel 3, lid 1 onder c en d). Oorzaken van werkstress zijn niet alleen gelegen in een tekort aan aanpassingen of een te snel afgestelde lopende band. Factoren als de sfeer op het werk, de manier van leidinggeven, de onderlinge verhoudingen en de tijdsdruk zijn minstens even regelmatig oorzaak van stress. Door de keuze van de bewoordingen van artikel 3 heeft het er de schijn van dat de regering deze andere oorzaken onvoldoende onderkent. Zou bij werkgevers (en hun arbodiensten!) ook de indruk kunnen postvatten dat aandacht voor genoemde stresserende factoren niet noodzakelijk is?

De leden van de fracties van RPF en GPV hebben geconstateerd dat de nieuwe Arbowet beknopter is dan de bestaande wet. Enkele opvallende elementen uit de huidige wet zijn vervallen. Zo komt de verplichting een jaarplan en jaarverslag op te stellen te vervallen, is het begrip welzijn verdwenen en wordt het werkoverleg in het kader van de medezeggenschap geschrapt. Hoewel deze leden voorstander zijn van deregulering komt niet elke voorgestelde versobering hen wenselijk voor.

Aan de keuze voor doelvoorschriften ligt een duidelijke filosofie ten grondslag. Voorzover dat op grond van het Europees beleid mogelijk is wordt het gewenste resultaat, het beschermingsniveau, voorgeschreven en niet de weg waarlangs dat moet worden bereikt. De leden van de fracties van RPF en GPV menen dat een dergelijke aanpak tot goede resultaten kan leiden, omdat een arbobeleid dat door werkgevers en werknemers zelf zoveel mogelijk gestalte kan worden gegeven binnen de onderneming op meer draagvlak zal kunnen rekenen dan minitieus voorgeschreven arbobeleid. Toch vragen deze leden zich af of de verantwoordelijkheid van de wetgever ophoudt bij het formuleren van doelvoorschriften. Zij hebben in dit kader met sympathie kennis genomen van het voorstel van de FNV om door kwantitatieve beleidsdoelstellingen tot zelfwerkzaamheid te prikkelen. Wat vindt de regering hiervan?

De leden van deze fracties informeren waarom in de wet de begrippen welzijn, ergonomie en fysieke belasting verdwijnen. Weegt het voordeel hiervan, te weten deregulering, echt op tegen het loslaten van een ander voordeel, te weten gerichtere mogelijkheden om te komen tot een verbetering van de arbeid?

Het begrip welzijn wordt mede weggelaten, omdat het een veel bredere betekenis heeft gekregen en tot verwarring kan leiden. Maar is in het kader van het arbobeleid niet duidelijk wat de intentie is van een dergelijk begrip, waaronder bijvoorbeeld ook het geestelijk welbevinden en de mogelijkheden tot sociale ontplooiiing kunnen worden verstaan? Vindt de regering dat opneming van het begrip welzijn een dode letter dreigt te worden?

In de wet wordt de werkgever, als degene die een ander onder zijn gezag arbeid doet verrichten, aangesproken op zijn verantwoordelijkheden. De leden van de fracties van RPF en GPV vragen waarom niet is gekozen voor een risicobenadering, waardoor naar alle waarschijnlijkheid meer aandacht wordt besteed aan de oorzaak. De Nederlandse vereniging voor veiligheidskunde (NVVK) stelt dat bij een dergelijke benadering beter vorm zou kunnen worden gegeven aan bronbeleid. Klopt het dat door het ontbreken van een integrale benadering grote ondernemingen wellicht minder snel geneigd zijn aandacht te besteden aan preventieve zorg binnen de onderneming, hetgeen o.a. zou blijken uit het feit dat veel veiligheidsdeskundigen de afgelopen jaren buiten de onderneming, in externe arbodiensten zijn geplaatst?

De leden van de SP-fractie zien dat in het wetsvoorstel (art. 3) het begrip welzijn niet meer voorkomt. Van diverse zijden wordt erop gewezen dat dit begrip in de wet thuishoort omdat het te maken heeft met de positie van de werknemer in het bedrijf, zijn autonomie, sociale steun, leermogelijkheden. Deze leden vragen de regering of zij bereid is «welzijn» alsnog in de wet op te nemen.

2.2 Het beleidsproces; systeembepalingen

De werknemersgeleding in de SER pleit ervoor dat de regering zich committeert aan concrete verbeteringen binnen de arbeidsomstandigheden die binnen een bepaalde termijn bereikt zouden moeten worden (bijvoorbeeld 50% reductie van stress-gerelateerde klachten in een periode van vijf jaar). Zulke kwantitatieve beleidsdoelstellingen prikkelen tot zelfwerkzaamheid van het bedrijfsleven. Als die op haar beurt onvoldoende blijkt te zijn, kan worden overgeschakeld naar bijstelling van het beleid, zo nodig via aanvullende wet- en regelgeving. Zo'n samenhangend systeem biedt niet alleen ruimte voor maatwerk, maar is tevens voor alle betrokkenen een stimulans om zich in te spannen voor een goed arbo-beleid. Uitwerking van goede doelen zoals hierboven geformuleerd ontbreekt in het wetsvoorstel, terwijl tevens de randvoorwaarden voor zelfwerkzaamheid niet zijn ingevuld. Ook hieruit blijkt volgens de PvdA-fractie een ongefundeerd optimisme van de regering ten aanzien van de mogelijkheid en met name bereidheid van werkgevers om uit zichzelf iets aan de arbeidsomstandigheden in hun eigen bedrijf te doen.

Het lijkt de leden van de PvdA-fractie voor de hand te liggen dat de jaarplan- en jaarverslagsystematiek gehandhaafd wordt. Hiermee kan ook worden aangegeven welke ontwikkelingen zich in het specifieke arbo-beleid binnen de onderneming voordoen. Op deze wijze wordt inzichtelijk gemaakt hoe de stand van zaken met betrekking tot beroepsziekten is en of binnen het bedrijf wel rekening wordt gehouden met nieuwe risico's, zoals bij voorbeeld RSI («muisarm»). Vanuit een dergelijke systematiek is het eenvoudiger om overzicht te houden op en inzicht te krijgen in de aanwezigheid van beroepsziekten. In het verlengde hiervan lijkt het deze leden beter om ook de verplichting tot het opstellen van een ongevalsrapport te handhaven. Het is hen een raadsel waarom de regering het huidige artikel 9, lid 4 wil laten vervallen.

Mede in het kader van administratieve lastenverlichting vervalt in de nieuwe wet de verplichting tot het opstellen van een arbo-jaarplan en een arbo-jaarverslag. Dit spreekt de leden van de CDA-fractie wel aan. Immers, een en ander wordt begrepen te zijn in de structurele r.i. & e. Kan de regering aangeven of en zo ja in welke mate onder de huidige regelgeving in ruimere mate wordt voldaan aan de verplichting tot r.i.& e. dan aan de verplichting tot arbojaarplan en arbojaarverslag?

Voorts verzoeken deze leden de regering nader in te gaan op het punt van de beroepsziekten tegen de achtergrond van het commentaar vanuit de werknemersorganisaties. Moet de arbodienst hierin niet een expliciete rol hebben?

De regering wil, waar dit mogelijk is, meer vrijheid creëren voor werkgever(s) en werknemers om zelf concreet inhoud te geven aan het arbeidsomstandighedenbeleid. De leden van de VVD-fractie delen de mening van de regering dat regels rond arbeidsomstandigheden binnen bepaalde kaders beter door praktijk mensen kunnen worden uitgewerkt dan achter Haagse burelen. Toch baart het hen dat de vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers op het gebied van de arbeidsomstandigheden zo weinig in staat zijn gezamenlijk oplossingen te vinden. Het poldermodel lijkt hier niet te werken. Hoe denkt de regering dit in de toekomst te verbeteren? Op welke wijze heeft de regering dit bij betrokkenen aangekaart? Vormt het arbo-beleid, een vast gesprekspunt in het jaarlijks overleg met de Stichting van de Arbeid?

De Nederlandse Vereniging van Veiligheidsdeskundigen (NVVK) wijst er in haar commentaar op dat het wetsvoorstel vooral gericht is op «hij die onder gezag arbeid laat verrichten». Het wetsvoorstel is dus geconcentreerd rond het begrip arbeid en niet rond het begrip risico. Deelt de regering deze kritiek van de NVVK? Door het gericht zijn op «arbeid» en niet op «risico's» sluit volgens de NVVK de Arbowet niet aan op de behoefte in de ondernemingen aan een integrale beheersing van, en dus een integrale benadering van risico's. Hierbij wordt verwezen naar de milieuwetgeving. Nu is het deze leden opgevallen dat in de praktijk de voorschriften die uit de milieu- en arbowetgeving voortvloeien strijdig met elkaar kunnen zijn. Hoe voorkomt de regering deze strijdigheid die de onderneming kan dwingen of de ene of de andere wet te overtreden? Vindt in de uitvoeringsfase voldoende afstemming plaats tussen de vergunningverleners van de milieuregelgeving en de controleurs van de Arbowet? Hoe denkt de regering dit in de toekomst te verbeteren?

