25 835
Het kloneren van mensen

nr. 5
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 28 april 1999

Op 25 november 1998 vond de behandeling plaats van de begroting van VWS tijdens welke de heer Rouvoet (RPF) mij vroeg om een toelichting op de betekenis van de interpretatieve verklaring die Nederland op 4 mei 1998 aflegde bij ondertekening van het Additionele protocol inzake een verbod op het kloneren van mensen bij het Verdrag inzake de rechten van de mens en de biogeneeskunde van de Raad van Europa. De heer Rouvoet geeft aan dat naar aanleiding van de interpretatieve verklaring bij hem de vraag is gerezen «waarom het kabinet zich de ruimte verschaft voor kloneren tot aan de geboorte, terwijl dat naar de huidige stand van de wetenschap en techniek slechts gedurende de eerste zeven dagen mogelijk is?».

De heer Rouvoet licht in verband met zijn vraag toe dat hij tijdens het interpellatiedebat op 14 januari 1998, naar aanleiding van de interpellatie van de heer Stellingwerf, over de daarbij genoemde eerste veertien dagen verschillen van mening constateerde. Hij geeft aan dat zijn eigen fractie meent dat het kloneren van embryo's, ook in de vroege embryonale fase oftewel de eerste veertien dagen, niet aan de orde zou kunnen en mogen zijn. Dit op grond van de visie dat van een menselijk wezen niet pas sprake is vanaf de geboorte, maar reeds vanaf de conceptie. Hij duidt er op dat deze opvatting over de betekenis van een menselijk wezen fundamenteel verschilt met die van het kabinet.

De heer Rouvoet licht verder toe dat hem verbaast dat de interpretatieve verklaring duidelijk maakt dat het kabinet niet alleen over die eerste veertien dagen een ander standpunt heeft ingenomen, maar dat het ook nog vanaf de geboorte rekent. Hij vraagt zich dan ook af wat de beweegredenen zijn om die hele periode van negen maanden erbij te betrekken door te tellen vanaf de geboorte.

Tijdens de begrotingsbehandeling zegde ik toe schriftelijk nog eens te willen ingaan op de vraag van de heer Rouvoet. Graag doe ik dat bij deze.

Hieraan voorafgaand haal ik graag nog even de teksten aan die in relatie tot de vraag van de heer Rouvoet van belang zijn t.w. de tekst van artikel 1 van het protocol en van punt 6 van de toelichting op het protocol en de tekst van de interpretatieve verklaring.

De teksten luiden in het Nederlands respectievelijk:

Artikel 1: «Iedere ingreep die tot doel heeft een menselijk wezen te creëren dat genetisch identiek is aan een ander menselijk wezen, ongeacht of dit levend of dood is, is verboden»; punt 6 van de toelichting: «Conform de aanpak die werd gevolgd bij het tot stand brengen van het Verdrag inzake de rechten van de mens en de biogeneeskunde, werd besloten om het aan de nationale wetgevers over te laten om de reikwijdte van de term «menselijk wezen» te definiëren met als doel de toepasbaarheid van het huidige protocol».

interpretatieve verklaring: «In relatie tot artikel 1 van het Protocol, verklaart de regering van het Koninkrijk der Nederlanden dat zij de term «menselijk wezen» interpreteert als uitsluitend betrekking hebbend op een menselijk individu, oftewel een menselijk wezen dat reeds geboren is».

In antwoord op de vraag van de heer Rouvoet nu het volgende.

Door ondertekening van het Protocol, brengt Nederland tot uitdrukking dat zij het eens is met het gestelde in artikel 1 van het protocol. Blijkens punt 6 van de toelichting is het echter aan de nationale wetgever om de term menselijk wezen te definiëren. Omdat de reikwijdte van de term menselijk wezen inderdaad voor meer dan één uitleg vatbaar is, heeft Nederland bij de ondertekening een interpretatieve verklaring afgelegd. Deze interpretatieve verklaring is vervolgens zo geformuleerd dat zij in overeenstemming is met datgene waar regering en parlement het, blijkens het debat op 14 januari 1998, over eens waren, namelijk dat handelingen waarmee de geboorte wordt beoogd van een menselijk individu dat genetisch identiek is aan een ander menselijk individu moeten worden verboden.

Bij diverse gelegenheden is aan de Tweede Kamer toegezegd dat in onze wetgeving zal worden vastgelegd dat het verboden zal zijn om een embryo buiten de baarmoeder langer te laten ontwikkelen dan veertien dagen. Wetenschappelijk onderzoek, waaronder wetenschappelijk onderzoek waarbij, bijvoorbeeld ten behoeve van transplantatiedoeleinden, kloneringstechnieken worden toegepast, zal in die periode dan mogelijk zijn. De grens van veertien dagen en de voorwaarden waaronder wetenschappelijk onderzoek in die periode geoorloofd kan zijn, worden in het wetsvoorstel inzake handelingen met geslachtscellen en embryo's (WGE) opgenomen. In dat wetsvoorstel zal ook een regeling worden opgenomen voor wetenschappelijk onderzoek met een embryo of foetus in de baarmoeder. Daarbij zal, zo stellen wij ons voor, uitgangspunt zijn dat uitsluitend wetenschappelijk onderzoek dat aan de foetus ten goede kan komen en dat niet kan worden uitgesteld tot na de geboorte, onder omstandigheden geoorloofd kan zijn.

Over het voorstel om de grens voor ontwikkeling van een embryo buiten de baarmoeder bij veertien dagen te leggen moet de discussie met het parlement nog worden gevoerd, bij voorkeur in het kader van de parlementaire behandeling van de WGE.

Om voor die discussie ruimte te laten is in de interpretatieve verklaring menselijk wezen gedefinieerd als menselijk individu vanaf de geboorte.

Een keuze om onder de reikwijdte van de term menselijk wezen een embryo vanaf veertien dagen ontwikkeling te begrijpen, was daarom op het moment van de interpretatieve verklaring niet aan de orde.

Ik hoop u met het bovenstaande voldoende geïnformeerd te hebben.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

E. Borst-Eilers

Naar boven