Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal1999-200025839 nr. 14

25 839
Tegoeden Tweede Wereldoorlog

nr. 14
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 17 mei 2000

De vaste commissies voor Financiën1 en voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport2 hebben op 18 april 2000 overleg gevoerd met minister Zalm van Financiën en minister Borst-Eilers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over:

– de brief van 21 maart 2000 inzake het regeringsstandpunt over de tegoeden Tweede Wereldoorlog (25 839, nr. 13);

– de brief van 17 april 2000 inzake de beantwoording van Kamervragen van mevrouw Giskes (Fin 00.286).

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissies

De heer Middel (PvdA) constateerde dat de kille ontvangst van vervolgingsslachtoffers van de tweede wereldoorlog het leed van deze mensen nog eens vergroot heeft. Pas de laatste jaren is dit besef doorgedrongen. Dit heeft geleid tot wetten voor leden van het voormalig verzet, vervolgingsslachtoffers, burgeroorlogsgetroffenen en voormalige zeelieden, waardoor ongeveer 50 000 mensen een pensioenuitkering ontvangen. Hiermee is een bedrag van ongeveer 850 mln. gemoeid, waarvoor een breed politiek draagvlak bestaat.

Hij benadrukte het belang van de stelling van de regering dat oordelen over het naoorlogse vermogensrechtsherstel gelijk staat aan oordelen over de Nederlandse natie. De discussie gaat daarmee over méér dan rechtsherstel alleen. Hij had waardering voor de excuses van de regering aan degenen die hebben geleden onder de kilte en de bureaucratische opstelling van de Nederlandse overheid ten tijde van het rechtsherstel, zonder daarbij verkeerde bedoelingen te veronderstellen bij de verantwoordelijken van toen. De commissie-Van Kemenade sprak over een tegemoetkoming van 250 mln. die uitdrukkelijk niet als schadeloosstelling of genoegdoening is bedoeld, te beheren door een publiekrechtelijk fonds en wees verder individuele uitkeringen af. In eerste instantie kon de heer Middel zich in deze aanbevelingen vinden. Het Centraal joods overleg (CJO) ageerde echter fel tegen het advies van de commissie en ging uit van morele aanspraken. Het begrip restitutie in de richting van de Joodse gemeenschap staat daarbij centraal. De regering heeft deze morele aanspraken erkend en is na overleg met het CJO uitgekomen op 400 mln.De heer Middel vroeg de regering hoe en onder welke voorwaarden de uitvoering van deze overeenkomst met het CJO zal plaatsvinden.

Inmiddels zijn vanuit de Joodse gemeenschap twijfels geuit over de representativiteit van het CJO. Sommige organisaties hebben verklaard het akkoord tussen het CJO en de regering niet als een definitieve afronding te zien. De heer Middel wilde de gemaakte afspraken tussen de regering en het CJO niet aanvechten, maar maakte zich wel zorgen over de discussie met betrekking tot het draagvlak van het CJO en de uitvoering van de regeling. Hij ging er vanuit dat met dit akkoord, voorzover mogelijk bij dit gevoelige onderwerp, een streep gezet kan worden onder de kwestie van de Joodse oorlogstegoeden.

Met de Sinti en de Roma is een bedrag van 30 mln. overeengekomen, waarvan de bestemming nog nader moet worden uitgewerkt. Hij betuigde zijn instemming op dit punt.

De regering suggereert dat, op basis van het rapport van de commis- sie-Van Galen, een akkoord is bereikt met het Indisch platform over een bedrag van 250 mln. Hierbij zou geen sprake zijn van individuele uitkeringen om onderscheid te voorkomen op basis van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 (WUV) tussen degenen die wel in een Jappenkamp hebben gezeten en degenen voor wie dat niet geldt. De heer Middel kon zich voorstellen dat het WUV-criterium niet gehanteerd werd. Het Indisch platform zegt echter dat er geen akkoord is gesloten. Voor de heer Middel was de centrale vraag in dit debat of er nu wel of geen akkoord is. Hij vroeg zich af waarop het bedrag van 250 mln. is gebaseerd en hoe de uitvoering is geregeld. Klopt het dat individuele uitkeringen wel ter sprake zijn gekomen? Ook bij het Indisch platform speelt het probleem van de representativiteit. De Kamer heeft geen rol in de onderhandelingen en mag daarin zeker geen partij worden, maar moet wel precies weten wat de stand van zaken is. Kan de regering duidelijk maken hoe representatief het Indisch platform is?

Van de overige groepen vervolgingsslachtoffers heeft het COC zich gemeld bij de minister-president namens de homoseksuele gemeenschap, terwijl de Jehova's getuigen kenbaar hebben gemaakt buiten deze discussie te willen blijven. Voor de groep ex-dwangarbeiders zijn onderhandelingen gaande in het kader van een fonds dat in Duitsland wordt opgericht. De minister van VWS heeft meegedeeld dat ex-dwangarbeiders welkom zijn om met de regering te praten. Kan de minister van VWS aangeven hoe uitkeringen uit het Duitse fonds eventueel gekoppeld kunnen worden aan tegemoetkomingen van de Nederlandse regering?

Er is kritiek geuit dat de regering het leed van de Joodse gemeenschap samen met dat van de Indische gemeenschap behandelt. De heer Middel benadrukte dat er geen hiërarchie in leed valt aan te brengen. Er moet duidelijkheid komen in de kwestie van het naoorlogse rechtsherstel, zodat de discussie hierover op een waardige manier gesloten kan worden, in de wetenschap dat het leed van de betrokkenen nooit zal verdwijnen.

De heer Weekers (VVD) was eveneens diep geraakt door het leed van de vervolgingsslachtoffers. In de periode van het naoorlogse rechtsherstel zijn zij behandeld op een wijze die tegenwoordig kil genoemd moet worden. Het boek van het verleden mag nimmer gesloten worden, maar wel moet geprobeerd worden bepaalde hoofdstukken te beëindigen. De regering heeft hiertoe onderzoekscommissies ingesteld die duidelijkheid hebben geschapen, maar ook nog enkele vragen onbeantwoord laten. Wellicht kunnen niet alle vragen beantwoord worden en leidt nader onderzoek slechts tot het openhalen van oude wonden. De heer Weekers meende dat geen verwachtingen gewekt moeten worden die niet waargemaakt kunnen worden. De regering heeft met begrip voor de gevoelens van vervolgingsslachtoffers gehandeld en deze problematiek voortvarend aangepakt. Hij onderschreef het regeringsstandpunt en stemde in met de excuses voor de te bureaucratische ontvangst van vervolgingsslachtoffers.

Het moet in de toekomst voor rechthebbenden mogelijk blijven om verzoeken tot restitutie in te dienen. Individuele aanspraken moeten bij de Staat terechtkomen en niet collectief worden afgekocht. Hoeveel claims verwacht de regering nog? In hoeverre kunnen digitalisering van de archieven en publicatie op internet hierbij behulpzaam zijn?

Het akkoord tussen de regering en het CJO is verheugend. Kan de minister van Financiën zeggen of dit akkoord geformaliseerd is? Ook de heer Weekers maakte zich zorgen over de representativiteit van het CJO, maar begreep dat het voor de regering lastig is om te onderhandelen met mensen die niet georganiseerd zijn. Daar het draagvlak van het CJO broos is, moet het adviescollege bij de uitvoering van het akkoord betrokken blijven. Kunnen de bewindslieden de samenstelling van de werkgroep die de criteria voor de uitvoering opstelt, verbreden en een onafhankelijke voorzitter aanstellen? Het publiekrechtelijke kader van de uitkeringsregeling is van groot belang. De uitvoering moet vlekkeloos verlopen en belangenverstrengeling moet voorkomen worden. De Kamer moet geïnformeerd worden over de uitvoering.

Het probleem van de representativiteit van het CJO wordt deels ondervangen door het systeem van individuele uitkeringen. Wat gebeurt er met gelden die niet uitgekeerd kunnen worden, omdat betrokkenen onvindbaar zijn? Valt er te denken aan een eerste voorlopige uitkeringsronde, gevolgd door een tweede definitieve ronde? Kan dit geld aan collectieve doelen worden besteed en welke zouden die moeten zijn?

Voor welke doelen wordt het bedrag van 30 mln. voor de Sinti en de Roma bestemd en hoe wordt dit uitgewerkt?

De onderhandelingen met de Indische vervolgingsslachtoffers zijn zorgelijk. Is nu wel of geen akkoord bereikt met het Indisch platform? Is er sprake van belangentegenstellingen in deze groep? Kan de regering nader ingaan op het representativiteitsprobleem dat ook bij het Indisch platform speelt? Wat is de bestemming van het bedrag van 250 mln. en welke garanties zijn er voor een goede uitwerking? Er zou ook hier gekozen kunnen worden voor een publiekrechtelijke formule. In ieder geval moeten de subsidievoorwaarden duidelijk en stringent zijn en moet de regering transparante besluitvorming verlangen en een stevige verantwoordingsplicht opleggen.

De heer Weekers vroeg zich af of een systeem van individuele uitkeringen ook bij de Indische gemeenschap het probleem van de representativiteit kan ondervangen, maar de afbakening van de groep vervolgingsslachtoffers is hier veel gecompliceerder dan bij de Joodse gemeenschap. Een tweede verschil is dat het bedrag, dat naar de Joodse gemeenschap gaat geen gebaar is voor verzachting van de kille bejegening na de oorlog, maar een restitutie van middelen die tijdens het rechtsherstel in morele zin minder juist maar rechtmatig aan de overheid zijn vervallen. Voor de Indische gemeenschap is een dergelijke restitutieberekening niet te maken.

In 1979 hebben de toenmalige ministers van Financiën en Justitie beloofd een oplossing te zoeken voor het probleem van onvindbare crediteuren, waardoor bepaalde bedragen niet kunnen worden uitgekeerd. Kan de minister van Financiën uitleggen waarom deze toezegging niet is nagekomen? De oplossing van de commissie-Scholten om de namen van onvindbare crediteuren te publiceren een jaar voordat de bedragen aan de bank vervallen, vond de heer Weekers sympathiek. Maar ingevolge het commune erfrecht zouden de middelen niet aan de bank, maar aan de Staat moeten vervallen.

De heer Weekers begreep de complicaties in de onderhandelingen tussen de AEX en het CJO. De Vereniging voor de effectenhandel bestaat niet meer en vooral banken en effectenhuizen hebben destijds geprofiteerd van de situatie. De minister heeft geen verantwoordelijkheden op dit terrein, maar de heer Weekers verzocht hem wel om een bemiddelingsrol te overwegen, zodat het financiële hoofdstuk voor de vervolgingsslachtoffers afgesloten kan worden.

De heer De Haan (CDA) toonde zijn medeleven met de vervolgingsslachtoffers die lange tijd zo weinig aandacht hebben gekregen. Hij was het eens met de constatering van de regering dat alle groepen vervolgingsslachtoffers onherstelbare verliezen hebben geleden. Hij sloot zich tevens aan bij de spijtbetuiging en verontschuldiging van de Nederlandse regering voor de kilte en het gebrek aan begrip waarmee deze groepen na de oorlog zijn bejegend. Uit de onderzoeksresultaten van de diverse commissies kan men niet anders concluderen dan dat de toepassing van de wetgeving niet altijd op de juist wijze is geschied. De regering verbindt terechte conclusies aan de constatering van deze tekortkomingen. De heer de Haan toonde waardering voor en instemming met de onderbouwing van de financiële akkoorden die zijn gesloten met het CJO en met de Roma en Sinti. Hij begreep dat niet iedereen zich door de Joodse en zigeunerorganisaties vertegenwoordigd voelt, maar vond ook dat de regering nu eenmaal niet veel anders kan dan onderhandelen met organisaties die in ieder geval in enige mate representatief zijn.

De conclusie van de commissie-Van Kemenade dat 250 mln. een billijke tegemoetkoming aan de Joodse slachtoffers is, heeft de regering terecht gecorrigeerd. Het is vanzelfsprekend dat de uitvoering van deze regeling publiekrechtelijk geschiedt. De heer De Haan benadrukte dat voorrang moet worden gegeven aan de afhandeling van individuele claims. Hoe lang denkt de regering nog met dergelijke claims rekening te moeten houden? In het akkoord tussen het CJO en het Verbond van verzekeraars is een beperkte periode opgenomen waarbinnen claims kunnen worden ingediend. Is de regering ook van plan een periode af te bakenen?

De heer De Haan onderschreef de eerdere opmerkingen over de impasse in de onderhandelingen met het Indisch platform. Hoe kan de regering suggereren dat er een overeenkomst is? Kunnen de besprekingen heropend worden? Kan nader onderzoek worden verricht naar de vraag in hoeverre de Nederlandse overheid in de afhandeling van schadeclaims heeft gefaald, zodat een akkoord over een bepaald bedrag beter wordt onderbouwd? Hij sloot zich aan bij de opmerkingen over de representativiteit van het Indisch platform.

Niet alleen de Nederlandse Staat, maar ook particuliere instellingen hebben gefaald in de afwikkeling van financiële claims van vervolgingsslachtoffers. Hij hoopte dat de banken en het bestuur van de effectenhandel het voorbeeld van het Verbond van verzekeraars snel volgen. Eventueel kan de overheid hierin een bemiddelende rol spelen. Hij sprak waardering uit voor initiatieven van de regering met betrekking tot de verdeling van de goudpool, het opsporen van tot nu toe onvindbare eigenaren van vermogenswaarden, het natrekken van buitenlandse fondsen, het stimuleren van internationaal onderzoek en het verbeteren van de toegankelijkheid van archieven.

Ten slotte onderstreepte hij dat het leed van vervolgingsslachtoffers niet afgekocht kan worden met geld en voornoemde initiatieven.

Mevrouw Giskes (D66) vond het een wrange constatering dat het naoorlogse rechtsherstel beter had kunnen en moeten verlopen. Niet alleen de regering, maar ook de volksvertegenwoordiging heeft 55 jaar gewacht met de ordelijke afhandeling van de problemen van vervolgingsslachtoffers. Nu kan alleen nog een poging gedaan worden om de materiële kant van de zaak te regelen; andere aspecten van het gebrekkige rechtsherstel kunnen moeilijker vergoed worden. Het moet in één keer goed gebeuren, zodat er later niet weer meningsverschillen en misverstanden over kunnen ontstaan.

De overeenstemming tussen de regering en de Sinti en de Roma is tot ieders tevredenheid. De Stichting zigeunerjongeren Nederland heeft verzocht om ook iets voor de tweede generatie zigeuners te doen, maar mevrouw Giskes meende dat hun problematiek te ver van het probleem van het rechtsherstel afstaat. Het is wel van belang dat de vertegenwoordigers van de Sinti en de Roma op dit punt goede contacten met de Stichting zigeunerjongeren Nederland behouden.

Zij maakte bezwaar tegen het gebruik van het woord «onderhandelingsresultaat» voor de uitkomst van de besprekingen tussen de regering en het CJO. Er was geen sprake van loven en bieden, maar van overeenstemming over de beste interpretatie van het falen van de overheid in het naoorlogse rechtsherstel. Het bedrag van 400 mln. lijkt ieders instemming te hebben en het enige discussiepunt betreft nog de verdeling van dit bedrag. Hierover is een brief met nadere informatie van het ministerie van Financiën ontvangen. 50 mln. gaat naar doelen in het buitenland. Wat is de argumentatie achter dit besluit? Wie beslist hoe de overige 350 mln. naar individuele betrokkenen wordt gesluisd? Zij vroeg zich ook af of de brief de instemming heeft van het CJO. Daarnaast is het nog steeds onduidelijk hoe de uitvoering plaatsvindt. Wordt er een werkgroep opgericht, wordt er een stichting ingesteld? Krijgt die een privaatrechtelijk karakter en wie beslist hierover? Met welke vertegenwoordigers spreekt men verder? Zij vond het van belang dat alle betrokkenen goed zijn vertegenwoordigd. Er hoeft geen zware ambtelijke delegatie in de vertegenwoordiging opgenomen te worden, maar het belangrijkste is dat niet één groep namens alle anderen het woord voert. Zij vroeg om een onafhankelijke voorzitter en meer vrouwen in de werkgroep. Is er bij de individuele uitkeringen sprake van een tweede verdelingsronde? Zo niet, wat gebeurt er dan met het overgebleven geld dat niet geclaimd wordt?

De ontvangst van vervolgingsslachtoffers uit Nederlands-Indië is enigszins vergelijkbaar met die van teruggekeerde Joden. De regering moet dan ook duidelijk maken waarom voor de Joodse gemeenschap wel individuele uitkeringen gelden en voor andere groepen niet. Het belangrijkste verschil tussen beide groepen lijkt nu vooral te zijn dat er minder onderzoek is gedaan naar het rechtsherstel voor vervolgingsslachtoffers uit Nederlands-Indië. Nader onderzoek hoeft niet per se tot een hoger bedrag dan 250 mln. te leiden, maar dit is ook niet uitgesloten. De minister van VWS heeft een haalbaarheidsonderzoek aangekondigd om na te gaan of verder onderzoek mogelijk is. Wat houdt dat in?

Twee nieuwe groepen vervolgingsslachtoffers die zich hebben gemeld zijn homoseksuelen en ex-dwangarbeiders. Hoe is het rechtsherstel voor deze groepen geweest?

De heer Vendrik (GroenLinks) sprak waardering uit voor de inspanningen van het kabinet om tot een afronding van de claims van vervolgingsslachtoffers te komen. Het gaat dan met name om het benoemen en repareren van het gebrekkige optreden van de overheid ten tijde van het naoorlogse rechtsherstel. De heer Vendrik vond het belangrijk dat de overheid zich hierbij ruimhartig opstelt om niet opnieuw dezelfde fout te maken. Hij steunde de verontschuldigingen die de regering heeft uitgesproken en hij meende dat de volksvertegenwoordiging eveneens in gebreke is gebleven.

Hij was verheugd over de correctie van de conclusies van de commissie-Van Kemenade en met de verhoging van het bedrag tot 400 mln. Kunnen individuele claims, los van het bedrag van 400 mln., in de toekomst voor onbepaalde tijd worden aangemeld bij de overheid? Hoe valt het instellen van een werkgroep te rijmen met het publiekrechtelijke karakter van de uitkering van het geld? Wat gebeurt er met geld dat overblijft, nadat individuele claims zijn uitgekeerd?

Het is correct dat de overheid de Joodse gemeenschap als morele erfgenaam aanwijst, maar wordt hierdoor ook niet een zekere afstandelijkheid gecreëerd tussen de «Nederlandse» gemeenschap en de «Joodse» gemeenschap? Moet de regering niet erkennen dat niet alleen de Joodse gemeenschap, maar de Nederlandse samenleving als geheel een verlies heeft geleden door de Holocaust? Kan de regering het belang van de Joodse traditie voor de Nederlandse samenleving, in verleden en heden, benadrukken? Misschien kan meer geld uit de goudpool worden uitgetrokken om initiatieven te ondersteunen in het kader van de Joodse kennis- en cultuurtraditie binnen de huidige multiculturele samenleving.

Over de overeenkomst met de Sinti en de Roma toonde de heer Vendrik zich verheugd. In dat kader vroeg hij om een reactie van de regering op het verzoek van de Stichting zigeunerjongeren Nederland.

De heer Vendrik vond het moeilijk te oordelen over het bedrag van 250 mln. voor de Indische gemeenschap. Hij betreurde de verdeeldheid en het probleem van representativiteit van het Indisch platform. Dit verklaart de keuze van de regering voor een besteding aan collectieve doelen, maar waarom is hier niet gekozen voor het benoemen en kwantificeren van het tekort in het rechtsherstel? Het kabinet suggereert dat hiermee de zaak is afgedaan, maar schrijft tegelijkertijd dat er nader onderzoek komt naar individuele claims. Hoe kan dit samengaan en wat houdt het aangekondigde haalbaarheidsonderzoek in? Is de regering definitief van mening dat bij de Indische gemeenschap de lijn van het rechtsherstel niet gevolgd kan worden, omdat de omvang hiervan niet te berekenen is? Een nadeel van nader onderzoek is dat het leidt tot nieuwe onzekerheid en wellicht verkeerde verwachtingen. Eventueel nader onderzoek zou dan ook snel moeten plaatsvinden.

De heer Vendrik toonde zich verheugd dat de regering gaat overleggen met het COC, omdat homoseksuelen tot voor kort niet werden beschouwd als vervolgingsslachtoffers van de tweede wereldoorlog. Hij vroeg de minister van VWS naar de laatste stand van zaken met betrekking tot ex-dwangarbeiders en de wetgeving hieromtrent in Duitsland. De overheid moet zich ook tegenover deze groepen ruimhartig opstellen. Wat bedoelt het kabinet precies met het in de brief van 21 maart gestelde voornemen tot geschiedschrijving ten aanzien van andere groepen vervolgingsslachtoffers? Ten slotte benadrukte de heer Vendrik dat er zo snel mogelijk een akkoord moet komen tussen het CJO en het bestuur van de beurs.

De heer De Wit (SP) onderschreef de constatering van de contactgroep dat het onderzoek naar het naoorlogse rechtsherstel niet de precieze omvang van de roof en de restitutie heeft kunnen vaststellen, maar wel inzicht in de gang van zaken heeft kunnen verschaffen. Het vermogens- rechtsherstel was grotendeels rechtmatig, maar de slachtoffers en nabestaanden werden kil en bureaucratisch behandeld. De beurs heeft zich met steun van de toenmalige minister van Financiën verzet tegen rechtsherstel en op een aantal punten zijn de Joden duidelijk financieel gedupeerd. De overheid heeft het leed van de vervolgingsslachtoffers vergroot. De heer De Wit vond de spijtbetuiging van de regering aan de slachtoffers terecht. Hun leed kan weliswaar nooit in geld uitgedrukt worden, maar het getouwtrek rond de door de overheid uit te keren bedragen is pijnlijk. Hij onderschreef de overweging van professor Klein dat geen enkele vorm van rechtsherstel voor eens en altijd een streep kan trekken onder de tweede wereldoorlog.

Sinds de overeenkomst over het bedrag van 400 mln. bekend werd, is de representativiteit van het CJO ter discussie komen te staan. Deze discussie compliceert de verdeling van het bedrag. Hij steunde het voorstel van de minister van Financiën om een werkgroep te formeren. Deze werkgroep moet zo breed mogelijk worden samengesteld en een onafhankelijke voorzitter krijgen. Hoe zien de bewindslieden de positie van de Kamer in de verdere uitwerking van de akkoorden?

Verheugd was hij over het akkoord met de Sinti en de Roma over het bedrag van 30 mln.

Het is van belang dat ook met de slachtoffers uit Nederlands-Indië een regeling wordt getroffen. Hij sloot zich aan bij de vragen over de representativiteit van het Indisch platform en over samenstelling en verdeling van het bedrag van 250 mln. Moet er niet eerst onderzoek gedaan worden naar de rol van de overheid in het rechtsherstel voor deze groep?

Ook sloot hij zich aan bij eerdere opmerkingen over homoseksuele vervolgingsslachtoffers. Aan de minister van VWS vroeg hij een oordeel over de situatie met betrekking tot de ex-dwangarbeiders en de wetgeving in Duitsland. De Stichting burger-oorlogsgetroffenen (SBO) heeft gesuggereerd om samen met de overheid te werken aan een regeling voor de ex-dwangarbeiders die buiten de Duitse regeling vallen. Hoe kijkt de minister hier tegenaan?

Hij beklemtoonde dat er een belangrijke taak voor de overheid ligt om de herinnering aan de tweede wereldoorlog levend te houden, zeker waar het de jongere generaties betreft.

De heer Van Dijke (RPF/GPV) was verbaasd dat uit het recente onderzoek nog zoveel voor hem nieuwe informatie over de naoorlogse periode naar voren is gekomen. Hij bepleitte een betere en nieuwe geschiedschrijving over de periode van het rechtsherstel, zodat jongere generaties niet van kennis hierover verstoken blijven.

Hij zei zich zeer onbehaaglijk te hebben gevoeld tijdens de discussie over de hoogte van de uit te keren bedragen. Ook hij vond de term «onderhandelingsresultaat» in dit verband ongepast en sprak liever over een overeenkomst waarbij de vervolgingsslachtoffers zich recht gedaan voelen. De opstelling van de regering in deze kwestie noemde hij passend. Hij vroeg de regering of nog nieuwe individuele claims worden verwacht.

Inzake de Indische gemeenschap suggereert de regering dat veel informatie niet meer te achterhalen is, omdat bepaalde archieven verdwenen zijn. De heer Van Dijke twijfelde niet aan de oprechte bedoelingen van de regering, maar onderstreepte dat de betrokkenen daarmee wel in een erg moeilijke situatie zijn gekomen. Sommige mensen hebben moeite de rechtmatigheid van hun claims te bewijzen. Hij vroeg zich af of er voldoende zekerheid is over het al dan niet bestaan van bepaalde archieven en hij deed een klemmend beroep op de regering een uiterste inspanning te doen om de informatie boven tafel te krijgen.

De heer Van der Staaij (SGP) sloot zich aan bij de constatering dat het leed van de vervolgingsslachtoffers niet alleen tijdens de bezetting, maar ook in de periode van het rechtsherstel is geschied. De preoccupatie van Nederland met de wederopbouw mag daarvoor niet als excuus gelden en de spijtbetuiging van de regering over de kille ontvangst van vervolgingsslachtoffers is daarom terecht. Hij steunde de initiatieven van de regering om met de verschillende bevolkingsgroepen tot overeenstemming te komen en deelde in de schaamte over het feit dat de overheid hiermee zo lang gewacht heeft.

De heer Van der Staaij stemde in met de overeengekomen bedragen van totaal 680 mln. Hiermee wordt het tekortschieten van de overheid in het rechtsherstel erkend. Hij begreep de worsteling van de regering om juiste bedragen te bepalen, omdat het enerzijds niet gaat om juridisch afdwingbare aanspraken, maar anderzijds ook niet om onverplichte vrijgevigheid. Het uitgangspunt dat het gaat om morele aanspraken, is correct. De betrokken groepen moeten niet veronderstellen dat met de overeengekomen bedragen een streep is gezet onder de financiële afwikkeling van het rechtsherstel. Kan de regering bevestigen dat nieuwe individuele claims alsnog door de Staat in behandeling worden genomen? Onder welke voorwaarden gebeurt dit?

Te betreuren valt dat de regering niet met de gehele Indische gemeenschap tot overeenstemming heeft kunnen komen. Waarom zullen de gelden voor deze doelgroep collectief worden besteed, terwijl een groot deel van de bedragen voor de Joodse gemeenschap en die van de zigeuners naar individuele claims gaat? Hoe staat het met het haalbaarheidsonderzoek inzake individuele claims van vervolgingsslachtoffers uit Nederlands-Indië?

De regering heeft zich inzake de bedragen voor de Joodse slachtoffers en de Sinti en Roma ruimhartiger opgesteld dan de onderzoekscommissies hebben aanbevolen. Kunnen de bewindslieden dit nader toelichten? Hoe zullen de bedragen van 30 mln. voor de Sinti en Roma en 250 mln. voor de Indische Nederlanders besteed worden? Hoe gaat de regering om met het representativiteitsprobleem van het Indisch platform? De heer Van der Staaij vroeg verder aan de minister van Financiën hoe het publiekrechtelijke kader waarbinnen de Joodse gelden worden verdeeld eruit ziet. Hij vond het publiekrechtelijke karakter van belang om een goede controle op de besteding van de gelden uit te kunnen oefenen. Hoe ziet de regering eventuele gesprekken met andere groepen vervolgingsslachtoffers tegemoet binnen de doelstelling om een finale regeling van het rechtsherstel te bereiken?

De uitvoering van de akkoorden met de Joodse gemeenschap, de Sinti en de Roma en de Indische Nederlanders moet op de meest zorgvuldige wijze geschieden. Overheid en particuliere instellingen hebben de verantwoordelijkheid om met de aflossing van deze ereschulden geen nieuwe wonden open te rijten.

Het antwoord van de regering

De minister van Financiën erkende dat het rechtsherstel na de tweede wereldoorlog kil, bureaucratisch en gebrekkig is geweest en bood namens de regering hiervoor verontschuldigingen aan. Hij waardeerde het dat de woordvoerders op eensgezinde en gepaste wijze zonder effectbejag over dit onderwerp hebben gesproken.

De gesprekken met de Joodse gemeenschap zijn al begonnen voordat de commissie-Van Kemenade haar rapport had uitgebracht. Het was snel duidelijk dat de door de commissie aanbevolen vergoeding voor de kille ontvangst bij de Joodse gemeenschap niet in goede aarde viel: men wilde gewoon hebben waar men recht op had. Hierdoor ontstond een rechtspositioneel probleem, omdat in Nederland een gemeenschap niet als rechtsopvolger van individuen wordt erkend. Als er geen nabestaanden zijn, is de Staat de rechtsopvolger. Het leek de regering echter niet gepast deze unieke problematiek opnieuw puur juridisch te benaderen en zij heeft daarom het standpunt ingenomen dat er sprake is van erkenning van morele aanspraken. Het ging daarbij strikt om moreel verwijtbaar optreden van de Nederlandse overheid en de financiële consequenties daarvan. Het CJO heeft zich in de gesprekken volstrekt zakelijk opgesteld en daarmee een emotioneel beladen onderwerp voor de regering makkelijker hanteerbaar gemaakt. De minister meende dat het rechtsherstel in de naoorlogse periode door de overheid rechtens volledig is afgehandeld, maar dat dit op een wijze is gebeurd die vanuit moreel oogpunt dubieus te noemen is. Op nadrukkelijk verzoek van het CJO zijn alle financiële posten die bij het rechtsherstel betrokken waren door accountants onderzocht. Omgerekend naar de waarde van dit moment resulteerde dit in een bedrag van 400 mln. voor de Joodse gemeenschap.

Bij de overeenkomst met de Indische gemeenschap is een andere methode gehanteerd, omdat de conclusies van de onderzoekscommissie geen aanleiding gaven om te veronderstellen dat de overheid op onrechtmatige of dubieuze wijze aan Indische tegoeden is gekomen. Dit neemt niet weg dat de ontvangst van Indische vervolgingsslachtoffers in Nederland slecht is geweest. Er is echter geen sprake geweest van grootschalige systematische roof van tegoeden van deze groep, zoals bij de Joden, en er hebben zich dan ook minder problemen voorgedaan bij het rechtsherstel. De financiële schade die Indische Nederlanders hebben geleden was een gevolg van het krappe monetaire beleid na de tweede wereldoorlog, dat beoogde de inflatie te beteugelen. Verder hebben Indische Nederlanders schade ondervonden van de devaluatie van de roepia na de Indonesische onafhankelijkheid. Deze schade valt in een andere categorie dan de schade die Joden hebben geleden door Duitse roof. Bij de berekening van het bedrag van 400 mln. voor de Joodse gemeenschap is de belastingheffing op het successierecht gecorrigeerd, vanwege de unieke situatie dat vaak complete families waren omgekomen in de concentratiekampen. Hierdoor is destijds een cumulatie van successierechten ontstaan voor de enkele overlevenden. In de berekening van het bedrag van 400 mln. zijn zij globaal gecompenseerd voor de belasting die zij hierover hebben moeten betalen. Voor de Indische Nederlanders geldt een dergelijke situatie niet, waardoor er bij de berekening van het bedrag dat zij krijgen uitgekeerd geen rekening hoeft te worden gehouden met successierechten.

De minister meende dat het CJO zelf al heeft geprobeerd het probleem van de representativiteit op te lossen door zoveel mogelijk Joodse organisaties in te schakelen. In de werkgroep die de regeling moet gaan uitvoeren, zullen ook vertegenwoordigers van het Platform Israël en het adviescollege worden opgenomen. Verder wordt het probleem van de representativiteit deels ondervangen doordat op verzoek van het CJO een groot deel van het geld individueel uitgekeerd wordt. Het CJO heeft met deze benadering getoond zich bewust te zijn van zijn beperkte representativiteit. Bedragen die niet individueel uitgekeerd kunnen worden, doordat rechthebbenden onvindbaar zijn of hun uitkering weigeren, zullen voor collectieve doelen worden aangewend. Mogelijk komt er een tweede uitkeringsronde. Waarschijnlijk wordt hiervoor een stichting met een breed draagvlak ingesteld. Over de opzet van deze stichting en van het uitvoeringsreglement moet de regering nog nader overleggen met de Joodse gemeenschap en de Kamer zal worden geïnformeerd over de uitkomst hiervan. De stichting krijgt waarschijnlijk een publiek-rechtelijk karakter en zal via een voorhangprocedure geregeld worden. Publieke verantwoording voor de uitvoering van de regeling, inclusief beroeps- en bezwaarprocedures, is dus gegarandeerd. Het bedrag van 50 mln. dat aan internationale collectieve doelen besteed wordt, is een uitdrukkelijke wens van de regering, maar heeft wel de instemming van het CJO.

De overeenkomst met het CJO is niet geformaliseerd, anders dan in de brief van de regering aan de Kamer en in het persbericht van het CJO.

Individuele claims die bij de overheid worden ingediend, kunnen niet gecedeerd worden aan het CJO of andere organisaties. Een belangrijke voorwaarde voor toekenning is dat claims aannemelijk gemaakt kunnen worden. De bewindsman meende dat er door de Joodse organisaties en via het internet inmiddels voldoende ruchtbaarheid is gegeven aan de mogelijkheid tot het indienen van claims. Hij beklemtoonde dat de regeling met de Joodse gemeenschap in beginsel niet voortkomt uit individuele claims, maar uit de wens om collectieve regelingen uit de periode van het naoorlogse rechtsherstel te corrigeren. Individuele claims zullen niet verjaren, maar deze regeling beoogt wel eventuele nieuwe collectieve claims in de toekomst uit te sluiten. Veel nieuwe individuele claims worden niet verwacht.

Reeds voor de overeenkomst met het CJO heeft de regering financieel bijgedragen aan de oprichting van de stichting Crescas die de Joodse traditie en cultuur levend probeert te houden.

In 1981 heeft de regering, in antwoord op vragen van de heer Bakker van de CPN, meegedeeld dat het onderzoek naar onvindbare Joodse crediteuren, dat in 1979 was aangekondigd, om praktische redenen niet zou doorgaan. De Kamer heeft zich daar toen bij neergelegd. De minister zegde toe nader te kijken naar het voorstel van de commissie-Scholten om een jaar voordat de bedragen aan de bank vervallen een lijst met namen van onvindbare crediteuren te publiceren. Hij was het niet eens met de stelling van de heer Weekers dat deze bedragen vervolgens aan de Staat moeten vervallen, in plaats van aan de banken. Het gaat bij onvindbare crediteuren niet per definitie om mensen die overleden zijn zonder erfgenamen, waardoor de Staat eigenaar wordt.

De minister was bereid om te bemiddelen in de besprekingen tussen het CJO en het beursbestuur, maar vond dat het initiatief hiertoe door de beide partijen genomen moet worden.

De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport toonde zich verheugd over de steun van de Kamer voor de spijtbetuiging van de regering voor het gebrekkige rechtsherstel.

Zij beklemtoonde dat de regering het Indisch platform al tien jaar als dé gesprekspartner beschouwt voor kwesties inzake het Japanse en Indische oorlogsverleden. Het overleg met het Indisch platform is altijd goed geweest en er zijn nooit eerder signalen geweest dat het platform, samengesteld uit achttien organisaties, niet voldoende representatief is. Wel erkende de minister dat niet iedereen in de Indische gemeenschap zich vertegenwoordigd hoeft te voelen door het platform. Zij zegde toe de Kamer een overzicht te sturen van alle organisaties die in het platform vertegenwoordigd zijn.

Het corrigeren van het gebrekkige rechtsherstel is voor de Indische gemeenschap moeilijker dan voor de andere groepen, doordat er minder gegevens bekend zijn. Een nauwkeurige registratie van tegoeden die ten onrechte in bezit van de overheid zijn, bestaat niet. In Nederlands-Indië heeft een apart rechtsherstel plaatsgevonden en het desbetreffende archief is vernietigd. Niettemin heeft de commissie-Van Galen aangetoond dat het rechtsherstel ook voor deze groep kil, bureaucratisch en gebrekkig is geweest en een financiële compensatie is daarom op zijn plaats. Evenals bij Joodse claims geldt voor de Indische Nederlanders dat hun individuele claims niet zullen verjaren. Een tweede probleem is dat het moeilijk is de groep Indische Nederlanders die onder het gebrekkige rechtsherstel hebben geleden af te bakenen, omdat zij in vier golven gerepatrieerd zijn. De regering heeft het WUV-criterium als uitgangspunt gekozen en richt zich daarmee specifiek op het rechtsherstel voor vervolgingsslachtoffers. Een belangrijk deel van de Indische gemeenschap in Nederland valt hierdoor buiten de boot. De regering heeft, uitgaande van deze twee complicerende factoren, besloten over te gaan tot een collectieve uitkering voor de gehele eerste generatie slachtoffers van de Japanse bezetting, aangevuld met geld voor educatieve projecten voor de jongere generaties. De minister beklemtoonde dat met deze benadering geen hiërarchie in leed wordt aangebracht. Het gaat er immers niet om oorlogsleed te vergoeden, maar om het gebrekkige rechtsherstel te corrigeren.

Er is geen akkoord tussen de regering en het Indisch platform. De regering heeft een besluit genomen naar aanleiding van het rapport-Van Galen na overleg met het Indisch platform. Op het punt van de collectieve uitkering bestond tussen de beide partijen overeenstemming. Het Indisch platform heeft zich teleurgesteld getoond over de hoogte van het bedrag, maar tevens kenbaar gemaakt zich hierbij neer te leggen. Het platform had eerder een wensenlijst opgesteld voor de besteding van de collectieve uitkering en voor de invulling van de educatieve projecten. De kosten waren ruw begroot op 500 mln. en dit geld zou in een fonds moeten worden ondergebracht. Het platform ging hierbij uit van de veronderstelling dat de groep Indische Nederlanders van de eerste generatie in de komende vijfentwintig jaar dezelfde omvang zou behouden. De regering kon zich niet vinden in deze veronderstelling en wilde rekening houden met een natuurlijke afbouw van deze groep en met de rente die een fondsconstructie oplevert. Volgens berekeningen van het ministerie van Financiën kunnen de wensen van het Indisch platform dan voor ongeveer 250 mln. vervuld worden. De regering stelt voorop dat de wensen van het platform uitgevoerd worden. De minister zei dat dit bedrag nog preciezer moet worden onderbouwd door per project te bekijken hoeveel geld exact nodig is. Zij erkende dat de druk op het Indisch platform tijdens de onderhandelingen groter was dan bij de andere groepen, omdat de claims van Indische Nederlanders pas later bij de besprekingen werden betrokken en omdat de achterban veel groter is. De besteding van het geld voor de Indische gemeenschap zal in een publiekrechtelijk kader plaatsvinden en de Kamer zal nader worden geïnformeerd over de uitwerking hiervan. Het bestuur van het fonds zal representatief moeten zijn.

