Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2001-2002 | 25726 nr. 18 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2001-2002 | 25726 nr. 18 |
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 8 maart 2002
Op 4 juli 2001 heb ik U geïnformeerd over het Preventiebeleid 2001–2004 als het vervolg op de CRIEM-pilotprojecten (25 726 nr. 9). Tijdens het Algemeen Overleg op 15 november 2001 met de VC BZK heb ik mogen constateren dat er ruim draagvlak was voor de hoofdlijnen en invulling van dit Preventiebeleid 2001–2004.
Op 4 december 2001 is een zestal moties ingediend met betrekking tot voornoemd onderwerp, waarvan er vijf zijn aangenomen. Met deze brief informeer ik U, mede namens de Staatssecretaris van Justitie, over de wijze waarop aan deze vijf moties inhoud is gegeven en welke activiteiten zijn en zullen worden ontplooid.
Drie moties zijn rechtstreeks van toepassing op het Preventiebeleid 2001–2004, nl. de motie van het lid O.P.G. Vos c.s. (25 726 nr. 10), de motie van het lid Van der Staaij c.s. (25 726 nr. 12) en de motie van het lid Arib (25 726 nr. 15). Hieronder wordt op deze drie moties uitvoerig ingegaan.
Over motie 25 726 nr. 11 van het lid Verburg c.s. wordt u geïnformeerd in de nota over de versterking van de aanpak jeugdcriminaliteit, die u voor het verkiezingsreces zal worden toegezonden. Motie 25 756 nr. 13 van de leden Van der Staaij en Arib wordt verwerkt in een brief over de instelling van een Marokkaans-Nederlands interactieteam. Ook deze brief zal u in ieder geval voor het verkiezingsreces bereiken.
Stand van zaken Preventiebeleid 2001–2004
Voordat ik inga op hoe gevolg wordt gegeven aan de moties 10, 12 en 15, wil ik eerst nog een aantal opmerkingen maken over het Preventiebeleid 2001–2004.
Hoofddoel van het Preventiebeleid 2001–2004 is het voorkomen van marginalisering en van het in de criminaliteit belanden van jongeren uit etnische minderheidsgroepen. Hiertoe worden gemeenten gefaciliteerd bij het beter sluitend maken van de keten aan voorzieningen, instellingen en activiteiten, zodat allochtone jeugd optimaal van het aanbod gebruik kan maken en voorkomen wordt dat zij in de marge van de samenleving belandt. Daarnaast worden handreikingen en instrumenten ontwikkeld die alle gemeenten ondersteunen bij het voeren van criminaliteitspreventiebeleid. Tot slot worden best practices van criminaliteitspreventie, die her en der zijn ontwikkeld, geëvalueerd (indien dat nog niet eerder gebeurd was), en wordt kennis en informatie over deze best practices voor alle gemeenten toegankelijk gemaakt.
Met 44 grotere gemeenten, namelijk de G25, de G17 en 2 overige, is inmiddels een traject ingezet:
• De acht voormalige CRIEM-pilotgemeenten, waarvan vijf uit de G25 en één uit de G17, hebben in oktober 2001 aangegeven welke zaken, die in de CRIEM-pilotfase zijn ontwikkeld en succesvol zijn gebleken, zij verder uit willen breiden naar bijvoorbeeld andere wijken of andere doelgroepen. Deze vervolgplannen zijn in november 2001 beoordeeld en in december 2001 grotendeels gehonoreerd. Hiertoe is € 5 445 362,60 (f 12 000 000,–) over de 8 betreffende gemeenten verdeeld. Zij zijn per januari 2002 gestart met de uitvoering van de vervolgplannen.
• De twintig overige G25-gemeenten is begin oktober 2001 verzocht onorthodoxe, vernieuwende oplossingen aan te dragen voor actuele problematiek rondom allochtone jeugd en criminaliteit. Een vijftiental gemeenten heeft hierop gereageerd door projectaanvragen in te dienen. Deadline hiervoor was 1 januari 2002. Deze plannen worden thans beoordeeld en ik zal in maart 2002 bekendmaken welke plannen voor financiering in aanmerking komen. Voor deze onorthodoxe oplossingen is in totaal € 4 537 802,20 (f 10 000 000,–) beschikbaar.
