25 834 Problematiek rondom asbest

Nr. 92 BRIEF VAN DE MINISTER VAN DEFENSIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 18 februari 2015

In reactie op het verzoek van de vaste commissie van Defensie van 16 januari jl. ga ik hierbij in op de reportage van het programma Brandpunt Reporter van 4 januari 2015. Zoals bekend, heb ik het asbestvoorval aan boord van Zr. Ms. Zeeleeuw reeds beschreven in mijn brief van 19 december 2014 (Kamerstuk 25 834, nr. 90). Naar aanleiding van de uitzending heeft het lid Van Dijk (SP) tevens schriftelijke vragen gesteld. Die vragen worden gelijktijdig met deze brief beantwoord (Aanhangsel Handelingen II 2014/15, nr. 1324).

Laat ik allereerst duidelijk stellen dat de gevolgen van een asbestbesmetting groot kunnen zijn. Het leed van de slachtoffers is tijdens de uitzending duidelijk in beeld gebracht. Defensie blijft zich dan ook inspannen om besmetting van medewerkers te voorkomen.

Een aantal suggesties, die in de uitzending worden gewekt, herkent Defensie niet. Zo is er geen indicatie dat het personeel van Zr. Ms. Zeeleeuw of de andere onderzeeboten van de Koninklijke Marine is blootgesteld aan asbeststof tijdens de vaart. Voorts heeft Defensie wel degelijk een registratieprocedure voor personeel dat (mogelijk) is blootgesteld aan asbeststof.

Ten slotte wordt in de uitzending gesteld dat er beperkingen zouden zijn geweest voor het bedrijf dat de asbestmetingen heeft uitgevoerd in de andere drie onderzeeboten (dus na ontdekking van de asbestbronnen op Zr. Ms. Zeeleeuw).

De beperking bestond hieruit dat het bedrijf niet exact dezelfde risico-inventarisatie kon uitvoeren op deze boten als op Zr. Ms. Zeeleeuw. Hiervoor zou immers een vergaande demontage moeten worden uitgevoerd waarvoor de boten uit de vaart hadden moeten worden genomen. Een vergelijkbare risico-inventarisatie zal op deze boten echter wel degelijk plaatsvinden, namelijk bij aanvang van hun levensverlengend onderhoud.

De Minister van Defensie, J.A. Hennis-Plasschaert

Naar boven