Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1997-1998 | 25794 nr. 1 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1997-1998 | 25794 nr. 1 |
Vastgesteld 2 december 1997
Een delegatie uit de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken heeft van 28 augustus tot 7 september 1997 een werkbezoek gebracht aan Ethiopië en Eritrea. De delegatie bestond uit de leden Van Traa (PvdA, voorzitter van de commissie), Sipkes (GroenLinks), Verhagen (CDA), Roethof (D66), Van der Stoel (VVD), Dijksma (PvdA) en Rijpstra (VVD). Zij werd begeleid door de griffier van de commissie, de heer Hommes.
De delegatie heeft zich in Ethiopië en Eritrea op de hoogte gesteld van de politieke situatie aldaar. Tevens stond het werkbezoek in het teken van de ontwikkelingssamenwerking en het terugkeerbeleid van vluchtelingen.
De delegatie is de medewerkers van de Nederlandse ambassade in Addis Abeba en het consulaat in Asmara erkentelijk voor de verleende medewerking bij de voorbereiding en gedurende het werkbezoek zelf.
Een programma van het werkbezoek is als bijlage bij het verslag gevoegd.
Ethiopië ligt in het noordoosten van de Afrika, de zogenaamde Hoorn van Afrika. Het land heeft een oppervlakte van 1,1 miljoen km2 en telt ongeveer 57 miljoen inwoners. Het is daarmee een van de volkrijkste landen van Afrika.
De belangrijkste bevolkingsgroepen zijn de Oromo's in het zuiden, de Tigrayers in het noorden, de Somali's in het oosten en de Amharen in het midden van het land. Daarnaast zijn er nog vele kleinere groepen.
2. Historische ontwikkeling tot 1994
Ethiopië is op een korte periode na (1936–1941) nooit gekoloniseerd geweest. Van 1930 tot 1974 regeerde keizer Haile Selassie. Deze probeerde de staat te moderniseren door de invoering van een nieuw muntstelsel, een nieuw burgerlijk wetboek, een moderner onderwijssysteem en algemeen kiesrecht. Verder werd de Amharisering van het onderwijs en de overheid ingevoerd.
Haile Selassie genoot respect in het buitenland, maar in Ethiopië zelf kwam van de hervormingen weinig terecht en werd het feodale systeem in de praktijk ongemoeid gelaten. Op het platteland konden Amhaarse grootgrondbezitters de Oromo-pachters ongestoord als lijfeigenen behandelen. Corruptie was wijd verbreid en de ontwikkeling van landbouw en industrie kwam nauwelijks van de grond. Daarnaast leefde er ontevredenheid over de Amharisering. Een en ander leidde tot onrust en al in 1960 was er een (mislukte) poging tot staatsgreep. In 1973 brak een ernstige hongersnood uit, die vooral in Tigray en Wollo voor veel slachtoffers zorgde. In 1974 werd de keizer door leger en politie afgezet en gevangen genomen. Haile Selassie overleed in 1975 in gevangenschap.
Na de staatsgreep werd de monarchie afgeschaft en werd Ethiopië geregeerd door de Provisional Military Administrative Council (PMAC), beter bekend als «Derg». «Derg» betekent in het Amhaars Raad. Na een periode van verdeeldheid werd in 1977 Mengistu Haile Mariam het nieuwe staatshoofd van Ethiopië. Hierop volgde een bloedige strijd waarin Mengistu zijn macht probeerde te consolideren. Openlijke oppositie werd verboden en politieke tegenstanders, eerst vooral rechtse monarchisten en daarna linkse groepen, werden vervolgd. Ethiopië werd door de Derg omgevormd tot een socialistische volksrepubliek. Alle grote bedrijven werden eigendom van de staat, de grond en alle bezittingen van de Ethiopische kerk en van de grootgrondbezitters werden genationaliseerd en er kwam een staatsmonopolie op agrarische producten. Onderwijs werd verplicht.
In deze tijd werden grote bevolkingsgroepen uit het noorden naar minder bevolkte delen in het zuiden en het westen van het land overgebracht. Plattelandsbewoners werden gedwongen om in strak georganiseerde dorpen met centrale voorzieningen te gaan wonen. In 1984 werd de Workers Party of Ethiopia opgericht en alle andere politieke partijen verboden. In 1987 werd Mengistu gekozen tot president van de Democratische Volksrepubliek Ethiopië. Tevens was hij opperbevelhebber van de revolutionaire strijdkrachten.
In de periode van de Derg werd de strijd om zelfbeschikking van verschillende volkeren (Oromo, Somali, Eritreeërs, Tigrayers) in Ethiopië, een strijd die tijdens het keizerrijk al was begonnen, met kracht voortgezet. Deze strijd leidde alleen in Eritrea tot een succesvol einde. In 1991 werd Eritrea de facto onafhankelijk, hetgeen werd bevestigd met een in 1993 gehouden referendum.
Naast de Eritrese onafhankelijkheidsstrijd werd vanaf 1975 de grootste bedreiging voor de regering in Addis Abeba gevormd door de Tigrayse verzetsbeweging, het Tigrayan People's Liberation Front (TPLF). Deze streefde binnen de eenheid van Ethiopië vergaande autonomie voor Tigray en andere regio's na, alsmede een wisseling van de macht in Addis Abeba. Tegen 1990 had de TPLF geheel Tigray onder controle. Met Amhaarse en andere verzetsbewegingen sloot de TPLF zich vervolgens aan bij het Ethiopian People's Revolutionary Democratic Front (EPRDF), die vervolgens zijn activiteiten uitbreidde naar de regio's Gonder, Welo, Gojam, Welega en noordelijk Shewa. Intussen was ook het verzet tegen economische, politieke en culturele onderdrukking van de Oromo in hevigheid toegenomen.
In 1989 vond een mislukte poging tot staatsgreep plaats tegen Mengistu. Diens positie was door de omvangrijke militaire verliezen en de slechte economische situatie onhoudbaar geworden. In maart 1990 kondigde het regime hervormingen aan. Buitenlandse investeringen moesten worden aangetrokken, staatsondernemingen ten dele geprivatiseerd en landbouwgrond uitgegeven aan particulieren. In oktober 1990 kwamen onderhandelingen met de verzetsbewegingen op gang. In mei 1991 werd in Londen overeengekomen dat het EPRDF een overgangsregering zou vormen. Zonder strijd werd Mengistu verdreven en werd Addis Abeba ingenomen door de EPRDF-strijdkrachten, vooral bestaand uit Tigrayers.
Meles Zenawi werd benoemd tot interim-staatshoofd en leider van een overgangsregering. Tijdens de National Conference for the Peaceful and Democratic Transition van juli 1991 in Addis Abeba werden een nieuwe grondwet en verkiezingen in het vooruitzicht gesteld. Lokale verkiezingen moesten op 21 juni 1992 in hele land plaatsvinden, maar vonden die datum uiteindelijk alleen doorgang in de regio's Oromo, Tigray en Addis Abeba. In de andere regio's konden de verkiezingen om organisatorische of om veiligheidsredenen in het geheel niet of pas op een later moment plaatsvinden.
Vlak voor de juni verkiezingen had het Oromo Liberation Front (OLF), evenals een aantal andere oppositiepartijen (All Amhara People's Organization (AAPO), Islamic Front for the Liberation of Oromia (IFLO), Oromo Abbo Liberation Front (OALF), Ethiopian Democratic Action Group (EDAG) en Amhara National Liberation Movement (ANLM)), besloten tot een boycot. Het OLF trok zich terug uit de overgangsregering en probeerde guerilla-activiteiten te hervatten. De meeste strijders werden echter spoedig door het regeringsleger ingerekend. Op dit moment plegen slechts kleine groepen strijders nog verzet, vooral in het zuiden en westen van de nieuwe provincie Oromo.
Op 5 juni 1994 vonden verkiezingen plaats voor een grondwetgevende vergadering. Deze leverden vrijwel een monopoliepositie op voor de in het EPRDF verenigde partijen. De nieuwe grondwet trad op 8 december 1994 in werking. In het voorjaar van 1995 werden verkiezingen gehouden voor een nationaal parlement. Hierbij won het EPRDF 483 van de 550 zetels. Hoewel de organisatie van de verkiezingen niet vlekkeloos verliep zijn de verkiezingen door internationale waarnemers als voldoende eerlijk en correct beoordeeld. De meeste oppositiepartijen deden overigens aan de verkiezingen niet mee. Het nieuwe parlement koos dr. Negaso Gidada (een Oromo) tot president van de Federale Democratische Republiek Ethiopië en Meles Zenawi tot minister-president. Deze stelde een kabinet samen waarin zoveel mogelijk de etnische doorsnee van de Ethiopische samenleving is vertegenwoordigd. Wel valt een tendens te onderkennen waarbij overheidsfuncties in toenemende mate worden bezet door Tigrayers, hetgeen oppositiepartijen, zoals bijvoorbeeld de AAPO, tot kritiek brengt dat de overheid de etnische tegenstellingen aanwakkert.
Na de machtsovername is Ethiopië gereorganiseerd tot een federatie van staten. Deze staten of provincies zijn volgens de grondwet (artikel 46) gevormd op basis van «settlement patterns, identity, language and consent of the people concerned». In de praktijk verlopen de grenzen langs etnische lijnen. De federale staatsvorm is gekozen om te voorkomen dat de macht, zoals in het verleden, zou toevallen aan één bevolkingsgroep. Er zijn thans twaalf provincies, te weten Tigray, Afar, Amhara, Agew, Kefa, Omo, Sidama, Oromo, Somali, Benishangul, Guraghe-Kembata-Hadiya en Gambela en twee stedelijke provincies, Harar en Addis Abeba.
De federale regering heeft brede bevoegdheden op de terreinen van burgerlijk-, straf-, handels- en arbeidsrecht. Belastingen worden zowel door de federale regering als door de provincies geheven. De provincies kennen vooral met betrekking tot intern bestuur en rechtspraak vergaande autonomie. Er bestaat overigens wel een gebrek aan scholing van politie en juridische medewerkers. In veel provincies wordt een beleid gevoerd om de lokale taal tot ambtelijke taal te maken in plaats van het Amhaars, de regeringstaal. Dit leidt soms tot vervanging van ambtenaren die de lokale taal niet spreken. Er gaat daardoor ervaring verloren.
De provincies zijn onderverdeeld in districten (woreda's, circa 700). Deze kunnen bevoegdheden delegeren aan lokale besturen, in de steden kebele en op het platteland geberemahber geheten. De woreda-verkiezingen hebben plaatsgevonden in november en december 1995. De uitslag was voor de EPRDF zeer positief. Ook deze verkiezingen werden door de oppositiepartijen geboycot.
De wetgevende macht van de federatie berust bij het federale parlement, bestaande uit twee kamers. De belangrijkste kamer is de Council of People's Representatives (550 zetels). De afgevaardigden voor deze kamer worden per provincie voor vijf jaar via een meerderheidsstelsel gekozen. Het aantal afgevaardigden per provincie is afhankelijk van de omvang van de bevolking van de betreffende provincie. De Council of People's Representatives kiest uit haar midden de minister-president, die naast regeringsleider ook opperbevelhebber is van de strijdkrachten.
Naast de Council of People's Representation bestaat de Federal Council waarin elke etnische groep met ten minste één afgevaardigde, plus één voor elke miljoen van dezelfde volksgroep, is vertegenwoordigd. Deze door de provinciale raden gekozen federale raad heeft als eerste taak de toetsing van wetgeving aan de grondwet. Daarnaast beslecht zij geschillen tussen provincies en stelt zij de verdeling vast van de inkomsten over de federale en de provinciale overheden, alsmede de hoogte van de verschillende federale subsidies aan de provincies. Beide kamers kiezen gezamenlijk de president van de republiek voor een termijn van zes jaar.
Na het einde van de burgeroorlog in 1991 is het beleid erop gericht geweest Ethiopië over te laten gaan van een centraal geleide- naar een markteconomie. Hierbij werd de handel geliberaliseerd en werden maatregelen genomen om de private sector te stimuleren. Daarnaast werd ook aandacht besteed aan de sociale sector, de financiële sector en het fiscale beleid. Tot nu toe zijn enige resultaten geboekt. De reële gemiddelde groei van het BNP bedroeg in de periode 1993–1996 7,8% tegenover een negatieve groei van min 3,4 % in de periode 1991–1992. De inflatie is aanzienlijk gedaald en de investeringen nemen toe. De Ethiopische munt (Birr) is stabiel en er wordt hard gewerkt aan de terugbetaling van internationale schulden. De Ethiopische overheid is een van de meest kredietwaardige overheden van Afrika.
Het beleid wordt gekarakteriseerd door continuïteit, volhardendheid en voorzichtigheid. De grootste problemen bij de economische ontwikkeling van het land liggen in de snelle bevolkingsgroei (3% per jaar), de afhankelijkheid van de eenzijdige export van koffie en van buitenlandse donoren en de onzekere voedselsituatie. Een modern bankwezen ontbreekt evenals een adequate infrastructuur. De bureaucratie is groot.
Onder de noemer van «agricultural development led industrialisation» is de landbouwproductie toegenomen met 10% in 1995 en 20% in 1996, voornamelijk als gevolg van gunstige weersomstandigheden. De productiemogelijkheden blijven uitermate kwetsbaar vanwege de grote afhankelijkheid van de weersomstandigheden. Voedselzekerheid is niet bereikt. Gebruik van kunstmest is laag, moderne landbouwmethoden worden nauwelijks toegepast. Investeringen in irrigatie, landbouwvoorlichting en een betere toegang tot de markt voor landbouwproducten zijn nodig voor een structureel hogere productie.
Om investeringen te bevorderen heeft de regering een investeringsreglement vastgesteld (Investment Code). Met dit reglement hoopt de regering door het bieden van gunstige voorwaarden buitenlandse investeringen aan te trekken. In de praktijk vallen de gunstige voorwaarden tegen. De meer aantrekkelijke sectoren zijn voor buitenlanders uitgesloten, de bureaucratische procedures zijn lang, de uitgifte van grond blijft moeizaam en er blijven problemen bij de verkrijging van werkvergunningen.
Overigens zijn de handelsbetrekkingen tussen Nederland en Ethiopië beperkt. De Nederlandse export bedraagt circa 98 miljoen, terwijl Ethiopië voor 11 miljoen naar Nederland uitvoert. De belangstelling in Nederland om te investeren in Ethiopië is niet groot. Factoren die hierbij een rol spelen zijn de onbekendheid van de markt, er is een geringe koopkracht, het banksysteem is ontoereikend en er zijn geen lange termijn kredietfaciliteiten van de NCM. Daarnaast zijn vestigingseisen streng (m.n. hoog deposito) en zijn er beperking bij de eigendomsverkrijging van grond.
6. Positie van niet gouvernementele organisaties (ngo's)
In Ethiopië wordt op dit moment veel gesproken over de positie van ngo's. De overheid werkt aan een nieuwe wetgeving die de activiteiten van deze organsiaties moet reguleren. De coördinatie van de activiteiten van de ngo's ligt sinds 1996 bij de disaster prevention and preparedness commision (DPPC). De registratie vindt plaats bij het ministerie van Justitie. Bij vernieuwing van werkvergunningen moet een aanbevelingsbrief van dat ministerie worden overlegd. Tussen de DPPC en het ministerie van Justitie bestaat een onduidelijke taakverdeling. In februari van dit jaar werd duidelijk dat alle ngo's zich opnieuw moesten laten registreren bij het ministerie van Justitie. Alle ngo's moeten daarbij aan dezelfde criteria voldoen. Van de 300 nationaal opererende ngo's zijn er nu ongeveer dertig officieel geregistreerd. De meeste overigen hebben een verzoek daartoe ingediend. De registratieprocedure is ingewikkeld en langdurig. Voor wat betreft de Nederlandse ngo's is tot op heden alleen de Stichting Oecumenische Hulp geregistreerd.
Tijdens het gesprek op de Nederlandse ambassade in Addis Abeba werd van gedachten gewisseld over het etnisch experiment dat in Ethiopië is gestart. Dat experiment heeft ertoe geleid dat het land volgens etnische lijnen is geregionaliseerd. Deze regio's of provincies hebben veel eigen bevoegdheden. Of het experiment succesvol zal verlopen is niet zeker. De tijd dat de nieuwe structuur werkt is nog te kort om daarover een oordeel te kunnen geven. Er dreigt wel het gevaar van versplintering van het land en ook dreigen binnen de nieuwe provincies nieuwe minderheden te ontstaan. Dat is nu al te merken aan bijvoorbeeld verschillende talen in de afzonderlijke landsdelen. Werd vroeger overal in Ethiopië het Amhaars geleerd, nu dreigt dat in sommige delen van het land niet meer automatisch te gebeuren. Daardoor kunnen de verschillende bevolkingsgroepen moeilijker met elkaar communiceren.
Een positief aspect van de regionalisering is de toekenning van culturele rechten aan alle bevolkingsgroepen. De regionale besturen zijn nog zwak, ondermeer veroorzaakt door een gebrek aan democratische en regionale traditie. De ontwikkelingen zijn nog in het beginstadium.
Bezoek aan wijken van Addis Abeba
De delegatie heeft 's middags een bezoek gebracht aan een aantal krottenwijken van Addis Abeba. Allereerst werd een wandeling gemaakt door een wijk waar de organisatie Integrated Holistic Approach o.l.v. sister Jember Teferra actief is. Deze organisatie is actief sinds 1989 en beoogt verbetering van de kwaliteit van het leven van de bewoners. Samen met de bewoners wordt geprobeerd de belangrijkste problemen aan te pakken. Het gaat om een zeer breed scala aan activiteiten op het gebied van huisvesting, sanitaire voorzieningen, gezondheidszorg en opvang van jongeren en bejaarden. De aanpak is er gericht op zelforganisatie met gekozen vertegenwoordigers uit de wijken, die tezamen het beleid bepalen. De organisatie wordt voor een belangrijk deel gefinancierd met Nederlands geld.
Vervolgens is de delegatie rondgeleid door Care-Ethiopia, een internationale ngo. Deze heeft zich voornamelijk toegelegd op de verbetering van de infrastructuur. Bijvoorbeeld door aanleg en verbetering van wegen zijn wijken beter bereikbaar geworden en hebben daardoor meer kans voor ontwikkeling.
Op deze dag reisde de delegatie voor een veldbezoek van Addis Abeba naar Lalibela, een stad noordelijk van de hoofdstad. Hier kreeg de delegatie een indruk van het Rural Development Programme van SNV. Tijdens de rit van het vliegveld naar de stad Lalibela heeft de delegatie met eigen ogen kennis kunnen nemen van een aantal resultaten, onder meer op het gebied van de landbouw en de toeristische ontwikkeling. Tevens werd een bezoek gebracht aan een door vrouwen opgericht en nu geëxploiteerd theehuis en werd een volksgezondheidsproject (aidsbestrijding) en een meelverwerkend bedrijf bezocht.
In het kantoor van SNV in Lalibela werd met een aantal medewerkers van gedachten gewisseld over ontwikkelingssamenwerking en de rol van ngo's daarbij in Ethiopië. SNV stelt zich tot doel om armoede en ongelijkheid te bestrijden met inachtneming van de eigen verantwoordelijkheid van mensen in het ontvangende land. De hulp moet leiden tot verbetering van sociale en economische omstandigheden. Hierbij worden de gelijkwaardigheid van man en vrouw en het concept van duurzame ontwikkeling als uitgangspunt genomen. Er is gekozen voor een procesmatige aanpak, flexibel en niet top-down. Er wordt gewerkt in vier fasen (voorbereiding, proberen, invoering en uitvoering). Het geheel neemt 10 tot 13 jaar in beslag.
De grootste problemen in het gebied zijn de grote armoede, die ondanks de hulp nog altijd bestaat en de droogte. Armoedebestrijding heeft prioriteit bijvoorbeeld in de vorm van voedselhulp of verbetering van de watervoorziening. Daarnaast zijn er moeilijkheden over het partnership met de Ethiopische overheid en de verantwoordelijkheidsverdeling. Er is een begin van samenwerking met lokale ngo's, maar deze loopt nog niet optimaal. De lokale ngo's zijn meestal nog zeer nieuw en niet zo sterk. De samenwerking met andere internationale ngo's, zoals Foster Parents, verloopt over het algemeen bevredigend. Deze samenwerking wordt door de wereda gecoördineerd. De regering is alert op de activiteiten die door ngo's worden ondernomen en wil graag invloed uitoefenen, bijvoorbeeld op de prioriteitenstelling. Voorts heeft de regering aangegeven een voorkeur te hebben voor verdeling van hulpgelden via lokale/nationale ngo's. Doordat deze ngo's nog onvoldoende zijn ontwikkeld is dit feitelijk nog niet goed mogelijk. Een en ander heeft er overigens nog niet toe geleid dat in dit gebied internationale ngo's zijn vertrokken.
Tenslotte heeft de delegatie in Lalibela een aantal Ethiopisch-Orthodoxe kerken bezocht. Deze zijn gebouwd in de dertiende eeuw en worden met steun van de UNESCO gerestaureerd.
Op zondag 31 augustus is de delegatie teruggekeerd naar Addis Abeba.
Gesprek met vertegenwoordigers van de regeringspartij EPRDF
Allereerst heeft de delegatie van gedachten gewisseld met de heer Haile Kiros (Foreign Relations Officer van de regeringspartij, EPRDF). Volgens hem is democratie niet alleen vrijheid, maar ook zorgen voor goed onderwijs en voor voldoende economische ontwikkeling. Voor de regeringspartij is economische ontwikkeling de «main pillar». Daarnaast is het belangrijk om de in de grondwet verankerde individuele rechten te waarborgen. De oppositie moet daaraan loyaal meewerken. De heer Kiros verklaarde in dit verband te hechten aan een meerpartijensysteem. In de huidige situatie is de oppositie echter niet georganiseerd en niet bereid of in staat loyaal te functioneren binnen de grenzen van de wet. Volgens hem is de oppositie zeer gepolariseerd en heeft zij geprobeerd de regering omver te werpen. De oppositie spreekt alleen over een «war on the state». Een vergelijking van Ethiopië met het politieke systeem van Oeganda is volgens Kiros misplaatst, aangezien in dat land een géén-partijensysteem bestaat.
De rol van de partij is volgens de heer Kiros belangrijk. Zij moet de leiding van de maatschappij hebben. EPRDF staat voor een mengeling van marxisme, sociaal-democratie, vrouwenbeweging, nationalisme en patriottisme. Daarbij is een gemengde economie gewenst, waarbij de regering controle kan uitoefenen en prioriteiten kan stellen. De regering stelt de kaders vast waarbinnen de uitvoering zoveel mogelijk moet plaatsvinden door private ondernemingen, bij voorkeur Ethiopische bedrijven.
De landbouw is een belangrijk onderdeel van de regeringspolitiek. Verbetering van die sector zal leiden tot een verbetering van de voedselsituatie. De regering probeert de landbouw te verbeteren door beter landbouwonderwijs, door irrigatie en door het gebruik van kunstmest te bevorderen. Daarnaast worden particuliere investeerders aangemoedigd om geld in de landbouw te steken. Tevens wordt de ontsluiting van landelijke gebieden verbeterd door de aanleg van wegen.
Ontmoeting met de minister-president
Vervolgens heeft de delegatie een onderhoud gehad met de minister-president van Ethiopië, de heer Meles Zenawi. Deze ging in op de landbouwpolitiek van de regering. De basis van de economische ontwikkeling van Ethiopië is de landbouw. Een goede landbouw moet zorgen voor een adequate voedselsituatie. Het beleid is erop gericht om de productiviteit te verhogen door middel van het gebruik van moderne technieken (kunstmest, irrigatie, infrastructuur en scholing). De programma's zijn gericht op kleinschalige boerderijen. Het beleid heeft ertoe geleid dat er vorig jaar voldoende voedsel is geproduceerd. De grootste problemen op dit moment zijn de gebrekkige distributie en het kredietsysteem. Er zijn onvoldoende wegen en het kredietsysteem is niet duurzaam genoeg. Daarom wordt er gestreefd naar de oprichting van plattelandsbanken, die ervoor moeten zorgen dat kredietverlening veel gemakkelijker gaat. Ondanks het beleid blijft de landbouw altijd afhankelijk van de regenval. Daarom is er veel aandacht voor een zo efficiënt mogelijk gebruik van het beschikbare water. Verspilling moet zoveel mogelijk worden voorkomen.
Van de beschikbare financiële middelen wordt een deel toegekend aan de centrale overheid en het overige aan de regionale overheden. Het geld wordt tussen de regio's verdeeld op basis van de bevolkingsomvang, het niveau van de welvaart, c.q. de armoede en de inzet en de resultaten waarmee de problemen in de regio's worden aangepakt. Hierbij kunnen ngo's een rol spelen. De minister-president is geen voorstander van wat hij noemt klassiek hulp. Dat creëert ongewenste afhankelijkheid van buitenlandse financiële middelen. Ngo's kunnen wat hem betreft zeer nuttig zijn bijvoorbeeld bij de ontwikkeling van het bankwezen. Zij kunnen geld beschikbaar stellen aan lokale banken, die op hun beurt het geld weer kunnen uitlenen. Registratie van ngo's is volgens de heer Zenawi noodzakelijk om illegale activiteiten, zoals fundamentalisme, te voorkomen.
Democratisering betekent volgens de minister-president vooral het bouwen van capaciteit om het bestuur goed te kunnen laten functioneren, maar ook bijvoorbeeld de justitie. Vergroting van de capaciteit is vooral op het platteland noodzakelijk. Uiteindelijk moet er sprake zijn van een goed functionerende staat, een goed functionerende grondwet en een goed functionerende oppositie. De huidige oppositie heeft volgens de heer Zenawi geen aandacht voor de eigen bevolking en is er alleen maar op uit om bij de donorlanden stemming te maken tegen de regering. De oppositie is erg gericht op de stad en heeft nauwelijks contacten op het platteland. Buitenlandse ngo's moeten geen directe steun verlenen aan oppositiepartijen. Dat wordt beschouwd als politieke inmenging. Het is wel mogelijk om voorlichting en training te verzorgen aan politiek partijen. Mensenrechten zijn volgens de minister-president van goot belang, maar moeten wel worden bezien in het licht van de plaatselijke omstandigheden. Die zijn in Afrika niet hetzelfde als in de Verenigde Staten of in Europa. Ethiopië heeft persvrijheid, al zijn de kranten van de oppositie van matige kwaliteit. Het feit dat journalisten van oppositiekranten niet worden uitgenodigd voor persconferenties van de minister-president heeft volgens hem niets te maken met persvrijheid. Het staat hem vrij journalisten al dan niet uit te nodigen.
Met betrekking tot de situatie rond de Grote Meren is sprak de minister-president zijn steun uit aan het adres van de nieuwe president van Congo, Laurent Kabila. Volgens hem moet het onderzoek in het oosten van Congo/Zaire naar de vermeende massamoorden doorgang vinden. Het onderzoek moet echter zeer uitgebreid zijn en zich niet beperken tot de meest recente periode. Ook moet worden onderzocht welke rol bijvoorbeeld UNHCR, buitenlandse ngo's en buitenlandse regeringen hebben gespeeld. Het onderzoek moet worden uitgevoerd door een geloofwaardig persoon.
De heer Zenawi vindt dat Afrika meer moet doen aan conflictvoorkoming en -beheersing, eventueel met behulp van een militaire interventiemacht. Ethiopië wil daar graag een rol in spelen, al dan niet via de Organisatie voor Afrikaanse Eenheid (OAE).
Gesprek met de minister van economische samenwerking en planning
Vervolgens heeft de delegatie gesproken met de heer Girma Birru, minister van economische samenwerking en planning. In 1991 is een hervormingsprogramma van start gegaan. Voor dat jaar werd het grootste gedeelte van het budget besteed aan defensie. Nu is dat minder dan 2% van het bruto nationaal produkt. Er is vooral aandacht voor de landbouw, voor gezondheidszorg en voor onderwijs. Er is een lage inflatie en de nationale munt, de Birr, is stabiel.
De regionale overheden hebben drie financieringsbronnen, te weten eigen belastingen, schenkingen door de centrale overheid en leningen door de centrale overheid. Het ministerie coördineert een en ander. Ook wordt overleg gevoerd met de donorlanden. De minister sprak zich uit voor een verandering van noodhulp naar structurele hulp. De voedselsituatie blijft door het klimaat onzeker.
Het bankwezen is nog niet voldoende ontwikkeld. Er zijn alleen lokale banken. Andere banken kunnen en mogen zich niet vestigen omdat de centrale bank onvoldoende capaciteit heeft om adequaat toezicht uit te oefenen. Overigens zullen deze banken moeten functioneren onder aansturing door de centrale overheid.
De minister sprak waardering uit voor de ngo's die vooral zeer behulpzaam zijn bij de ontwikkeling van de landbouw. Met betrekking tot de donoren vond hij dat er meer algemene regels gesteld zouden moeten worden in plaats van gedetailleerde voorschriften. Het ontvangende land moet een stem hebben in de besteding van het geld.
Gesprek met de All Amhara People's Organisation
In het gebouw van de ambassade heeft de delegatie gesproken met een afvaardiging van de All Amhara People's Organisation (AAPO), onder leiding van de heer Kegnazmach Nekeatibeb, eerste vice-voorzitter. AAPO is opgericht in november 1991 door prof. Asrat Woldeyes. De partij heeft een duidelijk etnische basis. Belangrijkste punt van de partij is het verzet tegen de regionalisatiepolitiek van de regering. Gesteld wordt dat deze er voornamelijk toe dient om de Amharen (20–25% van de bevolking) te benadelen. Deze worden naar de mening van AAPO ten onrechte gezien als kolonisatoren, centralisten en onderdrukkers. Prof. Asrat zit sinds 1994 in de gevangenis en is inmiddels voor verscheidene zaken veroordeeld.
In het gesprek heeft de heer Kegnazmach aangegeven dat zijn partij tegen de etnische politiek is zoals die door de regering wordt gevoerd. Dat leidt alleen maar tot een situatie van verdeel en heers. Het recht op afscheiding zoals is vastgelegd in de grondwet wordt door AAPO verworpen.
Verder heeft de partij bezwaar tegen de grondpolitiek van de regering. Landbezit moet privaat zijn en niet zoals nu alleen van de staat. De staat wordt beheerst door de partij (EPRDF) en de partij gebruikt het grondbezit als drukmiddel. Volgens AAPO is er sprake in Ethiopië van een onderdrukkend regime. Er worden mensen vermoord, anderen worden zonder meer opgepakt. De leiders van vakbonden zijn gevlucht of gevangen genomen en protestacties zijn meestal niet toegestaan. Journalisten van oppositiekranten worden geïntimideerd. Er zijn veertig AAPO-kantoren gesloten, omdat de partij de staat in gevaar zou brengen. Alle document zijn meegenomen.
AAPO is voor herintegratie (zonder geweld) van Eritrea in Ethiopië. De partij zal pas meedoen aan verkiezingen als de gevangenen, zoals prof. Asrat, worden vrij gelaten en de kantoren kunnen worden heropend.
Gesprek met de Council of Alternative Forces for Peace and Democracy in Ethiopia
Aan het einde van de dag heeft de delegatie nog een ontmoeting gehad met de vice-voorzitter van de Council of Alternative Forces for Peace and Democracy in Ethiopia (CAFPDE), de heer Kifle Abate.CAFPDE is opgericht in december 1993 als uitvloeisel van een conferentie van de oppositie die in Addis Abeba plaatsvond. CAFPDE bestaat uit de volgende partijen: APDO (Agew People's Democratic Movement), een factie van de EDU (Ethiopian Democratic Union), TJPF (the Joint Political Forum) en SEPDC (Southern Ethiopia People's Democratic Coalition). Deze laatste is zeer belangrijk binnen CAFPDE. De voorzitter van SEPDC, dr. Beyene Petros, is tevens de voorzitter van CAFPDE. SEPDC is in maart 1992 opgericht als coalitie van tien politieke partijen die vertegenwoordigd waren in het overgangsparlement en tezamen 5 regio's vertegenwoordigden. Toen SEPDC de conclusies ondersteunde van een oppositieconferentie die in maart 1993 in Parijs plaatsvond, besloot het – door EPRDF gedomineerde – parlement dat dit moest worden teruggedraaid, of de betreffende partijen moesten hun zetel(s) in het parlement opgeven. Vijf van de tien leden van SEPDC krabbelden terug en behielden hun zetels. Dr. Beyene Petros, die van 1991 tot 1992 parlementslid en vice-minister van Onderwijs was, werd uit beide functies ontslagen. CAFPDE is in 1996 een geregistreerde partij geworden.
De heer Abate karakteriseert de politieke situatie in Ethiopië als onvrij. Voor de oppositie zijn de omstandigheden moeilijk. Kantoren zijn gesloten en het is moeilijk om nieuwe kantoorruimte te vinden. Er vindt intimidatie plaats en personen waarvan bekend is dat ze aanhanger zijn van een oppositiepartij worden ontslagen.
CAFPDE heeft bezwaar tegen de grondwet. Deze is tot stand gekomen zonder medewerking van de oppositie en bevat ernstige tekortkomingen, zoals het recht op afscheiding. Dit plaveit de weg voor het uiteenvallen van Ethiopië. Ook tegen de etnische politiek van de regering heeft de CAFPDE bezwaar. Hierdoor zijn nieuwe minderheden ontstaan, die veelal alles zijn kwijtgeraakt. De economische schade die is veroorzaakt door de etnische politiek is groot. De staatseigendom van de grond is volgens CAFPDE in strijd met de vrije markt en de concurrentie. De economische groei zal erdoor worden afgeremd.
Andere tekortkomingen in de grondwet zijn de onvoldoende scheiding van machten, de beperkte vrijheid van organisatie en vergadering en het gebrek aan werkelijke persvrijheid. Daarnaast functioneert de rechterlijke macht zeer matig. Veel rechters zijn ontslagen, omdat ze aanhangers waren van het vorige regime. Er heeft nog geen hervorming van het rechterlijk systeem plaatsgevonden.
Bezoek aan de Ethiopian Netherlands AIDS Research Project
Allereerst heeft de delegatie een kort bezoek gebracht aan het Ethiopian Netherlands AIDS Research Project (ENARP). Dit project vloeit voort uit samenwerking tussen de regeringen van Ethiopië en Nederland. Financiering van het project vindt voor het grootste deel plaats door de Nederlandse minister voor Ontwikkelingssamenwerking en door de WHO. Het project is in 1994 gestart en heeft als doel het AIDS-onderzoek en de kennis over AIDS in Ethiopië te bevorderen. Daarnaast worden Ethiopische wetenschappers, analisten en technici opgeleid. Er werken 35 mensen.
Gesprek met de Commissioner for Disaster Prevention and Preparedness
Vervolgens heeft de delegatie een bezoek gebracht aan de heer Simon Mechale, Commissioner for Disaster Prevention and Preparedness. Deze is verantwoordelijk voor de noodhulp en tevens voor de coördinatie daarbij met de regio's. Er bestaat een nauwe samenwerking met de donoren. Dit jaar zal een moeilijk jaar zijn voor de voedselvoorziening. Door het uitblijven van voldoende regen zal de oogst minder zijn dan vorig jaar en dreigt er een tekort te ontstaan. De afhankelijkheid van het klimaat is nog altijd groot. Het is belangrijk dat in een vroegtijdig stadium wordt onderkend dat een tekort zal kunnen ontstaan. Er kunnen dan tijdig maatregelen worden genomen om acute tekorten te voorkomen. Hiervoor moeten regionale experts worden getraind. Deze experts moeten in staat worden gesteld de benodigde informatie op tijd te verschaffen.
Gesprek met de Ethiopian Teachers Association
Met vertegenwoordigers van de Ethiopian Teachers Association (ETA) is gesproken over de politieke en economische situatie in Ethiopië. De ETA (onderwijsvakbond) is in 1948/49 erkend als een professionele organisatie. Ten tijde van keizer Haile Selassie stelde de ETA zich zeer kritisch op met betrekking tot het onderwijsbeleid.
Tijdens de Derg-periode werden onderwijzers en hun organisaties gebruikt om het beleid uit te dragen. Uiteindelijk werd de ETA verboden, omdat de Derg haar naar eigen inzicht hoopte te hervormen.
Na de val van de Derg begon ETA met een frisse start. In juli 1992 zond het een petitie naar de nieuwe regering, met name over salariëring en werkcondities. In dezelfde periode deed de leiding van de ETA echter ook allerlei politieke uitspraken, met name gericht tegen de Structural Adjustment Policy die de regering met het IMF was overeengekomen. Sindsdien is ETA het werken moeilijk gemaakt. De kantoren buiten Addis Abeba werden gesloten. Bestuursleden mochten de stad niet uit en de bankrekening werd geblokkeerd. Inmiddels is door regeringsgezinden een nieuwe ETA opgericht. De bijdragen van onderwijzers (een percentage van het salaris dat de regering inhoudt) worden sindsdien automatisch aan de nieuwe ETA betaald.
De oorspronkelijke ETA is door dit alles zeer verzwakt. Het bestuur is uitgedund van zeven naar vier leden. Bij een verdere teruggang naar drie of minder bestuursleden zal de organisatie automatisch worden opgeheven. In mei 1996 is de voorzitter, dr. Taye Woldesemiat gearresteerd op beschuldiging van het leiden van een ondergrondse terroristische organisatie «Ethiopian National Patriotic Front» (ENPF). In mei 1997 is Assefa Maru, lid van het Executive Committee van ETA (tevens lid van het Executive Committee van de Ethiopian Human Rights Commission), onderweg van huis naar kantoor op straat doodgeschoten. De politie stelt dat hij zich verzette tegen zijn arrestatie op beschuldiging van lidmaatschap van hetzelfde ENPF. De regering weigert een officieel onderzoek in te stellen naar deze kwestie. Naar aanleiding van deze gebeurtenissen is de vice-voorzitter van ETA, Gemoraw Kassa, niet uit het Verenigd Koninkrijk teruggekeerd van een bezoek aan dat land en leeft daar nu in ballingschap. De «oude» ETA telt naar eigen zeggen nog steeds 120 000 leden, terwijl de «nieuwe» ETA 10 000 leden heeft. De vakbond is niet via etnische lijnen georganiseerd en stelt zich ten doel de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren. Leraren spelen daarin een belangrijke rol en daarom vraagt de ETA te worden betrokken bij de onderwijsprogramma's. Er moet niet worden gekort op het onderwijs, zoals in een recent rapport van het IMF wordt gesuggereerd. De bond zou graag weer in gesprek willen komen met de regering. Zij heeft verklaard tegen geweld te zijn en terrorisme niet te steunen.
Bezoek aan de Organisatie voor Afrikaanse Eenheid
Bij het bezoek aan het hoofdkwartier van de Organisatie voor Afrikaanse Eenheid (OAE) heeft de delegatie van gedachten gewisseld met de heer Deon Van Schoor, senior political officer van het Conflict Management Centre. De OAE is begin jaren zestig in Addis Abeba opgericht. Hier bevindt zich dan ook het hoofdkwartier. Oorspronkelijk waren de hoofddoelen van de organisatie dekolonisatie en de strijd tegen de apartheid in Zuid-Afrika. Verder hadden de lidstaten te weinig gemeenschappelijke doelen om er een sterke organisatie van te maken.
De laatste jaren is hierin verandering gekomen. Alle Afrikaanse landen zijn zelfstandig en in Zuid-Afrika is de situatie drastisch veranderd. Het feit dat steeds weer opnieuw her en der in Afrika conflicten uitbraken heeft de OAE ertoe gebracht in 1993 het «OAU Mechanism for Conflict Prevention, Management and Resolution» op te richten. Deze organisatie wordt geleid door het «central organ», waarvan de samenstelling iedere zes maanden deels wisselt, en waarvan de Secretaris-Generaal permanent deel uitmaakt.
Doel van het Mechanism is een oplossing te vinden voor de conflicten op het continent. Hiertoe hebben de lidstaten zelfs de categorische weigering van «non-interventie in interne conflicten» laten varen. De situatie in de Grote Meren Regio heeft duidelijk gemaakt dat een intern conflict grote gevolgen voor een hele regio kan hebben. Het eerste voorbeeld waarbij de OAE zich in een intern conflict heeft gemengd is Burundi. Tegen dat land is een handelsboycot ingesteld.
Probleem van het conflictpreventiemechanisme is het ontbreken van capaciteit op personeel en materieel gebied. De OAE heeft bij de Europese Unie een aantal voorstellen ingediend ter versterking van het conflictpreventiemechanisme. Een voorstel voor het leveren van communicatie-apparatuur is inmiddels goedgekeurd. Hierdoor kan tijdig over essentiële informatie worden beschikt. Andere voorstellen worden aangepast om dit najaar te worden goedgekeurd.
Bezoek aan de UN Economic Commission for Africa (ECA)
In Addis Abeba bevindt zich één van de vijf regionale organisaties van de Verenigde Naties, de UN Economic Commission for Africa (ECA). De delegatie heeft gesproken met de Executive Secretary van de ECA, de Ghanees Amoako, die tevens Assistent Secretaris-Generaal van de VN is.
Tot nog toe is de ECA vooral bezig geweest met het verwerken van statistische gegevens en het uitvoeren van economische projecten in lidstaten. In het kader van de hervormingen binnen de VN worden ook de regionale organisaties hervormd. Dit geldt ook voor de ECA, waarvoor de reorganisatieplannen in juni van dit jaar bekend zijn gemaakt. Deze plannen voorzien onder meer in herstructurering van de organisatie en het management, efficiency-maatregelen en hervormingen in intergouvernementele lichamen. Ook moet de samenwerking met de moederorganisatie VN en met de OAE worden verbeterd.
In de nieuwe ECA zal worden geconcentreerd binnen programma's. De belangrijkste onderwerpen zullen zijn:
– trade and investment promotion, waarbij deregulering en privatisering voorop staan;
– regulatory framework for the telecommunications sector;
– anti poverty policies programme;
– mainstreaming gender;
– capacity building for civil service institutions
– fostering South South cooperation.
De ECA is geen financieringsorganisatie, maar voorziet landen van advies. De bedoeling is deze adviezen zo gezaghebbend mogelijk te laten zijn.
De heer Amoako vindt corruptie een belangrijk probleem. Het terugdringen daarvan zal de economie ten goede komen. Het verschijnsel is echter wijd verbreid in Afrika en is moeilijk aan te pakken zolang er economische vooruitgang is. Ontwikkelingssamenwerking blijft noodzakelijk en daaraan mogen voorwaarden worden verbonden, bijvoorbeeld op het gebied van mensenrechten. Anderzijds heeft Amoako ook begrip voor de wens van regeringen om invloed uit te kunnen oefenen op de hulpverlening («ownership»). De optimale situatie ligt ergens in het midden en dat midden moet per geval worden bepaald.
Voor wat betreft Ethiopië is de ECA positief waar het gaat om monetaire stabiliteit, lage inflatie en budgettair evenwicht. Anderzijds is de regering te voorzichtig met de privatisering en zijn hervorming van het bankwezen en verbetering van de infrastructuur noodzakelijk.
Gesprek met de speciale aanklager voor de Derg-processen
De nieuwe Ethiopische regering besloot snel na de machtsovername dat de leiders en hun medewerkers van het Derg-regime terecht zouden moeten staan wegens schending van de mensenrechten. De regering werd daartoe onder meer aangezet door slachtoffers, georganiseerd in comités. Ten behoeve van het onderzoek en de vervolging is een speciaal bureau opgericht en een speciale aanklager aangesteld.
Totaal zijn er ongeveer 5000 zaken die behandeld moeten worden. Er zitten rond de 2200 mensen in de gevangenis. De delegatie heeft gesproken met de speciale aanklager, de heer Girma Wakjira.Deze sprak van een zeer ambitieus project, waarbij voor het eerst een regering verantwoordelijk wordt gesteld voor wandaden op het terrein van de mensenrechten. Het eerste doel van de processen is de berechting van de leiders van het vorige regime, diegenen die de uiteindelijke verantwoordelijkheid droegen voor de schending van de mensenrechten. Daarna moeten ook de anderen (waaronder ook collaborateurs) worden berecht. Alle verdachten zitten nu zes jaar in de cel. Naar verdachten die zich in het buitenland bevinden wordt gezocht en sommigen, zoals de voormalige president Mengistu, worden bij verstek berecht. De traagheid waarmee de processen worden gevoerd wordt veroorzaakt door het gebrek aan capaciteit van het justitiële systeem en de gedetailleerd behandeling van de zaken.
Gedurende vierenhalf jaar heeft het vooronderzoek naar de feiten plaatsgevonden, terwijl de eigenlijke voorbereiding van het proces ongeveer anderhalf jaar in beslag heeft genomen. In september/oktober van dit jaar moeten de processen beginnen. Iedereen wordt aangeklaagd voor genocide, waarbij de strafeis uiteen loopt van gevangenisstraf tot de doodstraf. De leiders van het Derg-regime worden berecht in Addis Abeba, de overigen kunnen ook worden voorgeleid voor rechtbanken in de regio.
Gesprek met de directeur-generaal voor Europa en Amerika
Op het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft de delegatie van gedachten gewisseld met de heer Hiruy Amanuel, Director General Europe and America. Onderwerp van gesprek was onder meer de samenwerkingsovereenkomst die tussen Ethiopië en Nederland is gesloten inzake terugkeer naar Ethiopië van uitgeprocedeerde asielzoekers. Het protocol is op 22 augustus 1997 door de staatssecretaris van Justitie tijdens haar bezoek aan Ethiopië ondertekend. De overeenkomst is tot stand gekomen op initiatief van Nederland en wordt in Ethiopië positief gewaardeerd. Ethiopië heeft zich verbonden om aan terugkerenden laissez-passers te verstrekken en te zorgen voor veilige terugkeer. Iedereen wordt in de gelegenheid gesteld terug te keren. Er zal geen onderscheid worden gemaakt tussen remigranten die in de tijd van het Derg-regime zijn gevlucht en personen die daarna Ethiopië hebben verlaten. Nederland zal onder meer financieel bijdragen aan de wederopbouw van leefgemeenschappen waarin afgewezen asielzoekers terugkeren, onder meer op gebieden van scholing en training, huisvesting en infrastructuur. Voorts zal Nederland gedurende maximaal negen maanden aan teruggekeerden een uitkering verstrekken. De terugkerenden, naar verwachting ongeveer 700 tot 900 personen in drie jaar, zullen door Ethiopië worden gehuisvest in stedelijke gebieden, waarschijnlijk in Addis Abeba. Het uiteindelijke doel is om deze mensen individueel in hun eigen levensonderhoud te laten voorzien. De beste mogelijkheden liggen hierbij in kleine bedrijven, maar ook overheidsdienst is denkbaar. Er is geen politieke reden om terugkerenden niet in overheidsdienst op te nemen.
Gesprek met minister Mesfin van Buitenlandse Zaken
Met de minister van Buitenlandse Zaken, de heer Seyoum Mesfin, is gesproken over de buitenlandse politiek van Ethiopië. Deze is niet erg geprofileerd, omdat na de burgeroorlog eerst in het land zelf de zaken op orde gebracht moeten worden. Daarom ligt dan ook de nadruk op economische relaties. Na de burgeroorlog moest een compleet nieuwe start worden gemaakt en moest het land opnieuw worden opgebouwd. Er bestaat een sterk geloof dat die opbouw niet zonder hulp kan lukken. Ethiopië heeft grote kansen maar die kansen kunnen slechts optimaal worden benut met buitenlandse steun, wel op basis van partnership. De democratie is misschien nog niet volwassen in Ethiopië, maar volgens de minister is men wel op de goede weg. Democratie is nodig, het alternatief is chaos en burgeroorlog.
Ethiopië is zeer betrokken bij de situatie in de Hoorn van Afrika. Het land heeft een groot belang bij stabiliteit in deze regio. In dat verband bestaat grote bezorgdheid over de ontwikkelingen in Soedan en in Somalië.
Afrika heeft stabiliteit nodig om te kunnen ontwikkelen. Deze kan worden bevorderd door capacitybuilding van Afrikaanse instituties, zoals bijvoorbeeld de OAE. Dat vraagt veel geld en inspanning van Afrika zelf en van het buitenland. Hulp van de EU is daarbij gewenst naast ondersteuning door de Verenigde Staten, Canada en Japan. Ethiopië hecht aan goede relaties met de Europese Unie en met alle afzonderlijke lidstaten. Het land vindt zichzelf niet behoren tot de Britse of de Franse invloedssfeer. Helaas hebben weinig Europese landen Ethiopië hoog op de prioriteitenlijst staan.
Voor wat betreft de situatie van de mensenrechten in Ethiopië moet een en ander volgens de minister worden gezien in de context van de nieuwe start die is gemaakt na de burgeroorlog. De regering is echter vastbesloten om een samenleving op te bouwen met democratische instituties en democratische rechten voor iedereen. Dit is een langdurig proces, omdat in Ethiopië geen enkele democratische traditie bestaat. Eén verkiezing is niet genoeg om te kunnen spreken van democratie. Hulp bij de opbouw van democratische instituties is gewenst en noodzakelijk. Volgens de minister wordt democratisering niet geholpen of bevorderd als donorlanden voorwaarden gaan stellen of zelfs projecten gaan beëindigen.
Ontmoeting met een delegatie van de vakbonden (CETU)
In de ambassade heeft delegatie gesproken met een vertegenwoordiging van de Confederation of Ethiopian Trade Unions (CETU). De CETU is een vakcentrale bestaande uit 8 vakbonden. De ETA is niet aangesloten. De economische situatie in Ethiopië verbetert, maar is niet optimaal. De werkloosheid is onverminderd groot. De vakbonden zouden het toejuichen als er meer geïnvesteerd zou worden door het buitenland.
Volgens de CETU is de privatisering van start gegaan, maar dit proces neemt zeer veel tijd in beslag. De bureaucratie is nog altijd groot en het is belangrijk voor de economische ontwikkeling om die te verminderen. De CETU vindt meer democratie gewenst. Over de arbeidswetgeving vindt overleg plaats met de regering. Er bestaan verschillen van mening die overbrugd moeten worden.
In het parlement is de delegatie officieel ontvangen door de voorzitter van het House of the Federation, mevrouw Almaz Meko en de ondervoorzitter van het House of People's Representatives, dr. Petros Olango. Tijdens het bezoek is van gedachten gewisseld over de taken van het Ethiopische parlement. Daarbij werd van de zijde van de Ethiopische volksvertegenwoordiging in het bijzonder aandacht gevraagd voor het capaciteitsprobleem bij de ondersteuning van het parlementaire werk. Voorts werd van gedachten gewisseld over de mogelijkheid die in de Ethiopische grondwet is opgenomen om parlementariërs tussentijds hun zetel te ontnemen, wanneer hij/zij het vertrouwen van de kiezers heeft verloren (artikel 54, zevende lid).
Eritrea ligt noordelijk van Ethiopië in een lange strook langs de kust van de Rode Zee. Het land heeft een oppervlakte van 121 320 km2 en telt circa 3 miljoen inwoners. Het land is dun bevolkt, de bevolkingsdichtheid is 28 inwoners per km2. De bevolking groeit ongeveer 3,7% per jaar. Nederland heeft in de hoofdstad Asmara geen ambassade. De belangen worden behartigd vanuit de ambassade in Addis Abeba. Er is wel een Nederlandse consul in Asmara, die echter nog niet officieel is geaccrediteerd.
De grenzen van het huidige Eritrea werden in 1889 vastgelegd in het verdrag van Wechale tussen de Ethiopische Keizer Menelik en Italië, waarbij dat het bestuur over Eritrea kreeg. Italië had het land voorbestemd als een migratiegebied voor arme Zuid-Italianen, maar in de praktijk kwam daar weinig van terecht. Na de Italiaanse invasie in Ethiopië in 1935 werd Eritrea deel van Mussolini's Oost-Afrikaanse rijk. Zes jaar later keerde Keizer Haile Selassie in Ethiopië terug, terwijl Eritrea onder Brits bestuur kwam. In 1950 werd door de VN besloten dat een autonoom Eritrea een federatie zou vormen met Ethiopië. Een nieuwe grondwet werd van kracht in 1952. Eritrea had een regering met rechtsbevoegdheid over de meeste binnenlandse aangelegenheden. Monetaire, fiscale, militaire en buitenlandse aangelegenheden vielen onder centraal Ethiopisch bestuur. In de jaren vijftig was er sprake van een federatie tegen wil en dank; de geschoolde bevolking van Eritrea botste met het autocratische en feodale Ethiopische bestuur.
In 1961 werd het pluriforme Eritrean Liberation Front (ELF) opgericht, in eerste instantie bedoeld als politieke beweging gericht tegen de Ethiopische overheersing. De Ethiopiërs reageerden met de arrestatie van belangrijke Eritrese nationalisten. In 1962 annexeerde Ethiopië Eritrea. Dit was voor het ELF de aanleiding om een gewapende strijd te beginnen. Toen begin jaren zeventig splintergroeperingen van de ELF zich verenigden in de Eritrean People's Liberation Forces (EPLF), kreeg het geweld tegen de Ethiopiërs de vorm van een burgeroorlog. Deze burgeroorlog werd voortgezet ook na de val van de monarchie en de vestiging van het Derg-regime. Het keerpunt in de strijd was de verovering van Afabet in het voorjaar van 1988. Na een hevige strijd en een 15 maanden durende belegering van Asmara behaalde het ELPF met steun van het Ethiopische verzet (EPRDF) in 1991 de overwinning. Dit betekende de val van het Derg-regime en het einde van de Ethiopische overheersing van Eritrea.
Officieel werd Eritrea onafhankelijk in april 1993 na een gehouden referendum. In mei van dat jaar trad het land toe tot de VN.
Eritrea is een republiek. Aanvankelijk werd het land bestuurd door het Centrale Comité van het EPLF. De secretaris-generaal van het EPLF, Isaias Afewerki, werd gekozen als president. De overgangsperiode van vier jaar is dit jaar afgelopen. Er is een nieuwe grondwet tot stand gekomen. De president heeft een nieuwe regering benoemd en er zijn regionale verkiezingen gehouden. Er werden totaal 399 regionale afgevaardigden gekozen. Het parlement, de Nationale Vergadering, bestaat uit één Kamer van 150 leden, waarvan 75 zijn aangewezen door het People's Front for Democracy and Justice (PFDJ, voorheen het EPLF) en 75 gekozen door de regionale afgevaardigden. Het parlement heeft een zittingsduur van vijf jaar. De huidige regering en de enig erkende partij, de PFDJ, zijn gescheiden. Echter, bij gebrek aan geschoolde mensen zijn de leidinggevende posities verdeeld onder ex-strijders, die vrijwel allemaal lid zijn van de PFDJ. Oppositiepartijen krijgen geen ruimte.
De president is tegelijk staatshoofd en regeringsleider en heeft een dominante positie in het staatsbestel.
Eritrea is één van de armste landen van Afrika. Het potentieel voor ontwikkeling is niet slecht; het land bezit twee havens, Massawa en Assab, een olieraffinaderij en olie- en gasvoorraden. Daarnaast bieden de bouwnijverheid, de visserijsector en toerisme groeimogelijkheden. De landbouw, waarvan 80% van de bevolking afhankelijk is, staat of valt met de regenval.
In de financiële sector zijn vele ontwikkelingen gaande, die kunnen leiden tot een beter investeringsklimaat. Tot op heden wordt de Ethiopische munt nog gebruikt als nationaal betaalmiddel, maar er zijn vergevorderde plannen om een eigen munteenheid in te voeren. Dit zou kunnen zorgen voor meer monetaire stabiliteit. Sinds 1996 nemen de nationale investeringen toe en de belastinginning is verbeterd. Externe financiering blijft echter de belangrijkste inkomstenbron. De Wereldbank, de Europese Unie, het IMF, de African Development Bank en vele bilaterale donoren voorzien Eritrea op grote schaal van leningen en giften. Sinds begin 1997 heeft de Eritrese overheid het begrip ownership een meer stringente invulling gegeven. De overheid is zeer beducht voor «inmenging van buitenaf» en stelt steeds meer voorwaarden aan buitenlandse hulp. Ten aanzien van ngo's wordt een zeer terughoudend beleid gevoerd. De overheid is van mening dat zij zelf goed in staat is alle activiteiten uit te voeren en verwacht bovendien dat zij daardoor ook greep krijgt op de fondsen die ngo's meebrengen. Belangrijke redenen voor de restrictieve houding ten aanzien van ngo's is het religieuze karakter van enkelen en de wens tot een meer volledige controle van de overheid aangaande ontwikkelingsprojecten. Een ontmoedigingsbeleid is bijvoorbeeld het heffen van een inkomstenbelasting van 38% over inkomen en toelagen voor diegenen die langer dan 183 dagen per jaar in het land zijn en de regel dat slechts één buitenlander per organisatie werkzaam kan zijn.
Gesprek met vertegenwoordigers van ngo's
Van de zijde van de in Eritrea werkzame ngo's werd de situatie in het land voor ngo's als bijzonder aangemerkt. De overheid is zeer waakzaam en onderzoekt en bekijkt bijna alles wat ngo's doen. Er zijn veel restricties die het werk soms moeilijk maken. Desondanks kan er toch veel goeds worden gedaan. De Eritrese overheid heeft een benadering voor de ontwikkeling van het land waarbij zelfwerkzaamheid voorop staat. Er mag geen afhankelijkheid van het buitenland ontstaan. De prioriteiten worden in hoge mate door de regering bepaald en niet door ngo's. Deze prioriteiten liggen vooral op het terrein van de volksgezondheid en het onderwijs. De restricties die de overheid stelt liggen niet zozeer op het vlak van de organisatie van ngo's, maar vooral op de inhoud van het werk. De voorkeur van de regering ligt echter op hulp van regering tot regering en niet via ngo's. Er bestaat nauwelijks structureel overleg tussen ngo's en de regering en er vindt aldus weinig afstemming plaats. De ngo's zouden dit wel graag willen, maar een gestructureerd overleg is tot nu toe niet van de grond gekomen.
Gesprek met de Eritrean Relief and Refugee Commission (ERREC)
De ERREC is in Eritrea belast met alle activiteiten betreffende de wederopbouw. ERREC is ontstaan door samenvoeging van de Eritrean Relief and Rehabilitation Association (ERRA), de Commission Eritrea Refugee Affair (CERA) en Mitias, de organisatie die zich bezighield met de demobilisatie van de onafhankelijkheidsstrijders. ERREC houdt zich onder meer bezig met de activiteiten inzake ngo's in Eritrea en met het vluchtelingenbeleid. De delegatie heeft gesproken met mevrouw Worku Tesfamichael, commissioner van ERREC. ERREC heeft de samenwerking met UNHCR bij de terugkeer van Eritrese vluchtelingen verbroken. De gehele internationale UNHCR staf is uitgewezen, omdat deze niet in staat was exacte gegevens te verstrekken over de hoeveelheid vluchtelingen die terugkeren, vooral uit Soedan. De UNHCR heeft volgens mevrouw Tesfamichael niet gedaan wat van die organisatie mocht worden verwacht. Vluchtelingen die naar Eritrea terugkeren zijn overigens welkom en zijn vrij zich overal te vestigen.
Voor wat betreft de relatie tussen Eritrea en buitenlandse donorlanden benadrukte mevrouw Tesfamichael de wens van de Eritrese overheid om zoveel mogelijk het land zelf te ontwikkelen. Er mag geen afhankelijkheid ontstaan van het buitenland. Er bestaan geen principiële bezwaren tegen ngo's, maar primair hecht Eritrea sterk aan zelfstandigheid, eigen verantwoordelijkheid en uitvoering en ontwikkeling door het land zelf. Deze eigen verantwoordelijkheid geldt ook op het vlak van de mensenrechten. De Eritrese regering heeft een voorkeur dat donoren financiële middelen verschaffen, waarbij de uitvoering door Eritrea zelf ter hand kan worden genomen. De Eritrese regering wil graag afspraken maken vanuit een positie van gelijkwaardig partnership.
Gesprek met dr. Woldeab Isaac, President of Asmara University
De universiteit in Asmara is in 1958 opgericht en had een religieuze oorsprong. Later werd het een staatsuniversiteit. Tijdens de oorlog werd de universiteit in 1990 bijna volledig ontmanteld en werden alle voorzieningen weggehaald en overgebracht naar Zuid Ethiopië. Dit leidde ertoe dat na de onafhankelijkheid er helemaal opnieuw moest worden begonnen. In 1991 werd de universiteit heropend en in de afgelopen zes jaren is hard gewerkt om de voorzieningen en het peil te verbeteren. Er zijn op dit moment vier onderwijsprogramma's, te weten science, kunst en talen, economie, en landbouw.
In 1993 is een strategisch plan voor de universiteit ontwikkeld en tot uitvoering gekomen. In dit plan gelden een drietal uitgangspunten. Het onderwijs moet relevantie hebben voor de opbouw van de samenleving, de kwaliteit moet zijn gewaarborgd, vooral met het oog op capacitybuilding en er moet sprake zijn van duurzaamheid van het onderwijs. Er zijn geen prestigieuze programma's.
De universiteit van Asmara werkt samen met de Landbouwuniversiteit in Wageningen en er bestaan ook banden met de rijksuniversiteit Groningen. Er zijn vier projecten die worden gefinancierd door Nuffic, de Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het hoger onderwijs. Het belangrijkste project is de verbetering van de onderwijzersfaciliteiten. De projecten worden door de universiteit zelf uitgevoerd. Nuffic zorgt alleen voor de financiering.
Gesprek met dr. Berhane Abrehe, President's Office (Macro-Policy)
Met de heer Berhane heeft de delegatie onder meer van gedachten gewisseld over de economische en financiële politiek van de Eritrese regering. Eritrea kent een financieringstekort dat is veroorzaakt door het herstel van het land na de burgeroorlog. Dit tekort heeft geen gevolgen voor de invoering van de nieuwe munt. Deze zal binnenkort van start gaan. Nadere details hierover kon de heer Berhane niet verstrekken. Het exacte invoeringstijdstip is nog geheim. Ook over de begroting, die wel beschikbaar maar niet openbaar is, was de heer Berhane niet bereid nadere informatie te geven.
Volgens de presidentiële adviseur is met betrekking tot buitenlandse steun de tijd van donoren voorbij. Landen moeten giften niet willen accepteren. Als er geen of minder geld wordt gegeven betekent dat landen worden gestimuleerd om harder te knokken voor zichzelf. De heer Berhane achtte dat een goede ontwikkeling. Voor Eritrea betekent het overigens niet dat er geen enkele steun meer is gewenst, maar wel dat er een sterke voorkeur bestaat voor bilaterale of eventueel multilaterale samenwerking. Centraal staat de doelstelling om met eigen inzet en onder eigen verantwoordelijkheid de situatie van de burgers in Eritrea te verbeteren. Geld van in het buitenland wonende Eritreërs is daarbij ook van harte welkom.
In het gebouw van de National Assembly heeft de delegatie gesproken met een vijftal leden van het Eritrese parlement over de politieke situatie en over de ontwikkelingsrelatie. Het parlement van Eritrea bevindt zich nog in een ontwikkelingsfase. Zo bestaat er nog geen inzicht in de begroting. Het zal nog enige tijd duren voordat er genoeg basis en genoeg materiaal is om een degelijke begroting te kunnen presenteren. Volgens de parlementsleden kan de nieuwe, eigen munt worden ingevoerd. Er is daarvoor voldoende voorbereiding geweest. Een tijdstip is nog niet vastgesteld. Daarnaast is er ook nog overleg voorzien met de regering van Ethiopië over de overgang van de Ethiopische birr naar de nieuwe Eritrese munteenheid. Buitenlandse investeringen moeten worden aangemoedigd, omdat deze bijdragen aan de ontwikkeling van het land. Er moet overigens op dat vlak nog veel gebeuren, vooral op het gebied van infrastructuur. Eritrea kent daarbij een vrije markt, waarbij ruimte wordt gegeven aan investeringen. In Eritrea wordt sterk gehecht aan eigen verantwoordelijkheid en zeggenschap over de ontwikkeling van het land. Er bestaat grote angst om afhankelijkheid te creëren van buitenlandse donoren. Deze opvatting vloeit mede voort uit de tijd van de onafhankelijkheidsstrijd toen de strijders ook zeer op zichzelf waren aangewezen en er weinig steun van buiten werd gegeven. Tevens wordt Eritrea in haar opvatting over buitenlandse steun gesterkt door de geringe effecten die buitenlandse hulp in Afrika in zijn algemeenheid heeft gehad.
Het Eritrese parlement functioneert nog niet optimaal. Het kost tijd om instituties op te bouwen. Er is sprake van een soort overgangsperiode, waarbij nu nog een eenpartijensysteem bestaat. Er wordt echter gestreefd om te komen tot een meerpartijensysteem. De bedoeling is dat bij de volgende verkiezingen alle zetels betwist kunnen worden en er een einde komt aan de speciaal gereserveerde zetels die nu bestaan. De belangrijkste taak van het parlement is de wetgeving. Daarnaast wordt de president van de republiek door het parlement gekozen. De president vervult een centrale rol in het staatsbestel. Hij benoemt de ministers. Het parlement moet vervolgens aan de benoemingen goedkeuring verlenen.
In Eritrea wordt sterk gehecht aan stabiliteit in de Hoorn van Afrika. In dat kader is een groot probleem de vluchtelingenstroom uit Soedan. Veel vluchtelingen zijn naar Eritrea gekomen en wonen in kampen in de grensstreek. Terugkeer naar Soedan lijkt voor deze vluchtelingen op korte termijn niet reëel.
De verhouding tussen Eritrea en Ethiopië is goed. In Ethiopië wonen ongeveer 250 000 Eritreërs, terwijl in Eritrea gastarbeiders uit Ethiopië te werk zijn gesteld. Deze ondervinden hierbij nauwelijks problemen.
Bezoek aan het ministerie van Buitenlandse Zaken
Op het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft de delegatie van gedachten gewisseld met de heer Andemichael Kahsay, Director General European desk. Helaas was de minister van Buitenlandse Zaken, Haile Woldetensai, door verblijf in Nederland niet in staat de delegatie zelf te ontvangen.
De heer Andemichael verklaarde dat Eritrese vluchtelingen in Nederland zonder problemen terug kunnen keren naar Eritrea. Eritrea zal meewerken aan terugkeer, waarbij de voorkeur wordt gegeven aan diegenen die vrijwillig naar Eritrea gaan.
De buitenlandse politiek van Eritrea is gericht op het onderhouden van goede betrekkingen met alle landen. In de regio van de Hoorn van Afrika moet worden gepoogd de spanningen te verminderen, waarbij volgens de Eritrese regering de IGAT moet worden ingeschakeld. Meer coördinatie en consultatie kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan verminderingen van de spanningen. Volgens Andemichael is het Soedanese bewind een bron van zorg voor alle buurlanden. Het fundamentalisme in dat land werkt destabiliserend voor de hele regio. Eritrea vindt dat het regime in Khartoum moet verdwijnen, waarbij alle middelen zijn geoorloofd. Eritrea is zeer gebaat bij een regeringswisseling in Soedan. Andemichael noemde dit zelfs «to be or not to be» voor Eritrea. Van de huidige Soedanese regering worden geen veranderingen of hervormingen verwacht. Door nu bemiddeling te aanvaarden in de burgeroorlog probeert het fundamentalistische regime alleen maar tijdwinst te boeken. Bemiddeling zal geen oplossing bieden en geen garantie geven dat de buurlanden van Soedan niet worden gedestabiliseerd.
Met betrekking tot de Organisatie voor Afrikaanse Eenheid heeft de Eritrese regering de opvatting dat deze organisatie to nu toe een weinig positieve bijdrage heft geleverd aan de oplossing van conflicten in Afrika. Eritrea pleit er dan ook voor om eerst de regionale subgroepen te versterken. Peacekeeping is wellicht noodzakelijk, maar het is zeer tijdrovend om dit van de grond te krijgen. Daar is tevens hulp bij nodig van alle landen die interesse hebben in Afrika.
Gesprek met de minister van Visserij-aangelegenheden
Op deze dag heeft de delegatie een bezoek gebracht aan Massawa. Deze stad ligt aan de kust van de Rode Zee en heeft een haven. De stad heeft erg geleden in de burgeroorlog en daarvan waren tijdens het bezoek nog duidelijk de sporen te zien. In Massawa heeft de delegatie van gedachten gewisseld met de minister van Visserij-aangelegenheden, Petros Solomon. De minister ging in zijn inleiding in op de mogelijkheden die de visserij biedt in Eritrea. In Massawa zijn plannen om de visserij te ontwikkelen. Daarbij zijn een drietal speerpunten bepaald. Ten eerste moet een commerciële visverwerkende industrie tot stand worden gebracht. Via joint ventures moet het bedrijfsleven daarvoor worden geïnteresseerd om te investeren. De visverwerkende industrie kan een belangrijke bron van werkgelegenheid vormen. Recent is één bedrijf geopend, genaamd Erifish. Dit bedrijf heeft een Eritrese meerderheidsdeelnemer en twee buitenlandse minderheidsdeelnemers; een Nederlandse en een Italiaanse. De vis is voornamelijk voor export (naar Japan en Europa). De fabriek is verondersteld werk te bieden aan ca. 400 vissers en 35 eigen werknemers.
Ten tweede moeten de boten van de vissers worden gemoderniseerd en tenslotte moet het transport van Massawa naar Asmara worden verbeterd, zodat de verse vis snel per vliegtuig kan worden geëxporteerd. Voor de export van ingevroren vis per schip is het noodzakelijk dat de haven van Massawa wordt uitgebreid. Hiervoor zal volgend jaar een project worden gestart met hulp van de Wereldbank en de Italiaanse regering.
Naast de visserij bestaan er ook plannen om meer toeristen naar de kust en naar Massawa te trekken, die kunnen zorgen voor werkgelegenheid. Ook hiervoor moet de infrastructuur, met name de verbinding met Asmara, worden verbeterd, zodat Massawa goed bereikbaar wordt.
De minister onderstreepte het ontwikkelingsbeleid van de Eritrese regering, waarbij de prioriteiten uitsluitend door de regering worden bepaald en waarbij tijdens de uitvoering van projecten eventueel gebruik kan worden gemaakt van ngo's. Eritrea moet op eigen benen staan en niet afhankelijk zijn van het buitenland of van buitenlandse ngo's. Deze letten volgens de minister teveel op hun eigen belang en te weinig op het belang van Eritrea. Zij mogen niet het beleid bepalen.
In de middag heeft de delegatie het Erifish-project en een in aanbouw zijnd visserij research en training center bezocht, en een bezoek gebracht aan het Hirgigho training centre, een fish landing jetty en de Gibi Canteen (women cooperative).
Tenslotte heeft delegatie een wandeling gemaakt door het oude centrum van Massawa.
De delegatie heeft in de ochtend een bezoek gebracht aan Keren, een plaats ten noordwesten van Asmara. Hier werd officiële opening bijgewoond van de aanleg van waterleiding voor de stad. De openingshandeling werd verricht door de Nederlandse ambassadeur in Eritrea. Het project is gefinancierd door Canada, Duitsland, Zweden en Nederland. De bestaande waterleiding is verbeterd en er is 15 km nieuwe leiding aangelegd. Daarnaast zijn onder meer pompen en generatoren geplaatst en zijn reservoirs gecreëerd. Door het project zijn veel meer mensen voorzien van stromend water van goede kwaliteit. De hygiënische omstandigheden zijn door de aanleg van de waterleiding sterk verbeterd.
Gesprek met de minister van Local Government, Mahmoud Ahmed Sherifo
Met minister Sherifo heeft de delegatie gesproken over de samenwerking die bestaat tussen Nederland en Eritrea op politiegebied. Vanaf 1996 steunt Nederland Eritrea bij de opbouw van een politiemacht. Het programma bestaat uit een aantal onderdelen en er is totaal een bedrag van 28 miljoen gulden mee gemoeid. De onderdelen zijn:
– levering van materiaal
– training van politiemensen
– het maken een ontwerp voor de politieschool en het politie officierscollege
– de constructie van gebouwen
– technische assistentie.
Het programma is ingedeeld in drie fasen en heeft in principe een looptijd van drie jaar.
De belangrijkste taak van de Eritrese politie is volgens de minister het verzorgen van vrede en veiligheid voor de burgers. Na de onafhankelijkheid van Eritrea is een nieuwe politiemacht nog in opbouw. Hulp bij die opbouw wordt door de regering zeer op prijs gesteld. Het doel is om een politie te creëren die professioneel werkt en zo dicht mogelijk bij de burgers staat.
De politie werkt binnen de grenzen van de grondwet en de wet. Er bestaat geen politiewet in Eritrea en er wordt nog steeds gebruikt gemaakt van het Ethiopische strafrecht. Een eigen Eritrees strafrecht is in voorbereiding. Er zijn nu 2000 agenten, terwijl er naar een uitbreiding tot 5000 agenten wordt gestreefd. Het overgrote deel van de agenten is nieuw. Slechts enkele professionals zijn afkomstig uit de vroegere Ethiopische politie. Met het beperkte aantal agenten is een flexibele inzet noodzakelijk, waarbij preventie voorop staat. Volgens de minister is de politie op dit moment onvoldoende toegerust om de taken naar behoren te vervullen. Er is vooral een tekort aan auto's en motoren.
De minister zet de grote lijnen uit voor wat betreft de politie-organisatie, terwijl bij de dagelijkse gang van zaken de politie autonoom opereert.
In Eritrea zijn op dit moment 1420 gevangenen, verspreid over vijf gevangenissen. Er zijn geen politieke gevangenen. Ook de rechterlijke macht is in opbouw. Naast een Hooggerechtshof kent Eritrea 6 regionale rechtbanken en 54 subregionale rechtbanken. Van deze laatste categorie is slechts 50% in functie. Voor diefstal en corruptie bestaan speciale tribunalen die recht spreken in eerste en enige instantie. Voor de rechterlijke macht bestaat een trainingsprogramma. Assistentie bij de training van rechters is gewenst.
Volgens de minister bestaat in Eritrea een veiligheidsdienst, die evenwel separaat is georganiseerd van leger en politie.
Gesprek met dr. Bereket (voorzitter van constitutionele commissie)
Met dr. Bereket is van gedachten gewisseld over het grondwettelijk systeem van Eritrea. De heer Bereket werkte lange tijd als hoogleraar in de Verenigde Staten en speelde belangrijke rol bij de totstandkoming van de grondwet van Eritrea.
Deze grondwet kent een unieke positie toe aan de president van de republiek. Eritrea heeft een parlementair systeem onder presidentiële leiding. De vergelijking die wel wordt gemaakt met het Franse systeem gaat niet op. De regering in Eritrea kan in tegenstelling tot de Franse regering niet door het parlement tot aftreden worden gedwongen. Deze mogelijkheid werd niet opportuun geacht voor een jong land als Eritrea dat gebaat is bij zoveel mogelijk politieke stabiliteit. Er bestaat nu een éénpartijsysteem, waarbij democratie bestaat binnen de ene partij, maar de grondwet voorziet in de mogelijkheid van meer partijen. Wetgeving ter uitwerking van de grondwettelijke mogelijkheid van meer partijen moet nog worden voorbereid. Deze wetgeving zal volgens dr. Bereket beperkingen bevatten, omdat het in Eritrea ongewenst wordt geacht om bijvoorbeeld partijen op te richten op basis van etniciteit of godsdienst.
Volgens dr. Bereket heeft de langdurige oorlog de geheimhouding in de hand gewerkt. Tijdens de oorlog moest alles in het geheim plaatsvinden. De daardoor ontstane cultuur werkt nu nog door in de bestuurscultuur van het land. De democratische ontwikkeling wordt daardoor belemmerd. Het grote probleem van de huidige grondwet is de gebrekkige controlemogelijkheden van het parlement over de president. De oplossing voor dit probleem is volgens dr. Bereket een versterking van de positie van de regering, die moet samenwerken met de president en tevens verantwoording moet afleggen aan het parlement. Een en ander heeft echter tijd nodig om te groeien. Ook zal het parlement zijn rol moeten vinden en daarvoor beter moeten worden toegerust dan nu.
Dr. Bereket verklaarde de houding van de Eritrese overheid tegenover donoren en de ngo's uit de geschiedenis. Eritrea is een klein land dat praktisch op eigen houtje de oorlog tegen Ethiopië heeft gewonnen. Het land is trots op die prestatie en vindt nu dat het ook zelf de ontwikkeling ter hand moet nemen. Dit betekent volgens dr. Bereket overigens niet dat alle ngo's zouden moeten vertrekken; zij kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan bijvoorbeeld de opbouw van de civil society. Bereket riep de donoren op om kritisch, maar betrokken te blijven bij het wel en wee van Eritrea, alles gezien in het licht van het nabije verleden.
06.50 uur Vertrek Amsterdam
20.20 uur Aankomst Addis Abeba
09.00 uur: Bespreking met de ambassade-staf
14.00 uur: Wandeling door de krottenwijken van Addis Abeba (Integrated Holistic Approach)
16.00 uur: Rondleiding door krottenwijken door Care Ethiopia
20.00 uur: Ontmoeting met de Nederlandse gemeenschap
07.30 uur: Lijnvlucht van Addis Abeba naar Lalibela
10.15 uur: Bezoek aan Integrated Rural Development Programme van SNV
ochtend: gelegenheid voor kerkbezoek
12.00 uur: Per lijnvlucht terug naar Addis Abeba
20.00 uur: werkdiner met diplomatiek vertegenwoordigers van Nederland, Duitsland, Zweden, Canada, de Verenigde Staten en de Europese Commissie
08.30 uur: Ontmoeting met EPRDF, Foreign Relations, mr. Haile Kiros
11.00 uur: Ontmoeting met mr. Meles Zenawi, minister-president
14.00 uur: Ontmoeting met mr. Girma Birru, minister van economische samenwerking en planning
16.00 uur: Ontmoeting met AAPO (oppositie)
17.00 uur: Ontmoeting met CAFPDE (oppositie)
19.00 uur: Diner aangeboden door het parlement van Ethiopië
08.30 uur: Bezoek aan Ethiopian-Netherlands Aids Research Programme
10.00 uur: Bezoek aan mr. Simon Mechale, Commissioner for Disaster Prevention and Preparedness
11.00 uur: Gesprek met vertegenwoordigers van de «oude» Ethiopian Teachers Association
12.30 uur: Lunch-buffet met de pers
15.00 uur: Ontmoeting/rondleiding met mr. Deon Van Schoor, OAU, Conflict Prevention Centre
17.00 uur: Ontmoeting met mr. K.Y. Amoako, Executive Secretary UN ECA
20.00 uur: Informele ontmoeting met ngo's
09.00 uur: Gesprek met mr. Girma Wakjira, speciale aanklager Derg-processen
10.00 uur: Ontmoeting met mr. Hiruy Amanuel, Director General Europe and America (ministerie van Buitenlandse Zaken)
11.00 uur: Ontmoeting met mr. Seyoum Mesfin, minister van Buitenlandse Zaken
12.30 uur: Informele zakenlunch
15.00 uur: Ontmoeting met vertegenwoordigers van de Confederation of Ethiopian Trade Unions
(Twee leden van de delegatie hebben een bezoek gebracht in de gevangenis aan dr. Taye Woldesmiate, voorzitter van de «oude» ETA)
16.00 uur: Gezamenlijke ontmoeting met mrs. Almaz Meko, voorzitter van het House of the Federation en dr. Petros Olango, ondervoorzitter van het House of People's Representatives
17.00 uur: Informele ontmoeting met onafhankelijke intellectuelen
22.15 uur: Vertrek per vliegtuig van Addis Abeba naar Asmara (Eritrea)
Einde bezoek aan Ethiopië
09.30 uur: Gesprek met enkele in Eritrea werkzame ngo's
11.00 uur: Gesprek met mrs. Worku Tesfamichael (Eritrean Relief and Refugee Commission)
12.00 uur: Lunch in een restaurant dat wordt geëxploiteerd door een uit Nederland teruggekeerde Eritreër.
14.00 uur: Gesprek met dr. Woldeab Isaac, president van de universiteit van Asmara
15.00 uur: Gesprek met mr. Berhane Abrehe, Macro Policy (President's Office)
16.00 uur: Ontmoeting met leden van het parlement van Eritrea
19.00 uur: Informele ontmoeting met uit Nederland naar Eritrea teruggekeerde Eritreërs
20.30 uur: Diner met enkele ambassadeurs in Asmara
07.30 uur: Vertrek naar Massawa
11.00 uur: Gesprek met mr. Petros Solomon, minister van Visserij-aangelegenheden
11.30 uur: Bezoek aan Erifish
12.15 uur: Bezoek aan research center (department of Marine Biology/universiteit van Asmara)
Een deel van de delegatie heeft een bezoek gebracht aan Hirgigho training centre en Fish landing jetty en aan Gibi Canteen (women cooperative)
13.00 uur: Lunch met de minister van Visserij-aangelegenheden en met enkele medewerkers van ngo's die in Massawa werkzaam zijn
's middags: wandeling door de oude stad Massawa
18.00 uur: bezoek aan de Mai Habar Training School
06.00 uur: Vertrek naar Keren
09.30 uur: Officiële opening, gevolgd door bezoek aan Keren water supply and sanitation project
13.00 uur: Terugkeer naar Asmara
16.00 uur: Gesprek met Mahmoud Ahmed Sherifo, minister for local government
17.00 uur: Gesprek met dr. Bereket, voorzitter van de constitutionele commissie
19.00 uur: Informele ontmoeting met de Nederlandse gemeenschap
22.00 uur: Vertrek per lijndienst van Asmara naar Amsterdam
Einde bezoek aan Eritrea
09.00 uur: Aankomst in Amsterdam
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-25794-1.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.