• De zestien overige G17-gemeenten, die buiten het Grote Stedenbeleid vallen, maar wel meer dan 100 000 inwoners hebben waarvan meer dan 7% uit etnische minderheidsgroepen, zijn per 1 november 2001 gestart met het maken van een meerjarenplan voor criminaliteitspreventiebeleid. Ook hier geldt als uitgangspunt dat via de gesloten ketenbenadering wordt toegewerkt naar het bereiken van het hoofddoel: voorkomen van marginalisering en van het in de criminaliteit belanden van jeugd uit etnische minderheidsgroepen. Volgens het advies van de commissie Bandell (de Externe Commissie CRIEM) krijgen deze gemeenten ruim de tijd voor deze planvormingsfase, nl. tot 1 mei 2002, en worden zij tijdens de planvorming financieel en inhoudelijk ondersteund. Hiertoe is € 5 082 338,40 (f 11 200 000,–) verdeeld over de betreffende 16 gemeenten. Middelen die gemeenten aan het eind van de planvormingsfase hiervan overhouden voegen zij conform afspraak toe aan de uitvoering van het plan. Na beoordeling van de plannen ontvangen de 16 gemeenten middelen voor de uitvoering van de plannen in de jaren 2002 t/m 2004, zoals is vastgelegd in de Bijdrageregeling Preventiebeleid 2001–2004, die is gepubliceerd in de Staatscourant d.d. 28 november 2001.
De motie van het kamerlid O.P.G. Vos c.s. (25 726 nr. 10) vraagt «aan de afspraken die per gemeente worden gemaakt als voorgenomen resultaat het terugdringen van criminaliteit onder jongeren van etnische minderheden toe te voegen».
Voorop staat dat bij de beschrijving van het Preventiebeleid 2001–2004 aan de Kamer, en de correspondentie hierover aan gemeenten, het terugdringen van marginalisering en criminaliteit onder jongeren van etnische minderheden steeds als hoofddoel genoemd is. Dit hoofddoel is dan ook terug te vinden in alle plannen die bij het ministerie in dit kader zijn (en worden) ingediend. Uiteraard verschillen vervolgens de deelterreinen en subdoelen waaraan gemeenten hebben aangegeven te willen werken, gelet op de specifieke lokale situatie.
Betekenis van deze motie voor de bij Preventiebeleid 2001–2004 actief betrokken gemeenten:
• Zoals hierboven uiteengezet hebben de 8 voormalige CRIEM-pilotgemeenten hun vervolgplannen reeds in oktober 2001 ingediend, en zijn zij na beoordeling en honorering sinds januari 2002 aan de slag met de uitvoering ervan. De motie kon dus niet meer alsnog meegenomen worden in de plannen of in de toekenning van de middelen, aangezien deze zaken al vóór aanname van de motie afgerond waren. Wel is de preventiebeleid-coördinatoren, die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de plannen, uitdrukkelijk verzocht gevolg te geven aan het in de motie gevraagde.
• De zestien gemeenten, die tot 1 mei a.s. bezig zijn met het opstellen van hun meerjarige plannen t.a.v. preventiebeleid, kunnen de motie nog wel bij de planvorming betrekken. Vanuit het ministerie is een ondersteuningspunt opgezet om de preventiebeleid-coördinatoren van de 16 gemeenten, die ambtelijk verantwoordelijk zijn voor het opstellen van de plannen, te voorzien van informatie. In de bijeenkomsten wordt uitvoerig besproken op welke wijze aan deze motie bij de planvorming en later bij de uitvoering van de plannen inhoud kan worden gegeven. Bij de beoordeling van de plannen na 1 mei a.s. zal het voldoen aan het in de motie gevraagde als één van de criteria gelden. Tevens zal ik bij de toekenning van de financiële middelen het gemeentebestuur in een separate brief hiervoor extra aandacht vragen.
• De plannen met onorthodoxe oplossingen voor actuele problematiek rondom allochtone jeugd en criminaliteit moesten voor 1-1-2002 bij het ministerie zijn ingediend. Gemeenten hebben dus bij het opstellen van deze plannen geen rekening kunnen houden met deze op 11 december 2001 aangenomen motie. Bij de beoordeling die momenteel plaatsvindt, wordt (uiteraard) wel gekeken of het terugdringen van criminaliteit onder jongeren uit etnische minderheden voorgenomen resultaat is. Aangezien dat ook het uitgangspunt bij het verzoek tot indiening was is dat doorgaans het geval. Bij toekenning van de middelen zal de motie betrokken worden in de afspraken met die gemeenten, wiens plannen gehonoreerd gaan worden. De betreffende gemeentebesturen (welke dat zijn is dus nu nog niet bekend) zullen hier in een afzonderlijk schrijven expliciet op geattendeerd worden.