De leden van de fractie van D66 hechten zeer aan een goede r.i.& e. Met name de kleinere bedrijven kunnen er veel aan hebben wanneer inventarisatiesystemen praktisch beter toepasbaar worden. Al vanaf 1994 is onderkend dat arbodiensten en branche-organisaties zouden moeten investeren in methoden om efficiënte en doelmatige r.i.& e.'s op te stellen, zoveel mogelijk op maat van het bedrijf, er moest een omslag in het denken komen. De bijdragen van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan het ontwikkelen hiervan vinden deze leden dan ook zeer belangrijk.

De leden van de fractie van D66 vragen de regering wat de status is van de adviezen en de uitspraken over bijvoorbeeld interpretatievragen van een Centraal College van Deskundigen.

De verantwoordelijkheidsverdeling die de staatssecretaris in zijn brief van 30 maart 1998 voorstelt: hoofdpunten in de regelgeving, uitwerking door betrokken partijen, is de middenweg tussen twee uitersten. De leden van de fractie van D66 vragen de regering wat er gebeurt als die verantwoordelijkheid niet wordt genomen. Ondanks het feit dat de regering mede op grond van documenten die haar als resultaat van het gevoerde overleg zijn voorgelegd, het vertrouwen heeft dat het systeem in de praktijk goed zal werken, vragen deze leden of hij een «stok achter de deur heeft» indien het onverhoopt niet zou werken.

De leden van de fractie van D66 zijn van mening dat de r.i. & e. de basis vormt voor het arbobeleid in de onderneming, het opstellen van een plan van aanpak is een onderdeel hiervan. De regering ziet geen reden om vast te houden aan het verplichte jaarplan en jaarverslag voor bedrijven met 100 werknemers en meer. Het CNV pleit voor handhaving van de jaarplan- en jaarverslagsystematiek en denkt daarbij zelfs aan uitbreiding van de verplichting tot ondernemingen met 50 of meer werknemers. De jaarplan- en jaarverslagsystematiek biedt concrete aanknopingspunten voor het overleg in de onderneming. Er is dan een vast moment waarop arbobeleid kan worden geëvalueerd en opnieuw geïnventariseerd. In het voorstel van de regering is het niet duidelijk wanneer de evaluatie dient plaats te vinden. Het algemene criterium «wanneer de omstandigheden wijzigen» biedt weinig of geen houvast voor de werknemers. Ook de FNV pleit hiervoor.

Arbodiensten spelen een belangrijke rol bij het nader concretiseren van de maatstaven waaraan een r.i. & e. in verschillende omstandigheden moet voldoen. De verplichte toetsing van de r.i. & e. door de arbodienst blijkt zowel door werkgevers als door arbodiensten vaak te worden beschouwd als op gespannen voet staande met de door de overheid beoogde marktwerking. Het VNO/NCW stelt voor dat een arbodienst vervangen moet kunnen worden met onder andere instemming van de O.R. met de r.i. & e. De leden van de fractie van D66 gaan er van uit dat de regering met deze leden van mening is dat we die weg niet in moeten slaan. De kennis en ervaring die arbodiensten hebben met toetsen van r.i. & e.'s en de certificatie van arbodiensten waarmee de kwaliteit van de dienstverlening door arbodiensten wordt gehandhaafd, achten deze leden van zeer groot belang.

Medio 1997 in de categorie kleinste bedrijven bedroeg het bezit van een r.i. & e. 21%, medio 1996 was dat nog maar 13%. De regering maakt daar uit op dat er veel werk wordt verricht door arbodiensten en kleine bedrijven. De leden van de fractie van D66 willen dit zeker niet ontkennen, maar het feit blijft dat nog steeds het overgrote deel geen r.i. & e. heeft. Kan de regering aangeven waarom de bedrijven die in het bezit zijn van r.i. & e. dit wel hebben gedaan en die welke nog niet in het bezit zijn daarvan, dit nog niet hebben gedaan? Is er duidelijkheid over het soort bedrijven die dit wel of niet hebben?

De aan het woord zijnde leden vragen aandacht voor het feit dat er door dit wetsvoorstel nog geen duidelijkheid is over de volledigheid van de r.i. & e. De mogelijkheid blijft bestaan dat in het kader van de certificering andere eisen worden gesteld dan de Arbeidsinspectie doet. In de memorie van toelichting wordt ook gesteld dat de Arbeidsinspectie niet tot taak heeft om de kwaliteit van de r.i. & e. op zichzelf te toetsen, maar hoe verhoudt zich dit met de stelling dat die taak dan wel in de tweede lijn zou moeten gelden, namelijk in het geval dat de Arbeidsinspectie de werkgever attent maakt op een gebrek in de r.i. & e. ?

De leden van de fractie van D66 zijn, mede naar aanleiding van de reactie van het CNV en de FNV, voorstander van een vast moment van evaluatie en bijstelling. Hetgeen staat in artikel 5 lid 3 is volgens deze leden te weinig concreet en voor verschillende uitleg vatbaar. De uitleg van de regering, dat de omstandigheden van bedrijven te divers zijn voor een vaste periodiciteit, is voor hen juist aanleiding om wel een vast moment te introduceren. Het aanwijzen van een vast moment heeft als voordeel dat er dan aandacht aan wordt besteed en het niet wordt «vergeten» als gevolg van de dagelijkse drukte.

De verplichte jaarlijkse arboplanning en -verslaglegging wordt in het voorstel losgelaten. Daarvoor in de plaats komt een wat vagere norm van het derde lid van artikel 5. De leden van de GroenLinks-fractie menen dat hierdoor onvoldoende is gewaarborgd dat werkgevers alert blijven op het arbobeleid van hun onderneming. Deze leden staan eerder een uitbreiding van de verplichting tot jaarlijkse planning en verslaglegging naar kleinere bedrijven voor. Een dergelijke verplichting biedt medezeggenschapsorganen ook een duidelijker handvat om aandacht te vragen voor bepaalde aspecten van arbobeleid.

Vooral een jaarlijkse evaluatie is volgens deze leden van belang. Immers, door periodiek te bezien wat de ervaringen zijn met het gevoerde beleid, kan het inzicht worden gescherpt en het formuleren van (beter) alternatieven worden aangemoedigd. Een en ander klemt te meer waar het wetsvoorstel ook de koppeling tussen arbobeleid en algemeen ondernemingsbeleid los lijkt te laten. Waarom is daarvoor trouwens gekozen? Leiden deze twee factoren er niet toe dat de aandacht voor arbobeleid (zeker bij de wat kleinere bedrijven) gemakkelijk kan verwateren en minder op preventie zal worden gericht?

Zij verzoeken de regering artikel 5 op dit punt te heroverwegen.

De leden van de fracties van RPF en GPV hebben kennis genomen van het voornemen om de verplichting tot het opstellen van een jaarplan en een jaarverslag te laten vervallen. Zeker vanuit werkgeversoogpunt is hiervoor veel te zeggen, omdat de hiermee gepaard gaande administratieve belasting fors is.

Toch kan moeilijk worden volgehouden dat de risico-inventarisatie en evaluatie het vervallen van het jaarplan en het jaarverslag helemaal ondervangt. Zo wordt niet gekozen voor een vaste periodiciteit. Dit doet de vraag rijzen of dat niet zal leiden tot een zekere passiviteit bij ondernemingen. Hoe groot zal de druk zijn om de r.i. & e. te actualiseren? Daarnaast wordt door het schrappen van het schriftelijk jaarplan en het jaarverslag de medezeggenschapsorganen de mogelijkheid ontnomen minimaal eenmaal per jaar het beleid terzake te toetsen. Op welke wijze wordt de betrokkenheid van de medezeggenschapsorganen op dit onderdeel gewaarborgd?

Het is de leden van de fracties van RPF en GPV niet duidelijk waarom de r.i. & e. bij ondernemingen die voor meer dan 40 uur werkzaamheden voor zich laten verrichten door een gecertificeerde Arbodienst moet worden getoetst. Waarom wordt hierin verder gegaan dan in de Europese regelgeving wordt voorgeschreven? Kan deze toetsing bijvoorbeeld niet worden overgelaten aan de OR? Als desondanks onverhoopt toch zou blijken dat de r.i. & e. niet adequaat is, is dan niet te verwachten dat de Arbeidsinspectie dat opmerkt en zonodig de werkgever verplicht actie te ondernemen?

Kan de regering nog nader ingaan op de inhoud van de r.i. & e. en de eisen die daaraan worden gesteld? Blijkens de memorie van toelichting heeft de Arbeidsinspectie niet tot taak om de kwaliteit op zichzelf te toetsen. Het is deze leden niet duidelijk wat dan moet worden verstaan onder het handhaven van de kwaliteit van de r.i. & e., zij het in tweede lijn. Betreft het slechts een marginale toets?

De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling de toelichting met betrekking tot de risico-inventarisatie en -evaluatie gelezen. Zij zijn van mening dat een r.i. & e. een zeer nuttig instrument is om de veiligheid van de werknemer te helpen waarborgen door het integraal in kaart brengen van de (potentiële) risico's. Belangrijk achten deze leden dat een r.i. & e. blijvend actueel is voor een bepaalde onderneming.

Zo kunnen zij instemmen met de bepaling dat zo dikwijls als een opgedane ervaring dat vergt, de r.i. & e. aangepast dient te worden. Toch leeft bij deze leden de vraag of deze benadering niet te repressief is. Dat opgedane ervaringen worden verwerkt is uiteraard de een goede zaak, zo betogen zij, maar gestreefd dient te worden naar een zo optimaal mogelijke preventieve werking van de r.i. & e. In dat verband is het naar hun oordeel goed dat de r.i. & e. periodiek integraal wordt getoetst, zodat bijvoorbeeld nieuwe inzichten op arbo-gebied er zo spoedig en volledig mogelijk in worden opgenomen. Daarom kunnen zijn niet zonder meer met het standpunt de regering instemmen, dat geen reden aanwezig is om de r.i. & e. geregeld te herzien en bij te stellen. Levert het aanpassen van de r.i. & e. na opgedane ervaringen in de loop van de tijd niet een te onsamenhangend pakket aan arbo-maatregelen op? Erkent de regering het nut van een geregelde integrale beoordeling van de r.i. & e., ook indien opgedane ervaringen daartoe niet direct nopen? Deelt de regering de opvatting dat een herhaalde herziening van de r.i. & e. de preventieve kracht daarvan alleen maar vergroot?

De leden van de SP-fractie hebben vastgesteld dat het jaarverslag wordt vervangen door een plan van aanpak. De FNV noemt het onlogisch en betreurenswaardig dat het jaarverslag verdwijnt omdat een goed middel is in de praktijk voor planning en evaluatie van het arbobeleid binnen de onderneming.

Onderschrijft de regering deze voordelen van het jaarverslag? Vindt de regering dat deze voordelen ook aanwezig zijn als er een plan van aanpak komt, te meer nu dit plan evenals trouwens de r.i. & e. slechts worden aangepast afhankelijk van een wijziging van omstandigheden? Houdt de regering vast aan het plan van aanpak, hoe ziet zij dan het risico dat het plan van aanpak (en de r.i. & e.) niet up to date is?

De aan het woord zijnde leden zijn van mening dat stress op het werk steeds meer voorkomt. Vindt de regering niet dat dit risico ook in de wet en de r.i. & e. moet worden opgenomen?

Deze leden vragen tenslotte een reactie van de regering op de mogelijkheid van ontheffing en vrijstelling van de r.i. & e.-verplichting. Wil de regering reageren op de opvatting van de FNV dat geen ontheffing of vrijstelling mag worden verleend?

2.3 Bijzondere aspecten van arbeidsomstandighedenbeleid

Ten aanzien van specifieke groepen lijkt een intensivering van arbobeleid eerder voor de hand te liggen dan een afzwakking, aldus de leden van de PvdA-fractie. De vele ongevallen waar jeugdige werknemers bij betrokken zijn, de verruiming van de arbeidstijden en de vele tekortkomingen op en rond de arbeidsplek bij vakantiewerk brengen deze leden ertoe de regering te vragen extra aandacht te besteden aan voorlichting en scholing. Deelt de regering de indruk dat het juist hieraan nog al eens ontbreekt? Moet bij de risico-inventarisatie hier ook geen aparte aandacht aan besteed worden?

Overigens lijkt het deze leden in het algemeen niet overbodig om individuele werknemers meer rechten binnen het arbo-beleid te geven. Waarom, zo vraagt zij de regering, mogen werknemers niet zonder toestemming van hun werkgever een arbeidsomstandighedenspreekuur (art. 12, lid 3d)? Waarom mag een individuele werknemer niet op eigen gezag het werk neerleggen, als hem blijkt dat voorschriften worden overtreden die bedoeld zijn om ernstige risico's te voorkomen.

De leden van de fractie van D66 hebben met instemming kennis genomen van het feit dat op grond van artikel 4 de werkgever twee specifieke beleidsopdrachten binnen het algemene arbeidsomstandighedenbeleid krijgt, te weten ziekteverzuimbeleid en beleid met betrekking tot seksuele intimidatie en agressie en geweld.

Deze leden merken op dat met het schrappen van de bepaling van het huidige artikel 4, lid 7 de werkgever niet langer verplicht is over het beleid met betrekking tot het ziekteverzuim vooraf overleg te plegen met de belanghebbende werknemers. Dit wordt niet ondervangen door de gewijzigde Wet op de ondernemingsraden. De FNV heeft hier ook een opmerking over gemaakt.

Het wetsvoorstel kent een breed bereik. Zo vallen ook uitzendkrachten, ingeleende krachten en bijvoorbeeld thuiswerksters onder de reikwijdte van de wet. Dat is terecht. Niettemin menen de leden van de fractie van GroenLinks dat extra aandacht voor de arbeidsomstandigheden van flexibele arbeidskrachten, voorzichtig uitgedrukt, geen kwaad kan. In het verleden leek deze aandacht nog wel eens onvoldoende. Zo krijgen uitzendkrachten niet altijd dezelfde persoonlijke beschermingsmiddelen als vaste krachten. Met grote verontrusting hebben deze leden kennis genomen van de bevindingen van de Arbeidsinspectie over de arbeidsomstandigheden van jeugdige vakantiewerkers. Ook voor de werkomstandigheden van thuiswerksters was vaak onvoldoende aandacht. Kan de regering aangeven welke bepalingen in het wetsvoorstel zien op het vergroten van de aandacht voor de arbeidsomstandigheden van flexibele krachten? Vormt de aantasting van de aandacht voor de bescherming van jeugdige werknemers (het schrappen van de huidige artikelen 7 en 8 Arbowet) niet een extra vergroting van hun tot al betrekkelijk grote risico? Wat is de uitkomst van de arbomonitor naar de arbeidsomstandigheden van thuiswerksters? Heeft de Arbeidsinspectie enigszins de arbeidsomstandigheden van thuiswerksters inderdaad gecontroleerd en is in de praktijk opgetreden tegen opdrachtgevers die de bescherming van thuiswerksters onvoldoende bleken te waarborgen? Geeft de uitkomst van deze «thuiswerkmonitor» aanleiding tot een intensiever arbobeleid voor deze groep werkenden?

Zijn genoemde groepen werknemers «bijzondere categorieën» als bedoeld in artikel 5, eerste lid?

De leden van de fractie van GroenLinks achten het van belang dat individuele werknemers meer mogelijkheden krijgen zich te beschermen. Dit betekent dat zij bijvoorbeeld een arbospreekuur moeten kunnen bezoeken, zonder dat daartoe toestemming van de werkgever nodig is. Deelt de regering die mening?

Voorts is het van belang dat duidelijk wordt dat een werknemer het recht heeft het werk te onderbreken indien sprake is van overtreding van voorschriften die bedoeld zijn om ernstige risico's te voorkomen. Is de regering het met deze leden eens dat een dergelijke bepaling duidelijk in de wet verankerd zou moeten worden?

De leden van de SP-fractie vernemen graag het standpunt van de regering over de suggestie van de FNV om in de wet een aparte passage op te nemen waarin vastgelegd wordt dat binnen de onderneming rekening wordt gehouden met de specifieke positie van jeugdige werknemers.

2.4 (Deskundige bijstand) arbodiensten

In diverse recente overleggen tussen Kamer en regering is het functioneren van de arbo-diensten aan de orde geweest. De leden van de PvdA-fractie hebben daarbij nimmer onder stoelen of banken gestoken dat zij twijfelen aan de beoogde en zelfs voorgeschreven onafhankelijkheid van deze deskundige diensten. Het bevreemdt hen dat de regering dit beeld versterkt door bij voorbeeld af te willen zien van de regel dat arbodiensten mede tot taak hebben het verlenen van bijstand aan het medezeggenschapsorgaan, alsmede de regel dat zij aan het medezeggenschapsorgaan een kopie zenden van hun schriftelijke adviezen aan de werkgever. In het verlengde hiervan vragen deze leden agt zich af of de situatie bij kleinere bedrijven niet nog zorgwekkender is. Juist hier ziet er met de arbeidsomstandigheden verhoudingsgewijs niet best uit, terwijl de medezeggenschapsconstructie hetzij zwak hetzij afwezig is. Op zijn minst is werkoverleg noodzakelijk, hetgeen ook al bij de parlementaire behandeling van de herziening van de Wet op de Ondernemingsraden is geconstateerd. In dit licht is het dan ook onbegrijpelijk dat de regering het thans in artikel 16 neergelegde verplichte werkoverleg in ondernemingen met minder dan tien werknemers wil schrappen. De PvdA-fractie verzoekt de regering hierop terug te komen.

In het wetsvoorstel wordt veel belang gehecht aan de rol van de arbodiensten, aan de verplichting tot het opstellen van een r.i. & e. en aan de ondersteuning door een arbodienst. De leden van de CDA-fractie verzoeken de regering nader in te gaan op het zekerstellen van de onafhankelijkheid van de arbodiensten, die immers voor hun financiering geheel afhankelijk zijn van de werkgevers. Wat is de relatie tussen de verplichting van certificering van een arbodienst en zijn onafhankelijkheid? Bijzondere aandacht vragen deze leden hierbij voor de onafhankelijkheid van de bedrijfsarts van de arbodienst. Kan de regering hierbij de recente studies vanuit de werknemersorganisaties over dit onderwerp betrekken?

