nr. 9
BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 5 februari 1998
Bij de regeling van de werkzaamheden op 3 februari jl. heeft het lid van
uw Kamer, mw. Kalsbeek-Jasperse, mede namens de fracties van de VVD, D66,
Groenlinks en het CDA mij verzocht een brief te zenden in reactie op berichtgeving
in de GPD-pers in verband met de nevenfunctie van mr. Steenhuis. De heer Marijnissen
heeft zich bij dit verzoek aangesloten.
Met het onderstaande, dat tevens de antwoorden bevat op de door het lid
Rabbae op 3 februari gestelde schriftelijke vragen, geef ik aan het bedoelde
verzoek gevolg.
In de eerste plaats deel ik u mee bereid te zijn u de brief van mr. Docters
van Leeuwen, om toezending waarvan de heer Rabbae heeft verzocht, in kopie
te doen toekomen. Deze gaat als bijlage bij deze brief1. In verband daarmee roep ik in herinnering, dat de gebeurtenissen
waaraan in bedoelde brief wordt gerefereerd, door mij zijn weergegeven in
mijn brieven van 26, 27 en 28 januari.
Het bericht in de pers dat tot het verzoek van uw Kamer aanleiding heeft
gegeven, noemt een aantal punten waarop ik uw Kamer onvolledig zou hebben
ingelicht. In dat verband wordt melding gemaakt van een brief van mr Docters
van Leeuwen van 28 januari 1998.
Alvorens nader op het bericht van de GPD-bladen in te gaan deel ik het
volgende mee: mr. Docters van Leeuwen heeft mij een persoonlijke brief gestuurd,
gedateerd op 27 januari 1998, en wel op de avond van die 27e per fax; diezelfde
brief is op de ochtend van de 28e – de dag waarop ik met uw Kamer over
deze zaak debatteerde – ten departemente bezorgd en mij ter hand gesteld.
In het relaas van feiten van de GPD wordt als datum van de brief de 28e genoemd
en als datum van bezorging de 29e die ook als datum van het debat genoemd
staat. Dat is dus onjuist. Ik ga er in het vervolg van deze brief vanuit,
dat de brief waaraan in het bericht wordt gerefereerd die van 27 januari is;
een andere brief van mr. Docters van Leeuwen heeft mij niet bereikt. Aangezien
de bedoelde brief verwijst naar een brief van het College van procureurs-generaal
(CPG) die op 26 januari is bezorgd, is ook deze in kopie bijgevoegd1. Ik zond u die brief reeds eerder namelijk op 27 januari
tezamen met de verslagen van de gesprekken die de heer Dolman heeft gevoerd.
Het bericht maakt melding van wezenlijke onderhandelingen waarbij mijn
secretaris-generaal (SG) en ik betrokken zouden zijn, die ik uw Kamer niet
heb genoemd. Het betreft dan gesprekken met mr. Docters van Leeuwen op 20
en 21 januari over de omvang van het College van procureurs-generaal.
Ik heb in mijn brief met het chronologisch overzicht van 27 januari evenmin
als elders melding gemaakt van onderhandelingen tussen mij of de SG en de
voorzitter van het College op 20 of 21 januari, omdat deze niet hebben plaatsgevonden.
Wel heeft op maandag 19 januari in de middag het regulier (twee- à
driewekelijks) gesprek plaatsgehad tussen mij, de voorzitter van het College
en de SG. Daarin is, onder uitdrukkelijke abstractie van de op dat moment
nog niet bekende uitkomsten van het onderzoek van de heer Dolman, gesproken
over uitbreiding van het College tot vijf personen en herschikking van portefeuilles
waaronder de automatiseringsportefeuille van de heer Steenhuis. Reeds op dat
moment deelden de deelnemers aan dat gesprek de opvatting dat tot te treffen
maatregelen zouden dienen te behoren, dat de automatiseringsportefeuille niet
bij mr. Steenhuis zou blijven berusten en dat deze zijn nevenfuncties bij
ABRI Beveiliging b.v. en Bakkenist zou moeten neerleggen. Ik veronderstel,
dat dit het overleg is waaraan mr. Docters van Leeuwen refereert in zijn brief
van 27 januari waar hij stelt te menen «dat wij [ ...] een begin van
overeenstemming hadden bereikt.» Die opmerking is derhalve in zoverre
onjuist, dat dit gesprek los stond van de uitkomsten van het lopende onderzoek
van de heer Dolman; de kwestie van de eventuele vijfde procureur-generaal
was in verband met de belasting van het viertallig College al langer in bespreking
en ik had reeds voordien aangegeven tot uitbreiding wel mogelijkheden te zien.
Naar mijn oordeel kan mr. Docters van Leeuwen deze bespreking – alleen
al gezien het feit dat dit voor het gereed komen van het rapport Dolman plaats
had – niet in verband brengen met de situatie die daarna is ontstaan.
Op die grond heb ik daarvan aan uw Kamer dan ook geen mededeling gedaan.
Van het bestaan en de inhoud van de brief van mr. Docters van Leeuwen
heb ik uw Kamer inderdaad niet, bij voorbeeld tijdens het debat, op de hoogte
gesteld. Dat berust niet op mijn behoefte die brief geheim te houden. Ik achtte
die brief evenwel niet van belang voor dat debat aangezien deze in hoofdzaak
de – op die van het College aansluitende – perceptie van mr. Docters
van Leeuwen bevat van de gebeurtenissen van in het bijzonder de 22e januari.
Die perceptie neem ik niet voor mijn verantwoording en kan ik u dan ook niet
als zodanig voorhouden. Ik meen niet de indruk te kunnen hebben gewekt als
zouden mijn perceptie en die van de voorzitter van het College overeenkomen.
Over hetgeen in de gesprekken, die op 22 januari zijn gevoerd, door mij en
mijn ambtenaren en door het College naar voren is gebracht en mijn waardering
daarvan, heb ik u in mijn brieven van 26 en 27 januari ingelicht.
Het bericht in de GPD-bladen vermeldt ook, dat mr. Docters van Leeuwen
heeft verzocht de inhoud van de brief van 27 januari bekend te maken. De desbetreffende
zin luidt als volgt: « Als immer vertrouw ik erop, dat u het dienstig
vindt ook het bovenstaande bij wat er een rol heeft gespeeld, weer te geven.»
Ik heb dat op de boven weergegeven gronden niet dienstig geacht. Daar komt
bij, dat bedoelde brief van de voorzitter van het College geen andere feiten
vermeldt dan die van het College die ik u reeds had gezonden.
In het bericht wordt voorts gesteld, dat NOVA niet op donderdag 22 januari
te 14.00 uur met het ministerie heeft gebeld betreffende een dreigend geding.
De inhoud van het bericht laat ik voor rekening van de steller en ik houd
vast aan het gestelde in mijn brief van 27 januari.
Met betrekking tot de vraag van heer Rabbae of de minister-president zich
door mij op het verkeerde been gezet heeft gevoeld, merk ik op, dat dit reeds
namens de minister-president is weersproken.
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager