Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201325764 nr. 67

25 764 Reisdocumenten

Nr. 67 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 12 oktober 2012

In het verslag algemeen overleg inzake de geldigheid van kindbijschrijvingen, gehouden op 7 juni 2012 (Handelingen II 2011/12, nr. 93), is door het Lid Hennis-Plasschaert (VVD) de vraag aan de orde gesteld in hoeverre het, vooruitlopend op de inwerkingtreding van de wijziging van de Paspoortwet, mogelijk is om een Nederlandse identiteitskaart (NIK) of ander identiteitsbewijs te verstrekken aan burgers die (al of niet vanwege gewetensbezwaren) geen vingerafdrukken willen afgeven. Tevens is door het Lid Heijnen (PvdA) gevraagd of mensen, vooruitlopend op de wetswijziging, zich met een verlopen paspoort of Nederlandse identiteitskaart kunnen identificeren. Tijdens het overleg heb ik toegezegd te bezien of het mogelijk is om in de lopende adviesaanvraag over de wijziging van de Paspoortwet aan de Raad van State van het Koninkrijk op deze punten een expliciete uitspraak van de Raad te vragen.1 Bij brief van 25 juni 2012 heb ik de Raad gevraagd in het advies ook in te gaan op de door de leden Hennis-Plasschaert en Heijnen gestelde vragen. In zijn advies over het vorenbedoelde wetsvoorstel heeft de Afdeling advisering van Raad van State deze vragen betrokken.

Wat betreft de vraag van het Lid Hennis-Plasschaert overweegt de Afdeling dat de Paspoortwet op dit moment de verplichting bevat om in de NIK vingerafdrukken op te nemen. Bij de uitvoering van die wettelijke regeling is het bestuur gebonden aan die verplichting tot op het moment dat de wet op dat punt wordt gewijzigd en de verplichting tot het opnemen van vingerafdrukken vervalt. Vooruitlopend op de parlementaire goedkeuring en de inwerkingtreding van die wetswijziging bestaan er gegeven de huidige wettelijke kaders noch op grond van de Paspoortwet, noch op basis van een andere wettelijke regeling mogelijkheden om af te wijken van de bestaande verplichting tot het opnemen van vingerafdrukken in de NIK. Het kabinet volgt deze opvatting van de Afdeling.

Wat betreft de vraag van het Lid Heijnen geeft de Afdeling aan dat de minister van Veiligheid en Justitie op grond van artikel 1, tweede lid, van de Wet op de identificatieplicht (WID) bevoegd is om een reisdocument waarvan de geldigheidsduur is verstreken aan te wijzen als identificatiedocument. De Afdeling wijst er daarbij op dat het voortdurende gebruik van reisdocumenten waarvan de geldigheidsduur is verlopen consequenties kan hebben voor de betrouwbaarheid van en de duidelijkheid omtrent de geldigheid van identificatiemiddelen. De voor- en nadelen van een dergelijke oplossing vergen, mede in het licht van het moment waarop het onderhavige wetsvoorstel in werking zou kunnen treden, een zelfstandige afweging.

Uit het advies van de Raad maakt het Kabinet op dat, hoewel er een bevoegdheid bestaat voor de minister van Veiligheid en Justitie om een reisdocument waarvan de geldigheidsduur is verstreken aan te wijzen als identificatiedocument, daaraan ook nadelige gevolgen zijn verbonden die moeten worden meegewogen bij een dergelijke beslissing. Het Kabinet voelt zich door het advies gesteund in de overtuiging dat met de bevoegdheid om reisdocumenten aan te wijzen waarvan de geldigheidsduur is verlopen, zeer terughoudend moet worden omgegaan. Aan het aanwijzen van verlopen paspoorten en Nederlandse identiteitskaarten als identiteitsbewijs zijn nadelige gevolgen verbonden. In dit verband wijst het Kabinet op het volgende.

In de eerste plaats vervalt op grond van de Paspoortwet zowel het paspoort als de NIK na verloop van de geldigheidsduur van rechtswege en dient het document terstond door de houder daarvan te worden ingeleverd bij een daartoe bevoegde autoriteit. Deze wettelijke inleverplicht is van belang om te voorkomen dat documenten langer in omloop blijven dan noodzakelijk en daarmee een mogelijke bron van fraude en misbruik kunnen worden. Dit doel zou door de aanwijzing van verlopen documenten worden ondergraven.

In de tweede plaats ontstaat zowel bij de burger zelf als bij de instanties aan wie een verlopen document als identificatiedocument wordt aangeboden onduidelijkheid over de geldigheid daarvan. Het aanwijzen van een verlopen paspoort of NIK als identiteitsbewijs in de zin van de Wet op de identificatieplicht kan er bij de burger toe leiden dat deze abusievelijk van mening is dat met het document ook nog naar het buitenland zou kunnen worden gereisd. Het gevolg daarvan is dat hij op weg naar of in het buitenland bij controle van zijn document problemen zal ondervinden van het feit dat de in het document vermelde geldigheidsduur is verstreken.

In de derde plaats wordt met een aanwijzing van verlopen documenten als identiteitsbewijs afbreuk gedaan aan de betekenis van identiteitsbewijzen waarvan de geldigheidsduur niet is verlopen. Burgers kunnen in de veronderstelling raken dat een verlopen document altijd een geldig identiteitsbewijs is, en de vervanging van hun niet meer geldige identiteitsdocument uitstellen. Dit gedrag zal leiden tot een verhoogde vraag («run») naar paspoorten en NIK’s ten tijde van het aflopen van de regeling, met lange levertijden als gevolg.

Tot nu toe is van de bevoegdheid om verlopen documenten aan te wijzen slechts voor één specifieke situatie gebruik gemaakt. Documenten waarvan de geldigheidsduur niet meer dan vijf jaar is verlopen, zijn aangewezen als geldig identiteitsbewijs waarmee ten behoeve van de uitoefening van het kiesrecht kan worden voldaan aan de identificatieplicht bedoeld in de Kieswet. Daarmee werd enkele jaren geleden tegemoet gekomen aan de wens om een voorziening te treffen voor met name de groep oudere personen die nog in het bezit waren van een paspoort, Nederlandse identiteitskaart of rijbewijs waarvan de geldigheidsduur inmiddels was verstreken.

Het verzoek van het lid Heijnen om nu over te gaan tot een veel verder gaande algemene aanwijzing van verlopen paspoorten en Nederlandse identiteitskaarten als identiteitsbewijs, teneinde burgers die geen vingerafdrukken willen afgeven toch gebruik te kunnen laten maken van deze documenten, zal er naar verwachting toe leiden dat de hiervoor genoemde nadelige gevolgen in volle omvang zullen optreden. Mede in het licht van het feit dat het eerder genoemde wetsvoorstel binnen afzienbare tijd in werking zal kunnen treden, waardoor de in de Paspoortwet opgenomen wettelijke verplichting tot het opslaan van vingerafdrukken in de NIK komt te vervallen, acht het Kabinet het niet wenselijk om nu over te gaan tot de gevraagde aanwijzing van een verlopen paspoort of Nederlandse identiteitskaart als geldig identiteitsbewijs in de zin van de Wet op de identificatieplicht.

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, J. W. E. Spies


X Noot
1

Handelingen II 2011/12, nr. 93