25 829
Wijziging van de Vreemdelingenwet in verband met de invoering van hoger beroep in vreemdelingenzaken

nr. 1
KONINKLIJKE BOODSCHAP

Aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Wij bieden U hiernevens ter overweging aan een voorstel van wet tot wijziging van de Vreemdelingenwet in verband met de invoering van hoger beroep in vreemdelingenzaken.

De memorie van toelichting, die het wetsvoorstel vergezelt, bevat de gronden waarop het rust.

En hiermede bevelen Wij U in Godes heilige bescherming.

's-Gravenhage

22 december 1997

Beatrix

nr. 2
VOORSTEL VAN WET

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een beperkte vorm van hoger beroep in vreemdelingenzaken in te voeren;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Vreemdelingenwet wordt als volgt gewijzigd:

A

In hoofdstuk IV komt het opschrift te luiden:

Bezwaar, beroep en hoger beroep

B

Artikel 33c komt te luiden:

Artikel 33c

1. In afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift vier weken.

2. In aanvulling op artikel 6:5, eerste lid, onder d, van de Algemene wet bestuursrecht, bevat het beroepschrift op grond van artikel 33e de concrete grieven die volgens de belanghebbende tot vernietiging van de bestreden uitspraak moeten leiden.

C

Artikel 33e komt te luiden:

Artikel 33e

1. In afwijking van artikel 37, eerste lid, van de Wet op de Raad van State staat tegen een uitspraak van de rechtbank over een beschikking gegeven op grond van deze wet geen hoger beroep open indien

a. de vreemdeling reeds op enige wettelijke grond toelating geniet;

b. de uitspraak betrekking heeft op een beschikking als bedoeld in artikel 29, aanhef en onder a, of artikel 32;

c. de rechtbank heeft geoordeeld dat terecht toepassing is gegeven aan artikel 7:3, onder a en b, dan wel artikel 7:17, onder a en b, van de Algemene wet bestuursrecht;

d. de uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer in beroep, nadat het bezwaar tegen een beschikking die strekt tot niet inwilliging van de aanvraag om toelating wegens niet-ontvankelijkheid of kennelijke ongegrondheid ervan, ongegrond is verklaard;

e. de uitspraak is gedaan op grond van artikel 34a, vierde lid;

f. de uitspraak betrekking heeft op een beschikking omtrent het weigeren van toegang tot Nederland of de afgifte van visa voor kort verblijf;

g. de uitspraak betrekking heeft op een besluit als bedoeld in artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dan wel de kennisgeving, bedoeld in artikel 15, vierde lid, laatste volzin, is uitgereikt.;

h. de uitspraak betrekking heeft op ingevolge artikel 16, tweede lid, verschuldigde leges;

i. de uitspraak betrekking heeft op een handeling als bedoeld in artikel 1a;

j. de uitspraak is gedaan met toepassing van artikel 33b.

2. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelt de zaak met toepassing van afdeling 8.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht en doet uiterlijk drieëntwintig weken na de dag waarop het beroepschrift is ontvangen, uitspraak.

D

Aan artikel 33f wordt een derde lid toegevoegd dat komt te luiden:

3. In afwijking van artikel 40, tweede lid, van de Wet op de Raad van State, bedraagt het griffierecht f 50, indien hoger beroep wordt ingesteld. In afwijking van artikel 41, eerste lid, van de Wet op de Raad van State, bedraagt het griffierecht voor het verzoek om een voorlopige voorziening eveneens f 50.

E

Artikel 33g vervalt.

ARTIKEL II

Hoger beroep krachtens deze wet staat open in die gevallen, waarin de aanvraag tot toelating na het tijdstip van inwerkingtreding voor de eerste keer is ingediend.

ARTIKEL III

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister van Justitie,

De Staatssecretaris van Justitie,

Naar boven