nr. 22
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 2 februari 2001
Op 28 september 2000 heeft een gemeenschappelijk Algemeen Overleg plaatsgevonden
van de vaste commissie voor Financiën en de Vaste Kamercommissie voor
Volksgezondheid, Welzijn en Sport met de minister van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport over de Tegoeden Tweede Wereldoorlog (25 839/27 420, nr.
19). Tijdens dit overleg is ook een verzoek aan de orde geweest van een vertegenwoordigende
delegatie van dwangarbeiders om (opnieuw) de kwestie te bespreken van de afkoop
van de door de voormalige dwangarbeiders in Duitsland opgebouwde socialeverzekeringsrechten,
een onderwerp dat tot mijn beleidsterrein behoort. De Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport heeft mij verzocht u te informeren over mijn standpunt in
deze kwestie.
Gedurende de periode van dwangarbeid in Duitsland waren de voormalige
dwangarbeiders verzekerd op grond van de Duitse renteverzekering, die een
bescherming bood tegen de risico's van ouderdom, overlijden en invaliditeit.
Na de oorlog ondervonden zij echter aanzienlijke problemen met het te gelde
maken van hun aanspraken die zij krachtens de Duitse renteverzekering hadden
opgebouwd, met name met betrekking tot het risico invaliditeit. Deze problemen
waren niet alleen van administratieve – als gevolg van het oorlogsgeweld
waren veel administratieve bescheiden verloren geraakt –, maar ook van
juridische aard. Om voor deze situatie een adequate oplossing te vinden hebben
Nederland en Duitsland in 1956 de Vierde Aanvullende Overeenkomst bij het
reeds bestaande socialezekerheidsverdrag tussen beide landen afgesloten. Met
deze Overeenkomst heeft Duitsland de in dat land opgebouwde pensioenrechten
voor een bedrag van f 20 miljoen afgekocht. Duitse verzekeringstijdvakken
werden in ruil daarvoor aangemerkt als tijdvakken vervuld voor de toenmalige
Invaliditeitswet, die een dekking bood tegen dezelfde risico's als de Duitse
renteverzekering. Voor een uitgebreide beschrijving van de achtergronden van
de Vierde Aanvullende Overeenkomst verwijs ik naar de brief van mijn toenmalige
ambtsvoorganger aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
van 2 januari 1991 (Tweede Kamer, vergaderjaar 1990–1991, 21 800
XV, nr. 55).
Naar aanleiding van vragen van het lid Marijnissen van 30 mei 1995, heeft
mijn toenmalige ambtsvoorganger uitvoerig uiteengezet waarom de Vierde Aanvullende
Overeenkomst de voormalige dwangarbeiders niet in een nadelige positie heeft
gebracht (Tweede Kamer, vergaderjaar 1994–1995, Aanhangsel, 845). Niet
alleen bood de Invaliditeitswet eenzelfde mate van bescherming als de Duitse
renteverzekering, ook de AOW, AWW (Anw) en de WAO, welke wetten voor de Invaliditeitswet
in de plaats zijn getreden, kennen een vergelijkbaar dekkingsniveau. Een onderzoek
naar de mogelijkheden om de voormalige dwangarbeiders alsnog een hogere schadevergoeding
toe te kennen, werd dan ook niet wenselijk geacht. Ik acht dit standpunt van
mijn ambtsvoorganger nog immer adequaat.
De situatie is niet veranderd.
Tot slot merk ik nog op dat ik de Voorzitter van de Vaste Kamercommissie
voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport op overeenkomstige wijze heb ingelicht.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J. F. Hoogervorst