Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal2000-200125839 nr. 26

25 839
Tegoeden Tweede Wereldoorlog

nr. 26
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAPPEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Zoetermeer, 29 juni 2001

Inleiding

Op 26 april heeft de commissie Ekkart aanbevelingen aangeboden aan de Nederlandse regering. Het onderstaande bevat de regeringsreactie op deze aanbevelingen.

Blijkens de aanbiedingsbrief van de Commissie Ekkart heeft zij, aangezet door een ernstige bezorgdheid over een dreigende vertraging in het restitutiebeleid besloten tot een versnelling in de advisering. Met haar aanbevelingen draagt de commissie in belangrijke mate bij aan de van verschillende kanten geuite wens naar een discussie over de uitgangspunten van het Nederlandse beleid. De regering wil daarvoor haar dank uitspreken.

Alhoewel de aanbevelingen op een aantal punten zeer kritisch zijn over het huidige beleid kan niet anders dan met waardering gekeken worden naar het werk van de Commissie. De aanbevelingen zijn goed onderbouwd. Het feit dat de Commissie bij het opstellen van de aanbevelingen niet alleen oog heeft gehad voor de uitkomsten van haar eigen onderzoek maar ook voor de binnen- en buitenlandse kritiek op het Nederlandse beleid maakt de aanbevelingen nog pertinenter. Grote waardering heeft de regering voor het feit dat de Commissie kans heeft gezien al een indicatie te geven van de onderwerpen waarover de commissie in een later stadium nog aanvullende aanbevelingen zal formuleren.

Deze indicatie kan een reden zijn de komende tijd in individuele gevallen niet vooruit te lopen op dergelijke zaken en in het belang van betrokkenen beslissingen op bepaalde punten uit te stellen.

In onderhavige brief geeft de regering een eerste reactie op de aanbevelingen, waarbij duidelijk zal zijn dat gezien de daarvoor beschikbare tijd niet reeds tot in detail ingegaan kan worden op alle adviezen van de Commissie.

Gezien de uitdrukkelijke vraag van de Commissie om spoed te betrachten met het innemen van een standpunt heeft de regering ervoor gekozen om op deze korte termijn al met een eerste reactie te komen teneinde nu reeds zoveel mogelijk duidelijkheid te scheppen voor alle betrokkenen. Bij de nadere advisering waarnaar op sommige punten in de reactie verwezen wordt, zal naast de Commissie Ekkart ook de landsadvocaat betrokken worden. Naast een reactie op de aanbevelingen legt de regering bij deze brief tevens een voorstel aan u voor dat betrekking heeft op de mogelijke instelling van een commissie die de regering zal moeten adviseren over individuele restitutieverzoeken. Alhoewel deze kwestie niet door de Commissie Ekkart aan de orde wordt gesteld, is de regering toch van mening dat onderhavige brief het juiste kader biedt om haar voorstellen ter zake aan u voor te leggen. Dit strookt met de wens van de Commissie Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van de Tweede Kamer, zoals neergelegd in een brief van 7 juni jl., om te overwegen een commissie in te stellen naar Engels model ter beoordeling van verzoeken van restitutie van geroofde oorlogskunst.

Regeringsreactie op de aanbevelingen

Algemene bevindingen uit het onderzoek

De Commissie geeft aan dat in lijn met de conclusies van de andere onderzoekscommissies ook nu al gezegd kan worden dat het rechtsherstel met betrekking tot kunstvoorwerpen na de oorlog kil en bureaucratisch is verlopen. Op deze plaats volsta ik met een verwijzing naar hetgeen de regering over het naoorlogs rechtsherstel in haar reactie van 21 maart 2000 (kamerstukken II, 1999/00, 25 839, nr. 13) heeft opgemerkt.

Particulier kunstbezit: uitgangspunten

In haar aanbevelingen inzake kunstbezit met particuliere herkomst onderschrijft de commissie het algemene regeringsstandpunt dat het rechtsherstel van na de oorlog als zodanig niet wordt overgedaan. De commissie verbindt daaraan de conclusie dat hieruit voorvloeit dat afgehandelde zaken niet worden heropend en komt vervolgens met haar interpretatie van het begrip afgehandeld. De commissie adviseert het begrip te beperken tot die zaken waarin door de Raad van het Rechtsherstel of een ander bevoegde rechter een vonnis is gewezen dan wel een «formele schikking» tussen rechthebbenden en boven de SNK geplaatste organen tot stand is gekomen.

Impliciet gaat de commissie er in deze aanbeveling vanuit dat de SNK indertijd geen rechtsherstel heeft gepleegd. Aangezien deze impliciete conclusie van de commissie uitermate relevant is voor de compatibiliteit van de aanbeveling met het, door haar erkende, algemene uitgangspunt dat het rechtsherstel niet wordt overgedaan, heeft de regering op dit punt de commissie om nader advies gevraagd. Dit aanvullend advies (zie bijlage)1 heeft de regering kunnen overtuigen van het feit dat de SNK in formele zin geen beslissings- en beschikkingsbevoegd rechtsherstelorgaan was en haar beslissingen dan ook niet als onherroepelijke rechtsherstelbesluiten kunnen worden gezien.

De regering is dan ook bereid de commissie in deze aanbeveling te volgen maar is wel van mening dat het begrip «formele schikking» tot onduidelijkheid kan leiden. Naar de mening van de regering zal van een afgehandelde zaak sprake zijn indien de vordering tot teruggave bewust en weloverwogen heeft geresulteerd in een schikking dan wel claimant expliciet van de vordering tot teruggave heeft afgezien.

De tweede aanbeveling van de commissie betreft de interpretatie van het begrip nova. Alhoewel nader bezien moet worden wat de precieze reikwijdte van deze aanbeveling is en daarmee niet nu al de precieze voorbeelden van de commissie kunnen worden overgenomen, kan de regering al wel de algemene strekking van de aanbeveling, te weten dat een ruime interpretatie aan het begrip nova gegeven moet worden, onderschrijven. Daarbij gaat het met name om de jurisprudentie van de raad voor het rechtsherstel. De in de jurisprudentie van de rechtsherstelrechter geformuleerde criteria waarnaar de Commissie Ekkart verwijst, lijken meer voor de hand te liggen ter bepaling van de inhoudelijke toetsing van een verzoek om restitutie dan ter invulling van het begrip novum. Voor zover de voorgestelde verruiming betrekking heeft op gewijzigde inzichten, zal de regering zich daarop nader beraden.

Gedwongen verkoop

De aanbeveling van de commissie om in lijn met de uitspraak van de Raad voor het Rechtsherstel elke verkoop van een Joodse eigenaar in principe als een onvrijwillige te beschouwen kan vanwege de «in principe» clausulering die eraan is gegeven – waarmee een casuïstische benadering mogelijk blijft – de goedkeuring van de regering wegdragen. De implicaties van het tweede deel van de derde aanbeveling dat als onvrijwillig tevens aangemerkt verkopen vanaf 1933 door Joodse particulieren in Duitsland en vanaf 1938 in Oostenrijk vallen voor de regering op dit moment niet te overzien. Vanwege de mogelijk verstrekkende gevolgen daarvan kan dit deel van de aanbeveling niet nu reeds worden overgenomen. De regering zal zich hier nader over laten adviseren en in een vervolg op de onderhavige reactie nog op deze kwestie terugkomen. De regering zal in de nadere overwegingen ook de vraag betrekken of het wenselijk en haalbaar is de aanbeveling tot joods particulier bezit te beperken.

Terugbetaling van verkoopgelden

Ten aanzien van de terugbetaling van indertijd ontvangen verkoopopbrengsten staat de commissie een versoepeling voor. In feite strookt dat met de wijze waarop nu op dit punt uitvoering wordt gegeven aan de regeringsnotitie van 14 juli 2000. Reeds nu is het zo dat moet worden aangetoond dat een tegenprestatie door verzoeker is ontvangen. Slechts in dat geval wordt terugbetaling gevorderd van de eertijds ontvangen tegenprestatie.

Meer in detail stelt de commissie voor om alleen dan terugbetaling van verkoopopbrengsten te eisen «indien en voorzover de toenmalige verkoper of zijn erven daadwerkelijk die opbrengsten ter vrije beschikking hebben gekregen». De regering kan deze aanbeveling overnemen, waarbij ook de aanbeveling om rechthebbenden het voordeel van de twijfel te gunnen acceptabel is. Hierbij interpreteert de regering het «vrij besteedbare tegoed» als datgene wat daadwerkelijk ten goede is gekomen aan het vermogen van de verkoper. Het advies om, indien terugbetaling noodzakelijk is, het bedrag te indexeren volgens het algemene prijsindexcijfer is eveneens aanvaardbaar. Dit geldt ook voor de aanbeveling om bij teruggaven af te zien van de doorberekening van de beheerskosten, zoals indertijd door de SNK geschiedde.

