Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 7 februari 2018
Aanleiding
Op 6 november jl. heeft de procureur-generaal van de Hoge Raad (PG HR) het rapport
«Gedeelde informatie»1 aangeboden. Ik ben hem erkentelijk voor het onderzoek dat hij heeft verricht. In
deze brief wil ik graag reageren op het rapport, dat ingaat op de informatieverstrekking
door het Openbaar Ministerie (OM) in relatie tot de uitvoering van de Wet bijzondere
opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Bopz).2
Doel onderzoek
De PG HR heeft onderzoek gedaan naar de naleving van de wet door het OM bij het toevoegen
van strafvorderlijke, justitiële en politiegegevens aan het dossier in het kader van
de Bopz. Het onderzoek vond plaats in het kader van de toezichthoudende bevoegdheid
van de PG HR op het OM.3 In het onderzoek is gekeken of er vanuit het oogpunt van privacybescherming een wettelijke
grondslag bestaat voor het door het OM toevoegen van extra gegevens aan het Bopz-dossier,
bedoeld voor de beoordeling door de rechter van een dwangopname in een psychiatrisch
ziekenhuis.
Conclusies
De PG HR stelt in het rapport voorop dat het belang en de urgentie van de verstrekking
van strafrechtelijke gegevens aan de rechter buiten kijf staan, gelet op de ervaringen
in de zaak Bart van U. Volgens de PG HR kunnen strafrechtelijke gegevens ertoe bijdragen
een onderbouwd oordeel te vellen over de vraag of er voldaan wordt aan het gevaarscriterium
en of er een noodzaak is om over te gaan tot een dwangopname.
De PG HR constateert dat het OM met grote inzet en voortvarendheid heeft gewerkt aan
een uniforme werkwijze voor de verstrekking van gegevens in de Bopz-procedure. De
belangrijkste algemene bevinding van de PG HR is dat het OM naar aanleiding van de
aanbevelingen van de Commissie Hoekstra feitelijk is begonnen met het voegen van strafrechtelijke
gegevens in het Bopz-dossier zonder daarbij voldoende duidelijk vast te stellen of
het hiertoe op grond van de actuele gegevensbeschermingswetgeving wel in alle gevallen
bevoegd was en zonder zich voldoende rekenschap te geven van de voorwaarden die hierbij
in acht dienden te worden genomen. Het onderzoek bevestigt nu echter dat er voor het
verstrekken van strafvorderlijke gegevens aan de Bopz-rechter voldoende wettelijke
grondslag bestaat, dus het OM kan die werkwijze continueren.
De verstrekking van politiegegevens door het OM aan de Bopz-rechter, die geen onderdeel
zijn van het strafdossier, heeft volgens de PG HR echter niet rechtmatig plaatsgevonden.
Er zou geen toereikende wettelijke grondslag zijn voor de verstrekking van politiemutaties
door de politie aan het OM en dientengevolge de doorverstrekking daarvan aan de Bopz-rechter.
De verstrekking van gegevens uit de registratiesystemen van veiligheidshuizen gedurende
de looptijd van de pilot heeft niet in overeenstemming met de toepasselijke privacyregelgeving
plaatsgevonden omdat een grondslag daarvoor volgens de PG HR ontbreekt.
Aanbevelingen
De PG HR beveelt aan om, vooruitlopend op de inwerkingtreding van o.a. de Wet verplichte
ggz, regelgeving uit te vaardigen waarin de grondslag voor de verstrekking van justitiële,
strafvorderlijke en politiegegevens in het kader van de Bopz procedure wordt vastgelegd
en met de vereiste waarborgen wordt omkleed.
Reactie
In lijn met de aanbeveling van de PG HR is inmiddels uitdrukkelijk voorzien in de
bevoegdheid van de politie om de bedoelde politiegegevens aan het OM te verstrekken.
Daartoe is een Wpg-machtigingsbesluit Bopz opgesteld (ex art. 18, lid 2 Wpg).4 Dat besluit is op 21 december jl. gepubliceerd in de Staatscourant en een dag later
in werking getreden. In aansluiting daarop zal het OM de Aanwijzing Wpg in toelichtende
zin aanpassen. Het OM zal het verstrekken van strafvorderlijke gegevens aan de Bopz-rechter
uitdrukkelijk opnemen in de Aanwijzing Wjsg, om buiten twijfel te stellen dat artikel
39f Wjsg de wettelijke basis voor die verstrekking biedt. Beide aanwijzingen treden
zo snel mogelijk (naar verwachting dit kwartaal) in werking. Ik ben in overleg met
het OM over welke betekenis en mogelijk andere gevolgen de conclusies van de PG HR
hebben voor de dossiers die gedurende de pilotperiode door de rechter zijn beoordeeld.
De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus