Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal1997-199825839 nr. 2

25 839
Tegoeden Tweede Wereldoorlog

nr. 2
BRIEF VAN DE MINISTER VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 6 april 1998

Hierbij bied ik u een notitie aan over het onderwerp Tegoeden Tweede Wereldoorlog.

De Minister van Financiën,

G. Zalm

Onderstaande notitie gaat in op het onderwerp Tegoeden Tweede Wereldoorlog. De notitie bevat enige punten die van belang kunnen zijn voor het overleg met de Kamer op 8 april aanstaande. De behandelde onderwerpen betreffen:

1. de goudpool

2. het RIOD-onderzoek terugkeer en opvang van oorlogsgetroffenen na de tweede wereldoorlog;

3. de taakuitbreiding van de commissie-Scholten;

4. informatie over het rechtsherstel

1. De goudpool

Uit de goudpool komt circa 20 miljoen gulden naar Nederland terug. Het kabinet heeft op 19 december 1997 besloten de laatste tranche van het TGC-goud niet langer een monetaire bestemming te geven, doch deze te reserveren voor slachtoffers in Nederland van de nazi-vervolging die gericht was op vernietiging. Daarnaast draagt Nederland 20 miljoen gulden bij aan een internationaal fonds. De Tweede Kamer is hierover geïnformeerd in een brief van 9 januari 1998 die gewijd was aan enkele onderwerpen die samenhangen met het onderwerp Tegoeden Tweede Wereldoorlog.

1.1 20 miljoen nationaal op projectbasis

De bestemming van projectuitkeringen dient op de volgende terreinen te liggen:

1. De zorg en/of dienstverlening aan de huidige nog levende groep en in Nederland woonachtige slachtoffers van de nazi-vervolging die gericht was op vernietiging, en hun nabestaanden. Daarnaast kunnen de projecten een bijdrage leveren aan de verwerking van de vervolgingservaringen van de overlevenden.

2. Initiatieven onder de nabestaanden van vervolgingslachtoffers om de kennis- en cultuurtraditie die door de Tweede Wereldoorlog grotendeels vernietigd was, weer nieuw leven in te blazen. Zo zijn veel joden en zigeuners thans in de jaren '90 op zoek om in de oude traditie een nieuwe identiteit in ons land op te bouwen, te handhaven en uit te dragen. Veelal ontbreken de financiële middelen om hieraan vorm te geven, deze initiatieven kunnen evenwel worden ondersteund. Concreet kan gedacht worden aan scholing, vorming en educatie, alsmede jeugd- en opbouwwerk en faciliteiten die daarbij nodig zijn. Cursussen, groepsactiviteiten van religieuze, educatieve en geestelijke aard, periodieke uitgaven, tijdschriften zijn een voorbeeld waaraan gedacht kan worden.

3. Het instandhouden van de herinnering aan de omgekomenen in de Tweede Wereldoorlog. Hierbij kan men denken aan de zorg voor de graven van overledenen in het bijzonder van degenen die geen nagelaten betrekkingen hebben, iets dat van grote betekenis is in met name het jodendom. Daarnaast is van belang de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog zelve en de waarschuwing van de ideologie daarachter, waar dit van belang is voor de generatie van vervolgingsslachtoffers, nabestaanden en naoorlogse generatie van vervolgingsslachtoffers. Er zijn dan ook veel particuliere en overheidsinitiatieven in de Nederlandse samenleving die op dit doel zijn gericht. Nieuwe educatieve projecten op dit gebied kunnen voor projectsubsidiëring in dit kader in aanmerking komen. Het gaat daarbij uitdrukkelijk niet om het nu langs deze weg financieren van reeds bestaande projecten. Alleen echt nieuwe initiatieven kunnen in aanmerking worden genomen. Dat een aanvrage een nieuwe activiteit betreft, moet door de indiener duidelijk worden gemaakt.

Bovengenoemde schets, die ook een prioriteitenstelling inhoudt, geeft een inhoudelijke inkadering aan waaraan de projectuitkeringen zouden moeten worden besteed. Belangrijk is daarbij dat in dezen de projectaanvragen beslissend zijn. Niet organisaties worden hiermee gesteund, maar de projectideeën/activiteiten die door allerlei instanties kunnen worden ingediend. Als randvoorwaarde geldt verder nog dat genoemde aanvragen niet langs reguliere subsidiestromen gehonoreerd kunnen worden. Een laatste randvoorwaarde is dat recht gedaan wordt aan een eerder gesteld criterium dat 95% van de opbrengst van de vierde tranche van de goudpool toegewezen wordt aan projecten gericht op de joodse gemeenschap en het resterende deel ter beschikking komt aan projecten voor andere groepen vervolgden.

