Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal1997-199825877 nr. 1;2

25 877
Regels met betrekking tot de inlichtingen- en veiligheidsdiensten alsmede wijziging van enkele wetten (Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 19..)

nr. 1
KONINKLIJKE BOODSCHAP

Aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Wij bieden U hiernevens ter overweging aan een voorstel van wet houdende regels met betrekking tot de inlichtingen- en veiligheidsdiensten alsmede houdende wijziging van enkele wetten (Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 19..).

De memorie van toelichting, die het wetsvoorstel vergezelt, bevat de gronden waarop het rust.

En hiermede bevelen Wij U in Godes heilige bescherming.

's-Gravenhage

7 februari 1998

Beatrix

nr. 2
VOORSTEL VAN WET

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging hebben genomen, dat het wenselijk is nieuwe regels te stellen betreffende de diensten die belast zijn met het verrichten van onderzoeken en het bevorderen van maatregelen in het belang van de staatsveiligheid alsmede van andere gewichtige belangen van de staat, de verwerking van gegevens door deze diensten, de inzage in de door deze diensten verwerkte gegevens, het toezicht en de behandeling van klachten, alsmede in verband daarmee enkele wetten te wijzigen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. dienst: de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst of de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst;

b. coördinator: de functionaris, bedoeld in artikel 4;

c. Onze betrokken Minister:

1°. ten aanzien van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst: Onze Minister van Binnenlandse Zaken;

2°. ten aanzien van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst: Onze Minister van Defensie;

3°. ten aanzien van de coördinator: Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken;

d. gegevens: persoonsgegevens en andere gegevens;

e. persoonsgegevens: gegevens die betrekking hebben op een identificeerbare of geïdentificeerde, individuele natuurlijke persoon;

f. gegevensverwerking of verwerking van gegevens: elke bewerking of geheel van bewerkingen met betrekking tot gegevens, waaronder in ieder geval het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van gegevens;

g. commissie van toezicht: de commissie, bedoeld in artikel 59.

Artikel 2

De diensten en de coördinator verrichten hun taak in gebondenheid aan de wet en in ondergeschiktheid aan Onze betrokken Minister.

HOOFDSTUK 2. DE DIENSTEN EN DE COÖRDINATIE TUSSEN DE DIENSTEN

Paragraaf 2.1 De coördinatie van de taakuitvoering door de diensten

Artikel 3

Onze betrokken Ministers plegen onderling overleg over hun beleid betreffende de diensten en de coördinatie van dat beleid. Andere dan Onze betrokken Ministers worden voor deelname aan het overleg uitgenodigd, indien dit, gelet op de door hen te behartigen belangen, noodzakelijk is.

Artikel 4

1. Er is een coördinator van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.

2. De coördinator wordt op gemeenschappelijke voordracht van Onze betrokken Ministers bij koninklijk besluit benoemd.

3. De coördinator heeft tot taak om overeenkomstig de aanwijzingen van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, in overeenstemming met Onze overige betrokken Ministers:

a. het in artikel 3 bedoelde overleg voor te bereiden;

b. de uitvoering van de taken van de diensten te coördineren;

c. Onze betrokken Ministers voorstellen te doen betreffende de uitvoering van de taken van de diensten.

4. De coördinator stelt Onze betrokken Ministers in kennis van al hetgeen van belang kan zijn.

5. Op de verwerking van gegevens door de coördinator is hoofdstuk 3 met uitzondering van paragraaf 3.2.2, alsmede hoofdstuk 4 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5

De hoofden van de diensten verlenen de coördinator medewerking voor de uitoefening van zijn taak. Zij verschaffen hem daartoe alle nodige inlichtingen.

Paragraaf 2.2 De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst

Artikel 6

1. Er is een Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst.

2. Deze heeft tot taak:

a. het verrichten van onderzoek met betrekking tot organisaties en personen die door de doelen die zij nastreven, dan wel door hun activiteiten aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormen voor het voortbestaan van de democratische rechtsorde, dan wel voor de veiligheid of voor andere gewichtige belangen van de staat;

b. het verrichten van veiligheidsonderzoeken als bedoeld in de Wet veiligheidsonderzoeken;

c. het bevorderen van maatregelen ter bescherming van de onder a genoemde belangen, waaronder begrepen maatregelen ter beveiliging van gegevens waarvan de geheimhouding door het belang van de staat wordt geboden en van die onderdelen van de overheidsdienst en van het bedrijfsleven die naar het oordeel van Onze ter zake verantwoordelijke Ministers van vitaal belang zijn voor de instandhouding van het maatschappelijk leven;

d. het verrichten van onderzoek betreffende andere landen, ten aanzien van onderwerpen met een overwegend niet-militaire relevantie die door Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, in overeenstemming met Onze betrokken Ministers, met het oog op het belang van de staat zijn aangewezen.

Paragraaf 2.3 De Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst

Artikel 7

1. Er is een Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst.

2. Deze heeft tot taak:

a. het verrichten van onderzoek:

1°. omtrent het potentieel en de strijdkrachten van andere mogendheden, ten behoeve van een juiste opbouw en een doeltreffend gebruik van de krijgsmacht;

2°. naar factoren die van invloed zijn of kunnen zijn op de handhaving en bevordering van de internationale rechtsorde voor zover de krijgsmacht daarbij is betrokken of naar verwachting betrokken kan worden;

b. het verrichten van veiligheidsonderzoeken als bedoeld in de Wet veiligheidsonderzoeken;

c. het verrichten van onderzoek dat nodig is voor het treffen van maatregelen:

1°. ter voorkoming van activiteiten die ten doel hebben de veiligheid of paraatheid van de krijgsmacht te schaden;

2°. ter bevordering van een juist verloop van mobilisatie en concentratie der strijdkrachten;

3°. ten behoeve van een ongestoorde voorbereiding en inzet van de krijgsmacht als bedoeld in onderdeel a, onder 2°.

d. het bevorderen van maatregelen ter bescherming van de onder c genoemde belangen, waaronder begrepen maatregelen ter beveiliging van gegevens betreffende de krijgsmacht waarvan de geheimhouding is geboden;

e. het verrichten van onderzoek betreffende andere landen, ten aanzien van onderwerpen met een overwegend militaire relevantie die door Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, in overeenstemming met Onze betrokken Ministers, met het oog op het belang van de staat zijn aangewezen.

Paragraaf 2.4 Verslaglegging omtrent de taakuitvoering door de diensten

Artikel 8

1. Onze betrokken Minister brengt jaarlijks voor 1 mei aan beide kamers der Staten-Generaal een openbaar verslag uit van de wijze waarop de dienst zijn taken in het afgelopen kalenderjaar heeft verricht.

2. In het verslag wordt in ieder geval inzicht gegeven in:

a. de aandachtsgebieden waarop de dienst zijn activiteiten in het afgelopen jaar heeft gericht;

b. de aandachtsgebieden waarop de dienst zijn activiteiten in het lopende jaar in ieder geval zal richten.

3. In het openbare jaarverslag blijft vermelding van die gegevens achterwege, die gelet op het belang van de staat niet openbaar kunnen worden gemaakt. Daarvan is in ieder geval sprake indien de gegevens zicht geven op:

a. door de dienst aangewende middelen in concrete aangelegenheden;

b. door de dienst aangewende geheime bronnen;

c. het actuele kennisniveau van de dienst.

4. Onze betrokken Minister kan de gegevens, bedoeld in het derde lid, vertrouwelijk mededelen aan de commissie, bedoeld in artikel 22 van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

5. Onverminderd de verplichting, bedoeld in het eerste lid, informeren Onze betrokken Ministers uit eigen beweging beide kamers der Staten-Generaal, indien daartoe aanleiding bestaat. Het derde en het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 2.5 Bijzondere bepalingen betreffende de functionarissen die ten behoeve van de diensten werkzaam zijn

Artikel 9

1. De ambtenaren van de diensten bezitten geen bevoegdheid tot het opsporen van strafbare feiten.

2. De in artikel 55 bedoelde ambtenaren oefenen bij het verrichten van de daar bedoelde werkzaamheden geen bevoegdheden tot het opsporen van strafbare feiten uit.

Artikel 10

1. Het is de ambtenaar van een dienst verboden, anders dan in de uitoefening van zijn functie, te reizen naar dan wel te verblijven in:

a. een land waar feitelijk een gewapend conflict bestaat;

b. door Onze betrokken Ministers gezamenlijk bij ministeriële regeling aangewezen landen waarin het verblijf door een ambtenaar van een dienst een bijzonder risico voor de veiligheid of voor andere gewichtige belangen van de staat kan opleveren.

2. Onze betrokken Minister kan ontheffing van het in het eerste lid bedoelde verbod verlenen, indien dringende persoonlijke of andere belangen van de betrokken ambtenaar dat vereisen en de veiligheid of andere gewichtige belangen van de staat zich daartegen niet verzetten.

3. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de coördinator, de aan hem ondergeschikte ambtenaren en de krachtens artikel 55, tweede lid, aangewezen ambtenaren.

Paragraaf 2.6 Nadere regels met betrekking tot organisatie, werkwijze en beheer van de diensten

Artikel 11

Onze betrokken Minister kan ten aanzien van de organisatie, de werkwijze en het beheer van een dienst nadere regels stellen.

HOOFDSTUK 3. DE VERWERKING VAN GEGEVENS DOOR DE DIENSTEN

Paragraaf 3.1 Algemene bepalingen

Artikel 12

1. De diensten zijn bevoegd tot het verwerken van gegevens met inachtneming van de eisen die daaraan bij of krachtens deze wet of de Wet veiligheidsonderzoeken zijn gesteld.

2. De verwerking van gegevens vindt slechts plaats voor een bepaald doel en slechts voor zover dat noodzakelijk is voor een goede uitvoering van deze wet of de Wet veiligheidsonderzoeken.

3. De verwerking van gegevens geschiedt in overeenstemming met de wet en op behoorlijke en zorgvuldige wijze.

4. De gegevens die in het kader van de taakuitvoering van de diensten worden verwerkt, zijn voorzien van een aanduiding omtrent de mate van betrouwbaarheid dan wel een verwijzing naar het document of de bron waaraan de gegevens zijn ontleend.

Artikel 13

1. De verwerking van persoonsgegevens door de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst kan slechts betrekking hebben op personen:

a. die aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormen voor de democratische rechtsorde, dan wel voor de veiligheid of voor andere gewichtige belangen van de staat;

b. die toestemming hebben verleend voor een veiligheidsonderzoek;

c. omtrent wie dat noodzakelijk is in het kader van het onderzoek betreffende andere landen;

d. over wie door een andere inlichtingen- of veiligheidsdienst gegevens zijn ingewonnen;

e. wier gegevens noodzakelijk zijn ter ondersteuning van een goede taakuitvoering door de dienst;

f. die werkzaam zijn of zijn geweest voor een dienst.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst met dien verstande dat voor onderdeel a wordt gelezen: die aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormen voor de veiligheid of de paraatheid van de krijgsmacht.

