nr. 4
BRIEF VAN DE MINISTER VAN FINANCIËN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 14 september 1998
Naar aanleiding van berichten in de media hebben de vaste commissie voor
Financiën en andere leden van de Tweede Kamer mij vragen gesteld over de exacte gang van zaken met betrekking tot kleine tegoeden in de consignatiekas. Ook zijn er vragen geformuleerd over de achterliggende dossiers. Ten
slotte vraagt de Kamer inzicht in soortgelijke onderwerpen die nog zouden
kunnen gaan spelen.
In december 1997 is het Ministerie van Financiën telefonisch benaderd
door advocaat R.A. Kiek. Hij stelde de vraag of de stukken met betrekking
tot consignatiekas kleiner dan f 100,- die zijn geconsigneerd onder het
regime van de Wet van 11 juli 1908 (Stb 226) bewaard waren gebleven. Hierop
stelde het Centraal Archief van de Belastingdienst een onderzoek in. Dit is
de heer Kiek meegedeeld. Op 11 augustus jl. is de heer Kiek geantwoord dat
ten aanzien van deze stukken abusievelijk een bewaringstermijn van 20 jaar
is gehanteerd. De onderliggende dossiers die benodigd waren om tot consignatie
te kunnen overgaan, zijn ten onrechte voor de bedragen kleiner dan f 100,-
vernietigd. Dit had niet mogen gebeuren. In de brief aan de heer Kiek is tevens
gemeld dat voor zowel bedragen groter als bedragen kleiner dan f 100,-
kopiebewijzen van consignatie nog op het Ministerie van Financiën aanwezig
zijn. Deze bewijzen vermelden veelal gegevens zoals degene die het bedrag
in consignatie heeft gegeven, het bedrag zelf, de personalia van wie het bedrag
afkomstig was, alsmede voor zover bekend de personalia van de rechthebbenden.
Er is dus belangrijke informatie over deze tegoeden bewaard gebleven.
Op dit punt wil ik graag benadrukken dat rechthebbenden nog steeds op
de gebruikelijke wijze aanspraak kunnen maken op het recht van uitkering uit
de consignatiekas. Rechthebbenden behoeven door de voornoemde fout «niets
mis te lopen». Ook is in 1998 het bedrag van de «kleine»
consignaties van joodse en niet-joodse rechthebbenden vanuit de begroting
teruggegaan naar de consignatiekas.
Verder is afgelopen week een rubricering van de consignatiekas aangaande
de tweede wereldoorlog afgerond. Deze rubricering vanaf 1938 was al aangekondigd
in een regulier afstemmingsoverleg van Financiën met de verschillende
onderzoekscommissies, Verbond van Verzekeraars, Nederlandse Vereniging van
Banken, Joods Meldpunt, JMW en CJO.
Alle gegevens zijn thans voor het eerst opgenomen in een database. De
gegevens aangaande de bedragen kleiner dan f 100,- zijn dan ook gemakkelijk
toegankelijk. Hetzelfde geldt voor andere zoekvragen, b.v. op naam, soort
consignatie, bedrag etc. Ik merk hierbij op dat in de consignatiekas het onderscheid
joods – niet joods uiteraard nooit gemaakt is. Het gevolg is dat het
precieze bedrag van kleine joodse tegoeden niet te geven is. Wel is uit het
doornemen van de consignaties voor de jaren 1932–1937 en uit de geautomatiseerde
rubricering 1938–1975 gebleken dat het totaal van de consignaties van
joodse en niet-joodse rechthebbenden onder de f 100,- ongeveer f 41 000,-
bedraagt.
In dit kader wil ik er ook graag op wijzen dat er in het verleden veelvuldig
overleg geweest is met de joodse gemeenschap over de geconsigneerde gelden.
Naar aanleiding van de in maart 1985 door het toenmalig TK-lid Nijpels gestelde
vragen inzake geconsigneerde gelden waarvan de verjaringstermijn werd bekort
van 60 naar 20 jaar («de grote consignaties») en die o.a. toebehoord
hadden aan overleden c.q. vermiste joden, is door de overheid uit de algemene
middelen twee miljoen ter beschikking gesteld voor joodse doelen.
Dan kom ik bij de wet op de consignatie van gelden van 27 augustus 1980.
Hierin werd zoals gezegd de verjaringstermijn van geconsigneerde gelden teruggebracht
van 60 naar 20 jaar na consignatie. De geconsigneerde bedragen ouder dan 20
jaar moesten worden gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant, hetgeen
werd gerealiseerd op 29 november 1982. Geconsigneerde tegoeden kleiner dan
f 100,- behoefden niet te worden gepubliceerd. Immers voor deze kleine
consignaties bleef de oude verjaringstermijn van 60 jaar gehandhaafd. Het
belang van deze uitzondering werd in de praktijk niet onderkend op mijn ministerie.
Zoals gezegd zijn toen door de belastingdienst de originelen van de grote
en kleine consignaties vernietigd. De kopiebewijzen van de consignaties van
zowel boven als onder de f 100,- zijn echter nog steeds beschikbaar.
Ik heb in overleg met de Staatssecretaris van OCenW de archiefinspectie
gevraagd onderzoek te doen naar de precieze gang van zaken rondom de vernietiging
van deze archiefbescheiden. Het kamerlid Valk heeft in dit verband enkele
specifieke vragen gesteld die ik zal doorleiden naar de archiefinspectie.
De archiefinspectie is tot het doen van zulk een onderzoek bereid. Overigens
kan ik u meedelen dat de archiefinspectie op dit moment al onderzoek verricht
naar de archieven van het Agentschap. Verder is al enige tijd op het ministerie
een voorschrift van kracht dat geen enkel archief dat verband kan houden met
de tweede wereldoorlog vernietigd mag worden. Hieraan is inmiddels nogmaals
indringend bekendheid gegeven.
Inzake de kleine consignaties ben ik, indien dit gewenst wordt van joodse
zijde, bereid om zoals dat in 1982 gedaan is ten aanzien van de consignaties
groter dan f 100,-, deze te publiceren in de Staatscourant. Ik zal daartoe
in overleg treden met het CJO.
De Minister van Financiën,
G. Zalm