De regering was bereid om verder onderzoek naar de Indische tegoeden te financieren, alhoewel de verwachtingen hieromtrent niet te hoog gespannen moeten zijn. Er is reeds een offerte voor een haalbaarheidsonderzoek aangevraagd en zij zal die met het Indisch platform bespreken. Dit onderzoek kan half mei beginnen en eind augustus kan hierover rapport worden uitgebracht. Als uit het haalbaarheidsonderzoek blijkt dat verder onderzoek naar Indische tegoeden niet mogelijk is, zal dit geen effect hebben op individuele claims. Deze claims verjaren immers niet. De minister wilde nog geen oordeel geven over de vraag of nader onderzoek tot een hogere collectieve uitkering kan leiden.

Over de Roma en de Sinti ontbreekt veel informatie, maar deze hele bevolkingsgroep wordt aangemerkt als vervolgingsslachtoffers. Het bedrag van 30 mln. is berekend op basis van het aantal vervolgingsslachtoffers dat nu nog in leven is en het aantal kinderen van reeds overleden slachtoffers. De vertegenwoordigers van de zigeunergemeenschap hebben beloofd goed contact te onderhouden met de Stichting zigeunerjongeren Nederland.

Uit het Duitse fonds zal 800 mln. DM beschikbaar komen voor niet-Joodse dwangarbeiders in Midden- en West-Europa. In juli zal de Bondsdag de wetgeving over dit onderwerp afronden. Het is op dit moment niet duidelijk hoe dit bedrag over de verschillende landen wordt verdeeld en welk bedrag Nederlandse ex-dwangarbeiders uit het fonds kunnen krijgen. In Oostenrijk is ook een fonds voor ex-dwangarbeiders in oprichting. Naar schatting zouden 1300 Nederlanders voor een uitkering uit dit fonds in aanmerking komen. Zodra de regering meer informatie heeft, zal de Kamer deze ook ontvangen. Bij de groep ex-dwangarbeiders is geen sprake van gebrekkig optreden van de Nederlandse overheid ten tijde van het rechtsherstel, maar wel moet erkend worden dat de ontvangst van deze mensen na de oorlog in de Nederlandse samenleving kil was. De Stichting onderzoek terugkeer en opvang (SOTO) zal in mei 2001 een rapport uitbrengen over de kille ontvangst van oorlogsslachtoffers en dit onderwerp zal dan uitgebreid aan de orde komen, maar het moet los gezien worden van gebreken in het rechtsherstel. Mochten ex-dwangar- beiders menen dat ook zij geleden hebben onder het optreden van de overheid tijdens het rechtsherstel, dan zijn zij welkom hierover te komen praten met de regering.

De minister vond het heel belangrijk dat ook in de toekomst de Joodse traditie en cultuur levend worden gehouden. Evenementen zoals de Jonagconferentie voor Joodse jongeren van de tweede generatie na de tweede wereldoorlog zijn daarbij van grote waarde. Het ministerie van VWS subsidieert al jaren projecten in het kader van jeugdeducatie over de tweede wereldoorlog. Sinds februari 1999 is Nederland lid van een internationale taskforce voor educatie over, herdenking van en onderzoek naar de Holocaust en in 2001 zal Nederland gedurende een jaar voorzitter zijn. Deze taskforce zal eventueel mede gefinancierd worden uit verschillende fondsen, zowel om onderzoek te verrichten als om de resultaten van dit onderzoek te gebruiken voor jongereneducatie. Ditzelfde doel wordt beoogd met één van de projecten van het Indisch platform, namelijk om het NIOD meer onderzoek te laten doen naar de opvang van Indische Nederlanders en het geschiedenisonderwijs op dit punt aan te vullen. Ook met de Sinti en de Roma is afgesproken dat meer geld uitgetrokken wordt voor de beschrijving van hun geschiedenis.

Nadere gedachtewisseling

De heer Middel (PvdA) concludeerde dat de besprekingen tussen de regering en het CJO tot een goed resultaat hebben geleid en dat de uitwerking hiervan waarschijnlijk ook goed zal verlopen. De situatie met betrekking tot de Indische gemeenschap is gecompliceerder, omdat er geen overeenstemming is bereikt. Hij meende dat binnen de Indische gemeenschap voldoende bereidheid bestaat om verder te praten en hij spoorde de regering aan hierop in te gaan. Tevens meende hij dat de ex-dwangarbeiders serieus moeten worden genomen en op dezelfde wijze benaderd dienen te worden als de Joodse, Indische en zigeunergemeen- schappen.

De heer Weekers (VVD) vond het belangrijk dat de regering heeft beloofd dat de besteding van de gelden publiek verantwoord zal worden en omgeven is met de gebruikelijke waarborgen. Hij vond het positief dat de minister van Financiën zich bereid heeft verklaard om eventueel bemiddelend op te treden in de besprekingen tussen het beursbestuur en het CJO. Hij constateerde een verschil tussen de opmerkingen van de minister van Financiën en de minister van VWS over de vraag of de overheid wel of niet onrechtmatig is opgetreden tegenover de Indische gemeenschap ten tijde van het rechtsherstel. Overigens had hij er alle vertrouwen in dat de regering en het Indisch platform overeenstemming zullen bereiken en hij verwachtte dat de Kamer hier bijtijds over wordt geïnformeerd.

De heer De Haan (CDA) toonde zich verheugd dat de minister van VWS een opening heeft geboden om de besprekingen over de Indische tegoeden voort te zetten en hij beschouwde dit als één van de belangrijkste resultaten van dit overleg.

Mevrouw Giskes (D66) vroeg de minister van Financiën wanneer de werkgroep die de verdeling van de Joodse tegoeden gaat uitwerken, met een resultaat moet komen. Tevens vroeg zij een reactie op haar suggestie om de werkgroep onder een onafhankelijk voorzitter te laten opereren, de ambtelijke inbreng te beperken en enkele vrouwen op te nemen. Zij prees de minister voor zijn bereidheid te bemiddelen in het conflict tussen het beursbestuur en het CJO, maar vond dat de Vereniging voor de effectenhandel vooral als verantwoordelijk moet worden gezien en niet zozeer het beursbestuur.

Het haalbaarheidsonderzoek met betrekking tot de Indische tegoeden kon eveneens op instemming van mevrouw Giskes rekenen, vooral omdat de afspraken met het Indisch platform onder grote druk totstandgekomen zijn. Er moet vooral duidelijkheid komen over de vraag of de overheid al dan niet aan tegoeden van Indische Nederlanders is gekomen.

De heer Vendrik (GroenLinks) sloot zich aan bij deze laatste opmerking. Hij begreep uit de antwoorden van de regering dat het bedrag van 250 mln. voor de Indische gemeenschap een tussenstand is en dat in augustus moet blijken of nader onderzoek mogelijk is met als eventueel gevolg dat het bedrag verhoogd wordt. Tevens verzocht hij de minister van VWS om het Nationaal fonds voor de goudpool duidelijk te maken dat het geld niet alleen besteed moet worden om de Joodse traditie op zich levend te houden, maar ook om het belang van de Joodse cultuur voor de Nederlandse samenleving te onderstrepen.