3. De verwerking van persoonsgegevens wegens iemands godsdienst of levensovertuiging, ras, gezondheid en seksuele leven vindt niet plaats.

4. De verwerking van persoonsgegevens die betrekking hebben op de in het derde lid bedoelde kenmerken vindt slechts plaats in aanvulling op de verwerking van andere gegevens en slechts voor zover dat voor het doel van de gegevensverwerking onvermijdelijk is.

Artikel 14

1. De artikelen 12, 13, eerste, derde en vierde lid, zijn tevens van toepassing op de verwerking van gegevens ten behoeve van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst door de ambtenaren, bedoeld in artikel 55.

2. De verwerking van gegevens, bedoeld in het eerste lid, ten behoeve van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst blijft strikt gescheiden van de verwerking van gegevens door de desbetreffende ambtenaren ten behoeve van andere doeleinden. Het hoofd van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst kan daaromtrent nadere aanwijzingen geven.

Artikel 15

De hoofden van de diensten dragen zorg voor:

a. de geheimhouding van daarvoor in aanmerking komende gegevens;

b. de geheimhouding van daarvoor in aanmerking komende bronnen waaruit gegevens afkomstig zijn;

c. de veiligheid van de personen met wier medewerking gegevens worden verzameld.

Artikel 16

De hoofden van de diensten dragen voorts zorg voor:

a. de nodige voorzieningen ter bevordering van de juistheid en de volledigheid van de gegevens die worden verwerkt;

b. de nodige voorzieningen van technische en organisatorische aard ter beveiliging van de gegevensverwerking tegen verlies of aantasting van gegevens alsmede tegen onbevoegde gegevensverwerking;

c. de aanwijzing van personen die bij uitsluiting van anderen bevoegd zijn tot de bij de aanwijzing vermelde werkzaamheden in het kader van de verwerking van gegevens.

Paragraaf 3.2 De verzameling van gegevens

Paragraaf 3.2.1. Algemeen

Artikel 17

1. De diensten zijn bevoegd zich bij de uitvoering van hun taak voor het verzamelen van gegevens te wenden tot:

a. bestuursorganen, ambtenaren en voorts een ieder die geacht wordt de benodigde gegevens te kunnen verstrekken;

b. de houder van een verzameling van persoonsgegevens.

2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, is de daarmee belaste ambtenaar zich verplicht ten opzichte van de houder van een verzameling van persoonsgegevens te legitimeren aan de hand van een daartoe door het betrokken hoofd van een dienst verstrekt legitimatiebewijs.

3. De bij of krachtens de wet geldende voorschriften voor de houder van een verzameling van persoonsgegevens betreffende de verstrekking van zodanige gegevens zijn niet van toepassing op verstrekkingen gedaan ingevolge een verzoek als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b.

Paragraaf 3.2.2. Bijzondere bevoegdheden van de diensten

Artikel 18

Een bevoegdheid als bedoeld in deze paragraaf mag slechts worden uitgeoefend, voor zover dat noodzakelijk is voor de goede uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onder a en d, en de taken, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder a, c, en e.

Artikel 19

1. De uitoefening door een dienst van een bevoegdheid als bedoeld in deze paragraaf is slechts toegestaan, indien, voor zover bij deze paragraaf niet anders is bepaald, Onze betrokken Minister of namens deze het betrokken hoofd van een dienst daartoe toestemming heeft gegeven.

2. Het hoofd van een dienst kan aan hem ondergeschikte ambtenaren bij schriftelijk besluit aanwijzen die de toestemming, bedoeld in het eerste lid, namens hem verlenen. Onze betrokken Minister wordt een afschrift van het besluit gezonden.

3. De toestemming wordt, voor zover bij of krachtens de wet niet anders is bepaald, verleend voor een periode van ten hoogste drie maanden en kan telkens op een daartoe strekkend verzoek worden verlengd voor eenzelfde periode.

Artikel 20

1. De diensten zijn bevoegd tot:

a. het observeren en in het kader daarvan vastleggen van gegevens betreffende gedragingen van natuurlijke personen of gegevens betreffende zaken, al dan niet met behulp van observatie- en registratiemiddelen;

b. het volgen en in het kader daarvan vastleggen van gegevens betreffende natuurlijke personen of zaken, al dan niet met behulp van volgmiddelen, plaatsbepalingsapparatuur en registratiemiddelen.

2. De toepassing van observatie- en registratiemiddelen als bedoeld in het eerste lid, onder a, alsmede het aanbrengen van volgmiddelen, plaatsbepalingsapparatuur en registratiemiddelen als bedoeld in het eerste lid, onder b, door de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst is, voor zover het gaat om de toepassing dan wel het aanbrengen daarvan in besloten plaatsen die niet in gebruik zijn van het Ministerie van Defensie slechts toegestaan, indien de toestemming daarvoor is verleend in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken dan wel, voor zover van toepassing, het hoofd van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst.

3. De toepassing van observatie- en registratiemiddelen, bedoeld in het eerste lid, onder a, binnen woningen is slechts toegestaan, indien daarvoor door Onze betrokken Minister toestemming is verleend aan het hoofd van de dienst. In het geval, bedoeld in het tweede lid, wordt, voor zover het woningen betreft, de toestemming verleend in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken.

4. Het verzoek om toestemming als bedoeld in het derde lid wordt gedaan door het hoofd van de dienst en bevat ten minste:

a. het adres van de woning waarbinnen het middel dient te worden toegepast;

b. een omschrijving van het soort middel dat wordt toegepast;

c. de reden waarom de toepassing van het desbetreffende middel noodzakelijk wordt geacht.

Artikel 21

1. De diensten zijn bevoegd tot:

a. de inzet van natuurlijke personen, al dan niet onder dekmantel van een aangenomen identiteit of hoedanigheid, die onder verantwoordelijkheid en onder instructie van een dienst zijn belast met:

1°. het gericht gegevens verzamelen omtrent personen en organisaties die voor de taakuitvoering van een dienst van belang kunnen zijn;

2°. het bevorderen of het treffen van maatregelen ter bescherming van door een dienst te behartigen belangen.

b. het oprichten en de inzet van rechtspersonen ter ondersteuning van operationele activiteiten.

2. Onze betrokken Minister kan daarvoor in aanmerking komende bestuursorganen schriftelijk opdragen die medewerking te verlenen die noodzakelijk is om een natuurlijke persoon als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, van een aan te nemen identiteit te voorzien. De voor het bestuursorgaan geldende wettelijke voorschriften ter zake van de van deze verlangde werkzaamheden, blijven voor zover deze in de weg staan aan het verrichten van die werkzaamheden buiten toepassing.

3. De natuurlijke persoon, bedoeld in het eerste lid, onder a, kan bij instructie van de dienst tevens worden belast met het verrichten van handelingen die tot gevolg kunnen hebben dat medewerking wordt verleend aan het plegen van een strafbaar feit, dan wel een strafbaar feit wordt gepleegd. Een instructie als bedoeld in de eerste volzin wordt slechts gegeven, indien een goede taakuitvoering van de dienst dan wel de veiligheid van de betrokken natuurlijke persoon daartoe noodzaakt.

4. De natuurlijke persoon, bedoeld in het eerste lid, onder a, mag bij de uitvoering van de instructie door zijn optreden een persoon niet brengen tot ander handelen betreffende het beramen of plegen van strafbare feiten, dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht.

5. Bij de instructie, bedoeld in het derde lid, wordt aan de desbetreffende persoon aangegeven:

a. onder welke omstandigheden deze ter uitvoering van de instructie handelingen mag verrichten die tot gevolg kunnen hebben dat medewerking wordt verleend aan het plegen van een strafbaar feit, dan wel een strafbaar feit wordt gepleegd;

b. de wijze waarop aan de instructie uitvoering dient te worden gegeven, waaronder begrepen de aard van de handelingen, die door de desbetreffende persoon daarbij zullen mogen worden verricht, voor zover deze bij het geven van de instructie zijn te voorzien.

6. De instructie aan de natuurlijke persoon, bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt schriftelijk vastgelegd.

7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, op voordracht van Onze betrokken Ministers en Onze Minister van Justitie gezamenlijk, kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot:

a. de voorwaarden waaronder en de gevallen waarin ter uitvoering van een instructie door een natuurlijke persoon als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, handelingen mogen worden verricht die tot gevolg kunnen hebben dat medewerking wordt verleend aan het plegen van een strafbaar feit, dan wel een strafbaar feit wordt gepleegd;

b. de wijze waarop de uitoefening van de desbetreffende bevoegdheid wordt gecontroleerd.

Artikel 22

1. De diensten zijn bevoegd tot het, al dan niet met behulp van een technisch hulpmiddel:

a. doorzoeken van besloten plaatsen;

b. doorzoeken van gesloten voorwerpen;

c. verrichten van onderzoek aan voorwerpen gericht op het vaststellen van de identiteit van een persoon.

2. De uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, door de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst buiten plaatsen in gebruik van het Ministerie van Defensie, is slechts toegestaan indien de toestemming daarvoor is verleend in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken dan wel, voor zover van toepassing, het hoofd van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst.

3. Indien dit noodzakelijk is voor het onderzoek van een dienst, kan een bij de toepassing van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, aangetroffen voorwerp voor een beperkte tijd door de desbetreffende dienst worden meegenomen, voor zover onderzoek van het desbetreffende voorwerp ter plaatse van de doorzoeking onmogelijk is en de daarmee beoogde verzameling van gegevens niet op een andere, minder ingrijpende wijze kan worden bewerkstelligd. De desbetreffende voorwerpen worden zo spoedig mogelijk teruggeplaatst, tenzij het belang van een goede taakuitoefening van de dienst zich daartegen verzet of met terugplaatsing geen redelijk belang wordt gediend.

4. Van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, onder a, mag, voor zover het woningen betreft, slechts gebruik worden gemaakt, indien daarvoor door Onze betrokken Minister toestemming is verleend aan het hoofd van de dienst. Uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, onder a, door de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst met betrekking tot woningen buiten plaatsen in gebruik van het Ministerie van Defensie, is slechts toegestaan, indien de toestemming daarvoor is verleend in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken.

5. De toestemming, bedoeld in het vierde lid, wordt verleend voor een periode van ten hoogste drie dagen. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing.

6. Het verzoek om toestemming als bedoeld in het vierde lid wordt gedaan door het hoofd van de dienst en bevat ten minste:

a. het adres van de woning die dient te worden doorzocht, en

b. de reden waarom de woning dient te worden doorzocht.