De motie van het lid Van der Staaij c.s. (25 726 nr. 12) spreekt uit dat in het vervolgbeleid 2001–2004 de expliciete relatie met (vermindering van) criminaliteit niet dient te verdwijnen, en dat de samenhang van preventief beleid met repressieve maatregelen onverminderd beleidsdoel dient te blijven.
Daar voor het Preventiebeleid 2001–2004 het voorkomen van marginalisering en het in de criminaliteit belanden van jeugd uit etnische minderheidsgroepen als hoofddoel is gekozen, is de relatie met vermindering van criminaliteit een gegeven. Gevolg gevend aan de adviezen van de commissie Bandell blijft in het Preventiebeleid 2001–2004 wel aandacht voor jeugd in alledrie de eerder gehanteerde leeftijdsfasen: jeugd in de voorschoolse, schoolse en naschoolse fase. Gezien het feit dat, bij activiteiten die in het verleden in dit kader werden opgestart voor jonge jeugd (in de voorschoolse en schoolse fase), de noemer CRIEM nogal eens contraproductief bleek te werken vanwege stigmatisering, is besloten om in het vervolgbeleid af te stappen van de naam CRIEM, en te kiezen voor «preventie» als kernwoord. Vermindering van criminaliteit is daarmee als doel echter niet op de achtergrond geraakt. Integendeel, dit is ook in het vervolgbeleid hoofddoel gebleven. Door het voorkomen van marginalisering en het in de criminaliteit belanden van jeugd uit etnische minderheidsgroepen, wordt immers uiteindelijk bijgedragen aan vermindering van criminaliteit.
Jongeren die nog geen delict hebben gepleegd, maar die wel (nu of in de toekomst) dreigen af te glijden naar criminaliteit worden bereikt door de activiteiten geïnitieerd vanuit o.a. het ministerie van BZK. Jongeren die al wel een delict gepleegd hebben worden bereikt door door het ministerie van Justitie geïnitieerde activiteiten/programma's. Een voorbeeld hiervan is Individuele Trajectbegeleidng CRIEM (ITB CRIEM). Aangezien de samenhang tussen preventieve en repressieve activiteiten van eminent belang is, wordt al sinds het verschijnen van de CRIEM-nota (nov. 1997) samengewerkt met het ministerie van Justitie. Regelmatig stemmen beide ministeries beleidsplannen en activiteiten met elkaar af. Soms worden zaken in samenwerking van beide ministeries ontwikkeld, zoals de conferentie over Marokkaanse jeugd die op 10 oktober 2001 plaatsvond in Den Haag, of de ontwikkeling van de handreiking privacy-aspecten voor gemeenten die bezig zijn met uitwisseling van persoonsgegevens in het kader van criminaliteitspreventie, die binnenkort in druk verschijnt.
Het Preventiebeleid 2001–2004 (van BZK) biedt een aantal gemeenten voorts de mogelijkheid in hun plannen ook ITB CRIEM (van Justitie) op te nemen, indien daar in die gemeenten nog geen financiën voor waren, en hier vervolgens een deel van hun preventiemiddelen voor in te zetten, als daarmee de link tussen preventie en repressie nog steviger vormgegeven kan worden.
Samenhang van preventief beleid met repressieve maatregelen is aldus op landelijk niveau gewaarborgd en zal onverminderd beleidsdoel blijven. Ook gemeenten zijn in correspondentie over het Preventiebeleid 2001–2004 steeds gewezen op het belang van samenhang tussen preventie en repressie. Op dezelfde manier zoals hierboven is beschreven inzake de motie O.P.G. Vos c.s., zal ook de motie Van der Staaij c.s. nadrukkelijk bij gemeenten onder de aandacht worden gebracht.