In artikel 13 lid 2 is de eis van onafhankelijkheid van de bijstand door arbodiensten duidelijker geformuleerd dan het overeenkomstige artikel in de bestaande wet, aldus de leden van de fractie van D66. Uit de enquête van prof. Willems onder bedrijfs- en verzekeringsartsen blijkt dat op dit moment ruim eenderde van de artsen meent dat er sprake is van verlies van de onafhankelijke positie van de arts. Wat de reden hiervoor ook is, deze leden vinden dit een zorgelijke ontwikkeling die alleen door een duidelijkere formulering van de eis van onafhankelijkheid waarschijnlijk niet zal worden veranderd. Het blijkt dus dat de waarborgen in de wet niet voldoende zijn. De omstandigheid dat arbodiensten voor de werkgevers ook andere taken dan de wettelijke verplichte verrichten zoals het uitoefenen van controle op het ziekteverzuim van werknemers, kan met zich brengen dat het vertrouwen van de werknemer in de arbo-arts wordt geschaad. De arts van de arbo-dienst heeft te maken met «tegengestelde» belangen, de werkgever wil dat de zieke werknemer zo snel mogelijk weer aan het werk gaat en de zieke werknemer zal soms van mening zijn dat hij daar nog niet aan toe is, al dan niet op advies van de huisarts. Dit alles maakt de positie van de arts van de arbodienst een moeilijke. Deze leden vragen een reactie van de regering.

De FNV doet een aantal voorstellen om tegenwicht te bieden tegen de financiële en wettelijke verankerde afhankelijkheid van arbodiensten van de werkgever, te weten:

1) van de zijde van de regering wordt uitdrukkelijk verklaard dat de OR en de pvt instemmingsrecht hebben met betrekking tot het aangaan, het verlengen, het wijzigen en het opzeggen van het contract met de arbodienst en dat dit niet alleen instemmingsrecht impliceert met betrekking tot de inhoud van het contract, maar ook met betrekking tot de keuze van de arbodienst;

2) van de zijde van het ministerie van SZW wordt, zoveel als mogelijk is, gelet op zijn specifieke verantwoordelijkheid, bijgedragen aan de totstandkoming van een Richtlijn Arbodiensten, waarin de onafhankelijkheid van de arbodiensten optimaal, d.w.z. meer dan minimaal uit de wet voortvloeit, wordt gewaarborgd.

Wat betreft de positie van de Arbodiensten vragen de leden van de fracties van RPF en GPV zich af in hoeverre nu echt onafhankelijkheid kan worden gewaarborgd. Deze diensten zijn niet alleen financieel afhankelijk van de werkgever, maar ook worden zij geacht bijstand te verlenen aan de werkgever. Moet niet worden gevreesd dat het risico groot is dat Arbodiensten omwille van het behoud van hun contracten minder kritisch zijn jegens de werkgever dan zij zouden moeten zijn?

De leden van de SP-fractie hebben kennis genomen van het commentaar van de Nederlandse Vereniging voor Veiligheidskunde op het wetsvoorstel. Daarin wordt o.a. gezegd dat doordat de afgelopen jaren veel tot voor kort interne veiligheidskundigen buiten de onderneming zijn geplaatst in externe arbodiensten, binnen die ondernemingen veel minder aandacht is voor het voorkomen, beperken en beheersen van risico's. Onderschrijft de regering deze opvatting?

Deze leden hebben vanzelfsprekend kennis genomen van de recente rapporten en onderzoeken over het functioneren van de arbo-artsen. Een van de belangrijkste punten die daarin naar voren komen is de vrees van de arbo-artsen dat hun onafhankelijkheid in het gedrang komt. Deze leden beschouwen dit als een gevolg van het feit dat de arbodiensten commerciële bedrijven zijn, met een werkgever afspraken maken over het te leveren «produkt», terwijl vervolgens de arbo-arts wordt «gemangeld» tussen de belangen van zowel zijn eigen arbodienst bij het behouden van een opdrachtgever als de opdrachtgever zelf die een laag ziekteverzuim wil. Zij vragen de regering of zij deze opvatting onderschrijft. Zij vragen de regering verder te reageren op het voorstel om over te gaan tot regionale onafhankelijke arbodiensten, niet langer gefinancierd door de werkgever maar vanuit de ziektekostenverzekering.

Daarnaast willen zij de regering vragen welke maatregelen zij wil treffen om tegemoet te komen aan de klachten over het functioneren van de arbodiensten, in het bijzonder de onafhankelijkheid van de arbo-arts. De regering wijst in dit verband op het instemmingsrecht van de OR. Kan de regering bevestigen dat dit instemmingsrecht geldt voor alle medezeggenschapsorganen, dus ook voor de personeelsvertegenwoordiging in de kleine ondernemingen? Geldt dit instemmingsrecht niet alleen de inhoud van het contract met de arbodienst maar ook de keuze van de arbodienst?

2.5 Medezeggenschap

De leden van de PvdA-fractie zijn geïnteresseerd in de opvatting van de regering over de rol van de medezeggenschapsorganen in het arbo-beleid. Immers, uit onderzoek blijkt dat een kwart van de ondernemingsraadplichtige bedrijven geen risico-inventarisatie in huis heeft. Daar komt bij dat in ruim een kwart van de bedrijven die wel een risico-inventarisatie hebben, geen plan van aanpak is opgesteld, waarmee de risico-inventarisatie wat dit punt betreft dus niet aan de eisen voldoet. Dit komt de PvdA-fractie op zijn minst als merkwaardig voor, aangezien ondernemingsraden overlegrecht bezitten en de plicht hebben om toe te zien op naleving van de Arbowet. Daar staat tegenover dat in bedrijven met een ondernemingsraad of peroneelsvertegenwoordiging het arbo-beleid breder van opzet en effectiever lijkt te zijn. Zo blijkt ook in bedrijven met formele medezeggenschap meer aan reïntegratie gedaan te worden en blijkt daarin de positie van werknemers met een handicap sterker te zijn. Is het tegen deze achtergrond niet vreemd dat de Arbo-wet de medezeggenschapsorganen slechts informatierecht verschaft en dat de ondernemingsraden hun instemmingsrecht bij het Arbo-beleid ontlenen aan de onlangs herziene Wet op de Ondernemingsraden? Ook is er nog altijd onduidelijkheid over de toepassing van dit instemmingsrecht. Bedrijven zijn verplicht om een arbodienst in te schakelen bij de vier kerntaken, te weten risico-inventarisatie, begeleiding van zieke werknemers, het vrijwillig periodiek arbeidsgeneeskundig onderzoek en het arbeidsgezondheidskundig spreekuur. Dit is dus wettelijk geregeld en daarmee komt de vraag naar voren welke betekenis het instemmingsrecht van de ondernemingsraad in dit verband heeft. Over wettelijke verplichtingen valt immers niets in te stemmen. De vraag is echter of de ondernemingsraad ook instemmingsrecht heeft over extra taken die de werkgever voorstelt in te voeren. In hoeverre kan een ondernemingsraad een bepaalde door de werkgever uitverkoren arbodienst, die wel aan de formele voorschriften voldoet, tegenhouden ten gunste van een andere die op grond van aanpak en werkwijze de voorkeur van de werknemersvertegenwoordiging heeft. Verder is het voor de leden van de PvdA-fractie nog altijd een vraag hoe de ondernemingsraad kan handelen als de uitgevoerde risico-inventarisatie naar zijn mening beneden de maat is, of als bijvoorbeeld een plan van aanpak ontbreekt. Is de manier waarop de risico-inventarisatie wordt georganiseerd op te vatten als een regeling of niet. In het eerste geval lijkt van instemmingsrecht sprake te zijn en in het tweede geval niet. Kan de regering de onduidelijkheid hierover wegnemen door eenduidig aan te geven hoe volgens haar de vork in de steel zit.

In het verlengde hiervan wijzen deze leden op het commentaar van de CNV waarin wordt ingegaan op het in de huidige Arbo-wet vastgelegde overlegrecht van de ondernemingsraad (of bij het ontbreken daarvan van de belanghebbende werknemers) in artikel 4, lid 7 en artikel 4a, lid 4, dat nu is komen te vervallen en evenmin in de nieuwe Wet op de Ondernemingsraden is geregeld. Het CNV bepleit een herstel van dit overlegrecht, hetgeen de aan het woord zijnde leden niet onlogisch voorkomt. Ook hier zien zij graag een reactie van de regering tegemoet.

De leden van de CDA-fractie vinden het van belang dat het ook in ondernemingen met minder dan 10 werknemers mogelijk gemaakt wordt een personeelsvertegenwoordiging in te stellen, als een meerderheid van de werknemers daarom verzoekt. Zo kunnen ook werknemers van kleine bedrijven met de werkgever overleg voeren over arbeidsomstandigheden en ziekteverzuim.

De medezeggenschap wil de regering zoveel mogelijk onder het regime van de Wet op de Ondernemingsraden brengen. De leden van de VVD-fractie onderschrijven deze zienswijze. Zij vragen zich echter af hoe de medezeggenschap geregeld is in de overheidssector en de onderwijssector die niet onder de WOR vallen. Zijn er nog meer organisaties die niet onder de WOR vallen, zo ja welke en hoe is in die gevallen gegarandeerd dat werknemers voldoende bij het arbo-beleid betrokken zijn?

De leden van de fractie van D66 hebben met waardering kennis genomen van de voorstellen om de regels voor de medezeggenschap zoveel mogelijk onder het regime van de Wet op de ondernemingsraden te brengen en afzonderlijke regels in de Arbowet tot het noodzakelijke te beperken. Dit komt volgens deze leden de duidelijkheid ten goede. Maar deze leden zijn ook van oordeel dat de medezeggenschap van werknemers niet mag worden aangetast door een te dogmatische opvatting over wat met betrekking tot dit thema wel of niet in hetzij de Arbowet hetzij de WOR past. In de huidige Arbowet is voorgeschreven dat de werkgever met de OR voorafgaand overleg voert over het ondernemingsbeleid voor zover dat van aanwijsbare invloed kan zijn op de arbeidsomstandigheden. Een dergelijke algemene plicht is in de WOR niet te vinden. De leden van de D66-fractie zijn van mening dat een dergelijke overlegplicht wel terug moet komen.

Deze leden constateren dat de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de arbeidsomstandigheden tot uitdrukking komt in de medezeggenschap van werknemers omtrent het arbeidsomstandighedenbeleid van de werkgever. Deze medezeggenschap is grotendeels vastgelegd in de WOR. Deze leden hebben met waardering kennis genomen van het feit dat medezeggenschapsaspecten zoveel mogelijk in een regime wordt geregeld en dat de regering daarbij heeft gekozen voor de WOR. Het instemmingsrecht op het gebied van de arbeidsomstandigheden is zodanig expliciet geregeld in de gewijzigde WOR, dat dit een regeling in de Arbowet inzake het voeren van overleg met de OR of de personeelsvertegenwoordiging (pvt) overbodig maakt. Zij gaan er van uit dat het schrappen van deze medezeggenschapsbepalingen in de Arbowet worden ondervangen door nieuwe bepalingen in de WOR. De FNV en het CNV hebben er in hun reactie op het onderhavige wetsvoorstel op gewezen een algemene plicht tot voorafgaand overleg die in de huidige Arbowet is opgenomen niet in de WOR is terug te vinden. Dit wil zeggen dat niet alle beleidsvoornemens van de werkgever met aanwijsbare gevolgen voor de arbeidsomstandigheden onderworpen zijn aan een overlegplicht. De aan het woord zijnde leden vragen een reactie van de regering.

De leden van de fractie van D66 vragen de regering voorts in te gaan op de suggestie van de FNV en de CNV inzake instemmingsrecht voor de pvt in ondernemingen met minder dan 10 werknemers met betrekking tot regelingen op het gehele terrein van de arbeidsomstandigheden en het ziekteverzuim.

De regering erkent het belang van medezeggenschap in verband met het arbobeleid, merken de leden van de fractie van GroenLinks op. Dat is terecht: het arbobeleid vormt een gezamenlijke verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers. Toch valt er op enkele onderdelen in dat verband wel kritiek te leveren. Zo zou het volgens deze leden van groot belang zijn dat het medezeggenschapsorgaan meer te zeggen krijgt over de keuze en werkwijze van de arbodienst. Zij stellen op dit punt een instemmingsrecht voor. Dit wordt onder meer ingegeven door de vele klachten die van werknemerszijde te vernemen zijn over de handelwijze van een aantal arbodiensten en de diepgang en onafhankelijkheid van de arbodienstverlening. Hoe denkt de regering over een instemmingsrecht waar het gaat om het aangaan, verlengen en beëindigen van een contract met een arbodienst? Kennelijk komt de OR in de ogen van de regering instemmingsrecht toe bij de r.i. & e. en het plan van aanpak. Dient dit niet in de tekst van de (arbo)wet verankerd te worden? Hoe denkt de regering verder over een overlegverplichting als het gaat om de periodiciteit van r.i. & e. en plan van aanpak?

Ook zijn deze leden van oordeel dat een bepaling terzake van overleg over het ondernemingsbeleid voor zover dat van aanwijsbare invloed is op de arbeidsomstandigheden, node wordt gemist. Deze overlegverplichting ware opnieuw in de wet op te nemen en niet slechts tot ondernemingsraden te beperken, doch uit te breiden naar personeelsvertegenwoordigingen of de belanghebbende werknemers. Wil de regering een dergelijke aanvulling overwegen? Wil de regering bovendien overwegen om de pvt in kleine ondernemingen instemmingsrecht te geven met betrekking tot regelingen op het gebied van ziekteverzuim en arbeidsomstandigheden en werknemers in kleine bedrijven adviesrecht te geven terzake besluiten die belangrijke consequenties hebben voor de arbeidsomstandigheden?

De leden van de fracties van RPF en GPV hebben de indruk dat de medezeggenschap van werknemers door het voorliggende wetsvoorstel eerder wordt aangetast dan wordt versterkt. Zij gaan ervan uit dat het niet de bedoeling is dat er sprake zal zijn van een dergelijke aantasting. Zou het in dit kader niet de voorkeur verdienen de overlegplicht van de huidige Arbowet, zoals geregeld in artikel 4 lid 7, ook in de nieuwe wet op te nemen?

2.6 Certificatie

Inmiddels is de Kamer geïnformeerd over de wijze waarop het voornemen om de uitvoering van de certificatie over te dragen aan private organen, moet worden gerealiseerd. Met instemming hebben de leden van de D66-fractie kennis genomen van het feit dat de overdracht van de certificering door het ministerie van SZW niet betekent dat de overheid geen bemoeienis meer heeft met de kwaliteit van arbodiensten en het toezicht daarop. Deze leden vragen de regering welke, reeds bestaande, certificatie-instellingen zij in gedachten heeft om de certificeringsregeling uit te voeren. Deze leden vragen de regering op welke wijze de Raad voor Accreditatie toezicht houdt op de wijze waarop de certificatie-instelling haar werkzaamheden uitvoert.

Zij hechten zeer aan de toezichthoudende taak van de Arbeidsinspectie en onderschrijven, evenals de regering, de opvatting van de SER dat certificatie niet in de plaats treedt van het optreden van de Arbeidsinspectie.

Certificerende instellingen die door de minister worden aangewezen zijn een zelfstandig bestuursorgaan voorzover het de uitvoering van de publieke taak betreft. Er gaan geen collectieve middelen in om en zij werken onder marktomstandigheden. In verband hiermee zijn regels gesteld met betrekking tot een periodiek verslag van de publieke taakuitoefening, een informatieplicht en een taakverwaarlozingsregeling. Deze leden willen nog eens benadrukken dat de wetgever de certificeringseisen maakt.

De leden van de D66-fractie vragen een reactie van de regering op de wens van de SER dat er sprake is van een echt onafhankelijk College van Deskundigen, dat losstaat van de Certificerende instellingen.

Deze leden vragen de regering voorts in hoeverre het certificeringsproces van arbodiensten duidelijkheid moet verschaffen in de concretiserings van de kwaliteitsregels van de r.i. & e.

Op welke wijze vindt dan afstemming met de Arbeidsinspectie plaats?

2.7 Sanctionering, toezicht en handhaving

Het lijkt de leden van de PvdA-fractie redelijk dat waar bestuurlijke boetes worden opgelegd, van te voren de normen voor deze boetes vaststaan. Als een werkgever een boete opgelegd krijgt, behoort hij te weten waarom dit het geval is, zoals hij ook vooraf dient te weten of hij in bepaalde gevallen kans loopt een boete te krijgen. Dit verhoogt de preventieve werking van het beleid in de praktijk. In het commentaar van de werkgeversorganisatie VNO NCW op het wetsvoorstel wordt hier expliciet op in gegaan. Deze leden willen hier graag een reactie van de regering op.

Overigens wordt evenmin duidelijk waar de maxima van de boeten op gebaseerd zijn. Waarom gaat de regering niet van hogere bedragen uit? Het komt deze leden voor dat 25 000 gulden voor een ernstig feit met risico van gezondheidsschade op termijn, in zekere zin een lachertje is. Juist nu steeds meer bekend wordt over beroepsziekten en hun op termijn verschrikkelijke gevolgen (denk aan asbest-gerelateerde ziekten en Organo Psycho Syndroom), lijkt het in de rede te liggen de hoogte van de boeten daarop aan te sluiten. Waarom heeft de regering dit niet overwogen?

De leden van de CDA-fractie kunnen instemmen met de invoering van het instrument van de bestuurlijke boete. Zij zijn met de regering van mening dat er geen situatie mag ontstaan waarin de werkgever om economische redenen het betalen van een boete prefereert boven aanpassing van de arbeidsomstandigheden. Is de regering van oordeel dat deze situatie zich ook niet voor zal doen, nu overeenkomstig het advies van de Raad van State het maximum bedrag van de boete in het wetsvoorstel is verlaagd van 50 000 naar 25 000 gulden?

Een bestuurlijke boete geldt als straf in de zin van art. 6 EVRM. Betekent dit nu dat een ondernemer, bij wie tijdens een controle een overtreding wordt geconstateerd, een beroep kan doen op zijn zwijgrecht?

De regering is voornemens om een jaar na invoering van de wet de werking van de bestuurlijke boete te evalueren. De leden van de CDA-fractie verzoeken dan niet alleen de budgettaire aspecten te evalueren, maar daar meerdere aspecten bij te betrekken, zoals frequentie en hoogte van de boetes, verdeling over de sectoren, effecten en voorbeeldwerking van de boetes, etc. Is de regering nog steeds van mening dat bezwaar en beroep geen opschortende werking hebben in het kader van de bestuurlijke boete, in tegenstelling tot de opvatting van de Raad van State?

De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat de overheid terughoudend dient te zijn in regelgeving, doch dat de regelgeving die is vastgesteld wel moet worden nagekomen. Zitten er in het huidige wetsvoorstel voorstellen waarvan te verwachten is dat de handhaafbaarheid gering is ? Zo ja welke? Heeft de regering op dit wetsontwerp een handhaafbaarheids toets toegepast? Zo ja wat was het resultaat van deze handhaafbaarheidstoets.

De regering noemt als één van de mogelijkheden tot handhaving het systeem van bestuurlijke boeten. De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat dit instrument effectief kan werken. Zij vragen zich af of de normen waarop de bestuurlijke boeten zijn gebaseerd, voldoende helder zijn. De Raad van State heeft hier op gewezen. Verder vragen zij zich af of in de verschillende regio's voor vergelijkbare gevallen regels worden gehanteerd. Hoe denkt de regering uniformiteit in het beleid te garanderen?

De leden van de fractie van D66 merken op dat uit de memorie van toelichting kan worden opgemaakt dat de regering de meeste nadruk legt op het bestrijden van overtredingen. Deze leden zijn van mening dat de aanpak van achterliggende oorzaken ook veel aandacht verdient, dit blijkt evenwel niet uit de memorie van toelichting.

Deze leden willen benadrukken dat uniformiteit in de handhaving, zowel door het ministerie, de Arbeidsinspectie, alsmede door het stellen van criteria aan arbodiensten via de certificeringsinstelling, van belang is.

De aan het woord zijnde leden delen het onderscheid dat door de regering wordt aangebracht tussen de strafrechtelijke en de bestuursrechtelijke aanpak. Zij merken op dat met betrekking tot het derde criterium van de Toetsingscommissie het globale karakter van sommige regels die onder de Arbowet vallen introductie van de bestuurlijke boete niet in de weg staat. De SER heeft in haar eerder genoemde advies te kennen gegeven dat zij het gewenst acht dat de wetgever zich nadrukkelijk de vraag stelt welke bepalingen zich lenen voor lik-op-stukbeleid. De aan het woord zijnde leden kunnen uit de memorie van toelichting niet opmaken of de regering dit heeft gedaan en vragen een reactie hierop. Ook vragen zij de regering in te gaan op de vrees van de NVVK dat de bestuurlijke boete minder dan het beoogde effect zal sorteren aangezien er bij het toepassen van deze sanctie sprake moet zijn van een duidelijke motivering. Dit kan op gespannen voet komen te staan met het gegeven dat er meer en meer wordt overgegaan tot het geven van doelvoorschriften plaats van middelvoorschriften.

De leden van de D66-fractie vragen de regering of het systeem van bestuurlijke boetes, met betrekking tot arbeidsomstandigheden, ook in andere lidstaten bestaat.

De FNV heeft in haar reactie op het onderhavige wetsvoorstel de suggestie gedaan om naast de bestuurlijke boete de figuur van de bestuurlijke dwangsom te introduceren. Hoe reageert de regering op deze suggestie?

De aan het woord zijnde leden vragen de regering of het overzicht van ernstige overtredingen limitatief is. Deze leden kunnen zich voorstellen dat er omstandigheden kunnen voordoen waardoor deze lijst moet worden aangevuld.

Deze leden constateren dat het verzoek om wetstoepassing niet in de Arbeidsomstandighedenwet 1998 wordt opgenomen. In de memorie van toelichting staat dat deze mogelijkheid voor een deel overbodig is omdat te allen tijde een klacht kan worden ingediend bij de Arbeidsinspectie, die deze altijd onderzoekt. Deze leden vragen de regering welk deel van deze mogelijkheid niet overbodig is.

De leden van de D66-fractie vragen de regering voorts in te gaan op de stelling van de NVVK dat er thans sprake is van een wet die slecht wordt nageleefd; als daar via de juridische weg wordt opgetreden dan kost dat tijd. De inschatting van de regering dat de introductie van de bestuurlijke boete niet tot meer werk zal leiden kan dan ook slechts zo geïnterpreteerd worden dat de overheid niet bereid is tot meer handhaving.

De voorstellen van de regering leiden ertoe dat handhaving zich meer kan concentreren op die bedrijven waar de regels niet worden nageleefd en zich primair moet richten op de «spelregels» en de ernstige risico's. Met zoveel woorden zegt de regering dat ten aanzien van bedrijven waarin de regels worden nageleefd, het toezicht minder intensief kan zijn. De leden van de fractie van D66 begrijpen deze inzet maar denken dat dit ook gevaarlijk kan zijn. Deze manier van werken kan een bepaalde bedrijven een vrijbrief geven om, na een keer gecontroleerd te zijn, het minder nauw te nemen met de regels. De leden van de fractie van D66 constateren dat de regering met de voorstellen een verhoging van de effectiviteit van het toezicht op de naleving door de Arbeidsinspectie zal gerealiseren en de handhaafbaarheid wordt verbeterd. Deze leden vragen of dit zal worden geëvalueerd.

De leden van de GroenLinks-fractie hebben met instemming geconstateerd dat de regering eerdere voornemens met betrekking tot een verregaande «privatisering» van de handhaving van arboregels heeft laten varen.

Verder stemmen de leden van deze fractie in met de invoering van een bestuurlijke boete. Deze sanctiemogelijkheid zal, zo is hun indruk, de handhaving kunnen verbeteren. Onder de huidige wet worden verhoudingsgewijs weinig sancties toegepast. Uit de studie «Handhaven op niveau» blijkt dat er in 1996 in 662 gevallen een boete werd opgelegd. Tevens blijkt uit deze studie dat de inzet van de Arbeidsinspectie per regio verschilt. Wat vindt de regering van deze gegevens? Is het de bedoeling van de regering dat er een betere en per regio gelijkere verhouding komt tussen het aantal geconstateerde overtredingen en het aantal sancties?

De maximale boete wordt gesteld op f 25 000,-. Tegelijkertijd stelt de regering dat het niet de bedoeling mag zijn dat een werkgever goedkoper af is door de boete te betalen, omdat naleving van arbonormen duurder zou zijn. Is in dat verband het maximum hoog genoeg gesteld? Is het niet denkbaar dat naleving van de arbonormen dusdanig duur kan zijn, dat het riskeren van een boete uit bedrijfseconomisch oogpunt voor en werkgever aantrekkelijker is? Medezeggenschapsorganen en vakbeweging verliezen de mogelijkheid van een verzoek om wetstoepassing. Heeft de regering overwogen dat van deze bepaling thans wellicht een goede (preventieve) werking uitgaat, die straks wellicht gemist wordt?

De introductie van een systeem van bestuurlijke boetes is naar het oordeel van de leden van de fracties van RPF en GPV goed onderbouwd. Dit systeem, waarbij handhaving en sanctionering in één hand liggen, kan bijdragen tot een geloofwaardig arbobeleid. Deze leden vragen met VNO-NCW of niet duidelijker kan worden aangegeven waarvoor werkgevers beboet kunnen worden. Kan daarnaast worden ingegaan op de vraag in hoeverre Inspectiediensten of inspecteurs een verschillend handhavings- en sanctioneringbeleid kunnen gaan voeren? Naar hun mening verdient uniformiteit hier de voorkeur.

De termijn, waarbinnen na de dag waarop een beboetbaar feit is geconstateerd, een bestuurlijke boete kan worden opgelegd is twee jaar. Waarom is voor deze termijn gekozen? Is bij een dergelijke keuze nog wel sprake van een lik-op-stuk-beleid?

De regering motiveert de voorgestelde maatregelen vanuit de gedachte, dat de effectiviteit van het arbeidsomstandighedenbeleid vergroot kan worden door verdere versterking van de verantwoordelijkheid voor arbo- en verzuimbeleid op bedrijfsniveau. De leden van de SGP-fractie kunnen deze gedachtegang volgen. Zo vinden zij het juist dat verantwoordelijkheden worden gelegd waar zij in eerste instantie thuishoren. Dit neemt niet weg dat er in hun ogen ook een andere kant aan de medaille is. Versterking van de verantwoordelijkheid van de werkgever dient in hun ogen gepaard te gaan met een effectievere controle op de naleving van de wettelijke bepalingen van de zijde van de overheid. Wat dat betreft achten zij het wetsvoorstel evenwichtig opgebouwd. Het toezichts- en handhavingsinstrumentarium wordt naar hun wijze van zien dusdanig aangepast, dat vooral de snelheid waarmee overtredingen van de Arbowet kunnen worden vastgesteld en gesanctioneerd toeneemt. Zij achten dit aspect van groot belang voor een adequate handhaving. Met betrekking tot het opleggen van de bestuurlijke boete hebben de aan het woord zijnde leden echter begrepen dat er twee personen in het geding zijn: de inspecteur die de overtreding vaststelt en de ambtenaar die de boete oplegt. De regering motiveert deze constructie door te wijzen op het belang van een uniforme afdoening van overtredingen op landelijk niveau. Hoewel de aan het woord zijnde leden inzien, dat het van groot belang is om de voor gelijke omstandigheden een gelijke boete te bedingen, vragen zij toch of dat door middel van de gekozen constructie kan worden bereikt. Immers, de boete-oplegger heeft geen weet van de feitelijke situatie dan door middel van het rapport van de inspecteur. Is deze persoon voldoende geïnformeerd om «op afstand» te kunnen beoordelen of bepaalde overtredingen van de Arbowet een al dan niet gelijke sanctionering behoeven? Wordt bovendien aan het gewenste «lik-op-stuk»-beleid door de boete-afdoening via een derde (de boete-oplegger) te laten verlopen toch niet onnodig afbreuk gedaan?