Artikel 23

1. De diensten zijn bevoegd tot het openen van brieven en andere geadresseerde zendingen, zonder goedvinden van de afzender of de geadresseerde, indien de rechtbank te Den Haag daartoe, op verzoek van het hoofd van de dienst, een last heeft afgegeven.

2. Voor de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, is geen toestemming vereist als bedoeld in artikel 19.

3. Het verzoek , bedoeld in het eerste lid, door het hoofd van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst ten aanzien van brieven en andere geadresseerde zendingen, waarvan het adres van de afzender of de geadresseerde niet overeenstemt met een adres van een plaats in gebruik van het Ministerie van Defensie, wordt gedaan in overeenstemming met hoofd van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst.

4. Het verzoek om een last, bedoeld in het eerste lid, bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de persoon of instelling, van wie dan wel waarvan brieven of andere geadresseerde zendingen aan deze gericht dan wel van deze afkomstig, dienen te worden geopend;

b. de reden waarom de brieven of andere geadresseerde zendingen dienen te worden geopend.

5. Een last wordt slechts afgegeven, indien dat noodzakelijk is voor een goede uitoefening van de aan de dienst opgedragen taak.

6. Een last, bedoeld in het eerste lid, wordt afgegeven:

a. per brief of andere geadresseerde zending, indien deze reeds in het bezit van de dienst is;

b. voor een daarbij te bepalen periode van ten hoogste drie maanden, indien het betreft het openen van brieven of andere geadresseerde zendingen die aan een in de last vermelde instelling van post dan wel vervoer zijn of worden toevertrouwd.

7. De instelling van post dan wel vervoer, bedoeld in het zesde lid, onder b, is gehouden de brieven en andere geadresseerde zendingen, waarop de last betrekking heeft, tegen ontvangstbewijs uit te leveren aan een door het hoofd van de dienst daartoe aangewezen ambtenaar van de dienst.

8. De ambtenaar is gehouden zich jegens de instelling van post dan wel vervoer te legitimeren aan de hand van een door het hoofd van de dienst verstrekt legitimatiebewijs.

9. De diensten dragen zorg dat een door een instelling van post of vervoer uitgeleverde brief of andere geadresseerde zending na onderzoek daarvan, onverwijld aan de desbetreffende instelling ter verzending terug wordt gegeven.

Artikel 24

1. De diensten zijn bevoegd tot het al dan niet met gebruikmaking van technische hulpmiddelen, valse signalen, valse sleutels of valse hoedanigheid, binnendringen in een geautomatiseerd werk. Tot de bevoegdheid, bedoeld in de eerste volzin, behoort tevens de bevoegdheid:

a. tot het doorbreken van enige beveiliging;

b. tot het aanbrengen van technische voorzieningen teneinde versleuteling van gegevens opgeslagen of verwerkt in het geautomatiseerde werk ongedaan te maken;

c. de gegevens opgeslagen of verwerkt in het geautomatiseerde werk over te nemen.

2. De uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, door de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst buiten plaatsen in gebruik van het Ministerie van Defensie is slechts toegestaan, indien de toestemming daarvoor is verleend in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken dan wel, voor zover van toepassing, het hoofd van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst.

3. Een ieder die kennis draagt ter zake van het ongedaan maken van de versleuteling van de gegevens opgeslagen of verwerkt in het geautomatiseerde werk als bedoeld in het eerste lid, is verplicht het hoofd van de dienst op diens schriftelijk verzoek alle noodzakelijke medewerking te verlenen om deze versleuteling ongedaan te maken.

Artikel 25

1. De diensten zijn bevoegd tot het met een technisch hulpmiddel gericht aftappen, opnemen en afluisteren van elke vorm van gesprek, telecommunicatie of gegevensoverdracht door middel van een geautomatiseerd werk, ongeacht waar een en ander plaatsvindt. Tot de bevoegdheid, bedoeld in de eerste volzin, behoort tevens de bevoegdheid tot het aanwenden van technische voorzieningen om versleuteling van de gesprekken, telecommunicatie of gegevensoverdracht ongedaan te maken.

2. De in het eerste lid bedoelde bevoegdheid mag slechts worden uitgeoefend, indien door Onze betrokken Minister daarvoor op een daartoe strekkend verzoek toestemming is verleend aan het hoofd van de dienst.

3. De uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, door de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst met betrekking tot gesprekken, telecommunicatie of gegevensoverdracht door middel van een geautomatiseerd werk, voor zover deze niet plaatsvindt op of met plaatsen in gebruik van het Ministerie van Defensie, is slechts toegestaan, indien de toestemming daarvoor is verleend in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken.

4. Het verzoek om toestemming, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt gedaan door het hoofd van de dienst en bevat ten minste:

a. een aanduiding van de bevoegdheid die de dienst wenst uit te oefenen en, voor zover van toepassing, het nummer, bedoeld in artikel 1, onder cc, van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen, dan wel enig technisch kenmerk;

b. gegevens betreffende de identiteit van de persoon dan wel de hoedanigheid van de organisatie ten aanzien van wie onderscheidenlijk waarvan de uitoefening van de desbetreffende bevoegdheid wordt verlangd;

c. de reden waarom uitoefening van de desbetreffende bevoegdheid wordt verlangd.

5. Indien bij het verzoek om toestemming het nummer dan wel een technisch kenmerk als bedoeld in het vierde lid, onder a, nog niet bekend is, wordt de toestemming slechts verleend onder de voorwaarde dat de bevoegdheid slechts mag worden uitgeoefend, zodra het nummer dan wel het technisch kenmerk bekend is.

6. Indien bij het verzoek om toestemming de gegevens, bedoeld in het vierde lid, onder b, nog niet bekend zijn, wordt toestemming slechts verleend onder de voorwaarde de desbetreffende gegevens zo spoedig mogelijk aan te vullen.

7. De houders, bedoeld in artikel 64 van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen alsmede degenen die telecommunicatiediensten voor derden verzorgen, zijn verplicht aan het hoofd van de dienst terstond op diens schriftelijk verzoek alle technische en andere gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor het doen van een verzoek tot het verlenen van toestemming voor het aftappen en opnemen van telecommunicatie.

8. Een ieder die kennis draagt ter zake van het ongedaan maken van de versleuteling van gesprekken, telecommunicatie of gegevensoverdracht als bedoeld in het eerste lid, is verplicht het hoofd van de dienst op diens schriftelijk verzoek alle noodzakelijke medewerking te verlenen om deze versleuteling ongedaan te maken.

Artikel 26

1. De diensten zijn bevoegd tot het met een technisch hulpmiddel ongericht ontvangen en opnemen van niet kabelgebonden telecommunicatie. Tot de bevoegdheid, bedoeld in de eerste volzin, behoort tevens de bevoegdheid tot het aanwenden van technische hulpmiddelen om versleuteling van de telecommunicatie ongedaan te maken.

2. Voor de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, is geen toestemming vereist als bedoeld in artikel 19.

3. De gegevens die door de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, zijn verzameld, kunnen door de diensten worden geselecteerd aan de hand van:

a. gegevens betreffende de identiteit van een persoon dan wel de hoedanigheid van een organisatie;

b. een nummer als bedoeld in artikel 1, onder cc, van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen, dan wel enig technisch kenmerk;

c. aan een nader omschreven onderwerp gerelateerde trefwoorden.

4. De toestemming voor de selectie, bedoeld in het derde lid, onder a en b, wordt door Onze betrokken Minister op een daartoe strekkend verzoek verleend aan het hoofd van de dienst voor een periode van ten hoogste drie maanden en kan telkens op een daartoe strekkend verzoek worden verlengd. Het verzoek tot het verlenen van toestemming bevat ten minste:

a. de gegevens, bedoeld in het derde lid, onder a dan wel b, aan de hand waarvan de selectie zal plaatsvinden;

b. de reden waarom de selectie zal worden toegepast.

5. De toestemming voor de selectie, bedoeld in het derde lid, onder c, wordt door Onze betrokken Minister op een daartoe strekkend verzoek verleend aan het hoofd van de dienst voor een periode van ten hoogste een jaar en kan telkens op een daartoe strekkend verzoek worden verlengd. Het verzoek tot het verlenen van toestemming bevat ten minste:

a. een nauwkeurige omschrijving van het onderwerp alsmede een opgave van daaraan gerelateerde trefwoorden aan de hand waarvan de selectie dient plaats te vinden;

b. de reden waarom de selectie dient te worden toegepast.

6. Van een verleende toestemming als bedoeld in het vijfde lid wordt met opgave van het onderwerp, de daaraan gerelateerde trefwoorden alsmede de reden van selectie, vertrouwelijk mededeling gedaan aan de commissie, bedoeld in artikel 22 van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer der Staten-Generaal alsmede aan de commissie van toezicht.

7. Voor zover de selectie, bedoeld in het derde lid, geschiedt door de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst ten aanzien van telecommunicatie die haar oorsprong en bestemming in Nederland vindt, wordt de toestemming daarvoor verleend in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken.

8. Gegevens die zijn verzameld door uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, en die niet zijn geselecteerd dan wel ten aanzien waarvan na selectie is vastgesteld dat deze niet noodzakelijk zijn voor een goede taakuitvoering door de diensten, worden terstond vernietigd.

Artikel 27

1. De diensten zijn bevoegd zich te wenden tot de houders, bedoeld in artikel 64 van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen alsmede degenen die telecommunicatiediensten voor derden verzorgen, met het verzoek gegevens te verstrekken ter zake van alle verkeer dat over de telecommunicatie-infrastructuur of telecommunicatie-inrichtingen heeft plaatsgevonden dan wel zal plaatsvinden ten aanzien van een in dat verzoek aangegeven nummer als bedoeld in die wet, dan wel ten aanzien van een aan een in het verzoek aangegeven persoon of organisatie toebehorend nummer, dan wel enig technisch kenmerk.

2. Voor de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, is geen toestemming vereist als bedoeld in artikel 19.

3. Het verzoek wordt schriftelijk gedaan door het hoofd van de desbetreffende dienst en bevat:

a. het nummer, bedoeld in artikel 1, onder cc, van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen danwel enig technisch kenmerk, of

b. gegevens betreffende de naam en de woon- of verblijfplaats van de persoon of organisatie aan wie danwel waaraan waar het nummer, bedoeld onder a, toebehoort, en

c. een omschrijving van de soort gegevens die verstrekt dienen te worden alsmede

d. de periode waarover de gegevens moeten worden verstrekt.

4. Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, door het hoofd van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst ten aanzien van verkeer dat niet heeft plaatsgevonden dan wel niet zal plaatsvinden op of met plaatsen in gebruik van het Ministerie van Defensie, wordt gedaan in overeenstemming met het hoofd van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst.