Om bovengenoemde uitgangspunten te bewaken, wordt bij de samenstelling van het college van personen dat zich met de verdeling gaat bezighouden, rekening gehouden met de volgende criteria, die ook het Centraal Joods Overlegorgaan (CJO) genoemd heeft.

a. er moet een breed draagvlak zijn bij de doelgroepen, dat wil zeggen iedereen moet zich hierin vertegenwoordigd voelen;

b. in ruime mate dient de eerste generatie vervolgingsslachtoffers er deel van uit te maken;

c. er moeten voldoende mensen in zitten die de betrokken doelgroepen kennen;

d. financiële deskundigheid om projecten te kunnen beoordelen, is in ruime mate vereist.

Het Kabinet heeft gekozen voor de totstandkoming van één uitvoeringsorganisatie voor alle vervolgingsslachtoffers. Het Kabinet heeft juist gelet het oogpunt van een snelle voortgang, met inachtneming van de eis van zorgvuldigheid en waarborg van rechtszekerheid gekozen voor de instelling van een klein onafhankelijk adviescollege. Projectvoorstellen kunnen door de organisaties bij het adviescollege worden ingediend. Het college toetst de voorstellen en voorziet de voorstellen van een advies. De minister laat een marginale ambtelijke toets uitvoeren en neemt vervolgens een beslissing op de aanvraag.

1.2 Internationale fonds

Het Kabinet heeft op 19 december 1997 besloten 20 mln. bij te dragen aan het internationale fonds. De VS draagt 25 mln. dollar over drie jaar bij, het VK 1 mln. pond en Zweden 1 mln. dollar. Oostenrijk, Luxemburg, Griekenland en Argentinië hebben toegezegd aan het fonds te zullen bijdragen zonder daarbij een bedrag te hebben genoemd. Geen van de landen heeft op dit moment daadwerkelijk reeds geld overgemaakt aan het internationale fonds, noch aangegeven op welke wijze zij hun bijdragen wensen aan te wenden. Momenteel wordt interdepartementaal onderzocht aan welke NGO's die al op de lijst van te begunstigen NGO's staan, Nederland een bijdrage wil geven en welke NGO's Nederland wil toevoegen aan de lijst. Hierover loopt nog overleg met het CJO.

2. RIOD-onderzoek terugkeer en opvang oorlogsslachtoffers

Op verzoek van het Kabinet heeft RIOD-directeur Blom een onderzoeksvoorstel uitgewerkt dat tegemoet wil komen aan de wens naar aandacht voor de problematiek van de terugkeer en opvang in de direct naoorlogse periode en in de daarop volgende decennia. Het voorstel beoogt aandacht te besteden aan de moeilijkheden die joden hebben ondervonden en ook aan die van andere groepen die in de loop der jaren klachten hebben geuit over ontvangst en opvang. Van deze laatste zijn de belangrijkste de diverse categorieën repatrianten en migranten uit Nederlands Indië/Indonesië, de eveneens veelzijdig samengestelde groep van niet-joodse Nederlanders die in gevangenissen en kampen was geïnterneerd (voornamelijk ex-politieke gevangenen) en de (dwang-)arbeiders die op zeer uiteenlopende plaatsen waren te werk gesteld.

Het voorstel is tot stand gekomen na raadpleging van een groot aantal personen, en wordt door dezen met instemming begroet.

Het voorstel valt uiteen in drie delen:

– een voorstel tot het organiseren van een publiekssymposium in het najaar 1998. Het symposium heeft een dubbele doelstelling : Ten eerste de reeds beschikbare kennis onder de aandacht van een breed publiek te brengen (over diverse aspecten van de terugkeer en opvangproblematiek is in de loop der jaren – zij het niet systematisch – al het nodige geschreven). Ten tweede aan de betrokken groepen ruimschoots de gelegenheid te bieden hun ervaringen te presenteren (er blijkt grote behoefte te vertellen hoe men is behandeld bij terugkeer; in de verhalen domineert de rol van de overheid).