Uitgangspunt van het wetsvoorstel is dat arbobeleid de verantwoordelijkheid van werkgever en werknemer is, zo constateren de leden van de fractie van de SP. Een deel van de arbovoorschriften moet volgens het wetsvoorstel worden afgesproken in de verhouding werkgever en werknemer. De handhaving ervan moet vervolgens ook geschieden tussen deze beide partijen, zonodig via een civiele procedure. Zien deze leden het goed dat dit vooral de «lichtere» normen betreft en dat de handhaving van de andere normen op het terrein ligt van de Arbeidsinspectie en aanverwante instanties?

De leden van de SP-fractie hebben bij de handhaving van de normen via de civielrechtelijke weg bedenkingen. De SER heeft dat ook tot uitdrukking gebracht. Wordt op die manier de arbeidsverhopuding niet te zwaar onder druk gezet? Kan van een werknemer verwacht worden, afgezien van de kosten, om tegen zijn eigen werkgever te gaan procederen? Anders gezegd, hoe effectief is deze manier van handhaving?

Het wetsvoorstel gaat voor de andere normen uit van de handhaving door de Arbeidsinspectie en aanverwante instellingen. Zijn beide soorten normen naar de mening van de regering voldoende duidelijk afgebakend? Kan de regering verder verduidelijken waarom uit het wetsvoorstel is verdwenen het thans nog bestaande verzoek aan de Arbeidsinspectie om van haar bevoegdheden gebruik te maken?

Een nieuw instrument wordt de bestuurlijke boete. Acht de regering de bestuurlijke boete hoog genoeg om te kunnen spreken van een serieuze prikkel om te zorgen voor een goed arbobeleid? Of bestaat het risico dat de bestuurlijke boete beschouwd gaat worden als een soort afkoop van foutief gedrag? De leden van de SP-fractie vernemen graag een reactie van de regering op dit punt.

2.8 Informatie

Volgens de leden van de PvdA-fractie ligt het in de rede Arbo-diensten te verplichten om (vermoede) beroepsziekten te melden aan de Arbeidsinspectie en het onlangs ingestelde Centrum voor Beroepsziekten. Het vervallen van deze verplichting is voor de aan het woord zijnde leden dan ook vele bruggen te ver.

Zou de regering uiteen kunnen zetten hoe het komt dat de laatste jaren de werkgevers de wettelijke meldingsplicht ten aanzien van arbeidsongevallen en beroepsziekten in geringe mate hebben nageleefd, zo vragen de leden van de VVD-fractie.

De leden van de fractie van D66 zijn voorstander van het verplicht melden van beroepsziekten door arbodiensten. Tijdens het algemeen overleg van 1 april jl. over arbeidsomstandigheden hebben zij dit ook al aan de orde gesteld. De staatssecretaris van SZW stond daar niet heel afwijzend tegenover. Deze leden vragen de regering welke initiatieven zij al heeft ondernomen om de mogelijkheid tot verplichting van de melding van beroepsziekten te onderzoeken.

De leden van de fractie van GroenLinks betreuren het dat het wetsvoorstel de verplichting schrapt tot het melden van (vermoedelijke) beroepsziekten. Hiermee brengt de regering een goede informatiebron over de ontwikkeling op dat gebied in gevaar. Weegt dit in haar ogen op tegen de (vrij geringe) administratieve belasting die gepaard gaat met handhaving van dit voorschrift?

Iets soortgelijks geldt voor het ongevalsrapport. Een ongeval waarbij grote materiële schade plaatsvindt, maar (gelukkig) geen letsel, kan toch van belang zijn voor een toetsing van het arbobeleid. Rapportage over dergelijke ongevallen kan inzicht bieden in de manco's in het gevoerde beleid en in eventueel niet voorziene risico's. Geldt hier niet dat de wil om de administratieve verplichtingen te beperken op een te kortzichtige manier de overhand heeft gekregen?

De leden van de fracties van RPF en GPV onderschrijven de opvatting dat de overheid verantwoordelijk is voor de arbomonitoring. Als blijkt dat daartoe aanleiding bestaat dient de overheid op basis van representatieve informatiemaatregelen te treffen.

Deze leden vragen in dit kader speciale aandacht voor de mogelijkheid kwantitatieve doelstellingen te formuleren. Zij verwijzen daarbij naar de motie Van Middelkoop/Marijnissen terzake, waarin om een kwantitatieve benadering wordt gevraagd. Wil de regering aangeven wat de stand van zaken is bij het maken van afspraken met branches en de Arbeidsinspectie terzake?

De leden van de SP-fractie hebben vastgesteld dat de registratie van beroepsziekten uit het wetsvoorstel is gehaald. Zij zijn het daar niet mee eens. Juist met het oog op het voeren van beleid ten aanzien van beroepsziekten, in het algemeen vanuit preventief oogpunt is de registratie van beroepsziekten van groot belang. Zij vragen de regering te reageren op de suggestie van de FNV om de arbodiensten te verplichten beroepsziekten te registreren en te melden bij het Centrum voor Beroepsziekten. Deze leden zijn er voorstander van de registratieplicht in deze vorm in de wet wordt vastgelegd.

3. Financiële gevolgen

Bij de parlementaire behandeling van de Arbowet 1994 bleek dat de regering de kosten voor de werkgevers te laag inschatte, aldus de leden van de PvdA-fractie. Heeft de regering daaruit de les geleerd in het vervolg zorgvuldiger te zijn en zo ja, waaruit blijkt dat dan?

Van de zijde van het bedrijfsleven is ingebracht dat de kosten voor de bedrijven onvoldoende in beeld zijn gebracht, aldus de leden van de VVD-fractie. Zo zou volgens VNO NCW onvoldoende aandacht zijn besteed aan de kosten van het uitvoeren van de risico-inventarisatie en -evaluatie, de uitvoering van de activiteiten door de Raad van Accreditatie alsmede de activiteiten van certificerende instellingen voor zover deze activiteiten voortvloeien uit voorschriften van de wet. Deelt de regering deze kritiek? Zo nee, zou ze de verschillende kostenposten dan verder kunnen toelichten, zodat deze kritiek van het bedrijfsleven wordt ontzenuwd, zo vragen deze leden.

Het VNO-NCW kan zich niet aan de indruk onttrekken dat met betrekking tot de tweedelijnsinfrastructuur en met betrekking tot de normalisatie en certificatie gepoogd wordt, een belangrijk deel van de kosten af gewenteld worden op het bedrijfsleven, zo merken ook de leden van de fractie van D66 op. VNO NCW wijst erop dat vergroting van de eigen verantwoordelijkheid niet als vanzelf ertoe zal leiden dat alle kosten die voorheen door de overheid werden betaald, voortaan door werkgevers en werknemers worden betaald. De leden van de D66-fractie vragen de regering hierop te reageren.

De leden van de fracties van RPF en GPV vragen zich af of bepaalde kostenposten voor het bedrijfsleven niet ten onrechte buiten beeld worden gelaten in de toelichting. Zijn alle relevante kosten die moeten worden gemaakt wel in beeld gebracht?

Deze leden informeren hoe het mogelijk is dat arbodiensten kosteloos informatie aan de overheid kunnen verstrekken. Door wie wordt dit dan betaald?

ARTIKELSGEWIJZE OPMERKINGEN

Artikel 1

Zou in dit artikel ook geen definitie opgenomen moeten worden wat onder arbeidsomstandigheden wordt verstaan, zo vragen de leden van de VVD-fractie zich af. Zou ook het begrip risico niet gedefinieerd moeten worden?

Deelt de regering de kritiek van het VNO-NCW dat het voorliggende wetsvoorstel onvoldoende rekening houdt met de consequentie van de toenemende flexibilisering van de arbeidsrelaties voor de definities in het voorliggende wetsvoorstel?

Artikel 3

De leden van de fractie van D66 vragen de regering of het juist is dat met het algemener formuleren van de principes voor arbeidsomstandigheden niet beoogd wordt elementen van het huidige artikel 3 te schrappen, maar juist aan te geven dat die algemene principes tenminste die in het huidige artikel 3 expliciet genoemde elementen inhouden.

Artikel 4

Zoals de leden van de fractie van D66 in het algemeen deel hebben opgemerkt, hebben zij geconstateerd dat met het schrappen van artikel 4, lid 7 de werkgever niet langer verplicht is over het beleid met betrekking tot het ziekteverzuim vooraf overleg te plegen met de belanghebbende werknemers. Dit wordt niet opgevangen door de Wet op de Ondernemingsraden. Deze leden ontvangen graag een reactie van de regering.