5. Tot de gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval gerekend:

a. nummers als bedoeld in artikel 1, onder cc, van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen waarmee vanaf het in het verzoek aangegeven nummer een oproep is of wordt gedaan dan wel een verbinding is of wordt gelegd, alsmede de nummers waarmee met de in het verzoek aangegeven nummers een oproep is of wordt gedaan dan wel een verbinding is of wordt gelegd;

b. gegevens betreffende de identiteit van de persoon dan wel organisatie aan wie het in onderdeel a bedoelde nummer toebehoort;

c. aanvangstijd, duur en eindtijd van de oproep of verbinding.

6. De houders, bedoeld in artikel 64 van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen en degenen die telecommunicatiediensten voor derden verzorgen zijn verplicht de verlangde gegevens, voor zover in het verzoek niet anders is bepaald, terstond te verstrekken.

7. Op de verstrekking van gegevens ingevolge een verzoek als bedoeld in het eerste lid, is artikel 17, derde lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 28

1. De diensten zijn bevoegd zich te wenden tot de houders, bedoeld in artikel 64 van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen alsmede degenen die telecommunicatiediensten voor derden verzorgen, met het verzoek gegevens te verstrekken betreffende:

a. de naam en de geregistreerde woon- of verblijfplaats van de persoon of organisatie waar het in het verzoek aangegeven nummer als bedoeld in die wet dan wel enig technisch kenmerk;

b. het nummer als bedoeld in die wet dan wel enig technisch kenmerk, alsmede de geregistreerde woon- of vestigingsplaats, van de in het verzoek aangegeven persoon of organisatie.

2. Voor de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, is geen toestemming vereist als bedoeld in artikel 19.

3. Het verzoek wordt gedaan door of namens het hoofd van de desbetreffende dienst.

4. De houders, bedoeld in artikel 64 van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen alsmede degenen die telecommunicatiediensten voor derden verzorgen zijn verplicht de verlangde gegevens, voor zover in het verzoek niet anders is bepaald, terstond te verstrekken.

5. Op de verstrekking van gegevens ingevolge een verzoek als bedoeld in het eerste lid, is artikel 17, derde lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 29

1. De diensten hebben toegang tot elke plaats, voor zover dat redelijkerwijs nodig is om:

a. observatie- en registratiemiddelen als bedoeld in artikel 20, eerste lid, onder a, aan te brengen;

b. volgmiddelen, plaatsbepalingsapparatuur en registratiemiddelen als bedoeld in artikel 20, eerste lid, onder b, aan te brengen;

c. de bevoegdheid, bedoeld in artikel 22, eerste lid, onder a, uit te oefenen;

d. de bevoegdheid, bedoeld in artikel 24, uit te oefenen;

e. de bevoegdheid, bedoeld in artikel 25, uit te oefenen;

f. met betrekking tot de aldaar aanwezige telecommunicatie-apparatuur de gegevens te verzamelen die noodzakelijk zijn om de bevoegdheid, waarvoor overeenkomstig artikel 25, zesde lid, toestemming is verleend, uit te kunnen oefenen.

2. Voor de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, is geen toestemming vereist als bedoeld in artikel 19.

3. De uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, is slechts toegestaan door personen die daartoe door het hoofd van een dienst zijn aangewezen.

4. De artikelen 1, eerste, tweede en derde lid, en artikel 2, eerste lid, laatste volzin, van de Algemene wet op het binnentreden zijn niet van toepassing. Onze betrokken Minister of namens deze het hoofd van een dienst is bevoegd tot het geven van een machtiging als bedoeld in artikel 2 van de Algemene wet op het binnentreden.

Artikel 30

1. Indien de uitvoering wordt overwogen van een handeling die niet is te herleiden tot een bevoegdheid die is vermeld in deze paragraaf en die bij de uitvoering daarvan leidt of kan leiden tot beperking van het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Grondwet, wordt tot de uitvoering daarvan pas overgegaan, nadat daarvoor toestemming is verkregen van Onze betrokken Minister.

2. Van de uitvoering van een handeling als bedoeld in het eerste lid wordt zo spoedig mogelijk mededeling gedaan aan de commissie van toezicht alsmede aan de commissie, bedoeld in artikel 22 van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Artikel 81 is van overeenkomstige toepassing op laatstgenoemde commissie en haar leden.

3. Binnen een jaar na de uitvoering van een handeling als bedoeld in het eerste lid wordt een voorstel van wet tot regeling daarvan bij de Staten-Generaal ingediend.

Artikel 31

1. De uitoefening van een bevoegdheid als bedoeld in deze paragraaf is slechts geoorloofd, indien de daarmee beoogde verzameling van gegevens niet of niet tijdig kan geschieden door raadpleging van voor een ieder toegankelijke informatiebronnen of van informatiebronnen waarvoor aan de dienst een recht op kennisneming van de aldaar berustende gegevens is verleend.

2. Indien is besloten tot het verzamelen van gegevens door uitoefening van een of meer bevoegdheden als bedoeld in deze paragraaf, wordt slechts die bevoegdheid uitgeoefend, die gelet op de omstandigheden van het geval, waaronder de ernst van de bedreiging van de door een dienst te beschermen belangen, mede in vergelijking met andere beschikbare bevoegdheden voor de betrokkene het minste nadeel oplevert.

3. De uitoefening van een bevoegdheid blijft achterwege, indien de uitoefening ervan voor betrokkene een onevenredig nadeel in vergelijking met het daarbij na te streven doel oplevert.

4. De uitoefening van een bevoegdheid dient evenredig te zijn aan het daarmee beoogde doel.

Artikel 32

De uitoefening van een bevoegdheid als bedoeld in deze paragraaf wordt onmiddellijk gestaakt, indien het doel waartoe de bevoegdheid is uitgeoefend is bereikt dan wel met de uitoefening van een minder ingrijpende bevoegdheid kan worden volstaan.

Artikel 33

Van de uitoefening van een bevoegdheid als bedoeld in deze paragraaf wordt een schriftelijk verslag gemaakt.

Paragraaf 3.3 De verstrekking van gegevens

Paragraaf 3.3.1 De interne verstrekking van gegevens

Artikel 34

De verstrekking van door of ten behoeve van een dienst verwerkte gegevens aan een binnen de dienst of ingevolge artikel 55 ten behoeve van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst werkzame ambtenaar vindt slechts plaats, voor zover dat noodzakelijk is voor een goede uitvoering van de aan de desbetreffende ambtenaar opgedragen taak.

Paragraaf 3.3.2 De externe verstrekking van gegevens

Paragraaf 3.3.2.1 Algemene bepalingen

Artikel 35

1. De diensten zijn in het kader van een goede taakuitvoering bevoegd om omtrent door of ten behoeve van de dienst verwerkte gegevens mededeling te doen aan:

a. Onze Ministers wie deze aangaan;

b. andere bestuursorganen wie deze aangaan;

c. andere personen of instanties wie deze aangaan;

d. daarvoor in aanmerking komende inlichtingen- en veiligheidsdiensten van andere landen, alsmede andere daarvoor in aanmerking komende internationale beveiligings-, verbindingsinlichtingen- en inlichtingenorganen.

2. Een mededeling als bedoeld in het eerste lid geschiedt door Onze betrokken Minister, indien de aard van de mededeling daartoe aanleiding geeft.

3. Onverminderd de mededeling, bedoeld in het eerste lid, kan van door de diensten verwerkte gegevens voorts slechts mededeling worden gedaan in de gevallen voorzien bij deze wet.

Artikel 36

1. De verstrekking van gegevens kan geschieden onder de voorwaarde dat degene aan wie de gegevens worden verstrekt, deze gegevens niet aan anderen mag verstrekken.

2. De voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval gesteld, indien gegevens worden verstrekt aan een instantie als bedoeld in artikel 35, eerste lid, onder d.

3. Indien gegevens zijn verstrekt onder de voorwaarde dat deze niet aan anderen mogen worden verstrekt, kan door Onze betrokken Minister of namens deze het hoofd van de dienst alsnog toestemming worden verleend om aan andere personen of instanties te verstrekken. Aan de toestemming kunnen voorwaarden worden verbonden.

Artikel 37

1. Indien bij de verwerking van gegevens door of ten behoeve van een dienst blijkt van gegevens die tevens van belang kunnen zijn voor de opsporing of vervolging van strafbare feiten, kan daarvan door Onze betrokken Minister of namens deze het hoofd van de dienst, onverminderd het geval dat daartoe een wettelijke verplichting bestaat, schriftelijk mededeling worden gedaan aan het daartoe aangewezen lid van het openbaar ministerie.

2. In spoedeisende gevallen kan de mededeling, bedoeld in het eerste lid, mondeling geschieden. Onze betrokken Minister of namens deze het hoofd van de dienst bevestigt de desbetreffende mededeling zo spoedig mogelijk schriftelijk.

3. Op een daartoe strekkend verzoek van het daartoe aangewezen lid van het openbaar ministerie wordt inzage gegeven in alle aan de mededeling ten grondslag liggende gegevens die voor de beoordeling van de juistheid van de mededeling noodzakelijk zijn. De artikelen 81 en 82 zijn van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 3.3.2.2 Bijzondere bepalingen betreffende de externe verstrekking van persoonsgegevens

Artikel 38

1. Persoonsgegevens worden door Onze betrokken Minister of namens deze het hoofd van de dienst schriftelijk medegedeeld, indien de persoon of instantie waaraan de desbetreffende mededeling wordt gedaan naar aanleiding van die mededeling jegens de desbetreffende persoon bevoegd is maatregelen te treffen.

2. In spoedeisende gevallen kan de mededeling, bedoeld in het eerste lid, mondeling geschieden. Onze betrokken Minister of namens deze het hoofd van de dienst bevestigt de desbetreffende mededeling zo spoedig mogelijk schriftelijk.

3. Onze betrokken Minister of namens deze het hoofd van de dienst kan aan een persoon of instantie inzage verlenen in de aan de mededeling ten grondslag liggende gegevens, voor zover dat voor de beoordeling van de juistheid van de mededeling noodzakelijk is. De artikelen 81 en 82, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de personen en instanties waaraan inzage in de desbetreffende gegevens is verleend.

Artikel 39

1. Verstrekking van persoonsgegevens waarvan de juistheid redelijkerwijs niet kan worden vastgesteld of die meer dan 10 jaar geleden zijn verwerkt, terwijl ten aanzien van de desbetreffende persoon sindsdien geen nieuwe gegevens zijn verwerkt, vindt niet plaats.

2. In afwijking van het eerste lid kan over persoonsgegevens slechts mededeling worden gedaan aan:

a. een dienst of een instantie, bedoeld in artikel 35, eerste lid, onder d;

b. instanties die zijn belast met de opsporing en vervolging van strafbare feiten;

c. andere instanties in door Onze betrokken Minister te bepalen bijzondere gevallen.

3. Bij een mededeling als bedoeld in het tweede lid wordt de mate van betrouwbaarheid alsmede de ouderdom van de daaraan ten grondslag liggende gegevens vermeld. Indien met betrekking tot de desbetreffende gegevens een verklaring als bedoeld in artikel 46, eerste lid, voorhanden is, wordt deze gelijktijdig verstrekt.

4. Artikel 38, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 40

Van de verstrekking van persoonsgegevens wordt aantekening gehouden.

Paragraaf 3.4 De verwijdering, vernietiging en overbrenging van gegevens

Artikel 41

1. De gegevens die, gelet op het doel waarvoor zij worden verwerkt, hun betekenis hebben verloren, worden verwijderd.

2. Indien blijkt dat gegevens onjuist zijn of ten onrechte worden verwerkt, worden deze verbeterd onderscheidenlijk verwijderd. Onze betrokken Minister doet daarvan zo spoedig mogelijk mededeling aan hen wie hij de desbetreffende gegevens heeft verstrekt.

3. De verwijderde gegevens worden vernietigd, tenzij wettelijke regels omtrent bewaring daaraan in de weg staan.

4. Indien met betrekking tot de voor vernietiging in aanmerking komende gegevens een aanvraag als bedoeld in artikel 45 is gedaan, wordt de vernietiging van de desbetreffende gegevens opgeschort tot ten minste het moment waarop op de aanvraag onherroepelijk is beslist. Voor zover de aanvraag om kennisneming is ingewilligd, worden de desbetreffende gegevens niet eerder vernietigd dan nadat de betrokkene van de desbetreffende gegevens overeenkomstig artikel 45, tweede lid, kennis heeft kunnen nemen.

Artikel 42

1. In afwijking van artikel 12, eerste lid, van de Archiefwet 1995 worden slechts die archiefbescheiden, bedoeld in artikel 1, aanhef, onderdeel c, onder 1°, 2° en 4, van de Archiefwet 1995, naar een archiefbewaarplaats overgebracht die ouder zijn dan twintig jaar en waarvan door Onze betrokken Minister, na advies van de beheerder van die archiefbewaarplaats, is vastgesteld dat daaraan geen beperkingen aan de openbaarheid dienen te worden gesteld met het oog op het belang van de staat of van diens bondgenoten.

2. De in het eerste lid bedoelde beperkingen hebben geen betrekking op archiefbescheiden die ouder zijn dan vijfenzeventig jaar, tenzij Onze betrokken Minister, in overeenstemming met het gevoelen van de Ministerraad, anders beslist.

HOOFDSTUK 4. KENNISNEMING VAN DOOR OF TEN BEHOEVE VAN DE DIENSTEN VERWERKTE GEGEVENS

Paragraaf 4.1 Algemene bepalingen

Artikel 43

Onverminderd de kennisneming van op grond van paragraaf 3.3 verstrekte gegevens, kan van de gegevens verwerkt door of ten behoeve van een dienst slechts kennis worden genomen overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.

Artikel 44

In dit hoofdstuk wordt onder document, bestuurlijke aangelegenheid, intern beraad, persoonlijke beleidsopvatting, ambtelijk of gemengd samengestelde adviescommissie verstaan, hetgeen daaronder in artikel 1 van de Wet openbaarheid van bestuur wordt verstaan.

Paragraaf 4.2 Recht op kennisneming van persoonsgegevens

Artikel 45

1. Onze betrokken Minister deelt een ieder op diens aanvraag zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden mede of en, zo ja, welke hem betreffende persoonsgegevens door of ten behoeve van een dienst zijn verwerkt. Onze betrokken Minister kan zijn besluit voor ten hoogste vier weken verdagen. Van de verdaging wordt voor de afloop van de eerste termijn schriftelijk gemotiveerd mededeling gedaan aan de aanvrager.

2. Voor zover een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt ingewilligd, stelt Onze betrokken Minister de aanvrager zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na bekendmaking van zijn besluit in de gelegenheid van zijn gegevens kennis te nemen. De gegevens worden door de aanvrager bij gelegenheid van de kennisneming op generlei wijze vastgelegd.

3. Onze betrokken Minister draagt zorg voor een deugdelijke vaststelling van de identiteit van de aanvrager.

4. Onze betrokken Minister kan, in afwijking van artikel 2:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bepalen dat kennisneming van de gegevens slechts is voorbehouden aan de aanvrager persoonlijk.

Artikel 46

1. Degene die ingevolge artikel 45 kennis heeft genomen van door of ten behoeve van een dienst omtrent hem verwerkte gegevens, kan daaromtrent een schriftelijke verklaring overleggen. Deze verklaring wordt bij de desbetreffende gegevens gevoegd.

2. Bij de kennisneming door betrokkene van de hem betreffende gegevens, wordt deze gewezen op het bepaalde in het eerste lid.

3. De verklaring wordt gelijktijdig met de gegevens waarop deze betrekking heeft verwijderd en vernietigd.

Artikel 47

1. In afwijking van artikel 45 stelt het hoofd van een dienst een persoon werkzaam bij of ten behoeve van een dienst of werkzaam geweest bij of ten behoeve van een dienst op diens verzoek zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na het verzoek, in de gelegenheid van zijn gegevens in de personeels- en salarisadministratie van de desbetreffende dienst kennis te nemen.

2. Van inzage zijn uitgezonderd de gegevens die zicht kunnen geven op bronnen die geheim moeten worden gehouden.

3. Het hoofd van een dienst kan, in afwijking van artikel 2:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bepalen dat kennisneming van de gegevens slechts is voorbehouden aan de betrokken persoon persoonlijk.

4. Degene die inzage heeft genomen van de hem betreffende gegevens, kan het hoofd van de dienst schriftelijk verzoeken deze te verbeteren, aan te vullen of te verwijderen, indien deze feitelijk onjuist zijn, voor het doel van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn dan wel in strijd met een wettelijk voorschrift zijn verwerkt. Het verzoek behelst de aan te brengen wijzigingen.

5. Het hoofd van een dienst bericht de verzoeker binnen zes weken na ontvangst van het verzoek, bedoeld in het vierde lid, of dan wel in hoeverre hij daaraan voldoet.

6. Artikel 52 is niet van toepassing.

Paragraaf 4.3 Recht op kennisneming van andere gegevens dan persoonsgegevens

Artikel 48

1. Onze betrokken Minister deelt een ieder op diens aanvraag zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden mede of kennis kan worden genomen van andere dan persoonsgegevens betreffende de in de aanvraag vermelde bestuurlijke aangelegenheid. Onze betrokken Minister kan zijn besluit voor ten hoogste vier weken verdagen. Van de verdaging wordt voor de afloop van de eerste termijn schriftelijk gemotiveerd mededeling gedaan aan de aanvrager.

2. Voor zover een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt ingewilligd, stelt Onze betrokken Minister de aanvrager zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen vier weken na bekendmaking van zijn besluit in kennis van de desbetreffende gegevens.

Artikel 49

1. Onze betrokken Minister stelt de aanvrager in kennis van de desbetreffende gegevens door:

a. het geven van een kopie van het document waarin de gegevens zijn neergelegd of door de letterlijke inhoud daarvan in andere vorm te verstrekken,

b. inzage van de inhoud van het desbetreffende document toe te staan,

c. een uittreksel of een samenvatting van de inhoud van het desbetreffende document te geven of

d. inlichtingen uit het desbetreffende document te verschaffen.

2. Bij het kiezen tussen de vormen van inkennisstelling houdt Onze betrokken Minister rekening met de voorkeur van de aanvrager en het belang van de dienst.

3. Indien de aanvrager slechts inzage van de inhoud wordt toegestaan, is artikel 45, tweede lid, laatste volzin,van overeenkomstige toepassing.

4. Voor het vervaardigen van kopieën van documenten en uittreksels of samenvattingen van de inhoud daarvan kan van de aanvrager een vergoeding worden gevraagd. De bij of krachtens artikel 12 van de Wet openbaarheid van bestuur gestelde regels zijn daarop van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 4.4 Weigeringsgronden en beperkingen

Artikel 50

1. Een aanvraag als bedoeld in artikel 45 wordt in ieder geval afgewezen, indien:

a. betreffende de aanvrager in het kader van enig onderzoek gegevens zijn verwerkt, tenzij:

1°. de desbetreffende gegevens meer dan 5 jaar geleden zijn verwerkt,

2°. met betrekking tot de aanvrager sindsdien geen nieuwe gegevens zijn verwerkt in verband met het onderzoek in het kader waarvan de desbetreffende gegevens zijn verwerkt, en

3°. de desbetreffende gegevens niet relevant zijn voor enig lopend onderzoek;

b. betreffende de aanvrager geen gegevens zijn verwerkt.

2. Indien een aanvraag ingevolge het eerste lid wordt afgewezen, wordt bij de motivering van de afwijzing slechts in algemene termen gewezen op alle aldaar vermelde gronden voor de afwijzing.

Artikel 51

1. Een aanvraag als bedoeld in artikel 48 wordt afgewezen, voor zover verstrekking van de gegevens waarop de aanvraag betrekking heeft:

a. de eenheid van de Kroon in gevaar zou kunnen brengen;

b. de veiligheid van de staat zou kunnen schaden;

c. bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn medegedeeld.

2. Een aanvraag wordt voorts afgewezen voor zover het belang van verstrekking van de gegevens waarop de aanvraag betrekking heeft, niet opweegt tegen de volgende belangen:

a. de betrekkingen van Nederland met andere staten en met internationale organisaties;

b. de economische of financiële belangen van de staat, de andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen;

c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten;

d. inspectie, controle en toezicht door of vanwege bestuursorganen;

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

f. het belang, dat de persoon of organisatie waarop de gegevens betrekking hebben erbij heeft om als eerste kennis te kunnen nemen van de gegevens;

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel derden.

3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag als bedoeld in artikel 45, voor zover een dergelijke aanvraag niet wordt afgewezen ingevolge artikel 50.

Artikel 52

1. In het geval dat de aanvraag betrekking heeft op gegevens vervat in documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, worden geen gegevens verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen.

2. Over persoonlijke beleidsopvattingen kunnen met het oog op een goede en democratische bestuursvoering gegevens worden verstrekt in niet tot personen herleidbare vorm. Indien degene die deze opvattingen heeft geuit of zich erachter heeft gesteld, daarmee heeft ingestemd, kunnen de gegevens in tot personen herleidbare vorm worden verstrekt.