Bewijs van eigendom

De regering erkent dat door de oorlogsomstandigheden veel belangrijke papieren verloren zijn gegaan, waaronder ook bewijsstukken van de eigendom van kunstwerken van voormalige eigenaren. Alhoewel op de overheid de plicht rust om zover als mogelijk te verzekeren dat teruggave aan daadwerkelijk rechthebbenden geschiedt en op rechthebbenden de plicht om eigendomsrechten aan te tonen, onderkent de regering de praktische problemen die de bewijsvoering, gelet op de inmiddels verstreken tijd, kan opleveren. Gezien de bijzondere omstandigheden acht de regering het dan ook aanvaardbaar de aanbeveling van de commissie, om tot teruggave over te gaan als eigendomsrecht in hoge mate aannemelijk is gemaakt en er geen aanwijzingen zijn die dat tegenspreken, over te nemen.

Termijn van terugkoop

De laatste aanbeveling van de commissie heeft betrekking op de mogelijkheid van terugkoop van eerder niet teruggekochte voorwerpen. De commissie adviseert om de eerder niet door erfgenamen gebruikte mogelijkheden tot terugkoop weer open te stellen, voorzover althans andere gehanteerde criteria niet al zouden leiden tot een teruggave zonder financiële compensatie. Naar de mening van de regering worden hier twee verschillende zaken aan de orde gesteld, te weten de vraag of men alsnog aanspraak zou moeten kunnen maken op een werk ten aanzien waarvan eerder van de mogelijkheid van terugkoop is afgezien en de vraag van inwilliging van de voorwaarden waaronder zo'n teruggave zou kunnen plaatsvinden. Laatstbedoelde kwestie komt elders in deze reactie al aan de orde. Rest de vraag of nu nog een mogelijkheid zou moeten worden geboden om alsnog een beroep te doen op rechten waarvan eertijds al afstand is gedaan. Ook over de implicaties van deze aanbeveling zal de regering zich nader laten adviseren. Daarna zal zij met een definitieve reactie komen.

Adviescommissie individuele restitutieverzoeken

In haar reactie op de aanbevelingen van de Commissie Ekkart kiest de regering niet voor een puur juridische maar voor een meer beleidsmatige benadering van het restitutievraagstuk. In het kader van die meer beleidsmatige benadering past het instellen van een adviescommissie ter beoordeling van individuele restitutieverzoeken. Dit mede in het licht van internationale ontwikkelingen terzake zoals verwoord in de uitkomsten van de conferentie die in 1998 in Washington plaatsvond ter mondiale bespreking van de tegoeden Tweede Wereldoorlog (de zogenaamde «Washington Principles»). Een van de aanbevelingen is dat nationale «alternative dispute resolution mechanisms for resolving ownership issues» worden opgezet. Landen als Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk hebben hieraan invulling gegeven en kennen commissies ter beoordeling van individuele restitutieverzoeken.

De regering heeft zich door die voorbeelden laten inspireren en wil op korte termijn in Nederland een adviescommissie instellen die moet adviseren over individuele verzoeken tot teruggave van cultuurgoederen die onderdeel uitmaken van de NK-collectie. Belangrijkste reden om een adviescommissie in het leven te roepen is de afstand die daarmee tot de overheid wordt gecreëerd. Aangezien de overheid als bezitter/beheerder van de rijkscollectie direct betrokkene is, zal een adviescommissie de onafhankelijkheid van de besluitvorming vergroten. Dit zal zeker bijdragen aan een grotere acceptatie van het Nederlandse beleid terzake.

De regering staat bij een adviescommissie de volgende opzet voor ogen:

– De commissie zal de Staatssecretaris van OCenW adviseren over individuele verzoeken tot teruggave van cultuurgoederen die zich in de NK-collectie bevinden.

– De commissie adviseert binnen door de regering vastgestelde kaders en beleidslijnen.

– De verantwoordelijke bewindspersoon zal marginaal toetsen of de commissie in haar advisering binnen haar mandaat is gebleven.

– De commissie zal bestaan uit een aantal vooraanstaande juristen en andere deskundigen zoals historici en kunsthistorici.

– De verantwoordelijke bewindspersoon legt op verzoek van particulieren hun onderlinge geschillen over tijdens of ten gevolge van de Tweede Wereldoorlog verplaatste cultuurgoederen, ter advisering aan de commissie voor.

Een nader uitgewerkt mandaat voor de commissie zal op korte termijn aan u worden voorgelegd.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

F. van der Ploeg


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.