nr. 3
BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 1 oktober 1998
Op 11 juni jl. heeft een algemeen overleg plaatsgevonden van de vaste
commissies voor Binnenlandse Zaken en voor Justitie met bewindslieden van
Binnenlandse Zaken en Justitie (25 760, nr. 2). Tijdens dit overleg heeft
de heer Van de Camp vragen gesteld over de rechtmatigheid van het gebruik
door politie en justitie van video-opnames van gebeurtenissen waarop het cameratoezicht
niet (primair) is gericht. Deze vragen betroffen het cameratoezicht in het
wijkgebied Warmoesstraat in Amsterdam, met als doel straatroof terug te dringen.
Tijdens een bezoek van leden van de vaste commissie voor Justitie aan
het bureau Warmoesstraat is de indruk ontstaan dat de politie, zich baserende
op een advies van de Registratiekamer, geen gebruik zou mogen maken van beelden
van andere delicten dan straatroof.
Aan de vaste commissies is toegezegd dat de Kamer hierover nog zal worden
ingelicht, aan welke toezegging ik bij deze voldoe.
De Registratiekamer heeft het Regionaal politiekorps Amsterdam-Amstelland
desgevraagd geadviseerd over het plan voor cameratoezicht in het wijkgebied
Warmoesstraat.
Zoals ook in dit advies van 5 februari 1997, waarvan een kopie is bijgevoegd1 , wordt aangegeven, is sprake van persoonsgegevens in
de zin van de Wet persoonsregistraties. Dit betekent onder meer dat het doel
van het cameratoezicht vooraf bepaald en omschreven moet worden.
Blijkens haar advies stelt de Registratiekamer zich op het standpunt dat
de beelden in principe slechts mogen worden gebruikt voor het doel waarvoor
zij zijn geregistreerd doch dat incidenteel wel beelden van andere type delicten
kunnen worden gebruikt voor de uitoefening van de politietaak, zoals omschreven
in artikel 2 van de Politiewet 1993.
Het advies leidt derhalve niet tot de conclusie dat politie nimmer gebruik
zou mogen maken van beelden van bijvoorbeeld geweldsdelicten die worden gemaakt
met camera's gericht op straatroof.
Wel kan daaruit worden afgeleid dat, wil de politie systematisch beelden
van andere delicten vastleggen, eerst het doel opnieuw omschreven moet worden,
waarbij zo concreet mogelijk moet worden aangegeven om welke delicten
het gaat. Bij wijziging van het doel zal de politie ook de andere normen die
uit het oogpunt van privacybescherming gelden voor het gebruik van camera's
voor beveiliging en toezicht, met name dat het gebruik noodzakelijk is voor
de uitoefening van haar taak, in aanmerking moeten nemen.
Ik deel de opvatting van de Registratiekamer dat de beelden in het geval
van het plan cameratoezicht Warmoesstraat in principe slechts mogen worden
gebruikt voor het doel waarvoor zij zijn geregistreerd. Uitzondering hierop
is mogelijk èn gewenst wanneer op de beelden andere strafbare feiten
zijn vastgelegd, waarbij die beelden als bewijsmateriaal in een strafproces
bruikbaar zijn.
Dit is waar de Registratiekamer op doelt wanneer zij vermeldt dat incidenteel
wel beelden van andere delicten kunnen worden gebruikt voor de uitoefening
van de politietaak. Ik heb dit met de Registratiekamer afgestemd.
Ik hoop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.
De Minister van Justitie,
A. H. Korthals