3. Met betrekking tot adviezen van een ambtelijke of gemengd samengestelde adviescommissie kan het verstrekken van gegevens over de daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen plaatsvinden, indien het voornemen daartoe door het bestuursorgaan dat het rechtstreeks aangaat aan de leden van de adviescommissie voor de aanvang van hun werkzaamheden kenbaar is gemaakt.

HOOFDSTUK 5. SAMENWERKING TUSSEN DIENSTEN EN MET ANDERE INSTANTIES

Paragraaf 5.1 Samenwerking tussen diensten

Artikel 53

1. De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst verlenen elkaar zoveel mogelijk medewerking.

2. De medewerking, bedoeld in het eerste lid, bestaat in ieder geval uit:

a. de verstrekking van gegevens;

b. het verlenen van technische en andere vormen van ondersteuning in het kader van de toepassing van bijzondere bevoegdheden als bedoeld in paragraaf 3.2.2.

3. Een verzoek om medewerking als bedoeld in het tweede lid, onder b, wordt ondertekend door Onze betrokken Minister en omvat een nauwkeurige omschrijving van de verlangde werkzaamheden. Onze betrokken Minister die om de medewerking heeft verzocht, is verantwoordelijk voor de feitelijke uitvoering van de te verrichten werkzaamheden.

Artikel 54

1. De hoofden van de diensten dragen zorg voor het onderhouden van verbindingen met daarvoor in aanmerking komende inlichtingen- en veiligheidsdiensten van andere landen.

2. In het kader van het onderhouden van verbindingen als bedoeld in het eerste lid kunnen aan deze instanties gegevens worden verstrekt ten behoeve van door deze instanties te behartigen belangen, voor zover:

a. deze belangen niet onverenigbaar zijn met de belangen die de diensten hebben te behartigen, en

b. een goede taakuitvoering door de diensten zich niet tegen verstrekking verzet.

3. Op de verstrekking van gegevens als bedoeld in het tweede lid, zijn de artikelen 36, 39 en 40 van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 5.2 Samenwerking met andere instanties

Artikel 55

1. De korpschef van een politiekorps, de commandant van de Koninklijke marechaussee, het hoofd van de directie douane-aangelegenheden van het Ministerie van Financiën verrichten werkzaamheden ten behoeve van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst.

2. Onze Ministers onder wie de bij of krachtens het eerste lid bedoelde ambtenaren ressorteren, onderscheidenlijk de korpsbeheerders van een regionaal politiekorps wijzen in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken ondergeschikten van deze ambtenaren aan tot de feitelijke uitvoering van en het toezicht op de aldaar bedoelde werkzaamheden.

3. De in dit artikel bedoelde werkzaamheden worden verricht onder verantwoordelijkheid van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en overeenkomstig de aanwijzingen van het hoofd van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst.

4. Met betrekking tot het optreden van ambtenaren van politie ter uitvoering van de in dit artikel bedoelde werkzaamheden blijft hoofdstuk X van de Politiewet 1993 buiten toepassing.

Artikel 56

1. De leden van het openbaar ministerie doen, door tussenkomst van de procureur-generaal, mededeling van de te hunner kennis gekomen gegevens die zij voor een dienst van belang achten, aan die dienst.

2. Steeds wanneer de vervulling van de taak van het openbaar ministerie en van een dienst daartoe aanleiding geeft, plegen de betrokken procureur-generaal en het hoofd van de betrokken dienst overleg.

Artikel 57

De ambtenaren van politie, de ambtenaren van de douane en de ambtenaren van de Koninklijke marechaussee doen mededeling van de te hunner kennis gekomen gegevens die voor een dienst van belang kunnen zijn, aan de in artikel 55, eerste lid, bedoelde ambtenaar aan wie zij ondergeschikt zijn. Deze zendt de gegevens aan die dienst.

Artikel 58

1. De diensten zijn bevoegd op schriftelijk verzoek van het daartoe bevoegde gezag tot het verlenen van technische ondersteuning aan de met opsporing van strafbare feiten belaste instanties. Artikel 53, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

2. Onze betrokken Minister is bevoegd zich te wenden tot Onze Minister van Justitie met het schriftelijke verzoek tot het verlenen van technische ondersteuning aan de betrokken dienst bij de uitvoering van diens taak door het Korps Landelijke Politiediensten. Artikel 53, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK 6. TOEZICHT EN KLACHTBEHANDELING

Paragraaf 6.1 Instelling, samenstelling en andere bijzondere bepalingen betreffende de commissie van toezicht

Artikel 59

1. Er is een commissie van toezicht betreffende de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.

2. De commissie van toezicht is belast met:

a. het toezicht op de rechtmatigheid van de uitvoering van hetgeen bij of krachtens deze wet en de Wet veiligheidsonderzoeken is gesteld;

b. het adviseren van Onze betrokken Ministers terzake van het onderzoeken en beoordelen van klachten.

Artikel 60

1. De commissie van toezicht bestaat uit drie leden, onder wie de voorzitter.

2. De leden worden benoemd bij koninklijk besluit op voordracht van Onze betrokken Ministers gezamenlijk voor een tijdvak van zes jaar en kunnen slechts eenmaal worden herbenoemd. Voor de benoeming van de voorzitter wordt door de vice-president van de Raad van State, de president van de Hoge Raad der Nederlanden en de Nationale ombudsman gezamenlijk een aanbeveling gedaan van drie personen.

3. Ten minste twee van de drie leden, onder wie de voorzitter, dienen aan een universiteit dan wel de Open Universiteit waarop de Wet op het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, het doctoraat in de rechtsgeleerdheid of het recht om de titel meester te voeren te hebben verkregen.

4. Alvorens hun ambt te aanvaarden leggen de leden in handen van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, af:

a. de eed of verklaring en belofte dat zij tot het verkrijgen van hun benoeming rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of onder welk voorwendsel ook, aan iemand iets hebben gegeven of beloofd, alsmede dat zij om iets in hun ambt te doen of te laten rechtstreeks noch middellijk van iemand enig geschenk of enige belofte hebben aangenomen of zullen aannemen;

b. de eed of belofte van trouw aan de Grondwet.

5. De leden dienen de Nederlandse nationaliteit te bezitten.

6. De leden vervullen geen betrekkingen waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op een goede vervulling van hun functie of op de handhaving van hun onpartijdigheid en onafhankelijkheid of van het vertrouwen daarin.

7. De betrekkingen van de leden worden door de voorzitter openbaar gemaakt.

Artikel 61

Aan de leden van de commissie van toezicht wordt bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze betrokken Ministers gezamenlijk, ontslag verleend:

a. op verzoek van de betrokkene;

b. wanneer de betrokkene uit hoofde van ziekten of gebreken blijvend ongeschikt is zijn functie te vervullen;

c. bij de aanvaarding van een betrekking als bedoeld in artikel 60, zesde lid;

d. bij het verlies van Nederlanderschap;

e. wanneer betrokkene bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;

f. wanneer betrokkene ingevolge onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, surseance van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld;

g. wanneer naar het oordeel van Onze betrokken Ministers gezamenlijk, gehoord de vice-president van de Raad van State, de president van de Hoge Raad der Nederlanden en de Nationale ombudsman gezamenlijk, betrokkene door handelen of nalaten ernstig nadeel toebrengt aan het in hem te stellen vertrouwen.

Artikel 62

1. Door Onze betrokken Ministers gezamenlijk wordt een lid van de commissie van toezicht op non-actief gesteld, ingeval:

a. hij zich in voorlopige hechtenis bevindt;

b. hij bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;

c. hij onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, surséance van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld ingevolge een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak.

2. Door Onze betrokken Ministers gezamenlijk kan een lid van de commissie op non-actief worden gesteld, indien tegen hem een gerechtelijk vooronderzoek ter zake van een misdrijf wordt ingesteld of indien er een ander ernstig vermoeden is voor het bestaan van feiten of omstandigheden die tot ontslag, anders dan op gronden vermeld in artikel 61, onder b, zouden kunnen leiden.

3. In het geval, bedoeld in het tweede lid, eindigt de non-activiteit na drie maanden. Door Onze betrokken Ministers gezamenlijk kan de non-activiteit telkens met ten hoogste drie maanden worden verlengd. De non-activiteit wordt door Onze betrokken Ministers gezamenlijk beëindigd zodra de grond voor non-activiteit is vervallen.

Artikel 63

Bij algemene maatregel van bestuur worden de bezoldiging, de aanspraken in geval van ziekte, alsmede de overige rechten en plichten die betrekking hebben op de rechtspositie van de leden van de commissie van toezicht geregeld, voor zover daarin niet bij de wet is voorzien.

Artikel 64

1. De commissie van toezicht beschikt te harer ondersteuning over een secretariaat.

2. De tot het secretariaat behorende personen worden bij koninklijk besluit op voordracht van Onze betrokken Ministers gezamenlijk, op aanbeveling van de voorzitter van de commissie benoemd, geschorst en ontslagen.

3. Bij koninklijk besluit op voordracht van Onze betrokken Ministers gezamenlijk, kan worden bepaald in welke gevallen de tot het secretariaat behorende personen door de voorzitter van de commissie kunnen worden benoemd, geschorst en ontslagen.

Artikel 65

Op de leden van de commissie van toezicht alsmede de tot het secretariaat behorende personen is artikel 10, eerste en tweede lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de ontheffing, bedoeld in het tweede lid, wordt verleend door Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken.

Artikel 66

De commissie van toezicht stelt voor haar werkzaamheden een reglement van orde op. Dit reglement wordt in de Staatscourant geplaatst.

Artikel 67

De vergaderingen van de commissie van toezicht zijn niet openbaar.

Artikel 68

De commissie van toezicht verstrekt desgevraagd aan Onze betrokken Ministers de voor de uitoefening van hun taak benodigde inlichtingen. Onze betrokken Ministers kunnen inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van hun taken nodig is,

Paragraaf 6.2 De taakuitvoering door de commissie van toezicht

Paragraaf 6.2.1 Algemene bepalingen terzake het uitoefenen van het toezicht

Artikel 69

1. Onze betrokken Ministers, de hoofden van de diensten, de coördinator en voorts een ieder die betrokken is bij de uitvoering van deze wet en de Wet veiligheidsonderzoeken verstrekken desgevraagd aan de commissie van toezicht alle inlichtingen en verlenen haar alle overige medewerking die zij voor een goede uitoefening van haar taak noodzakelijk acht. De commissie van toezicht wordt desgevraagd rechtstreekse toegang verleend tot de in het kader van de uitvoering van deze wet en de Wet veiligheidsonderzoeken verwerkte gegevens.