Ook de heer De Wit (SP) begreep uit het antwoord van de regering dat het bedrag van 250 mln. voor de Indische Nederlanders niet definitief is en eventueel verhoogd kan worden. De Indische gemeenschap zal meer duidelijkheid moeten verschaffen over de vraag waaraan zij dit geld wil besteden. Hij toonde zich verheugd over de bereidheid van de regering om besprekingen aan te gaan met ex-dwangarbeiders.

De heer Van Dijke (RPF) was er nog niet gerust op dat het geschiedenisonderwijs verbeterd zal worden op het punt van het gebrekkige optreden van de overheid tijdens het rechtsherstel. Hij zag echter in dat dit niet alleen een verantwoordelijkheid is van de regering, maar ook van de samenleving. Hij vroeg nogmaals of de Indische gemeenschap in Nederland gemakkelijker beschikking zou kunnen krijgen over eventueel nog in Indonesië aanwezig archiefmateriaal. Bezorgd bleef de heer Van Dijke over de representativiteit van het Indisch platform. Hij vroeg de minister van VWS zich verder in te spannen om het draagvlak voor de afspraken over Indische tegoeden te verbreden.

De minister van Financiën wilde de spanning wegnemen tussen zijn opmerkingen en die van de minister van VWS over de vraag of de overheid al dan niet onrechtmatig aan Indische tegoeden is gekomen. Uit onderzoek is niet naar voren gekomen dat de overheid in het bezit is van tegoeden van Indische Nederlanders. Niettemin is het mogelijk dat bij het rechtsherstel fouten zijn gemaakt en daarom is de regering bereid een financiële schikking te treffen met de Indische gemeenschap.

Hij toonde zich bereid de suggesties van mevrouw Giskes over een onafhankelijke voorzitter, een kleine ambtelijke vertegenwoordiging en meer vrouwen in de werkgroep voor de Joodse tegoeden over te nemen. Deze werkgroep moet zo spoedig mogelijk, nog voor de zomer, met een voorstel voor de besteding van het geld komen.

Met het oog op zijn eventuele bemiddelende rol in het conflict tussen het beursbestuur en het CJO leek het de minister niet verstandig nu al een uitspraak te doen over het probleem van de aansprakelijkheid van de AEX als rechtsopvolger van de Vereniging voor de effectenhandel.

De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zei graag een akkoord te bereiken met het Indisch platform over de besteding van het bedrag. De regering heeft het platform al enige tijd geleden uitgenodigd voor verdere besprekingen, maar zij heeft daar vooralsnog geen reactie op gekregen, omdat het platform eerst het overleg met de Kamer wilde afwachten. Zij benadrukte nog eens dat het haalbaarheidsonderzoek in augustus zal worden afgerond en dat individuele claims vanuit de Indische gemeenschap altijd kunnen worden ingediend. Zij meende dat het probleem van de representativiteit van het Indisch platform deels wordt ondervangen doordat het toegezegde geld is bestemd voor de gehele eerste generatie Indische Nederlanders die na 1945 naar Nederland is gekomen. Voor het overige is de representativiteit van het Indisch platform vooral een probleem van de Indische gemeenschap zelf.

Het bedrag van 22,5 mln. uit het vierde deel van de goudpool is gebruikt voor initiatieven om de Joodse cultuur in Nederland levend te houden en om te bewerkstelligen dat er een brug naar de toekomst geslagen wordt voor de rijke historische Joodse traditie.

Zij herhaalde dat de regering bereid is om met ex-dwangarbeiders besprekingen aan te gaan.

De voorzitter van de vaste commissie voor Financiën,

Van Gijzel

De voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Essers

De griffier van de vaste commissie voor Financiën,

Janssen


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Schutte (RPF/GPV), Reitsma (CDA), Witteveen-Hevinga (PvdA), Rosenmöller (GroenLinks), Van Zijl (PvdA), Van Gijzel (PvdA), voorzitter, Voûte-Droste (VVD), De Vries (VVD), Noorman-den Uyl (PvdA), Marijnissen (SP), Kamp (VVD), Giskes (D66), Crone (PvdA), Van Dijke (RPF/GPV), Bakker (D66), Hofstra (VVD), De Haan (CDA), ondervoorzitter, Vendrik (GroenLinks), Wijn (CDA), Stroeken (CDA), Remak (VVD), Van Beek (VVD), Balkenende (CDA), Kuijper (PvdA), Dijsselbloem (PvdA).

Plv. leden: Van der Vlies (SGP), Verburg (CDA), Koenders (PvdA), Harrewijn (GroenLinks), Smits (PvdA), Duijkers (PvdA), Balemans (VVD), Wilders (VVD), Van Oven (PvdA), De Wit (SP), Patijn (VVD), Schimmel (D66), Kalsbeek (PvdA), Hoekema (D66), Van Walsem (D66), Blok (VVD), Dankers (CDA), Rabbae (GroenLinks), Van den Akker (CDA), Hillen (CDA), Hessing (VVD), Weekers (VVD), Bijleveld-Schouten (CDA), Timmermans (PvdA), Hindriks (PvdA).

XNoot
2

Samenstelling: Leden: Van der Vlies (SGP), Swildens-Rozendaal (PvdA), ondervoorzitter, Bijleveld-Schouten (CDA), Middel (PvdA), Rouvoet (RPF/GPV), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Oudkerk (PvdA), Rijpstra (VVD), Lambrechts (D66), Essers (VVD), voorzitter, Dankers (CDA), Van Vliet (D66), Van Blerck-Woerdman (VVD), Passtoors (VVD), Eisses-Timmerman (CDA), Spoelman (PvdA), Her- mann (GroenLinks), Kant (SP), Gortzak (PvdA) Buijs (CDA), E. Meijer (VVD), Van der Hoek (PvdA), Blok (VVD), Arib (PvdA), Atsma (CDA).

Plv. leden: Van 't Riet (D66), Rehwinkel (PvdA), Eurlings (CDA), Apostolou (PvdA), Schutte (RPF/GPV), Van Gent (GroenLinks), Noorman-den Uyl (PvdA), Weekers (VVD), Ravestein (D66), Örgü (VVD), Van de Camp (CDA), Schimmel (D66), Terpstra (VVD), Udo (VVD), Visser-van Doorn (CDA), Smits (PvdA), Harrewijn (GroenLinks), Marijnissen (SP), Belinfante (PvdA), Ross-van Dorp (CDA), O.P.G. Vos (VVD), Hamer (PvdA), Cherribi (VVD), Duijkers (PvdA), Th.A.M. Meijer (CDA).