25 844
Gewichtenregeling basisonderwijs

nr. 3
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAPPEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Zoetermeer, 19 februari 1999

Als bijlage bij deze brief doe ik u de ITS rapportage De gewichtenregeling en mono-etnische scholen nader bekeken toekomen1. Deze rapportage is eerder toegezegd in de door uw Kamer besproken notitie Gewichten gewogen van 15 januari 1998.

Aan het ITS is gevraagd op basis van de beschikbare gegevens in het Prima-cohort onderzoek, na te gaan in hoeverre de hoogte van de gewichten nog aansluit bij de feitelijke prestaties van de leerlingen bij taal en rekenen.

Het ITS heeft deze vraag onderzocht en rapporteert over de onderzoeksresultaten in het rapport De gewichtenregeling en mono-etnische scholen nader bekeken.

Het ITS signaleert dat er verschillen zijn in de resultaten tussen de verschillende groepen leerlingen.

Uitgaande van alleen deze verschillen zijn er redenen om over te gaan tot herziening van de huidige regeling. Het ITS doet daar een aantal suggesties voor.

Ik heb echter aarzelingen om op dit moment dit pad verder op te gaan, om een aantal redenen:

In de eerste plaats vraag ik mij af of de beperking van het begrip onderwijsachterstanden tot alleen leerprestaties in taal rekenen, terecht is. De maatschappelijke werkelijkheid op scholen is vele malen complexer. Dat zien we onder andere bij Antilliaanse leerlingen. Volgens de ITS gegevens scoren deze leerlingen gemiddeld op hetzelfde niveau als autochtone leerlingen met laag opgeleide ouders. De maatschappelijke werkelijkheid in steden als Amsterdam en Rotterdam toont echter dat bij Antilliaanse jongeren ernstige gezins- en gedragsproblemen én achterblijvende leerprestaties én voortijdig schoolverlaten worden gemeld.

In de tweede plaats vraag ik mij af hoever we moeten gaan met het verfijnen van de regelgeving voor de toekenning van de achterstandsmiddelen. Er is nu een aantal groepen omschreven op basis van hun herkomst, maar het blijkt dat binnen die groepen grote verschillen zijn. Deze verschillen hangen bijvoorbeeld samen met de verblijfsduur van kinderen en hun familie in Nederland. Maar ze hangen ook samen met het gegeven of kinderen wonen in wijken waar concentratie van sociaal-economische achterstanden optreedt. Ook tussen jongens en meisjes worden verschillen in scores gevonden.

Ik aarzel om telkens verdere verfijningen in de toedelingsregels aan te brengen.

In de derde plaats heeft een herijking van de gewichtenregeling opnieuw ernstige herverdeeleffecten, die met name tot vermindering van gewichtenmiddelen in de grote steden zullen leiden. Gegeven de ernst van de onderwijssituatie in de grote gemeenten, lijkt mij dit niet wenselijk. Hetgeen uiteraard wel betekent dat een nadere discussie over de effectiviteit van de inzet de inzet van de gewichtenregeling ook in de grote gemeenten aan de orde is.

Tegen deze achtergrond wil ik de verdeling en de inzet van de gewichtenmiddelen in een bredere samenhang plaatsen.

Daarbij wil ik nadrukkelijk ook rekening houden met andere ontwikkelingen.

Relatief recente ontwikkelingen als GOA, de Brede School, Grote Stedenbeleid en lokaal preventief jeugdbeleid bieden immers kansen op een resultaatgerichte inbedding van onderwijsachterstandenbestrijding in een lokale infra-structuur. Dat vraagt om het doorlichten van de bestaande aanpakken en het zoeken naar aanvullende instrumenten, passend in die lokale infrastructuur.

De uitkomsten van het ITS-onderzoek dienen in samenhang met deze ontwikkelingen te worden bezien.

Ik kies ervoor om in gang gezette ontwikkelingen te stimuleren, en daarbij nadrukkelijk te letten op de inzet van de gewichtenmiddelen.

Ik zal een proces in gang zetten waarbij versterking van de effectiviteit van het onderwijsachterstandenbeleid op lokaal niveau het eerste doel is.

Samen met gemeenten en deskundigen zal ik de thema's vaststellen die in aanmerking komen voor een doorlichting van het onderwijsachterstandenbeleid. Dit in het perspectief van betere kansen voor kinderen die extra steun nodig hebben van scholen en hun omgeving en met inachtneming van de nieuwe bestuurlijke verhoudingen in het onderwijsachterstandenbeleid. Uiteraard wordt de ITS rapportage daarbij betrokken.

Met de resultaten van deze doorlichting worden gemeenten in deze eerste planperiode in staat gesteld hun beleid te versterken. Uit de onlangs gepubliceerde quick scan van de gemeentelijke GOA plannen blijkt dat de meeste gemeenten hebben gekozen door een groeimodel om in de eerste planperiode tot bijstelling en aanscherping te kunnen komen. Bedoelde landelijke doorlichting zal dit lokale proces ondersteunen.

De rapportages Integraal schooltoezicht van de Rijksinspectie, de lokale en landelijke monitoring van het GOA beleid en de GSB monitor waarborgen bovendien voor het eerst dat in deze eerste planperiode GOA nauwkeuriger en op verschillende niveaus kan worden nagegaan in hoeverre daadwerkelijk resultaten worden geboekt.

Ter voorbereiding op de tweede planperiode GOA (2002 tot 2006) zal op basis van de evaluatie- en monitorgegevens nieuwe besluitvorming aan de orde zijn voor zowel de toedelingscriteria van de gewichtenregeling, als het GOA budget voor gemeenten en de cumi-faciliteiten voor het Voortgezet Onderwijs. Gelet op deze termijn zal uiterlijk in de loop van het volgende kalenderjaar hierover besluitvorming moeten plaatsvinden.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

K. Y. I. J. Adelmund


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.

Naar boven