Artikel 5

De tweede volzin van het eerste lid achten de leden van de fracties van CDA en D66 onduidelijk. Wat is het verschil tussen de daar genoemde «gevaren» en de «risico's» in de eerste zin? Gaat het bij de «risico-beperkende maatregelen» om reeds genomen maatregelen?

Artikelen 6 en 7

De leden van de VVD-fractie vragen zich af in hoeverre de in de memorie van toelichting vermelde tekst over de handhaving van de arbeidsveiligheidsrapportage aansluit op de reactie van de regering de motie-Klein Molekamp cs. In deze reactie zegt de regering de verplichte arbeidsveiligheidsrapportage af te schaffen en te vervangen door andere modaliteiten. Welke zijn de overwegingen van de regering geweest op haar eerder ingenomen standpunt terug te komen?

In hoeverre kan het uitlekken van bedrijfsgeheimen een overweging zijn tot het niet openbaar maken van bepaalde gegevens? Wat gebeurt er als een bedrijf hierdoor onevenredig schade lijdt, zo vragen de leden van de VVD-fractie zich af.

Artikel 8

De leden van de fractie van D66 vragen de regering in te gaan op het voorstel van de FNV om een nieuw lid 5 aan dit artikel toe te voegen, luidende: «Indien binnen de onderneming jeugdige werknemers werkzaam zijn, houdt de werkgever bij de uitvoering van de in de voorgaande leden genoemde verplichtingen in het bijzonder rekening met de aan de jeugdige leeftijd inherente beperkte werkervaring om onvoltooide lichamelijke en geestelijke ontwikkeling van deze werknemers; tevens bevordert de werkgever zoveel als redelijkerwijs kan worden gevergd het leer- en vormingsproces van die jeugdige werknemers».

Artikel 10

Dit artikel regelt het gevaar voor derden hetgeen geregeld wordt in de milieuwetgeving door de verplichte opstelling van een extra veiligheidsrapport. De leden van de VVD-fractie vragen zich dan ook af of dit artikel geen doublure wordt met de bestaande milieuwetgeving en of dit artikel in de arbo-wetgeving thuishoort.

Artikel 13

De leden van de fractie van D66 pleiten voor handhaving van de regel dat arbodiensten mede tot taak hebben het verlenen van bijstand aan het medezeggenschapsorgaan, alsmede de regel dat zij aan het medezeggenschapsorgaan een kopie zenden van hun schriftelijke adviezen aan de werkgever.

Artikel 15

Ingevolge het nieuwe artikel 15 is het mogelijk om bij of krachtens amvb nadere regels te stellen met betrekking tot arbeidsomstandigheden. In het tweede lid, onder a, is een opsomming gegeven van de onderwerpen waar die regels betrekking op hebben. Deze opsomming is afgeleid van de in het Arbobesluit opgenomen hoofdstukindeling en geeft, naar het oordeel van de regering, een volledig beeld van al die onderwerpen die in het kader van arbeidsomstandigheden voor nadere regelgeving aan de orde zijn.

In het tweede lid, onder b, is bepaald dat bedoelde bij of krachtens amvb te stellen nadere regels mede kunnen strekken ter uitvoering van een aantal expliciet genoemde artikelen van de nieuwe wet. De in het tweede lid gegeven opsomming vervangt de extreem lange opsomming van onderwerpen die in artikel 24 van de huidige wet is opgenomen en dit geschiedt volgens de regering «zonder de scoop van de delegatiemogelijkheden aan te tasten».

De leden van de CDA-fractie zijn met de FNV van oordeel, dat deze laatste stelling onjuist is. Op grond van het voorgestelde artikel 15 kunnen bij of krachtens amvb geen nadere regels worden gesteld met betrekking tot onderwerpen zoals werkstress, kwaliteit van de arbeid, uitzicht, ziekteverzuim, seksuele intimidatie, agressie en geweld. Dit betekent een aanzienlijke verslechtering ten opzichte van artikel 24 van de huidige wet. De leden van de CDA-fractie ondersteunen dan ook het voorstel van de FNV om in het tweede lid van het nieuwe artikel 15, onder b, niet alleen te verwijzen naar de artikelen 5, 8, 13, 14 en 17 van de nieuwe wet, maar ook naar de artikelen 3 en 4.

Welke zijn de overwegingen om onderwijsinstellingen uit te zonderen van de arbo-wet? De gehanteerde redenering verbaast de leden van de VVD-fractie. De arbeidsomstandigheden zijn immers op de leerkracht van toepassing, niet op de leerling.

Het VNO NCW meent hier een strijdigheid te constateren tussen de arbo-wet en het bouwbesluit. Deze leden vragen de regering of er inderdaad sprake is van strijdigheid, en zo ja, of beide regelingen dan niet beter op elkaar afgestemd dienen te worden. Kan de regering aangeven hoe dit onderdeel Europees is geregeld?

De leden van de D66-fractie vragen de regering te reageren op de suggestie van de FNV om in het tweede lid van artikel 15 sub b tevens te verwijzen naar artikel 4. Dit klemt temeer nu de bepaling van het huidige artikel 4 lid 9 niet terugkomt in het nieuwe artikel 4. Een aantal elementen in artikel 4 is relatief nieuw; het is niet wenselijk dat, op het moment dat aanleiding bestaat tot nadere concretisering, daarvoor eerst een wetswijziging noodzakelijk is.

In dit artikel wordt op grond van de leden 4 tot met 7 de mogelijkheid geschapen om te bepalen dat de wet en de daarop gebaseerde voorschriften geheel of gedeeltelijk niet van toepassing zijn op specifieke in die leden genoemde maatschappelijke sectoren. De leden van de fractie van D66 zijn van mening dat het streven erop gericht moet zijn om zo min mogelijk uitzonderingen te maken.

De leden van de fracties van RPF en GPV vragen of de regering in de wet niet uitgaat van een te beperkte benadering van de risico's van werkstress. Zij verzoeken de staatsecretaris in te gaan op de suggestie van de FNV om in het tweede lid van artikel 15, onder b, ook te verwijzen naar de artikelen 3 en 4.

Artikel 28

Voor de leden van de fractie van D66 is het van belang dat de werknemer zoveel mogelijk bescherming geniet. Dit houdt voor deze leden in dat de werknemer zich ook effectief moet kunnen beschermen tegen het optreden van gezondheidsschade. Op grond van deze wet heeft de werknemer een aantal preventieve actiemogelijkheden, alhoewel deze vrij geclausuleerd zijn. Het gevaar bestaat hierbij dat dit de arbeidsverhouding onder druk kan zetten. De FNV heeft een aantal voorstellen gedaan om deze tekortkomingen op te heffen. Wil de regering daar op reageren ?

Artikel 32

De leden van de fractie van D66 zijn van mening dat het tweede lid van dit artikel wat onduidelijk is. Artikel 15, lid 9, waarnaar verwezen wordt, geeft immers niet de bevoegdheid om een handeling of nalaten als beboetbaar feit aan te merken. Daarom stellen zij voor dit eerst in artikel 32, lid 2 zelf te regelen.

Artikel 34

Onduidelijk in de eerste zin van het eerste lid is de betekenis van de woorden «voor zover het de boete-oplegging betreft», mede gelet op de in dezelfde zin al opgenomen woorden «terzake van die gedraging», aldus de leden van de fracties van fracties van CDA en D66.

De voorzitter van de commissie,

Wolters

De griffier van de commissie,

Van Dijk


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Wolters (CDA), voorzitter, Van Nieuwenhoven (PvdA), Doelman-Pel (CDA), Biesheuvel (CDA), Vliegenthart (PvdA), ondervoorzitter, Scheltema-de Nie (D66), Van Middelkoop (GPV), Schimmel (D66), Rosenmöller (GroenLinks), Van Zijl (PvdA), Bijleveld-Schouten (CDA), Middel (PvdA), Van Hoof (VVD), Noorman-den Uyl (PvdA), Van Nieuwenhoven (PvdA), Adelmund (PvdA), Dankers (CDA), Giskes (D66), Marijnissen (SP), Essers (VVD), Van der Stoel (VVD), Van Dijke (RPF), Bakker (D66), Klein Molekamp (VVD), Van Blerck-Woerdman (VVD) en R. A. Meyer (Groep Nijpels).

Plv. leden: Terpstra (CDA), Oudkerk (PvdA), Soutendijk-van Appeldoorn (CDA), Mulder-van Dam (CDA), A. de Jong (PvdA), Visser-van Doorn (CDA), Van der Vlies (SGP), Fermina (D66), Rabbae (GroenLinks), Van der Ploeg (PvdA), G. de Jong (CDA), Dijksma (PvdA), M. M. H. Kamp (VVD), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Oudkerk (PvdA), Apostolou (PvdA), Heeringa (CDA), Van Boxtel (D66), vacature CD, J. M. de Vries (VVD), B. M. de Vries (VVD), Leerkes (U55+), Van Vliet (D66), Hofstra (VVD), Hoogervorst (VVD) en Nijpels-Hezemans (Groep Nijpels).

Naar boven