De motie van het kamerlid Arib (25 726 nr. 15) verzoekt aan de Kamer voor 1 maart 2002 inzichtelijk per beleidssector aan te geven:
a) hoe het beschikbaar gestelde geld is besteed en hoe dit voor de doelgroep van CRIEM is ingezet;
b) hoeveel allochtone kinderen/jongeren door de individuele trajectbegeleiding zijn bereikt;
c) hoeveel allochtone kinderen door de aanpak van CRIEM niet meer spijbelen, de school afmaken en aan het werk zijn; dan wel of er sprake is van recidive.
Ad a): In het bovenstaande is bij de beschrijving van de stand van zaken Preventiebeleid 2001–2004 reeds beknopt ingegaan op de besteding van het beschikbaar gestelde geld voor de jaren 2001 t/m 2004 tot nu toe: in 2001 is € 5 445 362,60 (f 12 000 000,–) verdeeld over de acht voormalige CRIEM-pilotgemeenten en € 5 082 338,40 (f 11 200 000,–) over de 16 gemeenten die momenteel hun meerjarenplan opstellen. Naast de aldaar genoemde zaken is in 2001 € 2 722 681,30 (fl 6 000 000,-) besteed aan stimuleringsprojecten voor Antilliaanse jongeren en ongeveer € 2 268 901,10 (f 5 000 000,–) aan voor- en vroegschoolse educatie (VVE) voor o.m. een campagne en het betrekken van moeilijk bereikbare ouders bij VVE.
In 2002 zal € 4 537 802,20 (f 10 000 000,–) besteed worden aan de financiering van onorthodoxe oplossingen voor actuele problematiek rond jeugd uit etnische minderheidsgroepen en criminaliteit, die gemeenten hebben ingediend. Daarnaast zullen in 2002 de 16 gemeenten een eerste termijnfinanciering gaan ontvangen voor de uitvoering van de per 1 mei a.s. ingediende meerjarenplannen preventiebeleid. Voor de zomer 2002 zal ik U middels een separate brief informeren over de besteding van de gelden in 2002 en hoe deze voor de doelgroep van CRIEM zijn ingezet.
Ad b): Individuele trajectbegeleiding specifiek voor allochtone jongeren die een (licht) delict gepleegd hebben, ITB CRIEM, is een programma dat door Justitie is ontwikkeld en pas relatief kort wordt ingezet. In 2001 namen 242 jongeren deel aan een traject binnen het kader van ITB CRIEM. Daarnaast hebben 240 jongeren in 2001 een ITB harde kern-traject doorlopen.
Ad c): Inzicht geven in aantallen kinderen uit etnische minderheidsgroepen die door CRIEM niet meer spijbelen, de school afmaken en aan het werk zijn, danwel of er sprake is van recidive, is op dit moment niet mogelijk. Ten eerste zal nooit exact kunnen worden achterhaald of de in de CRIEM-pilots behaalde resultaten, en de uit de nieuwe, in het kader van het vervolgbeleid 2001–2004 ingediende plannen nog te behalen resultaten, het gevolg zijn van de CRIEM-aanpak of ook van ander beleid en andere maatregelen. Ten tweede is de bestaansgeschiedenis van «de CRIEM-aanpak» te kort (pilotprojecten in een 8-tal gemeenten in 1999 en 2000 en een zojuist gemaakte start met het vervolgbeleid 2001–2004) om nu al representatieve cijfers te kunnen geven. Ten derde zit het succes van de aanpak niet alleen in de aantallen kinderen die ervan weerhouden zijn in de criminaliteit te belanden, alswel ook in het proces op gemeentelijk niveau dat er toe leidt dat er sluitend beleid ontstaat waardoor voor alle jongeren een vangnet wordt gecreëerd.
Tot slot: over de CRIEM-pilots zijn veel cijfermatige gegevens bekend. Deze zijn gepresenteerd in de «Evaluatie CRIEM-pilots», in april 2001 uitgebracht door Regioplan. Dit rapport is als bijlage meegestuurd bij mijn brief van 4 juli 2001. Over de resultaten van de plannen zoals die zijn ingediend in het kader van het vervolgbeleid 2001–2004, zal ná 2004 een publicatie verschijnen, zoals ik heb toegezegd in het Algemeen Overleg van 15 november 2001.
Het hiervoor beschrevene in acht nemend, beschouw ik de moties met nummers 10, 12 en 15 als afgedaan, in het besef dat de uitvoering ervan nog enige tijd door zal lopen.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-25726-18.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.