nr. 12
BRIEF VAN DE MINISTER VAN FINANCIËN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 16 februari 1998
Tijdens de plenaire behandeling van het in hoofde genoemde wetsvoorstel
Bankwet 1998 op donderdag 12 februari jl. heeft het lid Witteveen-Hevinga
aangegeven eraan te hechten dat de uitzondering zoals genoemd in artikel 17,
tweede lid, nader wordt gepreciseerd. Daartoe heeft zij een amendement ingediend
(Kamerstukken II, 1997–1998, 25 719, nr. 9), mede namens de leden
Hoogervorst en Terpstra. In mijn antwoord in de tweede termijn deelde ik reeds
mee deskundigen te willen consulteren over de door Witteveen-Hevinga c.s.
voorgestelde aanpassing van het artikel en de Kamer hierover spoedig te zullen
informeren.
Nadere bestudering van het amendement en consultatie van deskundigen van
de Nederlandsche Bank en het Europees Monetair Instituut leveren de volgende
bevindingen op.
Aanneming door de Kamer van het amendement van het lid Witteveen-Hevinga
c.s. stuit op het volgende bezwaar.
Binnen het ESCB-kader zullen meer gegevens en inlichtingen dan alleen
de beraadslagingen van de Raad van Bestuur naar hun aard geheim zijn. Daarbij
kan bij wijze van voorbeeld worden gedacht aan rapportages van monetaire gegevens
door financiële instellingen en gegevens omtrent interventies in de geld-
en valutamarkt. Derhalve volstaat een verwijzing naar louter artikel 10.4
ESCB-Statuten niet: uitsluitend naar dit artikel verwijzen biedt een te beperkte
uitzondering op de verplichting van de Bank om de Minister te informeren.
Derhalve is een verwijzing naar de bepaling in artikel 38 ESCB-Statuten omtrent
het beroepsgeheim noodzakelijk. Dit laatste wordt door de eerder genoemde
deskundigen bij het Europees Monetair Instituut en de Nederlandsche Bank bevestigd.
Bovendien bevat het EMI-rapport «Voortgang naar convergentie 1996»
in paragraaf II.2 betreffende de onafhankelijkheid van centrale banken een
passage terzake. In de in bijlage 1 geciteerde tekst wordt in het eerste gedachtenstreepje
aan artikel 107 EG-Verdrag gerefereerd, in het tweede gedachtenstreepje aan
artikel 10.4 ESCB-Statuten en in het derde gedachtenstreepje aan de artikelen
10.4 en 38 ESCB-Statuten.
Derhalve moet ik de Kamer aanneming van het amendement van het lid Witteveen-Hevinga
c.s. ontraden.
Niettemin zou ondergetekende naar aanleiding van de gedachtenwisseling
met de Kamer een handreiking willen doen. Aangezien het amendement tot doel
heeft duidelijk te maken op welke bepalingen in het EG-Verdrag annex ESCB-Statuten
wordt gedoeld in de zinsnede «met uitzondering van gegevens of inlichtingen
die ingevolge het Verdrag geheim zijn», zou artikel 17, tweede lid,
als volgt kunnen luiden:
«De Bank is, met inachtneming van artikel 10.4 en artikel 38
van de Statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken, verplicht aan
Onze Minister de in het eerste lid bedoelde gegevens en inlichtingen te verstrekken.»
Ondergetekende meent dat het bepaalde in artikel 17, tweede lid, aldus
geformuleerd in materiële zin niet afwijkt van het wetsvoorstel. Tegelijkertijd
wordt wel de gewenste verduidelijking aangebracht. Ondergetekende meent dan
ook dat de verwachting gerechtvaardigd is dat het Europees Monetair Instituut
deze herformulering in overeenstemming met het EG-Verdrag zal beschouwen (zie
ook bijlage 1).
Terzake van de verwijzing in het amendement naar artikel 107 EG-Verdrag
wordt opgemerkt dat dit artikel zich niet primair tot de Bank richt. Artikel
107 EG-Verdrag beoogt met name te voorkomen dat getracht wordt de Europese
Centrale Bank en de nationale centrale banken te beïnvloeden. Mocht het
nodig worden geacht om naar artikel 107 EG-Verdrag te verwijzen, dan zou deze
verwijzing in het eerste lid van artikel 17 kunnen worden opgenomen.
Hoewel ondergetekende een voorkeur heeft voor de formulering in het wetsvoorstel,
wordt een gewijzigd amendement als hierboven gesuggereerd (zie ook bijlage
2) acceptabel geacht. Daarmee meent ondergetekende dat, binnen de randvoorwaarden
die aan het EG-Verdrag kunnen worden ontleend, maximaal aan de wensen van
de indieners van het amendement tegemoet wordt gekomen.
Ten slotte attendeert ondergetekende de Kamer op de consequentie van het
bovenstaande voor het amendement Hoogervorst c.s. (Kamerstukken II, 1997–1998,
25 719, nr. 8), dat ook naast artikel 38 ESCB-Statuten daarin een verwijzing
naar artikel 10.4 ESCB-Statuten dient te worden opgenomen.
De Minister van Financiën,
G. Zalm
BIJLAGE 1 Passage uit de publicatie «Voortgang naar convergentie
1996» van het Europees Monetair Instituut (paragraaf II.2 inzake de
onafhankelijkheid van centrale banken)
«Een dialoog tussen nationale centrale banken en de desbetreffende
politieke autoriteiten, zelfs als deze is gebaseerd op wettelijke verplichtingen
informatie te verstrekken en zienswijzen uit te wisselen, is niet onverenigbaar
met het Verdrag en de Statuten, mits:
– deze niet van invloed is op de onafhankelijkheid van de leden
van de besluitvormende organen van nationale centrale banken;
– deze niet van invloed is op de bevoegdheden van de ECB en haar
plicht verantwoording af te leggen op het Gemeenschapsniveau, noch op de bijzondere
status van een President in zijn/haar hoedanigheid als lid van de besluitvormende
organen van de ECB, en
– aan de uit de Statuten voortvloeiende geheimhoudingsverplichtingen
wordt voldaan.»
BIJLAGE 2 Mogelijke formulering van een nader gewijzigd amendement
Witteveen-Hevinga
De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:
Artikel 17 komt te luiden:
Artikel 17
1. Onze Minister is, met inachtneming van artikel 107 van het Verdrag,
bevoegd de Bank met betrekking tot de taken en werkzaamheden ter verwezenlijking
van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde doelstelling, gegevens of inlichtingen
te vragen die naar zijn oordeel nodig zijn ter bepaling van het financieel-economisch
beleid van de regering.
2. De Bank is, met inachtneming van artikel 10.4 en artikel 38 van de
Statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken, verplicht aan Onze
Minister de in het eerste lid bedoelde gegevens en inlichtingen te verstrekken.