– een voorstel tot het oprichten van een stichting (Stichting Onderzoek Terugkeer en Opvang: SOTO) De stichting heeft als doel de onafhankelijkheid van het onderzoek naar de terugkeer en opvang, te waarborgen, de wetenschappelijke begeleiding te garanderen en de relaties met de betrokken groeperingen in de samenleving te onderhouden. De eerste acties van SOTO zijn gericht op het (doen) organiseren van het publiekssymposium, het inrichten van haar eigen werkzaamheden (begeleidingscommissie en adviescommissie), en het op zo kort mogelijke termijn aantrekken van een hoofdonderzoeker.

– een voorstel om aan SOTO op korte termijn een vooronderzoek naar beschikbare bronnen annex literatuuronderzoek te (doen) starten door bovengenoemd aan te trekken hoofdonderzoeker. Het vooronderzoek moet per 1 oktober 1998 uitmonden in een definitief onderzoeksvoorstel inzake Terugkeer en Opvang.

Het Kabinet gaat akkoord met bovengenoemd onderzoeksvoorstel.

Het uiteindelijke onderzoek zal waar mogelijk in internationaal vergelijkende zin, aandacht moeten besteden aan een groot aantal thema's in hun onderlinge samenhang (genoemd worden o.a. de rol van de overheid, maatschappelijke organisaties en kerken, buitenlandse (zionistische) organisaties ; de structuur van de terugkeer c.q. migratie en opvang in Nederland van oorlogsmigranten uit Nederlands Indië/Indonesië; zigeuners, jehovagetuigen en eventuele andere groepen; de houding van de bevolking; de evolutie van de herinnering en de strijd om het wettelijk kader).

3. Taakuitbreiding commissie-Scholten

In de laatste brief van 11 februari jl. aan de Kamer werd melding gemaakt van enige overlappingen tussen de commissie-Scholten en de commissie-Kordes. Tegelijkertijd werd vermeld dat de nadere werkverdeling op het onderzoeksvlak zou worden uitgewerkt. Ook werd meegedeeld dat door goede werkafspraken tussen de betrokken commissies dubbel werk zou worden voorkomen. De laatste weken is hiertoe contact geweest met beide commissies.

In essentie komt de werkverdeling tussen beide commissies erop neer dat de commissie-Scholten zich allereerst bezig houdt met de feitelijke systematiek van het rechtsherstel rond financiële tegoeden van oorlogsslachtoffers bij banken en verzekeraars in Nederland. Het rechtsherstel en niet de totale geschiedenis van roof en restitutie staat hierbij centraal. Met de gehanteerde definitie van financiële tegoeden bij banken en verzekeraars wordt onderzoeksmatig begrepen de rubrieken geld (giraal en chartaal) en afgekochte verzekeringen (levensverzekeringen, begrafenisverzekeringen, lijfrente- en pensioenpolissen).

Daar is nu een taakuitbreiding van de commissie-Scholten bijgekomen. De uitbreiding betreft enkele andere onderzoeksrubrieken die te relateren zijn aan financiële tegoeden doch veelal buiten banken en verzekeraars liggen. Het gaat hier om de onderzoeksrubrieken effecten, rechten (patentrechten, auteursrechten, uitkeringen volgens sociale verzekeringswetten en overige rechten) en vorderingen/debiteuren. De problematiek van de kluisjes zal door de commissie-Scholten in overleg met de commissie-Kordes bezien worden.

Het Kabinet is de commissie-Scholten er zeer erkentelijk voor dat de commissie akkoord is gegaan met de verzwaring van de werkzaamheden met genoemde onderzoeksrubrieken.

Genoemde taakuitbreiding van de commissie-Scholten leidt ertoe dat de tastbare goederen (zaken) door de commissie-Kordes bezien worden.

4. Informatie over het rechtsherstel

Er is een grote behoefte aan informatie over het destijds in Nederland gevoerde rechtsherstel. In de eerste plaats is er behoefte aan meer informatie over het naoorlogse rechtsherstel, over de opzet, organisatie en werkwijze daarvan, over de juridische merites en over de bereikte resultaten. Al dan niet in overleg met de diverse commissies die op dit gebied werkzaam zijn, moet er naar worden gestreefd om zo spoedig mogelijk een algemeen informatief overzicht van het rechtsherstel op te stellen. Daarnaast zijn er veel individuen, meestal vervolgingsslachtoffers die vragen stellen. De departementen en de commissies doen het nodige om te komen tot een snelle beantwoording van individuele informatieaanvragen. Bij de beoordeling en behandeling van die aanvragen wordt niet alleen op de technische afwikkeling gelet maar ook op de vaak schrijnende achtergrond van de vraag. Ook wordt er onderzocht of in bepaalde categorieën van gevallen een tegemoetkoming kan worden overwogen.