2. Bij de verstrekking van inlichtingen als bedoeld in het eerste lid wordt, indien daartoe aanleiding bestaat, aangegeven welke inlichtingen in het belang van de veiligheid of andere gewichtige belangen van de staat ter uitsluitende kennisneming van de commissie van toezicht dienen te blijven.

Artikel 70

1. De commissie van toezicht kan, indien zij dat voor een goede uitoefening van haar taak noodzakelijk acht, getuigen om inlichtingen verzoeken en deze oproepen om voor haar te verschijnen.

2. Het verzoek geschiedt schriftelijk en vermeldt zo veel als mogelijk de feiten waaromtrent door de getuige inlichtingen dienen te worden verstrekt. Indien de getuige is opgeroepen om voor de commissie te verschijnen, vermeldt het verzoek tevens de plaats en het tijdstip waarop deze zal worden gehoord en de gevolgen die zijn verbonden aan het niet verschijnen. De oproeping om te verschijnen geschiedt bij aangetekende brief of bij brief met ontvangstbevestiging.

3. De getuige is verplicht alle inlichtingen te verschaffen die de commissie van toezicht voor een goede taakuitoefening noodzakelijk acht en daartoe, indien de commissie van toezicht dat in haar verzoek heeft aangegeven, in persoon te verschijnen. De opgeroepene kan zich laten bijstaan door een raadsman.

4. De verplichting om voor de commissie te verschijnen geldt niet voor Onze betrokken Ministers. Wanneer een minister niet verschijnt, laat hij zich vertegenwoordigen.

5. De commissie van toezicht kan bevelen dat personen die, hoewel wettelijk opgeroepen, niet zijn verschenen, door de openbare macht voor haar worden gebracht om aan hun verplichtingen te voldoen.

6. De getuige kan zich van het verstrekken van inlichtingen verschonen wegens ambts- of beroepsgeheim, doch alleen voor zover het inlichtingen betreft waarvan de wetenschap aan hem als zodanig is toevertrouwd.

Artikel 71

De commissie van toezicht kan bevelen, dat getuigen niet zullen worden gehoord dan na het afleggen van de eed of belofte. De getuige legt in dat geval in handen van de voorzitter van de commissie van toezicht de eed of de belofte af, dat hij zal zeggen de gehele waarheid en niets dan de waarheid.

Artikel 72

1. De commissie van toezicht is bevoegd om, indien een goede taakuitvoering dat noodzakelijk maakt, bepaalde werkzaamheden aan deskundigen op te dragen.

2. De deskundige die zijn opdracht heeft aanvaard, is verplicht zijn taak onpartijdig en naar beste weten te verrichten.

Artikel 73

De commissie van toezicht dan wel een daartoe door haar aangewezen lid is bevoegd alle plaatsen te betreden, met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner, voor zover dat voor de vervulling van haar taak redelijkerwijs nodig is.

Paragraaf 6.2.2 De uitoefening van het toezicht

Artikel 74

1. In het kader van haar toezichthoudende taak, bedoeld in artikel 59, tweede lid, onder a, is de commissie van toezicht bevoegd tot het verrichten van onderzoek naar de wijze waarop hetgeen bij of krachtens deze wet of de Wet veiligheidsonderzoeken is gesteld, is uitgevoerd.

2. Aan Onze betrokken Minister alsmede de commissie, bedoeld in artikel 8, vierde lid, wordt van een voorgenomen onderzoek mededeling gedaan.

Artikel 75

1. De commissie van toezicht stelt naar aanleiding van het door haar verrichte onderzoek een toezichtsrapport op. Het toezichtsrapport is niet openbaar.

2. Alvorens het toezichtsrapport vast te stellen, stelt de commissie van toezicht Onze betrokken Minister in de gelegenheid zich binnen een door de commissie gestelde redelijke termijn op de in het toezichtsrapport opgenomen bevindingen te reageren.

3. Na ontvangst van de reactie van Onze betrokken Minister stelt de commissie van toezicht het toezichtsrapport vast. Zij kan naar aanleiding van haar bevindingen Onze betrokken Minister aanbevelingen doen met betrekking tot eventueel te treffen maatregelen.

4. Het toezichtsrapport wordt na vaststelling door de commissie van toezicht gezonden aan Onze betrokken Minister.

5. Onze betrokken Minister zendt het toezichtsrapport alsmede zijn reactie daarop, binnen zes weken ter vertrouwelijke kennisneming aan de commissie, bedoeld in artikel 8, vierde lid.

Paragraaf 6.3 Verslaglegging door de commissie van toezicht

Artikel 76

1. De commissie van toezicht brengt jaarlijks voor 1 mei een openbaar verslag uit van haar werkzaamheden. Het verslag wordt aangeboden aan beide kamers der Staten-Generaal en aan Onze betrokken Ministers. Artikel 8, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

2. Het openbare jaarverslag wordt algemeen verkrijgbaar gesteld.

Paragraaf 6.4 Overige bepalingen met betrekking tot de commissie van toezicht

Artikel 77

1. Gegevens die door Onze betrokken Ministers, de hoofden van de diensten, de coördinator en andere bij de uitvoering van deze wet en de Wet veiligheidsonderzoeken betrokken ambtenaren ten behoeve van de taakuitoefening door de commissie van toezicht daaraan zijn verstrekt en aldaar berusten, zijn niet openbaar.

2. Verzoeken om kennisneming of openbaarmaking van deze gegevens worden geweigerd.

3. Artikel 42 is van overeenkomstige toepassing op de archiefbescheiden die berusten bij de commissie van toezicht, met dien verstande dat voor Onze betrokken Minister wordt gelezen: Onze betrokken Minister wie het aangaat.

Artikel 78

De artikelen 15 en 16 zijn van overeenkomstige toepassing op de commissie van toezicht.

Paragraaf 6.5 De behandeling van klachten

Artikel 79

1. Een ieder heeft het recht bij de Nationale ombudsman een klacht in te dienen over het optreden of het vermeende optreden van Onze betrokken Ministers, de hoofden van de diensten, de coördinator, en de voor de diensten en de coördinator werkzame personen jegens een natuurlijke of rechtspersoon ter uitvoering van deze wet of de Wet veiligheidsonderzoeken.

2. Alvorens een klacht in te dienen bij de Nationale ombudsman, stelt de klager Onze betrokken Minister wie het aangaat in kennis van diens klacht en stelt hij deze in de gelegenheid diens zienswijze daarop te geven. Onze betrokken Minister deelt na advies van de commissie van toezicht binnen tien weken na indiening van de klacht de klager zijn zienswijze met betrekking tot de klacht mede.

Artikel 80

1. De Nationale ombudsman deelt zijn oordeel omtrent de klacht schriftelijk en, voor zover de veiligheid dan wel andere gewichtige belangen van de staat zich daartegen niet verzetten, met redenen omkleed aan de klager mede.

2. De Nationale ombudsman deelt zijn oordeel omtrent de klacht schriftelijk mede aan Onze betrokken Minister. De Nationale ombudsman kan aan die mededeling met redenen omkleed de aanbevelingen doen die hij dienstig oordeelt. De Nationale ombudsman kan, indien de strekking van de aanbevelingen daartoe naar zijn oordeel aanleiding geeft, die ook aan de klager mededelen.

3. Onze betrokken Minister stelt de Nationale ombudsman binnen zes weken schriftelijk op de hoogte van de gevolgen die hij aan het oordeel alsmede aan de aanbevelingen verbindt.

4. Onze betrokken Minister zendt het oordeel van de Nationale ombudsman, zijn aanbevelingen alsmede de door hem daaraan te verbinden gevolgen aan de commissie, bedoeld in artikel 8, vierde lid. De aanbevelingen van de Nationale ombudsman, voor zover die niet tevens zijn medegedeeld aan de klager, alsmede de door Onze betrokken Minister aan het oordeel verbonden gevolgen worden ter vertrouwelijke kennisneming aan de commissie, bedoeld in artikel 8, vierde lid, medegedeeld.

HOOFDSTUK 7. GEHEIMHOUDING

Artikel 81

1. Onverminderd de artikelen 98 tot en met 98c van het Wetboek van Strafrecht, is een ieder die betrokken is bij de uitvoering van deze wet en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, verplicht tot geheimhouding daarvan behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot bekendmaking verplicht. Deze verplichting duurt voort, nadat het betrokken zijn bij de uitvoering van deze wet is geëindigd.

2. Artikel 272, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is niet van toepassing in geval van handelen of nalaten in strijd met de in het eerste lid omschreven verplichting.

Artikel 82

1. De verplichting tot geheimhouding van een ambtenaar die betrokken is bij de uitvoering van deze wet, geldt niet tegenover hem aan wie de ambtenaar middellijk of onmiddellijk ondergeschikt is, noch in zover hij door een boven hem gestelde van die verplichting is ontslagen.

2. De ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, die krachtens een wettelijke bepaling verplicht wordt als getuige of deskundige op te treden, legt slechts een verklaring af omtrent datgene waartoe zijn verplichting tot geheimhouding zich uitstrekt, voor zover Onze betrokken Minister en Onze Minister van Justitie gezamenlijk hem daartoe schriftelijk van de verplichting hebben ontheven. Daarbij wordt voor ambtenaren die in hun functie kennis hebben gekregen van gegevens die krachtens artikel 35, eerste lid, onder a en b, door een dienst zijn verstrekt als: «Onze betrokken Minister» aangemerkt: Onze Minister onder wie de dienst ressorteert die de gegevens heeft verstrekt.

3. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing in het geval dat het betrokken zijn bij de uitvoering van deze wet is geëindigd.

Artikel 83

1. In bestuursrechtelijke procedures inzake de toepassing van deze wet of de Wet veiligheidsonderzoeken waarbij Onze betrokken Minister of de commissie van toezicht door de rechtbank ingevolge artikel 8:27, 8:28 of 8:45 van de Algemene wet bestuursrecht wordt verplicht tot het verstrekken van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken, blijft artikel 8:29, derde tot en met vijfde lid, van die wet buiten toepassing. Indien Onze betrokken Minister of de commissie van toezicht de rechtbank meedeelt dat uitsluitend zij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken, kan de rechtbank slechts met toestemming van de andere partijen mede op grondslag van die inlichtingen of stukken uitspraak doen. Indien Onze betrokken Minister of de commissie van toezicht het verstrekken van inlichtingen of het overleggen van stukken weigert, blijft artikel 8:31 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

2. Indien door Onze betrokken Minister of de commissie van toezicht aan de rechtbank stukken dienen te worden overgelegd, kan worden volstaan met het ter inzage geven van de desbetreffende stukken. Van de desbetreffende stukken mag op generlei wijze een afschrift worden vervaardigd.

Artikel 84

Indien ten behoeve van de beslissing op een tegen een besluit van Onze betrokken Minister ingediend bezwaarschrift, een adviescommissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht is ingesteld, komt aan die commissie niet de bevoegdheid, bedoeld in artikel 7:13, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht toe, voor zover deze betrekking heeft op de beslissing over de toepassing van artikel 7:4, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De uitoefening van deze bevoegdheid blijft voorbehouden aan Onze betrokken Minister.

HOOFDSTUK 8. STRAF- , OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 85

1. Overtreding van de artikelen 23, zevende lid, 24, derde lid, 25, zevende en achtste lid, 27, zesde lid en 28, vierde lid, is strafbaar.

2. Overtredingen van de in het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven, voor zover zij opzettelijk zijn begaan. Voor zover zij geen misdrijven zijn, zijn zij overtredingen.

3. Overtreding van de in het eerste lid strafbaar gestelde feiten wordt gestraft

a. in geval van een misdrijf, met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaar of geldboete van de vierde categorie;

b. in geval van een overtreding, met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie.

Artikel 86

Op gegevens verwerkt door of ten behoeve van inlichtingenen veiligheidsdiensten die zijn opgeheven, zijn de artikelen 15, 16, 35, 39, 40, 41, 42, alsmede de hoofdstukken 4, 6 en 7 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de desbetreffende bevoegdheden en verplichtingen toekomen aan Onze Minister bij wie de desbetreffende gegevens berusten.

Artikel 87

De Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op de voorbereiding, totstandkoming en tenuitvoerlegging van besluiten op grond van artikel 6, tweede lid, onder d, artikel 7, tweede lid, onder e, alsmede op grond van de hoofdstukken 3 en 5 in het kader van de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onder a, c en d, en artikel 7, tweede lid, onder a, c, d en e.

Artikel 88

Het Wetboek van Strafrecht wordt gewijzigd als volgt:

A

Artikel 139a, derde lid, onder 3°, komt te luiden:

3°. ter uitvoering van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 19..

B

Artikel 139c, tweede lid, onder 3°, komt te luiden:

3°. ten behoeve van de goede werking van de telecommunicatie-infrastructuur of via een telecommunicatie-inrichting die wordt aangewend voor dienstverlening aan het publiek, ten behoeve van de strafvordering, dan wel ter uitvoering van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 19..

Artikel 89

De Algemene Wet bestuursrecht wordt gewijzigd als volgt:

In de bijlage bij de Algemene wet bestuursrecht, bedoeld in artikel 8:5 van die wet, wordt voor onderdeel A een nieuw onderdeel A0 ingevoegd, luidende:

A0 MINISTERIE VAN ALGEMENE ZAKEN

Hoofdstuk 6 van de Wet op de inlichtingen en veiligheidsdiensten 19.., met uitzondering van paragraaf 6.1

Artikel 90

De Ambtenarenwet wordt gewijzigd als volgt:

In artikel 2, eerste lid, wordt onder vervanging van de punt in onderdeel z door een puntkomma, na onderdeel z een nieuw onderdeel toegevoegd, luidende:

aa. de voorzitter en de leden van de commissie van toezicht, bedoeld in de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 19...

Artikel 91

De Wet veiligheidsonderzoeken wordt gewijzigd als volgt:

A

In artikel 2 wordt «Militaire Inlichtingendienst» vervangen door: Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst.

B

In de artikelen 2, 3, tweede lid, 4, eerste lid, 5, eerste lid, 7, eerste lid, 13, derde lid, wordt «Binnenlandse Veiligheidsdienst» telkens vervangen door: Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst.

Artikel 92

De Wet politieregisters wordt gewijzigd als volgt:

In artikel 15, tweede lid, wordt «Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Stb. 1987, 635)» vervangen door: Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 19...

Artikel 93

De Wet persoonsregistraties wordt gewijzigd als volgt:

In artikel 2, derde lid, onderdeel a, wordt «Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten» vervangen door «Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 19..».

Artikel 94

De Wet op de telecommunicatievoorzieningen wordt gewijzigd als volgt:

In artikel 64, eerste lid, wordt na «bijzondere last» ingevoegd: dan wel een toestemming op grond van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 19...

Artikel 95

1. Op verzoeken om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur met betrekking tot door of ten behoeve van de diensten verwerkte gegevens die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van deze wet, blijven de bepalingen van die wet van toepassing.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, indien het verzoeken om informatie betreft met betrekking tot gegevens verwerkt door de coördinator of door inlichtingenen veiligheidsdiensten die zijn opgeheven.

Artikel 96

Indien artikel 1.1, onderdeel t, van het bij koninklijke boodschap van 15 september 1997 ingediende voorstel van wet houdende regels inzake de telecommunicatie (Telecommunicatiewet) (Kamerstukken II, 1996/97, 25 533) tot wet wordt verheven en in werking treedt, worden in deze wet de volgende wijzigingen aangebracht:

A

1. In artikel 25, vierde lid, onder a, wordt de zinsnede «artikel 1, onder cc, van de Wet op de Telecommunicatievoorzieningen» vervangen door: artikel 1.1, onder t, van de Telecommunicatiewet.

B

In artikel 26, derde lid, onder b, wordt de zinsnede «artikel 1, onder cc, van de Wet op de Telecommunicatievoorzieningen» vervangen door: artikel 1.1, onder t, van de Telecommunicatiewet.

C

Artikel 27 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het derde lid, onder a, wordt «artikel 1, onder cc, van de Wet op de Telecommunicatievoorzieningen» vervangen door: artikel 1.1, onder t, van de Telecommunicatiewet.

2. In het vijfde lid, onder a, wordt «artikel 1, onder cc, van de Wet op de Telecommunicatievoorzieningen» vervangen door: artikel 1.1, onder t, van de Telecommunicatiewet.

Artikel 97

Indien artikel 13.1 van het bij koninklijke boodschap van 15 september 1997 ingediende voorstel van wet houdende regels inzake de telecommunicatie (Telecommunicatiewet) (Kamerstukken II, 1996/97, 25 533) tot wet wordt verheven en in werking treedt, worden in deze wet de volgende wijzigingen aangebracht:

A

In artikel 25, zevende lid, wordt «De houders, bedoeld in artikel 64 van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen alsmede degenen die telecommunicatiediensten voor derden verzorgen» vervangen door: De aanbieders bedoeld in artikel 13.1 van de Telecommunicatiewet.

B

Artikel 27 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid wordt «de houders, bedoeld in artikel 64 van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen alsmede degenen die telecommunicatiediensten voor derden verzorgen» vervangen door: de aanbieders bedoeld in artikel 13.1 van de Telecommunicatiewet.

2. In het zesde lid wordt «De houders, bedoeld in artikel 64 van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen alsmede degenen die telecommunicatiediensten voor derden verzorgen» vervangen door: De aanbieders bedoeld in artikel 13.1 van de Telecommunicatiewet.

C

Artikel 28 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid wordt «de houders, bedoeld in artikel 64 van de Wet op de telecommunicatiediensten alsmede degenen die telecommunicatie voor derden verzorgen» vervangen door: de aanbieders, bedoeld in artikel 13.1 van de Telecommunicatiewet.

2. In het vierde lid wordt «De houders, bedoeld in artikel 64 van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen alsmede degenen die telecommunicatiediensten voor derden verzorgen» vervangen door: De aanbieders bedoeld in artikel 13.1 van de Telecommunicatiewet.

D

In artikel 85 wordt «artikel 25, zevende en achtste lid» vervangen door: artikel 25, zevende lid.

Artikel 98

Indien artikel 13.4 van het bij koninklijke boodschap van 15 september 1997 ingediende voorstel van wet houdende regels inzake de telecommunicatie (Telecommunicatiewet) (Kamerstukken II, 1996/97, 25 533) tot wet wordt verheven en in werking treedt, worden in deze wet de volgende wijzigingen aangebracht:

A

In artikel 25 vervalt het zevende lid, onder vernummering van het achtste lid tot zevende lid.

B

In artikel 85 wordt «artikel 25, zevende en achtste lid» vervangen door: artikel 25, zevende lid.

Artikel 99

Indien artikel 13.2 van het bij koninklijke boodschap van 15 september 1997 ingediende voorstel van wet houdende regels inzake de telecommunicatie (Telecommunicatiewet) (Kamerstukken II, 1996/97, 25 533) tot wet wordt verheven en in werking treedt wordt in het eerste en tweede lid van dit artikel na «bijzondere last» telkens ingevoegd: dan wel een toestemming op grond van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 19...

Artikel 100

Indien artikel 13.4 van het bij koninklijke boodschap van 15 september 1997 ingediende voorstel van wet houdende regels inzake de telecommunicatie (Telecommunicatiewet) (Kamerstukken II, 1996/97, 25 533) tot wet wordt verheven en in werking treedt wordt in het eerste lid na «bijzondere last» ingevoegd: dan wel een toestemming op grond van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 19...

Artikel 101

Indien artikel 13.5 van het bij koninklijke boodschap van 15 september 1997 ingediende voorstel van wet houdende regels inzake de telecommunicatie (Telecommunicatiewet) (Kamerstukken II, 1996/97, 25 533) tot wet wordt verheven en in werking treedt wordt in het eerste lid na «bijzondere last» ingevoegd: dan wel met betrekking tot een toestemming op grond van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 19...

Artikel 102

Indien artikel 13.6 van het bij koninklijke boodschap van 15 september 1997 ingediende voorstel van wet houdende regels inzake de telecommunicatie (Telecommunicatiewet) (Kamerstukken II, 1996/97, 25 533) tot wet wordt verheven en in werking treedt wordt in het tweede lid, na «bijzondere last» ingevoegd: dan wel aan het voldoen van een toestemming op grond van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 19...

Artikel 103

De Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten wordt ingetrokken.

Artikel 104

Na de inwerkingtreding van deze wet berust de Aanwijzingsregeling bijzondere dienst Koninklijke marechaussee (Stcrt. 1994, 144) op artikel 53, tweede lid, van deze wet.

Artikel 105

1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

2. Voor de bekendmaking van deze wet stelt Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, de nummering van de artikelen, paragrafen en hoofdstukken van deze wet opnieuw vast, brengt hij de in deze wet voorkomende aanhalingen van artikelen, paragrafen en hoofdstukken daarmee in overeenstemming en vervangt hij de in deze wet voorkomende aanduiding «19..» door het jaartal van het Staatsblad waarin deze wet zal worden geplaatst.

Artikel 106

Deze wet wordt aangehaald als: Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten met vermelding van het jaartal van het Staatsblad waarin zij zal worden geplaatst.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister-President, Minister van Algemene Zaken,

De Minister van Binnenlandse Zaken,

De Minister van Defensie,

De Minister van Justitie,